We bespreken uit de Jaarboeken alleen de artikelen die gezien onze studie van belang zijn.

Klik op de tekst voor een vergroting.
Het FUNDAMENT van alle verwarring is het Karolingisch Paleis van Karel de Grote in Nijmegen.
Dat paleis blijkt gebouwd op los zand, op nooit bewezen losse beweringen.
Op dat losse zand zijn alle volgende mythen gebouwd.
Immers als Nijmegen fout is, was de Betuwe ook niet het land van de Bataven; was Utrecht niet de bisschopszetel van Willibrord, werd Bonifatius niet in Dokkum vermoord en hebben de Noormannen nooit in Nederland geplunderd.
Dan stort het hele kaartenhuis van de Nederlandse mythen in elkaar.
Bonifatius, Willibrord, Karel de Grote en de Noormannen zijn voor Nederland volkomen legendarisch.
|
|
Over de vroegste geschiedenis van de stad Utrecht is door geleerden uit verschillende vakgebieden zoveel geschreven en als hypothese of theorie geponeerd, dat in plaats van een 'communis opinio' een steeds grotere verwarring is ontstaan en een 'status questionis' nauwelijks meer te geven valt. Het vroegmiddeleeuwse Traiectum wordt als de voortzetting van het Romeinse castellum beschouwd en hebben de meeste historici aangenomen, dat er vroeger een rivier was die door het huidige Utrecht stroomde en dat die rivier de Rijn was. Tegenwoordig is er van die rivier niets anders over dan enige stukjes gracht en wat nietige waterlopen. Tot zover is men het in grote trekken met elkaar eens, maar dan beginnen de moeilijkheden. (Bron: Jaarboek Oud-Utrecht 1975, p.44 e.v.).
De visie van Albert Delahaye.
Over de geschiedenis van Utrecht is veel geschreven, maar nog meer verzonnen. St.Willibrord is voor Utrecht volkomen legendarisch, hij is er nooit geweest, omdat Utrecht in zijn tijd vanwege de transgressies, onder water lag. Een Romeinse aanwezigheid is er zeker geweest, maar rond 260 n.Ch. hebben de Romeinen Nederland verlaten vanwege de toenemende wateroverlast en zijn zij naar het zuiden vertrokken op ongeveer de taalgrens. Pas in de 11de eeuw is er weer sprake van enige bewoning in Utrecht.
M. J. G Th. Montforts, De topografie van Utrecht in de Romeinse tijd. Opmerkingen in rood.
Het romeinse Utrecht werd niet alleen door soldaten in het castellum bewoond. Buiten de oostelijke en westelijke poort van dit grensfort woonden 'burgers' in nederzettingen, die vicus worden genoemd. Van de wijze waarop deze vici bewoond werden weten we weinig. Wel zijn er bij opgravingen grondsporen en voorwerpen te voorschijn gekomen. Door te kijken waar de concentraties van vondsten van romeins materiaal ophouden is de uitgestrektheid van die burgernederzetting, bij benadering te bepalen.
Alleen enkele slootjes en greppels bieden enig inzicht in de structuur van de nederzetting. Opvallend is dat de richting van die perceelsscheidingen één keer van richting verandert. Dat duidt op herindeling van het terrein, die misschien nodig was na een (natuur)ramp. Een aantal drassige plekken in en bij de vici werd kennelijk als een soort vuilnisbelt gebruikt, want daarin werden vrij veel weggegooide voorwerpen gevonden. De transgressies zijn niet langer te ontkennen.
Utrecht staat al van oudsher bekend als vindplaats van 'Romeinsche oudheden'. Reeds in de middeleeuwen gingen stemmen op dat de stad haar ontstaan te danken zou hebben aan de Romeinen. In de 19de eeuw werd er regelmatig over de Romeinse oorsprong van Utrecht geschreven. In deze verhalen, die voornamelijk gebaseerd waren op vondsten die her en der bij graafwerkzaamheden in de stad te voorschijn waren gekomen, werd druk gespeculeerd. Er is over de geschiedenis van Utrecht het nodige gespeculeerd, met name over de aanwezigheid van Willibrord.
Tijdens het onderzoek, geleid door Van Giffen, Vollgraff en Van Hoorn, werden op het Domplein de resten teruggevonden van een legerplaats, een castellum, of liever gezegd van vijf castella uit de periode tussen ca. 47 en 270. In het derde kwart van de 3de eeuw werd het castellum verlaten en is nadien waarschijnlijk niet meer bezet geweest.Laat dat 'waarschijnlijk' maar weg. Het is niet meer bezet geweest. Duidelijk is wel dat er vóór het jaar 47 geen sprake is geweest van Romeinse aanwezigheid in Nederland, ook niet in Nijmegen. Zie de Romeinen in ons land.
Uit al dit onderzoek is naar voren gekomen dat het oudste fort (periode I) rond 47 is aangelegd en al vrij snel is vervangen door een nieuw fort (periode II), dat in 69/70 bij de opstand van de Bataven verwoest werd. Een dikke brandlaag vormt hiervan een stille getuige. Een brandlaag vormt geen enkel bewijs. Deze zwarte lagen komen ook overal voor, waar nog nooit 'brand' is geweest, zoals in het gegeven voorbeeld in Amersfoort.
Opmerkelijk was dat tengevolge van latere rivieractiviteit (12de eeuw) de rivier zijn loop gewijzigd had in een N-Z richting. Hieruit kon afgeleid worden dat de loop van het noordelijk en oostelijk deel van de huidige Kromme Nieuwe Gracht niet is terug te voeren op een Romeinse - wat men altijd gedacht had -, maar op een 12-eeuwse rivierloop. Enkele scherven die afkomstig zijn uit dit niveau dateren mogelijk uit de laat-Romeinse en/of vroeg-middeleeuwse periode. Het ophogingspakket hierboven, dat gezien enkele fragmenten van kogelpotaardewerk uit de 12de-13de eeuw moet dateren, bevatte ook vele fragmenten Romeins aardewerk, die als 'opspit' beschouwd dienen te worden.Er wordt in dit artikel veel geschreven over Romeinse vondsten, waarna plots de 1de en 13de eeuw wordt genoemd. Zie ook de volgende opmerking.
Op grond van de scherven die in deze laag werden aangetroffen, moet de laag tussen het eind van de 1ste en de 2de eeuw gedateerd worden. Op deze laag lag een kleipakket dat in de 12de eeuw geplaatst moest worden, gevolgd door verschillende ophogingslagen uit de 13de eeuw en later. Hier zien we het gat van Utrecht, dat net als het gat van Nijmegen bewijst dat Willibrord hier niet gemissioneerd heeft. Het gebied waar nu Utrecht ligt, was in zijn tijd overstroomd. Lees meer over het gat van Nijmegen.
Uit de funderingskuil (Boterstraat) werden verder nog scherven verzameld uit de 2de en de eerste helft van de 3de eeuw benevens enkele middeleeuwse scherven met name uit de 12de eeuw.Zie de vorige opmerking. Het is een volgend project die hetzelfde aantoont: van de Romense tijd springt men over naar de 12de eeuw.
Het diepste niveau in de Boterstraat bestond - zoals overal in de stad - uit riviersedimenten : vrijwel horizontaal gelaagde zand- en kleilagen, die tot ca. 0.60 m +NAP reikten. Hierop was een ongeveer 60-80 cm dikke laag grijze klei afgezet, die naar het zuiden toe afhelde en die overging in een humeuze laag met veel houtresten, wellicht een depressie of drassige plaats in het terrein.Let speciaal op de tussenzin 'zoals overal in de stad' De hier ook genoemde 'drassige plek' wordt liefst 12 keer genoemd in dit artikel en bevestigt de transgressies zondermeer.
Het komt er op naar dat Utrecht na de Romeinse tijd tot in de 12de eeuw gewoon niet bestaan als stad. St.Willibrord heeft er dan ook nooit gemissioneerd. Daarvoor ontbreekt elk bewijs, zowel tekstueel als archeologisch. Dat Willibrord hier dan gepredikt zou hebben is een volslagen mythe.
|