| Terug naar de beginpagina. | Naar het overzicht in het kort. |
![]() ![]() Elke diskussie over de oudste middeleeuwse geschiedenis van Nederland zal met de Karolingische residentie in Nijmegen moeten beginnen. Daarbij is sprake van dè Fundamentele verwarring, wat ook geen 'uitvinding' is van Albert Delahaye, maar wel waar alles om draait! Zolang in Nijmegen het paleis van de Karel de Grote niet gevonden wordt -en het is in 2016 nog steeds niet gevonden- houdt het hele traditionele verhaal en daarmee de hele aangenomen geschiedenis in het eerste millennium gewoon op. ![]()
«Als je het niet eens bent met de visie van Albert Delahaye, dien je alle 1637 onvindbare plaatsen uit de bronnen in Nederland, Duitsland of Luxemburg aan te wijzen. Als dat niet lukt heeft Delahaye gewoon gelijk met zijn visie dat deze allemaal in Noord-Frankrijk zijn aan te wijzen.»
Een grote verdienste van Albert Delahaye is ongetwijfeld dat andere historici en archeologen ook eens gingen nadenken en durfden te gaan twijfelen aan de altijd als vaststaande en vastgeroeste (aangenomen) opvattingen. Men durfde eindelijk die verouderde kennis eens te gaan herzien op waarheid en mythe. In de wereld van historische publicaties voerde de onnavolgbare naschrijverij steeds de boventoon en voert dat nog steeds.De quote van Maarten van Rossum hierboven was voor Albert Delahaye maar al te waar. Hij is zelfs moeten verhuizen vanuit Nijmegen naar Zundert, het geboortedorp van Vincent van Gogh, een ander miskend genie.
De altijd aangenomen opvattingen waaraan al veel eerder werd getwijfeld dienen herzien te worden. De verdienste van Delahaye is dat hij die twijfel niet alleen vaststelde, maar ook ging uitzoeken. Hij kwam daarbij tot geheel andere dan de gebruikelijke conclusies. Als je op zoek gaat naar de oudste geschiedenis van Nederland, zul je dat niet vinden in de geschiedenisboeken die elkaar voortdurend tegenspreken, maar moet je teruggaan tot de bronnen. "Ad Fontes": terug naar de bronnen was niet voor niets de lijfspreuk van Delahaye. Accepteer niet wat de historici ervan gemaakt hebben in onnavolbare naschrijverij, maar raadpleeg zelf de klassieke bronnen.De traditionele 'vertalingen' van plaatsnamen vanuit eenmaal aangenomen opvattingen en de zeer bedenkelijke gevolgtrekkingen, komen daardoor vanzelf ter discussie te staan. Bij die traditionele 'vertalingen' werden en worden fouten gemaakt met als ultiem voorbeeld 'de bisschop van Nijmegen' en toen niemand dat tegensprak, werd het vanzelf 'vastgestelde' geschiedenis. Alle geleerden waren het toch met elkaar eens? Maar ook al zijn alle geleerden het met elkaar eens, dan hoeven ze nog geen gelijk te hebben! Toen Albert Delahaye in 1955 zijn eerste twijfel liet horen over de historiciteit van de residentie van Karel de Grote te Nijmegen, was het eerste verweer dat het niet paste in de eenmaal algemeen aangenomen opvattingen. Om Delahaye van zijn ongelijk te overtuigen werd als eerste de oorkonde uit 777 opgeworpen. Dat had men dus beter niet kunnen doen! Immers juist deze oorkonde zit vol met aangenomen opvattingen, waarvoor nog nooit enig overtuigend bewijs is gegeven. Feitelijk gaf het verweer met deze oorkonde Albert Delahaye volkomen gelijk. Men had blijkbaar niets beters om zijn ongelijk aan te tonen. Klik op In de voetsporen van (hieronder) voor een vergroting van dit artikel dat stond in "50 jaar Heemkundekring 'De drie Heerlijkheden", Zundert. ![]() De ondertekening met Niumago van deze oorkonde zou het “afdoend bewijs” zijn dat het “zonder de minste twijfel” als Nijmegen moest worden opgevat. Dit omdat de akte handelt over een schenking aan de kerk van Utrecht, en volgens prof.R.R.Post de korte afstand tussen het object van de schenking en de plaats van de oorkonde de interpretatie van Nijmegen dwingend maakt. Maar het was geen schenking aan Utrecht, maar aan Traiecto: Utrecht is een interpretatie, net als Niumago de interpretatie van Nijmegen was. Echter beide interpretaties blijken onjuist, want in het jaar 777 bestond Utrecht niet eens, wat de archeologie wel aangetoond heeft. Maar de mythe dat Trajecto Utrecht was staat wèl in alle boeken, wat vanwege de onnavolgbare naschrijverij geen enkel argument kan zijn! Het is onvoorstelbaar, dat dit argument van het 'nabijheidsbeginsel' kwam van een hoogleraar in kerkgeschiedenis! Het uitgangspunt was al fout, omdat het geen schenking aan Utrecht betrof maar aan Trajecto, dat dan wel in de aangenomen 'vertaling' van Utrecht was (en niet eens een acceptabele vertaling). Uit archeologisch onderzoek is gebleken dat Utrecht niet eens bestond in 777. Het lag meters (tot wel 5 meter?) onder water. Bovendien is het een onvergeeflijk vergrijp tegen deze methodiek van het 'nabijheidsbeginsel', daar men zulke conclusie niet kan trekken. Zou het opgaan, dan zouden alle plaatsen over de gehele wereld die in de bullen van de paus genoemd worden, in de omgeving van Rome moeten liggen. En dat dit niet zo is, weet elk weldenkend mens en moet zeker een hoogleraar in de kerkgeschiedenis als geen ander weten. Zelfs als het inderdaad een schenking aan Utrecht was geweest (maar dat was het niet), dan doet het niet terzake op welke afstand de oorkonde is uitgegeven. Er zijn meedere voorbeelden te geven van oorkonden of rechtswetten die 'ver van huis' uitgegeven zijn, zoals van onze (voormalige) koningin Juliana die besluiten ondertekende in Porto Ercole in Italië, maar wel voor Nederland golden. En als monseigneur prof.R.Post dan vervolgens zelf verklaard 'Op één punt moet ik Delahaye onmiddellijk gelijk geven. Sint Willibrord is geen aartsbisschop van Utrecht geweest' dan houdt toch het hele verhaal op! ![]() Deze reaktie toont op de eerste plaats wel duidelijk aan, dat de verschillende Nederlandse mystifikaties zó in elkander verweven zijn dat zij elkaar nodig hadden om te blijven staan, wat inderdaad het geval is. Wordt er één omver gehaald, dan stort het hele kaartenhuis van de gangbare geschiedenis van Nederland tot de 10e eeuw in elkaar. Velen (waaronder gerenommeerde historici) meenden dat alles sloot als een bus; wat zij met een voor de hand liggend deksel tegen alle twijfel afsloten. Echter, het deksel bleek bij nader en kritisch onderzoek helemaal niet te passen op de bus met vierkante leugens, omdat het een deksel van een ronde ware kijk bleek te zijn. Lees hier alles over de visie van Delahaye. De bewijzen van zijn gelijk vind je vooral bij zijn opponenten. Zijn oudste broer merkte eens op: "Albert, als jij geen gelijk zou hebben, dan hadden de geleerde heren je toch binnen vijf minuten afgemaakt met de bewijzen van hun gelijk". En aangezien die bewijzen nog steeds niet geleverd zijn, zegt hun zwijgen genoeg. Men komt niet verder dan slechts ontkennen, vals beschuldigen en zelfs leugens, zoals op p.334 in het Verhaal van Gelderland. Het moet ook goed begrepen worden dat Delahaye de historische gebeurtenissen niet ontkent (hoewel het hem wel eens verweten wordt), maar verplaatst de geografische locaties naar het zuiden, te beginnen met het paleis Noviomagus van Karel de Grote dat in zijn Kroningstad Noyon stond. Het is ook geen inhoudelijk historisch probleem is, maar een geografisch probleem. De geschiedenis is op de verkeerde plaats terecht gekomen doordat Noviomagus steeds als Nijmegen werd opgevat. Maar die verkeerd geplaatste geschiedenis bracht wel allerlei mythen mee, zoals over de Friezen, Franken en Saksen en over de predikers van het Christendom. Zo ontstond wel een hele lijst met mythen die al sinds 1965/66 aan de orde zijn gesteld, maar waarop de historische wereld nog steeds geen ander antwoord heeft dan "dat het nu eenmaal niet in overeenstemming is met de eenmaal aangenomen geschiedenis". Wie het land van 'Le Ancien Boulonnais' niet kent, zal ook nooit op de gedachte komen de klassieke ('vaderlandse?') geschiedenis dáár te plaatsen. ![]()
Dertien-honderd-vier-en-vijftig onvindbare plaatsen! Geschiedschrijver W.A.van Spaen schreef het al in 1795: "Mijne grootste kundigheid bestaat in een beredeneerd twijfelen en niet voor waarheid aannemen, hetgeen latere schrijvers alleen uit overleveringen ontleend hebben, en dat door bondige bewijzen kan tegengesproken worden". En juist dit was ook de grootste kundigheid van Albert Delahaye: geen klakkeloze naschrijverij van 'voorgangers', maar zelf op zoek gaan naar bewijs. "Ik kan van de theorieën van Delahaye niet bewijzen dat hij ongelijk heeft", stelde prof.dr.F.Hugenholtz. "Als zou worden aangetoond dat Delahaye op één onderdeel gelijk heeft, dan wordt zijn hele theorie veel waarschijnlijker," Vervolgens verklaarde prof.dr.R.Post: 'Op één punt moet ik Delahaye onmiddellijk gelijk geven. Sint Willibrord is geen aartsbisschop van Utrecht geweest." En juist deze beide professoren F.Hugenholtz en R.Post waren aanvankelijk de felste opponenten van Albert Delahaye. Post geeft hier dat ene onderdeel waar Hugenholtz om vraagt. En Delahaye heeft op veel meer punten gelijk gekregen. Het ultieme bewijs is wel dat de Karolingische kapel op Het Valkhof verre van Karolingisch bleek te zijn en tegenwoordig 'Ottoonse kapel' heet en dat het standbeeld van Karel de Grote in 1962 niet op Het Valkhof werd geplaatst, maar op een schier onbereikbare plaats, verstopt tussen weelderige plantengroei midden op een drukke rotonde. Het belangrijkste uitgangspunt van Karolingisch Nijmegen, een paleis van Karel de Grote, bleek nooit bestaan te hebben. |
DE ONVERBREKELIJKE SAMENHANG VAN DE MYTHEN.
Sommigen hebben er moeite mee dat zoveel uit de geschiedenis van Nederland zou moeten verdwijnen, en werpen tegen dat Delahaye teveel ineens wil bewijzen. Enkelen beschouwen het als onmogelijk, dat één man alle onderdelen van een zo komplexe stof zou kunnen beheersen. Daarom is het dienstig in het kort uiteen te zetten, dat de verschillende onderdelen één onverbrekelijk komplex vormen, waarvan de onderscheiden delen niet op te helderen zijn als de andere onaangetast worden gelaten. De mythen van Nederland vormen één zaak, die pas volledig opgehelderd kan worden wanneer de zich opdringende schijn van alle onderdelen wordt doorzien. Van alle namen is een register samengesteld om aan te geven dat alle namen van plaatsen, streken, rivieren, personen en begrippen onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Als in een oorkonde 18 plaatsen genoemd worden, kan men met de determinatie van slechts één naam niet beweren dat het over Nederland gaat, terwijl de overige 17 namen worden verzwegen. Namen in één oorkonde genoemd moeten altijd in samenhang in een beperkt gebied gezocht worden. Als je eenmaal dat gebied vindt, rollen de plaatsnamen vanzelf de goede kant op. Lees meer over naamkunde.
Centraal in de FUNDAMENTELE VERWARRING tussen Nijmegen en Noyon, staat: "Was het Noviomagus van Karel de Grote Nijmegen of was het Noyon?
De fundamentele verwarring heeft uiteraard ook gevolgen voor de plaatsing van volkeren zoals de Friezen en de Saksen en hun oorsprong of herkomst.
Indien het bewijs geleverd is dat de Karolingische residentie Noviomagus niet Nijmegen was, komt noodzakelijkerwijs de vraag aan de orde, of de Betuwe dan wel het Eiland van de Bataven is geweest. Deze twee gegevens zijn immers uithoofde van de tekst van Einhard niet te scheiden.
St.Willibrord had een kerk in de Batua.- Indien de Betuwe niet de Batua is geweest, dient even onafwendbaar de vraag gesteld te worden of het Trajectum van St.Willibrord in werkelijkheid Utrecht was. Dit Trajectum, ofschoon het niet op de Peutingerkaart staat, heeft in de Romeinse periode gekend en vooral door de berichten over de Noormannen zoveel raakpunten met Noviomagus en de Batua dat de ligging van de plaatsen Trajectum en Noviomagus en de Batua in één en dezelfde streek als een zekerheid moet worden beschouwd.
Uit verschillende teksten kan worden afgeleid, al zeggen zij dit niet met exakte woorden, dat Dorestadum dicht bij Trajectum heeft gelegen. In de berichten over de Noormannen neemt deze stad zelfs een centrale plaats in. Daar tussendoor spelen andere mythen, zoals de duidelijke doublures van Walacria/Walcheren, Isla/IJssel, Wilpa/Wilp, Daventria/Deventer, Tilia/ Tiel, St.Lebuinus/St.Lieven, Eperlecques/Echternach, Suestra/Susteren, Werethina/Werden, en andere ondergeschikte faktoren, die van ver of dichtbij de Nederlandse historische rekonstrukties leken te steunen.
Nu de belangrijkste pijler, de vermeende Karolingische residentie te Nijmegen, is ingestort, zakt het hele mythologisch kaartenhuis in elkaar.
Daarna behoeft niet veel meer bewezen te worden, omdat de aangenomen historie zich al te duidelijk als een mythe presenteerde juist rondom dat Karolingisch Paleis en kan het grote puinruimen van het ingestorte kaartenhuis beginnen.
Karel de Grote en Nijmegen.Er is geen enkel tekstueel of archeologisch bewijs dat het Paleis Noviomagus van Karel de Grote in Nijmegen stond. Daarentegen is van Noyon vastgesteld dat de Karolingen er een palts hadden en dat Karel de Grote in 768 in Noyon, Noviomagus geheten, gekroond is tot Koning van de Franken. Dit is een algemeen bekend feit. Karel liet een nieuw Paleis bouwen toen hij na de dood van zijn broer alleenheerser werd. Waarom zou hij dat Paleis bouwen op een voor hem onbekende plek buiten zijn rijk en niet in het centrum van zijn rijk? Om de Saksen te bestrijden, zegt men in Nijmegen. Maar de Saksen woonden toen naast de Moriniërs en Friezen, aan de kust van het Kanaal. |
Willibrord en Utrecht.Er is geen enkel tekstueel of archeologisch bewijs dat het Trajectum van Willibrord de plaats Utrecht was. Daarentegen is van Utrecht vastgesteld dat het in de 8ste eeuw niet bestond. Willibrord kwam aan op het vasteland in Gravelines, waar de parochiale kerk zijn patronaat draagt. En precies dáár aan de kust van Het Kanaal woonden de Fresones waar hij ging prediken. Bovendien zijn de ruim 360 plaatsen die in het bisdom Trajectum lagen, in Nederland onvindbaar. En kom dan niet aanzetten met die ene plaats Zuilen, dat het Suabsna van St.Ludger zou zijn. Het was Zouafques in Frans-Vlaanderen. |
Het gelijk van Albert Delahaye wordt op steeds meer punten aangetoond, maar het grootste gelijk krijgt hij op het gebied van fysisch-geografisch onderzoek. Zie kaders hieronder!
Hierbij de beloofde cope uit NRC van 25 juni '87. Na herlezing van het bericht zie ik het steeds meer als een belangrijke doorbraak (naar het grote publiek toe). De 3000 jaar geleden (1000 j. v.Chr. en met name in de laatste eeuwen voor onze jaartelling) opnieuw verhevigde agressie van de zee tegen onze kustvlakte klopt met de door Uw vader gereconstrueerde hoge waterniveau t.t.v. Julius Caesar. Het wat rustiger interval in de Romeinse tijd klopt met de vele meters lagere waterstand t.t.v. Drusus en met het nadien tot eind 3de eeuw opereren van Romeinen in ons land. Het vervolgens met kracht weer opgekomen watergeweld klopt met de transgressie-periode tussen het vertrek van de Romeinen en de 10de eeuw, afgesloten door de na 1000 plaatsvindende nieuwe duinvorming.
Met name het noorden en zuidwesten van ons land worden aldus (voor eenieder duidelijk) als schouwtoneel van Merovingisch-Karolingische historie afgeschreven, en daarmee ook de moord op Bonifatius te Dokkum. Wie zich zou willen vastklampen aan de mededeling dat (althans in de pré-Romeinse transgressie) de toestand tussen Kijkduin en Bergen slechts gering beïnvloed werd (en dus Willibrord gerust nog in Noordwijk had kunnen landen!), zal die illusie moeten opgeven, alleen al vanwege de topografische samenhang tussen Bonifatius-moord en de Willibrord geschiedenis.
De staatdrukkerij blijkt het boekje nog niet uitgegeven te hebben, maar hoopt dit volgende week te doen. Heb het alvast besteld om me zo gauw mogelijk ervan te verzekeren dat we niet al te gauw 'hoera' roepen. Een zó officiële en voor iedereen toegankelijke onmogelijkheidsverklaring voor een historisch bestaan van Merovingisch-Karolingische noordelijke Nederlanden zou in elk geval de nieuwsgierigheid naar het 'waar' en 'hoe' van onze desbetreffende "vaderlandse geschiedenis" sterk stimuleren en de 'markt' voor het werk van Uw vader moeten openen!.
Met vriendelijke groet, 1 juli 1987. Ingezonden brief van een deskundige 'lezer' (naam bij ons bekend).
Veel historici en archeologen blijken niet op de hoogte van de fysisch-geografische geschiedenis van Nederland. Het komt er op neer dat laag Nederland tussen de 4de en 9de eeuw volkomen onbewoonbaar was. Voor deze stelling bestaat een hele reeks boeken en artikelen. Klik op deze verwijzing!
Hierbij eindelijk de kopie van "Toen het weer droog was". In de titel kan 'weer' als zelfstandig naamwoord, maar gelet op de uitgestrekte venen in de laagten, evengoed als bijwoord gelezen worden. In de marge heb ik hier en daar 'n aanstreping gepleegd. Maar het is vooral de gehele context van 't verhaal, die Heidinga's overtuiging verraadt dat, afgezien van een paar duizend zandhoogten-bewoners, ons "land" tussen de 5de en 10de eeuw praktisch onbewoonnd want onbetreedbaar was. Deze overtuiging hoorde ik hem in een radio-interview voor de EO in 1986 uitspreken. Hij gokte op ca.5000 inwoners, waarvan hij heel 'collegiaal' dan nog wel 3500 "Dorestadelingen" aan Van Es c.s. afstond: resteerde dus nog 1500, goed voor een tiental Kootwijkjes!
Met het hierboven gekopieerde begeleidend briefje zond ik 'n maand geleden als kopie van dit "Natuur en Techniek '85-artikel" toe aan Telegraafman Kees Roos, die 'for the time being' in handen gevallen lijkt te zijn van ROB(-ers), tot hopelijk voor hem een barmhartige Samaritaan komt opdagen.
Met vriendelijke groet, 11 febr. 1988. Ingezonden brief van een deskundige 'lezer' (naam bij ons bekend).
Toen Albert Delahaye ontdekte dat het Paleis van Karel de Grote in Noviomagus in Noyon bleek te hebben gestaan, was de link met Frankrijk gevonden. De rest bleek gewoon een invuloefening. Alles, maar dan ook alles van de traditionele Hollandse geschiedenis in het eerste millennium bleek in Noord-Frankrijk wonderwel precies te passen. Wonderwel? Was het dan een wonder? Neen, helemaal niet. Die traditionele 'vaderlandse' geschiedenis bleek juist dáár vandaan te komen. Wat in Nederland niet paste, paste dáár precies. Alle plaatsen die de grote naamkundigen D.P.Blok en M.Gysseling in Nederland niet konden vinden, lagen wèl in Frankrijk. Dat was wel zo wonderlijk dat de traditionele historici dat wonder niet kònden geloven.
De gevestigde historici hebben de volgende bezwaren tegen de visie van Delahaye.
Wetenschappelijke erkenning is uitgebleven. Doordat Delahaye zijn theorie steeds verder heeft uitgebreid, zowel geografisch als wat betreft de spelregels bij de interpretatie van gegevens (vertaling van het Latijn, verklaring van plaatsnamen, beoordeling van archeologische vondsten, leeswijze van historische kaarten), is deze als het ware oeverloos geworden. Zodoende ontbreekt een kader van onomstreden gegevens waaraan de theorie kan worden getoetst. Dat kader is een voorwaarde voor elke zinnige wetenschappelijke discussie. Aldus Numaga 2006, geschreven door Bert Thissen, mede-auteur van het Bronnenboek van Nijmegen. (Hij kan zijn eigen produkt toch niet afvallen!)
In 'Het Valkhof, 2000 jaar geschiedenis' (2014) voegt Thissen daar nog aan toe (p.81) dat Delahaye zich uiteindelijk verloor in 'complottheorieën' en duidelijk te ver doorgeslagen is in zijn kritiek, maar een feit blijft wel dat de juiste interpretatie bij naamsvormen als Noviomagus problematisch kan zijn.
Het komt er dus op neer dat Delahaye zich niet houdt aan de spelregels bij de interpretatie van gegevens, waardoor een zinnige wetenschappelijke discussie niet mogelijk is. Let speciaal op 'interpretatie van gegevens', zoals Thissen stelt. Het is dus slechts een interpretatie ofwel (volgens Van Dale) 'een mogelijke verklaring'. Hier krijgt Delahaye een tweevoudige sneer van Thissen, maar dan geeft hij Delahaye toch wel weer gelijk met 'problematische interpretatie van naamsvormen'. En dat is precies waar de studie van Delahaye over gaat. Hij deed nu eens wèl onderzoek naar de oudste bronnen, een onderzoek dat tevoren nooit gedaan is, zoals bleek toen prof.dr.F.Hugenholtz zich terloops eens versprak.
En is het ook niet zo dat een discussie pas zinnig is als wetenschappers het juist niet eens zijn met elkaar? Discussie betekent toch 'van gedachte wisselen' of 'redetwisten'? Als je het volledig met elkaar eens bent, hoef je immers niet te discussiëren! En van gedachte wisselen is er ook niet bij als je dezelfde opvattingen hebt. Maar steeds blijkt dat de opponenten van Albert Delahaye zijn boeken niet eens gelezen hebben, zoals ook blijkt uit het Verhaal van Gelderland'. Men legt hem beweringen in de mond die hij nooit gedaan heeft. Maar dat kan ook niet anders omdat de boeken van Delahaye steeds geweerd worden en in geen enkele 'Nijmeegse' literatuurlijst zijn opgenomen. Het publiek mag blijkbaar niet weten welke complottheorieën Delahaye er op na houdt.
Over complottheorie gesproken. Volgens Van Dale is dat een samenzwering tegen iets of iemand. Samenzwering? Met wie zweert Delahaye dan samen? Hij stond volgens prof.dr.Leupen toch alleen in zijn opvattingen? Is het niet precies andersom en wel dat de gevestigde historici tegen Delahaye samenzweerden? Zij weren en verzwijgen en-bloc de boeken van Delahaye. Dan is een discussie ook niet mogelijk, als men elkaars standpunten niet eens kent.
En dan te bedenken dat Albert Delahaye zijn oud-dorpsgenoot Bert Thissen in zijn repliek op het Bronnenboek toch gespaard heeft. Immers, zoals Delahaye schreef Thissen kon het ook niet helpen dat hij in Nijmegen terecht kwam, waar de opleiding van historici op een bedroevend laag pitje staat, wat al blijkt uit het feit dat daar nog blindelings op indices wordt gewerkt - een doodzonde voor een historicus - en teksten er zonder verband worden uitgepikt, in plaats van hele kronieken te lezen.
Daar kunnen we nog aan toevoegen dat Thissen ook op school blijkbaar niet altijd goed opgelet heeft. Zou hij geen atlas hebben? Immers op p.79 van 'Het Valkhof' laat hij Karel de Grote via de Moezel en Maas naar Nijmegen reizen. Dát lijkt mij nu juist érg problematisch. In die tijd bestond het 'Canal de la Marne du Rhin' nog niet. Dat is pas geopend in 1853, maar je moet dan nog wel door 154 sluizen om van de Moezel in de Maas te komen. En waar je nu het Maas-Waal kanaal ten westen van Nijmegen hebt, kon je vóór 1927 niet vanuit de Maas in Nijmegen komen.
De conclusie van dit hele verhaal moet dus zijn, dat de gevestigde historici en archeologen zich blijkbaar wel aan de spelregels houden bij de interpretatie van gegevens. Een wetenschappelijke discussie zal dan ook niet noodzakelijk zijn, zeker omdat onder historici naschrijverij algemeen uitgangspunt is. Maar waarom bestaat er dan toch zoveel discussie? Als voorbeeld, gegeven door Thissen zelf op p.74 in 'Het Valkhof': "Onlangs is geopperd dat ook Zutphen een dergelijke palts heeft gekend, maar dat is nog onzeker en bovendien wordt in de bronnen nergens melding gemaakt van een koninklijk of keizerlijk bezoek aan die plaats". Thissen is het hier dus duidelijk oneens met Michel Groothedde die het voorgaande opperde. 'Opperen' is volgens Van Dale: een denkbeeld, een voorstelling vormen. Het is dus slechts een denkbeeld ofwel een zelf bedacht idee. Waarvan acte!
Eenzelfde discussie lees je ook op p.33 in 'Het Valkhof' waar het over Castra Herculis gaat, dat Druten, Arnhem of misschien Nijmegen geweest zou zijn! Zouden historici behalve atlassen, ook geen woordenboeken hebben?
Het is wel hilarisch (=lachwekkend, als het niet zo serieus zou zijn) en veelzeggend dat de verschillende auteurs over Karolingisch Nijmegen naar elkaar verwijzen. Thissen verwijst naar Hendriks, Den Braven en Enckevort, die weer verwijzen naar Paul van der Heijden, die het advies krijgt in zijn boek over 20 eeuwen Nijmegen nog enkele hoofdstukken toe te voegen. Wat Van der Heijden nog moet toevoegen, staat er dus niet bij.
Maar het verwijzen naar elkaar heeft weinig zin als men slechts van elkaar naschrijft en laat zien dat men de geschiedenis van Nijmegen niet eens kent. Want uit elk betoog over Nijmegen waar men begint met Julius Caesar, blijkt dat men nog steeds vasthoudt aan achterhaalde mythen en fabels. Kom eens met iets nieuws. Openbaar de opgravingverslagen eens waaruit blijkt dat Karel de Grote een palts in Nijmegen had.
We kunnen slechts iedereen aanraden die moeite heeft met de visie van Albert Delahaye vooral te lezen wat de historici en archeologen zelf schrijven, zoals het verhaal van Bert Thissen in "Het Valkhof" (2014). Hieruit blijkt hoe Thissen probeert recht te praten wat krom is ofwel probeert te blijven geloven in een palts van Karel de Grote in Nijmegen, terwijl daar geen enkel bewijs voor te vinden is, niet archeologisch en ook niet tekstueel, wat hij tussen de regels door toch ook erkent, moet erkennen.
De visie van Albert Delahaye wordt het beste aangetoond met wat historici zelf publiceerden. Wat in Nederland echt niet paste werd via kronkelgedachten 'aangepast', verzwegen of voor vals verklaard. Lees meer over de klinkklare onzin die daardoor ontstond.
Het steeds terugkerend kernpunt in de visie van Albert Delahaye is de grote verwarring die altijd bestaan heeft onder historici en de klassieke schrijvers. Lees daarvoor het hoofdstuk over vervalsingen, dat aan de grondslag ligt van de grote spraakverwarring. Die spraakverwarring werd door de historici van naam aanvankelijk stellig ontkend. Toen het eenmaal duidelijk was dat die spraakverwarring er wel degelijk geweest is, met als ultimo het opvoeren van 'de bisschop van Nijmegen' (zie daar), moesten de historici wel inbinden en kwam van lieverlee de waarheid op tafel. Een waarheid die overigens nog steeds door enkele die-hards (vooral van de universiteiten) ontkend wordt. Zij hebben immers geschiedenis gestudeerd, wat zij als bewijs van hun gelijk opvoeren. Hadden zij die geschiedenis maar eens bestudeerd. En helaas, hebben zij het nog steeds voor het zeggen: zij hebben er immers toch voor doorgeleerd? Hun onjuiste opvattingen toegeven zal door hen ook niet gebeuren. Wie die 'hen' zijn lees je bij wetenschap.
|
Artikelen van Albert Delahaye.
Tijdens zijn archivariaat in Nijmegen heeft Albert Delahaye ruim 150 artikelen over de stad Nijmegen geschreven. Klik hier voor de bijna complete lijst. Daaruit blijkt dat hij wel enige kijk had op de stad en haar ontwikkeling. Het begon met de constatering dat er een FUNDAMENTELE VERWARRING bestond tussen Nijmegen en Noyon. Het heeft de historici niet aan het denken gezet, sterker: die verwarring werd aanvankelijk stellig ontkend. Toen Delahaye dan ook ontdekte dat van de Karolingische periode geen enkel bewijs aanwezig was, maar het een algemeen aangenomen geschiedenis betrof, ging hij op zoek naar de werkelijke geschiedenis. Daarbij viel hij van de ene verbazing in de andere, met als gevolg het nu wel bekende verhaal dat U op deze website vindt.
Zijn artikelen werden gepubliceerd in 'De Gelderlander', de krant die hem aanvankelijk wel goedgezind was, wat veranderde toen de artikelen over Karel de Grote verschenen. Toen koos de krant duidelijk de kant van de gevestigde historici, ook al hadden zij geen weerwoord op de artikelen van Delahaye. Hetzelfde zien we later ook bij 'Dagblad De Stem' in Brabant (zie quote linksboven). Wat is dat toch met die kranten? Waarom volgen zij niet de deskundigen die de oude zaak eens opschudden met nieuwe vaststaande feiten en niet langer in de oude 'verhaaltjes' blijven geloven?
Wat in die felheid zeker meespeelde is dat de geleerde heren van 'niveau' het niet hebben kunnen verkroppen dat een 'amateur' hen pijnlijk op hun onjuiste opvattingen wijst. Het wordt nog pijnlijker als die 'amateur' aantoont dat de vakgeleerden van 'niveau' generaties lang onzin hebben beweerd omdat ze in plaats van zelf bronnenonderzoek te verrichten, elkaar alleen maar naschreven. En laten we voorts ook even vaststellen dat degenen, die Delahaye het felst hebben bestreden, toevallig juist degenen zijn die er het meeste belang bij hebben dat hij geen gelijk zou krijgen, omdat ze anders hun proefschriften en de daardoor verworven titels en professoraten wel in de prullenbak konden gooien.
"Aardig maar lang niet overtuigend"
Bij de verwijten aan Delahaye werden ook leugens en onwaarheden als bescherming van de traditie gebruikt zoals op p.334 van het Verhaal van Gelderland. Zo betoogt prof. H.Janssen (1929-1985) dat prof.Hugenholtz 15 jaar geleden met zijn studenten een jaar lang heeft gewerkt aan de beweringen van Delahaye wat negatief uitviel. Knap! Om al een jaar lang te werken over een boek dat nog moest verschijnen. En waarom zo lang, als het allemaal zo eenvoudig te weerleggen zou zijn? Janssen kan overigens ook geen duidelijke weerlegging in één zin van het verhaal van Delahaye geven. Maar een weerlegging in meerdere zinnen heeft hij ook nooit gegeven! Van die onweerlegbare feiten die hij noemt heeft Delahaye nooit iets mogen vernemen. Ze staan misschien in het Bronnenboek van Nijmegen, maar daar heeft Janssen niet aan meegewerkt. Had hij daarover al twijfels? Lees meer over historicus H.Jansen. Lees meer over het Bronnenboek en over Hugenholtz.
In zijn inleiding op Holle Boomstammen schreef Delahaye dan ook: "Ik heb alleen uit zucht naar de pure historische waarheid aan een ingewikkelde zaak gewerkt, en mijn beloning heeft bestaan uit hoon, beledigingen en verdachtmakingen, achterstelling en benadeling in mijn ambtelijk en persoonlijk leven, tot een systematisch doodzwijgen en het passeren van mijn ander wetenschappelijk werk"
Er zit iets tragisch in, dat het genie pas achteraf en stapsgewijze erkenning vindt. Maar is het ooit anders gegaan? Kreeg Galilei meteen gelijk? Werd de opvatting van Darwin meteen onderschreven? Begreep iedereen meteen wat Einstein bedoelde met zijn theorie? Datzelfde overkwam ook Delahaye waarvan men zijn theorie ook niet kon volgen en begreep. De gedachte dat de geleerde heren van 'niveau' zijn boeken niet lazen en niet ingingen op zijn bevindingen was ten dele waar. Zij hebben zijn boeken wel degelijk gelezen, maar helaas voor hen, ze begrepen het niet. Zij hadden geen weerwoord, omdat ze in hun opleiding nooit gehoord hadden dat het wel eens geheel anders zou kunnen zijn. Ze wisten niet beter en doorzagen wel de consequenties, zoals Hugenholtz dat eens uitte: "Als Delahaye gelijk heeft is mijn hele boek fout". Dat was ook de belangrijkste reden van zijn felle weerstand ten aanzien van de visie van Albert Delahaye: er moest een boek en een reputatie gered worden!
Het is toch zeer merkwaardig zoals Delahaye zeer terecht vaststelt, dat alles wat wij over Nederland tot in de 10e eeuw weten afkomstig is van buitenlandse schrijvers en dat er geen enkele vaderlandse bron is. Dat laatste is op zichzelf al merkwaardig, want als hier een dichtbevolkte landstreek met steden, bisdommen, kloosters en zelfs een koninklijke palts geweest zou zijn, dan zouden er toch ook oorkonden, kronieken en andere geschriften moeten zijn. Toch schreef Jacob Jacob van Oudenhoven in 1654 in zijn boek "Out Hollandt, nu Zuyt Hollandt" al over "het ontbreken van elke schriftuur", geen enkel geschrift over de geschiedenis van Holland. Hij concludeerde terecht dat het onjuist moest zijn wat sommigen zeiden, namelijk "dat de eerste Hollanders ongeletterd waren en niet konden schrijven". "Het geeft geen pas", schrijft hij met enige verontwaardiging "zo een ongeletterdheid te veronderstellen bij een zo vief volk als de Hollanders, maar de geschriften ontbreken omdat het land niet bewoond was". Die oude Jacob had het perfect begrepen en het volslagen juist geformuleerd. | Prof.F.Hugenholtz stelde eens in de Volkskrant van 20 okt.1979 (zie quote hiernaast): |
| Dat gelijk op dat ene onderdeel (en meer!) kreeg Delahaye met Het Bronnenboek van Nijmegen waarin een bisschop van Nijmegen werd opgevoerd.
Het mag frappant genoemd worden dat Hugenholtz, toch de bewaker en grootste verdediger van Karolingisch Nijmegen, als co-auteur van Het Bronnenboek ontbreekt. De reden van het ontbreken van Hugenholtz is dat hij ervan overtuigd geraakt was dat Delahaye gewoon gelijk had. Daar durfde hij zijn vingers niet aan te branden en zijn reputatie niet voor op het spel te zetten! Maar helaas, die reputatie was reeds verbeurd verklaard! Lees meer over Prof.F.Hugenholtz. |
Als reactie op Het Bronnenboek van Nijmegen (zie daar) schreef Albert Delahaye 'De Bisschop van Nijmegen' (zie daar). Daarop verscheen in 1982 een artikel in Numaga (Jaargang XXIX nr.3-4) met de titel 'Nijmegen en de dooddoeners van Delahaye'. Daarmee poogden Bogaers en Leupen het Bronnenboek en hun standpunten te redden. Het heeft niet mogen baten. Lees over het artikel en de dooddoeners. Het Bronnenboek kan gekwalificeerd worden als broddelwerk en bevestigt op alle fronten het gelijk van Albert Delahaye. Het Bronnenboek had dan ook beter als titel het Broddelboek kunnen dragen.



Na zijn benoeming als archivaris in Nijmegen groeide bij Albert Delahaye de overtuiging, dat er iets mis was met het Karolingische karakter van de zogenaamde keizer Karelstad. De eerste twijfel werd opgeroepen door de plaats van het zogenaamde Karolingisch Paleis en het daaraan verbonden Valkhof, dat buiten de stad lag. Dat was geen Karolingische stad met het Paleis in het centrum, maar een Duitse stad, waarbij het Paleis, zoals in Nijmegen, buiten de stad lag. Al snel kwam de verwarring met Noyon (ook Noviomagus geheten) boven tafel. Bovendien vertoonde de archeologie een totaal gemis aan Karolingische vondsten, terwijl er volop Romeins is gevonden. En dat terwijl de Karolingische periode er langer geduurd zou hebben dan de Romeinse aanwezigheid.
Een ontdekking van Albert Delahaye was de West-Oriëntatie (zie bij West-Oriëntatie), een verkeerde toepassing van de windrichtingen door historische schrijvers. Wat sommige klassieke schrijvers noord noemen is voor ons west, wat zij oost noemen is ons noorden, hun zuiden is ons oosten. Als de Pyreneeën worden beschreven in het westen van Gallië, had dat iedere historicus aan het denken moeten zetten. De geografie die in de antieke teksten beschreven werd, moest haar juiste plaats krijgen. Vandaar dat zijn boek de alles omvattende titel "Vraagstukken in de Historische Geografie van Nederland" meegekregen heeft. Dit boek verscheen in 1965/1966 (2 delen) en werd door de traditionele historici niet begrepen en belachelijk gemaakt en door Hugenholtz en Stolte zelfs verboden in de bibliotheek van de Universiteit van Nijmegen. Hoe wetenschappelijk ben je dan als je een niet welgevallig boek bij voorbaat verbiedt?
![]() De historische kennis van deze zogenoemde vakmensen bestaat uit naschrijverij van de 13e tot de 17e eeuwse fabelschrijvers, zelden uit eigen onderzoek. Veel teksten die Albert Delahaye op tafel legde kenden ze niet en hadden ze nog nooit gezien. Zelfs prof.dr.G.Duby van de Sorbonne-universiteit in Parijs moest erkennen dat hij dat allemaal niet wist. En dan gaan ze een archivaris die deze teksten opspoorde, vertellen hoe die gelezen moeten worden? Dan blijkt duidelijk dat de klassieke schrijvers Frisia en het land van de Bataven in (Frans-)Vlaanderen plaatsten en helemaal niet in Nederland. |

In het eerste Millennium blijft er niet zo veel over van de traditionele geschiedenis. Na de Romeinse tijd die voor Nederland slechts minimaal geweest is, kwam pas in de 10e eeuw weer bewoning op gang. In de periode ertussen was (laag-)Nederland één groot waddengebied aan een open zee, grotendeels ongeschikt voor bewoning. Op de Nederlandse bodem kunnen alle bekende historische feiten zich niet hebben afgespeeld, gewoonweg omdat die bodem ontbrak! Zie bij Transgressies.
![]() 'Waarom dan, oh Stem, heeft Uw stem mij 30 jaren in mijn eigen ambtsgebied in westelijk Noord-Brabant belasterd en belachelijk gemaakt, omdat ik hier nog meer dan elders in het land, voor een zot werd versleten? Indien Uw Stem nog enig journalistiek geweten heeft, dient U mij, ook over zeven kolommen eens Uw excuses aan te bieden. Hartenkreet van Albert Delahaye op bovenstaand berichtje in De Stem van 9 januari 1987, slechts 10 dagen voor zijn overlijden. |
En de Nederlandse historici? Die zwijgen als het graf, waarin de mythen begraven zijn. Slechts de plaatselijke VVV's houden "de mooie verhaaltjes" maar al te graag in stand, vanwege de toeristische pecunia's!
Zoals Albert Delahaye ook meerdere malen heeft aangegeven, aanvaardde hij volledig de mogelijkheid, dat (Franse) historici in de toekomst ten aanzien van een aantal plaatsen tot betere determinaties zouden kunnen komen. Immers ten aanzien van een aantal plaatsen had ook Delahaye geen pasklare oplossing. Soms omdat er gezien de context, meerdere locaties voor in aanmerking kunnen komen, soms omdat de bedoelde plaats niet meer terug te vinden is, omdat zij gewoon niet meer bestaat.
Maar uit meer dan 5000 plaatsen slechts twijfel hebben over een honderdtal, is vele malen meer acceptabel dan de Nederlandse traditie, waar het precies andersom lag: van die 5000 plaatsen heeft men er een kleine 100 (helaas foutief) in Nederland kunnen plaatsen. De grote meerderheid is nooit gevonden en dat zou al veel eerder evenzoveel vragen hebben moeten opwerpen.