| Terug naar de beginpagina. | Naar het overzicht in het kort. |
Citaten die het gelijk van Albert Delahaye aantonen.


|
Lees meer over de wetenschap bij: de traditionele opvattingen, twijfel die er niet zou zijn, ongelooflijke argumentatie, historische blunders, in het nieuws en Cognitieve dissonantie, worden we in de maling genomen door de historici? De verschillende citaten van de hier genoemde historici en de deplacements historiques bewijzen het gelijk van Albert Delahaye. |
Een van de meeste gehoorde tegenargumenten in de visie van Albert Delahaye is, dat hij nooit steun heeft gevonden onder historici van professie. Niets is minder waar. Verschillende beroepshistorici en -archeologen bevestigen de zienswijze van Delahaye door eigen onderzoek of in eigen publicaties. Op zeer cruciale punten geven zij Delahaye gelijk, al vermelden zij dat niet expliciet. 
1. Over de Romeinen in Nederland.
Aldus de eerste alinea uit een artikel in het eerste nummer van NUMAGA, het 'eigen' tijdschrift van Nijmegen, dat zich siert met de klassieke naam van Noyon, waarmee het probleem van de in Nijmegen altijd ontkende verwarring haarfijn wordt geëtaleerd. Julius Caesar is nooit in Nederland geweest en dan moet alles, maar dan ook werkelijk alles, dat voorheen van deze foutieve veronderstelling is afgeleid, uit de Nederlandse historie geschrapt worden. Dan was de Renus dus niet de Nederlandse Rijn, dan was de Betuwe niet het eiland der Bataven, dan vond de slag tegen de Ucipeten en Tencteren niet in Nederland plaats en woonden de volkeren als Cimbri, Cherusci en Suebi die Caesar uit eigen waarneming en treffen heeft beschreven ook niet in Nederland of zelfs ver in Duitsland. Julius Caesar is met zijn veroveringen nooit hoger geweest dan de huidige taalgrens. Dit leidt slechts tot één conclusie: de geschiedenis die Caesar beschrijft in zijn "De Bello Gallico" heeft zich ten zuiden van die taalgrens afgespeeld. Als men deze ene conclusie eenmaal accepteert, komt de geschiedenis in west-Europa vanzelf op de juiste plaats terecht.|
De inscripties leveren het onwedersprederlijke bewijs, dat er op en in den omtrek van het Domplein te Utrecht eene nederzetting lag, die den naam colonia Albiobola Batavorum voerde. Albiobola is blijkbaar een belangrijk militair centrum geweest. (Bron: C.W.Vollgraff) Opgravingen op het Domplein in 1929 toonden onweerlegbaar aan dat Romeins Utrecht "Colonia Albiobola Batavorum" heette. Daaruit volgen enkele conclusies: allereerst was er in Romeins Nederland dus wel een Colonia, n.l. Utrecht, iets dat Van Es verzwijgt (zie citaat hierboven). Op de tweede plaats volgt hieruit dat Romeins Utrecht dus niet Trajectum heette, dat heeft dus ergens anders gelegen. De opgravingsgegevens van Vollgraff zijn altijd "onder tafel gehouden" en verzwegen voor het gewone publiek, want het legt een bom onder de hele traditionele visie van Romeins en Middeleeuws Nederland. Als derde weerlegt het de woonplaats van de Bataven in de Betuwe. Welk volk sticht immers een Colonia in eigen land? Op de vierde plaats wordt met de opgraving van Vollgraff aangetoond dat Utrecht uit de 10e eeuw direct volgde op Romeins Utrecht. De Utrechtse Dom is rechtstreeks op Romeinse fundamenten gebouwd. Net als Elst en Nijmegen vertoont de archeologie en dus de geschiedenis van Utrecht hetzelfde gat van ZEVEN eeuwen. Welk nut die oversteekplaats in Utrecht gehad zou hebben is eveneens nooit aangetoond. Een 'oversteekplaats' leidde slechtst het moerasgebied in. |

|
Wat zegt het Bronnenboek van Nijmegen? De eerstgenoemde en oudste tekst in het Bronnenboek van Nijmegen dateert uit 50 na Chr. Hoewel deze tekst (over de Civitates Batavorum) allerminst op Nijmegen betrekking heeft, erkent het Bronnenboek hiermee wel dat alles wat daarvoor ligt, niet bij Nijmegen hoort! Het Bronnenboek vermeldt Julius Caesar en zijn beschrijving van het Eiland van de Bataven niet. De tekst van Willem van Berchen zoekt men tevergeefs in het Bronnenboek van Nijmegen, ofwel men erkent hiervan de valsheid en dat het hier niet over Nijmegen of de Betuwe gaat. Het Bronnenboek laat de Romeinse periode in Nijmegen dus beginnen in 50 n.Chr. en eindigen in de 3e eeuw. Dit is bijna helemaal juist! De eerstvolgende tekst in het Bronnenboek is uit 770. Derhalve vertoont het Bronnenboek van Nijmegen sowieso al een gat van 5 eeuwen. Dat gat zal allengs groter worden nu aangetoond is (zie de boeken van Albert Delahaye en hierna hoofdstuk 6) dat Karolingisch Nijmegen nooit bestaan heeft. |
Tegenstanders van de visie van Albert Delahaye blijven de langdurige overstromingen (transgressies) steevast ontkennen. Immers toegeven ervan maakt de veronderstelde geschiedenis in één klap onmogelijk. Hoewel deze transgressies wetenschappelijk zijn vastgesteld van Noord-Frankrijk en Engeland tot Denemarken en Scandinavië, zouden ze aan Nederland voorbij zijn gegaan. Toch worden langdurige overstromingen als argument genoemd bij het ontbreken van bewoningssporen in Utrecht en in Wijk bij Duurstede. "In Utrecht is van bewoning niets meer te vinden, omdat alles is weggespoeld!" Dat de transgressies een historische waarheid vormen blijkt uit onderstaande citaten. Ook de kaart van "Overstroombaar" Nederland spreekt duidelijke taal. Het blauw gekleurde gebied was in de transgressie-fasen onbewoonbaar. De voor de periode 4e tot 9e eeuw in ons land veronderstelde geschiedenis kan er dus niet plaatsgevonden hebben, eenvoudig omdat de bodem voor deze geschiedenis ontbrak.
|
Het Bronnenboek van Nijmegen laat de Karolingische periode beginnen met een tekst uit het jaar 770. Daarmee erkent het Bronnenboek dat alle teksten over Noviomagus vóór dat jaar, en dat zijn er al bijna 200, op Noyon betrekking hebben. Van de teksten over Noviomagus na 770 noemt het Bronnenboek er een 150-tal en slaat er honderden over die het dus aan Noyon laat. Zie voor alle overgeslagen teksten de boeken van Albert Delahaye en het hoofdstuk over Noviomagus. |
|
'Feiten zijn niets anders dan gegevens die in het licht van bepaalde veronderstellingen worden geïnterpreteerd. (Citaat van Aart Mekking in Jaarboek Oud-Utrecht 1998). Mekking gebruikt liever zijn creatieve fantasie (zoals hij dat zelf noemt) om tot bepaalde opvattingen te komen. |

|
|
|
Afgezien van het verband tussen de Romeinse en inheemse nederzettingen en het Merovingische Dorestad, waarvoor de geschreven bronnen hoegenaamd geen bijdrage kunnen leveren, bevat de status questionum van de topografische geschiedenis van Dorestad eigenlijk slechts twee hoofdpunten: het probleem van het castrum en de samenhang tussen Dorestad en Wijk. Tot deze twee vraagstukken is de hele problematiek te herleiden, alle andere onopgeloste kwesties, zoals die van de kerk(en), de bisschopszetel, de rivierlopen, de aard van de villa, enz., houden er wel ergens verband mee. (Bron: Spiegel Historiael). Deze zeer terechte opmerking van Dekker zou eens wat breder in historische kring aanvaard moeten worden. En nu eens niet volgens opvattingen van Albert Delahaye, maar volgens mededelingen van de eigen Nederlandse archeologie! Zie de volgende twee punten. |
De geschiedenis over de eerste graven van Holland is pas rond 1290 voor het eerst door Melis Stoke opgeschreven. De schrijver gebruikte hiervoor teksten die door de monniken van de abdij van Egmond waren bewaard. Deze teksten kwamen van de abdij te Gent en daarvoor oorspronkelijk van de St.Bertins abdij te St.Omaars. Ze werden door de graaf van Vlaanderen aan de abdij van Egmond geschonken.