Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.

ARCHEOLOGIE magazine.

Deze pagina wordt elke keer aangevuld na het verschijnen van een nieuw tijdschrift.

In het tijdschrift ARCHEOLOGIE magazine dat 6x per jaar verschijnt, staan publicaties over recente archeologische opgravingen en bevindingen.

Zie ook bij Archeologie in Nederland.



We beperken ons op deze pagina tot de periode tussen de tijd van 56 v.Chr. tot 1200 n.Chr. en met name tot Nederland en Belgisch en Frans Vlaanderen.

Veel bevindingen bevestigen de visie van Albert Delahaye en waar de nieuwe opvattingen in strijd lijken met die visie geven we relevante kritiek.

Het woordgebruik in de artikelen geeft vaak al aan dat er de nodige twijfel bestaat omtrent de archeologische interpretaties, immers archeologie is interpreteren. Waar geschreven wordt in termen als 'mogelijk' of 'wellicht' zal onze conclusie zijn dat er geen bewijs voor de opvatting is en er dus feitelijk niets wordt toegevoegd aan de heersende opvattingen. De voorbeelden hiernaast spreken voor zich.

Wat we ook scherp in de gaten houden is dat veel archeologische bevindigen gebaseerd zijn op de klassieke teksten. Als voorbeeld kunnen we de bevindingen in de Betuwe noemen. Zolang men er spreekt over Bataafse vondsten gaat men dus klakkeloos uit van de onbewezen opvatting dat de Bataven in de Betuwe woonden. En dat is met geen enkele tekst ooit aangetoond. Integendeel, de teksten plaatsen de Bataven duidelijk in Noord-Frankrijk. Zie daarvoor bij Bataven.

Een speciale plaats in deze rubriek wordt ingeruimd voor hobby archeoloog Dick Roetman die elke keer over Romeins Nijmegen schrijft. In zijn artikelen beweert hij vaak met onbewezen aannamen de voor hem vaststaande feiten. Ook maakt hij in zijn artikelen soms pijnlijke fouten waaruit blijkt dat hij niet altijd de echte feiten kent. Zo is de promotie van zijn leermeester prof.J.E.Bogaers over de Romeinse tempel in Elst hevig ter discussie komen te staan, aangezien het geen Romeinse tempel bleek te zijn, maar een 'inlandse' en deze tempel niet uit de tijd voor de Opstand van de Bataven bleek te dateren, maar op zijn vroegst uit het jaar 100 na Chr. Zie bij J.E.A.T.Bogaers.

Het moet daarbij goed begrepen worden dat de aanwezigheid van de Romeinen in Nederland door Albert Delahaye allerminst wordt ontkend, wat hem te vaak verweten wordt. Echter de interpretatie van veel archeologische vondsten is aan een grondige herziening toe, zoals de naamgeving van de 'Romeinse plaatsen'. Het Romeinse Noviomagus was dezelfde plaats als het Karolingische Noviomagus en was dus niet Nijmegen maar Noyon.


Waar vooral op gelet moet worden is de volgorde van de vondsten in de opgravingsverslagen. Als er sprake is van vondsten uit de steentijd of Romeinse tijd die genoemd worden, blijkt daaruit te vaak dat er daarboven niets gevonden is uit de vroege Middeleeuwen. De oudste vondsten zitten uiteraard onder de jongere. Vindt men veel Romeins (zoals in Nijmegen) maar wordt er niets gevonden uit de Frankische tijd dat erboven moet zitten, dan blijkt dit gegeven meestal verzwegen te worden. Het toont in elk geval (zoals in Nijmegen) dat er geen continuiteit in bewoning heeft bestaan tussen de Romeinse tijd en de 12e eeuw.

Wat ook opvalt en nader beschouwd moet worden is het gebruik van bepaalde onbewezen aanduidingen of opvattingen bij opgravingen. Zo worden vondsten in de Betuwe te gemakkelijk 'Bataafs' genoemd en wordt iets te Nijmegen gevonden steeds als van 'Ulpia Noviomagus' gekwalificeerd. Dat de Bataven in de Betuwe woonden is, zoals hierboven aangegeven, een hypothese. En de naam Noviomagus voor Nijmegen is eveneens nooit aangetoond met enig bewijs. Het Ulpia Noviomagus was ook niet Nijmegen, maar Neumagen in Duitsland, waar (de latere keizer) Trajanus die de naam Ulpia voerde stadhouder was. In Nijmegen is hij nooit geweest, ook al is daar een deel van een zuil gevonden die aan hem wordt toegeschreven.

Artikelen waarin oude beweringen nog eens worden herhaald blijven buiten dit overzicht. Dat de archeologisch vastgestelde Romeinse nederzetting Castello Fectio geheten zou hebben (AM. nr.3 2017) is zo'n voorbeeld. De naam van dit Romeinse castellum is nergens door bewezen, ook niet door de Peutingerkaart, zoals altijd beweerd wordt. Daarop staat overigens niet Fectio, maar Fletione, wat een andere plaats was.

Uit veel geciteerde teksten kan opgemaakt worden dat de geschiedenis hard toe is aan een herschrijving. Veel opmerkingen van de aangehaalde auteurs komen niet overeen met de traditionele opvattingen.
Opvallend is dat Albert Delahaye van hen feitelijk gelijk krijgt ten aanzien van de Transgressies, de onjuist locatie van plaatsen en de continuÔteit in de bewoning die in veel gebieden en op veel plaatsen niet bestaan heeft, zoals in Utrecht en Nijmegen (om maar de belangrijkste plaatsen te noemen).


Vanwege het overzicht en de leesbaarheid zijn alle artikelen (per jaar) genummerd. Deze nummering kan wijzigen door het tussenvoegen van nieuwe citaten.

In het tijdschrift Archeologie Magazine vindt men veel voorbeelden die de visie van Albert Delahaye onderschrijven. We geven daarvan voorbeelden aan de hand van letterlijke citaten.

In het Commentaar (in rood) vindt U de conclusies die uit de citaten blijken. De volgorde van verwerking op deze pagina is van de jongste uitgave (bovenaan) naar oudste uitgave (onderaan).

Algemeen kunnen we stellen dat de archeologie te vaak bevooroordeeld is en in cirkelredeneringen werkt. Vindt men relicten in de Betuwe dan worden die meteen gekwalificeerd als 'Bataafs'. Dat, omdat de historici meenden dat de Betuwe het land van de Bataven was. Als eerste moet bewezen worden dat de Betuwe ook werkelijk 'het land van de Bataven' was. En dat is tot heden nog NOOIT bewezen! Zie bij Bataven. Ook is nog nooit vastgesteld wat de kenmerken zijn waaraan 'Bataafs aardewerk' (als voorbeeld) zou moeten voldoen. De cirkelredeneringen zijn wel duidelijk. De tekst van Tacitus die over de vestiging van de Bataven in het uiterste land van Gallia gaat, is altijd misverstaan. Het daarin genoemde eiland was beslist niet de Betuwe, dat als een eiland beschreven wordt dat aan de Oceaan ligt. Zie verder bij Tacitus.

De visie van Albert Delahaye.
Door de transgressie (zie daar) en de veenvorming was het grootste gedeelte van laag-Nederland lange tijd ontoegankelijk, dus onbewoonbaar. De geschiedenis die men er doorgaans plaatst blijkt een doublure van die in Noord-Frankrijk te zijn. Julius Caesar, Karel de Grote en St.Willibrord (om de belangrijkste te noemen) zijn nooit in Nederland geweest. Alle geschiedenis die met hen in Nederland terecht kwam was geÔmporteerd vanuit Noord-Frankrijk. Daar stond het paleis van Karel de Grote in Noyon (het ware Noviomagus), was de bisschopszetel van St.Willibrord in Tournehem (Trajectum) en vonden de veldslagen van Julius Caesar tegen de Eburonen, Usipeten en Tencteren plaats.
De discussie die daarover in de Nederlanden altijd heeft bestaan, laten geen twijfel meer toe. De teksten zijn overduidelijk en plaatsen die hele geschiedenis ten zuiden van de taalgrens (zie daar).


"Het is opvallend dat in de Nederlandse Romeinse legerplaatsen met name spelden (fibulae) uit GalliŽ worden gevonden!"(Bron: AiN april 2017) Men gaat nu langzaam ontdekken waar de Nederlandse geschiedenis vandaan komt: uit Frankrijk!

De landschapsinrichting van de omgeving van de Rotterdamsebaan in Den Haag is vanaf de Romeinse tijd (vanaf de tweede helft van de 2e eeuw) tot op heden gelijk gebleven. In de Romeinse tijd werd in de 1e eeuw na Christus het terrein voor het eerst ontgonnen. In de 4e eeuw wordt het terrein verlaten en pas aan het eind van de 13e eeuw zijn er weer activiteiten binnen het gebied. (AM nr.6, 2018).
Ook in de omgeving van Den Haag ziet men 'het gat' in de geschiedenis van Nederland tussen de Romeinse tijd en de late Middeleeuwen.

ARCHEOLOGISCHE bevindingen.
In onderstaande citaten geven we zoveel mogelijk de letterlijke tekst weer. Soms hoeft er uit een heel artikel maar ťťn of enkele zinnen te worden aangehaald. Het hele artikel kunt U in de aangegeven bron desgewenst zelf nalezen.
(Gebruikte afkortingen: AM staat voor Archeologie Magazine; AiN voor Archeologie in Nederland, met AWN-bijlage; AoL voor Archeologie on Line.)
Waar sprake is van een hypothese gaat het om een als voorlopige waarheid aangenomen maar nog te bewijzen veronderstelling.



  1. Zaltbommel, vestingstad aan de Waal. (AM. nr.6-2020). De ligging aan de Waal is voor Bommel altijd van de grootste betekenis geweest, al in de Romeinse tijd. Voor de Romeinen was de Rijn echter veel belangrijker dan de Waal. De Rijn kent dan ook veel meer Romeinse plaatsen dan de Waal die slechts een zijrivier is van de Rijn en stroomt van het Romeinse castellum Carvium, bij het plaatsje Tolkamer (gemeente Zevenaar), naar het westen. Nieuwe gegevens over de Romeinen kwamen aan het licht toen de Gemeente Zaltbommel onderzoek deed op de bedrijventerreinen De Wildeman len 2. In 2005/2006 vonden de archeologen op terrein 1 een grafveld met de crematieresten van maar liefst 95 mensen. Waar deze hadden gewoond was een raadsel, want de vier aangetroffen boerderijen waren daarvoor niet groot genoeg. Later op terrein 2 vonden archeologen echter nog twee boerderijen. In een vitrine in het stadskasteel zijn enkele opvallende vondsten te zien, die zijn opgedoken uit kuilen, greppels en een waterput. Zoals fragmenten aardewerk, waaronder ruwwandige potten die dienstdeden als kookpot of om voedsel in te bewaren. Verder versierde kommen zogenaamd terra sigillata - en een stempel met de tekst Martialis, de naam van de pottenbakker, Het gevonden aardewerk is afkomstig uit het hele Romeinse Rijk, zelfs Spanje, dat wijst op een zekere welvaart. Pronkstuk is een complete Romeinse zeis.
    Inwoners spreken nog altijd over Bommel; de naam zou een samenvoeging zijn van Bomela en Boom en verwijzen naar een loofbos op een verhoging in een moerassig gebied. Uit 850 stamt de eerste vermelding. In 1297 wordt Salt toegevoegd om het te onderscheiden van Maasbommel. Handel in zout, dat per schip werd aangevoerd, was belangrijk voor het inzouten van vis. In 1315 kreeg deze stad, strategisch gelegen aan de Waal en de handelswegen van Holland naar Brabant, stadsrechten, waarna het in de 15e eeuw connecties kreeg met het Hanzenetwerk.
    Commentaar: we beperkem ons bij dit artikel tot het Romeinse en Middeleeuwse deel. Ook hier zien we een groot gat in de continuïteit tussen de Romeinse tijd en de late Middeleeuwen (13e eeuw). De vermelding uit 850 gaat ook niet over Zaltbommel, maar over Bommel bij St.Omaars. Bomala, genoemd in een akte van ruil uit 850 tussen het bisdom Traiectum en Baldricus, wordt door de Nederlandse toponymisten als Zaltbommel opgevat, uiteraard zonder bewijs en zonder de oorspronkelijke naam te vermelden. Zaltbommel bestond in 850 nog niet omdat haar grond onder water lag (moerassig gebied!). De juiste determinatie is Bommel (zie de deplacements historiques), een heerlijkheid te Sercus, op 1 km zuidoost van St.-Omaars.
    Wat ook uit dit artikel blijkt is dat de 'Romeinse geschiedenis' wordt afgeleid van wat gevonden aardewerk en een zeis. Maar daarmee bewijs je niets over de aanwezigheid van Romeinen ter plaatse. Dat aardewerk kan daar op allerlei manieren en door iedereen terecht zijn gekomen, ook eeuwen nadien, wat wel blijkt dat het afkomstig is uit het hele Romeinse Rijk, zelfs uit Spanje.


  2. Opnieuw Vikingscheepsgraf ontdekt. (AM. nr.6-2020). In de directe omgeving van dit scheepsgraf zijn nog een aantal andere structuren ontdekt. Archeologen denken dat het om minstens zes (6?!?) graven gaat en een aantal gebouwen. Het vlak ernaast gelegen grafveld dateert echter uit het begin van onze jaartelling, terwijl het scheepsgraf uit de hoogtijdagen van de Vikingen stamt (rond 850). Het is 'heel aanemelijk' dat het gaat om een graf van een zeer hooggeplaatste figuur. Wellicht meer dan een lokale vorst. Archeologen vermoeden dat het terrein over een lange periode een sacrale betekenis moet hebben gehad.
    Commentaar: dit scheepsgraf blijkt uniek te zijn, ofwel het komt bij zeer hoge uitzondering voor. In het artikel wodt het 'heel zelden' genoemd. Gerekend over de periode dat de Vikingen actief waren, zo'n 3 eeuwen, is de zeldzaamheid nog groter. Zou er in al die eeuwen maar één leider geweest zijn die een scheepsgraf kreeg? Het staat in schril contrast met die honderden schepen en talloze aanvallen! Het erbij aangetroffen grafveld heeft dan ook niets uitstaande met dit scheepsgraf. Daar liggen zeker 8 eeuwen tussen. Dat het terrein een sacrale betekenis heeft gehad, wordt dan wel een vermoeden genoemd, maar is pure speculatie. Waarom is er tussen 1e en 9e eeuw dan niemand begraven?

  3. Het raadsel van Backerbosch (AM. nr.5-2020). Van een vondst van een bronzen drievoet en een koperen beker in een kelder in een ingestort en afgebrand gebouw werd altijd verondersteld dat deze bij elkaar hoorden en het een luxe brander zou zijn geweest. Daar valt tegenin te brengen dat een donkere gang of kelder met gewone olielampen of toortsen werd verlicht. Het kan ook mogelijk zijn dat de drievoet en beker helemaal niet bij ekaar hoorden, maar in de gang waren gezet om omgesmolten te worden. Wellicht leidde deze smeltactiviteiten wel tot de brand in deze villa.
    Commentaar: logisch denken levert soms verrassende resultaten op in de archeologie. De eerste conclusie blijkt ook wel eens anders geweest te kunnen zijn.

  4. Een nieuwe geschiedenis van de Vikingen. (AM. nr.5-2020.
    Het gangbare beeld van de Vikingen, woeste wildemannen die al rovend en plunderend twee eeuwen lang Europa deden huiveren, stond al langer ter discussie, schrijft Neil Price in 'De Vikingen. Een nieuwe geschiedenis". Dit wankelende beeld van woest uitgeruste krijgers met helmen met hoorns die tussen 750 en ongeveer het jaar 1000 niets anders deden dan in heel Europa dood en verderf brengen kan nu, na de verschijning van het boek echt definitief de prullenmand in. Letterlijk, want niet alleen hadden de Vikingenhelmen geen hoorns, ook hun bijdrage aan de (wereld)geschiedenis omvatte veel meer dan enkel en alleen hun gruweldaden. De auteur, Neil Priee, hoogleraar archeologie aan de universiteit van Upsala, toont ons namelijk een wereld die veel complexer is dan het stereotypische, sjabloonachtige model dat tot nog toe in de literatuur werd gehanteerd.
    Een voorbeeld: de 'grote' Vikingraids worden veelal omschreven als spontane en anarchistische ondernemingen. Dat blijken ze, zo leert Price ons, echter geenszins te zijn. Het waren geplande, strak georganiseerde raids, waaraan soms jaren van voorbereiding aan vooraf gingen. Zo waren bij de grote aanval op Parijs (885-886) vele honderden schepen en duizenden manschappen betrokken. Price rekent voor dat voor de bouw van ťťn zo'n Vikingschip ongeveer 2650 werkdagen nodig waren. En daar kwamen nog eens 1300 manuren bij om het schip uit te rusten. Dertig man waren dus een heel jaar bezig voordat ze aan hun rooftocht konden beginnen. 'Het zal duidelijk zijn, aldus Price 'dat de meeste Vikingraids dus absoluut geen spontane acties waren.

    Dat Vikingen zich niet beperkten tot rooftochten, maar dat zij ook handel dreven. Wat Price echter vooral duidelijk maakt is dat het wereldbeeld van de Vikingen sterk afweek van dat wat in de rest van Europa gangbaar was. Hij herschrijft inderdaad de geschiedenis van de Vikingen. En hij doet dat op zeer gedegen manier. Hij schetst namelijk het leven van de Vikingen tot in detail; hun religie, hun erecodes, de sociale cohesie, hun architectuur en nog veel meer. Terecht besteed hij daarbij ook veel aandacht aan de geletterdheid van de Vikingen. Hun inscripties en hun talloze sages en legendes.
    Waar Price wel voor waarschuwt is dat de verbeterde kennis en bredere waardering voor de intellectuele, artistieke en economische prestaties van de Vikingen niet van de weeromstuit moeten leiden tot blinde bewondering. Want de Vikingen waren, het valt niet te ontkennen, extreem gewelddadig, vrouwonvriendelijk, en zo laat Price zien, ook homofoob. Hun gewelddadige karakter en hun houding ten opzichte van vrouwen wordt nog het best geÔllustreerd aan de hand van hun begrafenisrituelen. Mensenoffers, verkrachtingen en bloedige, zeer wrede dieroffers waren daarbij namelijk zeer gebruikelijk. Van ťťn zo'n begrafenis bezitten we een contemporaine beschrijving. Dit verslag van de uitvaart van een Vikingleider, die ergens diep in Rusland stierf, is opgetekend door een Arabische diplomaat Ibn Falda. Zijn verslag leest als een gruwelverhaal.
    Commentaar: wat Price hier schrijft over de spontane acties, blijkt niet uit de schriftelijke bronnen. Daar zat zeker een grotere voorbereidingstijd aan vast. Price wil vooral benadrukken dat naast de gewelddadige kant van de Vikingen hun handel tot alle windstreken ging. Maar die 'handel' ging te vaak gepaard met roof, ofwel het meenemen van mensen (slavernij) en goederen zonder daarvoor te betalen. De schriftelijke bronnen laten daar geen misverstand over bestaan. Het traditionele stereotype verhaal over de Vikingen kan met dit boek nog lang niet de prullenbak in.
    Het is totaal verkeerd om de Vikingtijd te romantiseren wat met name onder neonazi's gebeurt. De mens zou nu toch wel beter moeten weten?


  5. Nieuwe historische inzichten. (AM. nr.4-2020.
    'Archeologen hebben zich er namelijk lang over verbaasd dat de Bataven meer dan 5000 soldaten leverden. Dat is eigenlijk veel te veel voor de totale bevolking van het Bataafse gebied, die op 30 tot 40.000 personen wordt geschat', aldus
    Stijn Heeren in Archeologie Magazine nr.4, 2020.
    En wat beweert Heeren hoe het tekort aan Bataven werd aangevuld? Hij stelt dat de Bataafse legereenheden werden aangevuld met Friezen.

      Commentaar op dit artikel:
    1. Het wordt nu dus eindelijk toegegeven dat de Betuwe te klein was en te weinig bevolking had om de grote hoeveelheden soldaten te leveren. Nieuwe inzichten? Ja, als je de boeken van Albert Delahaye nooit leest, is dit inderdaad nieuws. Maar Delahaye wist dit al in 1965 en heeft dat in 1980 (Holle Boomstammen, p.79) en 1984 (Ware Kijk Op 1, p.103) ook gepubliceerd. Het is dus geen nieuws!
    2. Aangevuld met Friezen? Daar is in de geschreven bronnen niets van bekend. Dat verzint Heeren dus maar even om zijn eigen opvatting te bevestigen. Dat er Friezen in de Romeinse legers dienden was allang bekend, maar niet dat ze de Bataafse cohorten aanvulden. Zo ontstaan dus nieuwe mythen en als deze niet worden tegengesproken worden het vanzelf weer zekerheden. Hier is dus sprake van wat men in de wetenschap wel een 'argumentum ex silencio' noemt, ofwel 'zonder tegenspraak zou het waar zou kunnen zijn'. Waar kwamen dan die Friezen vandaan? Toch niet van die paar terpen in Friesland? Ik zou toch graag de bewijzen voor deze bewering eens zien. Maar die bewijzen zijn er niet want dan hadden eerdere historici dat allang eens vermeld. Heeren komt dus met een nieuwe bewering, vandaar dat in de titel van dit artikel sprake is van 'nieuwe historische inzichten'.
    3. In dit artikel wordt ook weer de traditionele fout gemaakt dat Romeinse relicten altijd door Romeinen moeten zijn achtergelaten. Bestond er dan geen handel? Hoe kwamen Arabische munten dan in Zweden terecht, om maar een voorbeeld te geven? Zijn de Arabieren in Zweden geweest? Hadden zij Zweden bezet?
      Men vindt over de hele wereld relicten van volkeren die nooit ter plaatse zijn geweest. Daar zijn honderden voorbeelden van te geven, ook in Nederland, zoals de hier vermelde vondsten van Romeinse gebruiksvoorwerpen in Friesland en Groningen. Vandaar dat Stijn Heeren voor zijn opvatting in enkele zinnen twee keer het woord 'waarschijnlijk' gebruikt. Erg zeker is zijn betoog dus niet.
    4. In hetzelfde artikel wordt vermeld dat de Bataven na hun diensttijd terugkeerden naar huis en dat er daarom Romeinse wapens en paardentuig wordt gevonden in de Betuwe. Hier is dus sprake van onbewezen beweringen ofwel dubbele cirkelredeneringen. Die wapens en paardentuig moeten volgens Heeren dus door Bataven verloren zijn. Hoe weet Heeren dat het wapens en paardentuig van Bataven was? Hoe weet hij dat het Bataven waren die dit verloren zijn? Heeft hij ooit bewijs gevonden dat de Bataven in de Betuwe woonden? Werd de Rijngrens niet vooral bewaakt door soldaten die uit de Balkan, Spanje of Afrika kwamen, zoals onlangs (23 juli 2020) door het Rijksmuseum voor Oudheden werd gesteld?
    5. Het aantal van 30 tot 40.000 inwoners in de Betuwe is dus een schatting. Waarop is die schatting gebaseerd? Het is begrijpelijk dat andere historici zich nooit ingelaten hebben met het aantal bewoners. Dat is niet te berekenen. Momenteel is het aantal inwoners in de Overbetuwe (waar men traditioneel de Bataven plaatst) ruim 45.000. Het lijkt me sterk dat het in de Romeinse tijd net iets minder was. Het Land van Maas en Waal heeft momenteel zo'n 19.000 inwoners. Gezien het kaartje bij dit artikel zijn juist daar de meeste vondsten gedaan. Hoe dat zit wordt verder helaas niet toegelicht.
    6. Zie ook het boek Een Bataafse gemeenschap in de wereld van het Romeinse rijk. Opgravingen te Tiel-Passewaaij. Matrijs Utrecht, 2007. Redactie Nico Roymans, Ton Derks en Stijn Heeren. Dat vertelt een ander verhaal dan hier allemaal wordt beweerd. Daarin is sprake van 'enkele gevonden boerderijtjes en graven'. Het gaat om 366 graven over een periode van ca.60 tot 260 n.Chr. Dat is nog gťťn twee per jaar! Zelfs de ruim 1000 nederzettingen die men gevonden meent te hebben (p.37) in het 'Bataafs gebied' in de Betuwe, leveren over een periode van vele eeuwen slechts een minimale bewoning op. Ook de schrijvers noemen bij het aantal "niet waarschijnlijk in de midden-Romeinse tijd".

  6. In Archeologie Magazine nr.4-2020 een kort artikel over de promotie van de Leidse archeoloog Karsten Wensink over de Stereotypen in grafgiften. De belangrijkste conclusie die Wensink uit zijn onderzoek trekt is 'dat bepaalde kostbare voorwerpen, zoals koperen bijlen, juist niet in een graf terechtkwamen. Het ging in een graf dus niet om het tonen van rijkdom, wat een archeologische opvatting ondergraaft'.

  7. Nieuw plan voor Romeins verleden van Cuijk. (AM. nr.4-2020.
    Cuijk was volgens de auteur van dit artikel (Joost Vermeulen) een belangrijke strategische plek aan aan van de belangrijkste Romeinse verbindingswegen in dit gebied. Al in de eerste eeuw werd er op een natuurlijke verhoging in een bocht van de Maas een Romeinse legerplaats ingericht (een castellum). Dit castellum, dat de naam Ceuclum droeg, )die naam staat vermeld op de beroemde Peutinger kaart van het Roemeinse wegenenet), lag ongeveer waar nu de grote Martinuskerk staat en diende als basis voor de verdediging van de, iets noordelijker gelegen, doorwaadbare plaats in de Maas. Vier eeuwen Romeinse aanwezigheid is de afgelopen decennia regelmatig aangetoond.
    Commentaar: Dat er een Romeinse aanwezigheid is geweest in Cuijk is niet te ontkennen, maar dat deze er vier eeuwen onafgebroken is geweest is een mythe. Ook in dit artikel wordt Cuijk weer vereenzelvigd met het Cevelum op de Peutingerkaart. Men maakt er dus Ceuclum van, aangezien dat etymologisch beter zou passen bij Cuijk. Die etymologie is overigens nooit aangetoond. In het verleden werd Cuijk dan ook Cevelum genoemd tot prof.J.E.Bogaers (als inwoner van Cuijk) het plots Ceuclum ging noemen, nadat hij het eerst Ceudiacum noemde. B.Stolte 'verbeterde' dat overigens tot Ceudiaco. Zie bij Cevelum. Dat het Cevelum op de Peutingerkaart Cuijk geweest zou zijn wordt al weerlegd met de onjuiste afstanden tot Noviomagus en Blariacum. Dat Cuijk een doorlopende Romeinse bezetting heeft gehad is dan wel altijd aangenomen, maar nog nimmer met feiten bewezen. De genoemde strategische plek blijkt nergens uit en de belangrijkste verbindingswegen worden dan wel vermoed, maar er is nauwelijks iets van teruggevonden (zie: Romeinse wegen in Nederland, p.81). Nu wil men wel een 'archeologisch experiense centrum' gaan bouwen, maar die ettelijke miljoenen die het gaat kosten, kan de gemeente zich beter besparen en aan iets nuttigs uitgeven.

  8. De Zwammerdamschepen. (AM. nr.4-2020.
    Na uitgebreide opgravingen van het Romeinse castellum Nigrum Pullum werd oud hout aangetroffen. Het bleek een boomstamkano uit de Romeinse tijd te zijn. Nadien werden kort na elkaar vijf andere rivierschepen aangetroffen. Twee daarvan, de Zwammerdam 3 en 5, waren net als de eerste boomstamkano's. De andere drie , de 2, 4 en 6, waren grote vrachtschepen. Het was niet de eerste Romeinse scheepsvondst. Het is niet overdreven te stellen dat de scheepvaart op de rivieren de Romeinse aanwezigheid mogelijk maakte. De Rijn en andere rivieren dienden als 'snelweg' voor het vervoer van bouwmateriaal, voedsel en luxegoederen en werden druk bevaren. Daar waar nodig legden de Romeinen ook kanalen aan.
    Commentaar: In de kaders wordt een toelichting gegeven op de schepen en de vondsten. Er wordt vermeld dat de schepen werden gebouwd en gevaren door burgers. Het waren dus geen Romeinse schepen, wat al blijkt uit het feit dat de Romeinen nooit boomstamkano's gebruikten (zie De Bello Gallico van Julius Caesar). Bovendien waren alle schepen verschillend, wat erg on-Romeins is die juist van standarisatie hielden, zeker voor het leger. De schepen zouden ingehuurd zijn door het leger en de Romeinse overheid. Dit is een aangenomen opvatting, ofwel een hypothese. De dik gedrukte zin is een ontboezeming aangezien daarmee wordt beweerd dat de schepen er eerder warn dan de Romeinen. Voor de kanalen kunnen we verwijzen naar de grachten van Drusus en Corbulo die ook al gegraven zijn voordat er één Romein in Nederland was. Met in in Zwammerdam (dat overigens nooit Nigrum Pullum heette (zie daar) en enkele andere plaatsen gevonden schepen zal het niet druk geweest zijn op de Rijn. Ook dit is weer sterk overdreven, zoals heel Romeins Nederland steeds sterk overdreven wordt voorgesteld. W.A. van Es heeft dat al eerder opgemerkt door te stellen 'dat Romeins Nederland allerminst van internationale allure is geweest'.

  9. Karolingische topstukken, door Annemarieke Willemsen. (AM. nr.4-2020).
    In dit artikel gaat Annemarieke Willemsen in op het Stuttgarter Psalter. Met de afbeelding in dit psalter meent zij aan te kunnen tonen dat veel vondsten in Wijk bij Duurstede (dat ze steeds Dorestad noemt) overeenkomen met deze afbeeldingen. Over de schijffibula's wijst ze op een duidelijke kruisvorm en ze benadrukken waarschijnlijk dat dat christenen zijn (zie detail van een afbeelding hiernaast. Vergelijk de fibula vooral met het Vikingschild hieronder, 2e plaatje van links). Op 'digital.wlb-stuttgart.de' is het hele handschrift te bekijken. Kies DFB-viewer om te bladeren en in te zoomen.
    Commentaar: In dit artikel worden een aantal hypothesen weer eens opgesomd waardoor het lijkt alsof de traditionele opvattingen weer bevestigd worden. Het belangrijkste wat in dit artikel wordt vermeld is dat dit Stuttgarter Psalter afkomstig is uit Frankrijk (St.-Germain-des-Pré, nu een wijk in Parijs). De schijffibula's met een duidelijke kruisvorm willen volgens haar benadrukken dat het waarschijnlijk om Christenen gaat. Gelukkig zet ze er nog het woord 'waarschijnlijk' bij. Als je haar gedachte volgt waren de Vikingen ook Christenen, want op gebruiksvoorwerpen (schilden, broches) van hen zie je ook vaak een kruisvorm.
    Ook de gevonden zwaarden in Nederland en elders komen dan wel globaal overeen met afbeeldingen in dit Psalter, maar welk zwaard lijkt niet op elk ander zwaard? Het bewijst niets over de gebruikers of iets ten gunste van Wijk bij Duurstede. Dat ze het steevast over Dorestad heeft is op zich juist, als ze daar dan maar niet Wijk bij Duurstede onder verstaat. Dat noemt ze overigens ook niet. Is 'het Dorestad' er al zo ingehamerd dat dat niet meer nodig is? Of is hier het eerste sprankje twijfel te bespeuren? De details op de afbeeldingen wijzen juist op verschillen met de vondsten in Wijk bij Duurstede. Zie de voorbeelden hieronder. De door haar genoemde overeenkomsten zijn verre van overtuigend.



    Fibula waarop volgens Annemarieke Willemsen een Christelijk kruis zou staan.

    Een 'Christelijk' kruis op een schild van de Vikingen.

    Gouden Vikingbroche uit Hornelund in Denemarken met een duidelijker 'Christelijk' kruis dan op de broche van Wijk bij Duurstede.


    Detail van het handvest van een zwaard uit het Stuttgarter Psalter. De knop is duidelijk breder dan het handvest.


    Detail van het handvest van een zwaard uit Wijk bij Duurstede. De knop van het handvest lijkt helemaal niet op dat van het Psalter. Het houten handvat is verrot, maar was niet breder dan de knop.

    Het komt er op neer dat de bevindingen van Annemarieke Willemsen geen hout snijden. Voor het verhaal over de broche van Wijk bij Duurstede klik hier.

  10. Vikingring, door Annemarieke Willemsen. (AM. nr.3-2020).
    Een ring gevonden bij Hoogwoud, associëren we als een Vikingring die deze regio vanaf de 9e eeuw als uitvalbasis gebruikten. De ring is uit de 10e/11e eeuw. Met een doorsnede van 25 mm is het vermoedelijke geen vingerring. Dat het om miniatuur-torques zou gaan, suggereert het Portable Antiquities Scheme bij twee soortgelijke zilveren ringen die in Engeland zijn gevonden. Die interpretatie is mijns inziens de enige die alle details van deze ring verklaart. Waarschijnlijk werden ze als hanger gedragen, aan een leren koordje om de hals of aan de riem. De nieuwe Vikingring geeft in ieder geval aan dat we een gevonden ring vaak te snel als een vingerring interpreteren. Ook het kleine gouden ringetje, dat dit jaar in Wijk-bij Duurstede is gevonden, mogelijk uit Dorestad komt en in maart aan de pers werd getoond, is vrijwel zeker geen vingerring.
    Commentaar: Aan de bewoordingen 'associëren', 'waarschijnlijk', 'mijns inziens' en 'interpretatie' is al op te maken dat het slechts om aangenomen opvattingen gaat. Ook hier wordt de term Vikingen onjuist gebruikt waar het over Noormannen gaat. Zie bij Noormannen. Er is geen enkele bewijs dat de Noormannen ooit in Nederland geweest zijn. Wat viel er hier te plunderen in dit moeras- en waddengebied? Meer informatie over deze ring vind je hier. Een ring van dit formaat kan ook als duimring (zie daar) gebruikt zijn.

  11. Utrecht kun je niet begrijpen zonder stegen. (AM. nr.3-2020).
    Stegen uit de tijd van de Romeinen zijn er niet. In de tijd van de Romeinen was er in Utrecht nog sprake van een ongetemde Rijn, die situatie duurde tot de kerstening in de tiende eeuw. In de tiende eeuw kwam Utrecht als handelsstad tot bloei. Het voormalige Castellum werd in 925 de zetel van de bisschop, waarna de welvaart in de stad toenam.
    Commentaar: De bekering heeft zich ingezet. Hier wordt St.Willibrord als bisschop van Utrecht terecht losgelaten. Het jaar 925 zal vervangen moeten worden door 950, zoals ook prof.F.Theuws al eens aangaf. Zie
    F.Theuws

  12. Ambiorix en het ego van zijn beeldhouwer. Colomn van Herman Clerinx. (AM. nr.3-2020).
    Dat archeologie om politieke en nationalistische redenen wordt misbruikt, weten we. Een ware opvatting! Maar dat archeologie soms het ego van een kunstenaar moet aaien, is minder bekend. Het standbeeld van Ambiorix op de Grote Markt van Tongeren levert er echter het bewijs van.
    Om het nieuw ontstane BelgiŽ een identiteit te verschaffen werd in 1866 het standbeeld van Ambiorix te Tongeren opgericht. Eťn van die helden was Ambiorix, de aanvoerder van de Eburonen die liefst anderhalf Romeins legioen in de pan had gehakt. Zo iemand schreeuwde om een standbeeld en dus kreeg hij dat in Tongeren, de stad waar volgens de opvattingen van de 19e eeuw Ambiorix had gewoond.
    Maar waar kwam het gezicht van Ambiorix vandaan? Als een soort handtekening had Jules Bertin (een Franse beeldhouwer) op de biceps van Ambiorix een riem met twee medaillons aangebracht, met daarop zijn gezicht en dat van zijn vrouw. Wie goed kijkt, merkt het op. Het zelfportret van Bertin en de kop van Ambiorix lijken verdacht veel op elkaar. Bertin had niet alleen het wetenschappelijke comitť te kijken gezet (die wilde als voetstuk geen menhir wat het toch werd); hij had ook zichzelf in het zonnetje geplaatst. Met zijn eigenzinnige interpretatie van een archeologische held streelde Jules Bertin voor eeuwig zijn ego.
    Commentaar: Helaas gaat Clerinxs in zijn Colomn er ook weer van de traditionele opvatting uit dat de Eburonen rond Tongeren woonden. Volgens Julius Caesar woonden de Eburonen tussen Mosa en Renus en daar ligt Tongeren dus niet tussen, als je er de Maas en de Rijn onder verstaat. Het waren echter de Moeze en Schelde in Vlaanderen, immers de Eburonen woonden naast de MenapiŽrs. En die woonden aan de kust van het Kanaal waar Castellum Menapiorum hun hoofdstad was. Het is wel duidelijk dat dit beeld op de verkeerde plaats staat, net als de beelden van Karel de Grote in Nijmegen, St.Willibrord in Utrecht en St.Bonifatius in Dokkum.

    Overigens wordt de naam Ambiorix door historici onjuist vertaald met 'rijke koning'. Het 'rix' komt van 'rex' wat koning betekent. Echter het Ambio betekent niet 'rijk' maar 'eerzuchtig' of 'veeleisend' of 'begerig naar macht' (denk aan ambitieus), maar kan ook als bijnaam gegeven zijn. De Romeinen hielden wel van bijnamen, vooral om iemand te diskwalificeren. Ambiorix was in de ogen van Julius Caesar een 'eerzuchtige' aanvoerder die hij maar niet kon verslaan en ook niet te pakken kreeg. Of Ambiorix werkelijk bestaan heeft of door Julius Caesar (de enige die hem noemt) verzonnen is om de afslachting van zijn troepen in Gallia te kunnen verantwoorden in Rome, blijft nog nader onderzoek waard. Ook de beschrijving van de veldslag en het terrein zijn dermate vaag, dat daaruit geen conclusies te trekken zijn. Dat deze veldslag zich in BelgiŽ zou hebben voorgedaan is eveneens een onjuist veronderstelling. Dat heeft prof. Thoen wel aangetoond. Caesar is daar nooit geweest. Zie verder bij Julius Caesar. In 57 vůůr Chr. vond de opstand van de Belgae plaats. En de Belgae woonden niet in BelgiŽ wat de naam wel sterk veronderstelt (Vergelijkbaar zijn de namen van Frisones voor Friezen en Bataven voor Betuwenaars, of Condrusi voor Condroz -zie herna). Caesar verslaat hen bij de rivier de Axona (is de Aisne). Onder de stammen waar Caesar tegen streed waren de Bellovaci (Beauvais) en de Ambiani (Amiens) de belangrijkste. Ook de de Suessiones (Soissons), de Nervii (Bavay), de Atrebates (Atrecht), de Morini (Terwaan), de Menapii (Cassel), de Viromandui (St. Quentin), de Atuatuci (Douai), de Condrusi (Escaudoeuvres en niet Condroz) en de Eburones namen deel aan die strijd. De strijd vond overtuigend plaats in Noord-Frankrijk. Het is volstrekt uitgesloten dat de Renus hier genoemd als de Duitse Rijn kan worden opgevat. Zou het ook kunnen zijn dat Ceasar de naam Ambiorix bedacht als een koning van de Ambiani waar Caesar toen tegen streed?

  13. Spectaculair Nieuws uit Heerlen. (AM. nr.2-2020).
    Het oudste gebouw van Nederland staat in Heerlen. Het is gebouwd tussen 65 en 73 n.Chr.
    Commentaar: Dus Nijmegen is niet de oudste stad van Nederland. Heerlen was dus eerder een stad compleet met thermen (badgebouw).

  14. Jasjes voor mensenschedels. Colomn van Herman Clerinx. (AM. nr.2-2020).
    In 1106 werd in Keulen tijdens een stads-uitbreiding het terrein rond de Ursulakerk opgegraven. Volgens de overlevering werden daar de heilige maagden van de vrome prinses Ursula vereerd. Een legende vertelde dat zij tijdens de 4e eeuw met elf-duizend maagden een reisje langs de Rijn maakte. Bij Keulen werden ze door ongelovige Hunnen afgeslacht, waarna Gods toorn losbarstte. De Hunnen kregen hun gepaste straf, de elfduizend maagden werden eerbiedig begraven. Boven hun graf bouwde men de Ursulakerk.
    Tijdens hun activiteiten in 1106 stootten de Keulenaars op honderden menselijke beenderen en schedels. Meteen wisten ze het zeker: dit waren de restanten van Ursula en haar maagden! De legende was echt!
    Vandaar de vraag voor archeologen: zijn de schedels echt? Dat was een kolfje naar de hand van Mark Van Strydonck. Hij is de Belgische specialist van de C14-methode, het geŽigende middel materiaal te dateren. En wat bleek? Een boel schedels zijn inderdaad Romeins. In 1106 waren ze in Keulen op een Romeins grafveld gestoten, en dat stemde overeen met de eeuw waarin Ursula leefde. Maar in hun enthousiasme waren de Keulenaars toch elke kritische zin kwijtgespeeld: enkele schedels dateren van na het jaar 1000, en een van de 'maagden' was zowaar een man.
    Commentaar: Het betekent opnieuw het einde van een mythe. Ursula en haar elf (11!) maagden (zie de opmerking) lagen hier dus niet begraven.

  15. Dubbele memoires, door Dick Roetman (gepensioneerd bankmedewerker). (AM. nr.1-2020).
    In 1986 zou een casino worden gebouwd, dus namen de archeologen Glenn en toen nog amateur-vrijwillige Jan Thijssen (de latere stads-archeoloog) een kijkje. Tot grote verrassing van iedereen die iets met de oude historie van Nijmegen heeft werd een 80 meter lange Romeinse verdedigingsmuur uit de 4e eeuw n.Chr. aangetroffen. Tot verbijstering en woede van historici is de muur gesloopt ten behoeve van het casino!
    Wat ik van opgravingen leerde was om nooit op te geven en altijd door te graven tot aan de zogenaamde maagdelijke grond en om bij vondsten ervoor te zorgen dat er veel publiciteit zal zijn. Nodig de overheid en schrijvende en filmende pers uit, organiseer open dagen. dan is de kans het grootst dat de vondsten in situ zichtbaar blijven. Dus: niet te snel wat in het openbaar roepen. want als het uiteindelijk loos alarm is (gelukkig hier niet) dan heb je later wat uit te leggen.
    Het Sint Josephhof was een groot parkeerterrein toen de Gemeente besloot dat woon-flats hier gebouwd mochten worden en dat betekende in 2005 de start van een tweejarige opgraving op de plek waar ooit Oppidum Batavorum lag. Ogenschijnlijk was de ongeroerde grond bereikt, maar toch voor alle zekerheid even nog dieper en zie, een platgedrukte kelder uit de 1e eeuw n.Chr . gedateerd door het aardewerk en de locatie. Zorgvuldig wekenlang 'priegelen' leverde zoveel informatie op dat een complete reconstructie mogelijk was. Het Scheidemakershof leverde onder andere een houten Romeinse waterleiding op, duidelijk 1e eeuw n.Chr. vanwege een scherf vuurrode terra sigillata uit Zuid-Frankrijk. Mogelijk liep die naar een locatie die lijkt op een badhuis.
    Commentaar:Hier laat historische Nijmegen zich weer van de slechtste kant zien. Weg met die Romeinse 'rommel'. Overigens is het deze Jan Thijssen die enkele jaren later Nijmegen als oudste stad van Nederland heeft gepresenteerd, wat toen in Nijmegen breed werd geacepteerd en door de eindeloze herhalingen nu algemeen is geworden. De opmerking van Roetman over opgravingen hebben ze in Nijmegen wel goed begrepen, maar helaas gingen ze daar regelmatig mee de mist in. Zie bij Nep in Nijmegen.
    De bevindingen over de St.Josephhof zijn kenmerkend voor archeologisch Nijmegen en Nederland. Men blijft steeds deze locatie het Oppidum Batavorum noemen, ook al is dat nooit aangetoond. Zie bij W.Willems. Als er ergens een Romeinse scherf wordt gevonden, als is het er maar één dan is het hele gebouw Romeins, ook al is het zoals later blijkt 17e eeuws!


  1. Vikingen in een nieuw jasje. (AM. nr.6-2019).
    In het Fries Museum in Leeuwarden is (was) de tentoonstelling 'Wij Vikingen' te bewonderen. In de tentoonstelling leren we ook dat het woord 'Viking' geen synoniem is voor een ScandinaviŽr uit de Vroege Middeleeuwen, zoals soms onterecht wordt verondersteld. 'Een Viking is een piraat', aldus Speikhout. 'Viking is in deze historische zienswijze een levensstijl en geen etniciteit. Weliswaar kwamen de eerste en de meeste Vikingen uit ScandinaviŽ, maar ook niet-ScandinaviŽrs konden zich aansluiten bij een Vikingbende'. Zelfs Nederlanders hebben zich bij de Vikingen aansloten en namen deel aan hun rooftochten. Ook zijn er in het Nederlandse kustgebied muntschatten gevonden evenals sieraden met beeltenissen van de Noorse oppergod Odin. In de tentoonstelling zijn daarnaast zowel wapens van Vikingen als een slachtoffer van hun invallen te zien. Uit recent wetenschappelijk onderzoek blijkt tevens dat er juist door de vele Vikinginvallen in de 9e eeuw sprake was van een lange periode van transitie waarin het heidense geloof plaatsmaakt voor het christendom.
    Commentaar:In dit artikel worden weer een aantal hypothesen en mythen aangehaald en klaarblijkelijk bevestigd. Als eerste moet gesteld worden dat de Vikingen geen Noormannen waren. Zie hier voor meer informatie over de Noormannen. Dat er in de Vikingtijd al 'Nederlanders' bestonden is een contradictie, een farce. Over muntschatten zijn uiteraard nog andere verhalen te vertellen. Zie bij Zutphen of de muntschat van Amby. Dat er in de 9e eeuw juist door de Vikingaanvallen een transitie (=structurele verandering) heeft plaats gevonden waarin het heidens geloof plaatsmaakte voor het Christemdom, is een volgende hypothetische, dus volkomen onware bewering. Ik ben toch benieuwd welk 'wetenschappelijk onderzoek' hier bedoeld wordt. De enige aantoonbare feiten zijn dat de kloosters aan de westkust van Frankrijk landinwaarts vluchtte met meenemen van hun geschriften. Het betreft de kloosters van Epternacum, Cobie, Werethina en Souastre, die hergesticht werden in respectievelijk Echternach, Korvey, Werden en Susteren (let op de naamsdoublures). De meegnomen geschriften hebben nadien (vanaf de 11e eeuw en beslist niet eerder) geleid tot de vele misverstanden in de historische geografie van westelijk Europa, waardoor o.a. het Germania van Tacitus in de 15e eeuw (ook beslist niet eerder) in Duitsland werd geplaatst. Overigens is van Vikingaanvallen op Nederland nooit enige bewijs gevonden of geleverd, zelfs niet door de meest fantasierijke historici.

  2. Hongerige Noormannen. Vikingen stonden bekend als heftige drinkers, door Charlotte Kleyn. (AM. nr.6-2019).
    'Vikingen waren de piraten van de Noordzee. Moordend, plunderend en rovend maakten ze de Europese kusten onveilig. Ook Frisia, het Nederlandse kustgebied, werd geteisterd door Vikingen. De aanvallen begonnen in het jaar 810, toen Deense Vikingen Frisia aanvielen met een vloot van maar liefst tweehonderd schepen', meldt de website het Fries Museum, waar je tot 15 maart de tentoonstelling "Wij Vikingen" kunt bezoeken. Plunderingen door honger. Van 793 - de eerste bekende aanval, in Lindisfarne in Noordoost-Engeland - tot het eind van de 11" eeuw verlieten de Vikingen huis en haard om Europese dorpen, steden en kloosters leeg te roven en de bevolking uit te moorden. Vooral de bewoners in de gebieden van huidig Engeland, Ierland, Noord-Frankrijk en Duitsland moesten het ontgelden. Er bestaan verschillende theorieën over de reden waarom deze Noormannen op rooftocht gingen: om politieke motieven gericht tegen Karel de Grote; een tekort aan huwbare vrouwen of... landbouw-gronden in ScandinaviŽ die niet genoeg opleverden, waardoor men gedwongen was elders naar voedsel te zoeken. Toen het vanaf de 10e eeuw warmer werd (periode die bekend staat als de middeleeuwse warme periode) werden de plunderingen schaarser, want men kon zelf weer voldoende eten produceren. Wellicht speelde honger dus een rol in de plunderingen. In elk geval honger naar goud en macht.
    Commentaar: We geven hier een wat uitgebreider citaat van de tekst en dito commentaar om de onwaarheid en de non-logica van dit hele verhaal aan te tonen. Zie ook het vorige citaat. Allereerst wordt ook in dit artikel de benamingen Noormannen en Vikingen weer door elkaar gebruikt. Het was niet dezelfde bevolkingsgroep. In de klassieke bronnen worden nergens Vikingen genoemd. Daar gaat het steeds over Northimanni en de mark van de Dani (waar Denemarken de onjuiste naam aan dankt). Dat het Nederlandse kustgebied werd geteisterd is een nooit bewezen opvatting. Het wordt in de opsomming van de landen ook terecht niet genoemd. Overigens is van plundertochten in Duitsland ook nooit sprake geweest. Het in de teksten genoemde Colonia was niet Keulen, maar Coulogne aan de Franse kust vlak bij Calais (dat toen nog niet bestond). Het genoemde Frisia was niet Nederlands Friesland, maar de kust van Vlaanderen waar het oude Frisia lag. De aanvallen begonnen ook niet in 810, maar al de 6e eeuw. De eerste vermeldingen in Franse Kronieken waren in het jaar 520 waarin plunderingen genoemd worden van 'mannen uit het noorden' die nadien de verzamelnaam Northimanni of Dani kregen. Bij dat 'noorden' moet men echter de west-orientatie toepassen.
    Over de genoemde redenen van die plundertochten bestaan zoals vermeld meerdere theorieën, maar wat hier genoemd wordt is complete onzin. Dat de Noormannen ook wel eten hebben geroofd zal beslist waar zijn, maar ze zullen dat nooit helemaal meegenomen hebben naar Zweden of Noorwegen bij gebrek aan een koelkast. Uit de schriftelijke bronnen blijkt vooral dat zij kloosters plunderden omdat daar goud en zilver (van kerkelijke voorwerpen) te roven was. En dat kun je niet eten, maar evenmin gebruiken om je boodschappen mee te betalen. Dat de plunderingen schaarser werden kwam doordat de Noormannen een eigen gebied kregen (Normandië!!, een eigen gebied ga je toch niet plunderen?) en de westelijke machthebbers de verdediging steeds beter hadden georganiseerd. Opvallend blijft ook dat van die zogenaamde geplunderde kostbaarheden niets is teruggevonden in Scandinavië, ook niet in Hedeby of Birka. Er werd wel handel gedreven. Daardoor zijn er in Scandinavië veel Arabische munten terecht gekomen en nauwelijks munten uit het rijk van de Franken.
    Als je dit verhaal van Charlotte Kleyn moet geloven, vestigden de Vikingen zich op Groenland en verbouwden er gerst. Veel gekker kun je het niet bedenken. Waarom hebben de Inuit dan geen blond haar en blauwe ogen?


  3. Het wagengraf dat niet kan bestaan, door Herman Clerinx. (AM. nr.6-2019).
    In Vinkovcl, het oosten van KroatiŽ, was een wagengraf uit de Romeinse tijd opgespoord. Wat zeg je? Een Romeins wagengraf? Zoiets bestaat toch niet! Klopt, zoiets kenden we nog niet. Maar de feiten vallen niet te negeren. het betrof een graf uit de 3e eeuw na Christus. Hartje Romeinse tijd. In een houten grafkamer lag een tweewielige strijdwagen. Pal voor de wagen rustte het skelet van een paard, naast de wagen bevond zich een tweede skelet. Waarschijnlijk waren de trekdieren speciaal voor de begraving gedood. Het graf situeerde zich naast de hoofdweg tussen ItaliŽ, de Balkan en Klein-AziŽ. Dat zal geen toeval zijn: rijke Romeinen plaatsten hun overledenen goed zichtbaar naast een verkeersader. Maar waarom in dit geval werd teruggegrepen naar een grafritueel dat al enkele eeuwen was uitgestorven, blijft een mysterie. Misschien had het te maken met de politieke strubbelingen uit de 3e eeuw, toen in Rome ongeveer elk jaar iemand anders tot keizer werd uitgeroepen? Misschien voelde men zich niet meer veilig, en gaf men daarom opnieuw de voorkeur aan oude gewoontes? Wie zal het zeggen? Dit klinkt als een geloofwaardige hypothese, maar meer dan dat is het niet. Voorlopig weten we slechts ťťn ding zeker: door het Romeinse wagengraf van Vinkovci mogen archeologen hun handboeken herschrijven.
    Commentaar: de conclusie van Clerinx is wel duidelijke. Archeologische Handboeken dienen herschreven te worden. Dat herschrijven zal op meerdere terreinen ook moet gebeuren. Zie deze hele website. Wat dat betreft heeft de historische wereld nog aardig wat te doen.

  4. Het gat in de Limes, door Joost Vermeulen. (AM. nr.5-2019).
    Het zwakste en moeilijkst te verdedigen deel van de totale limes lag in het zuidwesten van het huidige Duitsland. Tussen Rijn en Donau bevond zich namelijk een zwaar bebost , heuvelachtig gebied. Niet alleen ontbraken daar de natuurlijke barrières (rivieren, heuvelruggen), de natuurlijke gesteldheid van het terrein bood aan vijandelijke stammen een uitgelezen mogelijkheid om, ongezien, diep te kunnen doordringen in het Romeinse Rijk. Iets wat in de eerste eeuw dan ook herhaaldelijk gebeurde.
    Commentaar: Hier maakt Vermeulen drie beoordelingsfouten. 1. De Romeinen waren over de Rijn en Donau al jaren actief. De bekende Deutsche Limesstrasse tussen Aken en Regensburg bevestigt dit. Ook heeft onderzoek aangetoond dat er talloze houten wachttorens juist in dit gebied hebben gestaan. 2. Ook de Romeinse weg tussen tussen Augusta Ruracum (Kaiseraugst-CH) en Reginum (Regensburg) lag voor het grootste deel ten noorden van de Donau. De Romeinen waren dus aanwezig in dit gebied 3. Van invallen van Germaanse stammen in die uithoek is weinig tot niets bekend. In de traditionele opvattingen worden daar geen volkeren genoemd. De Chatten, Tencteren en Mattiaci verbleven ten noorden van de Main. Van de Marringi en Varisii of Naristii die daar zouden wonen, zijn geen invallen bekend. Overigens woonden de Alamannen in Noord-Frankrijk ten oosten van de beide Germania's in de streek tussen de Ardennen en Straatsburg. Zij vielen dan wel Gallia binnen, maar niet vanuit Duitsland, maar vanuit de streek bij Straatsburg. Daarmee blijkt Gallia beperkter te zijn geweest dan het huidige Frankrijk.

  5. Paleis van een ruiter, door herman Clerinx. (AM. nr.4-2019).
    In een lezing van Xavier Delamare die Clerinx bijwoonde werd Echternach genoemd. De oudste geschreven vorm die we daarvan terugvinden dateert uit de 7e eeuw en luidt Epternacus. Delamare herleidt dat tot Epo-tarino-s. Betekenis: 'wie te paard vooruitstormt' of 'ruiter-speerdrager'. We herkennen daarin epos, Gallisch voor 'paard'. Te mooir om waar te zijn? Sinds decennia weten we dat in de villa van Echternach paarden werden gefokt. Nu blijkt dat de plaatsnaam taalkundig verband houdt met paarden. Delamare geloofde niet in toeval. Maar zekerheid bezat hij helaas niet.
    Commentaar: Zo ontstaan weer nieuwe mythen op grond van speculaties en allerlei veronderstellingen. De oudste vorm 'Epternacus' heeft geen betrekking op Echternach maar op Eperlecques, oorspronkelijk gespeld als Aefterlacum (= 'nabij het meer', dat het Alechmere-Almere was). Aefternacum, door de oorkonden van Eperlecques talloze malen in verband met de Batua genoemd, is Eperlecques, op 10 km noord-west van St. Omaars en op 7 km oost van Tournehem. Het klooster van Echternach is in 973 als een nieuw klooster gesticht. Zie verder bij Echternach.

  6. Een Romeinse ruiterhelm, nieuw licht op een oude vondst, door Jasper de Bruin. (AM. nr.4-2019).
    Het Romeinse fort Fectio is vermoedelijk al rond het begin van de jaartelling gesticht. Recent ging men er nog vanuit dat helm en masker bij elkaar horen. Toch zijn daar geen aanwijzingen voor, Met wat knip- en plakwerk komt er dan een heel mooi resultaat uit.
    Commentaar: Dat is het grote probleem in Romeins Nederland: het hangt met teveel knip- en plakwerk aan elkaar vast. Zo wordt de naam Fectio geplakt op de naam Fletione die op de Peutingerkaart staat. Maar dat zijn twee verschillende plaatsen. Zie verder bij Fletione.

  7. Het ware paradijs, door Tom Buijtendorp. (AM. nr.4-2019).
    In een uitvoerig artikel over 'de zoektocht door 3 continenten' naar het paradijs, komt Buijtendorp zelf al tot de volgende conclusie: Voor geen van de besproken zienswijzen valt overigens wetenschappelijk bewijs te leveren. Dat het paradijsverhaal een ergens in MesopotamiŽ speldende mythe is, blijft daarom een zeer goede mogelijkheid. Maar ook daarvoor ontbreken harde bewijzen.
    Commentaar: Ook hier laat Buijtendorp zijn fantasie de volle loop. Hetzelfde doet hij in zijn boeken over Jullius Caesar en het jaar 117. Zie verder bij Caesar in de Lage Landen en het jaar 117.

  8. Tachtig crematiegraven, door Dick Roetman. (AM. nr.3-2019).
    In Huissen was in de 1e en 2e eeuw n.Chr. sprake van een welvarende woongemeenschap van Romeins georiŽnteerde bewoners. Misschien leefden er ook gepensioneerde Romeinse soldaten. Er was sprake van een burgerlijke bewoning, geen militaire aanwezigheid.
    Commentaar: Albert Delahaye sprak al over veteranen die in de Betuwe verbleven. Dit past precies in de visie van Albert Delahaye die er de 'Agri Decumates' plaatst. In hoeverre is Huissen (ooit voorgesteld als Castra Herculis) als Romeinse legerplaats nog vol te houden? Omtrent de ligging van de genoemde castella (Maurik, Kesteren, Opheusden, Driel, Huissen/Loowaard en Herwen) bestaan alleen op bodemvondsten gegronde vermoedens. Van de castella zelf heeft men ter plaatse nog nauwelijks enig spoor gevonden. (Bron: J.H.Verhagen in J.H.Verhagen, prehistorie en vroegste geschiedenis van West-Brabant, Waalre, 1984). Zijn die sinds 1984 wel gevonden?

  9. Ook vroegmiddeleeuwse sporen in de Utrechtse wijk Zuilen, door Joost Vermeulen. (AM. nr.3-2019).
    Op de oever van de Vecht gelegen zijn nederzettingen uit de 7e-8e eeuw en uit de 10e eeuw tot en met de 12e eeuw aangetroffen. Dit is het eerste archeologische bewijs dat er al in de vroege Middeleeuwen mensen in dit gebied langs de Vecht hebben gewoond. De aangetroffen bewoningssporen uit de 7e-8e eeuw bestaanuit groondplannen van tenminste drie grote boerderijen. Den Braven denkt... meer dan zomaar een paar huizen. verder zijn er honderden stukken aardewerk, dierenbotten,metalen voorwerpen en tietallen houten palen gevonden.
    Commentaar: Het eerste archeologische bewijs! Dus alles wat er voordien beweerd werd was nergens op gebasserd. De vraag die onbeantwoord blijft is op welke gronden kwam men tot de wel ruime datering 7e-8e eeuw? Deze wordt ook hier weer meteen aan het verblijf van St.Willibrord in Utrecht gekoppeld. Afwachten is het op de nog te verschijnen basisrapportage van de gemeente Utrecht.

  10. Het raadsel van Romeinse munten, door Tessa de Groot en Jan-Willem de Kort. (AM. nr.3-2019).
    Bij het dorp Berlicum werde munten gevonden met een dikke korst er omheen. Dit wijst erop dat deze plek ooit zeer nat was. De oudste munt kwam uit het jaar 90 voor onze jaartelling. Andere munten uit de tijd van 69 tot 79 n.Chr. en uit de jaren 161 tot 180. Hoe de gevonden geldstukken ooit in de grond terecht zijn gekomen is een nog op te lossen vraag.
    Commentaar: Uit deze vondst van munten uit zo'n lange periode (ruim 270 jaar) blijkt dat munten vele generaties kunnen meegaan, ook al zijn ze niet bij elkaar in een schat gevonden. Een preciese datering levert grote problemen op. Ze zijn in elk geval niet aan een specifiek gebeurtenis te koppelen, wat archeologen en historici bij andere muntvondsten wat al te voorbarig doen.

  11. Munten uit Sittard geven Caesar gelijk, door Herman Clerinx. (AM. nr.2-2019).
    Twee muntschatten uit Sittard-Graetheide moeten datern uit het midden van de eerste eeuw v.Chr. pal tijdens de Gallische oorlog toen Julius Caesar onze gebieden kwam veroveren.
    Commentaar: Ook bij deze muntschat kunnen weer de gebruikelijke vragen gesteld worden. 1. Door wie? 2. Wanneer? en 3. Waarom is deze schat verborgen? Zolanf deze vragen niet met feiten worden beantwoord blijft het bij speculaties.
    Ook al worden de munten gedateerd halverwege de 1e eeuw v.Chr. (wat een hypothese is) dan zijn ze niet aan de veldtochten van Julius Caesar te koppelen. Deze munten worden ook steevast aan de Eburonen gekoppeld, maar die woonden niet in Limburg maar in Frans-Vlaanderen. De Eburonen waren de buren van de Nervii (Bavay) en de Atuaci (Douai). Zie bij de muntschat van Amby. De aanwezigheid van Caesar in Nederland is nog steeds een onbewezen mythe. Als er van Caesar en zijn troepen in heel BelgiŽ al nooit iets gevonden is, dan is zijn aanwezigheid in Nederland een volslagen fabel.


  12. Lent was al in de oudheid bewoond, deel 2. (AM. nr.1-2019).
    Vaak moesten de bewoners wel maken dat ze wegkwamen als de Waal overstroomde.
    Commentaar: Overstromingen in de Betuwe (en laag-Nederland) blijken van alle tijden te zijn.


  1. De Rotterdamsebaan in Den Haag. (AM. nr.6-2018).
    Enkele artikelen in deze AM zijn gewijd aan opgravingen op de Rotterdamse baan. De vondsten liegen er niet om lezen we: prachtige overblijfselen uit de Romeinse tijd en de Late Middeleeuwen. Aan het eind van de 13e eeuw is er weer volop activiteit in dit gebied. Er zijn vooral resten uit de 14e eeuw en later gevonden. Ockenburg wordt genoemd als een belangrijke vindplaats van Romeins. Na de Romeinse tijd was het terrein in de Vlietzone ongeveer duizend jaar onbewoond. In de 4e eeuw wordt het terrein verlaten en pas aan het eind van de 13e eeuw zijn er weer activiteiten (drie grote erven). Het is goed mogelijk dat er vanuit Forum Hadriani een weg heeft gelopen naar de Romeinse vindplaats.
    Commentaar: Ziet U ook hier weer het gat tussen de Romeinse tijd en de zelfs Late Middeleeuwen (13e eeuw!). Jammer dat die weg nooit gevonden is en ook niet op de Peutingerkaart staat! Ging het wel over Nederland op die kaart?

  2. Lent was al in de oudheid bewoond, deel 1. (AM. nr.6-2018).
    In Lent (aan de overkant van Nijmegen) zijn 50 inhumaniegraven en 19 crematiebijzettingen gevonden. Of het Merovingisch is wordt nog getwijfeld.
    Commentaar: Deze graven zijn dus niet in Nijmegen gevonden, maar worden in Nijmegen wel gebruikt om haar geschiedenis mee te bewijzen. Zie bij Nijmegen. Ook spreekt men hier terecht niet over 'graven van Bataven'.

  3. In AM. nr. 5-2018 is de special gewijd aan Stonehenge. Uit dit artikel blijkt dat naarmate het onderzoek over dit pre-historisch monument vorderde er nieuwe inzichten ontstonden. Zo zijn er ook nieuwe inzichten ontstaan over de geschiedenis van de Nederlanden in het eerste Millennium, maar die worden, in tegenstelling tot die van Stonehenge, niet geaccepteerd door de gevestigde wetenschap.

  4. Romeinse legerpost in Krommenie. (AM. nr.5-2018).
    In Krommenie het Provily sportpark werden in 1964 stukken aardewerk, resten hout en tientallen stenen slingerkogels ontdekt. Amateurarcheologen hebben wekenlang het terrein onderzocht. Zij concludeerden na afloop van hun onderzoek dat er wellicht een vierkant houten gebouw had gestaan en die resten hout zouden onderdeel kunnen zijn van een omheining. En de datering? Het zou Romeins kunnen zijn. In een van hun publicaties werd zelfs de eerste helft van de eerste eeuw gesuggereerd. Ondanks deze vondsten zag de professionele archeologische wereld toen echter. geen aanleiding voor verder onderzoek.
    Commentaar: Typisch voorbeeld van de hooghartige professionele wereld!
    Vorig jaar (2017) werd het archeologisch bureau Argos ingeschakeld en al vlug bleek dat de amateurs uit 1964 volledig gelijk kregen. Mogelijk geeft de komende tijd meer uitsluitsel of het hier echt om een Romeinse legerpost gaat of om een versterking die de lokale bevolking heeft gebouwd.

  5. Nieuwe Romeinse vondsten in Valkenburg ZH. (AM. nr.5-2018).
    In Valkenburg (Gemeente Katwijk) is een stuk Romeinse weg uit de tweede eeuw na Christus opgegraven, samen met een grafveld, huisplattegronden en een grachtensysteem. 'Hiermee wordt onze kennis van de bewoningsgeschiedenis van dit gebied flink uitgebreid', aldus archeoloog Jeroen Loopik van ADC Archeoprojecten. Er is nauwelijks inheems aardewerk opgegraven: 'Het is allemaal Romeins importaardewerk'. Een grachtensysteem dat mogelijk diende als afwatering.
    Commentaar: Op welke wijze die kennis werd uitgebreid wordt in dit artikel helaas niet vermeld. Die weg gaat natuurlijk weer een bevestiging vormen van eerdere hypothesen. Dat die pas uit de tweede eeuw is, wordt niet al te nadrukkelijk vermeld, wat natuurlijk wel consequenties heeft voor de continuiteit in de Romeinse aanwezigheid in Nederland!

  6. Grafveld door de eeuwen heen. (AM. nr.5-2018).
    Ook in dit artikel van Dick Roetman gaat het over Nijmegen, dat door hem nu Ulpia Noviomagus wordt genoemd. Er zijn 77 inhumatiegraven en 17 crematiegraven gevonden. Daartussen een graf 'dat er niet hoorde', namelijk een graf met een klokbeker. Klokbekers kwamen voor van 2500 tot 2000 v.Chr. Roetman concludeert: 'De Romeinen moeten dit graf in de 3e eeuw wel gezien hebben. Ongetwijfeld een grafheuveltje, dat door hen is gerespecteerd en ongemoeid is gelaten'.
    Commentaar: Een graf uit een andere tijd dan verwacht, kan ook betekenen dat begraafplaatsen over langere perioden werden gebruikt. Met de dateringen, zeker van grafgiften, is het dus uiterst oppassen. Een klokbeker in een 'Romeins' graf is zo'n voorbeeld.

  7. Romeinse weg opgegraven bij Katwijk (AoL.sept.2018).
    Tijdens voorbereidende werkzaamheden voor de Rijnlandroute tussen Katwijk en Leiden, troffen archeologen bij Katwijk een stuk van een Romeinse weg en een Romeinse nederzetting aan. De vondsten dateren uit 125 na Christus, en verkeren in bijzonder goede staat. Zie opmerking bij de Romeinse weg bij Houten.

  8. Was Julius Caesar ooit in onze streken? (AM. nr.4-2018).
    Boekrecentie door Joost Vermeulen.
    Commentaar: Hoewel onder een recentie een kritische bespreking wordt verstaan, is dat hier allerminst het geval. Joost meent dat aan de langdurige twijfel (gesteld in de vraag) nu definitief een einde is gekomen. Voor hem lijkt zelf de opvatting van archeoloog prof. H.Thoen die in BelgiŽ nooit een spoor van Julius Caesar of zijn legers heeft gevonden, niet langer houdbaar. Het 'vrijwel zekere bewijs' dat Joost noemt (let op het woord 'vrijwel'), kan ik nergens vinden. Ik vraag me dan ook in alle oprechtheid af 'Hoe kritisch heeft Joost dit boek gelezen?'
    Voor een echte kritische recentie kunnen we verwijzen naar Caesar in de Lage Landen (zie daar).

  9. Afdalen in Nijmegen centrum. (AM. nr.4-2018).
    Weer een artikel van Dick Roetman over de archeologie van Nijmegen waarmee hij zich heel intensief bezig houdt. Het geeft mooie inkijkjes in de werkwijze en de opvattingen over de vondsten.
    Commentaar: Enkele opmerkingen in dit artikel springen toch wel in het oog, zoals: er zijn liefst 12 historische lagen opgegraven, van boven naar beneden: sporen Tweede Wereldoorlog, bewoningslagen 19e tot 14e eeuw, diverse stegen (gassen), poorten, stadwallen 16e tot 13e eeuw, Romeinse tijd en ouder'. Aldus de letterlijke tekst uit het artikel. Ziet U ook het gat tussen de 13e eeuw en de Romeinse tijd? Verder wordt geschreven dat op een diepte van 3 ½ meter over een lengte van zo'n 16 meter een Romeinse secundaire weg. Munten en mantelspelden bevestigen de oudste datering: 1e eeuw n.Chr. In de lagen erboven hadden de archeologen al eerder een straatje aangetroffen, het Scheidemakersgas met bakstenen funderingen van huizen uit de 14e eeuw. Dus hier ook weer dat gat, nu van zelfs 13 eeuwen. Verder noemt Roetman nog 'de wal van Gorissen', de stadsomwalling waarvan Gorissen beweerde dat de eerste aarden verdedigingswal omstreeks 1200 werd opgericht en de tweede in 1230/1235. Duidelijk hier is ook weer dat de geschiedenis van Nijmegen na de Romeinse tijd pas in de 13e eeuw weer opkwam. Dat werd al eerder aangegeven door mededeling van het (voormalig) Nijmeegs museum Commanderie van St.Jan (nu museum Het Valkhof) in 'Het Bronnenboek', waarin te lezen is dat Nijmegen (en ik citeer) "als stad ten onder is gegaan aan het eind van de derde eeuw en er pas in de 13e eeuw weer een nederzetting van enige omvang was".
    Het mag duidelijk zijn: de archeologie van Nijmegen spreekt duidelijke taal: na de Romeinse tijd begint de geschiedenis weer in de 13e eeuw.
    Over de Merovingische of Karolingische tijd GEEN WOORD. Ook in dit artikel niet.
    Nijmeegse oudste stad van Nederland? Daar is helemaal geen sprake van met een gat van bijna 10 eeuwen in de bewoningsgeschiedenis.


  10. Tropaeum Traiani. (AM. nr.4-2018).
    Hoewel dit artikel niet over Nederland gaat willen we er toch wel het volgende uit vermelden. Het sluit wel aan bij de opvattingen van Nijmegen, immers van keizer Traianus zou Nijmegen stadsrechten hebben gekregen tijdens zijn persoonlijke aanwezigheid in Nijmegen. Maar wat blijkt uit dit artikel? In de jaren tussen 100 en 107 was deze keizer in DaciŽ oorlog aan het voeren. Hij was daar persoonlijk aanwezig toen zijn troepen over de Donau trokken.
    En aangezien deze keizer geen heilige was is bilocatie, wat alleen aan zeer heilige personen is voorbehouden, uitgesloten. Als hij in DaciŽ was, dan was hij tussen 100 en 107 niet in Nijmegen. De Romeinse nederzetting Traianenses Tropaeenses (in RoemeniŽ) die tijdens de regeerperiode van Traianus tot stand kwam, bleef tot het begin van de 6e eeuw functioneren.
    Wel opvallend is dat deze plaats die nu Adamclisi is, als zodanig niet op de Peutingerkaart staat. Er loopt ook geen weg die op de Peutingerkaart staat naar toe. Vandaar dat er toch twijfels bestaan in deze herbouw, zoals het er nu bijstaat!

  11. De Via Belgica wijst de weg in Romeins Zuid-Limburg. (AM. nr.3-2018).
    De weg zelf is niet meer zichtbaar. Met de unieke navigatie-app is het een toeristisch product geworden.
    Commentaar: ook hier wordt het toerisme boven de historische werkelijkheid gesteld.

  12. Opgraving met chirurgische precisie, door Dick Roetman. (AM. nr.3-2018).
    Ook in deze magazine komen de memoires van deze amateur-archeoloog (zoals hij zichzelf noemt) ter sprake. Enkele citaten:
    1. Het is een aantrekkelijk idee dat beroemde generaals als Drusus, Tiberius en Germanicus vanuit deze locatie leiding gaven aan hun veroveringstochten.
    2. In 30/40 n.Chr. werd een ruitereenheid op Kops Plateau gestationeerd en werd na de Batavenopstand van 69-70 n.Chr. deze locaties opgeheven.
    3. Een 1e eeuw grafveld bevatte schamele crematieresten, waarvan twee van een vrouw. Er zijn geen mantelspelden aangetroffen. De 11 crematiegraven dateren uit de periode grofweg 70-105/110 n.Chr., dus niemand uit de bezettingsperiode op het Kops Plateau (12v.Chr.-70 n.Chr.)
    4. Van de gevonden 16 munten waren er 9 van vůůr de Batavenopstand uit 69/70 n.Chr. (Dus 5 van na die opstand, maar dat vermeldt Roetman niet.)
    5. De zandheuvel Hengstberg is in allerlei perioden in gebrui geweest. Resultaten zijn gevonden van Laat Paleolitjicum, brondtijd/ijzertijd, Romeinse tijd, bezetting door Franse legers in 1794 en door Duitsers en geallieerden in de Tweede Wereldoorlog.
    Commentaar: Het aantrekkelijke idee dat Rietman noemt is de wijze waarop men in Nijmegen haar geschiedenis vaststelt. Het zijn slechts aantrekkelijke ideeŽn. Ziet U ook hier weer het gat van Nijmegen en wel tussen de Romeinse tijd en de 18e eeuw.

  13. Lopen door de straten van Forum Hadriane (AM. nr.2-2018).
    In deze special komen de traditionele opvattingen over Forum Hadriani weer eens uitgebreid voor het voetlicht. We verwijzen daarvoor allereerst naar Foro Adriani waar de ware todracht beschreven wordt.
    Commentaar:Nu moet goed begrepen worden dat de Romeinse aanwezigheid en vondsten allerminst worden ontkent. Wel de naam van deze Romeinse plaats. Die steunt vooral op de Peutingerkaart (zie daar), waarop overigens niet Forum Hadriani staat, maar foro adriani (zonder H en zonder hoofdletters). Het artikel blijkt wat de literatuur betreft, naast op de traditie vooral op de boeken van Tom Buijtendorp te steunen.
    Door Buijtendorp worden vergelijkbare bewijzen geven als in zijn boek over Caesar in de Lage Landen (zie daar). Er wordt een heleboel beweerd maar niets bewezen, ook al noemt men de klassieke schrijvers als Tacitus, Suetonius en Cassius Dio. Het is een vergelijkbaar verhaal als men in Keulen hanteert met de letters CCAA wat Colonia Claudia Ara Agrippinensium zou betekenen. Die mythe heb ik doorgeprikt met artikelen in SEMafoor nr.4 jrg.18 en nr.2 jrg.19.


  14. Ook bij Forum Hadriani blijkt het enige bewijs van de naam gebaseerd te zijn op de Peutingerkaart. Wat Tacitus en de andere klassieke schrijvers (waarnaar Buijtendorp verwijst) ook schrijven, toch blijkt ook bij Buijtendorp het uitgangspunt te zijn dat de UbiŽrs bij Keulen woonden. Dat uitgangspunt is onjuist aangezien de UbiŽrs de buren van de Sueben waren, die volgens Caesar niet ver van de zee woonden waarin de Renus uitmondt. Als men voor Renus de Rijn wil houden (maar het is de Schelde (zie daar), dan woonden de Sueben dus bij Katwijk. En dan kun je de bewoners van Keulen toch moeilijk 'de buren' noemen! Het voorgaande wordt verder bevestigt doordat naast de Sueben de MenapiŽrs (is Keltisch en betekent 'kustbewoners') woonden. En de MenapiŽrs woonden in Frans-Vlaanderen, waar Cassel (castellum menapiorum) immers hun hoofdstad was.
    Zo zitten de mythen in elkaar. Als men nu de klassieke schrijvers eens kritisch zou lezen en niet meteen zou spreken 'dat de schrijver zich hier vergist heeft', dan zou de ware kijk vanzelf op tafel komen. Niet de klasieke schrijvers hebben zich vergist, maar de latere historici die hun teksten op de verkeerde plaatsen toepasten. En dat ze daar niet passen geeft precies aan dat men dan elders moet zoeken. En dat is precies wat Albert Delahaye (en anderen) gedaan heeft.

  15. Het keerpunt Dokkum (AM. nr.1-2018).
    In deze special komt de mythe van St.Bonifatius en Dokkum weer volop aan de orde. Zie daarvoor ook het hoofdstuk over Bonifatius waar veel van de mythe wordt besproken.
    In dit artikel worden aan de traditionele opvattingen nog enkele mythen aan toegevoegd. Zo zou Dokkum al in 248 door hertog Obbo van Friesland zijn gesticht. Dat jaartal is echter verzonnen, wordt er aan toegevoegd. Over de hertog Obbo echter geen woord. Heeft die nu wel of niet bestaan? En met muntjes van Duitse machthebbers uit de 11e eeuw bewijs je ook niets over de 8e eeuw. Dat er Doccuga op staat geeft ook niet aan dat het om Dokkum zou gaan. Dan moet er bewezen worden dat Dokkum in de 11e eeuw een eigen muntatelier had. En zolang dat niet bewezen is, blijft ook dit een mythe.
    Directeur Dragt van het museum in Dokkum vindt Bonifatius trouwens geen martelaar, 'want hij kwam niet alleen voor het geloof naar Dokkum' beweert hij. 'In ieder geval werd Bonifatius na zijn dood in talrijke levensbeschrijvingen veel mooier en heiliger voorgesteld dan hij in werkelijkheid was', zegt de museumdirecteur. En wat Dokkum zelf betreft, het was in die tijd niet meer dan een terpje bij een doorwaadbare plaats. Door de moord zou het uitgroeien tot een religieus centrum en bedevaartsoord. Toch zou de moord in 754 op de markt voor de grote of St.Martinuskerk plaats gevonden hebben. Op dat terpje? En dat terwijl de oudste bronnen over die moord niet de plaats noemen, maar de pagus Dockinchirica, wat de streek van Dunkerque (Duinkerke) is en zeker niet het niet bestaande Dokkum. En over een religieus centrum of een bedevaartsoord dat Dokkum geweest zou zijn is in de kerkgeschiedenis van Nederland niets gebleken. Pas in de 19e eeuw werd Dokkum als moordplaats wat bekender.
    Als museumdirecteur al zoveel twijfel uit, zou het aan te bevelen zijn dat hij eens uitzoekt wanneer Dokkum een religieus centrum en bedevaartsoord werd. Dat gebeurde pas in de 19e eeuw, waarmee het ontstaan van de mythe precies wordt aangegeven. Dat de St.Bonifatiuskerk uit 1872 stamt en het St.Bonifatiusbeeld pas in 1962 door (de protestantse, red.) prinses Beatrix werd onthuld wordt dan wel vermeld, maar er worden geen conclusies uit getrokken.
    Zo blijven de mythen bestaan, aangezien men geen historisch onderzoek doet of wenst te doen. Ook hier viert het toerisme hoogtij, reden waarom de welvaart van Dokkum in de 17e eeuw nog eens wordt genoemd en geroemd. Zie verder bij Dokkum.

  16. Op zoek naar Oppidum Batavorum (AM. nr.1-2018).
    Hoewel dit vermeende oppidum elders (zie daar) uitvoerig is besproken, moet het toch weer de aandacht krijgen. Het is zo'n mythe die maar blijft rondzingen in historisch Nederland en in Nijmegen, ook in dit artikel van Dick Roetman. Hij blijft Nijmegen Ulpia Noviomagus en de oudste stad van Nederland noemen, volgens Roetman zelfs 20 jaar ouder dan men in Nijmegen hanteert. Woorden als 'lijkt wel', 'mogelijk' en 'zal wel' maken zijn artikel niet bepaald overtuigend. Het zijn bewoordingen die we vaker tegenkomen in de geschreven geschiedenis uit het eerste millennium, waarmee de twijfel die er toch blijkt te zijn precies wordt aangegeven.
    Zijn vraag "Is de Bataaf gevonden?" beantwoordt Roetman zelf al met een volmondig NEE. De Romeinse gebouwsporen die ervoor in aanmerking zouden moeten komen, hebben geen betrekking op de stad Oppidum Batavorum. Commentaar:Tot die conclusie was W.Willems ook al gekomen in de jaren 80 van de vorige eeuw (zie daar). Blijkbaar heeft Roetman dat opgravingsverslag niet gelezen, aangezien hij weer met de conclusies van DaniŽls uit de jaren 20 komt aanzetten. Ook dat verhaal van DaniŽls heeft hij blijkbaar niet goed gelezen, immers DaniŽls twijfelde al aan de algemene opvattingen (zie daar).


  1. Tempels in het Batavengebied, door Dick Roetman. (AM nr.6-2017).
    Ook in dit artikel gaat Roetman er weer vanuit dat de Betuwe het gebied van de Bataven was. Hij noemt de studie van J.E.Bogaers (zie daar), die de Romeinse tempel ontdekte en daarop is gepromoveerd in 1955. Maar in tegenstelling van hetgeen Bogaers beweerde blijkt de tempel niet uit 70 n.Chr., maar uit 100 n.Chr. te stammen. Deze Romeinse (waaraan dus nu getwijfeld wordt) tempel bleek midden in Bataafs gebied te staan. De Bataafse oppergod Magusanus werd door de Romeinen gekoppeld aan hun God Hercules, vermeldt Roetman nog. Dat gaf aan dat de Romeinen heel mild dachten over de goden van overwonnen stammen en die vaak overnamen in hun religie.
    Commentaar: Door dergelijke kromme redeneringen maakt Roetman er een ware karikatuur van. Alsof de Romeinen zich inlieten met de door hen overwonnen volkeren. Als ze konden werden hele volkstammmen vermoord, de vrouwen en kinderen tot slaaf gemaakt en de dorpen platgebrand. En nergens anders werd een God van een overwonnen volk tot een God van de Romeinen gemaakt. Alleen in de Betuwe?

  2. Kruis en munt, door Annemarieke Willemsen. (AM nr.6-2017).
    Een gouden munt met Arabisch opschrift, gevonden in Finkum, was erg afgesleten. De munt werd toegeschreven aan kalief Abd al-Mu'min (1130-1163 n.Chr.) en bevestigt dat de munten geen betaalmiddel waren, maar dat het gaat om hun intrinsieke waarde (van het goud). Ook in Nederland waren deze munten blijkbaar gewild om er sieraden van te maken.
    Commentaar: We vermelden dit omdat aan de vondst van munten wel eens heel onjuiste verklaringen worden gegeven. Ter vergelijking: Is deze Arabische munt door een Arabier verloren? Of viel Finkum onder het Arabische Rijk? En is deze munt rond 1163 n.Chr. verloren? Hieruit blijkt ondermeer dat een sluitmunt geen zekere datering geeft. Wat hier geldt voor deze Arabische munt, geldt ook voor Romeinse en Karolingische munten. Waarvan Akte.

  3. De Leidse zuil van Trajanus, door Tom Buijtendorp. (AM nr.6-2017).
    Commentaar: Voor dit artikel van Buijtendorp vol aannamen en hypothesen verwijzen we naar zijn boek over het jaar 117. Dat Buijtendorp zelf ook vermeldtt dat het een nieuw licht werpt op de Romeinse tijd toont aan dat van het vorige opvatting niet alles juist was. Maar is de opvatting van Buijtendorp dan wel juist? Ik mag het betwijfelen nu ik zijn boek over het jaar 117 bestudeerd heb.

  4. Archeologie in Breda (AM. nr.5-2017).
    In Archeologie Magazine 5 is een Special gewijd aan de geschiedenis van Breda. Deze kan als voorbeeld dienen voor de geschiedenis van meerdere steden en dorpen in Nederland, zoals Amersfoort (zie daar). Vooral de plaatsen die zich een oudere geschiedenis menen te kunnen aanmeten, zoals Zutphen en Wichmond dienen uiterst kritisch bestudeerd te worden. Vaak blijft van die vermeende oudste geschiedenis weinig tot soms helemaal niets over als men de geschreven bronnen en de archeologische bevindingen eens kritisch met elkaar vergelijkt.
    Ook bij Breda is dat het geval. Er wordt dan wel in algemeenheid geschreven over de Romeinse en de Merovingische en Karolingische tijd (die zijn in algemeenheid wel in West-Europa te plaatsen), maar de zin dat "de oudste bewoningsporen zijn rond 1100 te dateren" zegt precies waar het over gaat.
    Commentaar: Breda is zoals zo veel plaatsen in Nederland (net als Utrecht, Elst, Nijmegen en Heerlen) ontstaan in het tweede millennium. Over de bewoningsgeschiedenis van Breda in de 9e en 10e eeuw is vooralsnog weinig (beter is: niets) bekend, lezen we in het artikel.
    Hebben Utrecht, Elst, Nijmegen en Heerlen een Romeinse voorgeschiedenis gehad, Breda zeker niet. Na die Romeinse voorgeschiedenis verdwijnen ook deze plaatsen in duistere eeuwen en keren pas in het tweede millennium als woonplaats weer in de geschiedenis terug.


  5. Archeologie in West-Friesland. (AM nr.4-2017).
    Het is een nat gebied. Van de vroege Middeleeuwen vinden we moeizaam dingen terug. Dijkresten stammend uit de 11e of 12e eeuw.
    Commentaar: Als bijvoorbeeld ergens de strijd van de Nederlanders tegen het water zichtbaar wordt is het wel hier. In de 11e eeuw begon het met kleine dijken. Wieringerwerf werd op basis van keramiekvondsten, waarschijnlijk bewoond in de periode 1150-1288. In 1351 verdween het dorp definitief van de kaart (wegens toenemende wateroverlast en overstromingen, red.).

  6. De Romeinen in RoemeniŽ, door Dick Roetman. (AM nr.4-2017).
    Het kon weleens een Castellum van de Cananefaten zijn, wat uit de historische literatuur bleek. De dakpanstempel met de inscriptie CICF= Cohors Prima Cannanefatium. Dir was het bewijs van het bestaan van deze 'Nederlandse' troepen, helemaal van Zuid-Holland naar Noord-RoemeniŽ gelopen.
    Commentaar: Dick Roetman gaat met deze opmerkingen wel erg kort door de bocht. Een gevonden dakpan met stempel bewijst niet wie die daar heeft weggelegd, nog minder op zijn vertaling van de afkorting wel klopt. En dat het om een "Nederlandse' cohors zou gaan is een hypothese. Gelukkig erkent hij dat ook, aangezien hij het "Nederlandse' tussen aanhalingstekens plaatst.
    Ook het door hem genoemde castellum van de Bataven ten zuiden van Tih‚u met de naam Cohors I Batavorum Millitaris is een mythe. Sinds wanneer bouwden de Bataven een Castellum? Waarom zijn die dan nooit in de Betuwe gevonden?


  7. De goudschat van Lienden. (AM nr.3-2017).
    Bij Lienden in de Betuwe is eind 2016 een muntschat gevonden van in totaal 42 stuks van Romeinse gouden solidi. De datering van de munten is tussen 375 en 437 aan de hand van de beeltenissen van de Romeinse keizers op de afzonderlijke munten. Bij de schat zijn geen verdere vondsten uit de Romeinse tijd of daarna gevonden. De verstopplek was vermoedelijk een oude grafheuvel.
    Commentaar: De conclusie die de archeologen Stijn Heeren, Nico Roymans en Jos Bazelmans trekken is ook hier weer zeer voorbarig. Men heeft bepaalde onbewezen en voorbarige opvattingen in het hoofd, die de conclusie dan bepalen. Zij menen dat deze schat een sleutelstuk vormt van de eindfase van het Romeins gezag in Nederland.
    De genoemde archeologen gaan er blijkbaar van uit dat de munten door een Romein verborgen zijn. En dat is een onbewezen aanname. Deze schat is zeker niet door een Romeinse legionair begraven die immers niet in gouden munten werden uitbetaald. Het is duidelijk een spaarpotje, een belegging van iemand op de vlucht, die zijn verborgen bezit later niet meer heeft kunnen ophalen. Wie dat was blijft een onbeantwoorde vraag. Het geeft in elk geval geen enkele informatie over een Romeins gezag in Nederland, dat rond 260 n.Chr. immers door de Romeinen verlaten was.


  8. Het raadsel van Tiel. (AM nr.2-2017).
    In dit artikel is sprake van voorwerpen, die maar bij hoge uitzondering worden aangetroffen, zoals nu bij Tiel. Zo worden voorwerpen vermeld die normaal gesproken in de context van rijke Romeinse bewoning of locaties met een bijzondere functie zoals een tempel of forum worden gevonden. Alleen is van dergelijke gebouwen bij Tiel geen spoor teruggevonden, zoals in het artikel vermeld wordt. Ook hier wordt weer geschreven over 'de stam van de Bataven' die in dit deel van de Betuwe woonden. Het artikel besluit dat er nog veel nader onderzoek nodig is.
    Commentaar: Het is de enige juiste waarheid, echter enkele conclusies staan blijkbaar al bij voorbaat al vast voordat nader onderzoek heeft plaats gevonden.
    En dat nu precies het probleem in historisch Nederland. Men blijft enkele mythen uit de 17e eeuw als uitganspunt hanteren, zonder deze eens aan een nader kritisch onderzoek te onderwerpen.


  9. Vaubans erfenis. (AM nr.2-2017 p.14 e.v.).
    Een opvallend artikel over de stille getuigen in Noord-Frankrijk van vier eeuwen machtstrijd. Het was precies dit gebied waar zich over vele eeuwen (hier wordt het beperkt tot 4 eeuwen) een machtstrijd heeft voorgedaan tussen verschillende volkeren en machthebbers tot en met de laatste wereldoorlog. Maar dit aantal eeuwen kan uitgebreid worden tot de tijd van Julius Caesar, die van Karel de Grote, de 80-jarige oorlog en meerdere schermutselingen daartussen. Juist dit gebied is sinds mensenheugnis het strijdtoneel van Europa geweest en gebleven. Zie ook het hoofdstuk over het Diets.
    Commentaar: Vergelijkt men het kaartje (zie hiernaast, klik erop voor een vergroting) met de visie van Albert Delahaye over de noordgrens van het Romeinse rijk ten tijde van Julius Caesar en ten tijde van de Limes Germanicus, dan is de overeenkomst frappant. De versterkingen die Vauban aanlegde komen nagenoeg overeen met de bovenste weg op de Peutingerkaart, waarmee de visie van Albert Delahaye een onmiskenbaar gelijk krijgt.

  10. 'Nieuwe' Romeinse weg bij Houten ontdekt (AM. nr.1-2017).
    Onlangs konden er weer 250 meter aan het alsmaar uitdijende Romeinse wegennet worden toegevoegd. Hoewel een exacte datering niet gegeven kon worden lijkt het erop dat het stuk aangelegd werd in het eerste kwart van de eerste eeuw. Daarmee zou het dus een van de oudste stukken van de limes kunnen zijn. De weg volgt niet de kronkelige loop van de Rijn, maar liep kaarsrecht door het landschap.
    Commentaar: Dat de Romeinen in Nederland geweest zijn werd door Albert Delahaye nooit ontkend en is ook niet in tegenspraak met zijn visie. Dat de Romeinen wegen aanlegden, zeker in de natte en sompige bodem van Nederland, is net zozeer geaccepteerd. De gevonden palen die verzakkingen moesten voorkomen geven dat al aan. Maar dat dit een weg van de Peutingerkaart zou zijn, wat overigens in het artikel ook niet wordt beweerd wel gesuggereerd door het gebruik van het woord Limes, is een nooit bewezen hypothese. De Limes Germanicus is een term uit de 4e eeuw en toen verbleef er geen Romein meer in (laag) Nederland.

  11. De Vikingwereld in beeld. (AM nr.1-2017).
    In 1996 werd de Stichting Weg van de Vikingen opgericht die zich specifiek bezig houdt met het beschermen van het erfgoed uit de Vroege Middeleeuwen en het exploiteren van het Viking Informatiecentrum te Den Oever. De stichting participeerde ook in enkele Europese projecten.
    In het artikel is sprake van het enkele traditionele opvattingen, Dorestad, Asselt, Zutphen en Deventer worden genoemd en de handelsgeest van de Vikingen.
    Commentaar: Die handel is in flagrante tegenspraak met wat de klassieke teksten vermelden, waarin overigens nooit sprake is van Vikingen maar van Northmanni (Noormannen). Dat verschil tussen beide bevolkingsgroepen is bij historici ook nog steeds niet bekend. Dat er weinig geschreven informatie bestaat, zoals in het artikel beweerd wordt, is een volgende misvatting. Over de Vikingen is dat inderdaad zo, maar over de Northmanni bestaat een overaanbod van klassieke teksten. Maar deze vind je inderdaad niet in Nederland, maar wel in Frankrijk waar al die plunderingen ook plaats vonden. Van verwoestingen is in Nederland geen archeologisch bewijs voor handen, staat in dit artikel, wat de volledige waarheid is. Ze zijn immers nooit in Nederland geweest. Zie bij Noormannen.
    En over de genoemde 'schat van Wieringen' kunnen we kort zijn: die staat volledig op drijfzand. Zie bij Wijnaldum, Tzummarum en Wieringen.



Lees het boek "De Ware Kijk Op" en oordeel zelf!

Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.