Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.

Citaten die het gelijk van Albert Delahaye aantonen.

"Het grootste probleem bij mythen is, dat zij makkelijker ontstaan, dan opgeruimd worden."

Een van de meeste gehoorde tegenargumenten in de visie van Albert Delahaye is, dat hij nooit steun heeft gevonden onder historici van professie. Niets is minder waar.
Verschillende beroepshistorici en -archeologen bevestigen de zienswijze van Delahaye door eigen onderzoek of in eigen publicaties. Op zeer cruciale punten geven zij Delahaye gelijk, al vermelden zij dat niet expliciet.

"Vooral over de periode tussen Romeinse tijd en late middeleeuwen is veel gefantaseerd door latere schrijvers en veel daarvan is door weinig kritische auteurs weer overgenomen. Hier past grote voorzichtigheid en scherpe controle", aldus een citaat van W. Jappe Alberts die daarmee de kern van de mythevorming en de werkwijze van veel historici haarscherp aangeeft.

"Voor zover de historische waarheid te achterhalen valt, wordt deze niet door iedereen altijd even nauw genomen. Een bepaalde interpretatie kan voor de een immers net iets aantrekkelijker zijn dan voor de ander. Bewust of onbewust bestaat er soms een zekere voorkeur voor een weergave van het verleden die net iets eerbiedwaardiger, interessanter of spectaculairder is, dan de beschikbare bronnen doen geloven."
(Bron: I.Jacobs en K.Ribbens)

"Historici en Archeologen zijn het niet altijd eens, zelfs niet onderling". (Bron: A.N.Zadoks-Josephus Jitta)

"Historici zijn vaak onwetenschappelijk bezig: ze beweren veel, maar bewijzen niets". (Bron: Dr.L.H.Bruins)

Het boek 'Mythe & Werkelijkheid' laat er geen misverstand over bestaan. Vanaf de eerste beschrijvingen van 'onze' vaderlandse geschiedenis zijn er discussies geweest over de mythen en wat er in werkelijkheid plaats gevonden heeft. 'Gebiologeerd door Bataafs-Hollands patriotisch sentiment hebben de Hollandse geschiedschrijvers bepaalde in de 17e eeuw heersende opvattingen geprojecteerd naar het verleden'. Nederland kreeg door deze fabelschrijvers een geschiedenis opgedrongen die zich hier nooit voorgedaan heeft. 'De historici hebben zich tegen beter weten in bij de gangbare opvattingen aangesloten'.

Op deze bladzijde zijn honderden letterlijke citaten van verschillende historici -soms fervente tegenstanders van de visie van Delahaye- verzameld, die het gelijk van Albert Delahaye aantonen. Bij elke citaat vindt U een bronvermelding, zodat U de betreffende opmerking kunt verifiŽren. In de schuingedrukte opmerkingen staan vanzelfsprekende conclusies, die de betreffende auteur niet altijd uit zijn eigen uitspraak heeft getrokken.



1. Over de Romeinen in Nederland.
2. Over Romeins Nijmegen.
3. Over de bewoningsgeschiedenis van Nederland.
4. Over de Germanen en de grote volksverhuizing.
5. Over de Transgressies!
6. Over de Franken, Merovingisch en Karolingisch Nederland!
7. Over St.Willibrord, Utrecht en Egmond!
8. Over St. Bonifatius en Dokkum!
9. Over Wijk bij Duurstede en de Noormannen.
10. Over de opkomst van het graafschap Holland!


1. Over de Romeinen in Nederland!

  1. Is Nijmegen gesticht door de Romeinse veldheer Gaius Julius Caesar? Welneen. Toen Julius Caesar tegen het midden van de laatste eeuw vóór Christus het grondgebied van het tegenwoordige Frankrijk en BelgiŽ bij het zich nog steeds uitbreidende, reeds uitgestrekte Romeinse rijk voegde, was het huidige stadsgebied van Nijmegen nog onbewoond. "Wij kunnen dan ook de telkens weer opduikende legende van een stichting van Nijmegen door Julius Caesar veilig laten voor wat zij is. (Bron: Van Buchem).
    Aldus de eerste alinea uit een artikel in het eerste nummer van NUMAGA, het 'eigen' tijdschrift van Nijmegen, dat zich siert met de klassieke naam van Noyon, waarmee het probleem van de in Nijmegen altijd ontkende verwarring haarfijn wordt geŽtaleerd. Julius Caesar is nooit in Nederland geweest en dan moet alles, maar dan ook werkelijk alles, dat voorheen van deze foutieve veronderstelling is afgeleid, uit de Nederlandse historie geschrapt worden. Dan was de Renus dus niet de Nederlandse Rijn, dan was de Betuwe niet het eiland der Bataven, dan vond de slag tegen de Ucipeten en Tencteren niet in Nederland plaats en woonden de volkeren als Cimbri, Cherusci en Suebi die Caesar uit eigen waarneming en treffen heeft beschreven ook niet in Nederland of zelfs ver in Duitsland. Julius Caesar is met zijn veroveringen nooit hoger geweest dan de huidige taalgrens. Dit leidt slechts tot ťťn conclusie: de geschiedenis die Caesar beschrijft in zijn "De Bello Gallico" heeft zich ten zuiden van die taalgrens afgespeeld. Als men deze ene conclusie eenmaal accepteert, komt de geschiedenis in west-Europa vanzelf op de juiste plaats terecht.

  2. Julius Caesar heeft nooit een voet in BelgiŽ gezet. (Bron: De Morgen: febr.2006)
    De Gentse oud-hoogleraar dr. Hugo Thoen, een autoriteit op oudheidkundig gebied en oud-docent provinciaal-Romeinse archeologie, komt na een studie van 50 jaar tot de conclusie dat Julius Caesar nooit een voet in BelgiŽ heeft gezet (en dus al helemaal niet in Nederland). Zo ver noordelijk is Caesar nooit geweest. Voor de geschiedschrijving lijkt dit toch de nodige consequenties te hebben. In weerwil van wat voor de meeste historici nog geldt, staan de bevindingen in de archeologie haaks op de traditionele opvattingen. Hiermee bevestigt prof.dr.Thoen onmiskenbaar de visie van Albert Delahaye. Zie ook de vorige opmerking.

  3. Er zijn geen schriftelijke, noch archeologische bewijsredenen om de Romeinse tijd in Nederland met Caesar te laten beginnen. Bron: J.Hendriks.
    Nu dat eenmaal is vastgesteld zal men de hele vaderlandse geschiedenis van Julius Caesar moeten herzien. Zij strijd tegen de Eburonen bijv. heeft zich dan ook niet in Limburg voorgedaan, maar in Noord-Frankrijk waar Beaurain hun woonplaats was.

  4. "Voor de Romeinse tijd in Nederland moet men zich behelpen met het in veel opzichten verouderde werk van A.W.Byvanck, Nederland in de Romeinschen tijd 2dln (Leiden 1943)" , (Bron: W.Jappe Alberts). Gezien hun literatuuropgave borduren veel latere historici, met als bekendste voorbeeld J.E.Bogaers, nog steeds voort op het gedachtengoed van Byvanck, dat door hen nog steeds als een standaardwerk wordt beschouwd. Toch bekijkt men de publicaties van Byvanck tegenwoordig wat kritischer. Niet zozeer om Byvanck onbetrouwbaar te noemen, maar voornamelijk omdat men de door Byvanck terecht geuite twijfel wil ontkennen en de door hem genoemde onzekerheden wil verbloemen. Men doet het voorkomen dat de tegenwoordige wetenschap een sprong vooruit heeft gemaakt ten opzichte van de tijd van Byvanck. Niets is minder waar, er is gewoon niets bijgekomen waarmee men de vermoedens die Byvanck uitspreekt, zou kunnen omzetten in zekerheden, wat echter wel zonder enige toelichting steeds gebeurd, zoals door Bogaers.

  5. De zogenaamde Tabula Peutingeriana (een Romeinse wegenkaart uit het begin van de derde eeuw) biedt de huidige historici nog grote problemen. Met name valt het niet mee de daarop geschreven plaatsnamen in Nederland te lokaliseren. (Bron: H.P.H. Jansen)
    Het valt niet alleen niet mee, maar men is er nog helemaal niet in geslaagd ťťn plaats met zekerheid te identificeren. Zie ook bij W.A. van Es, De Romeinen in Nederland. Jansen -de hier aangehaalde auteur- betoogt verder: "Maar het staat toch wel vast dat de plaatsen langs "de Renus" gezocht moeten worden langs de Oude Rijn in het huidige Nederland en niet in Noord-Frankrijk, zoals met onvoldoende argumentatie door Delahaye beweerd is". Ja, als je de boeken van Delahaye niet leest, mis je natuurlijk die argumentatie.

    De Peutingerkaart wordt internationaal op de 4e eeuw gedateerd. In Nederland hanteert men liever de 3e eeuw, omdat in de 4e eeuw de Romeinen Nederland al verlaten hadden en het niet aannemelijk te maken is, dat Nederland nog op een Romeinse wegenkaart zou voorkomen. En dit laatste is nu precies de visie van Albert Delahaye! Hij wordt in zijn visie met betrekking tot de Peutingerkaart in het gelijk gesteld door andere historici, o.a. C.Kirk, die onafhankelijk van hem de "bovenste wegen" van de kaart ook in Noord-Frankrijk plaatst. Ook al komt hij tot enkele andere determinaties van plaatsnamen, dan is het wel duidelijk dat de Patavia daar niet alleen beter past dan in Nederland, maar er gewoon aantoonbaar is. Ook andere Nederlandse en buitenlandse historici komen met de 2 wegen in de Patavia tot andere locaties. Vergelijk: H. Kreijns, J.Rozemeyer, H.Wijffels in "De Peutingerkaart en de Lage Landen".

  6. D.P.Blok geeft toe dat het niet volkomen zeker is dat wij in Fletione op de Peutingerkaart Vechten zouden hebben te zien en te lezen Fectione, gelijk de inscripties van Vechten. 'Er is geen twijfel mogelijk' schrijft J.Huizinga, die later het beroemde boek "Herfsttij der Middeleeuwen" zou schrijven. Vrijwel niemand heeft hem meer tegengesproken. (Bron: J.H.J. Joosten)
    Dit is precies het grote probleem in de Nederlandse geschiedschrijving. Er wordt iets beweerd en als dat vervolgens niet tegen gesproken wordt, is het een vaststaand gegeven geworden. Zo is dat gegaan met veel van de Nederlandse opvattingen. En als er dan al iemand er gefundeerd iets tegen inbracht, werd dat als belachelijk en onmogelijk terzijde geschoven, wat Albert Delahaye regelmatig heeft ervaren.

  7. De vroegste vondsten van Romeinse oorsprong in ons land - afgezien van de lang in circulatie blijvende munten - dateren echter niet uit Caesars tijd, maar uit de regeringsperiode van keizer Augustus (27 v. Chr. - 14 n. Chr.). - Omdat vroeg-Romeinse vondsten uit de tijd van Caesar in ons land niet zijn aangetroffen, laten we om praktische redenen de 'Romeinse periode' ten onzent aanvangen in de AugusteÔsche tijd. (Bron: J.Trimpe Burger)
    Toch laat (een deel van) historisch Nederland de komst van de Romeinen, ondanks het gemis van enig archeologisch relikt, nog steeds beginnen met de verovering van GalliŽ door Julius Caesar vanaf 54 v.Chr.

  8. Eerst in de tweede helft van de eerste eeuw na Chr. worden de Romeinse invloeden in het Deltagebied goed merkbaar. Waarschijnlijk vonden de vroegste contacten met de Romeinse voorposten reeds een eeuw eerder plaats, maar tastbare bewijzen hiervoor zijn nog niet gevonden. (Bron: De Nederlandse Delta, p.33)
    De bedoelde waarschijnlijke contacten gaan over de tijd van Julius Caesar, waarvan archeologisch nooit iets gevonden is. Het begin van de Romeinse aanwezigheid in het Deltagebied heeft op zijn vroegst halverwege de eerste eeuw plaats gevonden. De "Nederlandse Delta" laat de Romeinse tijd beginnen in 70 n.Chr. en eindigen in 275 n.Chr. Aardenburg staat hierbij model voor de Romeinse occupatie.

  9. De schriftelijke bronnen maken melding van een Romeins herstel van de Rijngrens vanaf het einde van de 3de eeuw. Uit archeologische vondsten komt echter een genuanceerder beeld naar voren. Nijmegen, Malden-Heumensoord en Cuijk lijken weliswaar in de laatste decennia van de 3de eeuw weer door militairen te zijn bezet, maar van de castella in de West-Nederlandse fortenreeks kan nauwelijks worden aangetoond dat ze na 270 opnieuw in gebruik zijn genomen. Mogelijk heeft de geleidelijke vernatting van de Nederlandse delta daarbij een rol gespeeld(Bron: H. van Enckevort)
    Het bestaan van castella kan niet nauwelijks worden aangetoond, maar kan helemaal niet worden aangetoond. Ze hebben nooit bestaan. Let vooral op dat "lijken". Ook deze castella hebben dus niet meer bestaan na 270. Als er geen Romeinse castella van na 270 zijn gevonden, lag de Limes Germanicus ook niet door Nederland, maar door Noord-Frankrijk. En dan: het hoge woord is er eindelijk uit. Ook in Nijmegen (Enckevort) worden de transgressies, die immers het einde van de aanwezigheid van de Romeinen in ons land betekende, eindelijk ook eens serieus genomen.

  10. Al heeft West-Brabant vier eeuwen deel uitgemaakt van het Romeinse Rijk, de sporen van de aanwezigheid of invloed daarvan zijn zeer gering. (Bron: J.H.Verhagen)
    Met die geringe sporen worden de losse vondsten bedoeld bij Rijsbergen, Oosterhout, Prinsenbeek, Alphen en Baarle-Nassau. Er wordt slechts Romeins importmateriaal gevonden. Of er nederzettingen hebben bestaan wordt hiermee niet aangetoond.
    Het zijn achtergebleven Romeinse relicten die men op de vlucht voor het opkomende water en het vertrek uit de Rijn regio onderweg ergens achtergelaten heeft. De vondst van een enkel altaar in Rijsbergen toont dat onweerlegbaar aan. Op die ene altaarsteen na is daar verder niets Romeins gevonden. Blijkbaar hield het meeslepen van die ene steen de reis naar het zuiden zodanig op, dat men die toch maar achtergelaten heeft, de moderne historici in danige verwarring brengend. Er zijn meer van dergelijke enkele Romeinse relicten gevonden. Maar net als aan de vondst van munten, kan en mag men er geen verdere conclusie aan verbinden dan dat iemand die daar achtergelaten heeft. Die iemand hoeft ook geen Romein te zijn geweest, maar kan vele eeuwen later door elke willekeurige persoon daar naartoe gesleept en achtergelaten zijn.


  11. Omtrent de ligging van de overige genoemde castella (Maurik, Kesteren, Opheusden, Driel, Huissen/Loowaard en Herwen) bestaan alleen op bodemvondsten gegronde vermoedens. Van de castella zelf heeft men ter plaatse nog nauwelijks enig spoor gevonden. (Bron: J.H.Verhagen)
    Met het "nog nauwelijks enig spoor" bedoeld de schrijver, gezien de rest van de tekst, dus gewoon "nog niets gevonden".
    Want dat is het grootste probleem in Romeins Nederland: de aangenomen geschiedenis komt helemaal niet overeen met de archeologische vondsten. Zie ook de uitkomsten van recent archeologisch onderzoek.


  12. In Zeeland dateert de vroegste vondst van Romeinse herkomst - munten weer buiten beschouwing gelaten - uit ca. 70 n. Chr., t.w. een scherf van een terra sigillata-kom van Zuidgallisch fabrikaat, gevonden in een inheemse nederzetting te Koudekerke op Walcheren. Omstreeks het begin van onze jaartelling (en daarvoor) was het kustgebied van Zeeland, op tal van plaatsen bewoond, maar van enige Romeinse invloed schijnt toen nog geen sprake geweest te zijn, al moeten we deze theoretisch wel voor mogelijk houden. (Bron: J.Trimpe Burger)
    Zie opmerking bij het vorig citaat. Dat enige Romeinse invloed "theoretisch" wel voor mogelijk moet worden gehouden, wordt ingegeven door de schriftelijke bronnen die anders niet op Nederland passen. Immers als de Renus als de Duitse en Nederlandse Rijn wordt beschouwd moet Julius Caesar zeker in Nederland geweest zijn. Hij beschrijft immers de Renus en een aantal volkeren die er woonden.

  13. Toen Julius Caesar in 57 v.Chr. GalliŽ veroverd had verklaarde hij kort en goed dat Nederland daar ook bij behoorde. In werkelijkheid klopt dat niet zo erg. Toen hij in 49 weer wegtrok was er in zuidelijk Nederland niets gebeurd en er was gťťn Romeins gezag. Julius Caesar had echter wel de Oude Rijn bereikt en het is mogelijk dat hij de Waal de Rijn heeft genoemd. (Bron: R.Pörtner)
    De werkelijkheid is dat Julius Caesar nooit verder is geweest dan Noord-Frankrijk. Daar lag ZIJN Renus: de Gallische Renus ofwel de Schelde. Daar lag ook de Patabus ofwel de Bacha Lys, die samenvloeide met de Schelde. In Nederland is geen enkele archeologische vondst gedaan uit de tijd van Julius Caesar. De oudste vondsten in ons land zijn uit 12.v.Chr., al zijn deze vondsten uit de tijd van Drusus zeer discutabel en slechts gedateerd op grond van schriftelijke bronnen, waarvan men van mening was dat die op Nederland betrekking hadden.

  14. Van Romeinse aanwezigheid in deze contreien blijkt tot de komst van de veldheer Drusus niets. Onder aanvoering van Drusus rolde de Romeinse oorlogsmachine ons land binnen. Langs de Rijn werd een vloot en een enorme troepenmacht samengetrokken en een indrukwekkende gordel van versterkingen aangelegd. In deze versterkingen maakten de Romeinen zich op om het Overrijnse GermaniŽ tot aan de Elbe te veroveren. Merkwaardig genoeg is in Nederland tot op heden geen spoor van die uitvalsbases teruggevonden. (Bron: R.Borman)
    Hier staat dus in klare bewoordingen dat er van de Romeinse aanwezigheid tot en met de tijd van Drusus in Nederland geen enkele spoor is gevonden. Dus is Drusus hier ook nooit geweest en moet het kanaal van Drusus ook niet in Nederland gezocht worden.
    Ook hier blijkt weer dat de aangenomen geschiedenis helemaal niet overeen komt met de archeologische vondsten. Zie ook de uitkomsten van recent archeologisch onderzoek.


  15. In de tijd van 12 tot 9 voor Chr., toen Drusus opperbevelhebber was in GalliŽ, zijn langs de oever van de Rijn meer dan 50 castella aangelegd. Van deze versterkingen, waarvan er ongetwijfeld ook wel enige aan de benedenloop van de Rijn moeten zijn gebouwd, is tot nu toe geen enkel zeker spoor in ons land ontdekt. Wel mag men op goede gronden vermoeden dat te Vechten (Fectio) een dergelijke vroeg-Romeinse vesting heeft gelegen. (Bron: J.E.Bogaers)
    Na deze ontboezeming van Bogaers vraagt men zich toch af, waarom juist Bogaers zo'n sterke weerstand had tegen de visie van Delahaye. Hij geeft Albert Delahaye hiermee gewoon gelijk. Zie ook de opmerking over de aanwezigheid van Julius Caesar bij het vorige citaat.

  16. In het voorafgaande zijn summier enige vestingen besproken die deel hebben uitgemaakt van de Limes Germaniae Inferioris. Hier moet bij opgemerkt worden dat een van de grootste lacunes van de provinciaal-Romeinse archeologie in ons land wordt gevormd door de omstandigheid dat we nog steeds geen overzicht hebben van het totaal van het Romeinse verdedigingssysteem langs het Nederlandse gedeelte van de Rijngrens. Dit geldt ook ten aanzien van de wegen die voor de noodzakelijke verbindingen moeten hebben gezorgd! (Bron: J.E.Bogaers)
    Na deze volgende ontboezeming van Bogaers vraagt men zich tot tweemaal toe af, waarom Bogaers steeds zo sterk ageerde tegen de visie van Delahaye. Hij geeft Albert Delahaye hiermee gewoon opnieuw gelijk.

  17. Afgezien van de vraag of het castellum van Meinerswijk identiek is aan het Castra Herculis op de Peutingerkaart, blijft het gegeven dat op deze plaats voor het eerst daadwerkelijk de aanwezigheid van een castellum in deze contreien is aangetoond. Omtrent de ligging van de overige genoemde castella bestaan alleen op bodemvondsten gegronde vermoedens. Van de castella zelf heeft men ter plaatse nog nauwelijks enig spoor gevonden. (Bron: R.Borman)
    Je vraagt je dus terecht af waarop de traditie van de Peutingerkaart in Nederland feitelijk gebaseerd is: op losse bodemvondsten.

  18. Romeins Nederland is nimmer de eer van een Colonia waardig geacht! (Bron: W.van Es)
    Het gaat dus te ver om aan de tijdelijke noordgrens van het Romeinse Rijk die importatie te geven die men er in Nederland zo graag aan geeft: het Romeins in Nederland is allerminst van internationale allure, zelfs in de tijd van de Romeinen was dat al zo!
    Men kan zich dan ook met recht afvragen of dit tijdelijke en onbelangrijke deel van het Romeinse Rijk nog op een Romeinse wegenkaart zou staan, als het gebied door de Romeinen allang verlaten is!
    Zie ook het hoofdstuk De Romeinen in Nederland van W.A.van Es.

    Zie verder bij de Romeinse Limes Germanicus.

  19. Romeins Utrecht heette Albiobola!
    De inscripties leveren het onwedersprekelijke bewijs, dat er op en in den omtrek van het Domplein te Utrecht eene nederzetting lag, die den naam colonia Albiobola Batavorum voerde. Albiobola is blijkbaar een belangrijk militair centrum geweest. (Bron: C.W.Vollgraff)
    Opgravingen op het Domplein in 1929 toonden onweerlegbaar aan dat Romeins Utrecht "Colonia Albiobola Batavorum" heette. Daaruit volgen enkele conclusies: allereerst was er in Romeins Nederland dus wel een Colonia, n.l. Utrecht, iets dat Van Es verzwijgt (zie citaat hierboven). Op de tweede plaats volgt hieruit dat Romeins Utrecht dus niet Trajectum heette, dat heeft dus ergens anders gelegen. De opgravingsgegevens van Vollgraff zijn altijd "onder tafel gehouden" en verzwegen voor het gewone publiek, want het legt een bom onder de hele traditionele visie van Romeins en Middeleeuws Nederland. Als derde weerlegt het de woonplaats van de Bataven in de Betuwe. Welk volk sticht immers een Colonia in eigen land? Op de vierde plaats wordt met de opgraving van Vollgraff aangetoond dat Utrecht uit de 10e eeuw direct volgde op Romeins Utrecht. De Utrechtse Dom is rechtstreeks op Romeinse fundamenten gebouwd. Net als Elst en Nijmegen vertoont de archeologie en dus de geschiedenis van Utrecht hetzelfde gat van ZEVEN eeuwen.
    Welk nut die oversteekplaats in Utrecht gehad zou hebben is eveneens nooit aangetoond. Een 'oversteekplaats' leidde slechst het moerasgebied in.

  20. De Romeinse vestiging zou ALBIOBOLA hebben geheten en niet Trajectum.
    De naam colonia Albiobola Batavorum prijkt meer dan twintig maal op gevonden inscripties. De inscripties leren, dat er in de derde eeuw op en in de omtrek van het Domplein een nederzetting lag, die de naam colonia Albiobola Batavorum voerde. We hebben tot nu toe de overtuiging gekoesterd dat de stad Utrecht de voortzetting is van het romeinse Traiectum.
    (Bron: Archeologische Bouwkroniek van Utrecht, p.51-55.).
    In dit artikel wordt terecht de vraag gesteld: "Kan men bewijzen dat de naam Traiectum, die reeds omstreeks 300 voorkomt, een Romeinse woonplaats aanduidt, gelegen in het centrum van ons land?" Het bewijs blijkt te ontbreken. Wel wordt de Peutingerkaart erbij gehaald, maar daar blijkt de naam Traiectum niet voor te komen. Uit het genoemde Itinerarium Antonini zou dan blijken dat het genoemde Traiectum ter plaatse van Utrecht gelegen zou moeten hebben tussen Lugdunum Batavorum (Katwijk) en Noviomagus (Nijmegen). Echter in het Itinerarium Antonini wordt Noviomagus hier niet genoemd en voor de determinatie van Katwijk met Lugdunum Batavorum bestaat ook geen enkel bewijs. Zie bij de plaatsen langs de Limes. Het grootste probleem ten aanzien van deze bronnen is dat de gegeven afstanden in de toepassing op Nederland verre van kloppen, wat van Romeinse wegenkaarten niet verondersteld mag worden.
    Wat natuurlijk opvallender is bij de plaatsing van de Bataven in de Betuwe, dat zij verondersteld worden in hun eigen land een colonia (kolonie) gesticht te hebben. Die 'colonia' is juist een aanwijzing te meer dat de Bataven van elders kwamen.
    Ook de etymologie van Traiectum naar U-trecht is een nooit bewezen veronderstelling. De oudste bronnen spreken van Utret, Utreit en Utreth. Het is een naam die de ontginning van nieuw gebied, de 'uit-rek' aangeeft, net zoals Bunschoten aanvankelijk Uit-wijk heette. Het -trecht geeft juist geen 'oversteek' plaats aan, maar is een naam die ontstaan is in een 'drassig' moerasgebied. Vergelijk hiermee plaatsen eindigend op '-trecht', zoals Haastrecht en plaatsen op '-drecht', zoals Woensdrecht, Ossendrecht, Zwijndrecht, Sliedrecht, Mijdrecht, Moordrecht, Papendrecht, Barendrecht, Wieldrecht en Dordrecht. Het zijn namen ontstaan in drassig en moerassig Nederland. Vergelijk hiermee de woorden 'dreggen' en 'drek', modder.


  21. Bij opgravingen aan de voet van de Utrechtse Dom zijn fundamenten van het eerste bisschoppelijk paleis van Nederland gevonden. Ook zijn resten blootgelegd van de Romeinse castellummuur die moest wijken voor de bouw van dit paleis. Nooit eerder was er iets te zien van dit paleis, dat in de 11e eeuw is gebouwd. Er is bij dit onderzoek een muurwerk tevoorschijn gekomen, dat was gefundeerd op grote granieten zwerfkeien. Tussen het puin bevonden zich ook enkele brokstukken van kleurrijk gedecoreerd Romeins pleisterwerk.
    Altijd werd aangenomen dat de Noormannen de westkant van de Romeinse castellummuur in de 9de eeuw hadden gesloopt om vervolgens aan het plunderen te slaan. De opgravingen hebben nu duidelijk gemaakt dat het niet de Noormannen, maar bisschop Adelbold is geweest die de muur liet afbreken. Na de grote brand van 1017 in het kerkelijk centrum van Utrecht gaf de bisschop opdracht voor een grootscheepse herbouw van ondermeer de Domtoren.
    (Bron: ANP. september 2008)
    Het elfde eeuwse bouwwerk was rechtstreeks op het Romeins gebouwd. Tussen de 3e en 11e eeuw was er in Utrecht niets. Na deze archeologische constatering kunnen we de hele discussie over St.Willibrord in Utrecht en de Noormannen in Nederland voorgoed beŽindigen. Zeker omdat men (de historici) altijd beweerd hebben dat de z.g. eerste kerk van St.Willibrord op het domterrein zou hebben gestaan en geplunderd zou zijn door de Noormannen, waarvan overigens nooit iets is gevonden. Deze vondst bevestigt de visie van Albert Delahaye op alle fronten. Einde discussie.

  22. Na 47 n.Chr. was de Rijn voor de Romeinen zeker wat thans de Oude Rijn heet, maar het is erg de vraag of dat ook al voor Caesar gold. Niets wijst erop dat hij tot de Oude Rijn is doorgedrongen. (Bron: W.van Es)
    Deze opmerking van Van Es dringt door tot de kern van de mythen. Hij is alleen vergeten dit nader te onderzoeken, wat Albert Delahaye wel gedaan heeft en waarbij hij tot een onthutsende conclusie kwam.

  23. De samenstelling van de Romeinse grenzen langs de Rijn ten tijde van Caesar en gedurende de na hem volgende periode van dertig jaar, is niet bekend. Noch door opgravingen noch door luchtfoto's zijn er permanente bases van de Romeinen uit de periode tussen 50 en 20 jaar v. Chr. aan het licht gebracht. (Bron: M.Todd)

  24. Hoewel dat slechts voor enkele delen van de grens is aangetoond, mag men er toch van uitgaan dat de hele grensstreek - met uitzondering van de omgeving van Agrippina (Keulen), Traiana (Xanten) en Noviomagus (Nijmegen) - in principe militair gebied was, waarin de afzonderlijke territoria van legerkampen en castella samen een keten vormden. Deze waren, zoals uit andere provincies bekend is, door grensstenen (cippi) gemarkeerd. Daar waar ze ontbraken, zoals op Nedergermaans grondgebied, is geprobeerd om met behulp van de kartering van militaire dakpanstempels conclusies te trekken over de omvang en begrenzing van de militaire territoria; een methode die overigens ter discussie staat.(Bron: T.Bechert en W.J.H.Willems)
    Op grond van slechts op enkele plaatsen aangetoonde feiten, trekt men verregaande conclusies die men voor de hele grensstreek laat gelden. Inderdaad een methode die terecht ter discussie staat.

  25. Daarmee bleef ons land, voor zover het al effectief door de Merovingen beheerst werd - wat het was in Romeinse tijd: een outpost of progress, een randgebied van weinig betekenis voor de intelligentia dier dagen. (Bron: D.P.Blok)
    Ondanks het verkeerd interpreteren van de bronnen komt Blok toch tot bovenstaande conclusie. Hij bevestigt hiermee de visie van Albert Delahaye onmiskenbaar. De "Agri Decumates" van Tacitus kwalificeert de betekenis van de tijdelijke noordgrens van het Romeinse Rijk.

  26. Rond 50 v.Chr. vertonen de Romeinen zich voor het eerst in onze streken als Caesar door onze zuidelijke gebieden trekt. Archeologische resten daarvan zijn tot op heden echter nog niet aangetroffen. (Bron: J.H.F.Bloemers)
    Op grond van misverstane teksten dacht men dat de Romeinse periode in ons land begon met de verovering van Gallia door Julius Caesar. De archeologie weerlegt deze visie en tevens het begin van de traditionele geschiedenis van Romeins Nederland en die van Romeins Nijmegen.

  27. De schriftelijke overlevering biedt dan ook geen doorslaggevende argumenten om de Romeinse tijd in ons land met de periode van Caesar te laten beginnen. Archeologische aanwijzingen daarvoor zijn er al evenmin. (Bron: W.van Es)
    Het is niet langer houdbaar gebleken, dat het Eiland der Bataven door Julius Caesar genoemd in zijn "De Bello Gallico" overeenkomt met de Betuwe. Mede het totale gemis aan archeologische vondsten in de Betwuwe stelt Albert Delahaye volledig in zijn gelijk, dat de woonplaats der Bataven in Noord-Frankrijk gelegen heeft. Julius Caesar is nooit hoger geweest dan ongeveer de toenmalige en nog steeds op dezelfde plaats gelegen taalgrens. De later vermelde geografica bij Tacitus en Einhard, die dezelfde landstreek in gelijke bewoordingen omschrijven, horen onmiskenbaar ook bij dezelfde Franse landstreek. Juist omdat de vermeende aanwezigheid van de Bataven in de Betuwe, zo sterk geŽnt was op de teksten van Julius Caesar en schijnbaar een bevestiging vonden in die van Tacitus en Einhard. Deze mythe moet als afgedaan beschouwd worden, evenals de aanwezigheid van Drusus in onze streken. Immers zijn aanwezigheid wordt slechts herleid uit de teksten van Julius Caesar.

  28. In de tijd van Caesar woonden er nog geen Bataven in de Betuwe. (Bron: W.J. de Boone)
    Deze ene constatering weerlegt ook die hele traditionele geschiedenis van Romeins Nederland.

  29. Een specifieke Bataafse beschaving is in de bodem en in het landschap niet aan te tonen. (Bron: De Bataven. Verhalen van een verdwenen volk, 2004.)
    In zijn boek De Bataafse hut heeft A. van der Woud onlangs de verschuivingen in beeld gebracht die zich in de periode 1750-1850 hebben voorgedaan in het denken over het vroegste verleden van ons land. Ook hij stelde vast dat de Bataven, tot ca. 1800 nog prominent aanwezig in publicaties van Nederlandse oudheidkundigen, in het werk van de negentiende-eeuwse archeologen geen rol van betekenis meer spelen. Wanneer Reuvens en zijn opvolgers spreken over de inheemse bewoners van Nederland ten tijde van de Romeinen, benoemen ze die bij voorkeur in algemene zin als Germanen. Deze opmerkelijke verandering is volgens Van der Woud illustratief voor de ontwikkeling van de archeologie als wetenschap. Tot aan het begin van de negentiende eeuw was het beeld van het vroegste verleden nog vrijwel uitsluitend op antieke teksten gebaseerd en konden overblijfselen uit de oudheid, alleen in het licht van deze teksten worden verklaard. Nu de studie van bodemvondsten uitgroeide tot een zelfstandige discipline, kregen deze al snel een eigen zeggingskracht die steeds meer los kwam te staan van de historische overlevering. Aansluitend bij het werk van andere archeologen in Noordwest-Europa gebruikten ze vrijwel uitsluitend nog de algemene naam 'Germanen' voor alle volken die hier in de Romeinse tijd hebben geleefd. De geringe betekenis van de Bataven in het archeologisch onderzoek van de negentiende eeuw is vermoedelijk door meer factoren beÔnvloed dan de door Van der Woud genoemde. De term 'Bataven' was niet alleen beladen, maar waarschijnlijk ook veel te specifiek om toepasbaar te kunnen zijn. De Bataven als zodanig waren voor de negentiende-eeuwse archeologen nog volledig ongrijpbaar. Want waaraan moest men de Bataven in de vondsten herkennen? Het onderscheid tussen Romeinen, Germanen en Kelten of tussen voorwerpen uit de prehistorie, Romeinse tijd en vroege middeleeuwen was al moeilijk genoeg. Nog in 1901 verzuchtte W. Pleyte: "Eene specifiek Bataafsche beschaving is niet aan te toonen." Het was dan ook zinloos de term 'Bataafs' toe te passen op voorwerpen en vindplaatsen, zolang er geen criteria waren om ze als zodanig te identificeren. Zo onzichtbaar als de Bataven algemeen waren in het landschap, zijn ze dat zeker in de Betuwe dat altijd bekend stond als 'het land der Bataven'.
    Onder archeologene bestaat heden nog zeker geen eenstemmigheid over het 'eigene' van de Bataafse cultuur. Tot heden zijn er nog geen specifiek Bataafse bodemvondsten bekend. Het eigen gelijk van Holwerda heeft plaatsgemaakt voor veel onzekerheid.


  30. "Bij Wijk bij Duurstede heeft in die periode een Romeins fort, een castellum genaamd Levefanum als onderdeel van de verdedigingslinie, de Limes, gelegen. Het fort is inmiddels verzwolgen door de rivier".(Bron: Archeologische Kroniek provincie Utrecht 1988-1989)
    Als Wijk bij Duurstede voor het Romeinse Levefanum wordt gehouden, kan het nooit Dorestad zijn geweest. De Geograaf van Ravenna (die schreef tussen 638 en 678) noemt de twee plaatsen afzonderlijk. Ergo: het zijn twee verschillende plaatsen geweest. Bij Wijk bij Duurstede is het vermeende Romeinse fort overigens nooit gevonden, net zo min als de opgravingen ooit ter plaatse het vermeende Dorestad hebben aangetoond.

  31. Uit de natuurlijke ontwikkeling van een rivierkleilandschap, de bedijking en de aanleg van weteringen door de mens in de late middeleeuwen en de historische, voornamelijk agrarische ontwikkeling volgt tevens dat we Kesteren in de Romeinse tijd los moeten zien van het beeld van rivieren en dijken zoals die er nu zijn, maar dat we dit meer moeten bezien in relatie tot oudere rivierbeddingen met hun oeverwallen. In hoeverre de tegenwoordige Oude Rijn langs Kesteren - Lienden als de (open) Romeinse Rijn langs Kesteren beschouwd kan worden, moet op grond van bodemkundig en archeologisch onderzoek uitgemaakt worden. (Bron: K.J.Hoeksema)
    Voor de Romeinse tijd uitgaan van de HUIDIGE loop van de rivieren is dus een verkeerd en voorbarig uitgangspunt. Ook de loop van de Waal was in de Romeinse tijd anders dan nu. Zie het volgende citaat.

  32. Het vondstenmateriaal dat men in een dijk vindt - hetgeen uiteraard wel eens voorkomt - kan veel ouder zijn dan de dijk. Wanneer men klei gewonnen heeft op oude bewoningsplaatsen, kunnen met deze klei ook oude vondsten in het dijklichaam gekomen zijn. Vondsten van Romeins vaatwerk bijvoorbeeld, behoeven zeker niet de aanvangsperiode van de dijkbouw in een zo vroeg stadium te plaatsen. Anderszins geven op verschillende plaatsen in dijken gevonden laat-middeleeuwse kogelpotscherven en fragmenten van vroeg Duits steengoed aan, dat de dijken waarin dit materiaal werd gevonden, zeker niet ouder geacht mogen worden dan de 12de/13de eeuw. (Bron: G.D. van der Heide)
    Ofwel: de vondst van een Romeins relikt hoeft niet door een Romein achtergelaten te zijn op die plek!

  33. De Waal stroomde bij Tiel in de Romeinse tijd rechtdoor en de tak naar het zuidwesten bestond toen waarschijnlijk nog niet.(Bron: J.J.Jager)
    J.J.Jager wijst er in zijn artikel op (met een verwijzing naar bevindingen van Dr.W.A. van Es en andere historici), dat Bogaers er ondanks 'een heftige reactie' niet in geslaagd is aan te tonen, dat de hoofdtak van de Waal van Tiel naar het zuidwesten liep. De Waal liep dus in de Romeinse tijd, in tegenstelling van wat Bogaers beweerde, bij Wamel onvertakt rechtdoor en volgde het bed van de Linge. Maar dan wordt de Betuwe wel heel erg klein en dat "zag" Bogaers dus meteen, daar kun je dan onmogelijk het machtige volk van de Bataven plaatsen.

  34. Volgens soortgelijke criteria zijn ook ongeveer 25 castella aan de Nedergermaanse limes aangelegd; sommige zijn bij opgravingen aan het licht gekomen, van andere is slechts de naam bekend of is het bewijs door losse vondsten geleverd. (Bron: De Romeinse Rijksgrens tussen Moezel en Noordzeekust)
    Van castella waarvan slechts de naam bekend is, is deze gebaseerd op foutief begrepen teksten of de verkeerd geÔnterpreteerde Peeutingerkaart. Ook losse vondsten leveren geen enkel bewijs op voor het bestaan van een castellum ter plaatse. Als we alleen de opgegraven castella tellen, waarvan dus het bestaan vaststaat, komen we net tot de helft.

  35. Dat de plaats waar nu het dorpje Driel ligt, belangrijk is geweest in de Romeinse tijd, getuigen de vele vondsten uit die periode. Uit het feit dat er in Elst twee Gallo-Romeinse tempels zijn geweest, zouden we kunnen opmaken dat niet alleen de soldaten, maar ook de burgers in Elst een belangrijke cultusplaats hadden. Het is opmerkelijk dat er toen al contact was tussen de bewoners van Driel en de Romeinen. Immers, 50 n. Chr. is de beginperiode van het Romeinse rijk. Dit contact is waarschijnlijk toe te schrijven aan de goede strategische ligging van de nederzetting langs de Rijn.(Bron: H.A.Gerritsen)
    Dat gebruiksvoorwerpen, gemaakt in ongeveer 50 n.Chr. in bijv. het jaar 100 nog in gebruik kunnen zijn geweest, wordt te vaak als mogelijkheid buitenbeschouwing gelaten. Vreemd blijft ook dat als Driel en Elst zo belangrijk zijn geweest, dan niet op de Peutingerkaart staan. De Romeinse vondsten zijn niet te ontkennen, de toepassing van de Peutingerkaart op Nederland wel.

  36. De uitbreiding van de weg op de linker Rijnoever tot via militaris en later limes, is naar alle waarschijnlijkheid al begonnen onder Marcus Agrippa, die in 20-19 v. Chr. voor de tweede keer stadhouder van GalliŽ was. De eerste mijlpalen dateren echter pas uit de tijd van keizer Claudius (41-54 n.Chr.) toen het gedeelte tussen Confluentes (Koblenz) en Batavodutum (Nijmegen) waarschijnlijk voor het eerst een verhard wegdek kreeg. Onlangs heeft men in Valkenburg ZH (Marktveld) met dendro-chronologisch onderzoek een bijna exacte bouwdatum vastgesteld: de aanleg van de daar gevonden weg kan in het voorjaar van het jaar 40 gedateerd worden. (Bron: De Romeinse Rijksgrens tussen Moezel en Noordzeekust)
    De Romeinse tijd in Nederland laten beginnen in 12 v. Chr. is dus een aanname die niet gebaseerd is op archeologische onderzoeksresultaten. En zoals nu nog steeds het geval is, werden eerst wegen aangelegd, voordat men Castella kon gaan bouwen. De mijlpalen geven een betere datering dan de "waarschijnlijkheid" van historici. De Romeinse occupatie in Nederlandse kan dus niet vóór het jaar 40 n. Chr. gedateerd worden. Daarmee verdwijnt na Julius Caesar, ook de Drususgracht (12 v.Chr.) definitief uit Nederland!

  37. OP ZOEK NAAR VERDWENEN SLAGVELDEN,
    "Tegenwoordig telt men ongeveer dertig slagvelden van Varus, elk ervan is voortreffelijk onderzocht en bewezen. De meeste ervan liggen tussen Eems en Weser".
    "Ook de veldslagen van Germanicus hebben de wetenschap een hele reeks harde noten te kraken gegeven".
    "Ook de zoektocht naar het slagveld van Idistaviso en de muur van AngrivariŽrs is tot heden niet afgesloten".
    "Nog erger staat het er voor met het Aliso-probleem. Drusus liet een vesting bouwen bij de samenvloeiing van de Lupias en de Elison. voor de Lupias komt alleen de Lippe in aanmerking. Maar naar de Elison heeft men vergeefs gezocht.
    Over de vermoedelijke locatie lezen we: "Er is niets bewezen, misschien is er zelfs niets bewijsbaar, maar toch wel 'waarschijnlijk', 'heel waarschijnlijk', enzovoorts, maar dat betekent op geen stukken na bewezen." (Bron: R.Pörtner)
    De talrijke gissingen van de plaats van de verschillende slagvelden komen voort uit het misverstaan van de klassieke schrijvers, zoals Tacitus. In de traditionele veronderstellingen zijn de "gevolgde routes" onlogisch (zie als voorbeeld de tocht van Germanicus zoals de traditie zich die voorstelt), de plaats van de slagvelden in Noord-Nederland en ver in Duitsland zijn in de jaren voordat er ťťn Romein in die gebieden is geweest niet mogelijk, maar ook archeologisch ontbreken de noodzakelijke gegevens. Vergelijk de veldtocht van Drusus naar Noord-Duitsland in 12 vóór Chr., terwijl er nog geen Romein in midden Duitsland geweest was. Trier b.v. is als een nieuwe plaats pas gesticht in 3 v.Chr. (Pörtner, o.c., blz.215)
  38. In de Kalkrieser-Niewedder Senke heeft blijkbaar een gevecht plaats gevonden, waarbij Romeinse troepen zware verliezen hebben geleden. Op goede gronden beschouwen veel onderzoekers de Kalkreise als de plaats van de Varusslag. Toch passen veel klassieke gegevens over deze slag uit het jaar 9 n.Chr. niet bij de vondsten in Kalkreise, zodat het ter discussie staat of hier niet de gevolgen van een gebeurtenis uit de zomer van 15 n.Chr. zijn te vinden, toen Aulus Caecina met vier legioenen op de terugtocht van de Weser bij de "Pontes Longi" in de hinderlaag van Arminius liep. (Bron: A.Thiel)
    Op de plaats die men voor de Varusslag in gedachte heeft, wordt deze slag uit archeologisch onderzoek niet bevestigd. Er kan net zo goed een andere slag hebben plaats gevonden, bijv. die van Arminius tegen Caecina uit 15 n.Chr. Of een slag die niet vermeld wordt in de ons bekende Romeinse literatuur. Immers de Varusslag vond in Noord-west Frankrijk plaats, want daar lag de Wisurgis. De Wisurgis was de Wimereux.

  39. In het recente verleden, en in feite ook nu nog, waren verschillende personen van mening dat de beruchte nederlaag van de Romeinse legeraanvoerder Varus in het jaar 9 na Christus niet in het Teutoburgerwoud had plaatsgevonden maar bij Varsseveld (Varusveld). Ondanks het feit dat daarvoor nog nooit een archeologisch bewijs is aangetroffen en het Romeinse aardewerk in het museum van elders afkomstig is (vermoedelijk Xanten) is deze theorie tot op heden in zwang gebleven. (Bron: R.Borman)
    Deze constatering staat model voor veel stukjes van onze "traditie". Ook al wordt aangetoond dat een uitgangspunt verkeerd is, dan nog blijft men de daarvan afgeleide zaken als vaststaande feiten hanteren. Zo staat volkomen vast dat Julius Caesar nooit in Nederland is geweest. Toch blijft het Eiland der Bataven dat Caesar uit eigen waarneming beschrijft, in Nederland plaatsen. Het blijkt moeilijker een mythe te bestrijden dan een voldongen feit.

  40. Archeologische sporen van een Romeinse aanwezigheid ontbreken in de daarop volgende jaren tot nog toe. (Bron: A.Thiel)
    Archeoloog Andreas Thiel stelt op blz. 17 dan ook de terechte vraag "Germanien ohne Germanen?" De "daarop volgende jaren" zijn de jaren onder Tiberius (14-37 n.Chr). Er wordt over de veldtocht van Germanicus tegen de Marsen gesproken, over de strijd tegen de Brukteren tussen Eems en Lippe en de strijd tegen de Cherusken. Dit bleef verder zonder gevolgen. Er is niets van teruggevonden in Duitsland. In de volgende tweehonderd jaar, schrijft Thiel, is geen enkele Germaanse inval in GalliŽ bekend.

  41. Later kanaliseerde Drusus de Vecht met de Drususgracht en hij zou niet minder dan vijftig forten langs de Rijn hebben gebouwd. Bij ons is daarvan helaas niets teruggevonden. (Bron: R.Pörtner)
    Hieruit blijkt onomstotelijk dat die forten nooit in Nederland zijn gebouwd en tevens dat de Drususgracht er niet gelegen heeft. Andere historici localiseren de Drususgracht overigens op een andere plaats, ofwel men weet niet waar deze gracht gelegen heeft. De locatie van de Drususgracht tussen Rijn en IJssel zou, wat de Rijnvloot betreft, weinig nut gehad hebben. Immers de IJssel stroomde uit een afgesloten binnenmeer, zonder open verbinding naar zee! Zie het kaartje hiernaast van Romeins Nederland.

  42. Vreemd dat op de vermaarde Peutingerkaart Elst niet voorkomt, zal men zeggen. Het was toch zulk een belangrijk Romeins middelpunt. (Bron: A.P. de Kleuver)
    Daarom beschouwen sommige historici de tempels van Elst ook liever als een inheems Germaans of "Bataafs" heiligdom, gebouwd naar Romeins voorbeeld en met Romeinse hulp. Immers de Germanen zouden niet in staat geweest zijn de benodigde constructies te realiseren. Niet Romeinse vestigingen hoeven dan ook niet op een Romeinse wegenkaart te staan. Het ontbreken van Elst, Utrecht, Maastricht, Aken en Tongeren op de Peutingerkaart toont eens te meer aan dat die kaart helemaal geen betrekking op Nederland heeft.

  43. De schaarste aan vindplaatsen op de hoge gronden, zowel in het noordoosten, midden als zuiden, komt niet overeen met de aanname dat de hele noordelijke kuststrook tijdens de Romeinse tijd dichtbevolkt was. (Bron: R.O.B.)
    Deze opmerking spreekt voor zich en behoeft geen verder commentaar!

  44. Dit brengt ons tot een enkel woord over de continuÔteit van de Romeinse cultuur op Nederlandse bodem. Die continuÔteit ontbreekt. (Bron: W.van Es)
    Deze opmerking spreekt voor zich en behoeft eveneens geen verder commentaar!

  45. De grote tempel in Elst is naar het schijnt tegen het midden van de 3de eeuw buiten gebruik geraakt. De vondsten hebben geen antwoord gegeven op de vraag aan welke, ongetwijfeld Germaanse godheid de tempels gewijd waren. Beide bouwwerken mogen beschouwd worden als een centraal en ook nationaal heiligdom van de Bataven, maar als zodanig tevens als een symbool van het uitzonderlijke verbond dat de Romeinen met dit volk hadden gesloten. (Bron: J.E.Bogaers)
    Omdat de vondsten geen enkel bewijs hebben opgeleverd -er is niet eens bekend aan welke godheid de tempel was toegewijd- zijn de conclusies van Bogaers volkomen speculatief. Net zo makkelijk kun je stellen dat het helemaal geen Germaanse tempel was, maar een Romeinse. De bouw bevestigt dit onmiskenbaar. Slechts de plaats van deze tempel roept vragen op die Bogaers niet kan beantwoorden en er dus maar over fantaseert dat het een Bataafse tempel was. Immers bij Bogaers woonden de Bataven in de Betuwe en de Romeinen gaan toch geen tempel bouwen in een hun vijandig gezind gebied? Zou het niet gewoon een Romeinse tempel kunnen zijn van het in Nijmegen gelegerde garnizoen? Aangezien in de Betuwe geen Bataven woonden, viel er van hen ook niets te vrezen.

  46. ContinuÔteit tussen de heidense (Romeinse) tempel in Elst en de op dezelfde plek in de 8e eeuw gebouwde kerk is archeologisch niet aan te tonen. (Bron: J.E.Bogaers)
    De bedoelde kerk stamt uit de 10e eeuw. Dat Elst het antieke Heliste zou zijn is een gratis bewering van Bogaers, nergens bevestigd met welk bron dan ook. In Elst is geen enkel archeologisch relikt gevonden van tussen de 3e eeuw en de 10e eeuw. van continuÔteit is geen sprake moet ook Bogaers erkennen en geeft Delahaye hier ontegenzeggelijk en cruciaal weer gelijk.

  47. Over de aard van de nederzetting die in de Romeinse tijd bij Domburg moet hebben gelegen, is niets bekend. Mede naar aanleiding van de vondst van 2 dakpanstempels mag men vermoeden dat in de nabijheid een basis van de Classis Germanica is geweest ter bescherming van de toegang tot de Schelde of meer in het algemeen tot het mondingsgebied der grote rivieren. In bouwkundig opzicht is van het Domburgse heiligdom zo goed als niets bekend. (Bron: J.E.Bogaers)
    Van twee dakpannen maakt Bogaers een complete vlootbasis! Het is symbolisch hoe de Romeinse aanwezigheid in midden-Nederland wordt "opgekrikt".

  48. De altaren uit de Oosterschelde hebben tal van gegevens verschaft over personen die omstreeks 200 een altaar of een beeld hebben gewijd in het heiligdom van Nehalennia te Colijnsplaat. Het is wel heel duidelijk geworden dat uit de namen van deze dedicanten (en dat geldt ook voor die van Domburg) geen conclusies mogen worden getrokken aangaande de inheemse bewoners van het gebied van de monding der Schelde in de Romeinse tijd. Het ziet er naar uit dat allen die een altaar of een beeld voor de plaatselijke of liever regionale godin Nehalennia hebben opgericht, op een of andere wijze betrokken zijn geweest bij de scheepvaart en de handel in een gebied dat zich uitstrekte van het Rijnland tot Engeland en Frankrijk.
    De altaren uit Colijnsplaat geven ons in menig opzicht meer inlichtingen dan die van Domburg. Dit betreft o.a. de plaatsen of streken van herkomst van tal van dedicanten. We kennen er thans twee van burgers uit Keulen, verder worden dedicanten genoemd afkomstig uit Trier, BesanÁon, Rouaan, Bordeaux, Lyon en Norfolk (Engeland).(Bron: J.E.Bogaers)
    Opvallend in dit rijtje is dat Bogaers nergens de plaats Municipii Batavodorum vermeld (tekst 17 in het Bronnenboek, wat dus Nijmegen zou zijn). Ook in de rest van dit boek wordt dit altaar niet vermeld. De vraag waarom hij juist dit altaar overslaat is behalve veelzeggend vooral tekenend voor de wijze van selectief omgaan met teksten, wat in de historische geografie van Nederland blijkbaar de gebruikelijke werkwijze is.

  49. Het zal uiters moeilijk, zo niet onmogelijk zijn de aanwezigheid van een nederzetting bij Colijnsplaat aan te tonen, aangezien Gallo-Romeinse tempels gewoonlijk niet in bevolkingscentra lagen, maar in de vrije natuur.(Bron: P.Stuart)
    Er is in Colijnsplaat geen Romeinse nederzetting gevonden, waarmee de traditionele visie herzien moet worden.

  50. De inscripties uit Domburg en Colijnsplaat geven in het algemeen de indruk dat ze betrekking hebben op zeevaarders en de zeevaart. De dedicanten blijken - voor zover hun beroep in de inscripties is vermeld - nautae of negotiatores te zijn geweest, dus schippers of reders, en handelaren. De meesten van hen die een altaar aan Nehalennia hebben gewijd, hadden - zo lijkt het althans - een voorspoedige zeereis achter de rug, van Gallia of Britannia naar de monding van de Schelde of van Germania Inferior naar Gallia of Britannia en terug. De dedicanten hebben meestal aan Nehalennia de gelofte gedaan om een altaar voor haar op te richten; deze gelofte is - zo wordt ons enige malen uitdrukkelijk medegedeeld - ingelost wegens Nehalennia's goede bescherming van de koopwaar.(Bron: J.E.Bogaers)
    Opvallend is dat Bogaers het niet over het altaar met de plaats Municipii Batavodorum vermeld, met welke tekst (tekst 17 in het Bronnenboek) hij in het Bronnenboek van Nijmegen het bewijs meent te kunnen leveren dat Nijmegen het Municipium Batavorum geweest zou zijn.

  51. Officieel bleef de Rijn tot aan de monding toe de grens van het Romeinse rijk, maar de lijst van vestingen, die Julianus versterkte: Bingen, Andernach, Bonn, Neuss, Tricesima bij Xanten,- Qualburg en Castra Herculis (waarschijnlijk Nijmegen), reikt niet zo ver; integendeel, Julianus herstelde ook een drietal vestingen langs de Maas, waarvan men er ťťn in Kuik vermoedt. Het lijkt dus wel, dat de vestinggordel zich vanaf Nijmegen naar het zuiden boog en zo de gehele Rijndelta rechts liet liggen. Ook later onder Valentinianus komt men nièt meer ten westen van Nijmegen, ja het lijkt wel of dit gat van de delta tot in de 7de eeuw blijft bestaan. Ook archeologisch vindt men in dat deltagebied geen Romeinse sporen uit de 4de eeuw, tenzij men de Brittenburg in die tijd wil dateren en daarmee dus een vesting aan de Rijnmond zou willen plaatsen.. (Bron: D.P.Blok)
    Niet de Rijn, maar de Renus bleef de grens van het Romeinse Rijk. De afwezigheid van de Romeinse relikten vanaf de 4e eeuw geeft al aan dat de Rijn niet bedoeld wordt in de teksten die hierover spreken. Blok erkent dus dat de traditionele geschiedenis van de Romeinen in ons land niet klopt met de teksten.

  52. Romeins Nederland heeft voor zover we thans weten slechts twee echte steden gehad, en wel municipia. Coloniae, zoals b.v. Xanten (Colonia Ulpia Traiana), zijn uit ons land niet bekend. (Bron: J.E.Bogaers)
    De belangrijkste stad in Romeins Nederland was Nijmegen, dat op grond van een fragment van een reeds in 1857 te Pfünz in Beieren gevonden altaar, Noviomagus wordt genoemd. De naam van een tweede in Romeins Nederland gelegen municipium denkt Bogaers te lezen op een reeds lang bekende, veel omstreden, maar in ieder geval echte Romeinse mijlpaal, die rond 1500 is gevonden bij Monster of Naaldwijk (vindplaats dus onbekend). De letters A MAC op deze mijlpaal werden door Bogaers gelezen als A Municipium Aelium Canninefatium. Hij heeft deze plaats gelijkgesteld met het van de Peutingerkaart bekende Forum Hadriani. De conclusies die Bogaers trekt werd door Van Buchem "een treffende gedachte" gevonden. Zie het volgende citaat.

  53. Reeds menige poging is gedaan om de vier letters A MAC op een te Monster of Naaldwijk gevonden Romeinse mijlpaal te verklaren. Nu is Bogaers op de treffende gedachte gekomen dat bedoeld kan zijn: A Municipio Aelio Canninefatium. Het door Bogaers veronderstelde municipium Aelium zou het op de Tabula Peutingeriana vermelde Forum Hadriani kunnen zijn. Dan zou er naast Nijmegen, als Bogaers het bij het rechte eind heeft, in de omgeving van Voorburg een municipium Aelium Canninefatium bestaan hebben. (Bron: Van Buchem)
    Deze "treffende gedachte" van Bogaers werd spoedig verheven tot "zekerheid", aangezien geen andere historicus er bezwaren tegenin bracht. Zo komt Nederland, en ook Nijmegen, aan haar geschiedenis: bij elkaar bedacht vanuit een deductie uit een deductie. Onderstreping in de letterlijk aangehaalde tekst mijnerzijds.

  54. De aanleg van het oudste Romeinse kamp te Valkenburg moet in het jaar 40 n.Chr. gedateerd worden, mits we mogen aannemen dat de aanleg van de eerste Romeinse weg op het Marktveld gelijktijdig met de oudste militaire aanwezigheid ter plaatse gecorreleerd kan worden. Een reguliere militaire bezetting moet tot ca. 240 doorgegaan zijn. In deze 200 jaar is het kamp tenminste vijf maal herbouwd. De bezettingseenheden die hier gelegerd waren, omvatten nooit meer dan ťťn hulptroepeenheid van ten hoogste 500 man. In de vroegste castella is er zelfs sprake van een nog kleinere eenheid, niet meer dan een klein aantal legioensoldaten aangevuld met een detachement van een hulptroepencohorte. (Bron: Bloemers)
    Het kamp Valkenburg komt niet overeen met het op de Peutingerkaart afgebeelde Praetorium Agrippinae, wat gezien het gebruikte symbool een groot en belangrijk kamp geweest is. De archeologie bevestigt ook hier weer de visie van Albert Delahaye: Romeins Nederland bestond uit een summiere en slechts militaire Romeinse aanwezigheid, die niet overeenkomt met de beschrijvingen van de "Limes Germanicus".

  55. Een normaal wegenstelsel ontbrak in het uitgestrekte veengebied, zodat men voor transporten en verbindingen naar de buitenwereld aangewezen was op waterwegen.(Bron: J.Trimpe Burger)
    En in het lage veengebied van Holland localiseert historisch Nederland 2 belangrijke wegen van de Peutingerkaart, die men overigens in Nederland nooit gevonden heeft.

  56. Het begin van de bewoning in de Romeinse tijd moet in Cuijk gedateerd worden omstreeks het midden van de 1ste eeuw n.Chr. (Bron: J.E.Bogaers)
    Meer! Ofwel, voordat de Romeinen er waren bestond Cuijk niet.

  57. De vondst van enkele palen in de Maas bij Cuijk leidt tot de volgende ontboezeming.Deze palen kunnen o.a. op grond van het niveauverschil, bezwaarlijk overblijfselen zijn de laat-Romeinse wal. De kans bestaat dat ze behoord hebben tot een constructie van een Romeinse brug, maar het is ook heel goed mogelijk dat ze uit veel later tijd dateren en deel hebben uitgemaakt van een beschoeiing. (Bron)
    Op dergelijke verrassende bedenksels is meer van de Romeinse geschiedenis in ons land gebaseerd.

  58. Voor zover het middengedeelte van het castellumterrein is onderzocht, moest overal (in Cuijk) het ontbreken van laat-Romeins muurwerk geconstateerd worden. (Bron: J.E.Bogaers)
    En ondanks deze constatering wordt vastgehouden aan Romeins Cuijk tot in de 4e eeuw!

  59. Cuyk (volgens de Tabula Peutingeriana: Ceuclum) heeft zeer waarschijnlijk in werkelijkheid Ceudiacum geheten. (Bron: J.E.Bogaers)
    Dus het Cevelum -want dat staat er- op de Peutingerkaart is niet de Nederlandse plaats Cuijk, maar het Noord-Franse Chevilly. Het Romeinse Cuijk droeg immers de naam Ceudiacum.

  60. De enige volledig opgegraven inheemse nederzetting in het mondinggebied van de grote rivieren, die bij Rijswijk (Z-H.), blijkt in ieder geval niet voor het begin van de jaartelling te zijn gesticht. (Bron: ROB.)

  61. Renus en Schelde hebben een naamkundig verband met elkaar. Het Keltische Reno (=vloeien) zal dus oorspronkelijk een lokale Keltische naam geweest zijn van de Schelde. (Bron: M.Gysseling)
    Naamkundig kan met de Renus dus ook de Schelde bedoeld zijn. Doordenken op zijn eigen stelling schijnt er bij Gysseling niet bij te zijn.

  62. Archeologisch onderzoek heeft aangetoond dat verscheidene Romeinse forten in het Nederlandse rivierengebied al in de 3e eeuw verlaten zijn. (Bron: H.P.H.Jansen)


  63. Terwijl in zuidelijker streken zoals Frankrijk, WalloniŽ en Zuid-Limburg de resten van talrijke Romeinse villae zijn gevonden, missen wij deze nagenoeg geheel in het noordelijker deel van het door de Romeinen bezette gebied. De resten van de villa, die bij de Plasmolen zijn gevonden en die van een villa onder Overasselt zijn dan ook te mťťr merkwaardig. Zelfs als het een landbouwbedrijf zou zijn geweest, dan nog kan men het maar een schamele bedoening noemen. (Bron: H.A.W. Hoogveld)
    In elk geval staat vast dat er van bewoning anders dan van militairen, in Romeins Nederland nauwelijks sprake geweest kan zijn.

  64. De sporen van zoutwinning uit de Romeinse tijd treffen we langs de Noordzeekust alleen aan in BelgiŽ. Uit Noord-Nederland kennen we geen duidelijke sporen van zoutwinning uit de Romeinse periode. De meest bekende zoutwinplaats aan de Noordzee, het Belgische De Panne, spreekt hier voor zich. Het veensteken voor de zoutwinning heeft vooral in de Middeleeuwen duidelijk sporen, zo niet littekens, in de bodem en landschap nagelaten, deze komen vooral in Zeeland en Friesland voor. (Bron: Jaarboek )
    De klassieke auteurs zoals Plinius en Tacitus vermeldden rond het begin van de jaartelling dat in Noord-west Europa plaatselijk zout werd gewonnen door het overgieten van een houtvuur met zout. Ook hier bevestigt de archeologie de visie van Albert Delahaye onmiskenbaar.

  65. Het is geenszins onmogelijk dat ook langs de Nederlandse kust in de Romeinse tijd zout is gewonnen, door verdamping van zeewater, eventueel door middel van het uit de middeleeuwen bekende darrink delven of moernering, waarbij zout veen in brand gestoken en met zeewater werd overgoten. Directe bewijzen zijn daarvoor echter naar het schijnt niet te leveren. Welbekend is een tweetal ere-inscripties uit Ariminum-Rimini, welke betrekking hebben op L. Lepidius Proculus, die zich als centurio van de Legio VI Victrix in Novaesium-Neuss in de tweede helft van de regering van Vespasianus (69-79) van staatswege verdienstelijk heeft gemaakt voor (de produktie?,) de aankoop (en het vervoer?) van zout dat gewonnen werd langs de Belgische en Noordfranse kust in de civitates, de 'departementen' van de Menapii en de Morini. In dit gebied is De Panne (aan de Belgische kust, dicht bij de Franse grens) een belangrijk centrum geweest, waar in de IJzertijd tot zeker in de Romeinse tijd zout is gewonnen.(Bron: J.E.Bogaers)
    Hier geeft Bogaers dus weer een direct bewijs van het gelijk van Albert Delahaye. Teksten van Tacitus en Plinius over zoutwinning hebben dus geen betrekking op Nederland, maar op de kust van Noord-west Frankrijk en Zuidwest BelgiŽ: De Panne, de Morini en de Menapii.

  66. Voor de ontwikkeling van haar beide heiligdommen was het van bijzonder groot belang dat ze gelegen waren op of vlak bij de grens tussen de provincies Gallia Belgica en Germania Inferior, die in het noordwesten wel grotendeels gevormd moet zijn door de Schelde. Het land vlak ten zuiden van de monding van deze rivier heeft zeer waarschijnlijk behoord tot het departement of de civitas van de Menapii en is vermoedelijk bewoond geweest door de Marsaci, wier territorium dan deel heeft uitgemaakt van de civitas der Menapii. Ten noorden van de Scheldemonding heeft zich waarschijnlijk de civitas van de Frisiavones uitgestrekt; op de daar gelegen Zeeuwse en Zuidhollandse eilanden kunnen overigens ook de Sturii gewoond hebben, die ongetwijfeld geen eigen civitas hebben gehad, maar mogelijk behoord hebben tot die van de Frisiavones.(Bron: J.E.Bogaers)
    In deze visie van Bogaers wonen de Frisiavones (Friezen) ten zuiden van de Bataven, maar in elk geval niet in Friesland. Ten aanzien van de loop van de Schelde moet echter niet uitgegaan worden van de huidige loop. Zie de opmerking van J.A.Trimpe Burger die in hetzelfde boek meldt: "Bovendien zijn vele van deze oudere sedimenten vooral gedurende de middeleeuwen (post-Romeinse transgressies) over grote gebieden weggespoeld, zodat een reconstructie van het landschap met zijn vroegere waterlopen hier een hachelijke onderneming is". Overigens klopt het verhaal van Bogaers hier aardig met de visie van Albert Delahaye. Je vraagt je steeds meer af waarom Bogaers zo fel tegen Delahaye ageerde. Hij geeft hem hier weer gewoon gelijk.

  67. Het is merkwaardig dat de Oosterschelde bij Colijnsplaat (nog?) geen vondsten van militaire aard heeft opgeleverd, zoals b.v. dakpannen met stempels van de vloot van Germania Inferior [C(lassis) G(ermanicae) P(iae) F(idelis)], die o.a. aan het licht zijn gekomen op het strand aan de west- en noordkust van Walcheren.(Bron: J.E.Bogaers)
    Waar geen militaire nederzetting was, kan er ook geen gevonden worden. Je vraagt je ook hier weer af waarom Bogaers zo fel tegen Delahaye ageerde. Hij geeft hem gewoon weer gelijk.

  68. Waarschijnlijk behoorde Zeeland - althans het grootste deel daarvan - met Vlaanderen tot de civitas der Menapii. Men neemt in het algemeen aan dat tot in de 3de eeuw de hoofdstad van deze civitas geÔdentificeerd moet worden met de Noordfranse plaats Cassel (Castellum Menapiorum). In de laat-Romeinse tijd is Doornik de hoofdstad geworden. Ten zuiden van de Menapii woonden langs de kust de Morini. In de civitas van de Morini was Boulogne (Gesoriacum, later Bononia) als havenplaats en vlootbasis (Classis Britannica) van de grootste betekenis. Het Zeeuwse en Zuidhollandse eilandengebied wordt - zij het zeer hypothetisch - ook wel toebedacht aan de Marsaci, Sturii of Frisiavones. Historische gegevens met betrekking tot deze streek zijn uiterst schaars en vaag. Hernieuwde studie in de laatste jaren van alle Late-IJzertijd- en Romeinse vondsten uit dit gebied en naaste omgeving (publikatie van de schrijver in voorbereiding) heeft waarschijnlijk enige nieuwe aanknopingspunten opgeleverd, al moeten we er ons terdege van bewust zijn, dat het riskant is, vastgestelde 'cultuurgebieden' zonder meer in verband te brengen met het territorium van een bepaalde bevolkingsgroep.(Bron: J.Trimpe Burger)
    En tussen de Menapii en de Morini woonden de Bataven. Dan moet het toch niet zo moeilijk zijn de Bataven op de juiste woonplaats te localiseren.

De slag tegen de Usipeten en Tencteren.

In zijn boek "De Bello Gallico" beschrijft Julius Caesar de veldtocht tegen de Usipeten en Tencteren toen hij in de jaren 58-55 v.Chr. GalliŽ veroverde. In Nederland wordt deze slag nog steeds in de buurt van Nijmegen gedacht. (Bron: H.A.W. Hoogveld)

Daartegen zijn de volgende argumenten in te brengen. Terug naar boven.


2. Over Romeins Nijmegen.

  1. Willem van Berchen, een kanunnik van de St.Stevenskerk in Nijmegen, was de eerste die in 1465 over een vondst uit de Romeinse tijd schreef. Hij schrijft over een grafsteen, waarvan hij het opschrift in verband bracht met Gajus Julius Caesar. Latere historici meenden dat hij zich schromelijk vergiste. Hij was daarin niet de laatste. Steeds weer zien we dat nieuwe opgravingen en vondsten ons dwingen bestaande theorieŽn te herzien. (Bron: Stad aan de Waal)
    Je vraagt je in verwondering af waarom men zich dan zo vast blijft houden aan die door Willem van Berchen verkeerd vertaalde tekst en waarom men niet de consequenties trekt uit eigen zeer juiste conclusies! Het is dan ook onbegrijpelijk dat men in Nederland, en in Nijmegen, blijft vasthouden aan de traditionele onzekerheden vanaf de Romeinen.

  2. Nijmegen zag het levenslicht in de bloeitijd van het Romeinse Keizerrijk, zonder dat van het moment waarop dat gebeurde, concrete bewijzen zijn overgebleven. De archeologen die zich met deze materie bezighouden, baseren hun bevindingen noodgewongen op een combinatie van enkele vondsten uit opgravingen, summiere schriftelijke bronnen en hun kennis van de Romeinse geschiedenis. Hun conclusies zijn uit de aard der zaak steevast "voorlopig". (Bron: Numaga)
    Beter dan de heer Brabers het verwoordde, kan het niet gezegd worden. In Nijmegen is Romeins gevonden, maar dat was zo summier dat daar geen geschiedenis uit valt af te leiden. Men heeft de gegevens aangevuld met schriftelijke bronnen en de kennis van de Romeinse geschiedenis. En juist bij het toepassen van die schriftelijke Romeinse en Middeleeuwse bronnen op Nederland en Nijmegen zijn een aantal fundamentele fouten gemaakt en zijn verschillende misvattingen ontstaan. Daarbij is de verwarring tussen Nijmegen en Noyon, hoewel eenvoudig te weerleggen, ťťn van de meest hardnekkige gebleken.

  3. Voor zover we weten is de eerste die over een vondst uit Romeins Nijmegen heeft geschreven, Willem van Berchen geweest, eens kanunnik van de Nijmeegse St-Stevenskerk. In zijn Gelderse kroniek "De nobili principatu Gelrie et eius origine'' heeft hij omstreeks 1465 een steen met een Latijnse inscriptie vermeld, die toentertijd was ingemetseld in de z.g. Karolingische kapel op het Valkhof, en die thans bewaard wordt in het Provinciaal Museum G.M. Kam. Het betreft een grafsteen die tussen 96 en ca. 104 is opgericht voor G(aius) Iulius Pudens, veteraan van de Legio X Gemina Pia Fidelis, en voor diens zoon Iulius Iunius.
    In "Noviomagus, op het spoor der Romeinen in Nijmegen" lezen we hierover: "De wijze waarop Willem van Berchen de tekst van de inscriptie heeft aangevuld, gelezen en becommentarieerd, grenst aan het ongelofelijke en is ronduit verbijsterend. ,,Alles is anders" zouden we met H.Brunsting kunnen zeggen."
    (Bron: Museum Kam)
    En ondanks deze zeer terechte constatering dat er niets klopt van de beweringen van Willem van Berchen, worden deze beweringen nog steeds voor volle waarheid gehouden en legt Willem van Berchen met zijn verhaal de kiem van de latere mystificaties in "de algemeen aanvaarde geschiedenis van ons land" en met name die van Nijmegen.

  4. In 55 v. Chr. is Julius Caesar in de omgeving van Nijmegen, maar nÚch vondsten, nÚch litteratuur geven ons nadere inlichting. (Bron: H. Brunsting)
    Je vraagt je dus in verwondering af hoe men dan aan deze veronderstelling komt! Op grond van de vertaling van een tekst door Willem van Berchen? Zie de vorige opmerking.

    Wat zegt het Bronnenboek van Nijmegen?
    De eerstgenoemde en oudste tekst in het Bronnenboek van Nijmegen dateert uit 50 na Chr. Hoewel deze tekst (over de Civitates Batavorum) allerminst op Nijmegen betrekking heeft, erkent het Bronnenboek hiermee wel dat alles wat daarvoor ligt, niet bij Nijmegen hoort! Het Bronnenboek vermeldt Julius Caesar en zijn beschrijving van het Eiland van de Bataven niet. De tekst van Willem van Berchen zoekt men tevergeefs in het Bronnenboek van Nijmegen, ofwel men erkent hiervan de valsheid en dat het hier niet over Nijmegen of de Betuwe gaat.
    Het Bronnenboek laat de Romeinse periode in Nijmegen dus beginnen in 50 n.Chr. en eindigen in de 3e eeuw. Dit is bijna helemaal juist! De eerstvolgende tekst in het Bronnenboek is uit 770. Derhalve vertoont het Bronnenboek van Nijmegen zowiezo al een gat van 5 eeuwen. Dat gat zal allengs groter worden nu aangetoond is (zie de boeken van Albert Delahaye en hierna hoofdstuk 6) dat Karolingisch Nijmegen nooit bestaan heeft.


  5. "Noviomagus, op het spoor der Romeinen in Nijmegen."
    Het hierna volgende overzicht is samengesteld door vier archeologen die zich intensief bezighouden met de bestudering van het Romeinse verleden van Nijmegen en die een zo goed mogelijke interpretatie hebben willen geven van tal van vondsten. Vaak hebben wij ons tevreden moeten stellen met het uiten van vermoedens en het naar voren brengen van hypothesen; soms zijn wij het niet met elkaar eens. Veel materiaal moet nog diepgaand bestudeerd worden en over tal van problemen is nog een uitvoerige discussie noodzakelijk. Als gevolg daarvan zullen thans neergeschreven opinies in de al of niet naaste toekomst misschien gewijzigd dienen te worden. Bovendien beseffen wij allen terdege dat de in Nijmegen werkzame archeologen op grond van nieuwe, verrassende ontdekkingen reeds herhaaldelijk hebben moeten bekennen: ,,Alles is anders", en dat dit ook in de komende jaren bij voortgezet bodemonderzoek nog wel eens het geval zal kunnen zijn. (Bron: Museum Kam)
    Het 'hierna volgende overzicht' is de inhoud van het boek "Noviomagus, op het spoor der Romeinen in Nijmegen". Onderstreping door redactie toegevoegd!
    De twijfel die hierboven wordt uitgesproken ontstaat omdat de traditionele geschiedenis zoals men die altijd voor Nijmegen gedacht had, niet past bij de archeologische vondsten en een kritisch lezen van de authentieke bronnen. Albert Delahaye heeft altijd al getwijfeld aan die traditionele Romeinse geschiedenis in ons land, niet dat er Romeinen zijn geweest, maar aan de toekenning van plaatsnamen en gebeurtenissen aan de vindplaatsen van Romeins in Nederland.


  6. Aanwijzingen voor de aanwezigheid van een Romeins garnizoen te Nijmegen in ongeveer het midden van de 1e eeuw n.Chr. zijn er niet. (Bron: W.van Es)
    De Romeinse aanwezigheid in Nijmegen wordt te vaak schromelijk overdreven. De Romeinen zijn er slecht voor een korte periode geweest en zeker geen eeuwen.

  7. In Nederland was slechts ťťn castra, die van Nijmegen kortstondig in gebruik (70-105 na Christus) (Bron: R.Borman)
    Ook hier blijkt weer die korte periode in de Romeinse aanwezigheid in Nijmegen. Bovendien: indien Nijmegen een castra was, dan is het in strijd met alle Romeinse logica dat Arnhem, op 15 km van Nijmegen, dan het Castra Herculis van de Peutingerkaart geweest zou kunnen zijn.

  8. Gezien de schaarsheid aan vondsten uit de AugusteÔsche tijd op het gehele terrein (van de Nijmeegse castra) is het echter ondenkbaar, dat toen een geheel legioen zelfs maar voor korte tijd hier heeft gebivakkeerd. (Bron: H.Brunsting)
    De tijd van Augustus was van 27 v.Chr. tot 14 n.Chr. De enkele vondsten uit die periode betreffen door de eerste Romeinse soldaten meegenomen kleinoden. Bovendien geven kleinoden niet een juiste datering. Een munt uit de tijd van Augustus, kan ook vele decennia later pas in Nijmegen terecht zijn gekomen. Zie ook de volgende opmerkingen.

  9. Tot nu toe zijn geen gegevens aan het licht gekomen die wijzen op bewoning van het terrein van de legerplaats in de tijd van Tiberius-Nero. (Bron: J.E.Bogaers)
    De tijd van Tiberius-Nero zijn de jaren 14-68 n. Chr.

  10. Oudste resten Romeins Nijmegen opgegraven. Volgens prof.J.Bogaers gaat het om de oudste tot nu toe gevonden resten van Ulpia Noviomagus, de belangrijkste en naar nu blijkt waarschijnlijk oudste stad in ons land uit de Romeinse tijd. Van de nederzetting die tussen 70 en 270 na Chr, heeft bestaan, zijn delen van een monumentale ommureing, een stadsgracht en twee pottenbakkersovens terug gevonden. (Bron: J.E.Bogaers)
    De oudste resten van Nijmegen dateren dus uit 70 na Christus. Op welke grond vierde Nijmegen dan in 2005 haar tweeduizend jarig bestaan? Het "naar nu blijkt" geeft meteen aan dat Nijmegen steeds een geschiedenis heeft gehanteerd die niet op feiten, maar op vermoedens was gebaseerd. In hoeverre zijn deze opgravingsresultaten, naar die vermoedens toe geÔnterpreteerd? De aangetroffen scherven e.d. blijken uit het midden van de tweede eeuw te stammen, de munten zelfs uit de 3e eeuw.


  11. Reeds bij het eerste zien ervan (bedoeld zijn de archeologische vondsten ten oosten van de stad Nijmegen) viel terstond op, dat slechts twee ver uiteenliggende perioden erin vertegenwoordigd waren : de vroeg Romeinse, laten we zeggen tot het jaar 100, en dan ineens de laat-Romeinse vanaf ongeveer het midden der 3e eeuw. Van de tussengelegen anderhalve eeuw bleek ze, ook bij nadere bestudering, niets te bevatten. Deze hiaat was zo curieus, dat de te Nijmegen aanwezige verzamelingen er eens op werden nagezien. En het bleek toen, dat op het heuvelplateau overal dezelfde hiaat werd gevonden. De hoogten ten Oosten der stad moeten dus na het vertrek van de Romeinse bezetting lang verlaten hebben gelegen, de Bataven hebben dus minstens een anderhalve eeuw elders gewoond. (Bron: M.P.M. DaniŽls)
    Mattheus Petrus Maria DaniŽls (1877-1952; ook Daniels zonder trema), archivaris van Nijmegen (tot 1942) en voorganger van Albert Delahaye die in 1946 aangesteld werd in Nijmegen. In 1955 verscheen een postuum werk ĎNoviomagus Romeins Nijmegení. Daarin sprak DaniŽls zijn verwondering uit over de totale archeologische afwezigheid van de Bataven in Nijmegen. De geschriften van vader en zoon Smetius, waarop toch de traditionele geschiedenis van Nijmegen is gebaseerd, noemde hij geheel onbetrouwbaar.
    Een volgend hiaat in de geschiedenis van Nijmegen tussen 100 en 250 na Chr. Geen Romeinen op het heuvelplateau en evenmin Bataven. Waarom schermt Nijmegen toch steeds met een niet bestaande continuÔteit?


  12. Van de stad MAC. (Forum Hadriani) is dus wel uitermate weinig bekend. Van Noviomagus, dat ontstaan is na 70 n.Chr. en waarvan de einddatum rond het jaar 270 valt te bepalen, weten we dank zij diverse vondsten wat meer, ofschoon de bouwkundige overblijfselen die van deze stad aan het licht zijn gekomen, heel gering zijn. (Bron: J.E.Bogaers)
    De letters MAC. 'vertaalt' Bogaers met Foro Hadriani. De diverse vondsten en geringe bouwkundige overblijfselen in Nijmegen noemt hij, zonder verder onderzoek, van Noviomagus.

  13. Het tiende legioen dat in 69 en 70 n.Chr. in de Betuwe tegen de Bataven gestreden zou hebben, werd pas na het voorjaar van 71 vanuit Frankrijk (Norroy) naar Nijmegen overgeplaatst. (Bron: J.E.Bogaers)
    Dit feit wordt zelfs bij 4 verschillende Nederlandse historici genoemd: doordenken op de consequentie ervan schijnt er niet bij geweest te zijn. Als het Tiende Legioen bij de opstand van de Bataven in 69 en 70 n.Chr. nog niet in Nijmegen was maar in Frankrijk, dan heeft de strijd zich ook dŠŠr afgespeeld: ergo verbleven de Bataven ook dŠŠr!

  14. Aanvankelijk meende men dat deze nederzetting van de Bataven die door de Romeinse schrijvers vermeld wordt als 'Oppidum Batavorum', geziocht moet worden op het Kops Plateau. Thans neemt men aan dat de daar opgegraven resten verwijzen naar de vroegste Romeinse aanwezigheid in de omgeving van Nijmegen, al is niet precies duidelijk hoe lang zij bestaan heeft en waarvoor zij gediend heeft. Men denkt aan een Romeinse villa. (Bron: Stad aan de Waal)
    Een castellum, een nederzetting van Bataven of ťťn enkele Romeinse villa? Als archeologen en historici daar geen verschil in onderkennen, moeten ze eens ophouden met hun zogenaamde "zekerheden".

  15. In het opnieuw opgebouwde kamp van Nijmegen, lag vanaf ongeveer 71 de Legio X Gemina. (Bron: De Romeinse Rijksgrens tussen Moezel en Noordzeekust)
    Zie de opmerking hierboven. Ook Bechert en Willems onderschrijven hiermee de visie van Albert Delahaye dat de Opstand van de Bataven zich NIET in de Betuwe heeft afgespeeld.

  16. De laatste Romeinse soldaten vertrokken in het jaar 406. Dan zwijgt de geschiedenis over Ulpia Noviomagus en er moeten eerst vier eeuwen verlopen, eer we de naam Noviomagum weer ontmoeten in de tijd van Karel de Grote. (Bron: Kroniek van Nijmegen)
    In "De Kroniek van Nijmegen" wordt dus openlijk erkend dat de "continuÔteit" van Nijmegen nooit bestaan heeft, maar een gat vertoont van 4 eeuwen. Ook het Bronnenboek Nijmegen erkent dat er een gat is, zelfs een van ruim 5 eeuwen. Hoezo Nijmegen 2000 jaar stad? Bovendien is dat gat nog groter geworden tot zelfs ruim 7 eeuwen, nu door Albert Delahaye is aangetoond dat de Karolingische traditie van Nijmegen vals is.

  17. We kunnen er niet voor instaan dat alle Nijmeegse fibulae (sierspelden) werkelijk in Nijmegen gevonden zijn. Er is wel eens, meer dan eens, een exemplaar van elders in alle argeloosheid of om lucratieve redenen als van Nijmegen afkomstig aan beheerders der collecties aangeboden. Slechts weinige exemplaren hebben een nadere vindplaats, ook niet altijd even zeker, en stellig geen opzienbarende. Van geen enkele Nijmeegs exemplaar zijn vondstomstandigheden bekend die onze chronologie hebben kunnen ondersteunen of bevorderen: in dit opzicht hebben zij niets te bieden en hebben wij slechts van elders ontvangen. (Bron: H.J.H. van Buchem)
    En mede op grond van deze, van elders geÔmporteerde museumkleinoden, baseert men in Nijmegen een groot deel van zijn zekerheden met betrekking tot de Romeinse geschiedenis van de stad. Nijmegen heeft meer geÔmporteerde geschiedenis.

  18. Dr. W. C. Braat te Leiden herkende indertijd (1939) in een (vermoedelijk) in Nijmegen gevonden portretkop niemand minder dan Gaius Julius Caesar, die in het midden van de laatste eeuw v. C. Frankrijk, BelgiŽ en zuid-Nederland aan het Romeinse rijk toevoegde. De conclusie luidt dat het portret onder de regering van keizer Augustus (27 v.C.-14 n.C.) vervaardigd werd en dat hij, als de vindplaats (Hunerberg) juist is, vermoedelijk gestaan heeft in het sacellum (vaandelheiligdom) van de Nijmeegse vroegste legerplaats, die uit de tijd van Augustus.(Bron: H.J.H. van Buchem)
    Ook deze portretkop is later in Nijmegen terecht gekomen. In elk geval niet in de tijd van Julius Caesar, die immers nooit verder is geweest dan GalliŽ. Zuid-Nederland hoorde beslist niet bij GalliŽ, ook al willen enkele historici dat blijven beweren, omdat ze anders met de rest van de teksten over Romeins Nederland niet uitkomen. De aanwezigheid van Romeinen in de periode van keizer Augustus wordt nergens door opgravingen aangetoond of bevestigd. De kop is dus gewoon geÔmporteerd en veel later in Nijmegen terecht gekomen. Dat dit juist is blijkt uit het feit dat de oudste antieke stukken te Nijmegen gevonden waarover meer zekerheid te geven is, uit de periode van Tiberius (14-37) en Claudius (41-54) stammen. Pas tegen het midden van de eerste eeuw is er meer zekerheid te geven, dat er werkelijk Romeinen in Nijmegen gelegerd waren. Het jaar 47 n.Chr. kan met meer zekerheid genoemd worden.

  19. In Numaga XIII, 1966, 187-199 heeft J. Ypey een gedegen beschrijving gegeven van de twee gezichtshelmen die door hem met zeer deskundig vernuft gerestaureerd werden. Beide -bezit van de gemeente Nijmegen en het museum Kam - zijn op de tentoonstelling (in Keulen) aanwezig. In de Gids (bij deze tenstoonstelling en opgesteld door Duitse deskundigen) worden zij uitvoerig besproken, waarbij in het bijzonder de datering opvalt. De helm uit de Waal (C 18; ook deze was van ijzer) werd algemeen (Ypey t.p., p. 199) gedateerd omstreeks 100 n. C., maar in de Gids (dus door Duitse deskundigen) wordt dat de tweede helft van de 3e eeuw.(Bron: H.J.H. van Buchem)
    Toevingen tussen haakjes van de redactie. Liefst een verschil van ruim 150 jaar tussen de Nederlandse en Duitse interpretatie! Hoe zeker zijn de Nederlandse "zekerheden"?

    In dit verband wijzen we op de volgende opmerking: "Onder de talrijke vragen die bij het onderzoek van antiek cultuurgoed voor de onderzoeker opdoemen neemt naast de datering de vraag naar de herkomst der voorwerpen een voorname plaats in: waar zouden zij zijn vervaardigd en hoe kwamen zij b.v. in Nijmegen terecht". (Bron: M. H. P. den Boesterd)
    In Nijmegen, maar ook op andere plaatsen in Nederland, schijnen archeologen met deze terechte constatering wel eens te lichtvaardig omgegaan te zijn. Veel vondsten blijken bij nadere beschouwing helemaal niet uit de tijd te stammen die men er aanvankelijk voor in gedachte had. Te vaak worden vondsten naar de "gewenste periode" toegeschreven. Vondsten waarvan de vondstomstandigheden niet eens bekend zijn, zijn immers ongeschikt om een juiste datering te geven. Desondanks heeft men dat keer op keer toch gedaan! In Nederland liggen de musea er vol mee!
    Niet alleen Romeinse voorwerpen, maar zeker ook die uit de Karolingische tijd en de z.g. relikten van de Noormannen zijn naar de tijd toegeschreven. De schat van Winsum, waar het Fries museum jaren geleden mee pronkte, bleek namelijk zo vals als wat! Ook archeologisch Nijmegen bleek jarenlang bij de neus genomen te zijn door valse relikten. (zie bij Nijmegen: Archeologisch vondsten blijken nep)!


  20. Op de hierboven genoemde tentoonstelling was ook een bronzen beeldje te zien waarover ook de meningen uiteen liepen.
    Dit geldt ook voor het bronzen beeldje dat ik indertijd voorzichtigheidshalve puer pileatus gedoopt heb, jongen met een phrygische muts op zijn hoofd (C 113, taf.67). Ik heb toen voorgesteld er een ten hemel stijgende phrygische Ganymedes in te zien. De knaap Ganymedes werd door Zeus bemind en door diens adelaar naar de Olympos gedragen (zie nr. C24l). Maar, als men de Gids (door Duitse deskundigen samengesteld) mag geloven, is het probleem opgelost: het is een "Statuette eines tanzenden Attis". Ook dr. M. J. Vermaseren heeft er indertijd een dansende Attis hilaris, een vrolijke dansende Attis in gezien.
    (Bron: H.J.H. van Buchem)
    Als men het al niet eens is over de voorstelling van een beeldje, hoe kan men dan tot een verantwoorde datering komen?

  21. De legerplaats Nijmegen is kort na 175 n.Chr. opgegeven. De bewoning van de beide kampdorpen ten westen en oosten van de castra was na ongeveer 120 n.Chr. al grotendeels verdwenen. (Bron: W.van Es en H.Sarfatij)

  22. De tot nu toe in de Nijmeegse castra gedane vondsten maken het niet waarschijnlijk dat deze nog na ca. 175 bewoond is geweest. (Bron: J.E.Bogaers)
    In het aangehaalde artikel blijkt erg duidelijk dat het "waarschijnlijk" voortkomt uit de "oude traditie" en niet uit de archeologische vondsten. Er is immer niets gevonden uit de periode na 175.

  23. Ook de bij de legerplaats behorende grafvelden lopen niet verder door dan tot het midden van de 2e eeuw. Dat alles doet veronderstellen dat het amfitheater wel niet alleen door en voor de militairen gebruikt zal zijn. Toen die grotendeels vertrokken waren is het verder geŽxploiteerd ten behoeve van de stadsbevolking. Handig, maar wel ongebruikelijk en eigenlijk nogal armoedig. Dat klopt ook wel, want Nijmegen is als Romeinse stad misschien nooit een groot succes geweest. (Bron: Jubileumboek ROB.)

  24. Ulpia Noviomagus is als stad misschien nooit een groot succes geweest. In ieder geval staat vast dat er na 270 niet veel van overbleef. ContinuÔteit naar de middeleeuwen is er zeker niet. (Bron: W.van Es en H.Sarfatij)

  25. De naam "Ulpia Noviomagus" is een verzinsel van dr.J.E.Bogaers en slechts gebaseerd op een in Pfünz (Beieren) gevonden gedenksteen. Bogaers verklaart de naam Ulpia bij Noviomagus als afkomstig van de Tribus Ulpia. Dr.Van Buchem bestreed dit bedenksel van Bogaers meteen al, omdat alle 35 Tribus (kiesdistricten) bekend waren. Een tribus Ulpia was daar niet bij. (Bron: Numaga)
    Bogaers komt tot dit bedenksel van de naam Ulpia Noviomagus op grond van het feit dat keizer Traianus Marcus Ulpius heette en zijn naam gegeven zou hebben aan dit Noviomagus (er waren in het Romeinse rijk meerdere plaatsen die Noviomagus heetten dus de vraag is welke bedoeld wordt). En omdat de gedenksteen afkomstig was van een Bataaf en de Bataven woonden nu eenmaal in de Betuwe, moest het bedoelde Noviomagus wel Nijmegen zijn. Immers Nijmegen ligt in de buurt van de Betuwe. Dat hier sprake is van een cirkerlredenering is wel duidelijk.

  26. De nederzetting die de Galloromeinse naam Noviomagus van de ten onder gegane Romeinse stad bewaard had, kan niet omvangrijk geweest zijn. (Bron: F.Gorissen)

  27. Aangaande het bestuur van de stad Ulpia Noviomagus-Municipium Batavorum beschikken we over heel weinig gegevens, slechts aangetroffen op altaren die allen buiten Nijmegen zijn gevonden. De naam Municipium Batavorum is alleen bekend van enige inscripties die buiten Nijmegen zijn gevonden.(Bron: Museum Kam)
    In Nijmegen zelf is dus NIETS gevonden dat bevestigt dat het Municipium Batavorum daar gelegen was. De vondsten in Kapel Avezaath en Colijnsplaat bewijzen niets ten gunste van Nijmegen. Net zo min als de naam Noviomagus dat is, aangetroffen op gedenkstenen te Pfünz, Boedapest en Rome en die men altijd voor Nijmegen heeft opgevat! Met dit Noviomagus is natuurlijk gewoon Noyon bedoeld, dat ook in de vele teksten waarvan onomstotelijk vaststaat dat het over Noyon gaat, Noviomagus heet. Te denken valt aan de teksten over de kroning van Karel de Grote wat onmiskenbaar in Noyon plaats vond.

  28. De loop der wegen tussen Xanten en Nijmegen is in de Geschiedkundige Atlas van Nederland, De Romeinse tijd, onjuist voorgesteld.(Bron: F.Gorissen)


  29. Uit bodemonderzoek op de Kopse Hof en de oostzijde van het Trajanusplein blijkt dat het "Bataafs" dorpje dat Holwerda in 1937 meende te hebben gevonden bij het Oppidum Batavorum, nu wel voorgoed de mist is ingegaan.(Bron: J.H.F. Bloemers.)


  30. De vondsten die in 1971 en 1972 op de noordelijke helling van het Kops Plateau zijn gedaan, hebben geen argumenten opgeleverd om Holwerda's identificatie van de nederzetting op het plateau met Tacitus' Oppidum Batavorum te ondersteunen. (Bron: Museum Kam)
    Dr. J.H.W.Willems (voormalig directeur van de ROB. in Amersfoort) betoogde bij opgravingen op de Kopse Hof in Nijmegen: "We hebben op dit ogenblik (1989) zo'n 9000 m2 van 'Holwerda's Oppidum Batavorum (1)' opgegraven, maar zoals eigenlijk wel te verwachten was: we hebben het niet gevonden. Alles wat we tot toe hebben gevonden wijst erop dat het tussen 12 vóór en 70 n.Chr. op het Kops plateau een komen en gaan van Romeinse legeronderdelen is geweest. En als er hier al Bataven zijn geweest dan hoorden die dààrbij!"

  31. Dr. Holwerda concludeerde uit hetgeen hij gevonden had (op het Kops Plateau), dat dit het Oppidum Batavorum moest zijn, dat door Tacitus genoemd wordt in zijn berichten over de opstand der Bataven. Het is natuurlijk een beetje te grote sprong om uit de resten, die hoogstens vijftien gezinnen achter gelaten hebben, te besluiten dat een grote volksstam, die vele duizenden krijgslieden kon leveren, in zijn geheel geromaniseerd was. Reeds gedurende de opgravingen op het Kopse plateau zijn er van vele kanten bezwaren tegen de zienswijze van dr. Holwerda uitgesproken en in publicaties met argumenten uitvoerig behandeld. Bewijzen waren echter moeilijk aan te voeren tegen deze visie en gevoelsargumenten zijn daarvoor onvoldoende. Er is nergens een aanwijzing te vinden voor de theorie, dat de Bataven hier geplaatst zijn door de Romeinen. De stelling dat de Bataven al geheel geromaniseerd hier gekomen zijn, wordt door de vondsten niet bevestigd. Op het Kopse plateau zijn geen spinsteentjes aangetroffen. Dit zou er op kunnen wijzen dat de inlandse huisvrouw nooit op het Kopse plateau gewoond heeft. De vondsten wijzen veeleer op mannen en wel op militairen: het vele importgoed uit ItaliŽ bewijst dat. Hierbij is niets dat op vrouwen en kinderen wijst, veeleer op militairen met hun Romeinse officieren. (Bron: W.H.Kam)
    Er is dus geen enkel bewijs dat er Bataven op het Kops Plateau gewoond zou hebben. Daar gaan de mooie Nijmeegse verhaaltjes over het Oppidum Batavorum! Zie ook de volgende opmerkingen.

  32. Bij de opgravingen in de Betuwe is, zover mij bekend, nergens een nederzetting gevonden waar niet de meeste scherven uit inlands fabrikaat, eventueel nagenoeg geheel uit inlands aardewerk bestonden. De Romeinse scherven, die gevonden werden, waren steeds na 70 te dateren. Een inlandse nederzetting, die nagenoeg geheel uit Romeins aardewerk bestond met een groot aantal Arretijnse stukken, is nergens gevonden. (Bron: W.H.Kam)

  33. "Is het ook niet eigenaardig dat in Nijmegen nergens resten van Bataafse bewoning zijn gevonden waarin de golfrandige scherven voorkomen, zoals die in de Betuwe en in Overasselt gevonden worden? Het is natuurlijk onjuist alle inlands aardewerk Bataafs te noemen. Zo is ons geen Bataafse begraafplaats met urnen bekend. Holwerda en Braat wijzen daar al op. Het is dus onzin om van een zuiver Bataafs graf te spreken, wanneer een urnbijzetting in een Romeinse omgeving wordt aangetroffen. Dit moet een inlands graf heten, dat mogelijk uit de urnenvelden-tijd stamt, uit de ijzertijd of eventueel uit de bronstijd. Ook het inlandse aardewerk dat uit gemengd Romeinse brandgraven komt, is niet Bataafs. Het is nog steeds onbekend hoe de Bataven hun doden ter aarde bestelden, maar zeker niet in urnbijzettingen." (Bron: W.H.Kam)

  34. Na 235 werd het Romeinse Rijk ernstig verzwakt door de strijd tussen een groot aantal legeraanvoerders om de keizerstroon. De bewaking van de grenzen van het Rijk verslapte, waardoor Germaanse stammen konden binnendringen. In deze periode moet ook een einde gekomen zijn aan de bewoning van Ulpia Noviomagus: na 270 schijnt het grafveld niet langer gebruikt te zijn. Althans vondsten van aardewerk en munten van na die tiid ontbreken. Dat Noviomasus werd verlaten zal, behalve met de overlast van vreemde indringers in het gebied, ook te maken hebben gehad met een stijging van het waterpeil. Het is niet onaannemelijk dat zich in deze periode een klimatologische verandering heeft voltrokken, die gepaard is gegaan met een overvloedige regenval en met een verhoging van de grondwaterstand. (Bron: Stad aan de Waal)
    De transgressies worden ook hier niet ontkend. Opmerkelijk blijft dat Nijmegen ontvolkt was, men in Nijmegen toch blijft uitgaan van continuÔteit in bewoning. Hoe kan Nijmegen dan als stad 2000 bestaan? Als Nijmegen in 154 n.Chr, een stad wordt (zie Stad aan de Waal blz. 21) en tussen 270 en 400 ontruimd is geweest, bestaat Nijmegen hoogstens, volgend eigen opgave, 1700 jaar! Met het verdwijnen van het Karolingisch paleis en de Merovingische en Karolingische periode komen daar nog vele eeuwen bij.

  35. Noviomagus Batavorum is misschien wel de enige plek in Nederland waar in de 4e eeuw na C. nog enige nakomelingen van Bataven woonden, want hun broeders waren omstreeks het midden van de 3e eeuw door het wassende water uit de Betuwe verdreven en o.a. in Noyon terechtgekomen; deze volksverhuizing heeft nog in onze tijd tot merkwaardige mystificaties geleid. (Bron: H.J.H. van Buchem)
    Uit deze ene zin zijn een aantal zeer opvallende conclusies te trekken.
  36. Tot ongeveer 175 n.C. werd de castra door verschillende legioenen als huisvestingsplaats gebruikt. (Bron: Stad aan de Waal)
    Na het jaar 175 zijn er geen aanwijzingen meer dat het castra in Nijmegen nog gebruikt werd, ofwel het was verlaten. Van een continuÔteit in de Romeinse aanwezigheid in Nijmegen is dan ook verre van sprake. Ook de zo gewenste bewoning op het Valkhofterrein is nooit aangetoond. "Van het fort zelf is tot heden (1984) niets teruggevonden", lezen we op blz. 25 in Stad aan de Waal.

  37. Na het vertrek van de Romeinen verdween de stedelijke cultuur in onze streken, tot ongeveer de elfde eeuw. (Bron: Stad aan de Waal, blz.29)
    En dan blijft men in Nijmegen nog doodleuk beweren dat de stad al 2000 jaar zou bestaan. Men mist acht eeuwen.

  38. Wat moet men zich voorstellen van Nijmegen na de Romeinse periode. Er is weinig bekend: zowel schriftelijke bronnen als archeologische gegevens zijn schaars. (Bron: Stad aan de Waal, blz.29)
    Deze gegevens zijn niet alleen schaars in Nijmegen, ze ontbreken gewoon. Indien de gegevsn schaars zijn gaan blijkbaar alle akten waarin sprake is van Noviomagus, niet over Nijmegen. Wat tot de 11e eeuw een zeer juiste conclusie is.

Terug naar boven.


3. Over de bewoningsgeschiedenis en bewoningscontinuÔteit van ons land!

  1. Het grote hiaat.
    Tussen 300 en 700 n.Chr. is er een groot hiaat in de bewoningsgeschiedenis. Na een periode van langdurige overstromingen was Zuid-Beveland in het jaar 800 in principe bewoonbaar, maar dat wil nog niet zeggen dat het inderdaad werd bewoond. De ontginning van de (Zeeuwse) eilanden werd omstreeks het jaar 900 ter hand genomen. Om zich te beschermen tegen de gevaren van storm- en springvloeden, bouwden de bewoners zogenaamde vliedbergen, waarop ze zich met hun vee in veiligheid konden brengen.
    In de zesde en zevende eeuw was er sprake van een doorbraak van de zee tussen het latere Walcheren en het Land van Cadzand. De arm die toen ontstond tussen de zee en de Schelde - ten oosten van Hontenisse - werd de Honte genoemd.
    Over de oudste aanleg van dijken is ons uit schriftelijke bron niets bekend. De aanwezigheid van dijken verraadt zich slechts door plaatsnamen die waren samengesteld met het woord 'dijk'. In het jaar 1025 kwam de naam Tubindic voor en in 1046 de naam Isendycke. In die tijd waren de dijken niet meer dan bescheiden kaden, wellicht voldoende om de mensen een gevoel van veiligheid te geven, maar beslist onvoldoende tegen een zware stormvloed.
    De plaatsnamen die verband houden met de bedijkingen zijn op de Bevelanden niet ouder dan de elfde eeuw. Dit geldt bijvoorbeeld voor: Kattendijke, Krabbendijke, Lodijke. Ellewoutsdijk en Wolphaartsdijk. De namen, samengesteld met -kerke zijn later ontstaan en wel ten tijde van de massale parochiestichting in de tweede helft van de twaalfde eeuw en in de eerste helft van de dertiende eeuw.
    (Bron: De Nederlandse Delta, p.35-38)
    We kunnen uit dit boek de duidelijke conclusie trekken dat ons land na het vertrek van de Romeinen in laag en midden Nederland onbewoond was tot in de 10e, zelfs 11e en 12e eeuw. Slechts op grond van foutief geÔnterpreteerde (voornamelijk Franse) schriftelijke bronnen, krijgt dit verdronken land een geschiedenis toebedeeld, die duidelijk uit een andere streek kwam. Juist in de periode dat St.Willibrord in Zeeland geweest zou zijn (volgens de traditie), was er sprake van een verhoogde activiteit van de zee, dus een transgressie. Het staat vast dat de ontginning van Zeeland is verricht door de Vlamingen. Zij brachten veel plaatsnamen mee die vanuit BelgiŽ gedoubleerd zijn, zoals Walcheren, Middelburg, Westkapelle en Vlissegem (werd Vlissingen). De techniek van ontginnen had men geleerd in Frans-Vlaanderen, waar men in de 8e eeuw al waterstaatkundige werken kende. Woorden als dyck, waterganc, gracht, wede (weide) en becque (beek) zijn net als de eerste bewoners vanuit het zuiden afkomstig en niet andersom. Zie verder bij de naam Holland en de Opkomst van Holland.

  2. Tussen 250 en 950 ontbreekt elke vorm van bewoning in Utrecht. (Bron: W.van Es).
    St.Willibrord en zijn voorgangers en opvolgers hebben er dus nooit een bisschopszetel kunnen hebben. Immers zonder bewoners valt er niets te bekeren. Zie ook verder bij 7. Over St.Willibrord, Utrecht en Egmond!

  3. De laaggelegen Gelderse Vallei heeft in de vroege middeleeuwen nauwelijks bewoning gekend. Vermeldingen van nederzettingen van vóór 1000 zijn niet overgeleverd. De Gelderse Vallei vormde een uitgestrekt moerasgebied tussen de Utrechtse heuvelrug en de westelijke flank van de hoge Veluwe. In het begin van de 11e eeuw wordt het gebied ten zuidoosten van Amersfoort omschreven als een "ononderbroek en zeer breed moerasgebied". (Bron: Bruit van d'Eem, p.37).
    Dit betekent zonder meer dat de oorkonde van 777 geen betrekking had op het gebied rondom Amersfoort! Er was slechts moerasgebied, dus geen bossen, ook niet rondom Leusden. De oude namen voor Leusden als Leusbroek (broek=moeras) en Hamersveld (A-moer-veld), duiden hier al op. Karel de Grote heeft dan volgens de traditionele opvattingen in Nederland dus waardeloze bezittingen aan de kerk van Trajectum geschonken.

  4. Met het vertrek van de Romeinen valt Holland eigenlijk weer terug in de prehistorie. De invloed van de Romeinse cultuur in de inheemse nederzettingen van het zuiden van Holland was al niet groot. Bij opgravingen in Kethel bij Schiedam vond men een boerderij uit de tweede en derde eeuw n.C. Maar onder de gebruiksvoorwerpen die daar aangetroffen werden, was er slechts ťťn van Romeinse oorsprong. ln het noorden van Holland hebben de bewoners weinig of niets van de Romeinen gemerkt. Men leefde in feite nog in het ijzeren tijdperk. De periode van de derde tot de zevende eeuw is wat archeologische vondsten betreft eveneens een 'stille tijd'. Terwijl in Europa de Volksverhuizing aan de gang was, het trekken van verschillende stammen en volkeren, bleef Holland een dunbevolkt, betrekkelijk geÔsoleerd gebied aan de Noordzee. Slechts langs de monding van de grote rivieren en op sommige hoger gelegen gronden bleven nederzettingen bestaan. Een aantal werd in de loop der eeuwen weer verlaten. Het opdringende water en het steeds drassiger worden van de bodem speelden hierbij een grote rol. (Bron: C.Bunnik e.a.)
    En laten we de nergens vastgestelde Grote Volksverhuizing -die volgens de traditie overigens dwars door Nederland liep- even buiten beschouwing, dan bevestigt dit verhaal het gelijk van Delahaye: de Romeinse invloed is in Nederland nergens aantoonbaar en door de transgressies werd ons land onbewoonbaar.

  5. Ingrijpend gewijzigd is het beeld van de bewoning in de eerste helft van de derde eeuw na Chr. Zeer veel woonplaatsen zijn toen verlaten. Wij schrijven deze indrukwekkende verandering in hoofdzaak toe aan een omkeer in de hydrologische omstandigheden. Het water dat de mensen in het westen van ons land in die tijd op grote schaal heeft verjaagd, moet ook hier debet worden gesteld aan de breuk in de bewoning. Het is vooralsnog niet mogelijk te bepalen hoe tang deze natte periode, die in de eerste helft van de derde eeuw begint, heeft aangehouden. Dat zij er is gewees! staat onomstotelijk vast, aangezien zij over grote oppervlakten het Romeinse maaiveld heeft afgedekt.
    Het einde van deze Romeinse sedimentatieperiode valt misschien nog wel voor 400 na Chr.. De Romeinse bemoeiingen met het rivierkleigebied in de 4de eeuw zijn echter van zuiver militaire en strategische aard. De 'koloniserende' invloed uit de 2de eeuw keert niet weer. We hebben daarom slechts de beschikking over een zeer klein aantal gegevens uit de 4de eeuw. Zij zijn niet van dien aard, dat er veel met zekerheid over de bewoonbaarheid van het rivierengebied valt te zeggen. Toch nemen wij wel aan, dat deze gunstiger was dan in de eerste helft van de derde eeuw.
    De bewoning in de Merovingische tijd is een voortzetting van de in de Romeinsc tijd gevestigde tradities. Tal van streken, die kort na 200 zijn verlaten, blijven onbewoond; slechts in zeer enkele gevallen worden zij weer in cultuur gebracht. Een nieuwe impuls heeft de occupatie van de rivierkleigronden ontvangen in de Karolingische tijd (8e en 9e eeuw).-Het aantal nederzettingen neemt dan weer sterk toe. Men kriig de indruk, dat deze hernieuwde, Karolingische occupatie onder drang van buitenaf volgens een bepaald systeem is geschied. Het staat in ieder geval vast, dat in de 9e, 10e en 11e eeuw de omstandigheden gunstig zijn geweest voor wonen op de rivierklei. Het stramien van het tegen woordige nederzettingsbeeld dateert uit deze tijd.
    Ingrijpende wijzigingen hebben in de laatste driehonderd jaar van de middeleeuwen plaats gevonden door de bedijkingen. Ook hierin oeten wij weer een periode zien, waarin toenemende wateroverlast de mens tot bijzondere maatregelen heeft gedwongen. Vertrek naar elders kon geen oplossing meer brengen voor de reeds vrij aanzienlijke bewoning. Men heeft toen de strijd met het water eengebonden. De zeer sterke ophogingen van de woonplaatsen dateren uit de 14e en 15e eeuw.
    Samenvattende kan gezegd worden dat wij in het rivierkleigebied op het ogenblik drie natte perioden kunnen onderscheiden, die telkens door droge tijdvakken worden afgewisseld. Het is opmerkelijk dat deze ontwikkeling volkomen parallel loopt aan wat wij uit westelijk Nederland kennen. Daar spreekt men van transgressies en regressies. Het komt ons voor, dat deze bewegingen een uiting zijn van een veel algemener verschijnsel, nl. wisselingen in de waterhuishouding ten gevolge van klimaatsveranderingen.
    (Bron: P.J.R. Modderman)
    De bevindingen van Modderman sluiten feilloos aan bij de opvattingen van Delahaye. Het moet nu toch voor iedereeen duidelijk zijn dat er tussen de 3e en 9e eeuw nauwelijks of geen bewoning geweest is in het rivierengebied en in west Nederland. De vraag waar zich dan vele historische gebeurtenissen hebben voorgedaan, kan nu beantwoord worden: niet in de streken die men er in de traditie voor aangenomen heeft.

  6. Als er geen dijken waren, zou Friesland niet bestaan. (Bron: K.A. v.d.Hoek e.a.)
    De bouw van dijken kwam pas op gang in de 11e en 12e eeuw. Friesland ligt lager dan de zeespiegel van de waddenzee. Daarmee ontbreekt de bodem waarop veel historische gebeurtenissen zich in de 7e en 8e eeuw zogenaamd zouden hebben voorgedaan, zoals de prediking van St.Willibrord en St.Bonifatius. Deze hebben zich dan ook niet in het Nederlandse Friesland voorgedaan, maar in het Noord-Franse Frisia, het tegenwoordige Frans en Belgisch Vlaanderen.

  7. Men heeft zelfs een hele stamlijst van Friese koningen en hertogen uit de duim weten te zuigen. In werkelijkheid is er heel weinig of niets van hen door de geschiedenis overgeleverd. (Bron: Geschiedenis der Nederlanden).
    Er is niet "heel weinig" maar gewoon "niets" overgeleverd. Er is veel uit de duim gezogen om de vermeende geschiedenis een beetje passend te maken. Het is momenteel wel duidelijk dat de eerste graven van Holland uit Frans-Vlaanderen kwamen. Van Frieze koningen is zowiezo al helemaal nooit iets gebleken.

  8. Wanneer men bedenkt dat het zeeniveau geen constant begrip is, evenmin zelfs in Nederland het landniveau, dan zit men reeds midden in de problematiek van de Nederlandse bewoningsgeschiedenis. (Bron: G.D. van der Heide)
    Er bestaat dus een problematiek in de Nederlandse bewoningsgeschiedenis. Dat probleem ligt in het gegeven dat er zich zogenaamd historische feiten hebben afgespeeld op momenten dat er geen bewoning mogelijk was o.a. door transgressies.

  9. Vóór de dijkbouw overstroomde het water bij iedere vloed uitgestrekte landstreken, waarin mens en dier een betrekkelijke veiligheid op de terpen of op de reeds hoog opgeslibde terreinen genoten.(Bron: G.D. van der Heide)
    Aangezien met de dijkbouw in Nederland pas in de 11e eeuw werd begonnen, mist de traditionele geschiedenis in het grootste deel van Nederland elke grond (letterlijk èn figuurlijk) van haar bestaan. Terpen zijn het bewijs van het ontbreken van een centraal gezag.

  10. De terpen zijn niet alle in dezelfde tiid ontstaan en men zou dan ook van verschillende 'generaties' terpen kunnen spreken. De vroegste terpen blijken uit de zesde of zevende eeuw v. Chr. te stammen toen de eerste kolonisten de droogvallende delen van de kleigebieden binnentrokken. Een volgende generatie ontstond aan het begin van onze jaartelling in een periode waarin het land opnieuw werd opengelegd. Hiertoe behoren vermoedelijk ook veel van de welbekende Friese nederzettingen. Een daaropvolgende generatie blijkt pas ontstaan te zijn na de grote Volksverhuizingen. (Bron: M.Todd)
    Het feit dat er blijkbaar terpen nodig waren om te overleven, bevestigen de transgressies op een onmiskenbare wijze. De periode tussen de eerste en tweede generatie terpen valt precies samen met de periode tussen de tweede en derde Duinkerkse transgressie. Ook hier weer een gelijk van de visie van Albert Delahaye.

  11. De klimaatschommelingen worden in het westen van Nederland o.m. duidelijk gedemonstreerd door afwisseling van veenvormingen en klei-afzettingen, door de afwisseling van re- en transgressiefasen, waarmee de veranderingen in de bewoning van het landschap ten nauwste samenhangen.(Bron: G.D. van der Heide)
    En onder die lagen zeeklei vindt men het Romeins terug in laag Nederland. Ofwel na de Romeinen vonden er langdurige overstromingen plaats.

  12. Jacob van Oudenhoven stak in 1654 in zijn "Out Hollandt, nu Zuyt Hollandt" al de draak met "het ontbreken van elke schriftuur", geen enkel geschrift, over de geschiedenis van Holland. Hij concludeerde terecht dat het onjuist moest zijn wat sommigen zeiden, namelijk "dat de eerste Hollanders ongeletterd waren en niet konden schrijven". "Het geeft geen pas", schrijft hij met verontwaardiging, "zo een ongeletterdheid te veronderstellen bij een zo vief volk als de Hollanders, maar de geschriften ontbreken omdat het land niet bewoond was". (Bron: J.v.Oudenhoven)
    Die oude Jacob had het perfect begrepen en het volslagen juist geformuleerd.

  13. Grote delen van de oude landschappen in West-Nederland zijn telkens overdekt met klei of ten prooi gevallen aan de zee. (Bron: L.P.Louwe Kooijmans)
    Veel Romeins in laag Nederland wordt gevonden onder een dik laag overslaggronden, soms wel 6 meter onder het maaiveld. De transgressies na de Romeinse tijd zijn niet langer meer te ontkennen, zoals uit meerdere studies blijkt. De overstroomde gebieden in west- en midden-Nederland waren vele eeuwen totaal onbewoonbaar, wat mag blijken uit het gebrek aan archeologische vondsten. "Dat alles is weggespoeld" is natuurlijk een erg goedkope uitvlucht. Immers ook op andere plaatsen is het "weggespoelde" nooit gevonden.

  14. Vóór de 10e eeuw was in het West-Nederlandse veengebied slechts incidenteel sprake van bewoning op plaatsen die op natuurlijke wijze ontwaterd werden. In de 10e eeuw echter is men in Holland op grote schaal veen gaan ontginnen: het begin van een ontwikkeling die in de 13e eeuw werd voltooid. (Bron: Jaarboek S.N.A.)
    Waar het grote volk der Friezen dan gewoond heeft blijft een vraag. Archeologisch is daarvan niets teruggevonden. Ook hier bevestigt de archeologie de visie van Albert Delahaye onmiskenbaar.

  15. Onze tegenwoordige duinen ontstonden pas in de eigenlijke middeleeuwen. (Bron: J.Romein)
    Uit meerdere studies blijkt dat de duinen pas gevormd zijn vanaf de 10e eeuw. Na die periode werden de overstroomde gebieden ook langzaam bewoonbaar, vooral door menselijk ingrijpen, zoals de ontginningen en het aanleggen van dijken. De nooit beantwoorde vraag blijft: "Waar woonde het omvangrijke volk der Friezen in al die eeuwen?" Archeologisch sporen ervan zijn er evenmin.

  16. Het is zeker dat de Romeinen geen hoge duinen langs de kust hebben gekend en dat deze pas in de 12e eeuw op de huidige plaats kwamen te liggen. Ze waren enkele eeuwen te voren, toen de kust nog verder westelijk lag, ontstaan. (Bron: L.P.Louwe Kooijmans)
    Uit meerdere studies blijkt dat de duinen pas gevormd zijn vanaf de 10e eeuw. Na die periode werden de overstroomde gebieden ook langzaam bewoonbaar, vooral door menselijk ingrijpen, zoals de ontginningen en het aanleggen van dijken. De nooit beantwoorde vraag blijft: "Waar woonde het omvangrijke volk der Friezen in al die eeuwen?" Archeologisch sporen ervan zijn er evenmin.

  17. Zo ontstonden in de eerste twee, drie eeuwen onze jaartelling de karakteristieke woonheuvels (terpen of wierden). waarvan men er bewesten het Flie enige tientallen kent, tussen Flie en Lauwers bijkans 1000 en tussen Lauwers en Eems ongeveer 400.(Bron: H.Halbertsma)
    Ongeveer 100 terpen in Friesland en Groningen werden onderzocht. Helaas is dit in de 19 eeuw dermate primitief en ondeskundig gedaan dat interpretatie van vondsten onbruikbaar werden. "Men beschikte echter nog niet over voldoende kennis om van de onderzoekingen ten volle profijt te trekken. Er trad eerst verbetering in, toen het aantal terpvondsten in korte tijd snel vermeerderde door de afgravingen wegens de vruchtbaarheid der terpaarde. Dit bedrijf nam sinds de veertiger jaren van de 19de eeuw een hoge vlucht doch beroofde de landen tussen Flie en Eems van veel schoons. Bovendien gingen vele vondsten verloren, hetzij omdat men er geen acht op sloeg, hetzij omdat zij in aanmerking kwamen voor de smeltkroes".

  18. Zodoende is het zeer de vraag of de huidige bewoners der Friese kuststreken de lijnrechte afstammelingen zijn der Friezen en Chauken, met wie de Romeinen in aanraking kwamen. Het antropologisch onderzoek van de oudste skeletresten die in de terpen zijn aangetroffen, wijst daarop in genen dele. (Bron: H.Halbertsma)
    Ook hier komt de archeologie niet overeen met de aangenomen geschiedenis, en ook hier krijgt Albert Delahaye weer onmiskenbaar gelijk.

  19. Het is enigszins verbazingwekkend dat het Rijnland en de omliggende gebieden tot op heden betrekkelijk weinig gegevens hebben opgeleverd omtrent aard en samenstelling van de nederzettingen uit de lJzertijd; en dit verwondert ons des te meer omdat juist dit gebied lange tijd het toneel is geweest van intensief archeologisch onderzoek en nauwgezette opgravingen. Dit is voornamelijk toe te schrijven aan de bodemgesteldheid van het Rijndal. In de tijd dat deze rivier nog niet door kunstmatige dijken binnen de perken werd gehouden, heeft de alluviale afzetttng vele nederzettingen van vóór de Middeleeuwen met een zeer dikke laag slib bedekt, zodat onder normale omstandigheden het ontdekken van eventuele nederzettingen door middel van terreinonderzoek of luchtfotografie onwaarschijnlijk, zo niet onmogelijk is. De tot nu toe bekende nederzettingen liggen dan ook vrijwel alle buiten het gebied van alluviale rivierafzettingen. (Bron: M.Todd)
    Met de aanleg van kunstmatige dijken is men begonnen na de 10e eeuw. Over de hele periode daarvoor levert de archeologie dus andere bewijzen op (namelijk geen) dan de traditionele geschiedenis zo graag hanteert.

  20. Dokkum en Stavoren zijn de enige plaatsen in Friesland die genoemd worden als steden vóór 1300. Onderzoek in stadskernen is noodzakelijk. Archeologisch gegevens liggen opgesloten in dikke paketten aardlagen en elders -bijvoorbeeld in geschreven bronnen- niet is overgeleverd.(Bron: ROB. Van Es.)
    Het blijft dan de vraag waar dat grote volk der Friezen, dat het de Romeinen en andere volkeren zo vaak en zo lang lastig heeft gemaakt, dan gewoond heeft. En lezen we hier de eerste twijfel van Van Es over de traditionel opvattingen met betrekking tot de Friezen?

  21. Men weet helaas te weinig over de vroegste dijken. Er is dus geen zekerheid omtrent het tijdstip van aanvang, noch omtrent de wijze waarop men tot dijkaanleg kwam, of over de hulpmiddelen tot het dijken en de methoden van dijkaanleg. Deze lacune in onze kennis moet voor velen een merkwaardig verschijnsel zijn, vooral wanneer men zich realiseert hoe omvangrijk deze grondwerken zijn. Ten aanzien van het totale grondverzet mag men spreken van een wereldwonder. (Bron: G.D. van der Heide)
    In de authentieke Franse bronnen vindt men geen mededelingen over die dijkbouw. Men had voor deze uithoek van west Europa geen belangstelling. Zou het dan ook niet veel aannemelijker zijn dat de overige mededelingen in die Franse kronieken ook niet over Nederland gaan, maar over de eigen Franse streken?

  22. Omstreeks 1100 heerste er in de Middeleeuwen een bloeiperiode. Onder invloed van de kloosterorden (CisterciŽnsers, Praemonstratensers) werden grote oppervlakken bos ontgonnen tot cultuurland. De bevolking breidde zich uit, waardoor nog meer ontginningen werden uitgevoerd.
    Maar voor het rivierkleigebied hadden al die ontbossingen en ontginningen weer dezelfde nare gevolgen als in de Romeinse tijd, namelijk het periodiek veel hoger oplopen van de rivierwaterstanden. Nu was evenwel de samenleving beter georganiseerd dan in de Romeinse tijd, zodat men kans zag, gedeelten van de hoge oeverwallen en stroomruggronden, waar zich voornamelijk de bewoning bevond en het bouwland was, te bedijken. Men beschermde zich niet alleen tegen hoge rivierwaterstanden, maar ook tegen hoog binnenwater.
    (Bron: K.J.Hoeksema)
    Zet dit verhaal eens naast het traditionele verhaal van Wijk bij Duurstede (als Dorestad?): er blijft niets over van de Nederlandse traditie. Wijk bij Duurstede (zie opkomst) kende na een Romeinse vestiging een korte bewoning in 9e eeuw en na een nieuwe periode van overstromingen pas weer bewoning in de 13e eeuw. En dat terwijl in de periode van de overstromingen de berichten over Dorestadum gewoon door blijven gaan

  23. Over de ouderdom van kerk en toren van Dodewaard: het oudste deel van het kerkgebouw is volgens Halbertsma ±1050 gesticht. De toren was niet door de Romeinen gebouwd. Dit hebben sommige boekjes en schoolmeesters (ook ondergetekende) wel eens (dus verkeerd) beweerd.(Bron: J.S.M.Tornga)
    Op grond van een in de toren aangebrachte Romeinse gedenksteen met inscriptie meende men dat de toren door de Romeinen was gebouwd. Men heeft nooit bedacht dat die Romeinse gedenksteen ook veel later in de toren zou kunnen zijn aangebracht. Op deze wijze placht men in de middeleeuwen geschiedenis te bedrijven. En op deze denkwijze en manier van interpreteren zijn de vele mythen in Nederland ontstaan die nu schier onmogelijk zijn uit te roeien.

  24. Voordat het bouwen van dijken tot ontwikkeling kwam, bewoonde men alleen die gedeelten die voldoende hoog lagen boven het zeeniveau. Dit waren vooral de zandgronden van Drenthe, het oostelijk deel van de provincie Friesland, Gelderland, Limburg en het westelijke duinlandschap. (Bron: G.D. van der Heide)
    Veel van de traditionele geschiedenis in ons land in het eerste millennium kan dus geschrapt worden, eenvoudig omdat de bodem voor die geschiedenis ontbrak.

  25. Uit de oudste Frieze terpvondsten blijkt dat de terpenbouw hier niet voor het begin van de jaartelling is aangevangen. (Bron: J.Romein)
    "Waar woonde dan het omvangrijke volk der Friezen die al vóór de jaartelling genoemd werd door Romeinse schrijvers?"

  26. Dan volgt een tijd waarvan wij praktisch niets weten: 400 tot 800 na Chr. Geen goed en geen kwaad. Totdat de berichtgeving handschriftelijk wordt. (Bron: A.P. de Kleuver)
    En juist met die handschriftelijke (Franse) berichten, zijn de grote indiceerfouten gemaakt, die geleid hebben tot het ontstaan van de mythen.

  27. Diepgaand onderzoek van de middeleeuwse bronnen heeft, zeker voor ons land met ontoegankelijke moerasgebieden en beperkt ontginbaar terrein, de voorstelling ondergraven van een oorspronkelijke communale ontginning en grondbezit en een gemeenschappelijk bezit van woeste grond, de mark. (Bron: J.Romein)
    Uit meerdere studies blijkt dus dat de Germaanse stammen geen gezamenlijk grondbezit kenden, de gezamenlijke mark bestond nog niet. Het was gewoon "ieder voor zich". Pas in de late Middeleeuwen (na 1100) als de bevolking sterk is toegenomen wordt een 'gemeenschappelijk' beheer van de gronden (de mark) noodzakelijk. De voorstellingen die 19de en 20ste eeuwse historici erop nahielden, blijken gebaseerd geweest te zijn op verkeerde ideologische beelden.

  28. Het schetsen van een demografische ontwikkeling van het tegenwoordige Nederland gedurende de vroege middeleeuwen is een zaak van gissen en hypothese. (Bron: Bruit van d'Eem).
    Het is een nuchtere maar volkomen ware constatering. Vergelijk hiermee de opmerking van D.P.Blok en je weet dat er geen enkel bewijs is ten aanzien van de geschidenis van ons land in de vroege middeleeuwen. Toch bestaan er vele teksten over. Die teksten zijn op Nederland niet toepasbaar, maar zijn van Frankrijk.

  29. De beschikbare gegevens van de hand van eigentijdse schrijvers over een tijdperk van eeuwen, zeg maar tot de Karolingische tijd, is alles bijeen geschraapt niet veel meer dan een zeer onvolledige puzzel, waarvan de stukjes door elkaar liggen en de kleur vaak is verbleekt. Heel gewoon dat de deskundigen zoveel twijfelen en elkaar zo vaak tegenspreken. (Bron: A.F.Manning)


  30. Van continuÔteit van Nederlandse steden sinds de Romeinse tijd is in Nederland al heel weinig sprake, in Utrecht en Nijmegen is daarvan totaal geen sprake. Maastricht is de enige mogelijke uitzondering. (Bron: W.Jappe Alberts)

  31. Voor zover we het kunnen nagaan, is Maastricht de enige plaats in ons land, waar een zekere continuÔteit bestaat van de Romeinse tijd naar de Middeleeuwen (Bron: A.W.Byvanck) Over de continuÔteit in bewoning laat Byvanck dus geen misverstand bestaan. In Nijmegen is totaal geen sprake van enige continuÔteit!

  32. Overigens was van een werkelijke continuÔteit van Nijmegen als stad vanuit de Romeinse tijd tot in de Vroege Middeleeuwen geen sprake. In het rivierengebied nam de bewoning, deels als gevolg van de voortdurende invallen, deels als gevolg van de verhoogde wateroverlast, sterk af. (Bron: R.Borman)
    Je kunt geen historisch boek openslaan of er wordt gesproken over het ontbreken van continuÔteit in het bestaan van Nijmegen. Die is er ook zeker niet geweest. Dat Nijmegen 2000 jaar stad zou zijn is dan ook een grote farce.
    Over invallen van Germaanse stammen in ons land is archeologisch nog nooit iets aangetoond. Dat Borman hier zichzelf en de algemene opvattingen tegenspreekt mag duidelijk zijn. De Germaanse stammen zouden ons land zijn binnengevallen in dergelijke aantallen dat de Romeinen ervoor op de vlucht gingen. Deze stammen zouden zich gevestigd hebben in het rivierengebied. Op blz.133 noemt Borman de stammen die zich hier vestigden. Het waren de Kleine Bructeren, Chamaven, Tubanten en Usipeten. En toch nam de bewoning af. Hoe dit verklaart wordt lezen we nergens. Wat dus overblijft is de afname van de bevolking, wegens verhoogde wateroverlast.


  33. De Betuwe is een sprookjesland .... / .... Recent bodemonderzoek wees uit dat heel de Over-Betuwe in de zg. Bataafs-Romeinse tijd een stelsel van vele rivierlopen had. Men wil nog maar steeds dat in de jaren 100 voor onze jaartelling de Batavieren in ons land kwamen wonen. Al wees recent bodemonderzoek uit dat bij Kesteren al 200 jaar voor onze jaartelling lJzertijdmensen hun doden cremeerden. (Bron: A.P. de Kleuver)
    De sprookjes van de Bataven in de Betuwe hebben sterk bijgedragen aan de mythevorming in de Nederlandse geschiedenis.

  34. ContinuÔteit tussen de heidense (Romeinse) tempel in Elst en de op dezelfde plek in de 8e eeuw gebouwde kerk is archeologisch niet aan te tonen. (Bron: J.E.Bogaers)
    De bedoelde kerk stamt uit de 10e eeuw. Dat Elst het antieke Heliste zou zijn is een gratis bewering van Bogaers, nergens bevestigd met welk bron dan ook. In Elst is geen enkel archeologisch relikt gevonden van tussen de 3e eeuw en de 10e eeuw. van continuÔteit is geen sprake moet ook Bogaers erkennen en geeft Delahaye hier ontegenzeggelijk en cruciaal weer gelijk.

  35. De continuÔteit in de bewoning van Utrecht en Nijmegen kan niet worden aangetoond. (Bron: H.P.H.Jansen)

  36. Nijmegen was als stad in feite ten onder gegaan aan het einde van de derde eeuw, pas in de dertiende eeuw was er weer een nederzetting van enige omvang. (Bron: G.Lemmens)

  37. Sporen van bewoningscontinuÔteit in Nijmegen zijn zeer vaag. Dat Nijmegen als stedelijke organisme in de 4e eeuw bleef voortbestaan is uitgesloten. (Bron: W.van Es)

  38. In ieder geval staat vast dat er van Romeins Nijmegen na 270 niet veel overbleef. ContinuÔteit naar de middeleeuwen is er zeker niet. (Bron: W.van Es en H.Sarfatij)

  39. Hoewel continuÔteit van bewoning (in Nijmegen) ook op andere gronden niet onwaarschijnlijk is, blijft het tot nu toe een moeilijk te bewijzen zaak! (Bron: Museum Kam)
    In Nijmegen blijft men beweren dat er een bewoningscontinuÔteit heeft bestaan, ondanks dat het nooit bewezen is. Zo stelt men in Nijmegen dus historische zekerheden vast: zonder het te bewijzen.

  40. Toen in 270 n.Chr. de Franken Nederland overstroomden werd Noviomagus met de grond gelijkgemaakt nadat de stad reeds gedeeltelijk was verwoest toen de Waal weer eens van bedding veranderde. (Bron: R.Pörtner)
    In Nijmegen blijft men beweren dat er een bewoningscontinuÔteit heeft bestaan, hoewel er na 270 geen stad meer was.

  41. Ondanks het zwijgen der geschiedenisbronnen menen we te mogen aannemen, dat de bewoning te Nijmegen op bescheiden voet voortduurt, zoals de continuÔteit van de naam Noviomagus-Numaga-Nijmegen al zo duidelijk suggereert. (Bron: H.Brunsting)
    Een mooier voorbeeld van een deductie uit een deductie is niet te geven. Het voortbestaan van Nijmegen wordt bewezen met het voortbestaan van de naam Noviomagus-Numaga, waarvan overigens nooit is aangetoond dat het de naam van Nijmegen was. Noviomagus was in de Romeinse en in de Karolingische tijd de naam van Noyon, niet van Nijmegen. En dat is wel bewezen. De oudste vermelding van Nijmegen als Noviomagus dateert uit 1282, toen Nijmegen voor het eerst Noviomagus werd genoemd, naar analogie van in die tijd gebruikelijke latinisatie van eigen- en plaatsnamen.

  42. Er is in Nijmegen sprake van een continuÔteitsprobleem. (Bron: F.Gorissen)
    Als Gorissen, de maker van de Stedeatlas van Nijmegen, dus al verklaard dat er een continuÔteitsprobleem is, betekent het dat hij geen enkele, maar dan ook niet de minste continuÔteit heeft kunnen aantonen.

  43. Met betrekking tot Nijmegen, de derde Nederlandse stad wier vroegste historie in de Romeinse tijd speelt, ligt de zaak iets minder duidelijk. Daar houdt de middeleeuwse stad, waarover men in de eeuwen die op de Romeinse tijd volgden, niets hoort, slechts indirect verband met de beide Romeinse vestigingen, die onderscheidelijk ten zuidoosten en ten westen van de latere middeleeuwse stad lagen. De middeleeuwse nederzetting, die in Nijmegen de voorloopster van de latere stad vormde, sloot zich aan bij de koninklijke palts op het Valkhof, die geenszins de voortzetting van een Romeinse vesting was. De Romeinse traditie is dus in Nijmegen -niettegenstaande de Romeinse naam Noviomagus - tamelijk zwak. Ten zuidoosten van de latere middeleeuwse stad lag de vroegste Romeinse legerplaats, ten westen lag de Romeinse burgerlijke nederzetting, het 'municipium' Ulpia Noviomagus, dat reeds omstreeks het einde der tweede eeuw na Chr. verlaten werd. (Bron: W.Jappe Alberts)
    Nu is aangetoond dat Karolingisch Nijmegen niet bestaan heeft, is de bewonigscontinuÔteit van Nijmegen een onbewezen stelling die door verschillende historici onafhankelijk van elkaar wordt tegengesproken. Ook hier wordt de visie van Albert Delahaye onmiskenbaar bevestigd. De Romeinse naam Noviomagus heeft Nijmegen als achterafse latinisatie pas gekregen in de 12e eeuw. In de oudste bronnen heet Nijmegen Neumaia.

  44. De laatste Romeinse soldaten vertrokken in het jaar 406. Dan zwijgt de geschiedenis over Ulpia Noviomagus en er moeten eerst vier eeuwen verlopen, eer we de naam Noviomagum weer ontmoeten in de tijd van Karel de Grote. (Bron: Kroniek van Nijmegen)
    De historische "continuÔteit van Nijmegen vertoont in dit citaat reeds een gat van 4 eeuwen. Dat gat is groter geworden nu is aangetoond dat de Karolingische periode in Nijmegen vals is en berust op verkeerd begrepen teksten.

  45. Het is opmerkelijk dat het verspreidingspatroon van de Merovingische begraafplaatsen niet met dat van de nederzettingen overeenstemt. Ook uit de Karolingische tijd zijn maar weinig grafvelden bekend. (Bron: Jubileumboek ROB.)
    Zou het dan toch mogelijk zijn dat men zich met de locatie van de nederzettingen in Nederland -op grond van buitenlandse schriftelijke bronnen- vergist heeft?

  46. Bewoning is minder duidelijk voor Drenthe, Overijssel en het noorden van Gelderland, waar slechts weinig vindplaatsen bekend zijn. Toch moeten ook daar mensen gewoond hebben, want dit is het gebied van stammen als de Amsivarii, Salii, Tubantes en Chamavi. (Bron: Jubileumboek ROB.)
    Zou het dan toch mogelijk zijn dat men zich met de locatie van die stammen in Nederland -op grond van buitenlandse schriftelijke bronnen- vergist heeft?

  47. Opvallend is, dat tot nu toe niemand ooit een stamnaam met de Veluwe en de Utrechtse Heuvelrug verbonden heeft. (Bron: W.van Es)
    Als juist op de hoger gelegen delen geen bewoning is aangetoond, zou die er dan wel geweest zijn op de overstroomde gebieden? Overigens is die bewoning op de lager delen archeologisch ook nooit aangetoond dan met "onduidelijke sporen" (zie De Romeinen in Nederland.).

  48. Er is geen continuÔteit in de bewoningsgeschiedenis van het oude Friesland aantoonbaar, feitelijk ontbreekt deze in zijn geheel. (Bron: P.C.J.A.Boeles)

  49. De archeologie wijst geen continuÔteit en betrekkelijk dichte bevolking voor de vroege middeleeuwen aan in het zuiden van Utrecht en in de OverBetuwe. (Bron: D.P.Blok)
    De archeologie bevestigt dus niet de traditionele geschiedenis van het zuiden van Utrecht, met als z.g. belangrijkste plaats Dorestad, en die van de OverBetuwe, met Elst als z.g. belangrijke plaats.

  50. De geschiedenis van de Friezen is voor ons volkomen stom. (531) (Bron: A.W.Byvanck)
    De Romeinen zouden in Friesland enige nederzettingen gehad hebben; elders zijn losse vondsten te voorschijn gekomen. Na het midden van de 3e eeuw blijkt niets meer van enige Friese activiteit. Bij iedereen zal de vraag rijzen, hoe de Romeinen dit machtige en lastige volk van de Friezen in bedwang heeft kunnen houden, als zij in Noord-Nederland zouden hebben gewoond, zo ver buiten de grenzen van hun rijk. Welke Romein zou zich dan druk hebben gemaakt om dit zo verspreid levende volk, waarvan archeologisch nauwelijks bewoning is teruggevonden.

  51. De Friese handelaren kochten talrijke produkten die ze naar verre kopers vervoerden, zoals het beroemde Friese laken. Bij de geleerden heeft altijd twijfel bestaan of dat laken eigenlijk geen Vlaams product moet zijn geweest en alleen maar door de Friezen werd verhandeld. Maar het blijft toch zeer aannemelijk dat het produkt door de Friezen zelf en dus niet in Vlaanderen werd vervaardigd. (Bron: A.F.Manning)
    Het Friese laken dat over de hele (toenmalige) wereld vermaard was, en zelfs bij de kalief van Bagdad bekend was, kwam niet uit het Nederlandse Friesland, maar uit Vlaanderen. In Friesland was toen en nu nog helemaal geen vlasteelt. Daarvoor is de grond te drassig. In Vlaanderen echter bestaat de vlasteelt heden nog, waar nog steeds het bekende Friese laken, zoals dat nog steeds heet, wordt vervaardigd. Doordat men foutief van de handelaren in Fries laken de Nederlandse Friezen heeft gemaakt, kwamen de geleerden er niet uit. De bedoelde Friese handelaren kwamen uit het eerste Frisia: Vlaanderen. De streek rond Amiens was vanouds de "pays de textile". De streek van de Leie werd om de vlasteelt 'de gouden rivier' genoemd.

  52. Bewoningsgeschiedenis in beeld.
    Het Fries Museum aan de Turfmarkt te Leeuwarden, toont in zijn archeologische collecties de gehele ontwikkeling van de bewoning van de Friese zand-, veen- en kleigronden.
    "De verzameling van de zandgronden zijn het oudst en bevatten voorwerpen uit de diverse Steentijden en uit de Bronstijd tot ongeveer 600 v. Chr. Daarna valt hier een hiaat, onder meer doordat de mens verdreven werd door een klimaatverslechtering en later ook door de enorme hoogveengroei. Pas omstreeks het jaar 1200 keren de sporen van menselijke bewoning terug met de opkomst van het turfsteken. De kleigronden werden sinds ongeveer 600 v. Chr. bewoond, terwijl de Friese laagveengebieden (nu het merengebied van De Lage Midden) aan de westelijke randen na het begin van de jaartelling enkele eeuwen bewoond zijn geweest. Daarna werden ze verlaten en raakten pas in de middeleeuwen geleidelijk weer bevolkt."
    (Bron: Spectrum Atlas)
    Ook hier dus weer die grote leegte in bewoning tussen de 2e/3e eeuw en 1200. In dit verhaal zijn dus onmogelijk de predikers zoals Willibrord, Bonifatius en Ludger te plaatsen.

  53. Van 1975 tot 1977 groeven leden van de Oudheidkundige Vereniging uit Elburg en van de A.W.N. -afdeling IJsseldelta en Vechtstreek de resten van de verdwenen St. Ludgeruskerk te Doornspijk op. Niet onmogelijk is dat Ludger reeds aan het begin van de 9de eeuw hier een houten kerkje stichtte. De oudste resten die tijdens het onderzoek werden blootgelegd dateerden van de 11de of 12de eeuw en bestonden uit funderingen van gezaagd tufsteen. (Bron: R.Borman)
    En weer bewijst de archeologie de onjuistheid van een "sterke" traditie.


  54. Het Bronnenboek van Nijmegen vertoont een gat van ruim 5 eeuwen. Na de Romeinse tijd (die voor Nijmegen eindigt rond 250-270 n.Chr., wellicht zelfs veel eerder: zie Van Es) citeert het Bronnenboek pas na 770 weer een tekst met de vermelding van Noviomagus dat Nijmegen zou zijn.(Bron: P.Leupen)
    Alle teksten tot 770 worden dus (en dat is alvast heel juist maar dat zal tot 1047 gecontinueerd moeten worden) aan Noyon gelaten. De continuÔteit in bewoning waarover men in Nijmegen zo graag spreekt, is er dus gewoonweg niet en wordt behalve in de archeologie, ook (onbedoeld) aangetoond door het eigen Bronnenboek van Nijmegen. We bedanken de samenstellers van het Bronnenboek voor deze heldere bewijsvoering.
    Er is geen enkele tekst vóór het jaar 1047 die dwingend op Nijmegen toegepast moet worden:
    • alle teksten over het paleis hebben betrekking op Noyon;
    • alle teksten over bisschoppen hebben betrekking op Noyon;
    • alle teksten over de koningen gaan over Noyon;
    • alle teksten over de Noormannen gaan over op Noyon;
    • alle teksten over Romeins Noviomagus dat in Gallia lag, gaan eveneens over Noyon.


  55. Bij de beschrijving van de oorkonden van Werden constateert prof.dr.D.P. Blok dat "verschillende faktoren moeilijk of onmogelijk in het land van Münster passen, onder andere een opvallende verandering in de benaming van de regeringsjaren van de koningen tussen 841 en 845, wat alleen in het noorden van Frankrijk te verklaren is!" (Bron: D.P.Blok)
    De enig juiste conclusie, dat de oorkonden dus op Noord-Frankrijk betrekking hebben, trekt Blok echter niet. Als je van een complex van 206 namen er 161 niet kunt plaatsen en bij de wel bedachte 45 "oplossingen" er grote vraagtekens blijven staan, moet je toch aanvoelen dat je in de verkeerde streek aan het zoeken bent. Blok was dicht bij de oplossing van de mythen, maar bleef verblind door de traditie.

  56. Beide conclusies, namelijk, dat na de ineenstorting der Romeinse heerschappij in Nijmegen geen belangrijke nederzetting, wel echter een veel gebruikte rivierovergang bestaan heeft, zijn niet met elkaar in tegenspraak: doorgaand verkeer alleen is nauwelijks een factor bij de vorming van een nederzetting, laat staan van een stad. Zonder verdere aanvullende impulsen kon zich in het gebied van Nijmegen geen nieuw stedelijk leven ontwikkelen.(Bron: F.Gorissen)

  57. De overgang van de laat-Romeinse tijd naar de vroege Middeleeuwen is ook in Nijmegen archeologisch moeilijk grijpbaar. Hoewel continuÔteit van bewoning ook op andere gronden niet onwaarschijnlijk is, blijft het tot nu toe een moeilijk te bewijzen zaak. (Bron: Museum Kam)
    De bedoelde 'andere gronden' zijn de verkeerd geÔnterpreteerde teksten van Romeinse schrijvers als Tacitus, Ptolemaeus en Julius Caesar.

  58. Inmiddels mag de Karelstad zich gelukkig prijzen er weer een "raadsel" bij gekregen te hebben. Sancta Ontkommer, de (vrouwelijke, red.) baardheilige en haar verering zijn van elders, vanuit Vlaanderen, geÔmporteerd. (Bron: Numaga)
    Het is een verrassende ontdekking dat er meer van de Nijmeegse historie geÔmporteerd is vanuit het zuiden.

  59. Sinds de twaalfde en dertiende eeuw kwam het stadsleven op gang. De opkomst van de steden in Holland en aan de IJssel kan men in de veertiende eeuw plaatsen, toen de Zuidnederlandse steden al over hun bloeiperiode heen waren.(Bron: A.F.Manning)

    "Opgebaggerd uit de Waal bij Nijmegen" is een geliefkoosd label voor veel voorwerpen die via antiquairs in het Rijksmuseum voor Oudheden terecht zijn gekomen: in feite te vertalen met 'vindplaats onbekend'. Slordigheid, 'hinein-interpretieren' van veldwaarnemingen in een vooropgezette theorie en een nonchalante vondstregistratie, kunnen oude opgravingsverslagen voor een goed deel waardeloos maken voor latere generaties. Bron: L.P. Louwe Kooijmans, p.17.
    Dat er in de Nederlandse Archeologie ook steeds sprake is geweest van opzettelijke vervalsingen, soms puur uit eigenbelang of financieel gewin, mag als bekend verondersteld worden. "Door middel van vervalste voorwerpen of misleidende informatie proberen zij (de vervalsers) hun ideeŽn over het verleden een handje te helpen, de geleerde wereld te foppen of hun portemonnaie te spekken. Archeologische vervalsingen zijn al zo oud als archeologie zelf en al heel wat hooggeleerde archeologen zijn bij de neus genomen." Bron: L. Verhart.

    Nog onlangs is gebleken dat archeologische vondsten in Nijmegen NEP bleken te zijn. Zie bij Nep in Nijmegen.

Terug naar boven.


4. Over de Germanen en de grote Volksverhuizing.

  1. Archeologisch hebben de diverse Germaanse stammen in ons land weinig reliŽf gekregen. (Bron: W.Jappe Alberts en H.P.H.Jansen)
    De aanwezigheid van de diverse Germaanse stammen is archeologisch dus niet aan te tonen, ofwel: de Germaanse stammen zijn hier niet geweest op de plaatsen die "de traditie" ervoor in gedachte had.

  2. Wat de eigenlijke volksverhuizing betreft, alles is daarbij nog min of meer omstreden. Evenmin bestaat er eenstemmigheid over de vraag in welke mate de Franken hebben bijgedragen tot het vormen van de bevolking van Nederland. (Bron: W.Jappe Alberts en H.P.H.Jansen)
    Dat is toch duidelijke taal. Die Grote Volksverhuizing is nooit aangetoond en heeft ook nooit plaatsgevonden dan in de gedachte van historici die de ene foute locatie wilden verklaren met een andere foute locatie van verschillende volkeren. Over "de ingewikkelde kwestie van de Frankische colonisatie" verwijzen de schrijvers naar Ch.Verlinden, aangezien "het meer BelgiŽ en Noord-Frankrijk raakt dan ons land".

  3. De vraag wat het uiteindelijk effect is geweest van de Grote Volksverhuizingen hangt nauw samen met de vraag hoeveel barbaren er precies in de behandelde jaren het rijk zijn binnengevallen en welk percentage dat vormde van de totale bevolking van het Westromeinse rijk. Voor deze periode moet de historische demografie echter met zeer veel onzekerheden werken. GemaniŽ was dun bevolkt met zijn half-nomadische veeteelt en zijn primitieve landbouw. Het is duidelijk dat de invallers slechts een gering percentage daarvan kunnen hebben uitgemaakt. Toch hebben vooral Duitse historici uit de bronnen gelezen, dat gehele volken, verscheidene honderdduizenden sterk, zich binnen het Romeinse rijk gevestigd hebben. Zij gebruiken dan ook de term Vólkerwanderungen (= volksverhuizingen). Andere, vooral Franse, historici spreken daarentegen slechts van binnenvallende benden, die slechts op buit en plundering belust waren. Deze benden konden de Romeinse maatschappij in wezen niet veranderen. Deze historici spreken dan ook van invasions, van barbaarse invallen. Statistische gegevens om uit te maken welke opvatting de waarheid het dichtst benadert, bestaan niet. Toch wekken de bronnen de indruk dat doorgaans veeleer benden aan het werk waren dan volkeren van een sterkte van verscheidene honderdduizenden of meer. Anders zou het probleem om zovelen onderweg te eten te geven onoplosbaar zijn geweest. De Hunnen, die in 375 de Ostrogoten aanvielen en daarmee volgens de traditie de Grote Volksverhuizing in gang zetten, zouden niet meer dan 5000 strijdbare mannen hebben geteld. (Bron: H.P.H.Jansen)
    Het is een duidelijke zaak dat de Grote Volksverhuizing zoals die traditioneel wordt gehanteerd, zich gewoon niet voorgedaan kan hebben en ook niet heeft. Deze staat ook nergens in de klassieke bronnen als zodanig beschreven. De ineenstorting van het West-Romeinse rijk is dan ook niet het gevolg van de Volkverhuizingen. De inval van benden, die zich de gehele Romeinse periode heeft voorgedaan, werd mede mogelijk doordat het West-Romeinse rijk verzwakt was door binnenlandse problemen. De Romeinse troepen werden teruggetrokken om in Rome orde op zaken te stellen.

  4. De Belgische historicus Pirenne heeft ongetwijfeld gelijk met zijn stelling dat het kader ven de antieke samenleving en van de economie door de invallen der barbaren niet wezenlijk is veranderd; hun invloed op recht, taal en beschaving moet niet worden overschat. (Bron: H.P.H.Jansen)
    Ook Henri Pirenne bevestigt dat de Grote Volksverhuizing altijd erg overschat is geweest. Tekstueel, maar ook archeologisch, is deze niet aan te tonen. Het betekent dat er geen grote intocht is geweest van Germanen in het west-Romeinse Rijk. Die Volksverhuizingen zijn dus een fabel, voortgekomen om door historici misplaatste volkeren op hun goede plaats te krijgen. Tacitus deelde in de eerste eeuw al mee dat de volkeren die zg. aan de Volkeverhuzing deelnamen in Noord-Frankrijk woonden en niet in Duitsland. Ook de taalgrens in niet ontstaan door deze zogenaamde Volksverhuizingen in de 5e eeuw, want de taalgrens bestond reeds in de tijd van Tacitus en lag toen op dezelfde plaats al heden en liep van Boulogne via Trier naar Straatburg.

  5. De grote volksverhuizing heeft nooit zo massaal plaatsgevonden als de geschiedenisboeken doen geloven. Hoe kan het anders dat bepaalde Romeinse en Keltische benamingen zijn blijven bestaan". (Bron: A.Corten)
    Een groot deel van de Romeinse bevolking is in de "veroverde" gebieden blijven zitten. De Franken hebben zich gewoonweg tussen de Romeinen gevestigd en hebben ze allerminst verdreven, aldus onderzoeker Corten. De grote volksverhuizing moeten we dan ook met een korreltje zout nemen. En volgens Albert Delahaye met vele kilo's zout, immers in de bronnen wordt er nergens over gesproken.

  6. Door de mateloze overdrijving van de associatie van de Germanen met Duitsland in de 19e en 20e eeuw ontstond een vertekend beeld en werden begrippen als Germaans, Duits, Arisch en Noords ten onrechte aan elkaar gelijk gesteld. De Duitse Germanen of Germaanse Duitsers werden geÔdealiseerd en geÔdeoliseerd. De daaraan verbonden rassenwaan had in WO.II verschrikkelijke gevolgen. (Bron: E.F.Jung)
    Behalve de verschrikkelijke gevolgen m.b.t. de rassenwaan, hadden ook de geografische gevolgtrekkingen verschrikkelijke historische gevolgen. Alles wat Germaans klonk of leek, werd door voornamelijk Duitse historici naar Duitsland getrokken, tot en met Karel de Grote en Bonifatius. En dat terwijl Germania (Tacitus) de strook ten noorden van het Romeinse Belgica (is Noord-Frankrijk en niet BelgiŽ) was.

  7. De Germani cisrhenani waarvan Caesar gewag maakt, vormen nog steeds een bron van vele wetenschappelijke discussies. Wanneer trokken zij de Rijn over? Waren het inderdaad Germanen of behoorden zij tot een andere bevolkingsgroep ten oosten deze rivier? Archeologen en filologen hebben in BelgiŽ en de Eifel lange tijd gezocht naar sporen van deze mensen, zonder noemenswaardig succes. (Bron: M.Todd)

  8. De traditie volgens welke de Goten uit ScandinaviŽ afkomstig zijn, is zeer zorgvuldig onderzocht en men heeft kunnen aantonen dat archeologisch of ander bewijsmateriaal ter ondersteuning van deze opvatting volledig ontbreekt. Tradities zijn echter niet betrouwbaar en we mogen niet zonder meer aannemen dat alle volken wier legendarische geschiedenis hen uit het noorden afkomstig doet zijn, ook inderdaad uit die streek komen. (Bron: M.Todd)

  9. Zijn er eigenlijk wel Germanen geweest? Deze relevante vraag is o.a. gesteld door prof.dr. Rolf Hachmann. Caesar voerde het begrip Germaans in de geschiedschrijving van de klassieke oudheid in. Volgens Hachmann vormden de Germanen een bevolkingsgroep die een germaanse taal sprak, zich met een specifieke cultuur onderscheidde van andere volkeren, o.a. de Kelten, maar ook talrijke verdelingen kende. Tegen het einde van de 8e eeuw was er op het continent geen sprake meer van Germanen. Hun door Hachmann vastgestelde specifieke cultuur bestond niet meer. (Bron: E.F.Jung).
    Het opvallendste verschil tussen Germanen en andere volkeren blijkt, zo vertellen ook de klassieke auteurs, hun taal te zijn. De huidige taalgrens (zie bij Taalgrens) is nog steeds het levende bewijs van de juiste plaats van de grens tussen GalliŽ (van de Kelten) en het GermaniŽ (o.a. van Tacitus).

  10. De tijd van 400-600, waarover we geen geschreven historische berichten hebben en die archeologisch nog slechts weinig is onderzocht, moet een tijd van verwarring geweest zijn. In hoeverre we in Nederland van Saksische immigratie kunnen spreken is enkele jaren geleden nog eens aan de orde gesteld (door Slicher van Bath). Er werd toen met vrij grote stelligheid ontkend dat zich ooit grote groepen Saksen metterwoon in Nederland hebben neergelaten. (Bron: W.Jappe Alberts en H.P.H.Jansen)
    De genoemde verwarring zat meer in de hoofden van de historici, dan dat deze zich in de geschiedenis heeft voorgedaan. De aanwezigheid van Saksische bewoners in het oosten van ons land is zo'n gratis bewering geweest in de traditionele geschiedenis van ons land. Het is nooit aangetoond of bewezen met archeologische vondsten. Slecht enkele misverstane teksten (vandaar die verwarring) leidden tot deze aanname. Waar de Litus Saxonicum , de kust van de Saksen gelegen heeft, is inmiddels wel duidelijk: aan Het Kanaal.

  11. In de IVe eeuw vestigden de Saksen zich op de kust van de Noordzee en Het Kanaal. Men signaleert hen aan de monden van de Aa, de Schelde en groepen in Bessin (Bayeux), in de Boulonnais, in West-Vlaanderen en de monding van de Loire. De naam "Litus Saxonicum" bewijst hun aaanwezigheid hier. In de Ve eeuw zijn de Saksen van Bessin en het noorden van GalliŽ overgestoken naar Groot-BrittanniŽ en hebben er de koninkrijken Sussex, Wessex en Essex gesticht. (Bron: D.G.Dooghe)
    Bij het vertrek van de Romeinse garnizoenen uit Boulogne eind 4e eeuw, liet keizer Theodosius I (392-395) de kust van Het Kanaal ter bescherming aan de Saksen. Hun koning Flandebert trok met troepen van de MoriniŽrs op tegen Attila, de Hun, waarbij hij jammerlijk omkwam. Ook de Franse historici blijken beÔnvloed te zijn door de mythen, afkomstig van de foutieve interpretaties van de Duitse en Nederlandse historici. De Saksen woonden al aan de kust van Het Kanaal voordat de Romeinen er verschenen en kwamen er niet pas toen de Romeinen vertrokken. Hun aanwezigheid in Oost-Nederland en Noord-Duitsland is een fabel uit de 17e eeuw. Vanaf de kust van Het Kanaal zijn ze al in de 5e eeuw overgestoken naar Engeland en hebben er de koninkrijken Wessex en Sussex gesticht. In de 7e eeuw ontstaan de conflicten tussen Franken en Saksen, welke oorlogen allemaal in Noord-Frankrijk zijn uitgevochten.

  12. Holwerda betitelde de Huneschans als een Saksische gravenburcht. Ter verdediging heeft deze wal nooit gediend. Geen enkel spoor van bewoning in afval of overblijfsels tot huiselijk gebruik is er gevonden. (Bron: R.Borman)
    Van Holwerda is bekend dat hij niet meer terug te brengen was op door hem eenmaal ingeslagen wegen, ook al stapelden de bewijzen tegn zijn theorieŽn zich voortdurend op.

  13. Volgens de traditionele opvatting zou kort na 400 het oosten van Nederland door een massale invasie van Saksen overspoeld zijn. De archeologische gegevens dekken deze mening niet; veeleer wekken zij de indruk dat de vrij armelijke bewoners ter plaatse zijn gebleven.(Bron: dr.H.P.H.Jansen)
    Ook hier geeft de archeologie Albert Delahaye weer gelijk. De Saksen woonden in Frans-Vlaanderen aan de kust van het Kanaal (Litus Saxonicum-omgeving Boulogne). Pas eind 8e en begin 9e eeuw zijn de Saksen door Karel de Grote in een etnische zuivering naar Noord-Duitsland gedeporteerd.

  14. Het voorkomen van Saksische dialecten, Saksisch aardewerk en Saksische rechtsgewoonten in deze streken zegt natuurlijk niets, omdat deze namen arbitrair door latere geleerden aan deze verschijnselen uit Oost-Nederland zijn gehecht.(Bron: dr.H.P.H.Jansen)
    Deze bevinding van Jansen staat model voor heel veel andere zogenaamde historische "feiten". Aantoonbaar is dat de geschiedenis van Nederland in het eerste Millennium meerdere van deze verschijnselen kent, waarbij in later tijd arbitrair namen op bepaalde voorkomende verschijnselen zijn geplakt. Bekendste voorbeelden zijn de de zogenaamde Frankische begraafplaatsen en de opgravingen te Wijk bij Duurstede. Bij beide werden de archeologische vondsten (helaas foutief) naar de uit de teksten bekende feiten toegeschreven.

  15. Men kan helaas van het verblijf gedurende anderhalve eeuw van de SaliŽrs in ons land geen duidelijke sporen in de bodem vinden. (Bron: W.Jappe Alberts en H.P.H.Jansen)
    Het is hetzelfde verhaal als van de hiervoor genoemde Saksen. De aanwezigheid van Salische Franken in ons land is eenzelfde gratis bewering geweest in de traditionele geschiedenis van ons land. Het is nooit aangetoond of bewezen met archeologische vondsten. Slecht enkele misverstane teksten leidden tot deze aanname. De Salische Franken waren de bewoners langs de Sala (is de Selle) ten oosten van Kamerijk. De term salische Franken is ook geen institutioneel, maar een zuiver geografisch begrip. Vanzelfsprekend heeft er ook nooit een gouw Salland in Nederland bestaan. Ook hier gaat Blok de fout in.

  16. Verrassend genoeg is dit beeld van de Germanen als halfnomaden nog steeds wijdvertakt onder de deskundigen in de oude geschiedenis. Het archeologische bewijsmateriaal vertelt ons echter een heel ander verhaal. (Bron: M.Todd).
    De conclusie van Todd sluit haarfijn aan bij de opvatting van Delahaye, namelijk dat de Germaanse stammen honkvast waren en steeds in dezelfde streek gewoond hebben. Van veel omzwervingen blijkt archeologisch geen enkel bewijs te bestaan. Die omzwervingen zijn slechts ontstaan in de fantasie van de verschillende historici, die bepaalde Germaanse stammen steeds op een andere plaats localiseerden om verschillende teksten toch een beetje passend te maken.

  17. Archeologisch wijst niets op een massale invasie van het gebied ten oosten van de IJssel tussen de jaren 400 en 700. (Bron: H.P.H.Jansen)

  18. De geschiedenisboekjes hebben het over een aantal uiterlijke veranderingen, aanwijzingen van politieke verschuivingen of over het wegtrekken van een onbekend, maar meestal zeer klein aantal mensen naar elders: dat zijn dan de volksverhuizingen voor zover die hier plaatsvonden. (Bron: A.F.Manning)

  19. Archeologisch onderzoek heeft aangetoond dat verscheidene Romeinse forten in het Nederlandse rivierengebied al in de 3e eeuw verlaten zijn. Niet door invallen van Germanen, maar door opkomend zeewater, de transgressies. (Bron: H.P.H.Jansen)
    Zie ook De Romeinen in Nederland van W.A.van Es

  20. Het blijft natuurlijk een hypothese, maar bij het volkomen ontbreken van berichten over wat zich aan de rechterzijde van de Rijn afspeelde, kunnen we ook niet verder komen. De uitwendige geschiedenis van de trek naar het zuiden is gauw verteld. Veel weten we er niet van. (Bron: D.P.Blok)
    Ook Blok moet dus erkennen dat er over de z.g. Volksverhuizing in de geschreven bronnen niets medegedeeld wordt.

  21. Het areaal bewoond land in het Fries-Gronings terpengebied is in de 4e tot de 7e eeuw geslonken, veeleer door de stijging van de zeespiegel dan door vijandelijke invallers. (Bron: H.P.H.Jansen)

  22. De Romeinse cultuurinvloed vermindert geleidelijk na het verdwijnen der soldaten. Romeinse nederzettingen en villae worden opgegeven. De periode der Volksverhuizingen, waarover geschreven bronnen ons nog slechts onvolledig inlichten, breekt aan. (Bron:R.H.J.Klok)
    In de geschreven bronnen worden geen vermeldingen gedaan over die Volksverhuizingen. Ook archeologisch is de Volksverhuizing niet aan te tonen.

  23. De tempel van Colijnsplaat is niet door mensenhanden maar door het geweld van de zee verwoest.(Bron: P.Stuart)
    Dat de Romeinen verdreven zouden zijn door de invallen van de Germanen, wordt hiermee gelogenstraft. Het was de opkomende transgressie die de Romeinen verdreef.

  24. WÔj mogen concluderen, dat de tempel (van Nehalennia) spoedig na het afbreken van het Romeinse gezag in dit gebied (omstreeks A.D. 270), is verzwolgen door de zee; mogelijk zelfs reeds voordat de Romeinen waren vertrokken. Een dergelijke datering van de ondergang van de tempel in het einde van de derde of in de vierde eeuw is zeer goed te rijmen met onze kennis van de geologische geschiedenis van Zeeland.
    De tempel van Colijnsplaat is niet door mensenhanden maar door het geweld van de zee verwoest.
    HoeweI de omvang van deze 'transgressiefase Duinkerken II' door weinig zorgvuldige dateringen wel eens wordt overschat, behoeven we aan het bestaan daarvan toch niet te twijfelen.
    (Bron: L.P.Louwe Kooijmans)
    Dat de Romeinen verdreven zouden zijn door de invallen van de Germanen, wordt ook hiermee gelogenstraft. Het was de transgressie die de Romeinen verdreef.

    De z.g. "Grote Volksverhuizing", die overigens nergens in authentieke bronnen beschreven staat, is een verzinsel van vroegere historici geweest, om verkeerd gekozen locaties van verschillende volkeren, passend te maken.

Terug naar boven.


5. Over de Transgressies!

Tegenstanders van de visie van Albert Delahaye blijven de langdurige overstromingen (transgressies) steevast ontkennen. Immers toegeven ervan maakt de veronderstelde geschiedenis in ťťn klap onmogelijk. Hoewel deze transgressies wetenschappelijk zijn vastgesteld van Noord-Frankrijk en Engeland tot Denemarken en ScandinaviŽ, zouden ze aan Nederland voorbij zijn gegaan. Toch worden langdurige overstromingen als argument genoemd bij het ontbreken van bewoningssporen in Utrecht en in Wijk bij Duurstede. "In Utrecht is van bewoning niets meer te vinden, omdat alles is weggespoeld!" Dat de transgressies een historische waarheid vormen blijkt uit onderstaande citaten. Ook de kaart van "Overstroombaar" Nederland spreekt duidelijke taal. Het blauw gekleurde gebied was in de transgressie-fasen onbewoonbaar. De voor de periode 4e tot 9e eeuw in ons land veronderstelde geschiedenis kan er dus niet plaatsgevonden hebben, eenvoudig omdat de bodem voor deze geschiedenis ontbrak.

Degene die moeite hebben met de transgressies of deze voor onwaar bestempelen raad ik aan het boek Van Landijs tot Polderland van Gerrit van der Heide eens te lezen. Hierin wordt glashelder beschreven dat (het grootste deel van) Nederland tussen eind 3e en de 10e eeuw onbewoonbaar was vanwege langdurige overstromingen.

Het boek DE KUST van Rottum tot Calais is een aanvulling hierop en geeft hetzelfde beeld. De schrijvers Doeke Eisma en Toon Fey tonen aan dat de duinen pas ontstaan zijn na het jaar 1000. Het ontstaan van onze kust en de geschiedenis tot in de Middeleeuwen toont aan dat de traditionele geschiedenis zich vanwege de overstromingen zich hier niet kan hebben voorgedaan.

  1. Zo'n 1000 jaar voor Chr. begon de Noordzee duidelijk agressiever tegen de kust op te treden. Dat gebeurde eerst in het noorden, in het gebied van de tegenwoordige Waddeneilanden, en later, in de laatste eeuwen voor het begin van onze jaartelling, ook in het zuidwesten. De beschermende gordel van strandwallen en duinen werd sterk aangetast, of zelfs vernietigd. De zee drong opnieuw in de kustvlakte binnen. De Romeinse tijd lijkt een wat rustiger interval, maar daarna zette de al eerder begonnen ontwikkeling met kracht door. Zowel het noorden als het zuidwesten van ons land heeft zijn huidige aanzien pas in de middeleeuwen gekregen. Ook de tegenwoordige duinen dateren van na 1000 A.D.
    De holocene geschiedenis van de lage helft van ons land is het resultaat van een spel, met wisselende kansen van drie krachten: een stijgend zeeniveau, een dalende bodem en een natuurlijke ophoging door sedimentatie.
    (Bron: W.H.Zagwijn).
    Het verblijf van de Romeinen in het rivierengebied valt samen met een regressie: de periode van halverwege de 1e tot halverwege de 3e eeuw.

  2. Geologisch wordt de periode van grote afbraak van het kustlandschap aangeduid met de naam Duinkerke II en III transgressie van 250 n.Chr. tot aan de bedijking in de dertiende eeuw. Vermeld dient te worden dat deze laatste fase voor het Deltagebied van ons land het meest catatrofaal was. Gedurende deze tijd was het veenlandschap ten prooi aan erosie. (Bron: De Nederlandse Delta, p.27)

  3. 'La tradition d'un immense raz de marťe au VI s. est maintenant admise comme un fait certain. De nombreuses agglomťrations y furent dťfinitivement rayťes de la carte". Vrije vertaling: de traditie van een geweldige overstroming door de zee in de 6e eeuw, wordt tegenwoordig als een zekerheid beschouwd. Talrijke nederzettingen zijn toen definitief van de kaart geveegd. (Bron: Francois Fayard, p.44)
    Ook in de Franse literatuur kom je dus deze zekerheid van de Duinkerkse transgressies tegen. En als het gebied in Noord-Frankrijk overstroomd was, kan Nederland, dat lager ligt, niet droog gebleven zijn. En dan kunnen St.Willibrord en St.Bonifatius hier dus niet gepredikt hebben, omdat er 1. geen bodem was waarop die geschiedenis zich kan hebben voorgedaan en 2. er geen bewoners waren die bekeerd moesten worden.

  4. In het midden van de 3e eeuw werden niet alleen de grensvestigingen verlaten, maar ook de bewoning in het rivierengebied werd vanaf die datum minder en in het Westland verdween zij na de 4e eeuw geheel. Kon men bij het eerste nog denken aan invallen der barbaren uit het vrije GermaniŽ, voor het tweede kan alleen het stijgende water verantwoordelijk zijn. (Bron: W.Jappe Alberts en H.P.H.Jansen)


  5. Tegen het einde van de derde of het begin van de vierde eeuw deden zich de gevolgen van de rijzing van de zeespiegel gevoelen: sommige terpen werden verlaten. Er ontstond een kleidek over het oude kwelderland tot ver landinwaarts. (Bron: G.D. van der Heide)
    En als terpen al verlaten werden betekent dat niets meer of minder dat die ook overstroomde. Een kleidek ver landinwaarts bevestigt ook hier weer grootschalige en langdurige overstromingen: de transgressies.

  6. Omstreeks het jaar 300 na Chr. was het alluviale deel van Nederland grotendeels overstroomd. Tegen de achtergrond van deze overstromingen moet ook het ophouden van de bewoning in grote delen van Nederland in de 4e eeuw worden beschouwd. We constateerden dit reeds voor het Westland, het geldt ook voor het Zeeuwse Walcheren en voor de woerden van de Betuwe. (Bron: W.Jappe Alberts en H.P.H.Jansen)


  7. Van de 3e eeuw af zijn vele streken van ons land ernstig door vloeden geteisterd en gedeeltelijk onbewoonbaar geworden: zo zeker het Westland, zo Bommeler- en Tielerwaard, zo zeker ook vele Friese streken. (Bron: W.Jappe Alberts en H.P.H.Jansen)


  8. De verspreidingskaart van archeologische vondsten toont duidelijk aan dat in het oostelijk rivierengebied (in Gelderland) ook de meeste nederzettingen in de Romeinse tijd en Vroege Middeleeuwen gesticht werden. De bewoning op deze stroomruggen was, zoals eerder gezegd, sterk afhankelijk van de transgressiefasen waarbij de zeespiegel enigszins steeg en de waterafvoer vanuit het binnenland gestagneerd werd. Hierdoor vonden vóór en na de Romeinse tijd, in de 9de en 10de eeuw, tijdens de Late Middeleeuwen en in het meest recente verleden overstromingen plaats. Eerst sinds de 10de eeuw heeft de mens zich tegen deze overstromingen geweerd door de gebieden in te dijken.(Bron: R.Borman)
    .

  9. Het uit de schriftelijke bronnen gekende kersteningsgebeuren uit de 7e tot 10e eeuw kan wegens onbegaanbaarheid van de bodem en wegens gebrek aan voldoende bewoners niet hier - en allerminst in de meest daarvoor aangeduide streken van ons land- hebben plaatsgevonden. Afgezien van een paar duizend zandhoogten bewoners, was ons land praktisch onbewoond en onbetreedbaar.(Bron: H.A.Heidinga). Heidinga gokte in een radio interview voor de EO in 1986 het aantal bewoners in ons land toen op zo'n 5000.

  10. De woonplaatsen in de Rijndelta kunnen in de 4e eeuw niet erg comfortabel geweest zijn, want de archeologie leert dat toen veel land daar onbewoonbaar werd door het opdringende water. (Bron: H.P.H.Jansen)
    Dat de Bataven dan nog in de Betuwe gewoond zullen hebben en de Franken in midden Nederland, is dus archeologisch op geen enkele manier bevestigd. Ook de teksten die dit zouden aantonen zijn afkomstig uit Frankeijk en hebben betrekking op Frankrijk. De hele Nederlandse geschiedenis uit het eerste millennium is een kopie van die in Frankrijk uit die tijd, maar Frankrijk bezit de papieren. Nederland beschikt over geen enkel geschrift uit het eerste millennium. Wiens geschiedenis is het dan?

  11. Verrassingen van overstromingen, springvloeden en de verlegging van een bedding behoorden tot de normale verschijnselen. Zelfs zijn er door het stijgen van het waterpeil van de Noordzee hele nederzettingen onder water verdwenen zoals de Brittenburg.
    Nederland, altijd een erg nat land, werd in de derde eeuw nog veel natter. In de tweede helft van die eeuw steeg het zeepeil, waardoor grote delen van het land onder water verdwenen. Zelfs de Betuwe had er last van.
    (Bron: R.Pörtner)
    Als de Betuwe overstroomd was kon er onmogelijk het grote volk van de Bataven gewoond hebben.

  12. Archeologisch onderzoek heeft aangetoond dat verscheidene Romeinse forten in het Nederlandse rivierengebied al in de 3e eeuw verlaten zijn. Niet door invallen van Germanen, maar door opkomend zeewater, de transgressies. Waarschijnlijk begon de wateroverlast hier te groot te worden. In deze eeuw moet de zeespiegel merkbaar zijn gestegen. (Bron: H.P.H.Jansen)

  13. Bij opgravingen op 6 meter beneden het maaiveld op de Vischmarkt in Nijmegen hopen onderzoekers antwoorden te vinden die te maken hebben met het "gat van Nijmegen". Om daar te komen zijn tientallen lagen van verschillende samenstelling en datering afgegraven. (Bron: H.Sarfatij)
    Onder het "gat van Nijmegen" verstaat men de periode tussen de Romeinse tijd en de later middeleeuwen, dus vanaf de 3e tot 11e/12e eeuw, waarin over een periode van 8 à 9 eeuwen, weinig tot geen archeologische vondsten te vinden of gevonden zijn. In Nijmegen begrijpt men kennelijk nog steeds niet hoe al die lagen daar in Nijmegen, en in de rest van Nederland, ontstaan zijn.

  14. "Vleuten-De Meern. Veldhuizen. Afgaande op de vondsten bereikte de bevolkingsdichtheid een hoogtepunt in de 2e eeuw. Daarna raakte het gebeid snel ontvolkt en verviel het weer tot wildernis. In dezelfde tijd, omstreeks de 3e eeuw moet de rivier die de Heldammer stroomrug heeft opgebouwd zijn verland. Pas in de 11e eeuw werd het gebied weer ontgonnen".
    "In Veldhuizen zijn twee inheemse nederzettingen uit de Romeinse tijd gevonden en een boerderijlint uit de periode 11de tot en met de 13e eeuw."
    (Bron: Archeologische Kroniek provincie Utrecht 1996-1997) Het is duidelijk, wat ook uit dit hele artikel spreekt, dat er na de Romeinse tijd grote transgressies geweest zijn, die tot in de 11e eeuw hebben geduurd. Tussen de 3e en 11e eeuw is er in dit gebied nauwelijks sprake geweest van bewoning.

  15. Met het vertrek van de Romeinen valt Holland eigenlijk weer terug in de prehistorie. De periode van de derde tot de zevende eeuw is wat archeologische vondsten betreft eveneens een 'stille tijd'. Het opdringende water en het steeds drassiger worden van de bodem speelden hierbij een grote rol. (Bron: C.Bunnik e.a.)
    De periode van 3e tot 7e eeuw mag verlengd worden tot de 10e eeuw toen er voor het eerste weer bewoning kwam in Holland.

  16. Toen na het einde van deze transgressie omstreeks het begin van onze jaartelling het water zich terugtrok en de vlakke kwelder weer bewoonbaar werd, vond hierop wederom vestiging plaats. Evenals met de woonplaatsen die in overeenkomstige regressiefasen gedurende de achtste en elfde tot twaalfde eeuw na Chr. werden gesticht, herhaalde zich de geschetste ontwikkeling. (Bron:R.H.J.Klok)
    De Romeinse occupatie van ons land viel samen met een tijd van regressie van de zee. De transgressies van na de Romeinen, de z.g. Duinkerke 2, duurde van de 4e tot de 8e eeuw. In deze periode was laag Nederland ťťn groot Waddengebied.

  17. Tijdens de zogenaamde voor-Romeinse transgressieperiode(n) vond o.a. door opstuwing van het rivier- en binnenwater bij hoge vloeden kleiafzetting plaats op veen. Zo is in het noordelijk deel van Walcheren onder invloed van de Scheldemonding reeds in voor-Romeinse tijd een brede strook veen met klei en zavel bedekt.(Bron: J.Trimpe Burger)
    Toch blijven de aan de mythe vasthoudende historici de transgressies ontkennen, omdat deze de geschiedenis waarin ze zo halstarrig blijven geloven op die plaatsen immers onmogelijk maakt.

  18. In de derde eeuw na Christus kreeg de vrij dichte bevolking van het rivierengebied - honderden nederzettingen uit die tijd zijn bekend - het erg moeilijk door het veelvuldig optreden van hoge waterstanden.(Bron: K.J.Hoeksema)
    Die "honderden" nederzettingen is een te voorbarige conclusie. De vondst van ťťn munt b.v. is nog geen vondst van een nederzetting.

  19. De woonplaatsen in de Rijndelta kunnen in de 4e eeuw nier eg comfortabel geweest zijn, want de archeologie leert dat toen veel land daar onbewoonbaar werd door het opdringende water. (Bron: H.P.H.Jansen, p.37)

  20. Beide plaatsen aan de benedenloop van de Eems werden slechts gedurende een betrekkelijk korte tijd bewoond omdat de moerassen rond de monding van de Eems en eveneens die tussen Eems en Elbe tot in de eerste eeuw v. Chr. regelmatig door het water van de zee werden overspoeld. Aan de overzijde van de Elbe, in Sleeswijk-Holstein, was zelfs tot in de tweede eeuw op de moerassige kustgronden geen permanente nederzetting mogelijk. (Bron: M.Todd)
    Ondanks de verkeerde interpretatie van de Amisia en Albis als de Eems en de Elbe, bevestigt onderzoek aan de Elbe dat de streek wegens overstromingen onbewoonbaar was. Er heeft zich dan ook geen geschiedenis kunnen voordoen, hetzelfde probleem als in laag Nederland. Waar de Chauci dan gewoond hebben en hoe de Romeinse legers dan getrokken zijn, blijft een vraag.

  21. De zee werd in de tweede helft van de derde eeuw agressiever en maakte het leven in die kuststreek nog riskanter. In de zevende eeuw werden de omstandigheden weer gunstiger. Een zeespiegelstijging veroorzaakte overstromingen in Zeeland en Vlaanderen en dwong eveneens grote aantallen mensen een goed heenkomen te zoeken. (Bron: L.Mulder e.a.)
    Welk historisch boek men er ook op naslaat, overal hetzelfde verhaal. Na de Romeinse tijd kwamen er transgressies en verdween de bevolking die pas na de 7e eeuw terugkeerde volgens deze auteurs. De hier genoemde zeespiegelstijging was natuurlijk niet beperkt tot Zeeland en Vlaanderen, maar zette zich natuurlijk ook voort in delen die nog lager liggen dan Vlaanderen, zoals Noord- en Zuid-Holland, Friesland, Groningen en de overige delen van laag en midden Nederland.

  22. Onder Diocletianus werd ook hier het rijksgezag hersteld. Het is evenwel de vraag of toen ook de linie aan de Riingrens volledig in zijn vroegere omvang is hersteld. Het archeologisch onderzoek heeft namelijk aangetoond dat verscheidene forten in het Nederlandse rivierengebied al in de 3e eeuw verlaten zijn; waarschijnlijk begon de wateroverlast hier toen te groot te worden, want in deze eeuw moet de zeespiegel merkbaar zijn gestegen. (Bron: H.P.H.Jansen, p.41)

  23. Het staat wel vast dat omstreeks 250 na Chr. een vochtige periode is aangebroken; deze heeft zich omstreeks 1000 en 1300, doch veel minder uitgesproken, herhaald. Bij archeologische en bodemkundige onderzoekingen zijn hiervoor verschillende aanwijzingen gevonden. In het stroomgebied van de grote rivieren en in de kustgebieden van de Zuidelijke en Noordelijke Nederlanden heeft vooral de klimaatsverandering in de 3de eeuw na Chr. diep ingegrepen. (Bron: Prof.dr. B.H. Slicher van Bath, p.13)

  24. In de omgeving van Marck bij Calais (Nord-France) zijn bepaalde zandgronden in een betrekkelijke lange periode afgezet als gevolg van de "Dunkerque 1 et 2 transgression" tussen de ijzertijd en de Middeleeuwen. Deze afzettingen werden onderzocht met medewerking van de Vrije Universiteit van Amsterdam, om een vergelijking te kunnen maken met de activiteit van de zee in Nederland over deze periode.
    Aan de hand van bodemonderzoek in verschillende geologische aardlagen kan het begin van afnemen van activiteit van de zee gedateerd worden op 375 voor Chr. Tussen 375 v.Chr. en 20 na Chr. was de bodem overwegend vochtig. De volgende drogere periode kan gedateerd worden in de eerste en tweede eeuw van onze jaartelling, de bodemlaag erboven werd vanaf de derde eeuw hechter.
    (Bron: Revue de Nord).
    Deze bevindingen van dr.W.A. van Es en W.Roeleveld in Revue du Nord zijn opmerkelijk. Wil men de transgressies in Nederland nog wel eens betwijfelen, beiden hebben meegewerkt aan een Frans onderzoek waarin de Duinkerkse transgressies duidelijk zijn aangetoond.

  25. Kesteren had aan de zuidkant van de Oude Rijn na de Romeinse tijd een hoge oeverwal gekregen. Plaatselijk ligt er het Romeinse niveau zelfs 1,5 m onder het huidige maaiveld.(Bron: K.J.Hoeksema)
    Het blijven ontkennen van langdurige overstromingen na de Romeinse tijd (1,5 m. afzettingssediment wordt niet in een paar jaar gevormd) getuigt bij de aan de mythe vasthoudende historici van weinig deskundigheid.

  26. In ieder geval nam de invloed van de zee omstreeks de vierde (?) eeuw in het lage kustgebied geweldig toe (Duinkerken ll-transgressie; einde ca. achtste eeuw?), waardoor het landschap een grondige metamorfose heeft ondergaan.
    Zo stroomden door Zeeland eens de Romeinse Schelde en de Striene, en ongetwijfeld nog andere, ons onbekende afwateringsstroompjes die zich tot enkele hoofdstromen zullen hebben verenigd. Tijdens de zogenaamde voor-Romeinse transgressieperiode(n) vond o.a. door opstuwing van het rivier- en binnenwater bij hoge vloeden kleiafzetting plaats op veen.
    Bovendien zijn vele van deze oudere sedimenten vooral gedurende de middeleeuwen (post-Romeinse transgressies) over grote gebieden weggespoeld, zodat een reconstructie van het landschap met zijn vroegere waterlopen hier een hachelijke onderneming is.
    (Bron: J.Trimpe Burger)
    Toch blijft (een deel van) historisch Nederland de consequenties van de Transgressies ontkennen en blijft het geschiedkundige gebeurtenissen in een overstroomd gebied plaatsen.

  27. Ten westen van Nijmegen lag de wijdvertakte delta van Rijn en Maas, waarin het rivierenlandschap naar de kust toe geleidelijk overging in uitgestrekte veengebieden. Vanaf de Romeinse periode hebben zich hier de grootste landschappelijke veranderingen voltrokken. Plinius beschreef -kennelijk gebaseerd op eigen ervaring- de drastische gevolgen van de getijden die steeds opnieuw 'met enorme golven het land binnendrongen'. (Bron: De Romeinse Rijksgrens tussen Moezel en Noordzeekust)
    Nu beschreef Plinius de landstreek van Noord-Frankrijk en Vlaanderen. Maar als daar het land al overstroomde, moet dat zeker gebeurd zijn in het lager liggende Nederland.

  28. Zowel de verspreidingskaarten van de vindplaatsen uit de IJzertijd en de Romeinse tijd als de bodemkaarten van het deltagebied behoeven dan ook een voorzichtige interpretatie, vooral wat betreft de reconstructie van vroegere rivierlopen. Oorzaken voor het ontbreken van vindplaatsen of nederzettingen in een betrekkelijk groot gebied kunnen zijn: a. ze zijn er nooit geweest, b. ze zijn door latere invloeden verdwenen of moeilijk terug te vinden (overstromingen, verstuivingen, vergravingen), c. het gebied is tot nu toe onvoldoende verkend of gekarteerd (vooral door intensieve bodemkarteringen gevolgd door herverkavelingen worden de kansen om nieuwe vindplaatsen te ontdekken vergroot).(Bron: J.Trimpe Burger)
    Ondanks intensief speurwerk, heel Nederland is in de loop der eeuwen al eens op de schop geweest, worden geen bewijzen gevonden om de traditionele geschiedenis te bevestigen. Conclusie a (ze zijn er nooit geweest) is dan ook de eerste en enige juiste.

  29. "Na het midden van de Romeinse tijd, in de tweede helft van de 3de eeuw n.Chr., begon hier bovendien een periode van verhoogde agressiviteit van de zee: de laat-Romeinse/vroeg-middeleeuwse transgressiefase."
    "In de kustsector tussen Schoorl en Monster is het oude duinlandschap bewaard gebleven, deels bedekt door het jonge duin. Ten noorden en ten zuiden van dit kustgedeelte zijn de Romeinse duinen vrijwel geheel door de zee geŽrodeerd."
    "De hoge reliŽfrijke duinen dateren uit de middeleeuwen."
    "In geheel laag-Nederland is de vochtigheid in de loop van de 3de eeuw toegenomen. Dat gold ook voor het wat hoger gelegen oostelijk deel van het rivierengebied, de Betuwe."
    (Bron: W.van Es)
    Zomaar enkele citaten uit het boek 'De Romeinen in Nederland' van W.A. van Es. Die transgressies zouden 'een uitvinding zijn van Delahaye', zoals een Nederlands historicus, een tegenstander van de visie van Delahaye, eens stelde toen hij geÔrriteerd uitriep "dat hij niets meer van transgressies wilde horen". Waarmee hij maar al te duidelijk aangaf dat hij volledig begrepen had wat dan het probleem zou zijn. Immers waar geen bodem is kan zich ook geen geschiedenis hebben afgespeeld. Hieruit blijkt des te meer dat menig historicus onkundig is op eigen vakgebied.

  30. De Brittenburg, een Romeinse vesting voor de kust bij Katwijk, is ten prooi gevallen aan de eerste na-Romeinse transgressie die in de derde eeuw zijn begin had. (Bron: J.Romein)

  31. Tegen het midden van de 3de eeuw begint een periode van onrust, die -wat het rivierengebied betreft- veroorzaakt wordt door het minder bewoonbaar worden van het land ten gevolge van een verhoging van het waterpeil en een toeneming der overstromingen. In de stedelijke nederzettingen en op het platteland is de bewoning in de loop van de 3de eeuw sterk achteruitgegaan of zelfs geheel afgebroken, terwijl de castella die langs de Rijngrens waren gebouwd, in die tijd ontruimd zijn. (Bron: J.E.Bogaers)
    Na deze ontboezeming van Bogaers vraagt men zich toch af, waarom juist Bogaers zo sterk ageerde tegen de visie van Delahaye. Hij geeft Delahaye keer op keer gewoon gelijk.

  32. Omstreeks het jaar 27O (het juiste jaar weten we niet), maar omstreeks die tijd moet er een ontstellende ramp hebben plaats gevonden. Plotseling houdt dan de bewoning in het kleigebied op. De occupatie staakt en zelfs de Romeinen trekken zich op hoge punten terug of ontruimen het gebied, om eerst tegen de tijd dat ze voorgoed de lage landen zullen laten voor wat ze zijn: 'land van mist en mest en vieze, stage regen'. (Bron: A.P. de Kleuver)
    De Romeinen vertrokken dus niet vanwege de invallen van Germaanse stammen, maar vanwege de overstromingen.

  33. In de tijd van Karel de Grote moest in het westen en noorden van ons land een strijd op leven en dood worden gevoerd tegen de zee. Ook in de rest van het tegenwoordige Noord- en Zuid-Holland, en vooral in Friesland en Groningen, vormden de waterkeringenen de landwinning de centrale problemen. De dijkaanleg in Friesland begon in de Karolingische tijd. De bevolking woonde op terpen, soms wekenlang door water omgeven, alleen maar per bootje bereikbaar. Na het jaar 1000, toen de terpen niet meer stelselmatig werden opgehoogd, blijkt de overheid bevoegd te zijn bindende voorschriften inzake het onderhoud van dijken uit te vaardigen. Geschrokken vreemdelingen en reizigers die deze streken bezochten, brachten eeuwenlang verbaasd_verslag uit over de problemen van de boeren in dit watergebied. (Bron: A.F.Manning)
    Het begin van de dijkbouw in Nederland wordt algemeen na het jaar 1000 gelegd, juist vanwege het ontbreken van een centraal gezag, dat dit zou hebben moeten organiseren. Op grond van het feit dat de terpen na 800 niet meer werden opgehoogd, laat men het begin van dijkbouw in Friesland daarna beginnen. Met de mogelijkheid dat de Friezen misschien gewoon waren vertrokken heeft men geen rekeing gehouden. Tot in de 15e en 16e eeuw blijft laag Nederland een speelbal van de zee en zijn er vele en soms heftige overstroningen uit de geschiedenis bekend. Te denken valt aan de catastrofale St.Elizabethsvloed (november 1421), de St.Felixvloed (1530) en de alom bekende Allerheiligenvloed (1570).

  34. Het is voorts bekend dat tal van plaatsen die in de Romeinse tijd bewoond waren - het Westland, belangrijke delen van Zeeland en zuidelijk Zuid-Holland en het gebied van de grote rivieren - omstreeks de 4de eeuw na Chr. ontvolkt raken. De oorzaak daarvan blijkt te liggen in een transgressie, die de oude bewoningsplaatsen voor een aanzienlijk deel met een kleipakket afdekt. Een dergelijke situatie ontstaat ook in het Zuiderzeegebied. (Bron: G.D. van der Heide)
    Bij dit artikel treffen we ook bijgaand kaartje aan, dat volkomen duidelijk is en de visie van Albert Delahaye onmiskenbaar bevestigt. Zonder dijken zou het gearceerde gedeelte van Nederland onbewoonbaar zijn. Klik op het kaartje voor een vergroting.

  35. Het opwerpen van hoogten van klei (terpen), begint vermoedelijk kort voor het begin van onze jaartelling. Omtrent het aanleggen van de speciale grondwerken om het water te keren weet men het begin ook niet met zekerheid te bepalen. Sommige onderzoekers zijn geneigd de vroegste dijkbouw in Nederland aan de Romeinen toe te schrijven. De geschiedkundige bronnen geven geen uitsluitsel omtrent het begin van de dijkbouw. Over het algemeen wordt dan ook het begin van de dijkbouw op een veel later tijdstip gesteld. Er zijn tal van schrijvers die de aanvang van de bedijking hebben gesteld op omstreeks 1000 n. Chr. Braat neemt deze datering aan voor de Wieringermeer aan de hand van gevonden vaatwerk. Van Giffen acht dit echter te vroeg en stelt de aanvang van de dijkbouw op omstreeks 1100. Noch het jaartal van Braat, noch dat van Van Giffen is echter ontleend aan een absoluut gegeven. Ook Petersen stelt het begin van de dijkbouw aan de westkust van Sleeswijk-Holstein op ongeveer 1000. Deze datering is echter evenmin exact. Het zal de vraag zijn of een absolute datering gevonden zal kunnen worden.
    Ten aanzien van het Zuiderzeegebied vinden vooral na de 4 eeuw aanzienlijke landverliezen plaats, terwijl elders tussen de 4e en 9e eeuw op het oorspronkelijk veenlandschap door klei- en zandafzettingen de basis wordt gelegd voor een nieuw, bewoonbaar landschap. Dit terrein raakt omstreeks de 9de en 10de eeuw bewoond door immigrerende bevolkingselementen die hier -wellicht op terpen- kunnen wonen. Het is waarschijnlijk, te oordelen naar de geleidelijke opschuiving van de bewoning, welke in kaart gebracht kon worden aan de hand van de schervenvondsten die een chronologische opvolging toelieten, dat men eerst in de 9de tot 12de eeuw, d.i. de tijd van de grote bedreigingen, begon te bedijken.
    (Bron: G.D. van der Heide)
    Dit verhaal is voor een onafhankelijke lezer toch volkomen duidelijk en bevestigt de visie van Albert Delahaye onmiskenbaar. De noodzaak tot het opwerpen van terpen bevestigt in elk geval de veelvuldig en langdurige overstromingen. Tussen de 4de en 9de eeuw was een groot gedeelte van Nederland onbewoonbaar. En juist in die eeuwen zouden zich op dat onbewoonbare gedeelte een aantal grootse historische feiten hebben afgespeeld, zoals de missionering van St.Willibrord en St.Bonifatius en andere predikers onder de Friezen, Franken en Saksen, de Karolingisch periode met oorlogen tegen die Friezen en de Saksen, de invallen van de Noormannen en de handel rondom en in Wijk bij Duurstede (z.g. Dorestad). Een fysieke onmogelijkheid! En zoals iedereen zal begrijpen stopten deze overstromingen niet aan de landsgrenzen, maar zetten zich voort in BelgiŽ en Noord-Frankrijk en in Noord-Duitsland en Denemarken.

  36. Het oudste tot nu toe bij opgraving in deze kunstmatige heuvels (in Zeeland) gevonden vaatwerk is z.g. Pingsdorfer waar, welke gewoonlijk toegeschreven wordt aan de 10de/12de eeuw. Er zijn ook auteurs die het begin vroeger willenstellen, n.l. reeds in de 7e/8e eeuw. Hiertegen pleit echter dat men mag aannemen dat in de 8ste eeuw wellicht reeds een regressiefase intrad en eerst in de 9de/10de eeuw occupatie of heroccupatie van vrij uitgestrekte gebieden van het lage klei-veenlandschap plaats vond. (Bron: G.D. van der Heide)
    Als er geen bewoning was, zal er ook geen bekering door St.Willibrord en/of St.Bonifatius hebben kunnen plaatsvinden. Ook de vermeende bezittingen van St.Willibrord in Zeeland en Holland zijn dan ook foutief gelocaliseerd.

  37. Sinds de onderzoekingen van Holwerda in Dorestad (bedoeld wordt Wijk bij Duurstede) neemt men algemeen aan, dat het Pingsdorfer aardewerk zijn zegetocht over Noordwest-Europa begon in het laatst der 9de eeuw. Bewezen is het intussen nog nimmer. Bron: ROB-berichten.
    Met de juiste datering van het Pingsdorfer aardewerk staat of valt de hele determinatie van Wijk bij Duurstede als Dorestad. Bij elke hedendaagse datering wordt verwezen naar de datering door dr.W.A. van Es. En wat nu als Van Es het onjuist heeft. Immers van Van Es is bekend dat hij met vooringenomenheid in Wijk bij Duurstede opgravingen heeft verricht. Bewijzen voor zijn dateringen zijn nooit geleverd, erger nog, zijn opvattingen worden door anderen o.a. A.Verhoeven weersproken. Bij opgravingen in Nijmegen werd in 1982 aardewerk gevonden. In het opgravingsverslag lezen we: Bij het 11e/12e-eeuwse vondsten materiaal bevond zich een interessante groep van beschilderd aardewerk in de trant van Pingsdorf aardewerk; het zou een vroege variant (omstreeks 1000 ?) van deze aardewerksoort kunnen zijn.(Zie ROB-berichten 1982 p.51). Een vroege variant wordt hier omstreeks het jaar 1000 gedateerd. Dat is dus ruim anderhalve eeuw na de dateringen, die Van Es zo graag hanteert in Wijk bij Duurstede.

  38. De geleidelijke zeespiegelrijzing deed zich het eerste gevoelen in de nederzettingen op de randvenen. Tot een werkelijke schok schijnt het eerst gekomen te zijn tijdens een catastrofe, wellicht door het samenwerken van verschillende factoren tegen het einde van de 3de of in het begin van de 4de eeuw teweeggebracht. Nu waren ook de terpen op de kleigronden niet veilig meer, en ettelijke raakten voorgoed ontvolkt. De maatschappij moet een tijd lang geheel ontwricht zijn geweest, getuige het kleidek dat sinds de 4de eeuw over het gehele oude kwelderlandschap, doch ook daarbuiten, ver landinwaarts over de tot dusver gespaarde venen is afgezet.. (Bron: H.Halbertsma)
    Geologisch is dus gewoon aangetoond dat in het Nederlandse Friesland grote overstromingen hebben plaatsgevonden in de 3e en 4e eeuw. Waar heeft dan het machtige volk der Fresones gewoond? Niet in Friesland.

  39. Het Friese volk verspreidde zich over steeds wijdere streken. De zeespiegel kwam hoger te liggen. De gronden bleven daardoor durend niet bruikbaar. De mensen moesten voortdurend verkassen. (Bron: H.Halbertsma)

  40. De oorzaak voor het verlaten van dit deel van de Rijnoever moet gezocht worden in de toenemende wateroverlast. Aanwijzingen voor bewoning in de 4de eeuw zijn in de hele vicuszone niet gevonden. (Bron: T.Bechert en W.J.H.Willems)
    In dit citaat wordt over het Vicusgebied rondom Valkenbrug gesproken. In Nederland is Valkenburg foutief geÔdentificeerd met het Praetorium Agrippinae van de Peutingerkaart, dat gezien het gebruikte symbool op deze kaart een badplaats -met bronnen- geweest moet zijn.

  41. Het moet gezegd: Utrecht heeft het de historici niet gemakkelijk gemaakt. Er zijn in de post-Romeinse tijd overstromingen geweest en hoge waterstanden. (Bron: A.P.G. Spamer)
    Krijgt Delahaye hier toch gelijk en wel van Spamer??

  42. Tegenover de opvattingen van Albert Delahaye wordt dan ook steeds het traditionalistische grove geschut ingezet : "Al in 1966 heeft Spamer dit 'dom geschrijf' genoemd en is Delahaye uitgedaagd het waar te maken, maar hij is hier nooit op ingegaan." Andere argumenten heeft men blijkbaar niet.
    Wat Ton Spamer beweert is helemaal niet zo. Als je de boeken van Albert Delahaye niet leest en, zoals steeds blijkt, kun je dat ook niet weten. Bovendien klopt het ook niet. Spamer beroept zich enkel op iemand die veertig jaar geleden al geen betere argumenten had. Vervolgens speelt hij de vermoorde onschuld als hij de 'geharnaste Delahaye-aanhangers' hooghartig aanraadt om de nieuwere literatuur eens te raadplegen. Het probleem is niet zozeer een gebrek aan belangstelling voor de nieuwere literatuur, maar een gebrek aan nieuwe literatuur. Ondanks de veertig jaar van historisch debat kan Ton Spamer van de anti-Albert-Delahaye-literatuur niet meer opsommen dan ťťn titel van een geschiedenisstudent (De zwakheid van Delahayeís beweringen (I-III) / Arnoud-Jan Bijsterveld. Ė In : Brabants Heem, jaargang 35, 19839) en de bovenstaande losse flodder, beide uit de oude jaargangen van zijn eigen heemkunde-tijdschrift (Brabants Heem).
    Overigens toont Arnoud-Jan Bijsterveld in genoemd artikel niets anders aan dan de bevestiging van de traditionele opvattingen. Hij verwijst dan wel naar Literatuur, maar komt niet verder dan R.Post en B.Stolte, die in de jaren 50 van de vorige eeuw de eersten waren die Delahaye van repliek meenden te kunnen dienen. Ook zij beweerden veel, maar bewezen niets. Door alleen maar steeds hetzelfde te beweren krijg je toch geen gelijk. Dan moet je met bewijzen en argumenten komen. Niet uit de 17e eeuw, maar uit de 8e eeuw. En dat ontbreekt er steeds aan.

    Ton Spamer beweert wel vaker iets zonder de bronnen te kennen. Zo had hij in SEMafoor 16.1 nogal negatieve kritiek op het werk van Bas Kloens, die hij een schreeuwer noemde, over het L-emphaticum (het wegvallen van letters tussen een oude en nieuwe naam van een plaats of rivier). Bij nader onderzoek door derden blijken de beweringen van Kloens zinvol te zijn, die van Spamer onwaar. De spreuk die Spamer zich dagelijks voorhodt (zoals hij zelf schreef) is "Hoed U voor mensen die iets zeker weten". In de wetenschap inderdaad een juiste instelling. Alleen jammer dat Spamer zichzelf niet aan zijn eigen lijfspreuk houdt.

  43. De bodemkundigen nemen aan, dat in de 4e eeuw een sterke transgressie van de zee plaatsvond met daarnaast een zeer sterke activiteit van de rivieren, waardoor in het gehele rivierengebied de wateroverlast toenam, nieuwe rivierarmen ontstonden en oude armen dichtslibten of zich verlegden. De Romeinen, die deze combinatie van gewone deltaverschijnselen met de transgressie van een aan eb en vloed onderhevige zee niet kenden, hadden daar kennelijk geen antwoord op en hebben de zaak maar laten gaan (red. en zijn dus vertrokken). (Bron: D.P.Blok)
    Ook Blok moet erkennen dat er overstromingen zijn geweest. Deze transgressies waren de oorzaak van het vertrek van de Romeinen uit ons land en niet de invallen van de Germanen. Je vraagt je af bij dit citaat, waarom Blok zo'n felle tegenstander was van Albert Delahaye! Beroepsjaloezie?

  44. Overigens is de nieuwe situering voor Noviomagus niet onverdeeld gunstig geweest. De stad schijnt van overstromingen te lijden te hebben gehad. Toen de Waal na de Romeinse tijd zijn loop verlegde, verdwenen de resten van Noviomagus voor een deel in het water. (Bron: W.van Es)
    Met Noviomagus wordt hier dus Nijmegen bedoeld!

  45. Bij ons schijnt een grensoverschrijding (van de Germanen) eerst ca. 270 te hebben plaats gevonden. Dan verdwijnt de Romeinse stad ten westen van Nijmegen aan de Waaloever. Verslechtering van de waterstaatkundige toestand (overstromingen) had waarschijnlijk reeds een sterke achteruitgang van de bevolking veroorzaakt. (Bron: F.Gorissen)

  46. Gewoonlijk neemt men aan dat de inwoners van Nijmegen in het westen na 270 n.Chr. naar de heuvelrug in het oosten zijn getrokken, naar het Valkhof en omgeving. Dit zou gebeurd zijn niet alleen als gevolg van oorlogsgeweld in een periode van onrust, maar wellicht ook wegens een verslechtering van de waterstaatkundige toestand, een verhoging van het waterpeil, toenemende overstromingen en het minder bewoonbaar worden van de lage oever van de Waal in het westen. (Bron: Museum Kam)

  47. Al vóór het begin van onze jaartelling moeten er landbouwers gewoond hebben op de vruchtbare deltagronden van de rivieren. Volgens de transgressietheorie moet een meer atlantisch getint klimaat samen met een verhoogde activiteit van de rivieren het Land van Maas en Waal vanaf de Romeinse tijd enkele eeuwen ongeveer onbewoonbaar hebben gemaakt. (Bron: L. J. Pons)
    Wat geldt voor het land van Maas en Waal, zal ook voor andere delen van laag Nederland hebben gegolden.

  48. Niet alleen de uitbreiding van de bevolking en de daarmede verband houdende ontginningen zullen het in de 13e en 14e eeuw noodzakelijk gemaakt hebben dijken aan te leggen en de ,,dijkring" (waarin men aanvankelijk gaten openliet voor natuurlijke lozing) te sluiten. Meer naar het westen waren al eerder dijken aangelegd, waardoor men de rivier uitwijkmogelijkheden had ontnomen en de gemiddelde waterstand in het oosten van ons land werd opgestuwd. Daarenboven moet er ook juist in die tijd een periode van een meer atlantisch getint klimaat zijn begonnen (hogere oceaanstanden en grotere waterafvoer via de rivieren), zodat zeer grote delen van het rivierenland onder water kwamen te staan.(Bron: L. J. Pons)
    Na transgressie Duinkerke III was het slechts mogelijk met dijken het land 'droog' te houden.

  49. Een gebroken laag en dagelijks van den springvloed gekweld eiland, gelijk Holland in oude tijden gesteld was. Het is een dwaasheid het Rijkswald in lage en venige landen te zoeken.(Bron: H.K. Arkstee)

    De Transgressies zijn dus geen "uitvinding van Delahaye", om zijn visie passend te maken, zoals door tegenstanders wel eens kwaadaardig beweerd werd. Het aanvaarden van de transgressies is een erkenning van de onmogelijkheid van de veronderstelde geschiedenis. Immers als de bodem verdwijnt, kan de veronderstelde geschiedenis zich hier onmogelijk hebben voorgedaan. Op de 3e eeuw volgt in Nederland geologisch en ook historisch-geografisch de 10e eeuw.

Terug naar boven.



6. Over de Franken, Merovingisch en Karolingisch Nederland en Nijmegen.

  1. De eerste periode in de geschiedenis van de Franken heeft in ons land geen aanwijsbare sporen nagelaten. Over de dan volgende eeuwen ontbreken de schriftelijke bronnen vrijwel geheel. De Frankische geschiedschrijvers van vóór de Karolingische tijd schijnen dit gebied niet te kennen. Daarmee bleef ons land een randgebied van weinig betekenis voor de intelligentia uit die dagen. (Bron: D.P.Blok)
    En als Blok, de verdediger van de Franken in Nederland, dit zelf al opmerkt, is er geen verdere discussie meer nodig.

  2. Merovingische nederzettingen zijn in ons land nooit gevonden. De bodemvondsten worden ons bijna uitsluitend opgeleverd door grafvondsten. (Bron: Dr. L.Louwe Kooijmans en Dr.P.Stuart)
    De Merovingische tijd, genoemd naar de eerste dynastie Frankische koningen, beslaat ongeveer het tijdperk tussen de jaren 450 en 750 n.Chr. De Frankische dynastie volgt direct en aansluitend op de Merovingische. Zonder Merovingische voorgeschiedenis is de geschiedenis van de Franken voor ons land totaal uitgesloten. De archeologie toont de ware toestand van Nederland in deze periode. Die is volkomen blanko, net als de geschreven bronnen die geheel ontbreken in ons land. De z.g. Frankische grafvondsten in Nederland zijn zeer discutabel en al lange tijd onderhevig aan ernstige discussies. Zonder nederzettingen zijn grafvondsten uit de Merovingische periode uiteraard zeer twijfelachtig. Zijn het wel Merovingische en Frankische graven? Of zijn de graven uit een latere periode en hebben de overledenen "Frankische" voorwerpen meegekregen? Immers de geÔdentificeerde vondsten blijkt het meestal om aardewerk te gaan. En aardewerk kan eeuwen later in een graf terecht komen, wat het "Romeinse" aardewerk bewijst in diezelfde graven.

  3. De aanwezigheid van een Karolingische palts in Nijmegen is echter niet aangetoond door archeologische vondsten. (Bron: Historisch Nieuwsblad)
    Hoewel hier Nijmegen genoemd wordt, wordt Het Valkhof bedoeld. Als reden wordt genoemd dat het Valkhof een archeologisch monument is en er dus niet gegraven mag worden. Vreemd is het dat ook in het verleden, toen het Valkhof nog geen archeologisch monument was, er overal en steeds gegraven werd en er toen ook nooit enig spoor van gevonden is. Het "gat van Nijmegen" bestaat overigens niet alleen op de Valkhofheuvel, maar in geheel Nijmegen. Ook bij de bouw van Museum Het Valkhof, tegenover de Valkhofheuvel, is nooit enig relit van een karolingische palts gevonden. Dit "gat van Nijmegen" vinden we ook terug in Het Bronnenboek van Nijmegen, waar men van de 3e eeuw (tekst 18) overgaat naar de 8e eeuw (tekst 19).

  4. In het Duitstalige boek "Karl der Grosse" van M.Imhof en C.Winterer (2013) waarin het rijk van Karel de Grote beschreven wordt en alle verblijfplaatsen van hem de revue passeren ontbreekt Nijmegen.
    In Duitsland waar ooit de grote misverstanden ontstonden betreffende het Karolingische Noviomagus, is men er nu steeds meer van doordrongen dat het niet Nijmegen geweest kan zijn.

  5. Wat vermeldt het Bronnenboek van Nijmegen?
    Het Bronnenboek van Nijmegen laat de Karolingische periode beginnen met een tekst uit het jaar 770. Daarmee erkent het Bronnenboek dat alle teksten over Noviomagus vůůr dat jaar, en dat zijn er al bijna 200, op Noyon betrekking hebben. Van de teksten over Noviomagus na 770 noemt het Bronnenboek er een 150-tal en slaat er honderden over die het dus aan Noyon laat. Zie voor alle overgeslagen teksten de boeken van Albert Delahaye en het hoofdstuk over Noviomagus.

  6. In tegenstelling tot wat eerst gedacht werd, hebben er geen Karolingers geleefd langs de Waal. De Waalkade is na de Romeinen een tijd lang niet meer bewoond geweest, pas in de dertiende eeuw kwamen er weer bewoners. Hoewel tijdens opgravingen tal van sporen uit de Middeleeuwen, en dan vooral de late, gevonden werden komen de spectaculairste vondsten zoals zo vaak in Nijmegen uit de Romeinse tijd. Nadat de Romeinen hier wegtrokken valt er plotseling een leegte, aldus Sarfatij. Eerst na het jaar 1000 wordt er kennelijk weer gewoond, waarvan de resten getuigen die gevonden zijn.(Bron: H.Sarfatij).
    Sarfatij wil ondanks wat hij zelf beweert, toch aan een karolingisch bewoning van Nijmegen blijven vasthouden. Hij verklaart dit met "De Waalkade lag gewoon te ver weg voor de Middeleeuwers, die vooral op het Valkhof woonden". Te ver weg? Als je van het Valkhof naar beneden loopt, een kleine 100 meter, ben je op de Waalkade! Hoezo te ver weg? Het is van hier naar het Valkhof maar een haneschree, schrijft het Nijmeegs Weekblad De Brug op 8 mei 1985, al moet je voor dit korte loopje wel bergop. En dan komt Sarfatij met "te ver weg". Voor Middeleeuwers die alles te voet deden, zelfs een voetreis naar Rome ondernamen en te voet naar het Palestina trokken. En met zo'n uitvlucht durft Sarfatij zich nog een wetenschapper te noemen. Het is de bekende kat in het nauw, want er is maar ťťn uitleg voor de afwezigheid van karolingische relicten en die heeft Albert Delahaye reeds jaren geleden gegeven. Er heeft geen Karolingisch Nijmegen bestaan!

  7. In de vroege Middeleeuwen, de periode van 400 tot 1000, ontbreken de archeologische sporen in West-Brabant voor de aanwezigheid van de in die streek gesitueerde Salische Franken. Ook uit de vijfde eeuw zijn er geen vondsten bekend. De Merovingische tijd leverde tot dusverre voornamelijk grafvelden op. De veronderstelling dat de streek in de Karolingische tijd zeer dun bevolkt was, wordt door recente vondsten enigszins gecorrigeerd, in die zin dat er geen sprake van is dat de gebieden die tevoren onbewoond waren gebleven, toen gekoloniseerd zouden zijn. De vondsten uit deze periode (ca.750-1000) komen steeds tevoorschijn in het beperkte gebied, waarvan ook tevoren bekend was dat het bewoond was geweest. (Bron: J.H.Verhagen)
    Waar dan die Frankische bewoning die men er zo graag localiseert, zeker in verband met de vele veldslagen van Pepijn Ii, Karel Martel en Karel de Grote, dan gebleven is, blijft een vraag. Archeologisch is daarvan niets terug gevonden. Uit alle berichten over gewapende conflicten tussen Franken en Friezen, alsook die tussen Franken en Saksen, blijkt dat deze veldslagen zonder uitzondering in het noorden van Frankrijk hebben plaats gevonden en nooit in Noord-Brabant.

  8. De eerste stenen kerken in de Nederlanden moeten gebouwd zijn in de Karolingische tijd. Er is weinig van overgebleven. De zogenaamde "Karolingische kapel" op het Valkhof te Nijmegen, dateert uit de 11e eeuw. (Bron: H.P.H.Jansen)
    Er is niet "weinig" van overgebleven, maar niets. Waarmee bevestigd wordt dat z.g. Karolingsche kerken nooit in Nederland hebben bestaan. Ook van het Karolingische paleis van Karel de Grote, is in Nijmegen geen steen teruggevonden. Losse vondsten en nederzettingssporen dateert men te makkelijk prematuur als Karolingisch.

  9. De geschiedenis van Nijmegen vertoont een merkwaarige open plek in de periode tussen het wegtrekken van de Romeinen in het begin van de 5e eeuw en het tijdvak van de Carolingische keizers in de tweede helft van de 8e eeuw. (Bron: G.Storms)
    Hoewel het eind van de Romeinse occupatie in Nijmegen op eind 3e eeuw bijgesteld zal moeten worden, vertoont de geschiedenis van Nijmegen zowiezo al een gat van ruim 3 eeuwen. Bovendien is het tijdvak van de karolingische keizers ook verkeerd in Nijmegen geplaatst. Dit "gat ven Nijmegen" vinden we ook terug in Het Bronnenboek van Nijmegen, waar men van de 3e eeuw (tekst 18) overgaat naar de 8e eeuw (tekst 19).

  10. Het "gat van Nijmegen" is de wat duistere periode in de Nijmeegse geschiedenis tussen de Romeinse tijd en de latere middeleeuwen. (Bron: H.Sarfatij)
    De Romeinse tijd eindigde in Nijmegen, net als in de rest van midden-Nederland, aan het eind van de 3e eeuw. De latere Middeleeuwen beginnen in de 11e/12e eeuw. Dit gat van Nijmegen is dus 8 à 9 eeuwen groot. Dit citaat kwam van drs. H.Sarfatij van de ROB. naar aanleiding van de opgravingen "Achter de Vischmarkt" die in de knel kwamen, aangezien de gemeente Nijmegen er geen geld voor (over) had. Of zou de gemeenteraad al begrepen hebben dat het weggegooid geld zou zijn, aangezien het "gat van Nijmegen" ook hier niet met vondsten gevuld zal worden.

  11. Het kan nuttig zijn direct te zeggen dat nergens in deze bronnen de naam Nijmegen genoemd wordt en dat onze conclusies berusten op interpretaties en combinaties van feiten. (Bron: G.Storms)
    Over deze terechte constateringen heeft men in Nijmegen nooit voldoende nagedacht.

  12. Als we voor het eerst over de Franken in ons land horen, in de 3de-- 5de eeuw, dan is dat in het kader van een migratie uit Oost-Nederland over de Rijn naar Brabant en vandaar naar Zuid-BelgiŽ en Frankrijk. ... De eerste fase is eigenlijk een fait divers in onze geschiedenis, dat geen aanwijsbare sporen in ons land heeft nagelaten. ... De Frankische geschiedschrijvers van vóór de Karolingische tijd echter schijnen dit gebied niet te kennen. (Bron: D.P.Blok)
    Door het verkeerd interpreteren van de bronnen komt Blok tot bovenstaande conclusies. De archeologie corrigeert deze zienswijze en bevestigt de visie van Albert Delahaye onmiskenbaar. De Frankische geschiedschrijvers kennen dit gebied inderdaad niet: zij schreven over hun eigen streek, die in Noord-Frankrijk gelegen was.

  13. Welk oorspronkelijk verband bestaat er tussen het Rijk van Nijmegen en de Nijmeegse burcht! Hier tasten we direct al in het duister. Feitelijke gegevens omtrent ontstaan en oorspronkelijke omvang zijn er niet. De meeste dezer namen duiken pas op in de bronnen van de 13e en 14e eeuw. (Bron: G.Storms)
    Waar blijft Nijmegen nu met haar z.g. sterke traditie? Een mythe die bestaat vanaf de 13e/14e eeuw?

  14. Nijmegen heeft geen Karolingisch paleis gehad. (Bron: H.P.H.Jansen)
    Ook in zijn boek "Levend Verleden" noemt H.P.H.Jansen het Karolingisch paleis in Nijmegen NIET, hoewel hij het verblijf van Karel de Grote in Nederland wel noemt. Waar Karel de Grote dan verbleef, blijft onbekend bij Jansen. En historicus Jansen verweet Delahaye eens "dat hij teveel oversloeg".

  15. Wetenschappelijk onderzoek heeft nu wel uitgemaakt, dat Karel de Grote nooit geresideerd heeft op het Valkhof en dat de keizerlijke nakomeling Fredrik Barbarossa niet de herbouwer - zoals de straatnaambordjes wel eens liegen- maar de bouwer van de burcht is geweest!" (Bron: F.J. de Waele)

  16. Tot op heden ontbreekt in Nijmegen elke belangwekkende archeologische vondst uit de Karolingische periode. (Bron: H.v.Enckevort en J.Thijssen)

  17. Op het Valkhof heeft nooit een palatium van Karel de Grote gestaan. (Bron: F.J. de Waele)

  18. Van overblijfselen van een palts uit de tijd van Karel de Grote op het Valkhof te Nijmegen is weinig zeker. (Bron: G.Lemmens)

  19. Dat Nijmegen zelf in de 6de eeuw al een Merovingisch steunpunt met enige handel geweest is, kan blijken uit de recentelijk echt verklaarde oude schatvondst uit Escharen, waaronder zich een 6de-eeuwse munt te Niomago geslagen bevindt. Daar dit echter evengoed de naam van Neumagen kan zijn, lijkt het definitieve bewijs nog niet geleverd. In Nijmegen zijn geen bewijzen voor muntslag. Noyon komt echter niet in aanmerking, daar Niomago een Germaanstalige vorm is met vertaling van het Keltische Novio in het Frankische Nio. (Bron: D.P.Blok)
    Blok draait zich hier in vreemde bochten. Met een munt uit Noyon -immers Noyon was Frankisch- maakt hij van Nijmegen een steunpunt van handel.

  20. Kritische nasporingen door ir.Weve hebben aangetoond dat de zgn. Karolingische kapel niet vóór het midden van de 11e eeuw kan zijn gebouwd. (Bron: Kroniek van Nijmegen)
    Al is de juiste datum van haar bouw niet bekend, toch staat vast dat deze St.Nicolaaskapel tot de oudste kerken en kerkjes van Nederland behoort en het oudste historisch monument van Nijmegen is.

  21. De Sint Nicolaaskapel op het Valkhof te Nijmegen blijkt niet ouder te zijn dan de 11e eeuw. (Bron: AD. 20 januari 1984)

  22. De Sint Nicolaaskapel dateert volgens het meest recente onderzoek uit de jaren kort na 1047. De St.Maartenskapel is ook 11e eeuws en in de 12e eeuw opgenomen in de nieuwe palts van keizer Frederik Barbarossa, die in 1155 werd opgericht.. (Bron: A.J.J.Mekking)

  23. Frederik Barbarossa heeft het paleis van Karel de Grote wel hersteld, maar dat lag niet op het Valkhof, maar elders in Nijmegen.. (Bron: F.J. de Waele)
    Waarmee professor De Waele de meeste andere historici tegenspreekt die bij hoog en laag blijven beweren dat het paleis van Karel de Grote op het Valkhof lag.

  24. Als bijwijlen beweerd wordt dat Karel in 768 in Nijmegen gekroond is (in Noviomago civitate), vindt dit zijn oorzaak in een verkeerde lezing: de oudste handschriften vermelden eensluidend: in Noviomo civitate (= Noyon). (Bron: F.Gorissen)
    Blijkbaar was Gorissen in 1956 niet op de hoogte van alle handschriften, want hoewel hij de waarheid spreekt, is hij toch onvolledig. Zie de voetnoot: Kroning.

  25. Op het Valkhof bevinden zich nog enkele resten van het paleis dat in 1155 werd gebouwd door keizer Barbarossa. De Sint Nicolaaskapel, waarvan lange tijd werd gedacht dat zij was gesticht door Karel de Grote, dateert van nŠ 1030! (Bron: Met het oog op onderweg, 1975)
    Het accepteren van de naam St.Nicolaaskapel voor de kapel op het Valkhof in Nijmegen, wat volledig is geschied, is het volledig erkennen van de valsheid van de Karolingische traditie in Nijmegen, zeker omdat die traditie zo sterk samenhing met deze kapel.

  26. Bij opgravingen op de Eiermarkt in Nijmegen zijn fundamenten, kelders en putten tevoorschijn gekomen, waarvan de oudste uit de dertiende eeuw stammen. Men heeft ook sporen van twee grachten uit de Romeinse tijd gevonden. Uit de tussenliggende kleine duizend jaar is nog niets aangetroffen. De tijd van Keizer Karel blijft een duister gat in de geschiedenis van "de Keizer Karel-stad". (Bron: AD. 24 augustus 1981)

  27. De occupatie-geschiedenis van de Eiermarkt laat zich na de opgraving (in 1981) als volgt reconstrueren. Het begin valt in de 1e eeuw na Chr. met een spaarzame civiele bewoning. In dc 4e eeuw volgt de militaire aanleg van twee spitsgrachten. Daarna is het gebied tot aan de 13e eeuw praktisch geheel verlaten geweest. Sedertdien wordt het terrein geleidelijk bebouwd. Dit proces gaat aanvankelijk langzaam, zodat men in de 14e eeuw nog maar enkele grote vrijstaande huizen vindt. Deze huizen of hoven worden in de sedert de 15e - 16e eeuw toenemende bebouwing opgenomen. (Bron: Archeologisch Nieuws.)

  28. Prof.Dr.Maurits Gysseling geeft toe dat Noviomagus in sommige teksten inderdaad Noyon betekent. (Bron: M.Gysseling)
    De bekering heeft zich, na een aanvankelijk glasharde ontkenning, ingezet bij deze (naar nu blijkt erg ondeskundige) naamkundige. Doordenken op zijn eigen stelling schijnt er ook hier bij Gysseling weer niet bij te zijn. Na 2 van deze blunders is zijn betoog verder ongeloofwaardig.

  29. Namen van Frankische nederzettingen in de omgeving van Nijmegen ontbreken vrijwel volledig. Van werkelijke noemenswaardige cultuurgrond in het gebied van Nijmegen, kan dus in de Frankische tijd geen sprake zijn. Niet eens voor een behoorlijk dorp, is het voor-Karolingische cultuurland voldoende. (Bron: F.Gorissen)
    Zelf Gorissen erkent in zijn "Stede-atlas", die lang als een der fundamenten van Romeins en Karolingisch Nijmegen werd beschouwd, dat er geen Karolingische cultuur is terug te vinden in Nijmegen of verre omgeving.

  30. De constatering, dat de markegronden van het laat-Middeleeuws Nijmegen tot een (vermoedelijk) Karolingische kolonisatie teruggaan, wordt gedekt door het getuigenis der schriftelijke bronnen: zij beginnen eerst met het bericht van de bouw der palts door Karel de Grote, door Eginhard betrouwbaar schriftelijk vastgelegd. (Bron: F.Gorissen)
    De Karolingische traditie steunt dus slechts op schriftelijke bronnen vanaf 777. die helaas foutief zijn toegepast. Alle teksten over Karolingisch Noviomagus vóór 777 horen dus NIET toe aan Nijmegen? Dan zijn ze dus van Noyon. Dat is al een mooi begin, want dat er zijn er al vele tientallen vanaf 400 tot 776. Hierover merkt H.Sarfatij op een ledenvergadering van "Vereniging Gelre" in 1987 op, dat de wordingsgeschiedenis van Nijmegen toch anders moet zijn geweest dan door dr.F.Gorissen in de "Stedeatlas van Nijmegen" wordt voorgesteld. Weg met de traditie. Hoe ook hier Albert Delahaye weer gelijk krijgt.

  31. Het is immers opvallend, dat Nijmegen (als men niet de onwaarschijnlijke veronderstelling wil maken, dat de herinnering hieraan spoorloos verdwenen is) geen oude markt bezit; het voornaamste plein van de Middeleeuwse stad lag immers tot aan 13e eeuw aan de rand van de stad en werd nog in 15e eeuw Hundsburg genoemd, evenals het terrein, waarop de nieuwe parochiekerk opgericht was.(Bron: F.Gorissen)

  32. Men mag echter niet Nijmegen als een officiŽle muntplaats zien. Daarvan was in die dagen geen sprake en zeker niet in verafgelegen streken als ons land. Een georganiseerd muntwezen bestond niet en kon ook niet bestaan, daar elk centraal gezag ontbrak. De Merovigische koningen lieten, zoals gebruikelijk was in GalliŽ, particulier munten slaan. Al zijn bij of in beide Waal-steden wel enige 7e-eeuwse Merovingische munten gevonden, wij kennen er geen, te Nijmegen of Tiel geslagen.(Bron: A.N.Zadoks - Josephus Jitta)
    De NIOMAGO munten, o.a. gevonden in Escharen (N.B.), waren dus geen munten van Nijmegen. In Nijmegen was rond 600 n.Chr. gťťn muntslag. De op de munten vermelde St.Eligio was goudsmit en later bisschop in Noyon. De munten waren dus van NOYON!

  33. Buiten de grenzen van het Romeinse Rijk en na de Volksverhuizingen kennen we de Saksen, hoewel een keihard bewijs van hun betekenis voor oostelijk Nederland niet te leveren valt. Misschien woonden hier Saksen aan de rand van hun meer oostelijk gelegen rijk: hier geheerst of gekoloniseerd hebben ze niet. (Bron: A.F.Manning)
    De algemene opvatting van Nederlandse historici is dat Karel de Grote juist in Nijmegen een belangrijke palts gebouwd zou hebben, las uitvalspunt voor zijn strijd tegen de Saksen. Alle veldslagen tegen de Saksen speelden zich echter in Noord-Frankrijk af. De Saksen woonden in de Romeinse tijd binnen de grenzen van het Romeinse Rijk. Daarmee wordt hun plaatsing in Oost-Nederland al een onmogelijkheid. Door Karel de Grote zijn grote groepen Saksen na 800 gedeporteerd naar Westfalen. Tevoren woonden zij in GalliŽ aan de Litus Saxonicum, de kust van het Kanaal. Bewijzen dat de Saksen in Oost-Nederland hebben gewoond zijn er niet, noch schriftelijke, noch archeologische.

    Wat is dan de ware geschiedenis van Nijmegen? Klik op de onderstreepte woorden.

Terug naar boven.


7. Over St.Willibrord, Utrecht en Egmond!

    "Wie de plaatsnamen uit het land van Boulogne en St.Omer in Noord-Frankrijk niet kent, zal nooit op de gedachte komen om de schenkingen van St.Willibrord in die streek te localiseren". (M.Mähler)

  1. Tussen 250 en 950 ontbreekt elke vorm van bewoning in Utrecht. (Bron: W.van Es).
    St.Willibrord en zijn voorgangers en opvolgers hebben er dus nooit een bisschopszetel kunnen hebben. Immers zonder bewoners valt er niets te bekeren.

  2. Tussen de 4e en 11e eeuw heeft de plaats Utrecht niet bestaan. (Bron: Archeologische Kroniek van de Provincie Utrecht 1990-1991).
    Uit deze periode wordt volgens de Archeologische Kroniek (zie p.81-84) weinig tot niets gevonden. Lees voor dat 'weinig tot niets' maar gewoon 'niets'. De continuÔteit vanaf de Romeinse tijd is wel altijd aangenomen, maar nooit aangetoond. Het gevonden aardewerk stopt qua datering in de 3e eeuw, wat overeenkomt met de andere Romeinse vindplaatsen in Nederland. Daarna begint, volgens de Kroniek, de geschiedenis weer in 1050 met de stichting van de St.Paulusabdij. Bij dit jaartal 1050 kan men vraagtekens plaatsen, aangezien de oorkonde die van deze stichting melding maakt een later opgestelde en geÔnterpoleerde oorkonde is (zie bij St.Ansfridus).

  3. Enkele citaten uit de Archeologische Bouwkroniek van de gemeente Utrecht,1988 over opgravingen op het Domplein, waar het Romeinse castellum is gelocaliseerd, laten geen enkele onduidelijkheid bestaan.
    - Het genoemde fundament kan niet afkomstig zijn van de kapel van St.Willibrord, laat staan van de nog vroegere uit de tijd der Merovingers, welke door koning Dagobert aan de Keulse bisschop Kuibert (625-665) zou zijn geschonken (p.55).
    - Het oudste gedocumenteerde bericht over de St.Thomaskerkje binnen Tricht (het kerkje van Dagobert uit begin 7e eeuw, red.) dateert uit 1148 en staat in de Annalen van Egmond (p.61).
    - Voorwerpen die zich door herkomst uit de Karolingische tijd kenmerken zijn niet tevoorschijn gekomen (p.64).
    - Scherper aanwijzingen, sterker sprekende gegevens zullen echter gevonden moeten worden om de veronderstelling aannemelijk te maken dat op deze plek in Utrecht de eerste Christenkerk heeft gestaan, dat van hieruit de kerstening van Noord-Nederland een aanvang heeft genomen (p.74).
    - Er zijn enkele laat- en vroeg-Karolingische scherven gevonden, maar Merovingische vondsten ontbreken ten ene male (p.76).
    - Verder konden wij nog steeds geen der kerkjes van Willibrord (690-739) localiseren, zeker niet door vondsten van restanten of sporen daarvan in de bodem (p.79).
    - Ook de vroeger gevonden H.Kruiskapel werd geacht niet ouder dan de 10de of 9e eeuw te zijn. Alles bijeen werden dus noch frankische kerkjes noch die van St.Willibrord aangetroffen (p.79).
    - De verlanding (Achter Clarenburg) heeft eerst na de Karolingische tijd plaatsgevonden, vermoedelijk kort voor of in de 12e eeuw (p.25).
    (Bron: Archeologische Bouwkroniek van Utrecht).
    Het is wel duidelijk dat er in Utrecht geen sporen zijn te vinden van het verblijf van St.Willibrord en directe opvolgers! Zeker het ontbreken van Merovingische vondsten vormt een onweerlegbaar bewijs van de verkeerde toepassing van veel oude kronieken op Utrecht. Het oudste bericht over het kerkje van Dagobert waar het aan Utrecht gekoppeld is, dateert uit 1148 en staat in de Annalen van Egmond. Maar deze Annalen waren in oorsprong afkomstig uit Noord-Frankrijk (St.Omaars)! Moet daar dan ook niet het kerkje van Dagobert gezocht worden? Met de interpolatie uit 1148 wordt haarfijn aangegeven wanneer de St.Willibrordus-mythe ontstond: in het begin van de 12e eeuw, toen er ook weer voor het eerst grootschalig bewoning op gang kon komen (let op de genoemde verlanding.).

  4. Willibrord, aartsbisschop der Friezen, met zetel in Utrecht, was wel leider van de Utrechtse kerk, maar geen bisschop van Utrecht. (Bron: Geschiedenis van Utrecht, deel 1).
    St.Willibrord is dus nooit bisschop van Utrecht geweest. Wat een waarheid, al bedoelt de schrijver er iets geheel anders mee, namelijk dat St.Willibrord geen titel heeft gedragen van 'episcopus Trajectorum'. Niets is echter minder waar. Beda schrijft duidelijk dat St.Willibrord in 695 door Paus Sergius tot bisschop is gewijd (Beda, Historia Gentis Anglorum, V, 11-13). Maar het bisdom van St.Willibrord was een missiebisdom en hoewel de standplaats Trajectum was, komen de verdere gegevens niet overeen met wat men er Utrecht nadien van gemaakt heeft. Vandaar dat men merkt dat die gegevens niet op Utrecht passen en komt men tot bovenstaande conclusie. Deze gegevens betreffen ook de bisschoppen Bonifatius en Gregorius, de opvolgers van St.Willibrord in de prediking onder de Fresones.

  5. Prof.L.G.J. Verberne wees er in "Geschiedenis der Nederlanden" (1953) al op dat het verblijf van St.Willibrord in Utrecht een vrome legende is.
    Enkele citaten uit dit boek zijn : pag. 70: In de 7e eeuw zou in Utrecht een Thomaskerkje zijn verrezen, als men de legende mag geloven. Op pag. 73 lezen we: Van Willibrords verblijf in onze lage landen is zo goed als niets bekend.
    Ook het verhaal rondom de Friese koning Radboud is voor Nederland legendarisch.
    pag. 74: De Friese Stamtrots heeft later een legendarisch weefsel gespannen rond de koppige figuur van Koning Radboud. Men heeft zelfs een hele stamlijst van Friese koningen en hertogen uit de duim weten te zuigen. In werkelijkheid is er heel weinig of niets van hen door de geschiedenis overgeleverd..

  6. Hoewel Utrecht een onopvallende grensplaats van het dukaat Frisia was, moet deze plaats met zijn bisschopszetel toch vermeldenswaard geweest zijn. Opmerkelijk is het daarom het- op ťťn geisoleerd en verdacht bericht na - ontbreken van enigen contemporare verwijzing naar Utrecht in verband met welke Noormannenaanval dan ook. Toch neemt Utrecht een vaste ptaats in de vaderlandee historiografie in als het om dit soort aanvallen gaat. (Bron: Luit van der Tuuk).
    Hoewel Van der Tuuk het traditionel verhaal van het bisdom Utrecht schetst is zijn conclusie hiermee zeer opvallend in tegenspraak. Echter die tegenspraak bevestigt precies het gelijk van Albert Delahaye. Archeologisch ontbreekt in Utrecht elke vorm van bewoning (zie Citaat hiervoor) en er bestaan ook geen geschreven bronnen over de aanvallen van de Noormannen op de bisschopsstad Utrecht. Vóór 970 is er geen bisschopszetel geweest in Utrecht. Alle gegevens die hierover handelen gaan over Trajectum in Noord-Frankrijk, zijnde Tournehem. Alle veronderstelde teksten van aanvallen van de Noormannen op Nederland hebben betrekking op Noord-Frankrijk.

  7. De beschermheilige van de smeden was Sint Eloy (590-659) of, zoals zijn verlatijnste naam was, Eligius. In 641 werd hij gekozen tot bisschop van Noyon, nadat hij als zendeling in het Vlaamse land werkzaam was geweest. (Bron: Dr.A.van Hulzen, p.146).
    Deze bisschop had dus gepredikt in het Vlaamse land. Wat Van Hulzen er niet bij vermeldt is dat St.Eloy onder de Fresones, de Friezen, predikte en een direkte voorganger was van St.Willibrord. Het missiegebied van St.Willibrord moet dus ook gelegen hebben in het Vlaamse land, wat ook precies klopt: het lag in Frans-Vlaanderen. Plaatsing van St.Willibrord in Utrecht en zijn missiegebied in Friesland berust dus op een groot misverstand.

  8. In 751 stichtte de "Apostel van Duitsland", zoals Bonifatius genoemd wordt, het Bisdom Utrecht. (Bron: Geschiedenis der Nederlanden).
    Het bisdom Utrecht is dus niet gesticht door St.Willibrord? Daar gaat de basis van een hardnekkige traditie!

  9. De oudste bewijzen van de verering van St.Willibrord zijn juist aan te wijzen in Grevelingen (Frans-Vlaanderen). Reeds in de 11e eeuw was de parochiekerk van Grevelingen aan St.Willibrord gewijd en ging het verhaal dat de heilige in die plaats zou zijn geland. (Bron: Geschiedenis der Nederlanden).
    Grevelingen is het huidige Gravelines! Het is wel duidelijk dat de Nederlandse historici met deze wetenschap niets gedaan hebben. Men bleef ondanks dat er geen bewijzen voor zijn, vasthouden aan de aankomst te Katwijk, een fabel uit de 17e eeuw, die toen al bekritiseerd werd (zie volgende opmerking). Sommige historici houden de aankomst van St.Willibrord op het Zeeuwse Grevelingen. Ze erkennen daarmee dat ook zij Katwijk niet accepteren, maar tevens onbewust dat het wel Gravelines moet zijn geweest. Immers de 'Vlaamse' naam voor Gravelines is Grevelingen. Dat het zeeuwse Grevelingen in de 7e eeuw, toen de transgressies op een hoogtepunt waren, niet bestond is een zekerheid. De naam Grevelingen is ook een van vele importnamen waarmee Zeeland vol ligt.

  10. Dat Willibrord de eerste reize wanneer hij met zijn reisgezellen uit Engeland herwaart overstak, te Katwijk of Egmond gelandt is, daarvoor is het bewijs zeer duister. (Bron: Beschrijving der stad Utrecht).
    In 1757 werd dus al ernstig getwijfeld aan de landing te Katwijk. Er was immers geen enkel bewijs voor deze opvatting.

  11. Aan het eind van de 3de eeuw komt een eind aan de Romeinse bewoning. Pas in de 11de eeuw verschijnen op het terrein weer tekenen van menselijke activiteit. Het Romeinse vegetatieniveau is dan inmiddels afgedekt door een pakket grijze klei. Daarin bevinden zich de oudste middeleeuwse sporen, die de periode van de 11de tot het begin van de 14de eeuw beslaan. (Bron: Archeologische Kroniek).
    Het gaat hier om opgravingen in de Eligenstraat in het oude centrum van Utrecht. Overigens vertoont de gehele binnenstad in Utrecht hetzelfde beeld. Hiermee wordt glashelder aangetoond dat Utrecht niet bewoond was in de tijd van St.Willibrord, noch lang daarvoor of lang daarna. Bovendien toont het pakket grijze klei het bestaan en voorkomen van de transgressies aan.

  12. Utrechts historie tussen 275 en 925 is archeologisch vooral herkenbaar als een pakket van gesedimenteerde klei. Deze alom aanwezige afzettingslaag is tot nu toe in de onderzoeken grotendeels genegeerd. (Bron: Jaarboek Oud-Utrecht 1999)..
    Dit gegeven bevestigt wat hierboven is gesteld. Bij een gemiddelde afzetting van 1mm per jaar (Berendsen, 1984) gaat het om overstromingen over een periode van ruim 400 jaar. Boven in het kleipakket beginnen de 10e eeuwse en latere sporen. Het negeren van dit gegeven is vooral veroorzaakt door de verblindheid van historici, die Utrecht toch als het Trajectum van St.Willibrord blijven zien, ondanks alle bewijzen die dat weerleggen.

  13. De archeologische vondsten in Utrecht uit de periode van Willibrord en Bonifatius zijn niet meer dan een handvol stof. (Bron: T.Hoekstra).
    Hoekstra was stadsarcheoloog van Utrecht! Men heeft er nooit iets gevonden uit de tijd van St.Willibrord en St.Bonifatius. Ook hier spreekt de archeologie weer duidelijke taal.

  14. Utrecht levert in de periode van Willibrord en Bonifatius alleen maar sedimente afzettingen op. (Bron: C.van Rooijen).
    Van Rooijen was stadsarcheoloog van Utrecht en opvolger van Hoekstra! In het Jaarboek Oud-Utrecht 2000 p. 186) kreeg T. Hoekstra de opdracht Van Rooijens bijdrage te relativeren. Dat gebeurde op een erg doorzichtige en haast aandoenlijke wijze. Minder aandoenlijk was de volgende uitspraak: "Houdt hij aan zijn these vast, dan zal hij de resultaten van al zijn opvattingen moeten verwerpen. Doet hij dat dan komt hij verdacht dicht bij de opvattingen van wijlen Albert Delahaye en zijn volgelingen, die het bestaan van een vroeg-middeleeuws Utrecht überhaupt ontkennen en het in Noord-Frankrijk situeren, omdat de boel hier onder water gestaan zou hebben".
    Hiermee wordt dus klip en klaar erkend dat als het Utrecht van St.Willibrord fout is, dat dan ook de rest van de geschiedenis van ons land in die periode fout is. En dat is precies wat Albert Delahaye steeds beweerd heeft: de hele boel is fout omdat het een onlosmakelijk aan het ander verbonden is. Je kunt niet ťťn kaart uit het kaartenhuis trekken. Dan stort de hele boel onherroepelijk in. En dat is ook precies wat de gevolgen zullen zijn. De hele geschiedenis van Nederland in het hele eerste millennium zal herzien moeten worden, te beginnen met een blanko begin.

  15. Dat in Utrecht al in ca.600 een christelijke kerk stond heb ik in 1962 gemeend te moeten wraken. Wie schetst dan ook mijn verontrusting toen ik bij Van Moorsel las, dat onder de resten van het oudmunster een doodkist was gevonden, die op omstreeks 600-625 gedateerd kon worden. Trekt men dit bericht echter na - van Moorsel beroept zich op C.J.A.C. Peeters, die zich weer op Van Giffen beroept - dan blijkt dat men de sarcofaag gedateerd heeft enkel op grond van het door mij gewraakte schriftelijke bericht. De datering hangt dus in de lucht, maar bijna had de historicus zich laten imponeren. (Bron: D.P.Blok)
    En als Blok, de verdediger van de Franken in Nederland, dit zelf al opmerkt, is er geen verdere discussie meer nodig. Dan gaat de hele traditie van St.Willibrord op de helling, want zonder een kerk in ca.600 is er in Utrecht ook geen St.Willibrord geweest. Blok noemt het verschijnsel dat de ene historicus zich beroept op een andere enz. een "cirkelredenering".

  16. In "het Nederland van St. Willibrord" zijn geen archeologische vindplaatsen aan te wijzen in het gebied van de Utrechtse Vecht. (Bron: W.A.van Es)
    Er is in het gebied van de Utrechtse Vecht geen enkel archeologisch bewijs te vinden voor de aanwezigheid van St.Willibrord. Geen spoor van zijn missioneringswerk, geen spoor van kerkenbouw en geen spoor van bewoning.

  17. Bij opgravingen aan de voet van de Utrechtse Dom zijn fundamenten van het eerste bisschoppelijk paleis van Nederland gevonden. Ook zijn resten blootgelegd van de Romeinse castellummuur die moest wijken voor de bouw van dit paleis. Nooit eerder was er iets te zien van dit paleis, dat in de 11e eeuw is gebouwd. Er is bij dit onderzoek een muurwerk tevoorschijn gekomen, dat was gefundeerd op grote granieten zwerfkeien. Tussen het puin bevonden zich ook enkele brokstukken van kleurrijk gedecoreerd Romeins pleisterwerk. (Bron: ANP. september 2008)
    Het elfde eeuwse bouwwerk was rechtstreeks op het Romeins gebouwd. Tussen de 3e en 11e eeuw was er in Utrecht niets. Na deze archeologische constatering kunnen we de hele discussie over St.Willibrord in Utrecht voorgoed beŽindigen. Zeker omdat men (de historici) altijd beweerd hebben dat de z.g. eerste kerk van St.Willibrord op het domterrein zou hebben gestaan. Einde discussie.

  18. Willibrord, de Ierse missionaris, kwam in 690 n.Chr. in Frankrijk aan. (Bron: J.W.Bronkhorst)
    Daar gaat de mythe van Katwijk, een mythe uit de 17e eeuw. Dan gaat ook de onjuiste interpretatie dat de Renus de Rijn zou zijn, want St.Willibrord landde in de monding van de Renus! (Door het misverstaan van het begrip Renus kwamen de historici aanvankelijk ook in Katwijk -aan de monding van de Oude Rijn- terecht)

  19. Theofried van Echternach verhaalt in zijn "Vita Willibrordi" dat de apostel aan land kwam in Gravelines, daarheen gedreven door de wind. "delatus vero est primum in portum Gravalingae, villae maritimae". Maar deze veronderstelling verliest zijn geloofwaardigheid, omdat St.Willibrord op een steen de overtocht over het kanaal zou hebben gemaakt. (Bron: G.H.Verbist) .
    Dit schrijft G.H.Verbist de Willibrordkenner bij uitstek in de vorige eeuw. Het wonder met de steen is door Albert Delahaye reeds lang verklaard als een gewone schippershandigheid. Bij slecht weer en hevige wind nam men stenen aan boord als extra balast, om de boot een stabiele ligging te geven. Het wonder van de steen is in de streek rond het Kanaal een volkomen verklaarbaar en begrijpelijk feit. Het geeft tevens aan in welke streek de oversteek thuishoort, namelijk daar waar men gewend is om "op een steen" te varen. Slechts de historici die de tekst niet begrepen, hebben er een wonder van gemaakt en daarmee de verdere tekst ook als een legende opgevat, terwijl zij historisch volkomen juist is. Had men van het verhaal over het terugvinden van het corpus van St.Willibrord in Echternach maar een legende gemaakt. Dan was ook de daar de waarheid overeind gebleven.
    Ook het "afdrijven" door de wind is aan de kust van Het Kanaal verklaarbaar. Immers de gebruikelijke aankomstplaats was aan de overkant bij Dorestad of Wissant. Gravelines ligt meer naar het noord-oosten, waarheen St.Willibrord blijkbaar afgedreven was.


  20. Ofschoon de kerstening in het noorden reeds aan het einde van de achtste eeuw veld begint te winnen, dateren de oudste stenen kerken hier uit de twaalfde eeuw. (Bron: P.Glazema)
    Pas na de tijd van St.Willibrord en St.Bonifatius zou de kerstening veld gewonnen hebben. De kerstening van St.Willibrord (eind 7e eeuw, begin 8e eeuw) en St.Bonifatius (eerste helft 8e eeuw) hebben blijkbaar geen resultaat gehad. Dat is wel bezijden de tot dan toe gehanteerde traditie! De afwezigheid van stenen kerken in het noorden bevestigt de visie van Albert Delahaye op een wel zeer onmiskenbare wijze.

  21. In het vroege geschiedverhaal heeft het 'Fernbesitz' in de Friese regio van Frankische abdijen iets tegenstrijdigs in zich. Het goederenbezit in Friesland van de abdijen van Fulda en Werden in het begin van de 9e eeuw staat in krasse tegenstelling met het heidendom dat er ten tijde van bisschop Ricfridus (815) en St.Luidger (rond 837) blijkbaar nog heerste. (Bron: M.P.van Buijtenen)
    Uit dit goederenbezit blijkt de mystificatie van deze teksten. Hoewel Friesland nog heidens was, zouden Frankische abdijen al grond in bezit hebben gekregen. Van die heidense en de Franken vijandige Friezen? Je 'vijanden' gronden schenken, dat zou pas echt Christelijk zijn.
    Dat deze goederen verkregen zouden zijn als genoegdoening voor de moord op Bonifatius is natuurlijk te infantiel voor woorden en wordt dan ook door de meeste (dus niet door alle) historici terecht als onzin verworpen.

    Ook de aard van deze schenkingen houdt in dat het niet om simpelen Friese boeren gaat. Als bij een schenking sprake is van de halve hoeve en 20 horigen en hun families is dit teveel van het goede! Waar woonden deze horigen en hun families? Op die paar terpen in Friesland? Waaruit bestonden die hoeven? En welke landbouwgronden hoorden erbij? Friesland had volgens de traditie toch slechts veeteelt?

  22. In de periode van St.Willibrord zijn in Nederland boven de rivieren geen archeologische feiten die met St.Willibrord in verband kunnen worden gebracht. (Bron: W.van Es).
    Dat Utrecht en het gebied ten noorden daarvan het werkterrein van St.Willibrord is geweest, vindt Van Es niet aannemelijk. En als Van Es het niet aan te nemen vindt, dan is het dus ook niet zo geweest. Daarvoor is hij deskundige genoeg. Zo'n uitspraak spreekt voor zich en schept wel duidelijkheid! Van Es is het hier dus gewoon eens met de opvattingen van Delahaye. Er is boven de rivieren geen spoor gevonden van de grote "apostel van de Friezen". Archeologisch heeft St.Willibrord hier niet bestaan. Ook tekstueel heeft St.Willibrord nooit in Nederland bestaan, sinds dat al te duidelijk is aangetoond door Albert Delahaye.

  23. Zowel door Eemland als door de Vechtstreek liep in het eerste millennium geen enkele weg vanaf Utrecht naar het noorden.(Bron: Cultuurhistorische Atlas van de Provincie Utrecht)
    Het blijft dan ook een onopgelost probleem hoe St.Willibrord, de apostel der Friezen, in die tijd in Friesland kon komen. Door Eemland liep geen weg. Dat was net als het hele Gelderse Valleigebied ťťn groot moeras, waar geen bewoning was. De IJsselstreek en zeker de monding van de IJssel was ťťn groot veen- en moerasgebied. Plaatsen als Amersfoort, Nijkerk, Baarn, Harderwijk en Zwolle bestonden nog niet. Via Arnhem? Er liep -volgens genoemde Atlas- in het eerste millennium vanaf Utrecht ook geen enkele weg naar het oosten, noch naar het westen, noch naar het zuiden. Er was zelfs geen weg naar Oud-Leusden (Lisiduna?), Wijk bij Duurstede (Dorestad?) of Deventer (Daventria?). Slechts de vermeende Romeinse weg, waar overigens geen meter van is teruggevonden in de omgeving van Utrecht, wordt in deze Atlas vermeld.


  24. Utrecht kan niet de werkelijke standplaats (sedes episcopalis) van St.Willibrord geweest zijn. Willibrord heeft zichzelf nooit bisschop van Trajectum genoemd. Er bestond geen diocees in oprichting. (Bron: P.Leupen).
    En als zelfs Leupen Albert Delahaye gelijk gaat geven, hoe ver zijn we dan al gekomen met de bekering?

  25. Van de idee dat Willibrord vele kerken bouwde is er misschien maar ťťn die archeologisch bewijsbaar is. En dat is het kerkje van het oude klooster van Echternach. (Bron: C. Peeters).
    Het bedoelde kerkje blijkt overigens niet gezien te kunnen worden als Angelsaksische import, dus kan feitelijk ook niet door St.Willibrord gesticht zijn. Wat zeker is dat er in Nederland geen enkele kerk aantoonbaar uit de tijd van St.Willibrord stamt. En als er geen kerken uit de tijd van Willibrord bestaan, dan heeft Willibrord hier ook niet bestaan.

  26. Archeologisch onderzoek op het Domplein te Utrecht wees uit dat de oudste sporen van een christelijke cultus 'ten hoogste tot de 9e eeuw teruggaan'. (Bron:E.J.Haslinghuis).
    Het is een zoveelste bewijs van het gelijk van Albert Delahaye. De Archeologie bewijst keer op keer het gelijk van Delahaye. Er was in Utrecht en verre omgeving geen bewoning in de tijd van St.Willibrord. Wie of wat hij er dan bekeerd zou hebben is een groot vraagteken.

  27. "Had de Merovingische kathedraal op dezelfde plaats als de latere Sint Salvator gelegen, dan is het welhaast ondenkbaar, dat er van hare funderingen niets meer in de grond te herkennen zou zijn. In overeenstemming met deze veronderstelling is zeker de omstandigheid dat wij bij onze ontgraving van het terrein der Sint Salvatorkerk weinig fragmenten van Merovingisch of Karolingisch aardewerk hebben gevonden (alleen hier en daar eenige Pingsdorfscherven)". (Bron: A.E. van Giffen).
    Hoewel men er rekening mee moet houden dat door de bouw van de Romaanse en de Gotische Dom en van de Sint Salvatorkerk vele vergravingen hebben plaatsgevonden, waardoor mogelijke aanwijzingen verloren zijn gegaan, is het zeer opmerkelijk dat er van een grote archeologisch lacune sprake is tussen de Romeinse tijd en de 10e eeuw. Hierbij dient nog opgemerkt te worden dat die archeologische lacune niet uitsluitend het tegenwoordige Domplein betreft. Diverse opgravingen in de Utrechtse binnenstad vertonen hetzelfde beeld. (Zie de volgende punten).

  28. Het terrein tussen de Lauwersteeg - Steenweg - Bakkerstraat - Oudegracht: hier trof men enkele scherven aan uit de 10e eeuwen echte bewoningssporen pas uit de 12e eeuw." (Bron: Archeologische Kroniek 1976/1977)

  29. Het Vissersplein e.o.: op de afzettingen uit de Romeinse tijd is een vondstenloos kleipakket van 75 cm aangetroffen, dat in ca. 600 tot 700 jaar is afgezet. Direct hierop volgen 13e-eeuwse bewoningssporen.!" Deze rivierafzetting duidt op een langdurig 'natte' periode. (Bron: Archeologische Kroniek 1981)

  30. Korte Nieuwstraat: op de Romeinse laag is een kleilaag van 80 cm aangetroffen met enkele 12eeeuwse scherven.' (Bron: Archeologische Kroniek 1982)

  31. Pieterskerkhof: op de Romeinse laag zijn vroegmiddeleeuwse begravingen aangetroffen (5e/6e eeuw). Deze graven zijn door middeleeuwse erosie beschadigd. (Bron: Archeologische Kroniek 1982)
    Het is wel duidelijk dat de archeologie de aanwezigheid van St.Willibrord in Utrecht allerminst bevestigt. Erger nog, zelfs compleet tegenspreekt. Tussen de 3e en 10e eeuw was er geen bewoning in Utrecht, laat staan een bisschopszetel met een zeer uitgebreid missiegebied. Deze farce is door Nederlandse historici nooit als een onmogelijkheid in de 8e eeuw ter discussie gesteld. Degene die dit nu eens wel ter discussie stelt, Albert Delahaye, wordt uitgemaakt voor fantast! Niet hij was een fantast, maar degene die St.Willibrord in dat onmogelijke en omvangrijke missiegebied van Denemarken tot in Luxemburg laten prediken.
    Bovendien spreekt uit de archeologie duidelijk het bestaan van de transgressies, de langdurige overstromingen tussen de 3e en 10e eeuw. Een kleipakket van 75 tot 80 cm. wordt niet in enkele jaren afgezet. Daar gaan eeuwen overheen. Dit beeld van Romeins onder een kleipakket is in heel west -dus laag- Nederland vast te stellen. Het is een zoveelste bewijs van het gelijk van Albert Delahaye.


  32. De "Utrechtse" oorkonden daterend uit de 8e, 9e en 10e eeuw, ons overgeleverd in een 11e-eeuws afschrift, die de vroege geschiedenis van Utrecht (Trajectum) zouden betreffen, zijn op een aantal punten onverenigbaar met de Utrechtse situatie. Zo zou de Utrechtse Sint Maartenskerk blijkens twee oorkonden uit 753 en 769 buiten het Romeinse castellum moeten liggen. (Bron: S.Muller).
    Hierbij komt nog het feit dat deze verzameling afschriften van oorkonden (in het z.g. Cartularium van Egmond) nièt van Utrechtse originelen zijn gemaakt: de Utrechtse verzameling (het Liber Donatium in het Domarchief no. 43), dat een jonger handschrift is (eind 12e eeuws), blijkt overgeschreven te zijn van het Egmondse Cartularium! Pas vanaf het jaar 936 zijn er afwijkingen in beide handschriften te constateren. Utrecht heeft vóór 936 geen eigen oorkonden gehad en deze verworven via het overschrijven van het Egmondse handschrift om zó de lacune tot aan de 8ste eeuw te kunnen opheffen. De abdij van Egmond, die de originele oorkonden in bezit moet hebben gehad, is in de 10e eeuw gesticht door monniken uit Gent, die op hun beurt contacten onderhielden met het echte Trajectum in Noord-Frankrijk (Tournehem)!

  33. In Nederland zijn van Ameland tot Zeeland Willibrordputjes en -bronnen te vinden. Van veel plaatsen staat vast dat St.Willibrord er nooit geweest is.(Bron: I.Jacobs & K.Ribbens).
    Het staat ook vast dat op al die plaatsen St.Willibrord nooit geweest is. St.Willibrord zou als Benedictijn en trouw Rome volgeling nooit uit een put gedoopt hebben, zeker omdat de Paus dat verboden had. Van veel bronnen en putjes staat ook vast dat die niet teruggaan tot de tijd van St.Willibrord, maar soms nog geen eeuw oud zijn. Het voornaamste argument bestaat uit het verkeerd lezen van klassieke teksten, zoals het putje van Oss ("in loco Deosne" werd gelezen als "in loco de Osne"), dat uit begin 20e eeuw blijkt te dateren.

  34. Wat we archeologisch van Utrecht weten is veel, maar er zaten veel lacunes is. Tot ongeveer 260 vinden we sporen van Romeinen, maar daarna valt er een gat. De draad wordt weer opgepakt omstreeks 950, uit welke tijd we de eerste tekenen van bewoning vinden. Maar pas in de elfde en twaalfde eeuw krijgen we veel meer gegevens. (Bron: H.de Groot).
    St.Willibrord en zijn voorgangers en opvolgers hebben er dus nooit een bisschopszetel kunnen hebben. Immers zonder bewoners valt er niets te bekeren. Hetzelfde gat zien we in Nijmegen en andere plaatsen in Nederland.

  35. Opgraving Domplein.
    De oudste archeologische sporen met een christelijke signatuur op het Domplein in Utrecht wijzen juist naar de H.Kruiskapel en de St.Salvator. Een datering in de 10e eeuw
    (die algemeen gehanteerd wordt) zou ernstige problemen opleveren. Wanneer we echter uitgaan van een stichting aan het eind van de 7de of begin van de 8e eeuw zijn alle argumenten en gegevens logisch verklaarbaar. Met uitzondering van de C-14 dateringen pleiten mijns inziens alle hiervoor gepresenteerde aanwijzingen en gegevens voor een bouw ten tijde van Willibrord. (Bron: Archeologische Kroniek Utrecht 1992-1993).
    Het is zeer interessant en verhelderend te lezen hoe H.L. de Groot, de auteur van dit artikel in de Archeologische Kroniek van Utrecht, de archeologische gegevens hanteert en interpreteert (beter is om te spreken van manipuleert), om met zeer vage aanwijzingen vooral zijn vooropgestelde uitgangspunten logisch verklaarbaar te maken. Zo vindt De Groot een ophoging van de grond met 80 cm (op het Domplein) in zijn maaiveld-theorie onwaarschijnlijk. Terwijl 4 bladzijden verder in dezelfde Kroniek C.A.M. van Rooijen (opgraving Minrebroederstraat) spreekt over "een ophoging van het maaiveld in Utrecht is een regelmatig voorkomend verschijnsel. Zowel bij het Oudkerkhof als in de Annastraat werden dit soort ophogingen gevonden". Met deze vaststelling vervalt de hele "maaiveldhoogten-theorie" van De Groot en is een datering van de Kruiskapel in de 7e of 8e eeuw uitgesloten. Overigens dateert de eerste keer dat de H.Kruiskapel in schriftelijke bronnen voorkomt uit 1105.
    De C-14 methode is de enige wetenschappelijke en objectieve manier van vaststellen van dateringen. En de C-14 methode toont onweerlegbaar aan dat de Kruiskapel uit de 10e eeuw stamt. De Kruiskapel bevindt zich direct op Romeinse resten, waarmee onweerlegbaar wordt aangetoond dat er na de Romeinse tijd tot de 10e eeuw geen bewoning was in Utrecht. Wat St.Willibrord er dan is komen doen en wie hij hier heeft kunnen bekeren, zijn dan ook de ernstige problemen die H.L. de Groot niet noemt, maar wel bedoelt.

    Volgens H. de Groot (in hetzelfde artikel) bestaat er nauwelijks discussie over het feit dat St.Willibrord aan het eind van de 7e eeuw een kerkje herbouwde op de plaats waar er reeds eerder een had gestaan. Bovendien bouwde Willibrord een tweede kerk: de St.Salvator. Hiermee spreekt De Groote letterlijk geen onwaarheid, al bedoelt hij iets wat onwaar is. Er bestaat wel degelijk discussie over de plaats waar men deze gegevens moet plaatsen. De Groot blijft vasthouden aan Utrecht, Albert Delahaye heeft aangetoond dat het Utrecht niet geweest kan zijn, maar dat het over Tournehem in Noord-Frankrijk gaat. De schriftelijke bronnen spreken immers over de plaats Vultaburch, de stad der Vulti, die in de Gallische taal Trajectum wordt genoemd.

  36. Opgraving Nieuwe Gracht/Hortus Botanicus.
    Na de Romeinse periode is het gebied lange tijd niet bewoond geweest. Dat blijkt vooral uit een pakket van circa 40 cm klei dat bovenop de Romeinse vegetatiehorizont is afgezet. In deze klei zijn enkele kuiltjes ingegraven, waarvan de oudste 11de/12de-eeuws is. Afsluitend kan geconcludeerd worden dat (in de buurt van) de oude Hortus Botanicus een inheems Romeinse nederzetting moet hebben gelegen. Deze woonplaats lag bovenop een oude stroomrug, die door de hoge ligging een goede woonplaats bood. Vervolgens is over het Romeinse niveau heen een dik kleipakket afgezet, een sedimentatieproces dat in ieder geval in de 11de eeuw, maar vermoedelijk eerder, afgerond moet zijn geweest.
    (Bron: Archeologische Kroniek Utrecht 1992-1993).
    De Archeologie toont hier dus onweerlegbaar aan dat er in Utrecht
    1. na de Romeinse periode langdurige overstromingen zijn geweest en
    2. tussen de Romeinse tijd en zelfs de 11e eeuw geen enkele bewoning was in dit gebied.
    En het gebied Domplein - Nieuwe Gracht is het oudste deel van Utrecht.

  37. Het is opvallend dat vóór 1559 van enige officiŽle verering van Sint Willibrordus, Sint Bonifatius en andere geloofsverkondigers geen sporen zijn. Van devotie tot Willibrord, Servatius, Bonifatius, Lebuinus, Plechelmus, Odulphus, Jeroen of andere Nederlandse heiligen vernemen wij in de middeleeuwen niets. (Bron: L.J.Rogier, II p.763)
    Bij een juiste beschouwing is dit dus niet opvallend. De devotie ontbrak aangezien deze predikers niet in Nederland thuishoren. De devotie tot St.Willibrord en andere predikers werd niet gedragen door de bevolking, waarmee aangegeven dat deze hier niet thuishoorde. Dat had de bevolking dus eerder begrepen dan de geschiedschrijvers.

  38. Dat de Rijn steeds de grens van het Merovingische rijk vormde en Utrecht circa 600 Frankisch geweest is, kan onmogelijk juist zijn. (Bron: D.P.Blok)
    Feit is dat de Merovingische en later de Karolingische koningen wel zeggenschap hadden in Trajectum, maar volgens Blok dus niet in Utrecht. De enig juiste conclusie trekt Blok echter niet: Utrecht was dus niet het Trajectum van St.Willibrord,

  39. In Utrecht zijn weinig archeologische artefacten en vindplaatsen van de periode tussen circa 275 en 950 bekend. Te weinig als men uitgaat van een redelijk continu bewoond Utrecht. (Bron: C.van Rooijen)
    Er was dus geen redelijke bewoning in Utrecht. Waar lagen dan alle plaatsen in oorkonden genoemd in de omgeving van Utrecht ?

  40. Er is geen spoor te vinden van berichten uit het belangrijke missie-centrum dat Utrecht geweest moet zijn. Er is niets gevonden. (Bron: J.W.Bronkhorst)
    Als St.Willibrord in Utrecht zijn bisschopszetel gehad heeft, is het onverklaarbaar dat er geen enkele schriftelijke bron uit Utrecht afkomstig is. Het is eveneens onverklaarbaar dat geen enkele kerk of kerkelijke feestdag van oudsher naar deze heilige is vernoemd. De enige verklaring voor het ontbreken van deze gegevens ligt in het ter plaatse ontbreken van de heilige zelf.

  41. Bij opgravingen in Utrecht zijn geen resten uit de tijd van St.Willibrord gevonden. (Bron: A.G. Weiler)
    Er is sinds 1929 in Utrecht hard gezocht maar nooit iets gevonden uit de tijd van St.Willibrord. Maar er moet iets zitten. Daarom is er telkens weer opnieuw gezocht, want je weet maar nooit, misschien is er in de tussentijd iets nieuws bijgekomen. Behalve Romeins is er in Utrecht niets noemenswaardigs gevonden uit het eerste millennium! Utrecht verschijnt in de schriftelijke bronnen in het jaar 940. De archeologie sluit daar wonderwel op aan. Er is tussen de Romeinse tijd en de 10e eeuw geen enkele bewoning vastgesteld, laat staan een doorlopende bewoning van een hele stad. Het tiende eeuwse Utrecht is op Romeinse funderingen gebouwd met een grote leegte daartussen.

  42. De oudste kerk aan het Sticht dateert niet uit de zevende of achtste eeuw, maar uit de tiende! (Bron: M.Breij)
    Er zijn in Utrecht geen archeologische vondsten van rond 700, die bewijzen dat daar een bisschopszetel gevestigd was. Zonder kerk is er geen bisdom geweest!

  43. Er zijn geen archeologische bewijzen gevonden in Utrecht of Wijk bij Duurstede die met St.Willibrord in verband gebracht kunnen worden.(Bron: W.van Es)
    Er zijn in Utrecht of Wijk bij Duurstede dus geen archeologische vondsten van rond het 700 bekend. Ofwel zonder bewoning viel er voor St.Willibrord niets te bekeren.

  44. De ouderdom van de St.Willibrordusput te Heiloo dateert vermoedelijk uit de 16de eeuw. (Bron: H.Halbertsma).
    De zogenaamde St.Willibrordusput te Heiloo blijkt niet ouder te zijn dan de 16de eeuw. Dat is 8 eeuwen jonger dan de vermeende aanwezigheid van St.Willibrord ter plaatse.

  45. Tijdens het leven van St.Adelbert bezat Egmond nog geen kerk.(Bron: Tien eeuwen Egmond)
    De diaken Adelbert werd de apostel van Kennemerland genoemd. St.Adelbert zou volgens de Annales Xantenses een metgezel van St.Willibrord zijn geweest. In de Vita St.Willibrord wordt hij niet genoemd. St.Willibrord zou in Egmond een kerk gesticht hebben, die er na onderzoek niet bleek te hebben bestaan. Indien er geen kerk bleek te zijn in Egmond ten tijde van "de diaken van St.Willibrord", is het verhaal van St.Adelbert ten onrechte in Egmond geplaatst en is ook deze mythe ontrafeld.

  46. De verbinding van St.Adelbert met het klooster van Egmond is volkomen legendarisch. (Bron: H.P.H.Jansen)
    Als St.Adelbert uit Egmond verdwijnt, betekent dat meteen het einde van de aanwezigheid van St.Willibrord of een van de andere predikers, zoals Werenfried en de beide Ewalden, ter plaatse, zeker omdat deze mythen elkaar moesten ondersteunen om staande te blijven.

  47. St.Adelbert is geen streekheilige van Kennemerland, maar een geÔmporteerde heilige vanuit Gent, waar ook andere bezittingen van Egmond vandaan gekomen zijn. In heel Noord-Holland en Zeeland is niet ťťn kerk, kapel, altaar of officie gewijd aan St.Adelbert. Zelfs niet ťťn der kerken of kapellen onder het patronaat van Egmond heeft de verering van St.Adelbert overgenomen. (Bron: W.A.Fasel)
    Het oudste Vita van St.Adelbert stamt uit het jaar 990 (dat is ruim 2 eeuwen na zijn overlijden, vermoedelijk rond 740) en is geschreven door Ruopert van Mettlach in opdracht van de aartsbisschop Egbert van Trier, die de onder de bevolking levende legenden van St.Adelbert heeft verzameld. De afkomst vanuit Gent en daarvoor vanuit St.Riquier staat boven twijfel. Behalve enkele heiligen zijn ook veel documenten afkomstig via Gent van de abdij van St.Riquier, wat blijkt uit een miniatuur met de afbeelding van de abdij. In de abdij van St.Riquier was 25 juni de feestdag van St.Adelbert. Ook hier weer dezelfde vraag: Waarom wordt zo ver in Frankrijk (omgeving Abbeville) het feest van een zeer plaatselijke heilige uit Kennemerland gevierd?

  48. Wat steeds weer opvalt in de opgravingsberichten uit deze streek. is het gat tussen de 2e/3e eeuw en de 9e/10e eeuw. (Bron: W.A.Fasel)
    De bedoelde streek is Noord-Holland, met name de omgeving van Alkmaar. Er wordt wat Romeins aardewerk gevonden uit de 2e/3e eeuw en vervolgens voorwerpen en huisplattegronden uit de 9e/10e eeuw. Daartussen NIETS. Daaruit valt slechts te concluderen dat het land daartussen niet bewoond was ofwel onder water stond. Dat impliceert uiteraard ook dat de HH.Willibrord en Adelbert hier dan ook niet geweest kunnen zijn om te prediken, putjes te graven of heilige eiken om te hakken. Dit nu plaatst de historici en archeologen voor een dilemma en we constateren dan ook dat zij het vacuüm trachten te verdoezelen met vage redeneringen, alsmede door voortdurend met de term "karolingisch" te schermen, aldus meer suggererend dan bewerend dat er nooit een vacuüm is geweest. Met een enkele gevonden scherf worden hele kastelen gebouwd.

  49. St.Willibrord en Bonifatius zijn nooit in Velsen geweest. Ten tijd van St.Willibrords landing was er vrijwel geen bewoning in Velsen. Bewoningssporen in Velsen van ongeveer de derde tot de zesde eeuw ontbreken volkomen. (Bron: J. van der Horst)
    Als er geen bewoning was, was er ook niets te bekeren door St.Willibrord.

  50. Als dan eens een missionaris werd vermoord, zoals de vooraanstaande Lambertus in Luik, maakten tijdgenoten en nageslacht spoedig een martelaar van zo iemand, op wiens graf mirakelen geschiedden. In de literaire overlevering vinden we dan een weinig kritische, maar kleurrijke biografie, terwijl we aan 'harde' gegevens nauwelijks iets hebben. Achteraf immers is die periode volgepropt met legenden en sterke verhalen, maar de historische figuren, ook bijvoorbeeld iemand als de eerste aartsbisschop van Utrecht, Willibrord, blijven onduidelijk en in schaduwen gehuld.(Bron: A.F.Manning)
    Voor de Nederlandse geschiedenis klopt dit helemaal. Immers St.Willibrord komt in de oudste kerkelijke bronnen in Nederland (Egmond) niet voor.

  51. Zelfs in de Algemene Geschiedenis der Nederlanden (Fibula van Dishoek) lezen we twijfel. Op pag. 137 staat: De situatie rondom Utrecht is onduidelijk. Met name kan men zich afvragen welke weg hier over welk water een trajectum, een rivierovergang, vormde vergelijkbaar met dat andere Trajectum: Maastricht.

  52. De aanduiding van St.Willibrord als eerste bisschop van Utrecht in 695 is in zekere zin onjuist. Er was nog geen bisdom Utrecht, maar Willibrord gold als aartsbisschop van de Friezen, die vanuit zijn missieklooster in Utrecht zijn werkzaamheden ondernam. (E.H.Bary, Lebuinus en Walburgis bijeen, 2006)
    Geen bisdom Utrecht en ook geen missiewerk vanuit Echternach? Het lijken onbeduidende details die hier zomaar gratis genoemd worden, maar ze ondergraven de traditionele opvattingen. Waar dat 'missieklooster' in Utrecht dan gestaan heeft blijft een raadsel. Archeologisch is er nooit iets van gevonden of uit schriftelijke gegevens niets van gebleken. Langzaam komt men vanzelf tot historisch besef!


    Nog enkele andere opvallende Citaten over Utrecht en St.Willibrord:

    Drs.M.Breij, Sint Maarten schutspatroon van Utrecht, 1988 en Utrecht stad van Sint Maarten, Katholiek Nieuwsblad 15 juli 1988.
    "Niet St.Willibrord, maar Sint Maarten is van meet af aan de patroon geweest van Utrecht. De oudste kerk aan het Sticht dateert niet uit de zevende of achtste eeuw, maar uit de tiende" concludeert musicologe en archeologe drs. Mieke Breij na onderzoek van het St.Maartensofficie in de Utrechtse kathedrale kerk.
    Steun voor de visie van Albert Delahaye uit geheel begrijpelijke hoek. Immers een kerk zonder religieuze gebeden en gezangen kan niet bestaan hebben.
    "Er waren steeds meer aanwijzingen dat het klassieke verhaal van St.Willibrord, die een kerkje voor St.Maarten herstelt, op geen enkele wijze door de feiten wordt gestaafd. Integendeel: vóór de tiende eeuw ontbreekt elke historische verwijzing." De latere keuze van St.Martinus (St.Maarten, de nationale beschermer van Francia) tot patroon van de betreffende kerk wijst al op de zuidelijke oorsprong ervan. Ook die is na de 10e eeuw geÔmporteerd.
    "Maar het meest frappante is wel, dat ook de archeologie geen enkel bewijs voor bewoning van de omgeving van de Dom levert. Je vindt alleen Romeinse resten (die tot de derde eeuw gaan), vervolgens blanke kleilagen zonder enig spoor, variŽrend in dikte van een halve tot ťťn meter, hetgeen duidt op honderden jaren overstroming. De eerste vondsten boven de klei zijn meestal uit de 11e tot 13e eeuw".
    Deze gegevens stemmen overeen met wat geologen constateren: dat het gebied van Noord- en West-Nederland honderden jaren onder water, maar zeker onder invloed van de getijden heeft gestaan." "Opmerkelijk is ook dat in het oude aartsbisdom Utrecht (ruwweg benoorden de Maas) het aantal oude Maartenskerken erg groot is, terwijl alle sporen van een Willibrordverering vóór de 12e/13e eeuw totaal ontbreken".
    "Tot het jaar 1301 bezat Utrecht zelf nog geen relieken van Willibrord; terwijl in de Middeleeuwen de verering van een heilige zonder relieken ondenkbaar was. In het beroemde Prosarium van de Utrechtse Mariakerk (Hs. 417 daterende van vóór 1280) is het zeer opvallend dat de 'Utrechtse heiligen', de zg. 'grondleggers van het Bisdom' als Willibrord, Bonifacius, Lebuinus, Radboud gťťn eigen Sequens hebben en geheel niet voorkomen! Pas in bronnen van nŠ 1300 (bijv. de Antifonalen 406 en 407 uit de Mariakerk; de kalender van bisschop Jan van Arkel (1346); het Getijdenboek van Gijsbrecht van Brederode (1460) en het Calendarium Trajectense (1474) zijn deze belangrijke 'Utrechtse' figuren aanwezig in de heiligenkalenders".

    Opmerkelijk is bovendien dat ook in Friesland kerken vaak naar Sint Maarten zijn vernoemd, maar nooit naar St.Bonifatius. In een bewust streven naar herkatholisering na 1870 en als "bevestiging" van de opgekomen mythe, zijn in Dokkum (in 1872) en Leeuwarden (in 1882) de nieuwe katholieke kerken naar Bonifatius vernoemd. De neo-gotische Bonifatiuskapel in de binnenstad is van 1872 (gerestaureerd in 1974-1982) en staat op de plaats van een schuilkerk uit 1676. Hierin bevinden zich relikwieŽn van Bonifatius verkregen uit Fulda, maar met een nogal dubieuze voorgeschiedenis.

    Het oudste klooster van Dokkum was een klooster van Norbertijnen ofwel Praemonstratensers. De eerste kloosters van de Praemonstratensers werden gesticht in 1123 (Deventer) en 1127 (Middelburg). In Friesland en Groningen waren deze kloosters van Praemonstratensers talrijk. Het geeft eens te meer aan dat er in de 12e eeuw nog geen traditie of relatie bestond met St.Bonifatius, die immers een Benedictijn was. Het eerste Benedictijnenklooster in Friesland werd pas gesticht in de 15e eeuw (te Ferwerd). (Bron: L.J.Rogier).

    Charlotte Broer, Uniek in de stad (Utrecht 2000).
    In een publicatie van mevrouw Broer komt het 'Utrecht van Willibrord' weer op de traditionele manier aan de orde. Mevrouw Broer begint haar boek met de volgende zinnen: "Dat is natuurlijk niet het hele verhaal, maar zo gaat het nu eenmaal met verhalen. We maken ervan wat we willen". En dat "wat we willen" is blijkbaar haar uitgangspunt geweest.
    "Willibrord laat zich in de eerste plaats herkennen als een rondtrekkend evangelieprediker, voornamelijk opererend vanuit het klooster of wellicht beter de kloosters waarin hij leefde en waarvan hij aan het hoofd stond". Deze gedachten van mevrouw Broer zijn in flagrante tegenspraak met wat de bronnen (waaronder die van St.Willibrord zelf, van St.Bonifatius en Beda) ons vertellen. Daarin is te lezen dat St.Willibrord tot in lengte van dagen vanuit zijn te Traiectum gevestigde bisschopszetel werkzaam was. Door mevrouw Broer, en dat is nieuws, wordt de koppeling van Utrecht aan een bisschopszetel als onhoudbaar losgelaten.
    Ze komt met de verder nergens bewezen of toegelichte veronderstelling "dat de twee Utrechtse kerken met het klooster in beginsel ťťn groot complex hebben gevormd". Het gebruik van de term 'in beginsel' in het Utrecht anno 700 is op niets gebaseerd en is dus een mooi staaltje van insinuatie ter bevestiging van de mythe-vorming en getuigt van weinig wetenschappelijk.

    Cees van Rooijen in het 'Jaarboek Oud Utrecht', 1999.
    Volgens eeuwenoude traditie heet Utrecht het "Traiectum van Willibrord" te zijn. Dat reeds lang twijfel bestaat aan die traditie komt vaak niet ter sprake.
    Het artikel "Continue discontinuÔteit" van Cees van Rooijen in het 'Jaarboek Oud Utrecht', 1999, vermeldt voor het eerst onverbloemd de werkelijke situatie van Utrechts ondergrond en de betekenis van de archeologische vondsten daar gedaan. Enkele citaten uit de slotbeschouwing: "Het zal de lezer niet zijn ontgaan dat in Utrecht weinig archeologische artefacten en vindplaatsen van de periode tussen circa 275 en 950 bekend zijn. Te weinig als men uitgaat van een redelijk continu bewoond Utrecht". "Grof gezegd is buiten de muren van het castellum Traiectum, Utrechts historie tussen 275 en 925 archeologisch vooral herkenbaar als een pakket van gesedimenteerde klei". "Binnen het castellum hebben, gezien de verschillende topvondsten, wel regelmatig menselijke activiteiten plaats gevonden, maar ook hier lijkt geen sprake van continuÔteit. De spaarzame vondsten kunnen gemakkelijk verklaard worden door enkele, korter of langer durende, perioden van occupatie van het castellum".
    Men is vanwege de traditionele interpretatie van de schriftelijke bronnen - in weerwil van de feiten - er zó van overtuigd dat Traiectum-Utrecht vóór 950 een belangrijke rol heeft gespeeld, dat zelfs niet overwogen wordt of met "Traiectum" een andere plaats bedoeld zou kunnen zijn.
    Ook van Rooijen probeert iets van de traditie te redden door een uitzondering te maken voor de periode 700-834, niet omdat de bodem dit uitwijst, maar omdat de veronderstelde geschiedenis nu eenmaal wil dat er bewoning moet zijn geweest. Het is duidelijk dat te Utrecht, zelfs bij een eventuele kortstondige bewoning van het tot ruÔne vervallen Romeinse castellum, eenzaam gelegen in een niemandsland, geen sprake kan zijn van het "Traiectum van Willibrord". Maar ook voor wetenschappers is het kennelijk ontzettend moeilijk te accepteren dat mogelijk de schriftelijke bronnen verkeerd geÔnterpreteerd zouden kunnen zijn. Die schriftelijke bronnen hebben overigens alleen betrekking op een "bisdom Traiectum". Bronnen waaruit duidelijk blijkt dat de plaats Utrecht bedoeld wordt, bestaan niet.
    Een eeuwenoude traditie is weliswaar niet zo maar weg te cijferen, maar vormt op zich geen bewijs. De vondsten wijzen uit dat de gebeurtenissen, die men in Utrecht dacht te kunnen plaatsen vóór 950, zich dŠŠr niet afgespeeld kunnen hebben. We zullen dus moeten uitkijken naar een ander Traiectum: Tournehem.

    Prof.dr. A.J.A. Bijsterveld, Willibrordus-kerken zijn eeuwen jonger. Eindhovens Dagblad 6 november 2000.
    Ongeveer twintig delegaties van Willibrordparochies uit het bisdom Den Bosch vertegenwoordigden zaterdagmiddag hun Parochie tijdens de Willibrordusmanifestatie in de gelijknamige kerk in Waalre. De interesse van publiek liet wat te wensen over. En dit ondanks de uiterst interessante lezingen door de van oorsprong Waalrese historicus Prof.dr. A. Bijsterveld en architect H. Strijbos uit Eersel over de historie rond Willibrordus en de gelijknamige kerken.
    Opmerkelijk was de rede van prof.Bijsterveld waarin hij stelde dat de toehoorders zich, wat Willibrord betreft, eerder moeten richten op de twaalfde eeuw dan op de achtste eeuw. "ledere parochie houdt zich graag aan de vroegste stichtingsdatum van hun kerk maar of deze datum wel rond de achtste eeuw ligt is discutabel", aldus de professor. Of Willibrordus daadwerkelijk de eerste geloofsverkondiger van deze streken was, betwijfelt Bijsterveld sterk. "Deze daad werd hem waarschijnlijk toegeschreven in de jaren dertig, toen het Rijke Roomse Leven nog volop intact was. Bij aankomst van Willibrord in Nederland was de Kempenstreek al gekerstend. Hij kwam eerder structuur aanbrengen en een parochie-netwerk opzetten. Daarom was hij meer een organisator dan missionaris".
    Blijkbaar is Bijsterveld al een beetje door St.Willibrord bekeerd, want als student in Nijmegen was hij nog volgeling van de veronderstelde geschiedenis van het Bronnenboek.
    Bijsterveld verwees verder naar de expositie die in de Waalrese kerk is te zien. Tientallen historische boeken over deze apostel van het Zuiden, bekers, munten en schrijnrelieken worden achter het altaar getoond.
    De Eerselse architect H. Strijbos beaamde in feite de stelling van Bijsterveld. "Vanuit zijn geboorteland Ierland kende Willibrord stenen kerken. In onze streken werd er destijds enkel met hout, leem en wilgentenen gebouwd. Later werden de kerken in baksteen omgebouwd. Maar de baksteen is pas van na de elfde eeuw. Een authentieke Willibrorduskerk bestaat eigenlijk niet meer", aldus de architect.
    De middag werd afgesloten met een bezoek aan het 'oude' Williborduskerkje.

    De plaats Waderlo (in parallelle teksten ook Wattreloe en Watriloe) in Taxandria (Texandria) was in Nederland aanvankelijk Waarle, welke interpretatie onhoudbaar bleek. Zeker omdat men nooit heeft kunnen aantonen met enige plaatselijke tekst of archeologische vondst, dat Waalre al bestond in de 7e eeuw. In 1983 meende een fantasierijke historicus (prof.dr.A-J.Bijsterveld) dat Delahaye hiermee Waterloo bij Brussel bedoelde. Met zo'n blunder vindt ook deze historicus, net als eerder Napoleon, hier zijn "Waterloo". Bijsterveld laat hier duidelijk merken dat hij de boeken van Delahaye niet eens gelezen heeft, die dat immers nooit beweerd heeft, en bovendien geen verstand te hebben van plaatsnaamkunde. Laat hij zich dan ook niet bemoeien met historische geografie en zich onthouden van commentaar op Albert Delahaye.

    J.W. Bronkhorst: Spinrag der Middeleeuwen (1980).
    Pag.27 "Op het ogenblik dat Willibrord, de Ierse missionaris, in Frankrijk aankwam (690) ........." (let op: dus niet te Katwijk).
    Pag.79 "Bonifatius werd in 754 in Friesland (gelezen moet worden Frisia) vermoord. Dokkum bestond toen nog niet."
    Pag. 89 "Uit schriftelijke bronnen is bekend dat er wel 20 kerken in Dorestad stonden. Met volkomen zekerheid kon na 10 jaren snuffelen nog geen enkele kerk aangewezen worden (onderzoek ROB te Wijk bij Duurstede)".
    Pag. 31 "Geen spoor van bericht uit het belangrijke missie-centrum dat Utrecht geweest moet zijn. Er is niets gevonden."
    Pag. 117 "De historie duidt aan dat Dorestad welvarend moet zijn geweest. Het uiterst geringe aantal sieraden dat teruggevonden werd, ondersteunt deze stelligheid niet".
    Pag. 118 "Er is geen spoor gevonden van Karolingische of Merovingische bewoning in Dorestad".
    (De schrijver blijft Wijk bij Duurstede toch Dorestad noemen, tegen beter weten in dus)

    H.J.Kok, Enige patrocinia in het Middeleeuwse bisdom Utrecht, Assen 1958.
    "Zo valt heel sterk op, dat in Noordelijk Nederland geen enkele oudere kerk onder het patronaat van St.Willibrord is gesteld. In het gehele oude bisdom Utrecht, dat zich toch de kerkprovincie van St.Williblord noemt, kwam zijn patronaat niet voor".
    "Dit frappeert zeer bijzonder in Friesland, waar de gevestigde mening toch het zwaartepunt van zijn missionering legt, en waar in de vroege Middeleeuwen talrijke kloosters en kerken getuigen van een sterk gevestigd katholicisme". Als dit zijn oorsprong te danken heeft gehad aan de prediking van St.Willibrord, dan getuigt het van een onvergeeflijke ondankbaarheid, dat de grondlegger van het geloof niet eens meer is genoemd!
    De conclusie van dit onderzoek lijkt gering, maar is natuurlijk van cruciale betekenis. De eerste en oudste kerk in Nederland met het patronaat van St.Willibrord was die op de Raamberg in Klein-Zundert (oudste vermelding in 1157), vlak aan de Belgische grens onder Breda. Deze kerk werd gesticht door de abdij van Tongerlo waarmee exact wordt geÔllustreerd van welke kant de verering van St.Willibrord Nederland binnen kwam. De relatie met Utrecht ontbreekt zelfs geheel tot in de 19e eeuw. Tot 1823 werd de pastoor van deze parochie door de abdij van Tongerlo benoemd en NIET door het bisdom. Bijkomende aanwijzingen vormen de patronaten van de kerk van Zundert (patroon St.Trudo) en Rijsbergen (patroon St.Bavo). Ook deze patronaten kwamen vanuit het zuiden en NIET vanuit Utrecht.


    Een recent (2015) ontdekte afbeelding van de oude St.Willibrordkerk op de Raamberg in Klein-Zundert (18e eeuw).



    S.W.A.Drossaers, Het archief van den Nassauschen Domeinraad, I, Regestenlijst.
    "De dagen en data worden in de Middeleeuwen vaak genoemd naar de kerkelijke kalender, naar de feestdag van een heilige, naar een feest of naar de gepasseerde of komende zondag. Het valt op, dat vóór de 14e eeuw geen enkele Utrechtse oorkonde gedateerd is naar het feest van St.Willibrord".

    H.Halbertsma, Frieslands Oudheid (1982).
    Halbertsma schets het traditionele verhaal m.b.t. de geschiedenis van ons land in het eerste millennium.
    Toch merkt hij op: "Het Friese volk verspreidde zich over steeds wijdere streken. De zeespiegel kwam hoger te liggen. De gronden bleven daardoor durend niet bruikbaar. De mensen moesten voortdurend verkassen. Op zo'n lokatie vind je sporen van bijvoorbeeld 12 boerderijen. Maar je moet erop bedacht zijn dat die niet allemaal tegelijk bewoond waren. Van die 12 bijvoorbeeld 3. Na de bouw van een nieuwe boerderij naast of nabij de oudere werd de voorafgaande afgebroken, die nog slechts in de ondergrond zijn sporen naliet."
    Ofwel het 'Friese'volk bestond uit een zeer verspreide bevolking, waarvan nauwelijks sporen zijn teruggevonden. Waar woonde dan het omvangrijke volk der Friezen, die het behalve de Romeinen ook de Franken intensief en langdurig zo moeilijk heeft kunnen maken, zoals men in de geschreven bronnen kan lezen.

    D'Haenens, Winkler Prins Geschiedenis der Nederlanden, 1978, p 115.
    D'Haenens plaatst Rorik, een hoofdman van de Noormannen, vlak boven Boulogne. Een tweede maal, maar ditmaal foutief, plaats hij Rorik in de buurt van Utrecht, doch de schrijver besteedt geen woord aan de verklaring van deze tegenspraak.

    J.Kreijns en L.Pirson, Traiectum- Utrecht of Maastricht, Maastricht 1998.
    De onderzoekers J. Kreijns en L. Pirson plaatsen het Trajectum van Willibrordus in Maastricht. Dat een naam als Trajectum (ad Mosam) ook van toepassing is op Maastricht is onomstreden. De overgang van het bisdom Tongeren-Maastricht (Lambertus) naar Luik valt inderdaad merkwaardig scherp samen met de aankomst van Willibrordus in Francia (zoals Beda meldt). De betekenis van Maastricht als bisschopsstad, tolkantoor, muntslag, handels- en marktplaats, wegenknooppunt en taalgrensplaats, staat vast. Kreijns en Pirson 'vergeten' echter dat Maastricht in het episcopaat van St.Willibrord (690-739) twee andere algemeen bekende bisschoppen heeft gehad: St.Lambertus (670-706) en St.Hubertus, die van het hert met een kruis in het gewei (706-727). Twee bisschoppen op ťťn zetel lijkt me er ťťn teveel.
    Ook teksten die aangeven dat het Trajectum van St.Willibrord in Francia lag, zoals St.Willibrord het zelf schreef, of in Gallia, zoals andere teksten vermelden, worden door Kreijns en Pirson genegeerd. Zo wordt er met het niet begrijpen van teksten een nieuwe mythe gecreeŽrd, net zoals de oude ooit ontstonden. En waar woonde dan het volk der Friezen in Zuid-Limburg? St.Willibrord resideerde immers in zijn missiegebied Fresia, dat aan de kust lag! De door St.Willibrord bekeerde Friezen plaatst hij in Midden-Nederland. De afstand Maastricht als uitvalsbasis naar midden Nederland is vergelijkbaar met die van Utrecht naar Friesland, dus best mogelijk als je de traditionele visie gelooft. Erkent Kreijns hiermee dat de transgressies toch waar zijn? De Friezen waren immers een volk dat aan de kust woonden. De stichting van kerken in Noord-Brabant is in zijn opvatting ook verklaarbaar, precies tussen Maastricht en het rivierengebied in. Waar hij dan heen gaat met de Bataven die in de Romeinse tijd traditioneel in de Betuwe worden geplaatst, blijft een vraag. En de plaatsing van de vele St.Willibrordkerken en bezittingen in Utrecht en Holland worden blijkbaar onder tafel geveegd. Daar heeft men het niet meer over.
    Kreijns en Pirson houden vast aan de traditionele visie op de vroegmiddeleeuwse geografische situatie van Nederland: de Renus is de Rijn en ook de Waal en Dorestad liggen in het Nederlandse rivierengebied. Zo komen de onderzoekers uit op een andere locatie van Dorestad en wel daar waar Rijn en Maas samenvloeiden, ten oosten van Herewaarden, enkele kilometers ten westen van Nijmegen aan de Waal. Ze laten de optie Wijk-bij-Duurstede dus ook vallen.
    Ook de plaatsen in Patavia op de Peutinger-kaart krijgen bij Kreijns andere locaties: Lugdunum wordt Luik (wel erg ver van de kust zoals de Peutingerkaart aangeeft) en de 2 wegen in Patavia construeert hij vanaf Nijmegen naar het zuiden. Want Noviomagus blijft wel Nijmegen. Dat hij dan niet aan de kust uitkomt, wat de Peutingerkaart toch duidelijk aangeeft en waar iedereen het toch over eens is, deert Kreijns blijkbaar niet.
    Het grootste probleem met de optie van Kreijns en Pirson dat zij bij veel locaties geen aannemelijk alternatief geven. Zo wordt van honderden plaatsen in de verschillende oorkonden genoemd, geen locatie in de buurt van Maasticht, zelfs niet elders in Nederland of BelgiŽ gegeven. En op dit punt staat de visie van Albert Delahaye ijzersterk. Hij weet alle plaatsen in Noord-Frankrijk wèl aan te wijzen. Conclusies: Trajectum is in elk geval niet Utrecht en Dorestad is ook niet Wijk bij Duurstede.

    Daarnaast bestaat de interpretatie van Joep Rozemeyer, die Trajectum in Antwerpen situeert en Dorestad te Doornik.
    Rozemeyer heeft ook ten aanzien van andere plaatsen (o.a. Daventria en Tiale) een locatie in de buurt van Antwerpen op het oog. De locatie Deventer voor Daventria acht hij om diverse redenen onwaarschijnlijk. Dat er in Antwerpen nauwelijks Romeins is gevonden -enkele boerderijtjes- en al helemaal geen castellum, maakt voor Rozemeyer blijkbaar niet zoveel verschil (zie opgravingsverslag AVRA, 1974-1976). Het lijkt toch wel een minimale voorwaarde voor het Romeinse Trajectum. De vraag is zelfs gerechtvaardigd of Antwerpen wel bestond in de tijd van St.Willibrord. De streek rondom Antwerpen was toen, net als laag en midden Nederland, ťťn groot moerassig gebied. De naamgeving van Antwerpen - Aanwerp- wijst op het droogvallen van nieuwe gronden en helemaal niet op het zogenaamde "werpen met handen", zoals de plaatselijke VVV. ons wil doen geloven. In "Synopsis van het Colloquium Verleden en toekomst van Antwerpen" wordt het einde van de Romeinse bewoning omstreeks 250-270 n.Chr. geplaatst. Direct op de Romeinse laag volgt de Karolingische laag (eind 8e, begin 9e eeuw). De Merovingische laag ontbreekt! In de tijd van St.Willibrord is in en rond Antwerpen archeologisch geen bewoning aangetoond.
    Maar het belangrijkste argument tegen de optie Antwerpen is dat Antwerpen nooit bisschopsstad is geweest. En zonder bisschopszetel heeft St.Willibrord er niet verbleven.
    Het Walichrum uit de oorkonden over St.Willibrord plaats Rozemeyer in Zeeland en wel op Walcheren. Maar Walcheren bestond niet in de 8e eeuw. Het was toen nog waddengebied en lag onder water, ofwel was onbewoonbaar. Het Walichrum uit de oorkonden betrof het Walachria bij Brugge, dus iets verder naar het westen. En in dat Walachria bij Brugge liggen, tot ieders verbazing, ook de plaatsen Middelburg, Westkapelle en Vlissegem, net zoals deze plaatsen op het Nederlandse Walcheren bestaan, waar Vlissegem Vlissingen (Vlissing-hem) werd. Daar zijn ze duidelijk later terecht gekomen als volledige doublures van de Vlaamse plaatsen. Niet verwonderlijk, want Zeeland is door de Vlamingen ontgonnen vanaf de 11e eeuw. Een duidelijker voorbeeld van de deplacements historiques is bijna niet te vinden.
    Wat Rozemeyer met zijn locatie Antwerpen en Doornik in elk geval bevestigt is de opvattingen van Delahaye dat de Schelde de Renus is. Immers beide plaatsen Trajectum en Dorestad lagen aan de Renus.

    Opvallend is dat zowel Kreijns en Pirson, als Rozemeyer de locatie Utrecht als het Trajectum van St.Willibrord verwerpen. Ook hier krijgt Albert Delahaye weer gelijk, zij het nog niet volledig. We gaan met Trajectum langzaam de goede kant op: naar het zuiden.

Terug naar boven.


8. Over St.Bonifatius en Dokkum!

  1. Al meermalen is door deskundigen betoogd, dat Bonifatius niet in Dokkum kan zijn geweest. Het westen en noorden van ons land zijn tussen de 3de en de 9de eeuw namelijk geteisterd door overstromingen, de zogenaamde transgressies. Er kunnen daar toen niet of nauwelijks mensen hebben gewoond. De Romeinen zijn erdoor uit ons land verdreven. De Friezen stammen af van het Germaanse volk der Frisones, dat ten tijde van Bonifatius nog in West-Vlaanderen woonde. Daar en in Frans-Vlaanderen heeft Bonifatius en Willibrord gemissioneerd en is er gemoord. De fabel dat zij in ons land zijn geweest is pas rond 1200 ontstaan. Laten we eindelijk toch eens ophouden deze fabels als historie te blijven vertellen. (Bron: P.Pijnenburg).
    Toch is het opvoeren van de transgressies niet het belangrijkste uitgangspunt van de studie van Albert Delahaye, maar de teksten. En die geven feitelijk al voldoende onderbouwing van zijn verhaal. De transgressies bevestigen zijn verhaal slechts, net als de archeologie dat doet.

  2. Dat Bonifatius in 754 in het Nederlandse Dokkum vermoord zou kunnen zijn wordt weerlegd met de volgende feiten (met dank aan T.Spamer uit Deurne, die de contra-argumentatie leverde):
  3. Bonifatius werd in 754 in Frisia vermoord. Dokkum bestond toen nog niet. (Bron: J.W.Brinkhorst)

  4. In Dokkum is nog geen spoor van een kerk uit de tijd van Bonifatius teruggevonden. Opgravingen brachten wel resten van twee latere stenen kerken (niet ouder dan 1100) aan het licht. (Bron: W.van Es e.a.)
    Uit de Encyclopedie van Friesland (1951) valt af te leiden dat - afgezien van de Bonifatius-mythe - de geschiedenis van Dokkum omstreeks 1170 begint met de vestiging van een kapittel. Van de eeuwen voor 1170 is niets over Dokkum bekend! In 754 zou er die moord hebben plaatsgevonden, daarna is de geschiedenis van Dokkum tot 1170 volkomen blanco, zowel qua schriftelijke bronnen als archeologisch bestaat Dokkum niet.

  5. De oudste in Dokkum gevonden fundamenten zijn van een tufstenen kerkje, dat mogelijk in de 11e eeuw gebouwd is. Hoe lang het tufstenen kerkje heeft bestaan is volmaakt onbekend. Voor een nog groter raadsel stellen ons de daarboven gevonden vloerfragmenten van een volgende kerk. Evenals de grond zwijgen ook de archieven over dit gebouw als het graf. Een datering van het huidige kerkgebouw gaat terug tot de 15e eeuw. Deze 'nieuwe' kerk van Dokkum werd toegewijd aan St.Maarten. (Bron: W.T.Keune)
    Er is hier dus sprake van 3 opeenvolgende kerkgebouwen in Dokkum, waarvan de oudste mogelijk uit de 11e eeuw zou stammen, in elk geval niet ouder! De derde kerk van Dokkum is toegewijd aan St.Maarten, de mythe van St.Bonifatius bestond in de 15e eeuw derhalve nog niet. De latere keuze van St.Maarten (St.Martinus, de nationale beschermer van Francia) tot patroon van de betreffende kerk wijst al op de zuidelijke oorsprong ervan. Ook die is na de 10e eeuw geÔmporteerd.

  6. In 754 (het jaar van de moord op St.Bonifatius) bevond zich in Dokkum of omgeving geen enkele nederzetting. (Bron: W.van Es e.a.)

  7. Er werden geen aanwijzingen gevonden dat deze put ouder is dan het laatste kwart van de 16e eeuw en derhalve niet de "fons" kan zijn, welke gedurende de Middeleeuwen het doelwit van de Bonifatius-pelgrims was. (Bron: H.Halbertsma).
    De zogenaamde bron van Bonifatius blijkt dus niet ouder te zijn dan de 16e eeuw. De pelgrims waren, net als veel historici, wel erg goedgelovig. Met zoveel geloof hebben ze de bekering door de bron van Bonifatius niet echt nodig.

  8. In 1986 was de ROB. in Dokkum voor de derde keer op zoek naar de houten kerk die er na de moord op Bonifatius in 754 te zijner nagedachtenis gebouwd zou zijn. Er werden in Dokkum al twee keer eerder opgravingen verricht, maar tot nu toe werd de kerk niet gevonden. (Bron: AD. 29 maart 1986.)
    Deze kerk wordt genoemd in schriftelijke Franse bronnen, maar er zijn in Dokkum of opgeving nooit resten van gevonden. Daarmee is toch duidelijk dat men op de verkeerde plaats zoekt!

  9. Willibald (biograaf van Bonifatius) noemt Dokkum niet en de door hem genoemde Bordine klopt niet met de ligging van de Bourne in Friesland. (Bron: H.Halbertsma)

    Hiermee kunnen we de mythe van Dokkum als afgeschreven beschouwen. Zowel archeologisch als uit schriftelijke bronnen blijkt nergens een bevestiging van de juistheid van de veronderstelde geschiedenis rondom St.Bonifatius en Dokkum. In "De Ware Kijk Op" wordt de juiste locatie van het missiebisdom van St.Bonifatius aangetoond, evenals de plaats van de moord op deze bisschop. Die lag bij Dockinchirica (=Dunkerque) in Noord-west Frankrijk!

  10. In de geschiedenis van St.Willibrord en St.Bonifatius in Friesland zit een erg grote tegenspraak. De WestFrankische koningen Pepijn en later Karel Martel gaven de Friezen een gebied tussen de Sincfal (Het Zwin) en de Yeser (IJzer) om zich te beschermen tegen de invallen van de Denen. Hierin ligt een controverse. Karel Martel had geen enkele zeggenschap in het gebied dat nu Nederland is, omdat dat tot het midden Frankische rijk hoorde. Pas na 1000 worden de Friezen verdreven uit Artois en komen zij terecht boven de nieuwe delta van de Rijn. (Bron: M.P.Boidin)
    Inderdaad speelde vroege geschiedenis van de Friezen zich af in de voormalige Rijn-Delta, in Frans- en Belgisch Vlaanderen.

  11. Er bestaan geen schriftelijke bronnen en archeologische gegevens voor het bestaan van een gedachteniskapel in Dokkum kort na 754 (het jaar van de moord op St.Bonifatius). (Bron: H.Mol)
    De echte geschiedenis van Dokkum begint pas vanaf omstreeks 1170 met de stichting van het Norbertijnen nonnenklooster MariŽngaarde.

  12. De Bonifatius-traditie te Dokkum bestaat pas sinds 1872. (Bron)

  13. De oudste bronnen van de Nederlandse geschiedschrijving berusten op vervalsingen. Otto Opperman had dit in 1920 al geconcludeerd en nu wordt dat ook in "Frieslands Oudheid" toegegeven, zei het schoorvoetend. (Bron: H.Halbertsma)

  14. Ook in het deltagebied van de Rijn moeten grote veranderingen zijn opgetreden. AIs we lezen, dat Bonifatius in 716 per schip naar ons land komt en dan eerst in Dorestat landt en vandaar verder trekt naar Utrecht, hoe moeten we ons dat dan voorstellen, aangenomen, dat de schrijver zich niet vergiste? Was misschien de Rijn tussen Harmelen en Utrecht dermate verland, dat het schip van de Rijn via de Linschoten, IJsel en Boven-Lek moest varen? Of voer de heiligman via Maasmond en Lek naar Dorestat, hetgeen zou impliceren, dat de Beneden-Lek al bestond en al een oeverwal had, geschikt voor jaagpad, iets wat volgens sommigen hoogst onwaarschijnlijk is. (Bron: D.P.Blok)
    Deze tocht van Bonifatius was dan ook niet naar ons land, maar naar Francia, waar je de overkant kunt zien. Daar lag Dorestadum (Audruicq, rond 1300 Aldervicum geheten), dat een zeehaven was, en daar lag Trajectum (Tournehem) enkele kilometers landinwaarts.

  15. In Dokkum werd pas in 1962 plots een standbeeld voor St.Bonifatius opgericht. dat is 12 eeuwen na dato. Het getuigt niet van een sterke traditie als dat pas gebeurd na enige kritische artikelen over de authenticiteit van de moord op Bonifatius ter plaatse.
    In plaats dat de Friezen dankbaar zouden zijn dat ze eindelijk verlost zijn van die heiligschennende moord, wordt deze moord "gevierd" met een standbeeld ter herinnering aan deze gruwelijke daad! Wie dit nog begrijpt moet mij dat eens uitleggen.
    Opvallend bij de onthulling van het standbeeld van Bonifatius in Dokkum is dat het gedaan werd door prinses Beatrix, een protestants lid van het Koninklijk Huis en niet door een Rooms Katholieke hoogwaardigheidsbekleder. Blijkbaar waren de toeristische motieven belangrijker dan de godsdienstige beleving.
    Vergelijkbaar zijn de standbeelden van St.Willibrord in Utrecht (1942) en van Karel de Grote in Nijmegen (1962), die er plots kwamen na enkele kritische publicaties over de historische waarheid.

    Zie de traditie van St.Bonifatius in Dokkum!

Terug naar boven.


9. Over Wijk bij Duurstede en de Noormannen.

  1. In Wijk bij Duurstede is geen archeologisch bewijs gevonden voor de determinatie Dorestadum. (Bron: Spiegel Historiael)
    Na zo'n bekentenis houdt in feite de hele discussie rondom Dorestad op!

  2. Langs de Rijnoevers zelf zijn daarentegen geen aanwijzingen aangetroffen voor de aanwezigheid van archeologische sporen. (Bron: Archeologische Kroniek Utrecht 2000-2001).
    Het is de bekende manier om de waarheid te verhullen. Want wat staat er? Er staat gewoon dat er geen archeologische sporen zijn gevonden om de traditionele geschiedenis van Wijk bij Duurstede, zijnde Dorestad, te bevestigen. Er is dus niets gevonden.

  3. In tegenstelling tot de gangbare opvatting was Dorestad geen handelsnederzetting met een verzorgende functie voor een achterland. Dat wordt tegengesproken door de gegevens over het gevonden aardewerk. Een echte stad was het niet. Een achterland ontbreekt. (Bron: A.Verhoeven)
    Dit is dus een zeer belangwekkende constatering van Verhoeven, wat onmiskenbaar het gelijk van Albert Delahaye inzake Wijk bij Duurstede aantoont.
    In zijn boek noemt Verhoeven Wijk bij Duurstede steeds (volgens de gangbare opvatting, dus foutief) Dorestad. Ondanks dat concludeert hij, dat op grond van het aangetroffen aardewerk Wijk bij Duurstede geen handelsnederzetting geweest is. In Wijk bij Duurstede hebben geen pottenbakkerijen bestaan, slechts kleinschalig werden potten gemaakt voor eigen gebruik. Ook ontbreekt voor Wijk bij Duurstede een achterland, volgens Verhoeven. Maar wat nog belangrijker is, de voorgeschiedenis van Wijk bij Duurstede ontbreekt. En zonder Merovingische voorgeschiedenis of ook maar enige nederzetting uit de Merovingische tijd, kan Wijk bij Duurstede nooit het vermaarde Dorestad geweest zijn.


  4. "Er zijn in Wijk bij Duurstede geen sporen van grootscheepse moordpartijen en brandstichting in de negende eeuw gevonden. Er is geen aanwijzing dat de stad ooit is platgebrand. De opgravingen, de grootste ooit in Nederland, leveren geen enkel spoor op van plunderingen, moordpartijen en brandstichting. (Bron: Annemarieke Willemsen.)
    De afwezigheid van sporen van plunderingen tracht Willemsen (conservator van het RMO.) te verklaren door te stellen dat de Vikingen een vreedzaam volkje waren. Ze kwamen niet om te plunderen, maar om te handelen. Een nieuwe mythe is geboren. Het is vergelijkbaar met de infantiele opmerking van Dr.W.A. van Es, tussen 1968 en 1978 de grote opgraver van Dorestad, die het gebrek aan sporen van de plunderingen van de Vikingen probeerde te verklaren met "De Vikingen kwamen alleen om iets te halen en hebben niets achtergelaten". Van Es was van mening dat de Vikingen indertijd na het plunderen alles netjes hadden opgeruimd, een mening die door A.Willemsen in haar boek over de Vikingen nog eens herhaald wordt.
    De schriftelijke bronnen spreken andere taal dan van "vreedzame handelaren". De moordpartijen van de Noormannen hebben mede gezorgd voor de grote "deplacements historiques", waardoor de documentatie van kloosters vanuit west-Frankrijk naar het oosten werd verplaatst en daar verkeerd werd toegepast op de verkeerde streek. Het gaat om de kloosters Epternacum (werd Echternach), Werethina (werd Werden), Corbie (werd Corvey) Souastre (werd Susteren) en Laurisham (werd Lorsch). En dat is mede de aanleiding geweest van de grote historisch geografische spraakverwarring en het ontstaan van alle mythen.
    Zou het misschien niet zo kunnen zijn dat als er niets gevonden is, de Noormannen er nooit geweest zijn? Immers de plunderingen van de Noormannen en hun aanwezigheid is altijd slechts gebaseerd geweest op foutief begrepen teksten. Nu die teksten niet op Nederland blijken te slaan, zijn ze dus van Noord-Frankrijk.
    Opvallend is dat ook de archeologie van Utrecht en van Nijmegen hetzelfde beeld vertoont. Ook daar is nooit iets gebleken van plunderingen door de Noormannen. Het bevestigt de visie van Albert Delahaye op een ongekende wijze. Nu blijkt dat de Noormannen nooit in Wijk bij Duurstede, Utrecht en Nijmegen zijn geweest, zakt het hele kaartenhuis van de mythen onherroepelijk in elkaar.


  5. Wijk bij Duurstede is niet het oude Dorestad! (Bron: ROB.bericht jrg.41).
    In het artikel "Houseplans from Dorestad", erkent dr. W.A. van Es dat:
    1. Dorestad geen stad was, maar een boerennederzetting met lintbebouwing;
    2. Dorestad geen Friese stad was, zoals altijd beweerd wordt;
    3. uit het "havengebied" geen enkele huisplattegrond bekend is;
    4. in Wijk bij Duurstede is nooit een Merovingische nederzetting gevonden.
    In het betreffende artikel in Berichten van de ROB. is steeds tendentieus sprake van "Dorestad". Dat hier het oude Dorestad gelegen heeft, moet nu juist bewezen worden met de opgravingen. En dat is niet gelukt. "De gevonden huisplattegronden zijn allemaal die van boerderijen", schrijft Van Es in dit artikel, waarmee de handelsnederzetting wordt teruggebracht tot een gewone boeren nederzetting van jagers en vissers, precies zoals de Kroniek van Kamerijk dit beschrijft. In het zogenaamde havengebied, waar dus die internationale handelshaven gelegen zou hebben, is al helemaal nooit een huisplattegrond teruggevonden. Die zijn allemaal weggespoeld (!?). Wijk bij Duurstede voldoet helemaal niet aan wat in de schriftelijke bronnen over Dorestad vermeld wordt. De Merovingische voorloper is beslist een voorwaarde, immers Dorestad wordt al in 625 een beroemde stad genoemd. De archeologie van Wijk bij Duurstede begint op zijn vroegst ruim 100 jaar later, wellicht zelfs nog later. Het gevonden aardewerk is 9e, misschien zelfs pas 10e eeuws.

  6. Vergelijkbaar Pingsdorf-aardewerk wordt in Duitsland (waar het vandaan kwam) steeds 100 jaar later gedateerd, dan Van Es het in Wijk bij Duurstede dateert. Bron: A.Verhoeven.

  7. In Nederland komen geen kogelpotten voor van vóór ca. 725. De geringe hoeveelheid laat 7e en vroeg 8e eeuws aardewerk is opmerkelijk. (Bron: A.Verhoeven)
    In een recente studie (Stilke, Die frühmittelalterische Keramik vom Oldorf, NNU 62, 1993) wordt aangenomen dat kogelpotten pas in het derde kwart van de 8e eeuw ontstonden. Dan is er dus sprake van laat 8e eeuws aardewerk. Uit de periode vóór 725 is niets gevonden. En dat terwijl Dorestad al tussen 636 en 678 een grote en belangrijke stad werd genoemd (De Geograaf van Ravenna), waar Pepijn II in 678 slag leverde met de Friezen.
    Bovendien zijn in Wijk bij Duurstede nooit absolute dateringen (C14 en dendrochronologisch onderzoek) gedaan. Die zijn in Duitsland wel gedaan en dan blijken de kogelpotten in Haithabu gedateerd te moeten worden op de late 8e eeuw tot midden 9e eeuw. In Elisenhof zelfs alleen in de 9e eeuw. Het beeld in Duitsland is niet wezenlijk anders dan in Wijk bij Duurstede, schrijft Verhoeven. En daarmee komt de determinatie van Wijk bij Duurstede als Dorestad volledig op losse schroeven te staan.


  8. Men zou bij de opgravingen in Dorestad (Wijk bij Duurstede) mogen verwachten dat er heel wat Viking-vondsten gedaan zouden worden. Waarbij men volkomen bedrogen uitkomt. De meeste vroeger als zodanig gestelde vondsten moesten bij een kritisch her-onderzoek dat kortgeleden plaatsvond, van die lijst worden afgevoerd.(Bron: J.W. Bronkhorst: Odin sprak, p.92.)
    Het is ondertussen wel duidelijk dat van plunderingen van de Noormannen in Wijk bij Duurstede nooit iets gebleken is. Dan is Wijk bij Duurstede ook niet het uit de teksten bekende Dorestad, dat immers regelmatig door de Noormannen is geplunderd.

  9. Opgraving te Wijk bij Duurstede: De Geer.
    In 1993 werd de aandacht
    (van de opgravingen) met name gericht op het centrale gedeelte van het karolingische nederzettingsareaal. Duidelijke gebouwstructuren uit de Merovingische tijd werden opnieuw niet aangetroffen en dat terwijl juist de sporen uit deze periode de belangrijke aanwijzingen voor het ontstaan en de vroegste ontwikkeling van Dorestad moeten opleveren. (Bron: Archeologische Kroniek Utrecht 1992-1993).
    Het is wel duidelijk dat de opgravingen in Wijk bij Duurstede geen enkele determinatie van het vermeende Dorestad opleveren of ooit opgeleverd hebben. Wie nog steeds blijft beweren dat Wijk bij Duurstede het klassieke Dorestad was, moet toch maar eens bij de Archeologie te rade gaan.

  10. Sinds de onderzoekingen van Holwerda in Dorestad (bedoeld wordt Wijk bij Duurstede) neemt men algemeen aan, dat het Pingsdorfer aardewerk zijn zegetocht over Noordwest-Europa begon in het laatst der 9de eeuw. Bewezen is het intussen nog nimmer. Bron: ROB-berichten.
    Met de juiste datering van het Pingsdorfer aardewerk staat of valt de hele determinatie van Wijk bij Duurstede als Dorestad. Bij elke hedendaagse datering wordt verwezen naar de datering door dr.W.A. van Es. En wat nu als Van Es het onjuist heeft. Immers van Van Es is bekend dat hij met vooringenomenheid in Wijk bij Duurstede opgravingen heeft verricht. Bewijzen voor zijn dateringen zijn nooit geleverd, erger nog, zijn opvattingen worden door anderen o.a. A.Verhoeven weersproken. Bij opgravingen in Nijmegen werd in 1982 aardewerk gevonden. In het opgravingsverslag lezen we: Bij het 11e/12e-eeuwse vondsten materiaal bevond zich een interessante groep van beschilderd aardewerk in de trant van Pingsdorf aardewerk; het zou een vroege variant (omstreeks 1000 ?) van deze aardewerksoort kunnen zijn.(Zie ROB-berichten 1982 p.51). Een vroege variant wordt hier omstreeks het jaar 1000 gedateerd. Dat is dus ruim anderhalve eeuw na de dateringen, die Van Es zo graag hanteert in Wijk bij Duurstede.

  11. Over de graad van betrouwbaarheid van de reconstructies van J.H.Holwerda, Dorestad en de vroegste middeleeuwen, Leiden 1929, heerst onzekerheid. (Bron: W.Jappe Alberts en H.P.H.Jansen)
    Holwerda staat aan het begin van de mythe van Wijk bij Duurstede als Dorestad. Als het uitgangspunt dus fout is, en dat is het, is alles wat daarna komt, uitgegaan van de verkeerde veronderstelling en zal men opnieuw alle feiten moeten bestuderen, waarna men tot heel andere conclusies zal komen, namelijk die van Albert Delahaye. Zie bij Dorestad.

  12. De bij Wijk bij Duurstede gevonden zwaarden vertonen geen elementen die op een Scandinavische herkomst zouden kunnen wijzen. Mijns inziens (van J.Ypey, de auteur van betreffende publicatie) is er dan ook wel aanleiding tot de veronderstelling dat de meeste zo niet alle bij Wijk bij Duurstede gevonden zwaarden aan bewoners van die stad toebehoord zullen hebben. Zij zouden ook daar of althans in onze streken vervaardigd kunnen zijn. (Bron: Spiegel Historiael)
    Bij de naam Dorestad komen bij de meesten van ons gelijk de gedachten op aan Noormannen-overvallen met plunderingen, brandstichtingen en strijd. Noormannen of Vikingen stelt men zich daar bij voor als ruw uitziende lieden, getooid met helmen en zwaaiend met slagzwaarden. Met deze zwaarden bevochten zij hun overwinningen. Van plunderingen, brandstichtingen (minstens drie keer in Dorestad) of vondsten van zwaarden, is in Wijk bij Duurstede geen sprake geweest. De conclusie lijkt me duidelijk.

  13. Opgraving te Wijk bij Duurstede: Korte Singel.
    De Kromme Rijn is voor de ontwikkeling van Wijk bij Duurstede van groot belang geweest. Op het terrein ten noorden van de Korte Singel kon het aangetroffen vondstenmateriaal in de 11e en 12e eeuw worden gedateerd. Bewoningssporen werden niet aangetroffen. De meeste sporen - paalgaten, kuilen en een greppel - dateren uit de 11e en 12e eeuw. Ook bij een onderzoek in de Kerkstraat is een aantal kuilen uit deze periode vastgelegd. Mogelijk gaat het hier om resten van de nederzetting Leut (Lote) die reeds in de 8ste eeuw vermeld wordt.
    (Bron: Archeologische Kroniek Utrecht 1994-1995).
    Het wordt steeds duidelijker dat alle opgravingen in Wijk bij Duurstede geen enkele determinatie ten gunste van het vermeende Dorestad opleveren. Wie nog steeds blijft beweren dat Wijk bij Duurstede het klassieke Dorestad was, moet toch maar eens bij de Archeologie te rade gaan. Het hier vermelde Lote (is Louches -Lotde- in Nw-Frankrijk) had evenmin betrekking op Nederland als het in dezelfde bronnen genoemde Dorestad.

  14. Opgraving te Wijk bij Duurstede: Kostverlorentoren.
    In de winter van 1994 werd in het zuidwestelijk deel van de binnenstad een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Tijdens het onderzoek zijn de stadsmuur en de resten van twee verschillende hoektorens aangetroffen. De oudste muurresten kunnen in de 14e eeuw gedateerd worden.
    (Bron: Archeologische Kroniek Utrecht 1994-1995).
    Het wordt steeds duidelijker dat alle opgravingen in Wijk bij Duurstede geen enkele determinatie ten gunste van het vermeende Dorestad opleveren. Wie nog steeds blijft beweren dat Wijk bij Duurstede het klassieke Dorestad was, moet maar eens met keiharde bewijzen komen en zich niet beroepen op de fabels uit de 19e eeuw.

  15. Opgraving te Wijk bij Duurstede: Van Lynden van Sandenburgweg.
    In de winter van 1994-1995 werd op het terrein in de noordelijke havenzone van Dorestad onderzoek gedaan. De sporen bleken te bestaan uit paalgaten, kuilen, greppels en waterputten. Resten van gebouwplattegronden ontbreken vrijwel volledig. Achter deze "huisplaatsen" ligt weer een vrijwel legen zone. Deze zone ligt in het verlengde van de Hoogstraat. Van deze straat wordt vermoed dat die mogelijk tot in de tijd van Dorestad terggaat.
    (Bron: Archeologische Kroniek Utrecht 1994-1995).
    Leest men dit artikel in de Archeologische Kroniek van 1994 zeer zorgvuldig, dan blijkt dat men er niets gevonden heeft dat aannamelijk maakt dat de rijke en aanzienlijke stad Dorestad te Wijk bij Duurstede gelegen heeft. Het enige dat men gevonden heeft zijn afvalkuilen met vooral beenderresten; van gebouwen ontbreekt elk spoor. Uit de geweldige hoeveelheid gevonden beenderresten leiden de archeologen zelfs af dat de bewoners van Dorestad zich hebben bezig gehouden met de produktie van kammen en andere benen voorwerpen. Waar past dit in de alom bekende handelsplaats die Dorestad was? Voor een omvangrijke handel ontbreken alle sporen.

  16. Dorestad, Karolingische handelsnederzetting.
    Het is reeds thans duidelijk geworden, dat de voorstellingen, die men zich tot heden van Dorestad gemaakt had, herzien moeten worden. De hypothese, dat zich op het terrein "De Heul" een versterkte curtis heeft bevonden, is door de nieuw verkregen gegevens niet bevestigd.
    (Bron: W.A. van Es e.a.).
    En als de versterkte curtis niet is gevonden, dan was Wijk bij Duurstede ook niet de plaats waar kort voor 690 de slag bij Dorestad tussen Pepijn II van Herstal (de vader van Karel Martel, opa van Pepijn III de Korte en overgrootvader van Karel de Grote) en de Friese koning Radboud plaats vond. In de tekst die deze slag vermeldt is immers sprake van een curtis.

  17. Een spaarzame of fantasieloze schoenmaker.
    De hoeveelheid leerresten in Dorestad is bedroevend gering. Op twee schoenen na, zijn alle van eenzelfde model, waardoor we toch wel aan ťťn maker voor de vervaardiging moeten denken. De vorm van uitsnijden van het leer die we te Dorestad vinden is een uiterst economische wijze van uitsnijden van een koeiehuid of geite- of schapevel. De wijze van uitsnijden zoals te Dorestad gevonden lijkt tot nu toe uniek.
    (Bron: Spiegel Historiael)
    Dit beeld van "de spaarzame en fantasieloze schoenmaker" komt totaal niet overeen met dat van een rijke en invloedrijke stad, wat het echte Dorestad volgens de geschreven bronnen was, derhalve met veel inwoners en dus met talloze schoenmakers. Het beeld komt meer overeen met een arme plattelandsbevolking die hun eigen schoeisel maakte en wel zo economisch mogelijk. Het oude Wijk bij Duurstede was een woonplaats van eenvoudige jagers en vissers, precies zoals de Kroniek van Kamerijk dat omschreef. Het unieke karakter van de gevonden schoenen sluit uit dat Wijk bij Duurstede een grote en bekende handelsplaats geweest zou zijn. Ook hier spreekt de archeologie de traditie tegen en bevestigt het de visie van Albert Delahaye.

  18. Een weinig luxe leventje.
    Een luxe consumptievogel in de latere middeleeuwen was de pauw. In Wijk bij Duurstede kwam deze vogel niet voor, althans er zijn geen resten van gevonden. Andere edele vogels zijn er niet aangetoond. Evenmin zijn beenderen van valken in Wijk bij Duurstede gevonden. Het lijkt er op dat in Wijk bij Duurstede geen valkenjacht werd bedreven. Mogelijk waren de inwoners te weinig edel om hiertoe gerechtigd te zijn.
    (Bron: Spiegel Historiael).

  19. In Dorestad werd evenals in veel andere middeleeuwse steden been en gewei gebruikt voor het vervaardigen van gereedschap, kammen, speelsteentjes en schaatsen. Merkwaardig genoeg vinden we wel de afval- en tussenprodukten van deze industrie, maar slechts weinig eindprodukten, zodat we ons moeten afvragen of de kammen soms naar elders geŽxporteerd werden.(Bron: Spiegel Historiael).
    Dorestad wordt steeds gekenmerkt als een rijke luxe handelsnederzetting. Dorestad was internationaal bekend, had een eigen muntslag en vele kerken met een grote sociale bovenlaag. Uit het vita van St.Anskarius blijkt dat de stad ook vele bedelaars heeft, vanouds een kenmerk van een grote en rijke stad. Archeologisch blijkt niets van dat groot en rijk. Steeds blijkt de zuinigheid, spaarzaamheid en eenvoud van de plaatselijke bevolking, of het nu gaat om zwaarden, aardewerk, schoenen of de consumptie van gevogelte, vlees of vis. De archeologie spreekt de traditionele opvattingen glashard tegen.

  20. Er valt alles voor de door Johanna Maris in 1971 gepubliceerde opvatting te zeggen volgens welke de 'Upkirika' gestaan moet hebben op de Heul, een terpachtige verhevenheid op ca. 750 m ten noordwesten van de St.-Janskerk gelegen, ergo buiten de vesting van het huidige stadje Wijk bij Duurstede. De verleiding was groot dit bouwwerk te beschouwen als een kerkje, contemporain met het omliggende grafveld, maar het was wel zo agrarisch van karakter dat een dergelijke veronderstelling moet worden betwijfeld. Dorestad was tenslotte een zeer volkrijk oord waar grote rijkdommen lagen opgetast zodat de'Upkirika' toch wel iets meer zal hebben geoogd dan een boerenhoeve. Zowel Pepijn als Karel Martel kunnen in aanmerking komen voor de bouw van de 'Upkirika' en wij kunnen ons niet voorstellen dat dit slechts een schuurachtig, houten optrekje is geweest. (Bron: Spiegel Historiael).
    Wat Maris beschreven heeft was een doorsnee boerenhoeve en beslist geen kerk. Die "kerk" zou dan ook nog buiten de "muren" gelegen hebben en niet in het centrum van de (Merovingische/Frankische) nederzetting. Terecht maakt Halbertsma zijn kritische opmerkingen, echter verder denken was er ook bij hem niet bij vanwege de dwanggedachte dat Wijk bij Duurstede nu eenmaal Dorestad was.

  21. In de Vita Anskari kan men lezen dat het aantal armen te Dorestad bijzonder hoog was, van ouds een kenmerk van iedere metropool. Ongetwijfeld heeft ook op of bij het 'armenkerkhof een kerk of kapel gestaan, maar de omstandigheden lieten niet toe de sporen daarvan terug te vinden. In het jaar 1300 ontving Wijk stadsrechten en aangezien het oude dorpscentrum buiten de nieuwe stadsvesten kwam te liggen, ontstond de behoefte aan een nieuwe parochiekerk daarbinnen. Dit zou de St.-Janskerk worden. In 1365 vindt men gewag gemaakt van 'den ouden Kerchoeve buten der poerten te Wijc'. In 1385 is er sprake van 'dat Oude Kerchof van Wijc'. In 1975 werd het oude kerkhof door de ROB onderzocht. De funderingen van de middeleeuwse kapel met toren bleken nog voorhanden en overwegend uit tufsteen te zijn opgetrokken. Vóór de 10de eeuw heeft het terrein de bestemming van kerkstede dan ook niet verkregen. (Bron: Spiegel Historiael).
    Het is wel duidelijk dat de geschreven bronnen, waarin sprake is van een grote en belangrijke stad met meerdere kerken, totaal niet past bij de archeologie van Wijk bij Duurstede. Dan is er maar ťťn conclusie: Wijk bij Duurstede was niet Dorestad.

  22. Lange tijd heeft men vermoed dat Dorestad van Romeinse origine was. Zelfs Batavodurum zou hier gelegen zijn. Het vermoeden bestond dat er bij Wijk bij Duurstede een Romeins castellum gelegen heeft. Tot op heden is de ligging daarvan nog onbekend. Onder de Romeinse vondsten die binnen de grenzen van Dorestad gevonden zijn, zijn militaire invloeden aanwijsbaar. Dit Romeinse materiaal is echter tijdens de vroege middeleeuwen van elders aangevoerd, want het terrein van Dorestad zelf was in de Romeinse tijd niet bewoond. Uit de directe omgeving kan het niet of nauwelijks afkomstig zijn. Ten noordwesten en westen van Wijk bij Duurstede zijn weliswaar drie terreinen met Romeinse nederzettingssporen gedeeltelijk opgegraven die echter alle een civiel karakter vertonen. De mogelijkheid dat een in de omgeving van Wijk gelegen castellum door de rivier is weggespoeld, kan niet helemaal uitgesloten worden, maar gezien de resultaten van de "Landesaufnahme" is dat niet erg waarschijnlijk. (Bron: Spiegel Historiael).
    En met Romeins Levefanum verdwijnt ook Dorestad voor Wijk bij Duurstede, hoewel het twee verschillende plaatsen waren. Echter de manier van "onderzoek" is vergelijkbaar, waarmee beide mythen zijn opgelost.

  23. Afgezien van het verband tussen de Romeinse en inheemse nederzettingen en het Merovingische Dorestad, waarvoor de geschreven bronnen hoegenaamd geen bijdrage kunnen leveren, bevat de status questionum van de topografische geschiedenis van Dorestad eigenlijk slechts twee hoofdpunten: het probleem van het castrum en de samenhang tussen Dorestad en Wijk. Tot deze twee vraagstukken is de hele problematiek te herleiden, alle andere onopgeloste kwesties, zoals die van de kerk(en), de bisschopszetel, de rivierlopen, de aard van de villa, enz., houden er wel ergens verband mee. (Bron: Spiegel Historiael).
    Deze zeer terechte opmerking van Dekker zou eens wat breder in historische kring aanvaard moeten worden. En nu eens niet volgens opvattingen van Albert Delahaye, maar volgens mededelingen van de eigen Nederlandse archeologie! Zie de volgende twee punten.

  24. Toch hebben de opgravers altijd beseft dat een dergelijke nederzetting niet in een vacuüm kan bestaan. Welke wegen volgde het handelsverkeer van en naar Dorestad precies? Dorestad is niet los te denken van zijn directe achterland. Ook hieruit blijkt dat wij Dorestad niet ten volle kunnen begrijpen zonder het achterland en zijn geschiedenis te kennen. De veldverkenning in Dorestads achterland leverde niet altijd essentieel nieuwe gegevens op. Over de tussenliggende periodes - de 5de eeuw na Chr. en de tijd rond 1000 na Chr. bestaat veel onzekerheid. Het is onwaarschijnlijk dat het gebied toen onbewoond is geweest, maar sporen uit die tijd zijn tot nog toe niet aangetroffen. (Bron: Spiegel Historiael).
    Sporen uit de periode tussen de 5e en 10e eeuw ontbreken. Wat de auteur van dit artikel, W.J. v.Tent, concludeert is een essentieel gemis voor Dorestad: het achterland van deze "handelsnederzetting" ontbreekt. Zie ook de bevindingen van A.Verhoeven, die hetzelfde gemis van een achterland constateert! En zonder achterland heeft Dorestad hier niet bestaan, maar lag er een nederzetting van vissers en jagers, precies zoals de kroniek van Kamerijk dat omschrijft!

  25. Romeinse forten komen in het hier behandelde gedeelte van het Kromme Rijngebied - voor zo ver bekend! - niet voor. Twee vindplaatsen betreffen slechts een enkele losse aardewerkscherf; op bewoning wijzen zij niet. Wij moeten hieruit concluderen dat het Kromme Rijnsysteem in de hier besproken periode (300-900 n.Chr.) niet bewoonbaar was.. (Bron: Spiegel Historiael).
    Het hier behandelde gedeelte van het Kromme Rijn gebied is de omgeving van Wijk bij Duurstede! Dit gebied was in de periode 300-900 onbewoonbaar. Feitelijk kan de discussie rondom Wijk bij Duurstede als Dorestad hier stoppen. In een onbewoonbaargebied kan geen stad van internationale allure gelegen hebben.

  26. Ook in bodemkundig opzicht was het (de toestand)verslechterd. Er zijn namelijk aanwijzingen dat het gebied in de latere Romeinse tijd steeds vochtiger werd, hetgeen de bruikbaarheid van het land ongunstig zal hebben beinvloed. (Bron: Spiegel Historiael).
    Waarmee de transgressies, die steeds ontkend werden, nogmaals worden bevestigd!

  27. Het 'Lekprobleem".
    In 777 na Chr. bestaat er in ieder geval een Lek. Het is echter zeer onzeker of de directe verbinding met de Noordzee, die nu bestaat, toen al in volle omvang gevormd was. Wij mogen niet te lang bij het 'Lekprobleem' blijven stil staan. De vele vragen, die in verband ermee rijzen, kunnen toch pas beantwoord worden als wij meer gegevens tot onze beschikking hebben. Wij kunnen er echter ook weer niet aan voorbij gaan, omdat het in zeer nauw verband staat met de kwestie van de vaarroutes naar en van Dorestad. Het is zeer goed mogelijk dat men, om van de Noordzee (Engeland) naar Dorestad te komen, in (een) bepaalde periode(s) niet over Utrecht kon varen. Als Bonifatius omstreeks 715 na Chr. van Engeland via het rivierengebied naar Friesland reist, komt hij eerst in Dorestad aan en pas daarna in Utrecht. Zou hij de 'Oude Rijn'-tak hebben kunnen volgen, dan was de volgorde ongetwijfeld andersom geweest. Hij had Dorestad in dat geval zelfs helemaal niet hoeven aandoen, maar had vanaf Utrecht langs de Vecht direct naar het Noorden kunnen varen. Wij laten deze fascinerende hypothesen nu evenwel echt rusten.
    (Bron: Spiegel Historiael).
    Er was dus geen Lek in 777, maar toch heeft die er wel bestaan! Op deze wijze wordt door de Nederlandse historici op grond van hypothesen recht gepraat wat krom is of krom gepraat wat recht is! Zo schreef en schrijft men geschiedenis, want hoewel Dorestad niet bij Wijk bij Duurstede bestaan kan hebben, blijft men maar uitgaan van de bewering dat het er toch gelegen heeft.

  28. De Lek moet in een of andere vorm ook reeds in die periode aanwezig geweest zijn, getuige het voorkomen van zijn naam - in de Latijnse vorm Lokkia - in een document uit het jaar 777, maar hij zal toen nog niet een overheersend belang gehad hebben. Men mag aannemen dat de Rijn nog de belangrijkste en grootste van de twee stromen was. Vermoed wordt dat de Lek na de Romeinse tijd ontstaan is en pas in de middeleeuwen de imposante stroom geworden is, die nu het meeste water van de Neder-Rijn afvoert. De bestaande meander heeft met Dorestad dan ook niets te maken. Hij ontstond pas toen Dorestad al niet meer aanwezig was. (Bron: Spiegel Historiael).
    Begrijp ik Van Es, de grote opgraver van Dorestad, hier goed? Hij zegt dus onomwonden dat de Lek pas ontstond toen Dorestad al verdwenen was. En hoe zit het dan met de akte van 777, waar omheen de hele Dorestad-mythe is opgebouwd?

  29. Over de vroeg-middeleeuwse loop van de Lek is zo goed als niets bekend. Het blijft een hypothese. Een sterk hypothetisch karakter zijn onze veronderstellingen op dit ogenblik omtrent de vorm en de omvang van het 8ste-/9de-eeuwse Dorestad. Een direct verband tussen Dorestad en de huidige nederzetting Wijk is niet zeer aannemelijk. Het ziet er naar uit dat de bewoning uit de periode tussen de 9de en de 13de eeuw ten noorden en ten westen van het huidige Wijk te lokaliseren is. De geschiedenis van het stadje zelf begint in de daaropvolgende fase, in de 13de/14de eeuw. (Bron: Spiegel Historiael).
    Hoe Van Es zich in bochten wringt om krom te praten wat recht is. Neem daar de vorige en volgende opmerkingen bij en van heel Dorestad te Wijk bij Duurstede blijft NIETS meer over.

  30. We mogen aannemen, dat de Lek, die tegenwoordig het beeld van Wijk bij Duurstede zozeer beheerst, in de Romeinse en vroeg merovingische tijd nog niet of nauwelijks bestond. Volgens bodemkundigen heeft de Lek vanuit het westen de Rijn "aangetapt". Het gevolg van dit "aantappen" was' dat meer en meer het Rijnwater de nieuwe weg via de Lek naar het westen ging volgen en dit leidde er weer toe, dat de mond van de (Kromme) Rijn in de Lek naar het westen werd getrokken. Dit vormde een groeiende bedreiging voor Dorestat en tenslotte werd de plaats weggespoeld. (Bron: D.P.Blok en A.C.F.Koch)
    Als de Lek nog niet bestond, zal ook de naam Lockia of Loccham geen betrekking op deze rivier hebben gehad. Daarmee komt de akte uit 777 in een totaal ander contekst te staan. Je vraagt je dan wel af, waarom en wat Van Es en de R.O.B. er gingen opgraven, als alles was weggespoeld? Ze konden er Dorestad immers niet meer terugvinden. Ze hebben het ook niet teruggevonden.

  31. Vondsten uit de Merovingische periode (ca. 500-750 na Chr.) zijn niet veel talrijker dan die uit de laat-Romeinse tijd. De teruggang van de bevolking, die wij voor de tweede helft van de 3de en de 4de eeuw constateerden, wordt dus in de daarop volgende periode kennelijk niet goed gemaakt. Er is dan ook geen wezenlijk verschil tussen het bewoningspatroon uit de laat-Romeinse en dat uit de Merovingische tijd. Aan de ene kant blijven veel nederzettingsplaatsen, die in de loop van de 3de eeuw verlaten moeten zijn, ook in de 6de en 7de eeuw woest liggen. Er is in vele opzichten een pas op de plaats, in de 8ste eeuw na Chr. treedt duidelijk een kentering in. Waarschijnlijk in de loop van de 8ste eeuw na Chr. ontwikkelt zich de nederzetting langs de oever van de brede bedding ten oosten van de Hoogstraat die tot het Kromme Rijnsysteem behoort. Daarmee is de geboorte van het Karolingische Dorestad een feit. Onzeker is het of dit ook betekent dat dit systeem pas in de Karolingische tijd bewoonbaar werd. Wij verzeilen hiermee opnieuw in de problemen rond het ontstaan ervan. Als het, zoals de meeste bodemkundigen aannemen, al in de Romeinse tijd functioneerde. Moeten delen ervan lang vóór de 8ste eeuw na Chr. bewoonbaar zijn geweest (wat natuurlijk niet hoeft in te houden dat zij ook bewoond werden.). Als het systeem daarentegen pas in de Karolingische tijd bewoonbaar werd, kan het niet voor de laat- of na-Romeinse tijd zijn ontstaan. De archeologische gegevens vormen misschien een zwakke aanwijzing in de richting van de laatste opvatting, maar zeker geen overtuigend bewijs. In feite komen wij niet verder dan constateren dat er een probleem bestaat. (Bron: Spiegel Historiael).
    Het beschreven probleem van het ontstaan van Dorestad is door Albert Delahaye reeds jaren geleden als een gemis aangetoond! Zonder begin is er ook geen stad geweest.

  32. In vroegmiddeleeuwse bronnen wordt een castrum bij Dorestad vermeld, waar kort voor 690 Pepijn zijn Friese tegenstanders versloeg. Een castrum uit die tijd kan eigenlijk niets anders dan een versterking van Romeinse origine zijn. Kortom de aanwezigheid van een Romeins fort in het gebied van Wijk zou niemand verbazen. Het zou dan in de westelijke bewoningszone te zoeken zijn, maar wij hebben het tot op heden nog niet gevonden. (Bron: Spiegel Historiael).
    Blijkbaar heeft Van Es niet door dat Dorestad misschien elders lag, hoewel hij wel een ontsnapping probeert te forvceren met het volgende citaat! En let op lezers, hier spreekt de grote Dorestad deskundige!

  33. Het is bekend dat Dorestad - of misschien een Dorestad - reeds in de eerste helft van de 7de eeuw bestond. Dat blijkt onder meer uit numismatische gegevens, speciaal uit de muntslag van de muntmeester Madelinus. Deze heeft gouden munten (trientes) het licht doen zien die blijkens het opschrift DORESTAT FIT in Dorestad geslagen zijn, en wel, naar men aanneemt, omstreeks 630-640. Een dergelijke munt is zelfs tijdens de opgraving op terrein III te voorschijn gekomen. Dat wil natuurlijk nog niet zeggen dat hier het Dorestad uit de tijd van Madelinus gelegen heeft. (Bron: Spiegel Historiael).
    En hier volgt dus de smoes der smoezen. Van Es probeert onoverkomelijke problemen te omzeilen door er nog maar een Dorestad bij te verzinnen. Er waren dus plots twee Dorestadums, misschien zelfs meer. En zoiets noemt men wetenschap. Op geen enkele wijze wordt met bewijzen aangetoond dat een tweede Dorestad waarschijnlijk was. Wat wel zeker is dat de gegevens over Dorestad nooit in Nederland gepast hebben. Deze onwetenschappelijke "grap van Nijmegen" (met twee residenties van Karel de Grote die beide Noviomagus heetten.) moet Van Es niet nog eens uithalen met Dorestad. Van Es weet natuurlijk als geen ander dat Dorestad uniek was en slechts in enkelvoud heeft bestaan. Het Dorestad van Madelinus kan niet in Nederland gelegen hebben, erkent hij. Dan heeft geen enkel Dorestad hier gelegen, want het Dorestad van Madelinus bestond slechts in enkelvoud en lag in Noord-Frankrijk. En dan spreekt Van Es van "baarlijke nonsens" over de opvattingen van Albert Delahaye. Hoe noemt hij zijn eigen opvattingen dan? "Wonderbaarlijke nonsens?"

  34. In Wijk bij Duurstede lijkt de occupatie eerst op het eind van de 7de of in het begin van de 8ste eeuw te zijn aangevangen. Bij de geleidelijk doorgaande stijging van de zeewater- (en dientengevolge van de grondwater) spiegel had dat laatste voor bewoning uiteraard voordelen. (Bron: Spiegel Historiael).
    Hiermee erkent Van Es dat er wel degelijk sprak is geweest van transgressies, waardoor er vóór de 8e eeuw geen bewoning mogelijk was. En dan houdt de hele discussie rondom Dorestad nogmaals op. Waar hebben we het nu feitelijk nog over?

  35. De onderbreking in het weergeven van de fosfaten ten noorden van het kasteelpark en ten westen van de stadsgracht komt al evenmin met de Dorestads realiteit overeen. (Bron: Spiegel Historiael).
    Ook het fosfaatonderzoek komt niet overeen met de gangbare historische opvattingen over Wijk bij Duurstede.

  36. Uit de schriftelijke overlevering blijkt de aanwezigheid in Dorestad van geestelijken en van een representant van het wereldlijk gezag. Waar deze elementen zich ophielden, is echter niet bekend. Ook de plaats van de kerken, die Dorestad bezeten moet hebben, is niet teruggevonden. (Bron: Spiegel Historiael).
    Het is een zoveelste bewijs dat in Wijk bij Duurstede nooit het internationaal vermaarde Dorestad gelegen heeft.

  37. Mogelijk heeft de Vikingtijd plaatselijk gezorgd voor terugslag of stagnatie (in de bevolkingsgroei). Langs de Eem ontbreekt echter elk spoor van de geduchte plunderaars. Wat viel er hier voor hen ook te halen? (Bron: Bruit van d'Eem).
    Het is een nuchtere maar volkomen ware constatering dat er langs de Eem niets te halen viel. En als er langs de Eem niets te halen viel, dan was er ook geen bewoning en is de Eem dus ook niet de bekende rivier uit de oorkonde van 777. Het is een zoveelste bewijs dat deze oorkonde geen betrekking op Nederland had.

  38. (Bron: Spiegel Historiael).
    .

    - - - - -Hier wordt nog aan gewerkt. - - - -
  39. (Bron: Spiegel Historiael).
    .

  40. (Bron: Spiegel Historiael).
    .

  41. (Bron: Spiegel Historiael).
    .

    - - - - - - - - - - -

  42. We weten zeker dat Dorestad als kern een castrum heeft gehad. De opgravingen hebben tot nu toe geen castrum (en ook geen Romeins castellum) aan het licht gebracht, noch enig ander spoor van een gebouw waar het bestuur gezeteld moet hebben. Naast het probleem van het castrum is de samenhang van Dorestad met Wijk eveneens een open vraag, waarop nog geen definitief antwoord is te geven. De opgravingen hebben aangetoond dat Dorestad niet of nauwelijks doorliep op de plaats van het stadje Wijk. (Bron: Spiegel Historiael).
    Romeins Levefanum c.q. Dorestad verdwijnen dus voor eens en altijd uit het Nederlands historisch landschap. En dit nu eens niet volgens opvattingen van Albert Delahaye, maar volgens mededelingen van de eigen Nederlandse archeologie!

  43. De naam Dorestad was in 948 al verouderd, maar in het begin van de 14de eeuw komt hij terug als Duurstede. Als benaming van het in de tweede helft van de 13de eeuw gebouwde kasteel, zeker. Maar kwam die naam uit de lucht vallen? Ja, zeggen Blok en Koch, hij is opnieuw uitgevonden bijvoorbeeld in kringen van de geleerde Utrechtse clerus, waarbij men teruggreep op de oudste gegevens die in de archieven van de literatuur te vinden waren. Deze oplossing komt ons gekunsteld voor en de aanduiding castrum in Duersteden in een der oudste teksten over het kasteel uit 1328 schijnt zich er tegen te verzetten. Dat trouwens de hoge geestelijkheid van Utrecht een naam voor een kasteel zou verzinnen, waarmee zij absoluut niets uit te staan had, lijkt evenmin waarschijnlijk. (Bron: Spiegel Historiael).
    Let op het verschil in kritische vragen stellen tussen C.Dekker, de auteur van dit artikel, en die van Blok en Koch. Dan is het toch voor iedereen duidelijk dat Duurstede niet afkomstig is van Dorestad? En ook dit nu eens niet volgens de opvatting van Albert Delahaye, maar volgens mededelingen van de eigen Nederlandse archeologie!

  44. Het stadje Wijk bij Duurstede bestond in 1165 nog niet zodat met 'Wich' slechts het dorp Wijk kan zijn bedoeld. Op hoge ouderdom kan de St.-Janskerk intussen geenszins bogen. Zij mag vooral niet worden vereenzelvigd met de 'Upkirika que est super Dorestad constructa'. Tijdens de opgravingen bleek dat de St.-Janskerk was gebouwd op een te voren nimmer bebouwd geweest zijnd terrein, bestaande uit rivierzand. Enig baksteenpuin alsmede aardewerkscherven, over de kuilen en greppels verspreid en bestaande uit blauw-grijs gekleurd kogelpottengoed alsmede fragmenten van Jacobakannetjes, toonden aan dat de kerkbouw eerst in de 14de eeuw kon zijn begonnen. (Bron: Spiegel Historiael).
    Hiermee komt de hele Nederlandse traditie van Dorestad op losse schroeven te staan: ergo exit Dorestad

  45. De plunderingen en de natuurrampen kunnen niet veel hebben overgelaten van het uit oorkonden en kronieken zo bekende Dorestad. De huizen waren weggevaagd en zelfs de sporen van de Noormannenplaag zijn door de archeoloog nauwelijks aantoonbaar. (Bron: Spiegel Historiael).
    Er is van het uit oorkonden en kronieken overbekende Dorestad te Wijk bij Duurstede nauwelijks iets aantoonbaars gevonden. Onder het "nauwelijks iets" moet echter "niets" begrepen worden. Dan klopt dit met de waarheid die de archeologie laat zien.
    Wat uit dit artikel duidelijk blijkt is dat de locatie Dorestad op de plaats van Wijk bij Duurstede gebaseerd is geweest op de oorkonden en kronieken. En juist daarvan heeft Albert Delahaye aangetoond dat die verkeerd gelezen en verkeerd begrepen zijn. De archeologie bevestigt wat Delahaye op grond van de juiste lezing van de oorkonden al eerder heeft gesteld.


  46. De in de jaren 1943-1945 uitgevoerde opgravingen hebben wat deze vraag betreft wel onweerlegbaar aangetoond dat ter plekke van het kasteel geen oudere vestigingen hebben gelegen. Het kasteel bleek namelijk gesticht op maagdelijke grond die in verband met de onontkoombare eisen van bewoonbaarheid zelfs aanzienlijk opgehoogd moest worden. De slappe bodem werd verstevigd met gevlochten tenen horden: voorlopers van de lang in de dijkbouw gebruikte zinkstukken. Onderzoekingen in de onmiddellijke omgeving hebben aangetoond dat ter plaatse van de kerk de bewoning niet verder teruggaat dan de tweede helft van de 14de eeuw. (Bron: Spiegel Historiael).
    Als je het aangehaalde artikel in Spiegel Historiael van J.G.N.Renaud, en dat is niet de eerste de beste op archeologisch gebied, aandachtig leest, dan kunnen daar de volgende conclusies uit getrokken worden:
    • er is geen oudere bewoning geweest ter plaatse van het kasteel Duerstede;
    • de bewoning in de onmiddelijke omgeving gaat niet verder terug dan de tweede helft van de 14e eeuw;
    • de grond was drassig en moest opgehoogd worden, de transgressies hebben zich ook te Wijk bij Duurstede voorgedaan.


  47. Wijk bij Duurstede is niet het oude Dorestad. De periode van Dorestad als handelsplaats schijnt archeologische niet grijpbaar te zijn. Dat laat zich verklaren, daar de oudste kern van Dorestad in de tweede helft van de negende eeuw met kerk en al moet zijn weggespoeld.(Bron: D.P.Blok).
    Ook Blok erkent dat er te Wijk bij Duurstede niets gevonden is dat de traditie bevestigt! Het blijft dus een interessante vraag wat dr.W.A. van Es dan in Wijk bij Duurstede eigenlijk ging opgraven. Had hij even bij Blok geÔnformeerd dan had deze hem kunnen vertellen, dat hij zich de moeite had kunnen besparen "omdat alles is weggespoeld".

  48. Dit oude Dorestad is tot heden niet gevonden. De sporen zullen dan ook ten prooi gevallen zijn aan de rivier.(Bron: Archeologische Kroniek provincie Utrecht 1988-1989) Bedoeld is het Dorestad van rond 630, waar Madelinus muntmeester was. Archeologisch ontbreekt elk spoor van dit Dorestad dat gezien de teksten een belangrijke en grote handelsstad was. Het is niet gevonden in Wijk bij Duurstede of verre omgeving, maar weggespoeld in de rivier, waarmee de transgressies die altijd fel bestreden werden, onweerlegbaar worden bevestigd. Het is in Nederland de zoveelste keer dat als iets niet gevonden wordt, "het is weggespeld". Weer een archeologisch bewijs waarmee de hele discussie rondom Dorestad kan ophouden.

  49. Wijk bij Duurstede, Zandweg/Singel 2.
    De opgraving was erop gericht om resten van het Karolingische Dorestad en het latere Wijk te onderzoeken. Opvallend is het ontbreken van sporen uit de periode 750-850 AD, de bloeiperiode van Dorestad.
    (Bron: Archeologische Kroniek provincie Utrecht 1998-1999) Het is helemaal niet zo opvallend dat er niets is gevonden uit de bloeiperiode van Dorestad, omdat men niet in Dorestad aan het opgraven is, maar in Wijk bij Duurstede. Dat hier het oude Dorestad gelegen heeft, moet elke archeoloog nu ondertussen wel duidelijk worden, zeker omdat de ROB. o.l.v. Van Es er ook niets van Dorestad gevonden heeft.

  50. Wijk bij Duurstede. Bij opgravingen op de Vikinghof werd aardewerk gevonden, niet vroeger daterend dan 1500.
    Op het terrein van garage Albert Heijn werden scherven gevonden uit de periode 750-850 en enkele skeletten die dateren uit de periode laat-Karolingisch tot de 13e eeuw.
    Op terrein Zandweg/Singel 1 werd een riool gevonden onmiskenbaar uit de 14e of 15e eeuw.
    (Bron: Archeologische Kroniek provincie Utrecht 1998-1999). Het mag duidelijk zijn dat in Wijk bij Duurstede niet het klassieke handelscentrum Dorestad gelegen heeft. De scherven dateren misschien uit de periode 750-850 (hoewel we bij de dateringen van de ROB. i.c. Van Es vraagtekens kunnen zetten), waarbij het gaat om de productiedatum, niet de datum van verlies.

  51. Wijk bij Duurstede. Op terrein Marienhove werden enkele kuilen met Karolingisch aardewerk gevonden. De bewoning van Dorestad op deze plek was niet erg intensief. Op het terrein van voormalig oliehandel De Vos werd Karolingisch aardewerk gevonden, zowel afkomstig uit de 10e eeuw als Pingsdorf, Andenne en Paffrath. Op terrein De Keizer bevond zich zowel Karolingisch als laat-middeleeuws aardewerk in de Rijnbedding. (Bron: Archeologische Kroniek provincie Utrecht 1990-1991) Karolingisch aardewerk (Tatinger, Badorf of Mayer - allemaal uit Duitsland) kan gedateerd worden tussen 800 en 1300, een ruime marge dus. Ook hier geen spoor van het oude Dorestad, de grote en belangrijke handelsplaats die bekend was tot in ItaliŽ.

  52. Dergelijke vondstomstandigheden zijn in Nederland nog nooit zo evident aangetroffen, ondanks de intensieve opgravingen die bijvoorbeeld in Dorestad hebben plaatsgevonden. (Bron: M.Groothedde). Tijdens opgravingen in Zutphen heeft men een unieke vondst gedaan waarvan men meende dat dit een gevolg was van een aanval van de Vikingen. Deze vondst blijkt een Nederlandse primeur te zijn, ofwel elders zijn geen vergelijkbare sporen gevonden, ook in Wijk bij Duurstede niet. Het weerlegt meteen de algemeen aanvaarde traditie van de vele en aanhoudende plunderingen van de Vikingen in ons land. Blijkbaar zijn ze alleen in Zutphen geweest en hebben andere steden, waar ze wel langs gevaren moeten zijn, niet eens bezocht. De waarheid is dat de Noormannen ook niet in Zutphen zijn geweest, zodat de excuses van de Deense minister van Cultuur die de Zutphenaren (hoe verzinnen ze het?) ontvangen hebben, al net zo legendarisch zijn. Wat bovendien raadselachtig is dat de bisschop van Utrecht op de vlucht voor de Vikingen juist naar Deventer vluchtte. De Vikingen tegemoet, die immers toen juist daar en in Zutphen verbleven. Het moet toch niet gekker worden.

  53. Het raadsel van Dorestad.
    Archeologen stellen dat er in de bodem van het oude en deels opgegraven Dorestad weinig sporen van verbrande huizen te vinden zijn. Het zou er op kunnen wijzen dat het met de invallen van de Noormannen wel wat meeviel.
    (Bron: K.Jansma)
    De archeologie komt dus niet overeen met wat de geschreven bronnen vermelden. De vraag of men dan wel op de juiste plaats aan het graven is, heeft men zich blijkbaar nooit gesteld. Ook andere beschrijvingen van Dorestad komen niet overeen met Wijk bij Duurstede. Zie het hoofdstuk over Dorestad.

  54. Het beste voorbeeld hiervan is Dorestad. Daar ontstond, niettegenstaande de aanwezigheid van een koopliedennederzetting, geen stad; het latere Wijk bij Duurstede is ook niet uit Dorestad gegroeid. (Bron: W.Jappe Alberts)
    Het is duidelijk dat Wijk bij Duurstede geen internationale handelsbetrekkingen heeft gehad. Daar moet toch iets van terug te vinden zijn? Aangezien dit volkomen blanko is, is de conclusie gerechtvaardigd dat Wijk bij Duurstede niet de handelsmetropool Dorestad geweest is. Daarentegen is de "market" van Audruicq met een traditie die vele eeuwen teruggaat, in wijde omgeving (tot in Engeland) nog heden overbekend.

  55. R.v.d.Voort, archivaris van Wijk bij Duurstede, twijfelt of deze handelsstad aan de Lek er ooit geweest is. Dorestad zou 55 kerken hebben gehad, in Wijk bij Duurstede is er mogelijk ooit ťťn aangetoond. De stad zou een handelsstad zijn geweest, in Wijk bij Duurstede zijn nauwelijks munten gevonden. De stad zou platgebrand zijn door de Noormannen. Uit wat gevonden is blijkt dit niet, want dergelijke branden laten wel degelijk sporen na. Het lijkt V.d.Voort dat een wetenschappelijke studie, gecombineerd met een uitgebreid archiefonderzoek, op zijn plaats is. (Bron: Utrechts Nieuwsblad.)
    Blijkbaar is zo'n onderzoek er dus nog nooit geweest. Waarop baseert Wijk bij Duurstede dan zijn geschiedenis?
    Maar archivaris Van de Voort kan zich de moeite van dat onderzoek besparen. Dat heeft zijn collega archivaris Albert Delahaye reeds gedaan en komt tot geheel andere conclusies dan de gangbare. Zie de boeken van Albert Delahaye of de link
    de opkomst van Nederland.

  56. In 1320 wordt met "Wiic bij Duersteden" niet de voormalige, weggespoelde Romeins-Merovingische kern en ook niet de stad zelf aangeduid, maar enkel en alleen het kasteel, dat in de 13e eeuw ten westen van de stad gebouwd was. Alle middeleeuwse teksten bewijzen, dat men alleen het kasteel Duurstede noemde, doch de stad alleen Wijk heette. (Bron: D.P.Blok en A.C.F.Koch)
    Dit citaat geeft, waarschijnlijk niet aldus bedoeld, een zeer juiste probleemstelling inzake de identificatie van het oude Dorestadum. Helaas zijn de schrijvers aan de principiŽle vraag voorbijgegaan, op welke gronden en met welk recht in het begin van de 14e eeuw de identiteit van Dorestadum te Wijk-bij-Duurstede is aangenomen. Van buitengewoon belang is hun stelling (de teksten wijzen het trouwens onverbiddelijk uit), dat "bij-Duurstede" een 14e eeuwse toevoeging bij de naam Wijk is geweest. Ook hier zat Blok dichter bij de waarheid dan hij blijkbaar wenste! Overigens komt de naam "Duurstede" in de eigen archieven van Wijk bij Duurstede vóór de 14e eeuw niet voor! De plaats heette toen gewoon Wic of Wijc(k).

  57. Alleen het betrekkelijk jonge kasteel heet dus Duurstede, en Wijk bij Duurstede duidt dus slechts de ligging van de stad bij dit imposante slot aan. Dan echter is er wat de ligging betreft geen continuÔteit geweest tussen Dorestate en Duurstede en dit maakt zeer waarschijnlijk, dat ook in de naamsgeschiedenis deze continuÔteit ontbroken heeft. We nemen aan, dat op het eind van de 13' eeuw deze naam - bijv. in kringen van de geleerde Utrechtse clerus - als het ware opnieuw uitgevonden is, waarbij men 'teruggreep op de oudste gegevens, die in de archieven en de oude litteratuur te vinden waren. (Bron: D.P.Blok en A.C.F.Koch)
    Blok en Koch nemen dus iets aan, waarvan geen enkele zekerheid bestaat. De oudste acte dateert uit 1320. Er is voordien geen enkele relatie aantoonbaar tussen het oude Dorestadum en het nieuwe Wijk bij Duurstede. De continuÔteit ontbreekt, daarin is Blok zeer stellig en duidelijk genoeg. Dat geven de opgravingen ook aan: zie bij de opkomst van ons land. De naam Dorestad werd aan het eind van de 13e eeuw (beter is dus begin 14e eeuw) "opnieuw uitgevonden" vanuit oude buitenlandse literatuur en op Wijk bij Duurstede toegepast. Ook dat geeft Blok zeer juist weer. De Nederlandse traditie gaat altijd uit van de definitieve verwoesting van het Nederlandse Dorestad door de Noormannen in 863. De naam zou al die tijd bewaard zijn geweest en eind 13e eeuw plots weer opduiken. En daarbij ging het fout: men paste de oude geschriften en de oude naam toe op een nieuwe nederzetting, waarbij geen continuÔteit naar het verleden was.

  58. "Dorestad als plaatsnaam is in Nederland een opmerkelijk gegeven. Er zijn in Nederland geen andere vergelijkbare namen. De naam heeft betrekking op een riviermonding. De naam is ontstaan in een Romaanstalige omgeving, Keltisch van oorsprong, ontstaan in een streek waar Keltisch en Germaans in nauw contact met elkaar stonden. De ontwikkeling van de naam loopt in grote lijnen parallel aan die van het Picardisch en is vergelijkbaar met equivalenten van een proto-Picardisch. De palatisering van de -g- in "castro Duristate Frigiones" uit de eerste helft van de 8e eeuw werd, met een verwijzing naar het literair Oudfrans en modern Frans, ongedaan gemaakt." (Bron: L.Toorians).
    Wat Lauran Toorian in dit artikel schrijft, met verwijzingen naar de bevindingen van P.Schrijver, weerlegt de Nederlandse traditionele opvattingen en sluit naadloos aan bij de opvattingen van Albert Delahaye. Verwijzingen naar het Oud-Frans, modern Frans en Picardisch wijzen dan ook feilloos de juiste streek aan waar een Romaanse naam als Dorestad thuishoort. Het blijft verwonderlijk dat de Nederlandse historische wetenschap aan achterhaalde opvattingen blijft vasthouden. Het is duidelijk dat de naam Dorestad in Nederland niet thuishoort, maar in Noord-Frankrijk in het gebied van de taalgrens. En precies daar nu ligt Audruicq, aan de monding van de Franse Aa aan het Almere, op de taalgrens, in Keltisch gebied (Gaelic-GalliŽ) vlak bij PicardiŽ.


    Verder schrijft L.Toorians in dit artikel dat "De 'oplossing' die Blok en Koch voorstellen met betrekking tot de naam Dorestad (zie hiervoor), is een dertiende eeuwse herinterpretatie op basis van uitsluitende schriftelijke bronnen. "De naam en uitspraak zouden sinds 950 volledig in de vergetelheid zijn geraakt, om pas in de 13e eeuw uit de archieven te worden opgediept om in een 'in het kader van de feodale naamgeving' passende naam Duurstede voor het kasteel te leveren". Ik acht hem toch minder waarschijnlijk dan haar bedenkers, die hem zelf omschrijven als 'elegant', zo schrijft L.Toorians.
    De 'elegante' oplossing van Blok en Koch is feitelijk een onbewezen bedenksel, ontsproten aan aan ruime fantasie. Dit is geen wetenschap, maar slechts fabellogie te noemen.

  59. Dorestad was in Nederland het centrum van de Frieze handel in de Karolingische tijd, gelegen aan de samenvloeiing van Lek en Rijn. Achter de aanlegsteigers groeide een nederzetting die een lengte had van naar schatting anderhalve kilometer. We weten niet precies hoe de stad eruit heeft gezien. Op de oever stonden de koopmanshuizen. Lange houten straten verbonden de nederzetting met de rivier. Voor die straten viel bij lage waterstand een stuk strand droog. De schepen bleven op de rivier liggen of werden op de wal getrokken. (Bron: L.Mulder e.a.)
    De bovenstaande beschrijving past precies op die van de 12e eeuwse kroniek van Kamerijk. "Er was een plaats, door bossen en moerassen onbewoonbaar, die door de inwoners Mereweda wordt genoemd, waar de rivieren Maas en Wal, een tak van de Renus, samenkomen. Daar woonde voorheen niemand anders dan jagers en vissers". De opgravingen in Wijk bij Duurstede bevestigen deze tekst tot in detail. Het gaat hier om een vissersplaats, niet om een handelsplaats met naast een waterweg, ook belangrijke landwegen. Ook van de vele genoemde kerken, is in Wijk bij Duurstede geen spoor terug gevonden.

  60. Ongeveer 850 ging Dorestad weer verloren. ...... Dorestad moet in de tweede helft van de negende eeuw met kerk en al weggespoeld zijn. (Bron: D.P.Blok)
    Zo verklaart Blok de totale afwezigheid van archeologische relikten vóór de 9e eeuw te Wijk bij Duurstede, juist op het hoogtepunt van de handel te Dorestadum. "Kerk en al" zijn later ook nooit teruggevonden of opgebaggerd, hoewel er met een miljoenen kostende archeologisch operatie wel naar gezocht is. Zie daarover Spiegel Historiael 1978, speciaalnummer over Dorestad. Ook van de verschillende plunderingen van Dorestad door de Noormannen is bij de opgravingen in Wijk bij Duurstede niets gebleken,
    Blok verklaart dus onomwonden dat er van het oude Dorestad niets meer te vinden zou zijn. Waarom ging Van Es er dan toch graven? Geen wonder dat hij Dorestad er ook nooit gevonden heeft.

  61. Uit schriftelijke bronnen is bekend dat er wel 20 kerken in Dorestad stonden. Met volkomen zekerheid kon na 10 jaren snuffelen nog geen enkele kerk aangewezen worden (onderzoek ROB te Wijk bij Duurstede). (Bron: J.W. Bronkhorst)
    In de bedoelde schriftelijke bronnen wordt zelfs gesproken over 55 tot 60 kerken. Wellicht overdreven (gebaseerd op een leesfout van de handgeschreven tekst? LV=55 of stond er IV=4, LX=60 of stond er IX=9? : vergelijk het met Cunera en de 11.000 maagden, wat er ook maar 11 bleken te zijn), moeten er in elk geval meerdere kerken geweest zijn. Daarvan is dus geen enkel spoor in Wijk bij Duurstede teruggevonden.

  62. In en tegenaan de voormalige golf van de Aa liggen nog verschillende namen op WIC; telkens eindigt of voorafgaande woordvorm: Audruicq (1164 Alderwic), Salperwic (1096), Sconerwic (1139). Hoewel WIC "secundaire nederzetting" niet uitgesloten is, lijkt een betekenis "haakvormige of gebogen inham" toch de meest waarschijnlijke. (Bron: M.Gysseling)
    Gysseling geeft hier dus aan dat WIC betrekkking heeft op een inham van de zee, niet op een secundaire nederzetting en verwijst voor vergelijkbare plaatsen naar Noordwest-Frankrijk, de plaats van de voormalige golf van de Aa, het Almere! Doordenken op zijn eigen bevindingen was er ook deze keer bij Gysseling niet bij. Had hij de juiste conclusie wel getrokken, dan had Gysseling "het probleem van Dorestad" kunnen oplossen. Nu moest dat ook gedaan worden door Albert Delahaye, die nadat Karolingisch Noviomagus gevallen was, de val van Dorestad niet uit kon blijven.

  63. De historie duidt aan dat Dorestad welvarend moet zijn geweest. Het uiterst geringe aantal sieraden dat teruggevonden werd, ondersteunt deze stelligheid niet. Er is geen spoor gevonden van Karolingische of Merovingische bewoning in Dorestad. (Bron: J.W. Bronkhorst)
    Die ene gevonden broche (zie voor een afbeelding bij Twijfel) gebruikt men dus ten onrechte om er in Wijk bij Duurstede geschiedenis mee te schrijven.

  64. Men zou bij de opgravingen in Wijk bij Duurstede mogen verwachten dat er heel wat Viking-vondsten gedaan zouden worden. Waarbij men volkomen bedrogen uitkomt. De meeste vroeger als zodanig gestelde vondsten moesten bij een kritisch her-onderzoek dat kortgeleden plaatsvond, van die lijst worden afgevoerd. (Bron: J.W. Bronkhorst)
    Ook met dit feit houdt de geschiedenis van Dorestad voor Nederland op te bestaan!

  65. Het is niet aannemelijk dat er een Noormannenrijk heeft bestaan, reikend van Tessel tot en met Oost-Friesland. (Bron: D.P.Blok)
    De bronnen geven echter aan dat de Noormannen delen van Frisia permanent in bezit hebben gehad. Dit Frisia lag niet in Nederland, maar in Frans en Belgisch Vlaanderen.

  66. De R.O.B. heeft de pertinente uitspraak gedaan dat de nederzetting Wijk bij Duurstede rond 863 was opgehouden te bestaan en pas in de 13e eeuw in de buurt van Wijk bij Duurstede is voortgezet. (Bron: Museum Dorestad)
    Daaruit kun je slechts concluderen dat Wijk bij Duurstede dan nooit het antieke Dorestad geweest kan zijn, want Dorestad bleef ook na 863 bestaan, gezien de vermeldingen in oorkonden en akten in de tijd daarna!

  67. De "Dorestadmunten", gevonden te Wijk bij Duurstede, bevatten tal van numismatische raadsels, er zitten veel naslagen tussen, en er prijken drie zuivere Engelse munten onder. De Dorestadum-munten kunnen echter niet te Wijk bij Duurstede zijn geslagen. Er zijn buiten de munten indicaties dat de bloei van de plaats in het tweede kwart van de 9e eeuw zijn hoogtepunt voorbij was. (Bron: Dr.H.Enno van Gelder).
    Dat er Engelse munten tussen zitten wordt aangehaald om aannemelijk te maken dat er ook handel met Engeland geweest zou zijn. Echter de Engelse muntateliers stonden bekend om de vele vervalsingen van munten van Quentovicus, Dorestadum en andere Karolingische muntateliers. De munten met de verbasterde opschriften en afwijkingen in gewicht, tonen aan dat de Engelsen, evenmin als latere historici, iets van het opschrift begrepen en er maar wat van maakten. Dat de bloei van Wijk bij Duurstede in het tweede kwart van de 9e eeuw voorbij was, is in tegenspraak met de opvattingen van de ROB, (Van Es), die het zwaartepunt van de bloei juist in de tweede helft van de 9e eeuw legt.

  68. Hun meest beruchte acties zijn de herhaalde plunderingen van de grote handelsplaats Dorestad, het huidige Wijk bij Duurstede. Hoewel de schriftelijke bronnen talIoze overvallen vermelden, vinden we in Nederland bitter weinig voorwerpen die we met de Vikingen en hun activiteiten in verband kunnen brengen. Enkele zwaarden, speerpunten en een aantal sieraden zijn eigenlijk alles wat van die aanwezigheid getuige. Het is dan ook niet verbazingwekkend dat men in wetenschappelijke kring wat genuanceerder over de aanwezigheid van de Vikingen is gaan denken. Niet in de laatste plaats omdat de meest tot de verbeelding sprekende vondst, die bekend staat als de 'Vikingschat van Winsum', helemaal niet met die bloeddorstige Vikingen in verband kan worden gebracht. Conservator G.Elzinga van het Fries Museum heeft een uitgebreid onderzoek gedaan naar de herkomst van de schat. Conclusie: de schat bleek puur bedrog (biskiterij) te zijn.(Bron: L.Verhart)
    In Nederland is niet bitter "weinig" van de Noormannen teruggevonden, beter is te spreken over bitter "niets". Geen archeologische vondsten, geen schriftelijke bronnen (die we kennen zijn allemaal Franse bronnen), geen taal- of cultuurrelicten: niets.

  69. De Vikingen hebben langs de Duitse gedeeltes van de rivieren de Rijn en Moezel geen erfgoed achtergelaten. Er zijn nauwelijks archeologische vondsten en ook geen opgravingen die naar ScandinaviŽ verwijzen, ook de resten van brand aan de Neumarkt in Keulen lieten zich tot nu toe niet direct en onomstotelijk met de overvallen door de Vikingen in verband te brengen. (Bron: A.Willemsen)
    Ook in Duitsland komt de archeologie niet overeen met de geschreven bronnen waarvan men dacht dat die op Duitsland betrekking hadden. Ook in Duitsland bevestigt de archeologie het gelijk van Albert Delahaye!

  70. De geschiedenis van de Vikingen is ook in de Rijnlanden bewaard gebleven, maar niets van de wapens en andere gebruiksvoorwerpen die men anders met nederzettingsvondsten in samenhang brengt, simpelweg omdat de Vikingen zich hier niet permanent vestigden. Het gebrek aan artefacten aan de Rijn heeft ook iets met de instelling van de plundertochten te maken: zij kwamen alleen om te nemen en niet om te geven. (Bron: A.Willemsen)
    Ofwel, van de Vikingen zijn geen vondsten bekend omdat ze alleen kwamen om te halen en niets achtergelaten hebben. Deze onnozele uitvlucht is niet nieuw, maar werd eerder gebruikt door Hugenholtz, Van Heel en Van Es. Hoe besmettelijk infantiliteit kan zijn. De enig juiste conclusie is dat de Vikingen nooit in Nederland geplunderd hebben. Wat viel er te plunderen in dit waddengebied? De teksten zijn wat dat betreft duidelijk genoeg.
    De belangrijkste Nederlandse bodemvondsten die in verband met Vikingen worden genoemd, zijn die in Wieringen en Zutphen. Wie wat beter leest in het geciteerde boek ontdekt al snel dat er ook daar niets gevonden is, dat echt direct in relatie met de "Vikingen" gebracht kan worden. Zo spreekt Willemsen bijvoorbeeld van een in 2002 in de Maas (bij de monding van de Neerbeek) gevonden zwaard van een type dat traditioneel in verband gebracht wordt met Vikingen, maar waarvan het niet zeker is dat dit gebruikt is door Vikingen. Ter illustratie van boek en tentoonstelling blijken de meeste van de circa 160 afbeeldingen en geŽxposeerde voorwerpen uit door Vikingen bewoonde gebieden in ScandinaviŽ en het aangrenzende Sleeswijk-Holstein, Groot-BrittanniŽ of Ierland afkomstig, dus niet uit Nederland. Wie een overzicht maakt van de in het boek opgenomen afbeeldingen van nog aanwezige herinneringen uit de Vikingentijd aangetroffen in de Rijnlanden ziet aan hoe mager de relatie met overvallen door de Vikingen is. Waar al een relatie is met ScandinaviŽ of Vikingen waarschijnlijk of zeker is, blijft het de vraag of dit ook niet een handelsrelatie geweest kan zijn, die de Vikingen ook met de Balkan of zelfs de Arabische wereld gehad hebben. Bekend is dat smeedwerk als sieraden en zwaarden in Vikingenstijl verhandeld en zelfs geÔmiteerd werd, zodat vondsten van "Vikingen"-wapens in beginsel niets zeggen over de makers of gebruikers van die wapens.


    Zie ook het hoofdstuk over Dorestad.

    Terug naar boven.


    10. Over de opkomst van het graafschap Holland!

    1. De voorouders van de eerste graven van Holland, Dirk I en II, in de 9e en 10e eeuw, waren afkomstig uit Vlaanderen. Dirk II was getrouwd met de Hildegard, een dochter van graaf Arnulf van Vlaanderen en deze schenkt het klooster te Egmond kostbare goederen (omstreeks 980). (Bron: Algemene Vaderlandse geschiedenis)
      Uit deze ene constatering kan men vervolgens enkele zeer belangrijke conclusies afleiden.

      De geschiedenis over de eerste graven van Holland is pas rond 1290 voor het eerst door Melis Stoke opgeschreven. De schrijver gebruikte hiervoor teksten die door de monniken van de abdij van Egmond waren bewaard. Deze teksten kwamen van de abdij te Gent en daarvoor oorspronkelijk van de St.Bertins abdij te St.Omaars. Ze werden door de graaf van Vlaanderen aan de abdij van Egmond geschonken.
      De abdij van Egmond was een stichting van Gent, omstreeks 950 tot stand gekomen. Zij werd in de eerste tijd van haar bestaan, bemand met monniken uit Gent, terwijl door de moeder-dochter-verhouding tussen de beide kloosters nog lang een intensief onderling verkeer is blijven bestaan. Hoe de documentatie van Traiectum in Gent terecht kwam, valt gemakkelijk te verklaren. De graaf van Vlaanderen heeft de abdijen krachtig gesteund en verrijkt, eerstens om hem te helpen bij zijn politiek van het weren van vreemde invloeden, tweedens om ook op kerkelijk gebied orde te scheppen in de chaos, veroorzaakt door de Noormannen. Zo heeft hij de St.Bertijns-abdij te St.-Omaars gedwongen om haar monastieke beslotenheid van een zuiver beschouwend leven te verlaten en de zŪelzorg in het omliggend gebied op zich te nemen. In dit verband is het veelzeggend, dat deze abdij dan optreedt in verschillende parochies die voorheen tot het bisdom Traiectum, het bisdom van St.Willibrord, behoorden; en dat deze parochies juist in het noorden liggen, het huidige West-Vlaanderen.

      De afbeelding van een Miniatuur, waarop Dirk II en zijn vrouw Hildegard een evangelie boek van de abdij van Egmond op het altaar leggen, is afkomstig uit Reims (3e kwart 9e eeuw). De afkomst van deze miniatuur is een volgende aanwijzing, dat de geschiedenis van Egmond afkomstig is uit Noord-Frankrijk.

    2. Kijk bij het hoofdstuk over het ontstaan en de herkomst van de naam Holland.

      Wordt vervolgd met nog meer voorbeelden van de onjuistheid van de traditionele geschiedenis.


    Terug naar boven.

    Bestel en lees het boek "De Ware Kijk Op" en oordeel zelf.