De historische geografie van de lage landen.
Terug naar de beginpagina.
Het Bronnenboek van Nijmegen weerlegt de Karolingische geschiedenis van Nederland.
Naar het overzicht in het kort.

Jaarboek Oud-Utrecht 2022.

De ware geschiedenis van Nederland in het eerste Millennium, per onderdeel te lezen.
Nijmegen
Karel de Grote
Willibrord
Bonifatius
Bataven
Franken
Friezen
Saksen


We bespreken uit de Jaarboeken alleen de artikelen die gezien onze studie van belang zijn.



De bespreking van het eerste artikel over Het Utrechtse tolrecht vind je in Jaarboek 2021.


Klik op de tekst voor een vergroting.

Het FUNDAMENT van alle verwarring is het Karolingisch Paleis van Karel de Grote in Nijmegen. Dat paleis blijkt gebouwd op los zand, op nooit bewezen losse beweringen. Op dat losse zand zijn alle volgende mythen gebouwd. Immers als Nijmegen fout is, was de Betuwe ook niet het land van de Bataven; was Utrecht niet de bisschopszetel van Willibrord, werd Bonifatius niet in Dokkum vermoord en hebben de Noormannen nooit in Nederland geplunderd.
Dan stort het hele kaartenhuis van de Nederlandse mythen in elkaar.


Bonifatius, Willibrord, Karel de Grote en de Noormannen zijn voor Nederland volkomen legendarisch.


Tot besluit.
In de Middeleeuwen onderscheidde men idealiter drie standen: de adel, de geestelijkheid en de boeren. De adel werd geacht iedereen bescherming te bieden, de geestelijkheid voor iedereen te bidden en de boeren voor iedereen te werken. Dit ideaal stemde evenwel niet geheel overeen met de werkelijkheid; al vroeg in de Middeleeuwen waren er mensen die zich niet in dit patroon lieten voegen. Hiertoe behoorden ook de handelaren en tot op zekere hoogte de ambachtslieden. Dezen woonden met name in en bij nederzettingen waaruit in de Middeleeuwen steden zijn ontstaan. Zo’n nederzetting was ook Utrecht, dat zich ontwikkeld had uit een Romeins castellum, dat in de achtste eeuw een missiecentrum en zetel van een bisschop was geworden. Omdat de bisschoppen op een gegeven moment ook werden ingeschakeld bij het bestuur van het Heilige Roomse Rijk, groeide het uit tot een machtscentrum van betekenis. Regelmatig werd het daarom in de elfde en vroege twaalfde eeuw door de koningen en keizers van het Rijk bezocht. Het hoeft niet te verbazen dat Utrecht eveneens betrokken raakte bij en de gevolgen ondervond van de wijzigingen in de machtsverhoudingen, zoals deze zich vanaf het derde kwart van de elfde eeuw voordeden. De paus en de keizers van het Rijk streden in deze periode om de macht over niet alleen de kerk maar ook in de westerse wereld als geheel. Kort voordat er in september 1122 hieromtrent een overeenkomst tussen beiden werd gesloten, bezocht de keizer, Hendrik V, enkele malen Utrecht teneinde in deze streken zijn positie en macht te consolideren. Het is in deze periode dat bisschop Godebald ook stadsrechten verleende aan onder meer de burgers van Utrecht, terwijl er tegelijkertijd ook verschillende waterstaatkundige kwesties speelden: de afdamming van de (Kromme) Rijn en het graven van de Vaartse Rijn als verbinding tussen de Lek en de Hollandse IJssel en de stad. Met deze projecten waren aanzienlijke belangen gemoeid, van zowel de Utrechtse handelslieden, die behoefte hadden aan een nieuwe, betere vaarroute, alsook de bisschop, (kerkelijke) instellingen en personen die profijt voorzagen van de nu mogelijk geworden ontginningen in belangrijke delen van het Nedersticht. Bij dit alles kreeg men op een gegegeven moment ook te maken met een weerspannige, zo niet opstandige graaf. Naar aanleiding van voorgenomen strafmaatregelen tegen en mogelijk zelfs afzetting van deze graaf Willem van Goye brak er eind mei 1122 in Utrecht een rel uit, die door de keizer als een opstand tegen het keizerlijk gezag werd beschouwd. Nadat de orde en rust waren hersteld, maakte de keizer van de gele48 genheid gebruik om op 2 juni van genoemd jaar onder andere het oude recht en het recent verleende privilege van de bisschop ten gunste van de Utrechtse burgers te bevestigen, naar expliciet gesteld wordt, om ‘het bisdom en de kerk van Utrecht in trouw aan de keizer te bewaren’. Ook werd aan de Utrechters een tolprivilege verleend. Hoewel de opzet van de keizer moeilijk echt geslaagd kan heten – de band met het Rijk is op den duur steeds losser geworden – hebben de toen door de keizer bevestigde privileges mede de basis gelegd voor de betekenis van Utrecht als verreweg de belangrijkste (Noord-)Nederlandse stad in de Middeleeuwen. Met recht wordt daarom deze gebeurtenis ieder jaar op 2 juni als ‘stadsdag’ herdacht.
Het Utrechtse tolrecht Deel 2: Ontwikkeling op basis van nieuw ontdekte handschriften. Door Bart Ibelings en Kaj van Vliet.
De inwoners van Utrecht ontvingen twee oorkonden uit handen van de Duitse keizer Hendrik V. In de eerste oorkonde - ook wel aangeduid als de stadsrechtoorkonde - bevestigde hij de rechten en privileges die de bisschop hen eerder had verleend en waarin behalve die van Utrecht ook de inwoners van Muiden deelden. Voor hun bijdrage aan de aanleg van de Utrechtse omwalling - later door een stadsmuur - schonk de keizer de Utrechters vrijstelling van de tol, die zij moesten afdragen aan de bisschoppelijke tollenaar als zij iets wilden verhandelen op de Utrechtse markt. In de tweede oorkonde stelde de keizer, na bezwaren van de Utrechters over de (te hoge) tarieven die de tollenaar van de bisschop eiste van kooplieden die de stad met hun handelswaar kwamen bezoeken, de juiste tarieven vast voor de Utrechtse tol, zoals die daar van oudsher hadden gegolden. Als zodanig bevat deze oorkonde de oudste codificatie van het Utrechtse tolrecht.

Het gaat in de eerste oorkonde over tolrecht, in de tweede over de tarieven van die tol en helemaal niet over stadsrecht. Dat is een aangenomen interpretatie (zie hieronder punt 1) van Ibelings en Van Vliet zouden dat ook moeten sinds 1972 (artikel van J.E.A.L.Struick die het heeft over een 'tuin vol valkuilen en putten', waar het over de geschiedenis van Utrecht gaat) en dat weten ze ook zoals in het Jaarboek 1995 gebleken is. Deze oorkonden worden in de literatuur steeds "stadsrechten Utrecht" genoemd, wat volkomen onjuist is. Het was een 'tolrechtprivilege'-oorkonde Lees hier de Nederlandse tekst van deze oorkonde.

Het Utrechts ‘stadsrecht’ is al vele malen besproken. We noemen hier slechts de bijdragen van drie Utrechtse archivarissen: ‘Het recht van Trecht’ van wijlen dr. J.E.A.L. Struick uit 1972, ‘De dam bij Wijk’ van prof. dr. C. Dekker uit 1980 en ‘Utrecht, Muiden en omgeving. Oude privileges opnieuw bezien’ van dr. K. van Vliet uit 1995. Daarnaast publiceerde dr. M.W.J. de Bruijn in 1996 het artikel ‘Consules civitatis’, waarin eveneens het stadsrecht wordt behandeld, maar ook de voorafgaande en ermee in verband staande gebeurtenissen, en het geheel ook in een context is geplaatst. Het is verhelderend en veelzeggend wat Charlotte Broer en Martin de Bruijn in het artikel "RONDOM HET UTRECHTS STADSRECHT. De gebeurtenissen in Utrecht in mei-juni 1122 in een nieuw perspectief" schrijven. Zie het Tot besluit in de kolom hiernaast links, waaruit blijkt dat het geen stadsrecht was, maar een tolrecht. Ook Broer en De Bruijn gaan toch weer uit van de onjuiste veronderstellingen dat de heidense Noormannen Dorestad en Utrecht plunderden en platbrandden en dat de bisschop moest vluchten, eerst naar Odiliënberg en later naar Deventer.

Struick noemt een aantal voorbeelden van het ontstaan van 'stadsrecht', maar vermeldt tevens "Met deze veronderstelling komen wij op het glibberige terrein van de oorkondenkritiek". Hij verontschuldigt zich met: "Het is merkwaardig, maar voor onze weetgierigheid teleurstellend, dat de Middeleeuwse rechtsgeleerden niet de nauwkeurigheid van onze hedendaagse wetgevers bezaten: in de ontleende stadsrechten vindt men niet terug van de rechtsgebruiken van de moederstad". Op grond van een veronderstelling maakt Struick en in navolging meerdere historici van het tolrecht ten onrecht stadsrecht. In het algemeen onderschreef Van Vliet de opvattingen en hypothese van Dekker. Maar zij gingen uit van: 1. de aanwezigheid van Willibrord in Utrecht, en 2. de plunderingen van Utrecht door de Vikingen/Noormannen. Beide zijn aangenomen en nooit bewezen opvattingen.


Dit artikel is ook weer voorzien van meerdere afbeeldingen. Maar laat U niet verleiden door deze afbeeldingen die allemaal uit latere tijd stammen dan de 12de eeuw, waar het in feite over gaat. Ze bewijzen in elk geval niets over de 8ste of 9de of zelfs de 10de eeuw, maar vormen eerder een tegenbewijs De omvangrijke literatuur en het uitgebreide notenapparaat bewijzen evenmin iets over het in het artikel gestelde, zolang je slechts gelijkgestemden aanhaalt of naar hen verwijst.


Opmerkelijk in dit artikel van Ibelings en Van Vliet is dat hij toch weer uitgaat van enkele onbewezen aannamen, zoals de aanwezigheid van de Noormannen in Nederland of Utrecht, hier Vikingen, Denen en Noren genoemd. In deel 1 hebben ze deze opvattingen feitelijk al tegengespreoken. Lees meer over de Noormannen. Ook bij Van Vliet moet er nogal veel. Maar bewijzen geeft hij niet. Maar anderen zoals Luit van der Tuuk zijn er van overtuigd dat de Noormannen niets met Utrecht te maken hebben gehad. Lees daarover in de linker kolom waar hij in Jaarboek Oud-Utrecht van 2003 schrijft: 'De voorstelling dat de Utrechtse bisschoppen vanwege Vikingaanvallen moesten vluchten is onjuist. Van Vikingaanvallen wordt in Utrecht niets gevonden'

De visie van Albert Delahaye.
Over de geschiedenis van Utrecht is veel geschreven, maar nog meer verzonnen. Aan het belang van Romeins Utrecht kan stevig getwijfeld worden, evenals aan St.Willibrord die voor Utrecht volkomen legendarisch is. Hij is er nooit geweest, omdat Utrecht in zijn tijd vanwege de transgressies, onder water lag. Een Romeinse aanwezigheid is er vanaf ca. 47 na Chr. zeker geweest, maar de naam Trajectum voor Romeins Utrecht en het Utrecht van Willibrord zijn onbewezen aannamen. Rond 260 n.Ch. hebben de Romeinen Nederland en ook Utrecht verlaten vanwege de toenemende wateroverlast en zijn zij naar het zuiden vertrokken op ongeveer de taalgrens. Pas in de 12de eeuw is er weer sprake van enige bewoning in Utrecht.
Het gaat wat ons betreft ook niet over het feit dat Utrecht nu wel of geen stadsrecht zou hebben ontvangen, maar de tekst geven we als voorbeeld waarbij het lezen van een oorkonde bepaald wordt door de traditionele opvatting. Wat staat er werkelijk en wat hebben de historici ervan gemaakt, wat er dus niet staat. Er staat dus slechts iets in over tolvrijheid en niets over stadsrecht. Zie de opmerking onder punt 1 hierna. Helaas is dat meer gebruikelijk in de historische literatuur en de onnavolgbare naschrijverij. Er wordt "gelezen' wat aansluit bij de traditie en men bekijkt of kent de traditionele bron niet eens.

De kop van het artikel geeft duidelijk aan dat het om TOLrecht gaat. Over dat tolrecht is al geschreven in het Jaarboek 1995 en in Archeologie Magazine van maart 2023 over de dam bij Wijk van Duurstede uit 1122. In het jaarboek 1995 wordt er echter al gesproken over stadsrecht wat hier nu gecorrigeerd wordt in tolrecht, een tolrecht dat Utrecht nog moest delen met Muiden. (zie afbeelding hiernaast van de betreffende oorkonde: klik op de afbeelding voor een vergroting).

Het stadsrecht van Utrecht komt voort uit een conflict. Tot grote verontwaardiging van de Utrechtse kooplieden wilde bisschop Godebald van Utrecht de Kromme Rijn afdammen om zo de veengronden langs deze rivier beter te kunnen ontginnen. De Kromme Rijn was van groot belang voor de scheepvaart en afdamming bracht de handel in gevaar. Godebald stelde de Utrechtse burgers voor om een kanaal naar de Lek te graven, de Vaartsche Rijn. De kosten voor het graven wilde hij op de bevolking verhalen door het heffen van tollen. Met Pinksteren 1122 was keizer Hendrik V in Utrecht op bezoek. Hij verbleef zoals gebruikelijk in het keizerlijk paleis Lofen. Om onbekende redenen raakten dienstknechten van de bisschop slaags met hovelingen van de keizer. Nu boterde het al niet zo tussen de keizer en de bisschop vanwege strijd over bisschopsbenoemingen. De Utrechtse burgers schaarden zich aan de kant van de keizer. Het was een heftig gevecht, waarbij zelfs doden vielen.
Keizer Hendrik V was de inwoners van Utrecht dankbaar voor hun hulp en strafte de bisschop. Godebald werd gevangen gezet omdat hij als medeplichtig werd beschouwd. Ook werd de bisschop gedwongen om de inwoners van Utrecht rechten en voorrechten verlenen, zoals vrijstelling van een deel van de tollen. In ruil daarvoor zouden de Utrechters meehelpen met de bouw van de stadswal.
Op 2 juni 1122 bevestigde keizer Hendrik V deze voorrechten in een speciale oorkonde. Niet alle rechten staan in deze oorkonde omschreven. Waarschijnlijk ging het om de aanleg van de Utrechtse stadswal en om de bevoegdheden van het Utrechtse schepengerecht, waardoor Utrecht een eigen rechtbank kreeg. Nog dezelfde dag werd een tweede oorkonde geschreven waarin de verschillende toltarieven werden gespecificeerd.

De historici hebben er nadien van gemaakt dat in deze oorkonde zou hebben gestaan dat de Utrechters een markt mochten organiseren en een muur om hun stad mochten bouwen. Wat er dus niet instaat. Daar werd aan toegevoegd: "Opgeteld met andere documenten was was dat de stichting van een gemeenschap met eigen bestuur en rechtspraak. Vanaf dat moment kunnen we Utrecht dus een stad noemen". Vraag is welke documenten worden hier bedoeld? het oudste rechtsboek van Utrecht stamt uit 1340! Dat is ruim 200 jaar (2 eeuwen!) na 1122. Over de periode ervoor beschikken we over geen enkel document waarin het vermeende stadsbestuur en de rechtspraak wordt genmend.
    Het artikel gaat over de periode na het jaar 1122 wat feitelijk buiten onze onderzoeksperiode valt. Toch zijn er enkele belangrijke opmerkingen over te maken.

  1. Naar alle waarschijnlijkheid mag deze datum 'post quem nog drie jaar verder worden opgeschoven, aangezien Leerdam pas in 1382 stadsrechten verwierf en de verlening van het stadsrecht in de veertiende eeuw bijna zonder uitzondering samenvalt of voorafgaat aan de toekenning van tolvrijstellingen. (p.115). De grote vergissing en onjuiste voorstelling van zaken lezen we in deze zin. De auteurs gaan uit van een veronderstelling (uit de 14de eeuw) om tot de conclusie te komen dat de verlening van stadsrecht samenvalt met de tolvrijstelling. En precies dit staat in geen enkele in bijlage 3 genoemde oorkonde.

  2. Direct ontleend aan de oorkonde uit 1122 zijn de bepalingen in A2 (bijlage 3) met betrekking tot de Denen en de Noren. De eersten betalen per schip vier penningen, dat wil zeggen de kapitein van het schip, ongeacht de vracht die zij vervoeren. De Noren genoten zelfs volledige vrijstelling van de Utrechtse tol - mogelijk nog een voorrecht dat zij hadden verkregen in de tijd dat zij de Friese kustgebieden als Vikingen onveilig maakten. (p.128) Dit onjuiste uitgangspunt is helaas ook de basis van dit artikel. De Vikingen (Noren? Denen?) hebben nooit Utrecht of waar dan ook in Nederland geplunderd. Dat zijn onterecht aangenomen opvattingen, wat de namen Noren en Denen al aangeven. Op Noren kwam men omdat in de klassieke teksten Northmannen genoemd wordt en Denen werd afgeleid van Danii zoals in klassieke testen staat. De waarheid is dat de Dani of Noormannen betrokken zijn in de Nederlandse fabelogie. De Danii wijzen ook helemaal niet op Denemarken, maar op Dania of Northmannia, dat het eerst genoemd worden door de Geograaf van Ravenna in ca. 670 en dat Normandië was, de mark van de Danii. Lees meer over de Noormannen. Ook bij Van Vliet moet er nogal veel. Maar bewijzen geeft hij niet. Ook anderen zoals Luit van der Tuuk zijn er van overtuigd dat de Noormannen niets met Utrecht te maken hebben gehad. Lees daarover in de linker kolom waar hij in Jaarboek Oud-Utrecht van 2003 schrijft: 'De voorstelling dat de Utrechtse bisschoppen vanwege Vikingaanvallen moesten vluchten is onjuist. Van Vikingaanvallen wordt in Utrecht niets gevonden'


  3. De oorsprong van deze bepalingen in de Wezelse en Zwolse overlevering is duidelijk ouder dan die uit de Haagse variant. Zo is het opvallend dat geen van de hierin genoemde steden stadsrechten ontving na 1301 (Mechelen), terwijl de Haagse lijst juist een hele reeks steden vermeldt, die hun stadsrechten pas in de veertiende eeuw ontvingen, met Leerdam in 1382 dus als jongste stad. (p.117) De verschillen tussen bronnen wijzen al op de problemen tussen opvattingen.

  4. Op het eerste gezicht lijkt het Utrechtse tolrecht in zijn laatmiddeleeuwse gedaante ver af te staan van het tolrecht zoals dat op 2 juni 1122 door de Duitse keizer bij oorkonde werd vastgesteld (hierna A1). Een oorkonde die samen met die andere oorkonde van die datum, met de bevestiging van de Utrechtse stadsrechtverlening en de tolvrijstelling voor alle bewoners in en om Utrecht die bijdroegen aan de aanleg van de omwalling, steeds zorgvuldig is bewaard in het archief van de stad. In die oorkonde ging het niet om een nieuw tolrecht (p.1234/125). Er was van geen enkele stadsrechtverlening sprake in deze oorkonden. Het ging slechts om tolrechten!

  5. Zoeken we bij alle in A2 en A3 genoemde steden het jaar waarin zij stadsrechten verwierven, dan tekent zich het volgende beeld af (zie ook bijlage 3). De steden uit A2 kregen hun stadsrechten allemaal in de periode vóór 1230 en behoren daarmee tot de eerste generatie steden. Enige uitzondering hierop vormt Mechelen, dat weliswaar tot 1301 moest wachten op een formele bevestiging van haar rechten maar al in het midden van de dertiende eeuw een stedelijke nederzetting van enige importantie was, met een bloeiende lakennijverheid en een handelsnetwerk dat reikte tot in Engeland en de jaarmarkten van de Champagne. Van de steden genoemd in A3 dateren de rechten van de eerste groep met uitzondering van Deventer (1123) alle uit de periode 1230-1259. Het ontstaan van de steden uit de tweede en derde groep beslaan nog weer een later tijdvak, van 1254 (Alkmaar) tot 1382 (Leerdam). Enige uitzondering hierop vormt Muiden, waarvan de stadsrechten tegelijk met die van Utrecht op 2 juni 1122 werden bevestigd. (p.133/134).

  6. Er is echter nog een oudere passage die met deze gezworenen in verband kan worden gebracht. Daarvoor moeten we negenhonderd jaar terug, naar de uitvaardiging van de oorkonde waarin keizer Hendrik V niet alleen de stadsrechtverlening door de bisschop bevestigt maar ook het Utrechtse tolrecht vastlegt. We schrijven vrijdag 2 juni in het jaar des Heren 1122, met als plaats van handeling: paleis Lofen (afb. 15). Aanleiding voor deze tweede oorkonde vormden klachten van de Utrechters over de te hoge tarieven die door de bisschop werden geheven aan kooplieden die de stad bezochten. (p.148)Het gaat dus steeds om tolrechttarieven en niet om stadsrecht.

    Het blijft dus steeds van belang goed en precies te lezen wat er in de oude oorkonden staat en er niet een interpretatie op na te houden van wat niet in de tekst staat. Het is een algemeen probleem van opvattingen in de historische geografie iets bewijzen met wat NIET in een tekst staat, zeker als meerdere historici er dezelfde opvatting over hebben en men elkaar slechts naschrijft in opvattingen.

Utrecht heeft na de Romeinse tijd tot in de 12de eeuw niet bestaan als stad. St.Willibrord heeft er dan ook nooit gemissioneerd. Daarvoor ontbreekt elk bewijs, zowel tekstueel als archeologisch. Dat Willibrord in Utrecht een bisschopszetel gehad zou hebben is een volslagen mythe, wat ook al door prof.R.Post gesteld werd: "Op één punt moet ik Delahaye onmiddellijk gelijk geven. Sint Willibrord is geen aartsbisschop van Utrecht geweest".


Lees meer over achtergronden om een goed begrip te krijgen over de werkwijze in de historische wetenschap.

Citaten van Historici


wetenschap is twijfel


ongelooflijk


onnozelheid


Heiligenlevens


Kletspraat

Lees meer over het ontstaan van de traditionele opvattingen in de loop der eeuwen en vooral sinds de 17de eeuw.
11de en 12de eeuw
13de en 14de eeuw
Opvattingen in de 15de, 16de en 17de eeuw
18de eeuw
19de eeuw
20ste eeuw




Lees het boek "De Ware Kijk Op" voor al deze en andere teksten en oordeel zelf!

Terug naar de beginpagina.
Het Bronnenboek van Nijmegen weerlegt de Karolingische geschiedenis van Nederland.
Naar het overzicht in het kort.