De historische geografie van de lage landen.
Terug naar de beginpagina.
Het Bronnenboek van Nijmegen weerlegt de Karolingische geschiedenis van Nederland.
Naar het overzicht in het kort.

Raymond Brulet. Het laat-Romeinse verdedigingssysteem tussen Moezel en Noordzeekust.

Lees meer over achtergronden om een goed begrip te krijgen over de werkwijze in de historische wetenschap.

Citaten van Historici


wetenschap is twijfel


ongelooflijk


onnozelheid


Heiligenlevens


Kletspraat




Het verhaal van Brulet over het laat-Romeinse verdedigingssysteem tussen Moezel en Noordzeekust is opgenomen (p.103-119) in Tilmann Bechert en Willem J.H.Willems, De Romeinse rijksgrens tussen Moezel en Noordzeekust, Matrijs 1997.


Klik op de tekst voor een vergroting.

Het FUNDAMENT van alle verwarring is het Karolingisch Paleis van Karel de Grote in Nijmegen. Dat paleis blijkt gebouwd op los zand, op nooit bewezen losse beweringen. Op dat losse zand zijn alle volgende mythen gebouwd. Immers als Nijmegen fout is, was de Betuwe ook niet het land van de Bataven; was Utrecht niet de bisschopszetel van Willibrord, werd Bonifatius niet in Dokkum vermoord en hebben de Noormannen nooit in Nederland geplunderd.
Dan stort het hele kaartenhuis van de Nederlandse mythen in elkaar.


Bonifatius, Willibrord, Karel de Grote en de Noormannen zijn voor Nederland volkomen legendarisch.
Zijn er bewijzen dat in de laat-Romeinse tijd nog een verdedigingssyteem langs de Rijn in Nederland bestond? Het is opvallend dat Raymond Brulet, een Waals archeoloog en emeritus hoogleraar van de UCLouvain (Universiteit van Leuven), in dit artikel voor die "bewijzen' naar eigen publicaties (sic) verwijst en naar de studie van W.J.H.Willems "Romans and Batavians in the Dutch Eastern River Area" (Amersfoort 1986). Feitelijk zegt het al dat hij slechts oude informatie naschrijft en herhaalt, want waar haalde Willems zijn opvattingen vandaan? Als je zijn proefschrift leest blijkt dat Willems teruggrijpt op O.G.Heldring, die in 1838 zijn 'Wandelingen ter opsporing van Bataafsche en Romeinsche Oudheden' publiceerde. In 1838...?

En hoe kwam Ottho Gerhard Heldring, die samen met Roelof Hendrik Graadt Jonckers schreef, aan zijn opvattingen? Dat lezen we bij Heldring zelf, die schrijft: "De vestigingsplaats van de Bataven is hoogstwaarschijnlijk de Betuwe, immers de naam zelf die nu nog alleen aan dit oord gegeven wordt, schijnt hier het pleit te beslechten".
Het hier genoemde 'pleit' zal een bestaande discussie zijn geweest. Er werd immers door menig onderzoeker getwijfeld aan enkele traditionele opvattingen, zoals door Jacob van Oudenhoven en Simon van Leeuwen. De opvatting van Heldring is dus gebaseerd op de naamsovereenkomst tussen Batavi en Betuwe, waar dan wel 3 letters overeenkomen maar geen enkel etymologisch verband is aan te tonen, nog afgezien van een hiaat van ruim 8 eeuwen tussen het Romeinse Batavi en de 11de eeuwse naam Betuwe.

Bekijk je de publicaties van Brulet, dan worden daar genoemd: La Roche à Lomme à Dourbes, La fortification de Hauterecenne à Furfooz, Les fortifications routières du Bas-Empire romain de Morlanwelz, La défense du territoire au Bas-Empire dans Ie nordouest de la Gaule, Le Litus Saxonicurn continental, La Gaule septentrionale au Bas-Empire. Occupation du sol et défense du territoire dans I' arrière-pays du Limes aux IVe et Ve siècles, La chronologie des fortifications du Bas-Empire dans l'Hinterland de la Gaule septentrionale, Braives gallo-romain V. La fortification du Bas Empire, Les dispositifs militaires du Bas-Empire en Gaule septentrionale. L'armée romaine et les barbares du IIIe au VIIe siècle. Het zijn vooral "Documents d'Archéologie Régionale de I'Université de Louvain", zoals steeds vermeld wordt. Wat bewijs je hiermee voor Nederland?

Dit artikel van Brulet is opgenomen in het hiernaast afgebeelde boek van Tilmann Bechert en Willem J.H. Willems "De Romeinse rijksgens tussen Moezel en Noordzeekust".Het is interessant te lezen welke bronnen zij gebruikten. En wat blijkt? Het zijn slechts verwijzingen naar publicaties van voorgangers als J.E.Bogaers (1974), J.K.Haalebos (1977), W.A.M.Hessing (1993), J.H.F.Bloemers en H.Sarfatij (1976). Ik wil niet vervelend doen, maar dit zijn allemaal archeologen, net als Willems en Bechert, dus geen echte historici zijn. Beschikken zij over de deskundigheid de oude klassieke teksten te lezen, juist te vertalen en in relatie met elkaar te begrijpen?
Want daarmee begint het probleem met de teksten, zoals die van Julius Caesar in zijn Bello Gallico en Tacitus in zijn Germania.


Zo schrijft Tacitus heel duidelijk waar de Bataven zich vestigden en wel aan de uiterste kust van Gallia en beschrijft dit als de Agri Decumates. Opvallend is dan wat Heldring daarover schrijft: "wat TACITUS van de Germanen in het algemeen getuigt : Waar een bosch , waar eene bron hen lokte, dáár bouwden zij aan; op de hoogte des bergs, aan de stille afhelling der rotsklip naast den bruisenden bergstroom, in de donkerheid van het boschrijk dal, waar de indrukken van het groote en verhevene hunne ziel vervulden, dáár woonden zij het liefst. Maar berg en rotsklip vonden hier de Bataven niet, en echter dreigde de vreeselijke rivier bij de stormen des winters aan de bewoners van het eiland eenen wissen ondergang. Geen wonder, dat zij op de hooger gelegene landen, hunne "terpen" of "vliedbergen", eene veilige schuilplaats zochten en derwaarts eerst hunne landdagen en begraafplaatsen, en daarna ook hunne woningen, verplaatsten. Zóó ontstonden de eerste dorpen (*)".
(*) In deze noot wordt verwezen naar J.J. in de Betouw die schreef: "Dat ook dorp en terp van oorsprong niet onderscheiden zijn, is dááruit zoo veel te meer kennelijk, dat men ook nog in de Betuwe derp voor dorp zegt".

Waar past deze beschrijving in de Betuwe? Waar heb je daar 'hoogten'? Waar zijn daar 'rotsklippen'? Waar in de Betuwe is een 'bergstroom'? 'Klippen' wijst duidelijk op de kust! Vandaar dat Heldring deze tekst verwierp en uitwijkte naar de Betuwe.

Hadden de tegenwoordige historici nu eens wat beter gelezen wat Heldring schreef over 'bergen' en 'bergstroom', over 'rotsklip' en 'bosrijk dal' en over 'terpen', dan hadden ze kunnen weten dat de Betuwe daar allerminst aan voldoet. Dan ga je op zoek naar een landschap dat daar wel aan voldoet en kom je net als Albert Delahaye in Noord-Frankrijk terecht. Daar passen ook alle andere elementen uit de teksten feilloos, zoals de taalgrens, waar je de overkant ziet en waar de Saksen en de Friezen woonden naast de Moriniërs. Maar ook alle in Nederland onvindbare plaatsen en de predikers als Willibrord en Bonifatius met in hun kielzog (soms letterlijk 'varend' over de Isla) Ludgerus en Lebuinus.


Volg je de verwijzingen vanaf Willems en Heldring verder, dan komt je via vader en zoon In de Betouw bij hun voorganger Johannes Smetius terecht, wiens werk zij hebben uitgegeven. De opvattingen van Smetius zijn als gevolg van de klakkeloze naschrijverij terug te herleiden op Cornelius Aurelius en Joannes de Beka en Wilhelmus Heda en kom je uiteindelijk uit bij de fabelschrijvers uit de 11de tot 13de eeuw die tezamen de traditie hebben bepaald. Hiermee werd de basis gelegd van de hele traditionele opvattingen over de Bataven in de Betuwe en Sint Willibrord als bissschop van Utrecht en alles wat daarmee samenhangt.



Dit kaartje van p.104 in dit artikel, toont in feite een ander verhaal dan doorgaans traditioneel wordt gehanteerd. Wel bevat het enkele traditionele onjuistheden.

Heel duidelijk is te zien dat de grens van het Romeinse Rijk, aangegeven met de streepjeslijn, door Noord-Frankrijk en Zuid-België loopt en globaal de taalgrens volgt. De onjuistheden op deze kaart zijn toch nog: 1. De Rijnlimes dient enige correctie te krijgen. Daar hoorde geen enkel deel van Nederland meer bij dat immers rond 260 geheel verlaten was (p.105). 2. de Litus Saxonicum loopt niet door tot in Noord-Brabant; 5. Toxandrië was ook niet Belgische en Nederland Brabant, maar Texandri aan de kust van Het Kanaal: het textielland. Bij 4 worden de bergnederzettingen in de Ardennen geplaatst. Waar lagen die bergnederzettingen dan in Nederland als dat nog tot de Limes behoorde?

Uit het feit dat er weinig sporen zijn van bouwwerken die in het laatste kwart van de 3de eeuw langs de Rijn zijn opgetrokken blijkt dat (zoals vermeldt op p.105) dat sommige gebieden geheel door de bevolking waren verlaten, zoals Toxandrië (Brabant. In plaats daarvan ontstond een nieuw diepteverdedigingssysteem. Gebieden langs de kust ondervonden een dusdanige invloed van de zee (Transgressies) dat kust en rivierdelta ingrijpend veranderden. Ze waren beduidend minder aantrekkelijk voor bewoning geworden en daarmee ook minder relevant voor een systematische (lineaire) verdedigingslinie. (p.104).

Constantijn de Grote zorgde voor nog meer veiligheid door de oprichting van nieuwe vestingen als Haus Bürgel (zie blz. 40-41) en Divitia, tegenover Keulen (blz. 35-36). In de periode van de keizers Valentinianus en Theodosius zou het castellum in Gelduba (KrefeldGellep) wel eens een beslissende rol gespeeld kunnen hebben (zie blz. 44-46). Helaas beschikken wij niet over de betreffende passages in de Notitia dignitatum. Desalniettemin bevestigt archeologisch onderzoek de aanwezigheid van kleinere forten en torens, zoals in Moers-Asberg. De Notitia dignitatum maakt melding van het bestaan van nog een legereenheid aan het eind van de 4de en het begin van de 5de eeuw, die eveneens onder een territoriaal commando viel, namelijk dat van de provincie Belgica II; daarbij worden ook de namen genoemd van drie of vier vestingen die aan de kust gelegen waren. De precieze datum van de invoering van dit systeem, litus Saxonicum genaamd, is niet bekend, hoewel Carausius aan het einde van de 3de eeuw de directe voorganger van de bevelhebber van dit verdedigingssysteem schijnt te zijn geweest. Na Carausius was er sprake van een commandant die de titel dux tractus Armoricani et Nervicani droeg, wat een probleem bij de interpretatie oplevert. Inderdaad werd het oude commando aan het einde van de 4de eeuw opgesplitst, maar het territorium van Belgica II komt niet overeen met dat van de Nerviërs en ook niet met de zone waarin de forten langs de route Keulen-Bavay waren gebouwd. (p.106/107).
Wat hier geschreven wordt is de kern van de hele mystificatie over Romeins Nederland. Was Belgica II wel België, of was het nog steeds het (oude) Belgica dat Julius Caesar en Tacitus al noemden en in Noord-Frankrijk ten zuiden van de taalgrens plaatsten? Het is wel duidelijk dat de Nerviërs rondom Castellum Nerviorum woonden, dat immers hun hoofdstad was.

De visie van Albert Delahaye.
De Notitia dignitatum (hier genoemd op p.105/106) is een lijst van alle burgerlijke en militaire functies in het Romeinse rijk, verdeeld in Oost en West, resp. “Notitia dignitatum Orientis” en “Notitia dignitatum Occidentis”. De lijst is opgemaakt tussen 413 en 425 na Chr.. Er wordt een groot aantal legeronderdelen genoemd van Gallia en Germania, aangeduid met de namen van hun herkomst. Opmerkelijk is dat de “Notitia dignitatum” in Frankrijk een vrijwel onbekende en ongebruikte bron is, al stroomt zij over van Franse gegevens.
De belangrijkste conclusie uit de “Notitia” is dat tussen deze namen geen enkele uit Duitsland is te vinden, om maar helemaal over Nederland te zwijgen, zodat men de opvattingen over Germania Superior en Germania Inferior grondig moet herzien. Immers: deze provincies, maar dan wel op hun juiste plaats gesitueerd, leveren de meeste soldaten voor het Romeinse leger. Zij behoren tot Gallia, ergo volledig ingelijfd in het Romeinse rijk, en worden vanuit Gallië burgerlijk en militair bestuurd. In Duitsland, België (met uitzondering van Doornik en Kortrijk) was geen Romein meer te bekennen. Tenslotte nog een advies. Controleer voor de volledigheid wat en hoe Byvanck in zijn “Excerpta Romana” (1935) uit de “Notitia dignitatum” citeert, en u zult ook de conclusie trekken dat het niet aangaat uit deze lijst met een stortvloed van Franse namen enkele uit hun verband gerukte vermeldingen van Bataven te plukken.



Wat lezen we in de tekst van dit artikel? Welke bewijzen noemt Brulet?

Een bijzondere vondst uit Deurne in de Peel illustreert de rol die het mobiele leger tijdens acties in het grensgebied kon spelen. Een officier van de vexillatio comitatensis Stablesiana VI, een cavalerie-eenheid, vond rond 320 de dood in een moeras. Zijn helm en enkele andere bezittingen zijn in 1910 teruggevonden (p.105/106). Over deze Peelhelm, gevonden in Helenaveen (Deurne) wordt momenteel toch anders geoordeeld. Zie daarvoor de Gouden Peelhelm. Over die vierde eeuw valt ook nog wat te twisten. Aangezien deze helm een uniek exemplaar is, valt er geen datering uit af te leiden. Die datering is het gevolg van 'naschrijverij' van een eenmaal aangenomen opvatting. Is het een bewijs van de aanwezigheid van een groot contigent Romeinse legionairs bij Deurne? Is die helm verloren door een Romeinse legionair en heeft hij geen kans gezien deze even op te rapen? Het was toch een kostbaar gouden voorwerp!
Volgens opgave in bROB jaargang 23 1973 is er het volgende gevonden: Vergulde zilveren helm, 39 bronzen Constantijn-munten, een bronzen fibula, een bronzen spoor en stekels, een fragment van een leren dolkschede met een zilveren bevestiging, drie leren schoenen, grote stukken leer en een aantal kleine stroken wollen stof, allemaal toebehorend aan een lid van de 6e divisie van de equites Stablesiani, die in de Peel een ongeluk moet hebben gehad.

In Berichten van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (volume 43 1998-99) lezen we (vertaald): In Noord-Brabant zijn geen graven uit de tweede helft van de 3e eeuw of de 4e eeuw aangetroffen. De enige uitzondering hierop vormen mogelijk de vondsten uit Deurne (520-001). Zowel de gevonden artefacten, waaronder de bekende Peelhelm, als de beknopte beschrijving van de omstandigheden waaronder de artefacten werden gevonden, (Byvanck 1947, Braat 1973) wijzen erop dat een Romeinse cavalerist/officier in 320 omkwam in de veenmoerassen ten noordwesten van Helenaveen (gemeente Deurne). Het is mogelijk dat twee helpers en een of twee paarden ook omkwamen tijdens een reddingsoperatie. Het is geen graf in de traditionele zin; de vondsten maakten mogelijk deel uit van een offer aan de veenmoerassen.


Lees het boek "De Ware Kijk Op" voor al deze en andere teksten en oordeel zelf!

Terug naar de beginpagina.
Het Bronnenboek van Nijmegen weerlegt de Karolingische geschiedenis van Nederland.
Naar het overzicht in het kort.