| Terug naar de beginpagina. | Naar het overzicht in het kort. |
|
| |||||||
|
We bespreken uit de Jaarboeken alleen de artikelen die gezien onze studie van belang zijn. ![]() De bespreking van het eerste artikel over Het Utrechtse tolrecht vind je in Jaarboek 2021. Tot besluit. In de Middeleeuwen onderscheidde men idealiter drie standen: de adel, de geestelijkheid en de boeren. De adel werd geacht iedereen bescherming te bieden, de geestelijkheid voor iedereen te bidden en de boeren voor iedereen te werken. Dit ideaal stemde evenwel niet geheel overeen met de werkelijkheid; al vroeg in de Middeleeuwen waren er mensen die zich niet in dit patroon lieten voegen. Hiertoe behoorden ook de handelaren en tot op zekere hoogte de ambachtslieden. Dezen woonden met name in en bij nederzettingen waaruit in de Middeleeuwen steden zijn ontstaan. Zo’n nederzetting was ook Utrecht, dat zich ontwikkeld had uit een Romeins castellum, dat in de achtste eeuw een missiecentrum en zetel van een bisschop was geworden. Omdat de bisschoppen op een gegeven moment ook werden ingeschakeld bij het bestuur van het Heilige Roomse Rijk, groeide het uit tot een machtscentrum van betekenis. Regelmatig werd het daarom in de elfde en vroege twaalfde eeuw door de koningen en keizers van het Rijk bezocht. Het hoeft niet te verbazen dat Utrecht eveneens betrokken raakte bij en de gevolgen ondervond van de wijzigingen in de machtsverhoudingen, zoals deze zich vanaf het derde kwart van de elfde eeuw voordeden. De paus en de keizers van het Rijk streden in deze periode om de macht over niet alleen de kerk maar ook in de westerse wereld als geheel. Kort voordat er in september 1122 hieromtrent een overeenkomst tussen beiden werd gesloten, bezocht de keizer, Hendrik V, enkele malen Utrecht teneinde in deze streken zijn positie en macht te consolideren. Het is in deze periode dat bisschop Godebald ook stadsrechten verleende aan onder meer de burgers van Utrecht, terwijl er tegelijkertijd ook verschillende waterstaatkundige kwesties speelden: de afdamming van de (Kromme) Rijn en het graven van de Vaartse Rijn als verbinding tussen de Lek en de Hollandse IJssel en de stad. Met deze projecten waren aanzienlijke belangen gemoeid, van zowel de Utrechtse handelslieden, die behoefte hadden aan een nieuwe, betere vaarroute, alsook de bisschop, (kerkelijke) instellingen en personen die profijt voorzagen van de nu mogelijk geworden ontginningen in belangrijke delen van het Nedersticht. Bij dit alles kreeg men op een gegegeven moment ook te maken met een weerspannige, zo niet opstandige graaf. Naar aanleiding van voorgenomen strafmaatregelen tegen en mogelijk zelfs afzetting van deze graaf Willem van Goye brak er eind mei 1122 in Utrecht een rel uit, die door de keizer als een opstand tegen het keizerlijk gezag werd beschouwd. Nadat de orde en rust waren hersteld, maakte de keizer van de gele48 genheid gebruik om op 2 juni van genoemd jaar onder andere het oude recht en het recent verleende privilege van de bisschop ten gunste van de Utrechtse burgers te bevestigen, naar expliciet gesteld wordt, om ‘het bisdom en de kerk van Utrecht in trouw aan de keizer te bewaren’. Ook werd aan de Utrechters een tolprivilege verleend. Hoewel de opzet van de keizer moeilijk echt geslaagd kan heten – de band met het Rijk is op den duur steeds losser geworden – hebben de toen door de keizer bevestigde privileges mede de basis gelegd voor de betekenis van Utrecht als verreweg de belangrijkste (Noord-)Nederlandse stad in de Middeleeuwen. Met recht wordt daarom deze gebeurtenis ieder jaar op 2 juni als ‘stadsdag’ herdacht. |
Het Utrechtse tolrecht Deel 2: Ontwikkeling op basis van nieuw ontdekte handschriften. Door Bart Ibelings en Kaj van Vliet. De inwoners van Utrecht ontvingen twee oorkonden uit handen van de Duitse keizer Hendrik V. In de eerste oorkonde - ook wel aangeduid als de stadsrechtoorkonde - bevestigde hij de rechten en privileges die de bisschop hen eerder had verleend en waarin behalve die van Utrecht ook de inwoners van Muiden deelden. Voor hun bijdrage aan de aanleg van de Utrechtse omwalling - later door een stadsmuur - schonk de keizer de Utrechters vrijstelling van de tol, die zij moesten afdragen aan de bisschoppelijke tollenaar als zij iets wilden verhandelen op de Utrechtse markt. In de tweede oorkonde stelde de keizer, na bezwaren van de Utrechters over de (te hoge) tarieven die de tollenaar van de bisschop eiste van kooplieden die de stad met hun handelswaar kwamen bezoeken, de juiste tarieven vast voor de Utrechtse tol, zoals die daar van oudsher hadden gegolden. Als zodanig bevat deze oorkonde de oudste codificatie van het Utrechtse tolrecht. Het gaat in de eerste oorkonde over tolrecht, in de tweede over de tarieven van die tol en helemaal niet over stadsrecht. Dat is een aangenomen interpretatie (zie hieronder punt 1) van Ibelings en Van Vliet zouden dat ook moeten sinds 1972 (artikel van J.E.A.L.Struick die het heeft over een 'tuin vol valkuilen en putten', waar het over de geschiedenis van Utrecht gaat) en dat weten ze ook zoals in het Jaarboek 1995 gebleken is. Deze oorkonden worden in de literatuur steeds "stadsrechten Utrecht" genoemd, wat volkomen onjuist is. Het was een 'tolrechtprivilege'-oorkonde Lees hier de Nederlandse tekst van deze oorkonde. Het Utrechts ‘stadsrecht’ is al vele malen besproken. We noemen hier slechts de bijdragen van drie Utrechtse archivarissen: ‘Het recht van Trecht’ van wijlen dr. J.E.A.L. Struick uit 1972, ‘De dam bij Wijk’ van prof. dr. C. Dekker uit 1980 en ‘Utrecht, Muiden en omgeving. Oude privileges opnieuw bezien’ van dr. K. van Vliet uit 1995. Daarnaast publiceerde dr. M.W.J. de Bruijn in 1996 het artikel ‘Consules civitatis’, waarin eveneens het stadsrecht wordt behandeld, maar ook de voorafgaande en ermee in verband staande gebeurtenissen, en het geheel ook in een context is geplaatst. Het is verhelderend en veelzeggend wat Charlotte Broer en Martin de Bruijn in het artikel "RONDOM HET UTRECHTS STADSRECHT. De gebeurtenissen in Utrecht in mei-juni 1122 in een nieuw perspectief" schrijven. Zie het Tot besluit in de kolom hiernaast links, waaruit blijkt dat het geen stadsrecht was, maar een tolrecht. Ook Broer en De Bruijn gaan toch weer uit van de onjuiste veronderstellingen dat de heidense Noormannen Dorestad en Utrecht plunderden en platbrandden en dat de bisschop moest vluchten, eerst naar Odiliënberg en later naar Deventer. Struick noemt een aantal voorbeelden van het ontstaan van 'stadsrecht', maar vermeldt tevens "Met deze veronderstelling komen wij op het glibberige terrein van de oorkondenkritiek". Hij verontschuldigt zich met: "Het is merkwaardig, maar voor onze weetgierigheid teleurstellend, dat de Middeleeuwse rechtsgeleerden niet de nauwkeurigheid van onze hedendaagse wetgevers bezaten: in de ontleende stadsrechten vindt men niet terug van de rechtsgebruiken van de moederstad". Op grond van een veronderstelling maakt Struick en in navolging meerdere historici van het tolrecht ten onrecht stadsrecht. In het algemeen onderschreef Van Vliet de opvattingen en hypothese van Dekker. Maar zij gingen uit van: 1. de aanwezigheid van Willibrord in Utrecht, en 2. de plunderingen van Utrecht door de Vikingen/Noormannen. Beide zijn aangenomen en nooit bewezen opvattingen. Dit artikel is ook weer voorzien van meerdere afbeeldingen. Maar laat U niet verleiden door deze afbeeldingen die allemaal uit latere tijd stammen dan de 12de eeuw, waar het in feite over gaat. Ze bewijzen in elk geval niets over de 8ste of 9de of zelfs de 10de eeuw, maar vormen eerder een tegenbewijs De omvangrijke literatuur en het uitgebreide notenapparaat bewijzen evenmin iets over het in het artikel gestelde, zolang je slechts gelijkgestemden aanhaalt of naar hen verwijst. Opmerkelijk in dit artikel van Ibelings en Van Vliet is dat hij toch weer uitgaat van enkele onbewezen aannamen, zoals de aanwezigheid van de Noormannen in Nederland of Utrecht, hier Vikingen, Denen en Noren genoemd. In deel 1 hebben ze deze opvattingen feitelijk al tegengespreoken. Lees meer over de Noormannen. Ook bij Van Vliet moet er nogal veel. Maar bewijzen geeft hij niet. Maar anderen zoals Luit van der Tuuk zijn er van overtuigd dat de Noormannen niets met Utrecht te maken hebben gehad. Lees daarover in de linker kolom waar hij in Jaarboek Oud-Utrecht van 2003 schrijft: 'De voorstelling dat de Utrechtse bisschoppen vanwege Vikingaanvallen moesten vluchten is onjuist. Van Vikingaanvallen wordt in Utrecht niets gevonden'
De visie van Albert Delahaye.
De kop van het artikel geeft duidelijk aan dat het om TOLrecht gaat. Over dat tolrecht is al geschreven in het Jaarboek 1995 en in Archeologie Magazine van maart 2023 over de dam bij Wijk van Duurstede uit 1122. In het jaarboek 1995 wordt er echter al gesproken over stadsrecht wat hier nu gecorrigeerd wordt in tolrecht, een tolrecht dat Utrecht nog moest delen met Muiden. (zie afbeelding hiernaast van de betreffende oorkonde: klik op de afbeelding voor een vergroting).Het stadsrecht van Utrecht komt voort uit een conflict. Tot grote verontwaardiging van de Utrechtse kooplieden wilde bisschop Godebald van Utrecht de Kromme Rijn afdammen om zo de veengronden langs deze rivier beter te kunnen ontginnen. De Kromme Rijn was van groot belang voor de scheepvaart en afdamming bracht de handel in gevaar. Godebald stelde de Utrechtse burgers voor om een kanaal naar de Lek te graven, de Vaartsche Rijn. De kosten voor het graven wilde hij op de bevolking verhalen door het heffen van tollen. Met Pinksteren 1122 was keizer Hendrik V in Utrecht op bezoek. Hij verbleef zoals gebruikelijk in het keizerlijk paleis Lofen. Om onbekende redenen raakten dienstknechten van de bisschop slaags met hovelingen van de keizer. Nu boterde het al niet zo tussen de keizer en de bisschop vanwege strijd over bisschopsbenoemingen. De Utrechtse burgers schaarden zich aan de kant van de keizer. Het was een heftig gevecht, waarbij zelfs doden vielen. Keizer Hendrik V was de inwoners van Utrecht dankbaar voor hun hulp en strafte de bisschop. Godebald werd gevangen gezet omdat hij als medeplichtig werd beschouwd. Ook werd de bisschop gedwongen om de inwoners van Utrecht rechten en voorrechten verlenen, zoals vrijstelling van een deel van de tollen. In ruil daarvoor zouden de Utrechters meehelpen met de bouw van de stadswal. Op 2 juni 1122 bevestigde keizer Hendrik V deze voorrechten in een speciale oorkonde. Niet alle rechten staan in deze oorkonde omschreven. Waarschijnlijk ging het om de aanleg van de Utrechtse stadswal en om de bevoegdheden van het Utrechtse schepengerecht, waardoor Utrecht een eigen rechtbank kreeg. Nog dezelfde dag werd een tweede oorkonde geschreven waarin de verschillende toltarieven werden gespecificeerd. De historici hebben er nadien van gemaakt dat in deze oorkonde zou hebben gestaan dat de Utrechters een markt mochten organiseren en een muur om hun stad mochten bouwen. Wat er dus niet instaat. Daar werd aan toegevoegd: "Opgeteld met andere documenten was was dat de stichting van een gemeenschap met eigen bestuur en rechtspraak. Vanaf dat moment kunnen we Utrecht dus een stad noemen". Vraag is welke documenten worden hier bedoeld? het oudste rechtsboek van Utrecht stamt uit 1340! Dat is ruim 200 jaar (2 eeuwen!) na 1122. Over de periode ervoor beschikken we over geen enkel document waarin het vermeende stadsbestuur en de rechtspraak wordt genmend.
Utrecht heeft na de Romeinse tijd tot in de 12de eeuw niet bestaan als stad. St.Willibrord heeft er dan ook nooit gemissioneerd. Daarvoor ontbreekt elk bewijs, zowel tekstueel als archeologisch. Dat Willibrord in Utrecht een bisschopszetel gehad zou hebben is een volslagen mythe, wat ook al door prof.R.Post gesteld werd: "Op één punt moet ik Delahaye onmiddellijk gelijk geven. Sint Willibrord is geen aartsbisschop van Utrecht geweest".
|
| Terug naar de beginpagina. | Naar het overzicht in het kort. |