De historische geografie van de lage landen.
Terug naar de beginpagina.
Het Bronnenboek van Nijmegen weerlegt de Karolingische geschiedenis van Nederland.
Naar het overzicht in het kort.
ARCHEOLOGIE MAGAZINE
Deze pagina wordt elke keer aangevuld na het verschijnen van een nieuw tijdschrift.

In het tijdschrift ARCHEOLOGIE Magazine dat 6x per jaar verschijnt, staan publicaties over recente archeologische opgravingen en bevindingen.
Het blad heet Archeologie Magazine, maar te vaak houden de auteurs zich niet bezig met archeologische beschrijvingen, maar met het schrijven van geschiedenis.

Zie ook bij Archeologie in Nederland.



We beperken ons op deze pagina tot de periode tussen de tijd van 56 v.Chr. tot 1200 n.Chr. en met name tot Nederland en Belgisch en Frans Vlaanderen.

Veel bevindingen bevestigen de visie van Albert Delahaye en waar de nieuwe opvattingen in strijd lijken met die visie geven we relevante kritiek.

Het woordgebruik in de artikelen geeft vaak al aan dat er de nodige twijfel bestaat omtrent de archeologische interpretaties, immers archeologie is interpreteren. Waar geschreven wordt in termen als 'mogelijk' of 'wellicht' zal onze conclusie zijn dat er geen bewijs voor de opvatting is en er dus feitelijk niets wordt toegevoegd aan de heersende opvattingen. De voorbeelden hiernaast spreken voor zich.

Wat we ook scherp in de gaten houden is dat veel archeologische bevindingen gebaseerd zijn op de klassieke teksten. Als voorbeeld kunnen we de bevindingen in de Betuwe noemen. Zolang men er spreekt over Bataafse vondsten gaat men dus klakkeloos uit van de onbewezen opvatting dat de Bataven in de Betuwe woonden. En dat is met geen enkele tekst ooit aangetoond. Integendeel, de teksten plaatsen de Bataven duidelijk in Noord-Frankrijk. Zie daarvoor bij Bataven.

Een speciale plaats in deze rubriek wordt ingeruimd voor hobby archeoloog Dick Roetman die elke keer over Romeins Nijmegen schrijft. In zijn artikelen beweert hij vaak met onbewezen aannamen de voor hem vaststaande feiten. Ook maakt hij in zijn artikelen soms pijnlijke fouten waaruit blijkt dat hij niet altijd de echte feiten kent. Zo is de promotie van zijn leermeester prof.J.E.Bogaers over de Romeinse tempel in Elst hevig ter discussie komen te staan, aangezien het geen Romeinse tempel bleek te zijn, maar een 'inlandse' en deze tempel niet uit de tijd voor de Opstand van de Bataven bleek te dateren, maar op zijn vroegst uit het jaar 100 na Chr. Zie bij J.E.A.T.Bogaers.

Het moet daarbij goed begrepen worden dat de aanwezigheid van de Romeinen in Nederland door Albert Delahaye allerminst wordt ontkend, wat hem te vaak verweten wordt. Echter de interpretatie van veel archeologische vondsten is aan een grondige herziening toe, zoals de naamgeving van de 'Romeinse plaatsen'. Het Romeinse Noviomagus was dezelfde plaats als het Karolingische Noviomagus en was dus niet Nijmegen maar Noyon.


Waar vooral op gelet moet worden is de volgorde van de vondsten in de opgravingverslagen. Als er sprake is van vondsten uit de steentijd of Romeinse tijd die genoemd worden, blijkt daaruit te vaak dat er daarboven niets gevonden is uit de vroege Middeleeuwen. De oudste vondsten zitten uiteraard onder de jongere. Vindt men veel Romeins (zoals in Nijmegen) maar wordt er niets gevonden uit de Frankische tijd dat erboven moet zitten, dan blijkt dit gegeven meestal verzwegen te worden. Het toont in elk geval (zoals in Nijmegen) dat er geen continuïteit in bewoning heeft bestaan tussen de Romeinse tijd en de 12e eeuw.

Wat ook opvalt en nader beschouwd moet worden is het gebruik van bepaalde onbewezen aanduidingen of opvattingen bij opgravingen. Zo worden vondsten in de Betuwe te gemakkelijk 'Bataafs' genoemd en wordt iets te Nijmegen gevonden steeds als van 'Ulpia Noviomagus' gekwalificeerd. Dat de Bataven in de Betuwe woonden is, zoals hierboven aangegeven, een hypothese. En de naam Noviomagus voor Nijmegen is eveneens nooit aangetoond met enig bewijs. Het Ulpia Noviomagus was ook niet Nijmegen, maar Neumagen in Duitsland, waar (de latere keizer) Trajanus die de naam Ulpia voerde stadhouder was. In Nijmegen is hij nooit geweest, ook al is daar een deel van een zuil gevonden die aan hem wordt toegeschreven.

Artikelen waarin oude beweringen nog eens worden herhaald blijven buiten dit overzicht. Dat de archeologisch vastgestelde Romeinse nederzetting Castello Fectio geheten zou hebben (AM. nr.3 2017) is zo'n voorbeeld. De naam van dit Romeinse castellum is nergens door bewezen, ook niet door de Peutingerkaart, zoals altijd beweerd wordt. Daarop staat overigens niet Fectio, maar Fletione, wat een andere plaats was.

Uit veel geciteerde teksten kan opgemaakt worden dat de geschiedenis hard toe is aan een herschrijving. Veel opmerkingen van de aangehaalde auteurs komen niet overeen met de traditionele opvattingen.
Opvallend is dat Albert Delahaye van hen feitelijk gelijk krijgt ten aanzien van de Transgressies, de onjuist locatie van plaatsen en de continuïteit in de bewoning die in veel gebieden en op veel plaatsen niet bestaan heeft, zoals in Utrecht en Nijmegen (om maar de belangrijkste plaatsen te noemen).


Vanwege het overzicht en de leesbaarheid zijn alle artikelen (per jaar) genummerd. Deze nummering kan wijzigen door het tussenvoegen van nieuwe citaten.





Mozaieken van Romeinse schepen. Zowel de vorm en de boeg, als de riemen zijn geheel anders.











Een traditionele Romeinse trireem, met roeiriemen, spitse boeg en versierd achterdek.

Daarvan is op de 'Zwammerdamschepen' niets te zien.
In hoeverre waren deze schepen 'Romeins'?
Of waren het gewone 'inlandse' platbodems!
In het tijdschrift Archeologie Magazine lees je veel artikelen die de algemene traditionele opvattingen tegenspreken. Het zijn evenzoveel voorbeelden die de visie van Albert Delahaye onderschrijven. We geven daarvan voorbeelden aan de hand van letterlijke citaten. Wat schrijven de archeologen en historici nu precies zelf in dit tijdschrift? Of het nu gaat over de Romeinse of Karolingische tijd, ze bevestigen de traditionele opvattingen allerminst. In het Commentaar (in rood) vindt U de conclusies die uit de citaten blijken. De volgorde van verwerking op deze pagina is van de jongste uitgave (bovenaan) naar oudste uitgave (onderaan).

Verwijzingen naar jaargang 2025, jaargang 2024, jaargang 2023, jaargang 2022, jaargang 2021, jaargang 2020, jaargang 2019, jaargang 2018, jaargang 2017.

Algemeen kunnen we stellen dat de archeologie te vaak bevooroordeeld is en met cirkelredeneringen werkt. Vindt men relicten in de Betuwe dan worden die meteen gekwalificeerd als 'Bataafs', omdat de historici meenden dat de Betuwe het land van de Bataven was. Als eerste moet bewezen worden dat de Betuwe ook werkelijk 'het land van de Bataven' was. En dat is tot heden nog NOOIT gebeurd! Zie bij Bataven. Ook is nog nooit vastgesteld wat de kenmerken zijn waaraan 'Bataafs aardewerk' zou moeten voldoen. De cirkelredeneringen zijn wel duidelijk. De tekst van Tacitus die over de vestiging van de Bataven in het uiterste land van Gallia gaat, is altijd misverstaan. Het daarin genoemde eiland was beslist niet de Betuwe, dat als een eiland beschreven wordt dat aan de Oceaan ligt. Het was het land van Béthune. Zie verder bij Tacitus.

De visie van Albert Delahaye.
Door de transgressie (zie daar) en de veenvorming was het grootste gedeelte van laag-Nederland lange tijd ontoegankelijk, dus onbewoonbaar. De geschiedenis die men er doorgaans plaatst blijkt een doublure van die in Noord-Frankrijk te zijn. Julius Caesar, Karel de Grote en St.Willibrord (om de belangrijkste te noemen) zijn nooit in Nederland geweest. Alle geschiedenis die met hen in Nederland terecht kwam was geïmporteerd vanuit Noord-Frankrijk. Daar stond het Paleis van Karel de Grote in Noyon (het ware Noviomagus), was de bisschopszetel van St.Willibrord in Tournehem (Trajectum) en vonden de veldslagen van Julius Caesar tegen de Eburonen, Usipeten en Tencteren plaats.
De discussie die daarover in de Nederlanden altijd heeft bestaan, laten geen twijfel meer toe. De teksten zijn overduidelijk en plaatsen die hele geschiedenis ten zuiden van de taalgrens (zie daar).

Voor eeuwig in de Westhoek. Archeologie Magazine 03-2023.
Nergens ter wereld zijn er zo veel militaire begraafplaatsen als in de Westhoek van België. Het zijn de meest zichbare getuigen van de immense tragedie die zich er tijdens de Eerste Wereldoorlog afspeelde.
Maar die tragedie bleef niet beperkt tot de Eerste Wereldoorlog. De Westhoek in Belgisch en Frans Vlaanderen was al vele eeuwen daarvoor (ook in de Romeinse tijd), de plaats van vele conflicten. DeWesthoek stopt ook niet bij de landsgrens (die daar pas bestaat sinds 1713), maar loopt ook door in Frans-Vlaanderen (zie de kaart hiernaast: klik op de kaart voor een vergroting). Het is ook gebied waar de taalgrens als teken van die eeuwige conflicten tot op de dag van vandaag de onzichtbare, maar zeker bestaande grens in het landschap is. Het was de grens tussen de Germaanse en Romaanse taal, maar ook tussen de Germaanse en Gallische volkeren. Het was ook de plaats van het Carbonarich Woud waarmee de opmars van Julius Caesar gestopt werd. Verder noordelijk is Caesar nooit geweest. De Westhoek is niet alleen de locatie van de Eerste Wereldoorlog, maar ook de plaats waar de meer bekende Slag bij Nieuwpoort in 1600 plaats vond, maar ook de de Beeldenstorm begon en in de Romeinse tijd de Varusslag en de Opstand van de Bataven geplaatst moet worden, twee gebeurtenissen die door net deskundige historici in het verleden naar Duitsland zijn getrokken door het misverstand dat het Germania van Tacitus wellicht Duitsland was. De Westhoek was ook de woonplaats van de Friezen die er tegen de Romeinen en Franken streden, maar ook de plaats waar de Saksn woonden, waartegen Karel de Grote meer dan 30 jaar oorlog voerde. De Westhoek kenmerkt zich door de standvastige en op vrijheid gerichte bewoners, zoals de Fresones (Friezen) wat uit het altijd miskende Oera Linda Boek duidelijk blijkt. Daar lag het klassieke Frisia en de Litus Saxonicum van de Saksen. Lees meer over de Westhoek bij het Diets, de taal van de Westhoek. precies in de Westhoek ontstonden verhalen zoals het Beowulf-epos, de Gudrun-sage, de sage van de Nibelungen, het Ludwigslied, Carel ende Elegast, Walewein, Flandrijs, Seghelijn van Jeruzalem, het leven van Sint Amand, het Roelandslied, het Oera-Lindaboek en het episch gedicht de Heliand, ook wel 'het Evangelie van de Noordzee' genoemd. Deze werden geschreven aan de Litus Saxonicum, de Saksische kust aan de Germaanse zee, nu het Kanaal en is Vlaams Erfgoed. Ook het Hildebrandslied is later naar andere streken verplaatst, met het Germania van Tacitus naar Duitsland.




"Het is opvallend dat in de Nederlandse Romeinse legerplaatsen met name spelden (fibulae) uit Gallië worden gevonden!" (Bron: AiN april 2017) Men gaat nu langzaam ontdekken waar de Nederlandse geschiedenis vandaan komt: uit Frankrijk!

ARCHEOLOGISCHE bevindingen.
In onderstaande citaten geven we zoveel mogelijk de letterlijke tekst weer. Soms hoeft er uit een heel artikel maar één of enkele zinnen te worden aangehaald. Het hele artikel kunt U in de aangegeven bron desgewenst zelf nalezen. Gebruikte afkortingen in onderstaande teksten: AM staat voor Archeologie Magazine; AiN voor Archeologie in Nederland, met AWN-bijlage; AoL voor Archeologie on Line.
Waar in de artikelen sprake is van een hypothese gaat het om "een als voorlopige waarheid aangenomen maar nog te bewijzen veronderstelling".

E en voorbeeld uit een oudere Magazine:
  • Nota bene de vroegere stadsarcheoloog van Maastricht, Titus Panhuysen, heeft aangetoond dat niet Maastricht maar Nijmegen de oudste stad van Nederland is. (Archeologie Magazine nr.3.2005) Maar is dat ook zo? Panhuysen speelt tegen wil en dank, zoals hij dat zelf benadrukt, een centrale rol in die discussie over de oudste stad van Nederland. Hij zou het 'bewijs' hebben geleverd dat alleen Nijmegen recht heeft op deze titel, iets wat in 2005 bij het 2000-jarig bestaan van de stad benadrukt werd. Het gaat dan om de interpretatie van de in 1980 opgegraven Nijmeegse godenpijler (zie eigen foto hiernaast). Die noemde Panhuysen "een van Nijmegens historische kroonjuwelen" en "een monument dat met de vroegste stichting van de stad – onder keizer Tiberius – in verband gebracht kan worden". Dit werd door de Nijmegenaren aangegrepen als het ultieme bewijs dat Nijmegen dus de oudste stad van Nederland is, notabene bewezen door de Maastrichtse stadsarcheoloog! Panhuysen zelf wenst de betekenis van zijn woorden te nuanceren op grond van de uiteenlopende definities van het begrip ‘stad’, waardoor het niet mogelijk is beide stadswordingen op gelijk niveau naast elkaar te stellen. Maastricht is in Nederland bijzonder door zijn ononderbroken bewoningsgeschiedenis van 2000 jaar, maar was in de Romeinse tijd niet meer dan een vicus, die in de vierde eeuw werd vervangen door een castrum, dat in de vroege middeleeuwen doorgroeide naar een pre-stedelijke kern. Zelfs in de 'donkere' eeuwen van de 4e tot 7e eeuw kende Maastricht bewoning. Nijmegen kent geen ononderbroken bewoningsgeschiedenis. Van Nijmegen is bekend dat er gaten in de bewoning zitten, schrijft Archeologie Magazine nr.4, 2005. En welk bewijs vormt die Godenpijler? Gevonden in Nijmegen, maar slechts een gedeelte ervan. Waar is de rest?
    Prof.dr.J.de Vries schrijft daar in Archeologie Magazine 4, 2005 het volgende over: De conclusie van Panhuysen lijkt alleszins voorbarig. De "pijler van Nijmegen" is niet in zijn geheel teruggevonden. Dat zal ongetwijfeld mede de reden ervan zijn dat Panhuysen de betekenis van het monument in de vorm van veronderstellingen verwoordt. Illustratief daarvoor is de volgende zin uit deze publicatie: 'Het is best mogelijk dat de Nijmeegse zegepijler een standbeeld van de Romeinse oppergod Jupiter heeft gedragen, maar een keizerbeeld van de vergoddelijkte Augustus - wellicht in de gedaante van Jupiter ligt meer voor de hand. Als er echt een verband zou bestaan tussen Augustus en de stichting van Nijmegen, zou het dan niet bovendien in de lijn van de verwachtingen hebben gelegen dat de stad naar hem vernoemd zou zijn geweest, zoals Trier, Augusta Treverorum, en Autun, Augustodunum?

    De hele opvatting van Nijmegen als oudste stad blijkt gebaseerd te zijn op een onjuist geïnterpreteerde archeologisch vondst. En zoals elke archeoloog weet -of hoort te weten- sleepten de Romeinen met grafstenen en beelden door het hele Romeinse Rijk, wat al blijkt uit de steensoort van deze pijler die in Nederland onbekend is. Wat elders niet bewezen kan worden met een vondst, vormt deze vondst ook geen enkel bewijs ten gunste van Nijmegen.
    Keizer Tiberius regeerde van 14 - 37 na Chr. De 'godenpijler' kan dus niet van vóór het jaar 14 zijn geweest. Dat betekent dat er in 2005 nog geen enkele sprake kan zijn geweest van 2000 jaar stad. Hieruit blijkt wel de 'onzorgvuldigheid' van de historici.




    De oudste bewoning aan de Amstelmonding ontstond rond 1175, nadat de stormvloeden in de jaren rond 1170 het landschap ingrijpend hadden veranderd. (Archeologie Magazine 1-2020). Goed nadenkend over deze ene zin bewijst dat de geschiedenis van Noord-Holland, van Egmond, Medemblijk, over de kerken en de Graven van Holland, toch anders zal zijn geweest dan men traditioneel voor juist aanneemt.

    Archeologie magazine 2025


    Archeologie Magazine nr.6-2025.
    1. De Via Francigena. heilige wegen en zichtlijnen. Wegen naar Rome, deel 1.

      Lees meer over de
      Via Francigena.

    2. Een ring voor Hercules.

    3. Schrijftabletten geven andere kijk op Romeins Tongeren.


    Archeologie Magazine nr.5-2025.
    1. Een ring voor Hercules.

    2. e ontmaskering van een vals zwaard. List en bedrog, door Leo Verhart.


    Archeologie Magazine nr.4-2025.
    1. Heerlen koestert zijn Romeinse verleden.

    2. Nieuwe ontdekkingen van Romeins Utrecht.


    Archeologie Magazine nr.3-2025.
    1. Kienhout uit Nederlandse bodem.
      In de afgelopen jaren zijn vele honderden bomen gevonden en bemonsterd in de buurt van Weesp en Diemen. het dal van de l.lssel en Overijsselse Vecht. Een overvloed aan water in de lente en/of zomer betekende een ernstige beperking van de groeimogelijkheden: een smalle jaarring was het gevolg. De grote gevoeligheid van de bestudeerde eiken voor hydrologische omstandigheden maakt dat ze uitstekend geschikt zijn voor de studie van overstromingsgeschiedenis van de delta van Rijn, Maas, l.lssel en Overijsselse Vecht. Interessant is de vraag hoe de mens in de loop der tijd hiermee is omgegaan, Uit onderzoek rond Utrecht is bijvoorbeeld duidelijk geworden dat de infrastructuur van de Romeinse Iimes (wegen. bruggen en wachttorens) niet altijd opgewassen was tegen de overstromingen die zich in de Rijndelta voordeden. Deze bevindingen van o.a. Jos Bazelmans, bevestigen onweerlegbaar de visie van Albert Delahaye met betrekking tot de transgressies. Nederland bleek na de Romeinse tijd een lange tijd onbewoonbaar te zijn.
      In 1685 schreef Simon van Leeuwen over de Cymbrische Vloed. Velen hielden de Cymbrische vloed verantwoordelijk voor de 'boomstorting', een wonderlijke calamiteit waarbij lang geleden alle Nederlandse bomen tegelijk waren geveld: hun resten werden nu en dan in de bodem gevonden, steeds lagen de bomen met hun wortels naar het noordwesten en de kruin naar het zuidoosten. Maar over de verklaring van de boomstorting bestond allerminst eenstemmigheid (dat ze had plaatsgehad werd door niemand betwijfeld). Rond 1600 werd de opvatting nog verdedigd dat de bomen zich ter plekke, horizontaal en ondergronds groeiend, hadden gevormd. In de zeventiende en de achttiende eeuw werd nog niet uitgesloten dat het om resten van heidense bossen ging die Willibrord rond 700 door middel van een gebed had neergemaaid, of, de theorie met de meeste aanhang, dat de bomen tijdens een noodweer elders op aarde waren losgespoeld en met de Cymbrische vloed die Nederland overstroomde over het land waren verspreid. Er waren er natuurlijk ook nog die de boomresten aan de zondvloed van Mozes toeschreven, maar die verklaring had onder geleerden weinig steun. (Info: De Bataafse Hut, p.83).

    2. Romeinen op de uitkijk. De grensverleggende opgraving van de Romeinse wachttoren in Krommenie.
      In Krommenie, tegenwoordig onderdeel van de gemeente Zaanstad, is een ongeveer 2000 jaar oude vindplaats ontdekt. Samen met professionele archeologen groeven ze resten van een palissade. een vierkant gebouw van 3,90 bij 3,90 meter en twee andere gebouwen op. Duizenden scherven van handgevormd Fries en gedraaid Romeinse aardewerk werden verzameld. Maar wat voor een vindplaats het was kon nog niet worden vastgesteld. Sommige dachten dat het een Fries heiligdom was. anderen hielden het op een veekraal, een wachttoren, een marktplaats of zelfs een vuurtoren. Onduidelijk was ook of het nu Fries of Romeins was. Het vierkante gebouw vertoonde veel overeenkomsten met elders opgegraven Romeinse wachttorens.
      De vondsten wezen op de aanwezigheid van Romeinse soldaten, zoals de punt van een schede van een dolk. een stuk van een militaire riem. een deel van een pilum (speer) en de rand van de wangklep van een helm. De toren kon worden gedateerd in 0-50 n. Chr. In die periode lagen bij Velsen twee Romeinse forten.
      In 2024 bleek de kreek een vondstrijke plek te zijn waaruit duizenden scherven en honderden botten kwamen. Bijzonder was dat hier ook Chaukisch en Menapisch aardewerk tussen zat. De Chauken leefden in Groningen en Noord-Duitsland, de Menapiërs kwamen uit Zuid-Nederland. Wat deden die in Krommenie? Waren het Romeinse huursoldaten? Of immigranten in het kielzog van de Romeinen? Opvallend was dat in de palissade een opening bleek te zitten van ruim 10 meter. Bij een aanval van de Friezen was dit een zwakke plek. Sloten de Romeinen in geval van nood deze opening dan af met schotten? Of reden ze er een paar karren voor? Er blijven nog wel enkele vragen ter beantwoording over. Het onderzoek werpt ook nieuwe vragen op: Hoeveel man waren er in de toren gelegerd? Enkele houten tentharingen wezen op de aanwezigheid van tenten. Hoeveel soldaten sliepen er totaal op het terrein? Waarvoor diende de 10 meter grote opening in de palissade? Hoorde de wachttoren nu bij het eerste fort van Velsen (15-28 n. Chr.) of bij het tweede (39-47 n. Chr.)? Stonden er misschien wel meer wachttorens rond de forten bij Velsen? En de belangrijkste vraag: wat deden de Romeinen eigenlijk zo ver noordelijk, in wat nu Krommenie is?

      Het als 'Fries' gekwalificeerd aardewerk is het gevolg van een cirkelredenering. Aardewerk gevonden in een gebied waarvan men meende dat er Friezen woonden, wordt dan 'Fries' genoemd. Aangezien 'Fries aardewerk' geen enkele vastgestelde gekwalificeerde omschrijving kent, is hier ook geen sprake van 'Fries'. Ook hier blijft weer van toepassig wat Annemarieke Willemsen schreef: "De traditionele etnische indeling in Friezen, Franken en Saksen in Nederland is archeologisch niet te bewijzen".
      Vraag blijft of hier wel sprake is van een 'Romeinse' wachttoren. Zoals het artikel vermeldt blijft de vraag "wat voor een vindplaats het was?" Sommigen dachten aan een Fries heiligdom, anderen hielden het op een veekraal, een wachttoren, een marktplaats of zelfs een vuurtoren. Onduidelijk was ook of het nu Fries of Romeins was. De onbeantwoorde vraag blijft: Waarom zouden de Romeinen juist dààr een wachttoren gebouwd hebben?

      Hier valt weer te constateren dat deze archeologen uitgaan van enkele veronderstellingen.
      1. De datering wordt gebaseerd op de aangenomen veronderstelling dat het verblijf van de Romeinen in Velsen tussen 0 en 50 n.Chr. was. Dan zouden de Romeinen al eerder in Velsen geweest zijn, dan bijv. in Utrecht of Valkenburg? Dat moet dan eerst maar eens aangetoond worden.
      2. Vormen slechts 4 stukken van Romeinse relicten het bewijs van de aanwezigheid van een omvangrijk legioen? De Romeinen verbleven niet ergens in hun eentje, maar slechts met complete legioenen van toch 500 tot 1000 man.
      3. De Chauken woonden niet in Groningen of in Noord-Duitsland. Dat is een aanname, die nooit met enig feitelijk bewijs aangetoond is. Lees meer over de Chauken.
      4. De Menapiers woonden ook niet in Zuid-Nederland, maar in Frans-Vlaanderen, waar Castellum Menapiorum hun hoofdtad was.
      5. De vondst van Chaukisch en Menapisch aardewerk (nog een cirkelredenering) wordt bijzinder gevonden (dus is uitzonderlijk). De vraag die het oproept wordt al beantwoord met "immigranten", nog afgezien van wanneer die in dat gebied terecht kwamen. Maar dat soort verplaatsbare relicten kan door iedereen ten alle tijden meegenomen zijn, bijvoorbeeld ook door Romeinse legionairs vanuit Noord-Frankrijk.

      Lees ook het artikel in Magazine nr.2: Romeinen in Noord-Holland.

    3. Romeinse Waalschatten. Offers voor een grillige riviergod?
      In dit artikel wordt weer uitgegaan van de onbewezen opvatting dat Nijmegen de oudste stad van Nederland is. Dat geloven ze alleen in Nijmegen en in verouderde schoolboekjes en is nog steeds een onbewezen opvatting. Over de baggervondsten wordt het volgende vermeldt: "Vondsten die eind negentiende eeuw tijdens baggerwerkzaamheden in de Waal en de Rijn aan het licht kwamen. De baggeraars verkochten de voorwerpen aan een Nijmeegse antiquair die deze op zijn beurt doorverkocht aan de rijke verzamelaar P.A. Gildemeester uit Amsterdam. Gildemeester liet zijn Romeinse verzameling na aan het Rijks-museum van Oudheden in Leiden". Waar precies gevonden? In de Waal of in de Rijn? Verkocht, doorverkocht? Er werd behoorlijk gehandeld in Romeinse relicten. De vinders wisten dat ze er flink veel geld voor konden krijgen, zoals eerder met Johannes Smetius en zoon en met G.M.Kam en zijn museum gebeurde. Karrenvrachten 'Romeins' werden verhandeld en verwisselde van eigenaar en kwamen overal vandaan en overal in musea terecht. Daarvan zijn er nu heel wat te zien in Museum Bastei. Het is bekend dat in Nijmegen sinds de tweede helft van de zeventiende eeuw veruit de meeste Romeinse resten werden gevonden. Er bestond zelfs een handel in oudheden, waarbij ook speciaal voor de markt vervaardigde vervalsingen circuleerden. Het bodemonderzoek was, niet alleen in Nederland, in hoge mate een vorm van schatgraverij die volgens oud gebruik eindigde in de kunst- en rariteitenkabinetten der aanzienlijken. Dat gold ook voor verreweg de belangrijkste archeologische verzameling die Nederland tot 1703 rijk was en die ook internationaal hoog gewaardeerd werd, de collectie van de Nijmeegse predikant en amateurarcheoloog Johannes Smetius

      De naam van de riviergod Rhenus bicornis, de gehoornde Rijn, komt voor in de Aeneis van de Romeinse schrijver Vergilius (70-19 v.Chr.), die hiermee verwijst naar de afsplitsing van de Rijn in de Nederrijn en Waal, ongeveer waar nu Millingen aan de Rijn in Gelderland ligt. Zowel de Rijn als de Waal worden meerdere keren genoemd in antieke teksten. Zo beschrijft Caesar (100 - 44 v.Chr.) in De Bello Gallico hoe de Waal, Vacalus, zich afsplitst van de Rijn en het eiland der Bataven vormt. Tacitus (56-117 n.Chr.) noemt de Waal Vahalis in zijn Germania.

      Het moet goed begrepen worden dat de naam van Rijn of Waal in geen enkele klassieke tekst wordt genoemd. Dat zijn nooit met enige bewijs gestaafde interpretaties. Julius Caesar zal ook nooit de Waal genoemd kunnen hebben, immers die ligt niet in Gallië, verre van zelfs. Het staat vast dat Caesar nooit in België is geweest en dan al helemaal nooit in Nederland, waar hij de Waal gezien zou hebben. En de Waal ligt ook niet in Duitsland, waar het Germania van Tacitus (helaas onjuist) geplaatst wordt.
      Offers aan riviergoden konden ook worden gebracht door deze in het water te deponeren. Dat ritueel beperkte zich niet tot rivieren in de Romeinse tijd en kwam voor in allerlei natte contexten, zoals vennen, beken, bronnen en moerassen. Vergelijk dit met de gevonden Ruiterhelm in de Peel, waarvan de geschiedenis volgens deskundigen moet worden herschreven. Voor archeologen is het herkennen van dergelijke offers lastig. Het blijft dan ook onzeker welke wapens, helmen, schildknoppen, mantelspelden en beeldjes in de tentoonstelling offers waren en welke door andere oorzaken in het water zijn beland. Dergelijke voorwerpen zijn alleen als offers herkenbaar als ze op steeds terugkerende plaatsen in het landschap worden gevonden. Offers aan riviergoden zijn niet alleen lastig te herkennen, maar helemaal niet te herkennen. Dat is pure speculatie. De laatste opmerking is waar het om precies draait: steeds op dezelfde plaats, maar dan nog? Waarom zou je kostbaarheden in het water gooien? Het ging immers vaak om voorwerpen van zilver en goud of persoonlijke voorwerpen zoals zo'n ruiterhelm. Met legioenen van duizenden manschappen zouden er toch veel meer gevonden moeten zijn dan die ene uitzondering?
      Oorspronkelijk lag Romeins Nijmegen, Oppidum Batavorum, op het Valkhofplateau, en strekte zich mogelijk uit tot aan de Waalkade. Dit blijkt uit paalkuilen en munten die onder Museum De Bastei zijn gevonden. Kort na de verwoesting in 69/70 n.Chr. verscheen bijna een kilometer naar het westen een nieuwe nederzetting die bekend werd als Ulpia Noviomagus, de stad die grotendeels werd verlaten rond 270 n.Chr. Kort na de Bataafse opstand ontstond ter hoogte van Museum De Bastei aan de Waaloever een kleine handelsnederzetting, vermoedelijk met aanlegplaats. Tijdens de opgravingen (tussen 2015 en 2018) is een stuk van een Romeinse muur blootgelegd waarvan men al delen vond in de jaren '80 van de vorige eeuw, met name bij de bouw van het Casino. Zowel in Museum De Bastei als onder het Casino zijn stukken van deze muur te zien, die vermoedelijk aan het begin van de tweede eeuw n.Chr. is gebouwd. Deze muur had in eerste instantie de functie van keermuur, om het zand van de Lindebergheuvel tegen te houden. Aan het eind van de derde eeuw n.Chr. werd op het Valkhof plateau een Romeins castellum gebouwd.
      Hier lezen we een herhaling van de onbewezen aangenomen Nijmeegse geschiedenis. Oppidum Batavorum is archeologisch noch tekstueel ooit aangetoond in Nijmegen. W.Willems verklaarde daarover in 1989 na vele maanden opgraven: "We hebben het niet gevonden!" Over Ulpia Noviomagus kunnen we ook kort zijn. Het was een bedenksel van J.E.Bogaers in 1959, dat door hem nadien nooit bewezen is, hoewel hem daar wel om gevraagd werd door H.J.H.van Buchem. Dit Noviomagus was niet Nijmegen, maar de plaats Neumagen, waar (de latere keizer) Trajanus stadhouder was en zijn familienaam Ulpia aan toevoegde. Maar deze stad zou pas gesticht zijn bij het vrtrek van het Tiende Legioen in 104 n.Chr. De verwoesting in 69/70 n.Chr. heeft te maken met de Opstand van de Bataven. Deze Opstand vond echter plaats in Noord-Frankrijk. Het Tiende Legioen dat de Opstand onderdrukte verbleef in Norroy (bij Pont-à-Aleson) en kwam pas ná de opstand in 71 in Nijmegen terecht. Ook de plaatsen die bij de opstand op één dag werden aangevallen (Arenacum, Batavodorum, Grinnes en Vadam) zijn in Nederland evenvele vraagtekens, net als de rivier de Navalia waar de uiteindelijke wapenstilstand werd gesloten. De Navalia is de Nave bij Béthune. Bij de hier genoemde kleine handelsnederzetting wordt wel een 'vermoedelijk' uitgesproken, immers ook hiervoor ontbreken de noodzakelijke bewijzen. Volgens het boek over Het Valkhof 2000 jaar werd na de opstand de nieuwe Bataafse hoofdstad Ulpia Noviomagus gesticht, die rond het jaar 100 stadsrechten kreeg. (p.30). Opvallend is steeds dat verschillende historici er verschillende opvattingen op na houden over dezelfde gebeurtenissen. Hieruit blijkt eens te meer dat de geschiedenis van Nijmegen geheel onzeker is en niet bestaat uit vaststaande feiten. Zo worden over die genoemde Romeinse muur verschillende opvattinge gehanteerd. Het was zeker een keermuur, echter niet voor de helling maar tegen het water.

      Onbeantwoorde vraag? Bogaers wist in 1980 nog geen antwoord te geven voor die muur. Voor hem was het toen een onbeantwoorde vraag. Bogaers wist het niet en heft vol vertwijfeling de handen in de lucht! Deze muur heeft gediend als waterkering, maar dat werd angstvallig verzwegen om vooral Delahaye geen gelijk te geven met de transgressies, wat wel bleek uit onderstaand schrijven


      Een zeer interessant en verhelderend artikel, mits goed gelezen en begrepen. Dat is feitelijk een terugkomend probleem in de Nederlandse archeologie. Te vaak worden bevindingen gebaseerd op een aangenomen beginpunt. Maar als de premisse onjuist is, is ook elke deductie onjuist. In dit artikel is ook regelmatig sprake van 'mogelijk', 'vermoedelijk', 'onzeker' en 'lastig te herkennen'. Als je die zinnen schrapt blijft er weinig over van 'deze spannende geschiedenis', zoals het in dit artikel genoemd wordt.
      Lees ook wat er in toont Archeologie in Nederland (nr. 4, okt.2019) geschreven wordt, waarin de mythe van 2000 jaar bewoning in Nijmegen onweerlegbaar wordt aangetoond.

    4. Het graf van Hlodovic. Column van Johan Hendriks.
      Gregorius van Tours noemt hem in zijn omstreeks 592 gepubliceerde 'Decem libri historiarum', ook bekend als Historia Francorum, Chlodovechus, een gelatiniseerde vorm van zijn echte Frankische naam Hlodovic. Zijn geschiedenis is redelijk goed bekend. Vanuit Reims (F) oefent hij, in navolging van zijn vader, een belangrijke militaire en bestuurlijke functie uit in de provincie Gallia Belgica Secunda. Hij voelt zich sterk genoeg om de Frankische krijgsheer Sigebert in Colonia (Keulen, D) hulp te bieden, die zich bedreigd voelt door naar het noorden oprukkende Alamannen. Dat probleem wordt in drie veldslagen opgelost, waarvan de bekendste wel die van Tolbiacum (Zülpich, D) is.
      Met als gevolg van Hlodovic uitgroeit tot de meest invloedrijke Frank ten westen van de Rijn en ten noorden van de l.olre. Na het verslaan van de Visigotische leider Alarik II op de Campus Vogladensis, mogelijk Vouillé in de buurt van Poitiers (F) en de Frankische leiders in het Rijnland is hij de machtigste man in West-Europa.
      Omstreeks 508 wordt Hlodovic gedoopt door bisschop Remigius van Reims (F) en wordt daarmee de enige civiele leider van de westelijke christenheid. Na de dood van Genovefa, laat hij in 508 een basilica bouwen op de Mons Lucotilius, de huidige Montagne Sainte-Geneviève, om haar een waardig grafmonument te geven. Enkele jaren later (511) overlijdt Hlodovic zelf en wordt begraven in haar kerk naast zijn inspirator Genovefa. Tot zover is het verhaal wel duidelijk. Maar dan wordt het mistiger. Als in 857 de Noormannen klooster en kerk van Genovefa in de as leggen, worden hun sarco-fagen in veiligheid gebracht. Bij de herbouw van de kerk aan het begin van de twaalfde eeuw krijgt de sarcofaag van Genovefa een centrale plaats in de crypte en die van Hlodovic en Chrodegilde in een aan de noordzijde van het koor aangebouwde kapel. In 1177 is daar sprake van een tombe met het opschrift 'chlodovecho magno'.
      Die gotische kerk wordt tussen 1801 en 1807 afgebroken om plaats te maken voor het huidige Panthéon en een nieuwe straat die de naam Rue Clovis krijgt. Van het oude klooster resteren nog enkele kelders en andere gebouwen binnen het Lycée Henri ICV. Het enige zichtbare deel is de Tour Clovis. Het graf van Hlodovic bevindt zich ergens tussen die toren en de Rue Clovis, of wellicht onder de straat zelf. Het is tot op heden nog niet ontdekt en wellicht voor altijd verdwenen

      Volg je dit hele verhaal, dan speelt alles zich af in Noord-Frankrijk, op een zijspoor naar Keulen en Zülpich na. Maar was dit Colonia wel Keulen of was het Cologne bij Calais? Tolbiacum was ook niet Zülpich, maar Thuilles bij Charleroi, door Tacitus (Hist. IV, 79) genoemd bij de Opstand van de Bataven in het gebied van de Agrippinenses (Avesnes), in verband met de Chauci (niet noord-Nederland, maar Chocques) en de Fresones (niet Friesland, maar Frans-Vlaanderen). De oprukkende Alamannen waren ook niet de Duitsers, maar de bewoners van het oosten van Noord-Frankrijk, in de streek van de Ardennen. De Geograaf van Ravenna beschrijft hun streek nauwkeurig. Hij schrijft: "Dichtbij het land van Turringia (=Doornik) ligt het vaderland van de Suavi (door de Romeinen Suevia geschreven, is de omgeving van Kortrijk) en de Alamani, dat raakt aan Italia". Italia is Zwitserland en niet het huidige Italië. De naam Alamani heeft (helaas onjuist) geleid tot de naam Allemagne voor Duitsland, die gehandhaafd bleef nadat Duitsland een veel grotere expansie had gekregen naar het noorden en het oosten. De Engelsen noemen Duitsland, ook onjuist, Germany, naar indicatie van het Germania van Tacitus. In het land van de Alamannen lagen verschillende steden, zoals: Logonas (Longwy of Longuyon), Nantes (Nancy), Bizantia (Bisten-en-Lorraine) en Mandroda (Manderen).
      Zülpich, op 25 km zuidwest van Bonn, wordt aangezien voor het Romeinse Tolbiacum, dat evenwel blijkens afdoende bewijzen vlakbij Avesnes-sur-Helpe, Thuillies was. In Zülpich is een mijlpaal gevonden die met 16 leugae of 35 km naar Keulen verwees. Voor alle duidelijkheid moet worden gezegd dat er helemaal niet Keulen of Colonia Agrippinensis op staat, zodat er geen enkele reden is om victorie te kraaien en het voor te stellen alsof deze mijlpaal de twee determinaties Keulen en Zülpich zou bevestigen. Bijzonder leuk is dat de Gallische haan op zijn beurt victorie kraait, daar het echte Tolbiacum dat Thuillies is, ook op precies 35 km van Avesnes-sur-Helpe ligt, dat het ware Agrippinenses is. Ja, zou van verbazing achterover moeten slaan van alle toevallen in deze materie. De Muze Clio speelde een verwarring stichtend spel.


  • Archeologie Magazine nr.2-2025.
    1. Nieuws uit archeologisch Antwerpen. Uit de Romeinse periode zijn slechts enkele rechte en halfronde dakpannen (tegulae en inbrices) gevonden en ook fragmenten van maalstenen. Enkele grote paalsporen op 2 meter diepte wijzen erop dat op de plek waar de Vrijdagmarkt nu ligt, in de 13de en 14de eeuw een groot houten gebouw stond. Naast aardewerk daterend van de 10de tot 15de eeuw, zijn ook metaalvondsten uit die periode gedaan. De geschiedenis van Antwerpen bevestigt de visie van Albert Delahaye. Ook hier is een bewoningshiaat tussen de Romeinse tijd en de 10de (?) en 13de eeuw vastgesteld. De paalsporen op 2 meter diepte tonen onmiskenbaar de transgressies aan.

    2. Romeinen in Noord-Holland.
      Vaak wordt gedacht dat de Romeinen zich uitsluitend in het zuiden van Nederland vestigden, met de Rijn als noordelijke grens, Inmiddels hebben diverse archeologische vondsten aangetoond dat de Romeinen wel degelijk actief waren in Noord-Holland, Zoals de vondst van de Romeinse wachttoren in Krommenie bijvoorbeeld, die aanleiding was voor het nieuwe stripboek 'De Romeinen deel 2 - De Friese Opstand', 'Het gaat om de meeste noordelijke Romeinse (militaire) nederzetting op het vasteland', aldus gemeentearcheoloog Piet Kleij (gemeente Zaanstad) tijdens de presentatie van het stripboek in archeologiemuseum Huis van Hilde in Castricum. Om de wachttoren heen stond een grote omheining van boomstammen, een zogenaamde palissade, die bijna een half voetbalveld omsloot. Zowel de grootte als de vorm van de palissade en de ligging van het geheel, buiten het Romeinse Rijk, maken het een bijzondere vindplaats. Piet Kleij: 'Met deze vondst is destijds de geschiedenis van het Romeinse Rijk een stukje herschreven.' Onlangs is het skelet van een Romeinse soldaat die hier in een waterput was aangetroffen, toegevoegd aan de vaste tentoonstelling van Huis van Hilde. Hoorde de wachttoren van Krommenie bij het fort in Velsen? Waar werd het voor gebruikt? Welke vondsten zijn er nog meer aangetroffen en wat vertelt dat over de aanwezigheid van de Romeinen in Noord-Holland? Een ander bewijs van de aanwezigheid van de Romeinen in Noord-Holland was de ontdekking van het grote Romeins legerkamp nabij de huidige Velsertunnel in 2021. Dit fort, bekend als Flevum. besloeg minstens 11 hectare en herbergde duizenden soldaten.
      Het is te hopen dat die geschiedenis van de Romeinse tijd eens echt herschreven wordt, met name rekening houden met de bevindingen van zowel A.W.Byvanck, W.A. van Es en voorral met de visie van Albert Delahaye. De gestelde vragen in dit artikel blijken nog onbeantwoord te zijn, de antwoorden vind je bij Delahaye. Wat bewijs je met paalsporen of met één skelet? Van het fort Flevum bestaan in Nederland verschillende locaties, allemaal onbewezen. Het echte Flevum lag in Frans-Vlaanderen, wat blijkt uit verschillende klassieke teksten.
      De Opstand van de Fresones in 28 n.Chr. heeft zich eveneens in Frans-Vlaanderen voorgedaan, waar de Fresones immers in het klassieke Frisia woonden, wat uiteraard niet Friesland was.
      Het wordt toch stilaan tijd dat de tegenwoordige historici de boeken van Byvanck en Van Es eens gaan lezen. De 'zekerheden' over Romeins Nederland vind je bij hen zeker niet terug.

      Dat deze opstand zich zou hebben voorgedaan in Noord-Holland (dus niet in Friesland?) is een hardnekkige mythe. In 28 ná Chr. was er nog geen enkele Romein in West-Nederland geweest, overigens ook nog niet in Nijmegen. De Romeinen hadden Keulen en Xanten nog niet eens bereikt. In Utrecht en Valkenburg verschenen de Romeinen pas tussen ca.40 en 47 ná Chr. En dan zouden ze al een veldslag tegen de Friezen in Noord-Holland hebben gevoerd? Overigens is daar geen enkel bewijs voor gevonden, niet archeologische, maar ook niet tekstueel. Het is heel interessant en verhelderend wat A.W.Byvanck en W.A. van Es daarover schrijven. Tacitus is de eerste Romeinse schrijver die de Fresones noemt. Hij beschrijft dat Drusus in 12 vóór Chr. de Fresones bedwong, toen honderden kilometers in de omtrek van Friesland nog geen enkele Romein te bekennen was. De Romeinse veldheer Corbulo trekt in 28 ná Chr. ten strijde tegen diezelfde Fresones, die nog steeds op dezelfde plaats in Frans-Vlaanderen woonden en niet 'verhuisd' waren naar Friesland. De Grote Winkler Prins die in alle historische boeken nagevolgd wordt, beschrijft het verhaal van de Friezen, dat van A tot Z een fabel is. De plaatsing van de oude Friezen “van Cadzand tot de Weser” klopt inhoudelijk niet met betrekking tot dit "schuivend" volk, wat de aandachtige lezer wel vanwege de onzekerheden en de tegenspraken zal bemerken. Tacitus plaatst de Fresones/Frisii met duidelijke gegevens in Vlaanderen en wel aan de kust van Het Kanaal waar ze naast de Saksen en Moriniërs woonden. Met de rivieren Albis, Amisia, Wisurgis en Lippia doen de Friezen hun intrede in de geschreven geschiedenis. Deze rivieren zijn FRANSE rivieren en worden in parallelle teksten geïndentificeerd als de Aa, de Hem, de Wimereux en de Lys. Opvallend bij deze rivieren is dat hun getransplanteerde zuster-rivieren (Elbe, Eems, Weser, Lippe) allemaal net buiten het gebied liggen dat de historici voor de Friezen in gedachten hebben. Ze liggen juist in het gebied waar, ook foutief, de Saksen geplaatst worden. Bij deze rivieren onderwierp Drusus in 12 vóór Chr. de Fresones en bouwt er een rij forten om Gallia te beschermen tegen invallen van de Germanen. Een rij forten in Noord-Duitsland om Frankrijk te beschermen tegen invallen van Germanen? Germanen die, ook in de traditionele opvatting, dan al binnen het Romeinse rijk woonden. Ptolemeus plaatst deze rivieren in Noord-west Frankrijk en wordt daarin bevestigt door Tacitus. De Friezen worden in teksten vaak in een adem genoemd met de Saksen. Zij woonden naast elkaar! Ook in de traditionele opvatting woonden ze naast elkaar, maar VERKEERD om. De klassieke Saksen woonden ten zuiden van de Friezen, niet ten oosten ervan! Ook in de latere geschiedenis onder de Merovingen en Karolingen verbleven de Frisii/Fresones nog steeds in Frans-Vlaanderen. Pas in de 10de/11de eeuw na het droogvallen van de gronden, vindt er een migratie plaats van de (voorouders van de huidige) Friezen naar het noorden. Zij nemen bestaande plaatsnamen mee naar hun nieuwe woonplaats. Deze tientallen overeenkomende plaatsnamen tussen Vlaanderen en Friesland/Groningen/Noord-Duitsland is het ultieme bewijs van deze migratie, maar ook hun taal: het Fries. Lees meer over de Friezen.


    3. Als het graf spreekt... Het verschil tussen de Romeinen en de 21ste eeuwse mens is niet zo groot. Dat blijkt niet uit de verhalen van de keizers, senatoren en belangrijke veldheren, maar juist uit de teksten die zijn aangebracht op de honderdduizenden grafmonumenten voor de gewone Romeinse doden. Voor historicus Gabriël de Klerk bieden de grafinscripties een inkijk in het dagelijkse Romeinse leven.
      Wat we op literair gebied weten zijn vaak geschiedschrijvingen door bijvoorbeeld Cicero en andere filosofen. Maar dat ging dus alleen over de elite, de keizers. Dat is op zijn beurt bewaard gebleven doordat monniken in de Middeleeuwen het kopieerden. Zij schreven echter alleen over wat zij belangrijk vonden. Nee, de grafinscripties komen echt uit de Romeinse tijd zelf. Grafmonumenten zijn in de loop der jaren onder de aarde geraakt, kapotgegaan of hergebruikt, maar de opschriften zelf tenstoonbleven bestaan. Er zijn tussen de 300.000 en een half miljoen Latijnse inscripties gevonden. Driekwart daarvan komen van graven. Klopt het wel dat iemand 83 was, zoals op de steen staat vermeld? Er werd weleens gesjoemeld met die leeftijden. Soms werd het afgerond naar vijftallen of zelfs een tiental.
      Puzzelstukjes
      Inscripties geven soms ook aanwijzingen, zodat verhalen toch nog enigszins te verifiëren zijn. Als voorbeeld noemt Gabriël de grafsteen voor een centurion die diende onder generaal Quinctilius Varus. Deze legerleider werd met zijn drie legioenen bij het Duitse Kalkriese door opstandige Germaanse stammen in de pan gehakt. De verliespartij was zo erg, dat de Romeinen niet eens in staat waren om hun dode manschappen direct te begraven. Pas lange tijd later kon het Romeinse leger zich revancheren en hun doden begraven. Deze veldslag (Varusslag, red.) zorgde voor een siddering in het rijk. Er was eerst weinig bekend over de gebeurtenis uit het jaar negen na Christus, maar uiteindelijk werd het graf van een centurion gevonden. Op de steen (zie afbeelding rechts, klik op de afbeelding voor een vergroting) was hij mooi uitgedost afgebeeld, met twee van zijn slaven naast zich. De tekst verwees naar die fatale slag. Die vertelt dat de man dapper had gevochten en dat hij uiteindelijk de rust had gevonden en begraven kon worden volgens de juiste Romeinse gebruiken. Deze woorden maakten die veldslag tastbaar. Een testament van wat die slachting aanrichtte en hoe erg dat toentertijd doorspeelde in de samenleving: Inscripties vormen stukjes van een historische puzzel.
      De opmerking van De Klerk dat de monniken alleen overschreven wat ze belangrijk vonden is niet geheel juist. Het is wel een facet waar bij het lezen van de klassieke teksten rekening mee gehouden moet worden. En dat kan soms tot andere conclusies leiden, zoals met het afronden van 'getallen' met 'Romeinse cijfers', waarbij ook leesfouten voorkomen. Zo was Ursula met haar 10.000 maagden het gevolg van zo'n 'leesfout': het waren er slechts 11 (elf!).
      Der Stein stellt die bislang einzige eindeutige archäologisch-epigraphische Quelle für das Stattfinden von Kämpfen in der Germania magna, im Jahr 9 n. Chr. dar. Der Stein wurde in der frühen Neuzeit im Militärlager Vetera (in der Nãhe von Xanten) aufgefunden und ist nach aktuellem Kenntnisstand der älteste römische Grabstein aus Deutschland. Bron: Caelusstein.
      Ook hier is sprake van de huidige stand van de historische wetenschap. Bij het interpreteren van de teksten op grafstenen en altaarstenen blijft het belangrijk geen te voorbarige conclusies te trekken. Zo is de locatie van de Varusslag nog steeds niet met zekerheid bekend. Ook is de tekst "bello Variano" dat geïnterpreteerd wordt als 'Varus oorlog' een aanname, die dan wel erg verbreid is, maar nog steeds onbewezen, ook niet met deze ene steen. Ook hier moet de vindplaats van de steen niet verward worden met wat in de tekst genoemd wordt. De in Nijmegen gevonden steen van een Moriniër van Terwaan is zelfs een zeer voor de hand liggend voorbeeld voor de onjuistheid van deze methode. Was Nijmegen dan Thérouanne?


    4. Boven het maaiveld, 25 jaar archeologische vondsten.
      Het Rijksmuseum van Oudheden besteedt komende maanden in de tentoonstelling 'Boven het maaiveld' aandacht aan de meest opvallende en spraakmakende ontdekkingen van 25 jaar Nederlandse archeologie (2000-2025). Dit aan de hand van honderden bijzondere vondsten afkomstig van zo'n tweehonderd vindplaatsen uit het hele land. Alle Nederlandse provincies zijn vertegenwoordigd, inclusief de Caribische eilanden van de ABCSSS-groep. Ook alle soorten opgravers komen voorbij, van overheidsinstanties tot detectorzoekers en vrijwilligers. De archeologische context is van groot belang om de wetenschappelijke waarde te bepalen. Onze kijk op het verleden is daarin medebepalend. We kunnen ons bijvoorbeeld sterk verwant voelen met personen, volken of culturen die vroeger op dezelfde plek leefden als wij. Mede daardoor struinen mensen stranden af, lopen ze verkleed als Viking of Romein rond, zijn ze verzot op oergranen of tooien ze zich met tattoos geïnspireerd op een ver verleden. Archeologie is inmiddels diep verankerd in onze maatschappij, ongeacht ons DNA of onze identiteit. Geen wonder dat zoveel mensen daar dagelijks mee bezig zijn. (Klik op de afbeelding voor een vergroting voorzien van de betreffende nummers).
      De titel van deze tentoonstelling zorgt voor de nodige verwarring. In Nederland is boven het maaiveld van oorsprong NIETS te zien van de hier getoonde voorwerpen. Dat blijkt al uit het feit dat het vondsten uit archeologische opgravingen zijn. Deze voorwerpen zijn dan nu wel 'boven het maaiveld' gehaald, maar de herkomst ervan is van sommige voorwerpen nog geheel duister. Er worden slechts 3 voorwerpen uit de Romeinse tijd getoond (nrs.10, 12 en 14) en één uit de Merovingische tijd (nr.2), waarbij vermeld wordt dat het om een verloren goudbaartje gaat. Daarmee bewijs je dus allerminst bewoning! De hierop volgende voorwerpen dateren uit de 11de eeuw (mr.15 en 17), waarmee het gat tussen de Romeinse tijd en de 11de eeuw weer eens feilloos wordt bevestigd.
      Wat hier geschetst wordt is aan de ene kant beschamend (het rondlopen als Viking of Romein; moordenaars en plunderaars), aan de andere kant schromelijk overdreven. Archeologie bestaat pas sinds de 18de eeuw en als wetenschap pas sinds halverwege de 20ste eeuw. Het zit zeker niet in ons DNA of identiteit. Dat is schromelijk overdreven. Deze tentoonstelling toont overigens weer het gelijk van Albert Delahaye aan.


    5. De Kerk van Karel de Grote. Column van Herman Clerinx.
      In Herstal stootten archeologen op de fundamenten van een kerk uit de 7e en 8e eeuw. Het is verleidelijk om daarin de kerk, en daarbij aansluitend het paleis. van Karel de Grote te zien. Keizer Karel de Grote (ca. 747-814) blijft tot de verbeelding spreken. Toch weten we lang niet alles over hem. Zo blijft het de vraag waar hij was opgegroeid. Dat moet ergens tussen Luik en Maastricht zijn gebeurd, zo vermoeden we, maar tot nog toe kon niemand er de vinger op leggen. Zijn woonplaats kennen we evenmin. Ja, Karel werd in Aken begraven, maar dat zegt niets. Aken was hèt centrum van zijn tijd. Logisch dat Karel in de Akense basiliek, die hij zelf had laten bouwen, ligt. Maar daarom hoefde hij nog niet in de stad te wonen, laat staan er zijn jeugd te hebben doorgebracht.
      Recent archeologisch onderzoek in Herstal, een stad bij Luik, werpt nieuw licht op de zaak. Herstal was voor Karel geen doordeweekse plek. Zijn overgrootvader (ca. 635-714) droeg reeds de naam Pepijn van Herstal. Van zijn grootvader Karel Martel (689-741) weten we dat die vaak in Herstal verbleef, en volgens middeleeuwse kronieken bracht ook Karel er soms de winter door. Archeologen ontdekten wat ze hoopten te vinden. Of alleszins iets dat erop lijkt. Pal onder de Place Licourt stootten ze op stenen fundamenten van een grote kerk. Tevens lagen er zo'n veertig graven en enkele sarcofagen in kalksteen. Volgens C14-dateringen stammen de sarcofagen uit de tijdsspanne tussen 650 en 780, exact de periode van de jonge Karel en zijn voor-ouders.
      Verder onderzoek naar de skeletten moet daarover informatie geven. Een stenen kerk uit die tijd is uitzonderlijk, want toen werd nog bijna elk gebouw in hout en leem opgetrokken.
      Een opmerkelijke column van Herman Clerinx. Als men dit nu maar weer niet als bewezen geschiedenis gaat aannamen. Gelukkig schrijft Clerinx dat het 'verleidelijk' is, het een vraag blijft en 'vermoeden' en het erop 'lijkt'. De belangrijkste conclusie is toch dat een plaatselijk paleis nog niet opgespoord is. Of Aken wel een residentie van Karel de Grote was, staat ter discussie. Zijn graf is er in elk geval niet gevonden. Waar het hier om draait is de plaatsnaam Herstal. In geen enkele klassieke tekst wordt Herstal genoemd. Dat is een aanname. Het gaat op de plaatsnaam Haristellio, dat bij Aire-sur-la-Lys lag. De hier genoemde kerk hoeft niet uit dezelfde tijd te stammen als de sarcofagen, die overigens ook hergebruikt kunnen zijn. En een kerk gebouwd met bakstenen, plaatst deze toch eerder ná de tijd van Karel de Grote dan ervóór.

    6. Zorgen in de archeologisch Achterhoek. tekst Theo Toebosch.
      Een groepje vrijwilligers op het gebied van archeologie en erfgoed uit het Gelderse Varsselder maakt zich zorgen erover dat in de Achterhoek door allerlei grootschalige projecten delen van het bodemarchief ongezien verdwijnen. En die zorgen strekken zich ook uit tot de relatie tussen vrijwilligers en professionals. Bij het Romeins tempelcomplex bij Herwen was het aantal Romeinse vondsten was zo gering dat niets wees op het heiligdom dat later tevoorschijn is gekomen. Dus daarom liet ik (Theo) Kaminski weten dat ik een artikel over de opgraving bij Herwen in de trant van 'de professionele archeologen hadden het allang kunnen weten en hebben gefaald' zou schrijven. Gevraagd naar problemen en misstanden uit heden en verleden barst bijna het hele gezelschap los. Er wordt geklaagd over professionele archeologen die niets willen aannemen van vrijwilligers zonder academische titel. Ook is er frustratie over het gebrek aan praktijkervaring bij sommige archeologen. We hebben toen via de toenmalige regioarcheoloog voor elkaar gekregen dat we mochten meekijken en graven. De uitvoerder vond dat maar lastig. Na een tijdje stond er ineens zwart plastic om het terrein en mochten we er niet meer op: dit is nou een voorbeeld van hoe archeologische bureaus en overheden soms de belangen van project-ontwikkelaars beschermen - ten koste van de archeologie.
      Sinds het Verdrag van Malta, dat ook de commercialisering van de Nederlandse archeologie betekende, was dat anders. Officieel mochten vrijwilligers toen niet meer opgraven, omdat dat voor concurrentievervalsing zou zorgen. Houkes dacht een ontsnappingsroute gevonden te hebben: als je archeologisch onderzoek geologisch onderzoek noemde zou de Rijksdienst het gedogen. De archeologische rijksdienst liet zich zelfs ontvallen liever te zien dat archeologisch erfgoed ongezien verdween, dan dat de amateurs het opgroeven. Sindsdien is er geen contact meer geweest tussen Houkes en de Rijksdienst. Wil Kuijpers uit Zevenaar hoor je al helemaal niet klagen. Van vroeger kan hij zo de brieven laten zien waarin Wim van Es, de toenmalige directeur van de rijksdienst, hem prijst en hem vraagt of de dienst bepaalde vondsten van hem voor een publicatie mag gebruiken. Verder had hij goede contacten met de Nijmeegse universiteit en het Penningkabinet: 'Zij kwamen bij mij thuis of ik ging met vondsten naar hen toe'. Ook nu is het contact met verschillende universitaire archeologen goed. 'Stijn Heeren van de Vrije Universiteit heeft me zelfs begeleid bij mijn eerste publicatie'. Ook bij de archeologen van de provincie Gelderland vindt hij een luisterend oor.
      Conclusie: Er gaat dus wel eens iets mis tussen de vrijwilligers en de professionele archeologen, maar er zit geen systematische opzet achter. Het heeft eerder te maken met personen dan met instituties en instellingen. Wat hier geschetst wordt was (en is?) een echt groot probleem: de amateurs werden niet serieus genomen door de professionele archeologen. En dat terwijl die amateurs vaak meer wisten dan de profs en geen 9 tot 5 mentaliteit hadden, maar liefhebbers waren die er alle tijd en hun deskundige ervaringen aan besteedden. Dezelfde opvatting heeft Albert Delahaye ook ervaren met het 'schoenmaker blijf bij je leest', van prof.Stolte die als leraar Latijn meer verstand meende te hebben van historische geografie, dan een archivaris die in de archieven oude akten vond en bestudeerde.

    Archeologie Magazine nr.1-2025.
    1. De muntvondst van Bunnik Zie ook Archeologie in Nederland van maart 2025.
      In het najaar van 2023 werd door detectorzoekers in de gemeente Bunnik een belangrijke archeologische ontdekking gedaan. Hier vonden zij ver van bekende Romeinse vindplaatsen een uitzonderlijke muntvondst van 404 gouden en zilveren munten uit de vroeg-Romeinse tijd. De muntvondst schijnt een licht op een bijzondere periode uit de geschiedenis: de Romeinse verovering van Brittannië. Ook is het de grootste Romeinse muntvondst ooit gevonden in de provincie Utrecht. Het merendeel van de munten is inmiddels opgenomen in de collectie van het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden.

      De vindplaats was in de Romeinse tijd een nat gebied, gelegen langs een kleine waterloop. Het terrein was destijds ongeschikt voor bewoning of landbouw. Er werden geen resten van een pot of kistje gevonden waar de munten mogelijk in hadden gezeten. Mogelijk hebben de munten in een organische verpakking gezeten, zoals een leren buidel of doek. Ook van grondsporen of archeologische structuren ontbrak iedere aanwijzing. Het vermoeden is dan ook dat de munten in een ondiepe kuil zijn verborgen. Wel werden tijdens deze opgraving nog eens 23 munten gevonden, vrijwel zeker onderdeel van dezelfde muntvondst: 22 zilveren en 1 gouden munt.

      Voorlopige verklaringen Lees ook de opvallende conclusies in Archeologie in Nederland van maart 2025
      De muntvondst van Bunnik is uniek: het is de eerste met een gemixte samenstelling van Romeinse en Britse munten gevonden op het Europese vasteland. Bovendien is het ook nog eens de grootste Romeinse muntvondst ooit gevonden in provincie Utrecht. De munten vertegenwoordigden in de Romeinse tijd een waarde van bijna 11 jaarsalarissen van een Romeinse soldaat. Ze zijn geslagen tussen 200 voor en 47 na Christus. Met deze sluitdatering valt de muntvondst van Bunnik in de regeerperiode van Claudius en ten tijde van de Romeinse veroveringen van Brittannië. De relatie met deze veroveringscampagnes wordt onderschreven door de aanwezigheid van de Britse gouden staters. Dit is vermoedelijk oorlogsbuit die uit Brittannië door het Romeinse leger mee teruggenomen is naar Nederland.
      Waarom de munten zijn verborgen, weten we helaas niet. Ze zijn naar alle waarschijnlijkheid in een buidel of stuk stof begraven, ver van de bewoonde wereld. Gezien de waarde van de munten was het mogelijk het spaargeld van een hooggeplaatste officier, die het begroef met de intentie om het later weer op te graven. Maar het kan ook een rituele dankbetuiging voor een behouden terugkomst uit Brittannië zijn, begraven door een groep militairen en hun families. Het valt lastig te zeggen. Momenteel worden de resultaten van het veld- en muntenonderzoek verder uitgewerkt. In 2026 verschijnt een rapport van het onderzoek met een uitgebreide synthese.

      Behalve Britse en Romeinse munten is er ook een Afrikaanse munt van Koning Juba I van Numidië (Algerije) gevonden. Dat de munten met de verovering van Engeland te maken hebben gehad, is een voorbarige conclusie die ook wordt erken met 'voorlopige verklaring' en woorden als 'mogelijk', 'schijnt' en 'vermoeden'. Wat wel opgemerkt wordt is het natte gebied (dus toch transgressies?) en het onbewoonbaar zijn, wat de visie van Albert Delahaye weer bevestigt.

    2. De Longobarden in Italië. Met de geschiedenis van de Longobarden in Italië komen we bij de vermeende veroveringen van Karel de Grote in Italië. Volgens informatie in "Nederlandsche Oudtheden" waren de Longobarden Hoogduitschen , welke eerst in Duitschland aan de Elve gezeten, dicht by de Brukteren gewoont hebben, daar nu 't bisdom is van Maagdenborg en Halberstad, en namaals zich in Hungarien en verder in Italien begeven, en een groot deel daar van over de 206 jaren lang bezeten hebben, tot dat zy van Karel de Groot verdreven zijn. D'eerste koning was Alboin, die van't 568ste jaar in Italien vier jaren geheerscht heeft. Door Lombardien word in gemeen verstaan de Traviser Markt, 't halve Tyrol, de Graubunders, de Lepontii, Piemont, het Hertogdom Milaan, Mantua, Montferrat, de Romaney en 't Ankonitaner Markt. Maar eigentlijk word Lombardien afgedeelt in Trans- en Cis Padana, dati s. aan dees en geen zijde de Po, enz.
      Saxo Germanikus zeid, dat den volke, welk door groote duurte in den tijd van Snio, koning van Denemarken, gedwongen was door looten nieuwe wooningen te zoeken, van de godin Friga bevoolen, dat zy hun zelven Longobarden zouden noemen, maar dit word van Albert Crantz en meer andere met reden, als versiert gehouden.
      Aldus de opvattingen uit 1756. Er bestonden al meer opvattingen over de naam en herkomst van de Longobarden, maar het zijn rijke verzinsels, ofwel versiersels zoals Albert Crantz het noemde. Het zijn 'mooie verhaaltjes' in de opvatting van Albert Delahaye. Maar is het waar, zoals nu ook in Archeologie Magazine wordt verhaald, of is ook hier sprake van een groot misverstand?

      De Longobarden uit Italië hebben volgens Albert Delahaye niets uitstaande met de Germaanse stam uit het noorden van Frankrijk, die zo klein en onbelangrijk was, dat de klassieke schrijvers na Tacitus nog nauwelijks over hen schrijven. Wellicht is slechts hun naam (mannen met 'lange baarden') middels de deplacements historiques overgeleverd. Strabo en Ptolemeus zijn de enigen die de Langobardi nog vermelden, overigens in de verleden tijd. Strabo schrijft over de volken van Germania. En hier komen we bij het grote misverstand dat deze volkeren door historici in Duitsland werden geplaatst, terwijl ze in Frankrijk verbleven.

      Bij Ptolemeus lezen we in Geographia, II, cap. 11, 6-11:
      Binnen echter en meer naar het binnenland leven de grote volken van de Suevi (noot 1) en de Angli (noot 2), die oostelijker (zie noot A: lees: noordelijker) wonen dan de Longobardi (noot 3). Zij strekken zich naar het noorden (lees: westen) uit tot aan het midden van de rivier de Albis (de Aa: noot 4). Tegen de Suevi aan wonen de Semnones (noot 5), vanaf het voornoemde deel van de Albis (de Aa) in de richting van haar begin tot aan de rivier van de Suevi. Bovendien strekken zij zich uit tot aan de Burguntae (noot 6), die de rest bezetten die daarna volgt tot aan de Vistula (noot 7).

      Noten:
      A. Bij de windrichtingen dienen we ernstig rekening te houden met de west-oriëntatie, zeker bij Ptolemeus. In zijn Geographia (IV, 1,) plaats hij de Pyreneeën in het westen van Gallia legt. Hij schrijft: Celtica (Gallia) wordt in het westen (lees: zuiden) begrensd wordt door de keten van de Pyreneeën, die met beide einden aan een zee raakt: de Binnenzee (Middellandse Zee) en de Buitenzee (Atlantische Oceaan). Het is duidelijk dat de windrichtingen een kwartslag gedraaid dienen te worden.
      1. De Suevi waren de bewoners van Kortrijk en omgeving en niet van Zweden. Lees meer over deze volkeren.
      2. De Angli waren de bewoners van Englos, op 7 km west van Rijsel, ook in dezelfde streek.
      3. De Longobardi waren de bewoners van Lompret, op 7 km noordwest van Rijsel.
      4. Centraal in deze tekst zijn de rivieren Albis en Vistula (zie noot 7). De Albis werd traditioneel opgevat als Elbe, maar was de Franse Aa, wat bevestigd wordt dat deze uitstroomt in het Almere dat niet het IJsselmeer was, maar het Flevum in Frans-Vlaanderen. Lees meer over de misverstane rivieren.
      5. De Semnones waren de bewoners van Mesen, op 10 km noord van Armentières.
      6. De Burguntae, door andere schrijvers Burgundiones genoemd, waren de bewoners van Bourghelles, op 11 km zuidwest van Doornik.
      7. De Vistula, ook Visculis en Vestla (kopieerfout?) genoemd, was de Leie, wat bevestigd wordt door het feit dat deze uitstroomt in de oceaan en de grens was van Germania.

      Het blijkt dat dit hele verhaal in Noord-west Frankrijk te plaatsen is en niet in Duitsland. Het hele misverstand is veroorzaakt doordat historici het Germania van Tacitus als Duitsland opgevat hebben. Een vergelijkbare fout van Duitse historici is om van de bisschoppen Immo, Transmarus en Harduinus van Noyon, bisschoppen van Nijmegen te maken, een blunder die in het Bronnenboek van Nijmegen van P.Leupen, klakkeloos overgenomen werd.
      Zelfs Karel de Grote is (pas rond 1300) door de Duitse historici naar Duitsland getrokken terwijl het maar de vraag is of hij er ooit gevestigd is geweest. Aken is een vergelijkbaar verhaal als Nijmegen. Daar zijn meerdere aanwijzingen voor, zoals de oudste archeologische sporen van de Dom, waar het graf van Karel de Grote zou zijn, stammen uit de 13de eeuw.
      Deze namen en de onjuist plaatsing van deze volkeren heeft geleid tot onjuist namen van landen. De Suevi werd de naamgever van Zweden, de Angli van Engeland, vergelijkbaar als de Finni voor Finland, de mark van de Danii (van de Noormannen dat Normandië was) tot Denemarken, de Belgae door Julius Caesar genoemd tot België en de Dietsche landen tot Duytschland.
      Ziet U hier nu hoe de Grote Volksverhuizing ontstaan is?

      Merk bovendien op hoe Tacitus verder over de Longoarden schrijft: de Langobardi en de volken die de godin Nerthus (moeder Aarde) vereren, danken hun glorie aan hun klein aantal. Omringd door vele en machtige volken, hebben zij hun veiligheid niet bereikt door onderwerping, maar door onophoudelijke strijd.

      Karel de Grote had te maken met de Longobarden of Langobardi in Italië, maar die van Tacitus uit de Romeinse tijd waren de Longobardi in Noord-Frankrijk (zie hiervoor), waar nog plaatsnamen bestaan die naar hen verwijzen, zoals Lompret, op 6 km noordwest van Rijsel. Andere relicten van de stam zijn plaatsnamen in dezelfde streek als Longpré (in Frankrijk, niet in België), Longavesnes en Longuenesse.
      Opvallend is ook dat Karel de Grote, maar ook zijn broer Carloman, getrouwd waren met dochters van Desiderius, de koning van de Longobarden. Onder Pepijn de Korte zouden de Longobarden teruggedreven zijn uit Ravenna en schonk hij het gebied aan de Paus. Het is dan vreemd dat beide zonen van Pepijn trouwen dochters van de overwonnen koning Desiderius, hun aartsvijand. Of was het een vorm van machtsuitbreiding, gebruikelijk onder vorstenhuizen? Dat machtsbezit zou bij Karel de Grote wel van toepassing geweest kunnen zijn. Hij verstootte immers zijn vrouw Desiderata, omdat 'ze hem geen kinderen kon schenken'. Anders was het bij Carloman, wiens vrouw hem 2 zonen schonk en zij na de dood (moord) van Carloman in 772 naar haar vader in Italië vluchtte. Zij is daarna (gedwongen?) in het klooster gegaan. Daar was toch wel sprake van genegenheid en liefde.

    3. Romeinse villa's in Limburg. Bibi Beekman.
      'Romeinse villa's waarvan er honderden in Limburg moeten hebben gestaan'. Let vooral op dat 'moeten'. Van wie moet dat? Van de traditie? Het ligt voor de hand... tot dusver niet veel villa's opgegraven, vervolgt de tekst. Zie de kaart van Limburg hiernaast, waarop de zwarte stippen de plaats van Romeinse villa's-landgoederen (?) aangeven. Klik op de kaart van Limburg hiernaast voor een vergroting.
      De rode lijnen geven de vermeende Romeinse wegen van de Peutingerkaart aan. Echter de afstanden op de Peutingerkaart tot de geïnterpreteerde plaatsen in Nederland, blijken verre van juist. Zo is de afstand tot Nijmegen -dat toch Nouiomagi is?- tot Cuijk (Ceuclum (Cevelum?), niet juist is, die is geen 3 mijl=4,5 km, maar het dubbele, en zowel B.H.Stolte als J.E.Bogaers hanteren voor Cuijk een andere naam: Ceudiaco of Ceudiacum, welke naam niet op de Peutingerkaart staat. Maar ook de afstanden tussen de overige plaatsen zijn niet altijd juist. Toch houdt historisch Nederland graag vast aan de naam 'Ceuclum' om het een beetje als Kuik te laten klinken. Etymologisch is het echter een gotspe. Maar het grootste gemis is dat Maastricht niet op de Peutingerkaart staat. Maastricht niet? En zouden Heel, Blerick, Dilsen, waar nauwelijks Romeins gevonden is, er dan wel op staan?
      Romeinse villa's zijn in België veelvuldig aangetroffen, maar vooral tenzuiden van de taalgrens. Klik hier voor een kaart van Romeinse villa's in België.

    4. Versterkingen in de tiende eeuw. Column van Johan Hendriks.
      Ottoonse keizers laten vluchtburgen oprichten tegen binnenvallende Hongaren. De onversterkte Karolingische paltsen, zoals die van Nijmegen, Aken en Ingelheim, maken plaats voor nieuwe residenties die verterkt worden met dikke ringmuren en brede diepe grachten. Het woord 'motte' komt uit het Frans en betekent 'opgeworpen aarde'. Daarmee wordt begonnen aan het eind van de tiende eeuw en wordt in de elfde eeuw het prototype van een kasteel.
      Hendriks verwardt hier een aantal zaken met elkaar. De Karolingische paltsen waren inderdaad onversterkt, alleen heeft in Nijmegen nooit een Karolingische Palts bestaan. Ook van die in Aken en Ingelheim is twijfelachtig of zij wel Karolingisch waren. Voor Aken ontbreekt elke archeologisch bewijs, bij Ingelheim is archeologisch vastgesteld dat de geschiedenis niet verder teruggaat dan de 10de eeuw. Het woord 'motte' geeft precies aan waar ook deze traditie vandaan komt; uit het zuiden!
      Opvallend is dat Aken door Einhard in de 'Vita Karoli Magni' (genoemd in het 'Testament' van Karel de Grote) niet wordt genoemd als een van de 21 hoofdsteden van het Frankische Rijk, maar ook Nijmegen en Ingelheim niet.

    5. De geschiedenis van dumpster diving. Saskia Beertsen.
      Onder dumpster diving wordt verstaan het zoeken van nog bruikbare voorwerpen in afvalcontainers en vuilnisbelten. En dat is precies wat archeologen doen: opgraven in oude afvalputten en op verlaten woonplaatsen. Veel van de voorwerpen die in afvalcontainers terechtkomen, maakten namelijk toch ooit deel uit van het dagelijks leven en vertellen ons persoonlijke verhalen. Wanneer we afval aldus beschouwen als een cultureel artefact, is het vergelijkbaar met de manier waarop archeologen in opgravingen voorwerpen bestuderen die ooit in gebruik waren en vervolgens afgedankt in beerputten terechtkwamen. Dit roept de vraag op: wat zegt dit over de tijdgeest en de maatschappelijke normen van het moment? Om hier iets over te leren, zou het zeer interessant zijn om eens goed onder de loep te nemen wat er zoal uit prullenbakken wordt gevist.
      Het is soms schokkend om te ontdekken hoeveel er weggegooid wordt, ook in de tegenwoordige maatschappij. De redenen dat iets weggegooid wordt lopen uiteen, van bijvoorbeeld verandering: iets nieuws waardoor het oude niet meer nodig is; beschadigde of kapotte spullen (scherven van aardewerk).
      Het probleem is dat archeologen opgravingen doen juist in afval en dan vaak de onjuiste conclusies kunnen trekken. Zo hoeft een verandering in type aardewerk helemaal niet te betekenen dat er sprake is van een nieuwe bevolkingsgroep. Het kan ook wijzen op een nieuwe 'uitvinding', op het 'namaken' van producten en technieken van anderen. Is elk stuk terra siggillata aardewerk door een Romein gemaakt, of werkten in de aardewerk-bakkerijen ook 'buitenlanders' (denk aan slaven)? Ook bij munten zijn de nodige 'vervalsingen' bekend. Een grote hoeveelheid scherven kan ook betekenen dat er veel misbaksels zijn ontstaan door ondeskundigheid van de makers of het uitproberen van een nieuwe manier van bakken, waarbij aanvankelijk nog het nodige mislukte.
      Het is voorbarig om uit 'vuilnisbelten' conclusies te trekken over de leefwijze van voorbije volkeren. Ter vergelijking -als voorbeeld- de afbeelding hiernaast van tegenwoordig vuilnis.



    Archeologie magazine 2024


    Archeologie Magazine nr.6-2024.
    1. De special in deze magazine gaat over Mechelen, niet Mechelen of Megchelen in Nederland, maar het Belgische Mechelen, ooit hoofdstad van de Nederlanden. De naam Mechelen bevestigt de Deplacents Historiques op een onmiskenbare wijze, net as Walcheren, Middelburg, Westkapelle en Vlissinghem bij Brugge dat doen.

    2. Duitse adel graaft graag op, door Leo Verhart.
      Het komt in dit artikel niet specifiek naar voren, maar met dat 'opgraven' en vooral het interpreteren van die opgravingen zijn vooral door de Duitse historici met name in de 19de eeuw de grootste fouten gemaakt. Zo hebben de Duitse historici veel van de Franse geschiedenis naar Duitsland getrokken, met name die van Karel de Grote, de Varusslag en zelfs de bisschop van Noviomagus, die zij in Nijmegen plaatsten. Dat hebben Nederlandse historici als P.Leupen in het Bronnenboek en F.Hugenholtz als grootste verdediger van Karolingisch Nijmegen, klakkeloos overgenomen. In het verleden, ook door Duitse 'opgravers' zoals in dit artikel genoemd, werd er veelvuldig gehandeld in archeologische relicten. Dat gebeurde al sinds tijden en zeker vanaf de 17de eeuw, o.a. door Johannes Smetius, maar ook door Gerard Kam voor zijn privé verzameling, momenteel de collectie van Museum Het Valkhof. Van veel Romeinse relikten is de herkomstplaats volkomen onbekend. Er valt dus niets mee te bewijzen over een specifieke plaats, wat helaas wel te vaak is gebeurd.

    3. Wie was Hilde-Rik? Column van Johan Hendriks.
      Een aardige column van Johan Hendriks, waarin toch wel enkele aangenomen opvattingen worden geëtaleerd. Deze Hilde-Rik, zoals Hendriks hem noemt, was de Frankische vorst Childerik, de vader van Clovis. In 1653 is zijn graf gevonden in Doornik. Er zijn in dat graf ook enkele Romeinse voorwerpen gevonden, maar of hij nu een Romeins veldheer was, is een voorbarige conclusie. Hendriks schrijft zelf: "Mogelijk zijn die voorwerpen in het huidige Hongarije vervaardigd en via handelscontacten naar Doornik gekomen". Dat Childerik de leider van een belangrijke groep Franken was is een juiste conclusie.
      Childerik leefde tussen ca.436 en ca.481. Hiermee wordt dan ook onweerlegbaar aangetoond dat de Franken al in de 5de eeuw rond Doornik verbleven: Doornik dat sinds ca.530 samen met Noyon het bisdom Doornik/Noyon vormde. Om van dit Noyon dan Nijmegen te willen maken is de grootste blunder van Leupen in zijn Bronnenboek.

    Archeologie Magazine nr.5-2024.
    1. Nieuws over Romeins Limburg. In Zuid-Limburg is meer Romeins gevonden dan in de rest van Nederland. Maar toch is ook daat over de laat-Romeinse tijd tussen ca. 300 en 500 na Christus weinig bekend. men vindt er munten, maar daarmee bewijs je niets, zeker niet als in dit artikel ook de immigratie genoemd wordt. Immigratie is van alle tijden en immigranten hebben ook persoonlijke bezittingen bij zich, die ze natuurlijk ook wel eens verleizen (zoals munten).

    2. Hij komt, hij komt... al eeuwen lang.Annenies Keur, conservator Museumpark Archeon. In dit artikel gaat Annenies in op de traditie van Sint Nicolaas. AI in de achtste eeuw leerden inwoners van ons land hem kennen, doordat de Friese missionaris-bisschop Liudger over zijn wonderbaarlijke heilige ambtgenoot vertelde. Nicolaas kon allerlei wonderen verrichten, en gold als weldoener voor iedereen die het moeilijk had, zoals kinderen, ongetrouwde vrouwen, rondreizende jongelingen en schippers.
      Helaas worden hier weer enkele mythen en fabels genoemd. De waarheid is dat deze bisschop van Myra pas in de 11de eeuw in Italië bekend werd, waarna pas rond 1085 zijn roem als wonderdoener zich verplaatste naar Nedrland via de schippers. Hij redde enkele scipbreukelingen en werd zo de patroon van de schippers. De oudste St.Nicolaas-kapel stond op Het Valkhof in Nijmegen. Veel wonderverhalen zijn later met de Sinterklaastijd aan zijn levensverhaal toegevoegd.

    3. Oudheden Onderzoekt, column Jasper de Bruijn. Bij graafwerkzaamheden in Geldermalsen werd veel compleet vaatwerk van aardewerk, glas en brons uit de Romeinse tijd gevonden. De vondsten zijn hoogstwaarschijnlijk afkomstig uit meerdere Romeinse graven. Helaas is niet bijgehouden welke voorwerpen bij elkaar zijn gevonden. Graven uit de Romeinse tijd, waarin serviesgoed van brons wordt aangetroffen, zijn vrij zeldzaam. Het is opvallend, dat in de Betuwe dergelijke graven voorkomen.
      Het 'opvallend' , het 'vrij zeldzaam', het 'hoogstwaarschijnlijk'en het 'helaas' geven aan dat er geen verregaande conclusies uit getrokken kunnen worden. Het artikel vermeldt dan ook "Jammer genoeg is hier niets meer over te zeggen".

    4. Graven naar de vroege oorsprong van Rotterdam, door Esdor van Elten.
      Over de vroegste periode van Rotterdam is best al veel bekend. De eerste vermelding van 'Rotta' dateert uit 1028. Er zijn ook sporen van voor die tijd gevonden. De oudste huisresten gaan terug tot ongeveer 950. Vermoedelijk werdd niet lang daarna het gebied verlaten vanwge het oprukkende water. Pas 200 jaar later, rond 1270, werde in de Rotte een dam gelegd.
      Ben toch benieuw wat dat 'veel bekend' inhoudt. De genoemde oorkonde uit 1028 is een falsum, daar bewijs je niets mee. Het Rotta dat daarin genoemd wordt, is voor toponymisten als D.Blok en M.Gysseling een vraagteken. Blok vermeldt bij Rotte (1281-1284) de oude naam van Hillegersberg (kopie 1530), maar bevestigt wel dat de oorkonde uit 1028 een falsum is.

    5. Een Romeinse wegenkaart? door Johan Hendriks. Kopiisten maken fouten.
      Iedereen kent de Tabuia Peutingeriana. Die Peutingerkaart staat ten onrechte bekend als de enig bewaard gebleven Romeinse wegenkaart uit de tijd van Augustus. Het omstreeks 1200 in een scriptorium op het eiland Reichenau vervaardigde afschrift is mogelijk de negende kopie van een kaart die oorspronkelijk teruggaat tot circa 200 voor Christus. Er werden nieuw feiten toegevoegd, fouten verbeterd, worden wegen wegens plaatsgebrek elders getekend, kortom: de bewaard gebleven Peutingerkaart wemelt van de fouten. Zo wordt Babylon aan de Tigris gesitueerd aan de Eufraat, mondt de Save in de Adriatische Zee uit en niet in de Donau, vinden we bij Constantinopel wel een afstand, maar ontbreekt de bijbehorende weg, ontbreken de passen over de oostelijke Alpen en nogal wat rijkswegen, worden namen verhaspeld en afstanden onjuist weergegeven. Eén van de vele voorbeelden is de afstand tussen Rottweil en Rottenburg, die op de kaart is weergegeven als 14 leugae (31 km) terwijl de werkelijke afstand minstens 21 leugae (46 km) moet zijn. Ook het traject Vechten-Nijmegen is verkeerd genoteerd, zoals Jan Verhagen al heeft opgemerkt.
      We kunnen geen andere conclusie trekken dan dat het hier om een van oorsprong hellenistische wereldkaart gaat die in latere tijden steeds is aangevuld. Dat de Romeinse wegen in het oog springen is geen argument om het een Romeinse wegenkaart te noemen. Het was een wereldkaart met landschappelijke informatie die op staatsniveau is bewaard. Het toont vooral dat schrijvende en tekenende kopiisten fouten maken en leert ons dat de informatie op de kaart niet klakkeloos voor waarheid moet worden aangenomen.
      Wat Johan Hendriks hier schrijft hebben we bij eigen onderzoek ook allang vastgesteld: de Peutingerkaart is en falsum. Lees meer over de Peutingerkaart. De conclusie is dan ook dat met deze kaart niets te bewijzen valt. En omdat de hele Nederlandse Romeinse traditie op deze kaart is gebaseerd, valt deze hele traditie ook als een kaartenhuis in elkaar.

    Archeologie Magazine nr.4-2024.
    1. Nieuwe Germanen en oude Galliërs leefden samen (Herman Clerinx). Wegens een gebrek aan bronnenmateriaal bijten archeoologen en historici vaak hun tanden stuk op de periode tussen het einden van het Romeinse Rijk (476 n.Chr.) en de kroning van Karel de Grote (800 n.Chr.) De kroning van Karel de Grote tot koning van de Franken vond plaats in 768, tot keizer in 800.

    2. Internationale handel in de Vikingtijd, Annenies Keur, conservator Museumpark Archeon.
      Wereldberucht zijn natuurlijk de Vikingen die niet altijd netjes betaalden voor hun 'koopwaar', maar hun vertrekpunt was toch handel. De belangrijkste handelsplaats van de Lage Landen van dat moment was Dorestad.
      Hier lopen mythen en fabels weer door elkaar. 1. Die plunderaars heetten geen Vikingen, maar Northmanni. 2. Zij plunderden en moorden en werden afgekocht om plundering en brandstichting te voorkomen, wat wel uit de teksten blijkt. 3. Dat handelen is door Annemarieke Willemsen verzonnen, wegens het ontbreken van elk archeologisch spoor van plunderingen. Wel zijn er 6 munten gevonden. Bewijzen die handel? 4. Hier wordt ten onrechte Dorestad in Nederland weer genoemd, waar van handel ook nooit iets gebleken is.
      Lees meer over Willemsen, over Dorestad en over de Noormanen

    3. Waar zijn de Salische Franken? vraagt Johan Hendriks zich af. Tegenwoordig denken we niet meer dat die uit Salland kwamen. Hebben ze überhaupt bestaan? In 373 verslaan de Romeinen de Saksen in 'Deusone in regios Francorum, zeer waarschijnlijk Duisburg in het over-Rijnse Frankische territorium, schrijft Hendriks.
      Het is veelzeggend, maar ook jammer, dat hier weer enkele fabels worden herhaald. De Salische Franken hebben zeker bestaan, maar hebben inderdaad NIETS met Nederlands Salland te maken. Wel met het Salland in Frankrijk. Lees meer over Salland en de Lex Salica. Hte hier genoemde Deusone was niet Duidburg of Diesen (Nederlandse interpretatie), maar Duisans op 7 km van Arras in Frankrijk.

    Archeologie Magazine nr.3-2024.
    1. Gouden Vrouwen. Frankische schatten in Rhenen. (AM. nr.3-2024). Lees hierover meer bij Rhenen.

      In dit artikel wordt verwezen naar Botten in een pot in Archeologie Magazine 1 van 2024, waarin het gaat om een handgevormde pot van Hessens-Schortens aardewerk, waarin Romeinse scherven zijn aangetroffen. Handgevormd aardewerk met laat-Romeinse scherven. Wat is laat-Romeins? Derde of vijfde eeuw? Hier wordt dus geen enkel bewijs geleverd ten aanzien van een 'ontbrekende schakel' in de reeks Frankische grafvelden vanaf Leersum tot voorbij Rhenen. Ook de verwijzing naar het boek van Annemarieke Willemsen over de Gouden Middeleeuwen levert dat bewijs niet.

      In de 'Boekuitgave' van de AWN 'Rijkdommen van ver' (2023) wordt bij de sieraden, gevonden in Nederland de nadruk gelegd -wat de titel al aangeeft- dat deze sieraden, munten, zwaarden, van ver kwamen en wel uit alle windstreken tot in Azië. Het betreft dus allemaal importstukken. Deze import betekent dat er een verschil bestaat in datum van productie, van handel en gebruik en de datum dat een sieraad in een graf belandt. Een vierde eeuws sieraad kan dus in een zesde eeuws graf terecht komen. Daarmee is dus niet bewezen dat het graf uit de vierde eeuw stamt, ook niet dat het graf zesde eeuws is, ook al wordt het sieraad op de zesde eeuw gedateerd.
      Om het nog ingewikkelder te maken: wordt het graf in de zesde eeuw gedateerd op grond van gevonden resthout (bijv. van een grafkist), dan is dat hout wellicht (dendrologisch) in de zesde eeuw te dateren, maar dat kan ook pas in de zevende of achtste eeuw gebruikt zijn voor die grafkist. Uit welke periode is dat graf dan?

    2. Wie was Octavianus? door Johan Hendriks. Op 16 januari 27 v.Chr. krijgt een man die als Caius Octavianus is geboren de eretitel Augustus. Het is vreemd dat wij zijn naam Caius Octavianus nergens terugvinden in de historische literatuur, waarin hij slechts Octavianus, maar vooral Augustus wordt genoemd. Was zijn naam Octaviusje bedoeld om het te kleineren?


    Archeologie Magazine nr.2-2024.
    1. SPECIAL: 10 jaar DOMunder, het succes van een archeologisch experiment (AM. nr.2 2024). Door de continuïteit is hier een soort heuvel of terp ontstaan waarop de gelaagdheid van een historie van 2000 jaar kunt vinden en als je over het plein en langs zijn omliggende gebouwen loopt kom je die historie ook overal tegen (p.21).Hoe kan het toch dat historici zoveel onzin bij elkaar schrijven en elkaar ook steeds zo tegenspreken? Het is dus slechts een 'experiment'. In Utrecht is van enige continuïteit sinds de Romeinse tijd geen enkele sprake. Dat is een complete mythe, die ook archeologische NOOIT is aangetoond. De oudste gebouwen in Utrecht stammen uit de 11de eeuw.. Opvallend in dit artikel is dat over de gevonden inscriptie met de naam Albiobola niets vermeldt wordt. Die naam weerspreekt de hele geschiedenis over de voor Utrecht aangenomen naam Trajectum. Lees meer over Oud-Utrecht en over het domplein.
      In het kader "Historie in Vogelvlucht" (p.22) lees je de ware geschiedenis. Daarin wordt onderscheid gemaakt van het Domplein in 180 n. Chr. vervolgens rond 1200, daarna rond 1550 en de huidige situatie. Duidelijk is dat na de Romeinse tijd de geschiedenis van Utrecht weer begint rond 1200.
      Uit het kader op p.27 'Globaal overzicht van de Belangrijkste vondsten' blijkt ook die continuïteit niet aangetoond te worden. We noemen de verschillende perioden:

      a. Romeinse tijd. Sporen bijna allemaal bekend van eerdere onderzoeken; delen van fundering en buitenmuur principiae; greppel (berm greppel Via Principalis of standgreppel); barak; munten; militaria.
      b. Vroeg-middeleeuwse tijd. (Dom Balderik en Adelbold) Veldkeienfunderingen; munten; sporen muntatelier. Het gaat hier dus over de 10de eeuw!
      c. Merovingische tijd. Greppelachtig spoor van rond 700 alleen in profiel. Hoe komt men tot die datering?
      d. Vroeg-Karolingische tijd. Vierkante houten waterput (ontdekt door Van Giffen) bleek nog wel aanwezig. Van Giffen heeft over zijn onderzoek nooit rapportages gemaakt (p.27)
      e. Karolingische tijd Brok beschilderd muurpleister uit kerk, resten fundering; uitbraakspoor (uitbraaksleuven).
      f. 10de eeuw. Voorportaal en noordelijke transept van Heilig Kruiskapel opnieuw waargenomen.
      g. Late Middeleeuwen & vroege Nieuwe Tijd. Sporen Bisschopsweg; delen gotische Dom (noordmuur, koppelfunderingen kerk en toren, westgevel, pijlerfunderingen, grafkelders); kelder en tuinmuur claustra Ie Huis De Roode Poort, twee waterkelders, beerput, sarcofaag, twee inhumaties; klokkengietersafval; fragmenten van beelden; gebruiksvoorwerpen archeologisch onderzoek 1949.

      Is elke gevonden greppel een Romeinse greppel? Vergelijk de afbeelding hiernaast van een greppel in Amersfoorts, net buiten het centrum, waar nooit een Romein is geweest. Ook hier bestaat de opvulling uit donkere aarde.

      Leest U bovenstaand kader vooral eens zorgvuldig door, vooral wat onder b t/m e genoemd wordt. Het betreft slechts vage sporen die in die perioden gedateerd worden. Onbekend is op grond waarvan. De Dom van Balderik en Adelbold wordt hier als tweede genoemd als Vroeg-Middeleeuws, wat een insinuatie is om vooral aan te tonen wat nooit bewezen is. Deze Dom stamt op zijn vroegst (nog te bewijzen!) uit de 10de eeuw. De genoemde munten blijken in de periode 695-700 gedateerd te zijn. Maar zijn ze ook in die periode verloren of verstopt? Het waren gouden en zilveren munten die niet gebruikt werden om ermee te betalen, maar werden gehouden als een soort 'belegging' of spaarpotje. Duidelijk is ook dat er geen bewoningssporen zijn aangetroffen (p.28). En zonder bewoning heeft er niemand gewoond. Onder punt e wordt een kerk genoemd. Welke kerk is dat dan geweest? De oudste kerken in Utrecht stammen uit de 11de eeuw. Het wel eens genoemde kerkje van Dagobert is in Utrecht NOOIT aangetroffen. Lees meer over Oud-Utrecht.
      Maar ziet U hier ook weer het gat tussen de Romeinse tijd en de 10de eeuw? Van continuïteit is in Utrecht geen enkele sprake geweest. Het is een onbewezen aanname om vooral de aanwezigheid van St.Willibrord te bevestigen. Maar die goede man is nooit in Utrecht geweest, wat hijzelf ook bevestigt. Hij missioneerde in Francia onder de Fresones. Wie daar Friesland van wil maken moet dat toch eens gaan bewijzen met feiten en niet met aannamen.


    2. Benevento, welvarende stad langs de Via Appia en Traiana (AM. nr.2 2024). Het verhaal over Benevento heeft vooral belang in verband met onze studie met betrekking tot de Peutingerkaart.
      De via Appia was altijd de belangrijkste en bekendste Romeinse weg. Bestudering van deze weg op de Peutingerkaart blijkt een uitdaging. Van de gegevens op de Peutingerkaart blijkt weinig juist te zijn. In de geschreven geschiedenis loopt die weg van Rome naar Brindisi. Zie afbeelding hiernaast (klik op de afbeelding voor een vergroting). Volg je deze weg op de Peutingerkaart, dan mis je plaatsen, zijn er andere plaatsen tussengevoegd, mis je afstanden tussen die plaatsen, mis je een getekende weg, terwijl veel wel genoemde afstanden onjuist zijn en sommige plaatsen nog steeds niet geïdentificeerd of gelocaliseerd zijn, zelfs niet in Italië.
      Van Rome naar Brindisi geeft de Peutingerkaart een afstand van 328 Romeinse mijl, wat 485 km is, terwijl de hedendaagse afstand toch zo'n 100 km langer is. Zijn de moderne autowegen minder recht? In elk geval beduidend beter dan in de Romeinse tijd. Van Rome naar Benevento geeft de Peutingerkaart een afstand van 173 km, terwijl de huidige afstand 236 km is, een afwijking van toch 27%.

    3. De Bronsschat van Nistelrode (AM. nr.2 2024). District der Bataven, 234 na Chr. Citaat: 'Dit is een fictief verhaal over een gebeurtenis in een nederzetting in Noord-Brabant in de Romeinse tijd. Maar het is gebaseerd op een echte archeologische vondst. In een kuil werden dertig bronzen voorwerpen die op elkaar waren gestapeld teruggevonden. Ze zijn in één keer begraven, maar niet in één keer gemaakt. Het oudste stuk dateert uit de eerste eeuw na Christus, het jongste uit de eerste helft van de derde eeuw. Nooit eerder zijn in Nederland zoveel bronzen voorwerpen uit de Romeinse tijd bij elkaar gevonden. De schat is dan ook van nationale betekenis en staat daarom permanent tentoongesteld in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden'. Wat de schat met de Bataven te maken heeft is een speculatie. Het was Romeins vaatwerk, daar verloren of begraven door een handelsreiziger als meest logische optie, toen de Romeinen Nederland verlieten. Zo kwam ook het Sandraudiga-altaar in Rijsbergen terecht. Achtergelaten bij het terugtrekken. Te gemakkelijk wordt alles dat buiten de bekende Romeinse plaatsen wordt gevonden Bataafs genoemd. Hoorde Nistelrode net als Ruimel (te Sint-Michelsgestel) ook plots bij het Bataveneiland?

    4. Romeinse villa's in Limburg (AM. nr.2 2024). De welvaart van het villagebied in Limburg kan ontstaan door de goede landbouwgrond, maar zeker ook door de goede infrastructuur. Door het gebied lopen drie Romeinse hoofdwegen. Op de plek waar twee van deze wegen elkaar kruisen, in het huidige Heerlen, ontstaat de plaats Coriovallum, de grootste plaats in Limburg in de Romeinse tijd. Van die Romeinse wegen is nauwelijks iets teruggevonden. We hoeven Romeins Heerlen zeker niet te ontkennen, de vondsten zijn overtuigend genoeg, maar dat de plaats Coriovallum heette is een aanname op grond van de Peutingerkaart, dat een falsum is. De afstanden tot andere plaatsen op die kaart kloppen geen van allen. Lees meer over Coriovallum.


    Archeologie Magazine nr.1-2024.
    1. Tijdelijke Romeinse legerkampen (AM. nr.1 2024). In het kader van het NWO-onderzoeksprogramma was een van de vragen: Hoe kan het dat er in Nederland slechts twee tijdelijke kampementen van het Romeinse leger zijn teruggevonden? Dankzij nieuwe technieken zijn er in Nederland meerdere legerkampen gelokaliseerd, zeker vier, maar beperkt tot de Veluwe. Waren het wel Romeinse legerkampen of kampen van inheemse bewoners, gemaakt naar voorbeeld van de Romeinse kampen. De Romeinen reisden per dag 25 á 40 km. Deze kampen liggen dan te ver van de 'Limes'grens. Als het al Romeinse kampen waren (zie bij Ermelo) maakt het de oorspronkelijke traditionele opvattingen over een permanente grens, een onbewoond gebied en de dreiging van Germaans stammen meteen geheel ongeloofwaardig.

    2. Botten in een pot. Een mini opgraving in een urn uit Amerongen (AM. nr1 2024). Op 19 april 2023 is in het laboratorium van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed in Amersfoort een vroegmiddeleeuwse urn met inhoud systematisch 'leeg gelepeld'. De urn was enkele weken daarvoor en bloc gelicht in een tuintje op een volkstuinencomplex in Amerongen. De urn, een handgevormde pot van zogenaamd Hessen-Schortens aardewerk (moet dus zijn Hessens-Schortens), was tevoorschijn gekomen bij het opnieuw uitgraven van een diepe kuil, waarin graszoden waren gestort. Bij het uitgraven van deze kuil was door de gebruiker van het tuintje al eerder een urn met crematie gevonden. Ook dit was een handgevormde pot van hetzelfde type aardewerk. Beide urnen dateren uit de 5e tot 7e eeuw. In de kuil zijn verder scherven van een laat-Romeinse beker van geverfde waar gevonden, mogelijk opgespit uit een ouder graf. In het eerste laagje zijn nog meer scherven van de eerder genoemde laat-Romeinse beker gevonden.
      De meeste botresten lagen gemengd onderin de urn: delen van schedel, armen, benen, wervels en ribben. De crematieresten zijn van een jonge man van ca. 20-29 jaar. Er is niets te melden over de doodsoorzaak. Ook resten van de persoon uit de eerder gevonden urn zijn onderzocht. Deze zijn ook van een man, die vermoedelijk ca. 45-55 jaar oud was bij overlijden. Ook hier is de doodsoorzaak onbekend.
      De gevonden urnen vertegenwoordigen een nog niet eerder ontdekt vroegmiddeleeuws grafveld. Het lijkt de ontbrekende schakel te zijn in een reeks van grafvelden die vanaf Leersum tot voorbij Rhenen liggen op de zuidflank van de Utrechtse Heuvelrug.

      In het artikel Ziende blind? in Archeologie in Nederland van juni 2020 lezen we over Hessens-Schortens aardewerk het volgende: In deze bijdrage richten we de blik op problemen rond de identificatie van vroegmiddeleeuws aardewerk in het oosten en noordoosten van Nederland. Het gaat hier om handgevormd zogenaamd ‘Hessens-Schortens’ aardewerk, dat vaak sterk lijkt op prehistorisch aardewerk uit de bronstijd en ijzertijd. Dit type aardewerk blijkt niet door iedereen te worden herkend en dat leidt tot foute dateringen van vindplaatsen. Als uitsluitend Hessens-Schortens aardewerk wordt aangetroffen, en makkelijker herkenbare en dateerbare vondsten ontbreken, is dat risico extra groot. Helaas is dat precies wat vaak het geval is. Onjuiste dateringen zijn een serieus probleem. Ze kunnen leiden tot foute keuzes en een foute beeldvorming van het verleden.
      Het gaat dus om handgevormd aardewerk met laat-Romeinse scherven. Wat is laat-Romeins? Derde of vijfde eeuw? Hier wordt dus geen enkel bewijs geleverd ten aanzien van een 'ontbrekende schakel' in de reeks Frankische grafvelden vanaf Leersum tot voorbij Rhenen.

    Archeologie magazine 2023


    1. Holland gemaakt land. (AM.nr.6 2023) Uit dit artikel blijkt duidelijk het gelijk van Albert Delahaye met betrekking tot de transgressies en de onbewoonbaarheid van de Lage Landen in het eerste Millennium. Enkele citaten:
      1. tot ongeveer het jaar 900 bewogen de bewoners van wat later Holland zou heten letterlijk mee met de invloeden van weer en wind.
      2. Het grootste deel van het land was overdekt met hoog- en laagveen dat veel te nat was om er iets mee te beginnen.
      3. In hoog tempo maakten de bewoners en immigranten voor het eerst woonland van duizend jaar oude wilde natuur.
      4. De grote ontginning werd ook wel degelijk gestuurd van bovenaf. De mannen die het land bestuurden kennen we als Graven van Holland. De graven van Holland doen hun intrede pas in de 10de eeuw!
      5. Het bouwen van dijken werd vanaf de 12de eeuw aangelegd. De dijken op Wieringen of de Markermeerdijk stellen archeologen vast op de 12de tot 14de eeuw.


    2. Het jaar 1000. Special. (AM.nr.6 2023) Opvallend in deze special is, dat de Annemarieke Willemsen als auteur van dit artikel en conservator en samensteller van de tentoonstelling, de geschiedenis van Nederland pas laat beginnen rond het jaar 1000, wat geheel correct is. Het is een interessant artikel, zeker als je 'tussen de regels doorleest' en vooral let op wat er NIET meer vermeld wordt.
      Een opmerkelijk citaat uit dit artikel: Geconstateerd was dat de 10de en 11de eeuw een groot zwart gat in de Nederlandse geschiedenis en archeologie waren, deels omdat een overzicht ontbrak van wat er over die periode bekend was.
      Maar ook hier blijft Willemsen hangen in de palts (Paleisburcht) van Nijmegen, de favoriete verblijfplaats van het 'powerkoppel' keizerin Theophanu en keizer Otto II, waar fragmenten van de paltskapel gecombineerd zijn met afbeeldingen van de keizerlijke familie.
      Willemse bepreekt hier de tentoonstelling. Gezien p. 34 bedoelt zij met die fragmenten van de paltskapel de St.Nicolaaskapel. Hier wordt dus met de geschiedenis gefraudeerd. De St.Nicolaaskapel stamt uit de 11de eeuw (1087), dus bestond nog lang niet in de tijd van keizerin Theophanu. Lees meer over Theophanu in Het Valkhof 2000 jaar.
      Toch houdt Willemsen weer vast aan enkele onbewezen traditionele opvattingen en corrigeert ze andere opvattingen. Geschiedenis blijft en blijkt een moeilijk vak, zeker als de samenhang en logica ontbreekt. We citeren er enkele:
      1. In de loop van de 11de eeuw komt één dominante taal omhoog, het Oud-Nederlands. Lees meer over het Diets.
      2. Van de keizerpalts in Nijmegen op het Valkhof is de Sint-Nicolaaskapel nog over. Zie opmerking hiervoor over gefraudeerde geschiedenis.
      3. Willemsen blijkt ook geen kennis te hebben van bouwkunst met haar "Wandeling door Utrecht rond het jaar 1000". Rond het jaar 1000 stond er in Utrecht nog helemaal niets. Zij noemt de Domkerk uit 1023, ooit gesticht door St.Willibrord, wat een flagrante leugen is. De Sint Janskerk is uit 101048-1054, de Pieterskerk uit 1040, de Nicolaaskerk van na 1100. Lees meer over Oud-Utrecht.
      4. De keizerskroon (p.28) waarmee Karel de Grote wordt afgebeeld door Albrecht Dürer is uit 967, het kruis erop uit de vroege 11de eeuw.
      5. In 1000 opende Otto III de tombe van het graf van Karel de Grote in Aken. Het verhaal is zo wonderlijk dat het ongeloofwaardig is. Echter het graf van Karel de Grote is in Aken nooit gevonden. De oudste archeologische sporen stammen uit de 13de eeuw. Lees meer over Aken
      6. Direct na de troonsbestijging in 936 gaf Otto de Grote opdracht (in Maagdenburg) een palts te bouwen. Uit de Ottoonse tijd dateren ook delen van de kloosterkerk Onze-Lieve-Vrouw, de St.-Sebastiaanskerk en de St.-Petruskerk. Van een palts zelf is tot dusver nog weinig teruggevonden. Maak van dat 'weinig' maar niets.
      7. De koningpalts van Aken werd in opdracht van Karel de Grote gebouwd. Echter, de oudste archeologische sporen stammen uit de 13de eeuw. Lees meer over Aken
      8. Wat Nederland betreft valt het allereerst op dat er zich in de periode 900-1000 vooral langs de Maas in Limburg veel kerken en kloosters hebben bevonden. Genoemd worden Maastricht, Thorn, Voerendaal en Susteren waar de Sint-Amelbergabasiliek halverwege de 11de eeuw als onderdeel van een abdij gebouwd is in de laat-Ottoonse bouwstijl op de plaats van een ouder zaalkerkje. Willemsen noemt hier niet een ouder klooster, slechts een ouder kerkje. Lees meer over Susteren.
      9. In Nijmegen zijn nog resten te bewonderen van de keizerlijke palts waarin keizerin Theophanu in 991 overleed. De fraaie 11de eeuwse St.Nicolaaskapel maakte hiervan deel uit. Hier wordt dus bewust fraude gepleegd met beweringen die geheel onwaar zijn en dat weet Willemsen ook. Bovendien is de St.Nicolaaskapel weinig fraai te noemen: het is een kapel van Rommelsteen.
      10. Het eveneens in Gelderland gelegen plaatsje Oosterbeek is een pittoreske Oude Kerk rijk, een van de weinigen kerken in Nederland waarvan het schip (van tufsteen gebouwd en eenbeukig en rechthoekig) uit de 10de eeuw dateert. Een van de weinige, geeft toch een ander beeld dan op p.302 in het Verhaal van Gelderland wordt gepresenteerd.

    3. Julius Caesar in Amsterdam. Artikel naar aanleiding van de tentoonstelling in H'Art Museum in Amsterdam. (AM.nr.5 2023,
      Er worden weer enkele traditionele, maar niet te bewijzen opvattingen herhaald, maar ook een belangrijke opvattingen gecorrigeerd door prof.dr.Eric Moormann als hij over de Eburonen spreekt. "Deze vondsten zouden kunnen wijzen op de vernietiging van deze stammen, maar die wordt niet bevestigd door historische bronnen. Niettemin wijzen tot dusver aangetroffen sporen duidelijk in die richting, ook al in het onomstotelijk bewijs van deze volkerenmoord niet gevonden".

    4. Voor het artikel van Tom Buijtendorp over zijn kijk op Julius Caesar (AM.nr.5 2023, p.10-13, verwijzen we naar Caesar in de Lage Landen.

    5. Cunera's pelgrimstad (AM. nr.4 2023) en Rhenen een archeologisch paradijs. In Rhenen wordt deze legende van Cunera gekoesterd. Het is echter een legende, die de nodige inkomsten opbracht voor Rhenen. En precies die inkomsten van de pelgrims was de bedoeling deze legende in ere te houden, zoals met meerdere legenden gebeurde. Denk aan het 'beeldjes in de gracht' in Amersfoort of 'Mariken van Nimwegen' in Nijmegen. Zie voor de legende van St.Ursula en Cunera het artikel hierna.
      In het artikel 'Rhenen een archeologisch paradijs' wordt gesteld dat Rhenen een geschiedenis bezit die teruggaat tot de Neandertalers en Frankische vorsten. Dit alles op grond van vage vorsten en enkele 'vorstengraven' en een Rhenense goudschat met munten tussen 51 voor Chr. tot 486 na Chr. waaronder 239 zilveren en gouden munten waaronder 98 Byzantijnse tremisses en 141 sceattas.
      Met munten uit zo'n grote periode valt niets te bewijzen. Waren die munten van een verzamelaar, die ze eens verloor of verstopte? Maar wanneer precies? Tijdens de 80-jarige oorlog? Met gouden en zilveren munten werd niet betaald. Het was een belegging voor langere termijn.
      De ringwalburg die ook genoemd wordt, brengt een nieuw facet aan in de discussies. Het was 'een omvangrijk verdedigingswerk door mensenhanden opgeworpen' maar geen verdedigingswerk tegen de Noormannen (dat wordt niet genoemd), zoals men in Zutphen wel onterecht meent. Het zal een wal tegen overstromingen van de Rijn geweest zijn. Zie ook het artikel hierna.


    6. Sint-Ursula en haar Goldene Kammer'. (AM.nr.3 2023, auteur Jan Kuiper)
      De geschiedenis van Sint-Ursula behoort tot de schilderachtigste heiligenlegenden van Europa. Het is een verhaal op het breukvlak van oudheid en Middeleeuwen met een rol voor de Hunnenkoning Attila bijgenaamd de Gesel Gods en verschillende vertakkingen naar de Nederlanden. Het cultuscentrum in Keulen is de aan Ursula gewijde basiliek met de Goldene Kammer: een plek die ook van belang is voor de 'prehistorie' van de archeologie. Ursula zou in Keulen omstreeks 450 haar einde hebben gevonden. Haar hoogstwaarschijnlijk geheel fictieve levensverhaal is vanaf de 10e eeuw in verschillende versies vastgelegd. Omdat Ursula als vroom christen was uitgehuwelijkt aan de heidense prins Aetherius, trok ze met 11.000 andere maagden naar Rome (in de oorspronkelijke verhalen was er sprake van slechts elf maagden). Op de terugreis werden allen bij Keulen op last van de Hunnenvorst Attila met pijlen doorboord: een massaslachting die in latere eeuwen leidde tot de verering van Ursula en haar heilige schare in grote delen van Europa.
      Dat latere aantal van 11.000 steunt op een vergissing, die goed van pas kwam bij de enorme hoeveelheid aangetroffen beenderen. In het Latijn wordt het aantal genoemd als XI.M.V. , ofwel undecim martyres virgines (elf maagdelijke martelaressen). Deze afkorting werd gelezen als undecim millia virginum (elfduizend maagden). Er ontstond al snel een drukke reliekenhandel in het opgegraven gebeente, die gepaard ging met de uitbreiding van de cultus over een groot deel van Europa. Om zoveel mogelijk relieken te verzamelen, ging men er in Keulen toe over om ook op andere sites beenderen op te graven. Het zal niet verwonderen, dat zich tussen de relieken van de 11.000 maagden schedels en beenderresten van mannen bevinden. Er zijn zelfs enkele schedels van honden gedetermineerd.
      Afbeelding hiernaast: 'Legende van het vrouwenschip' met de H. Ursula. Altaarreliëf, 15e eeuw.
      De Goldene Kammer is overigens een uit 1643 daterende toevoeging aan de basiliek. Zij is bij een verbouwing van de kerk gesticht door keizerlijk raadsheer Johann von Crane (of Krane) en zijn vrouw Verene Hegemihler, op de veronderstelde plek van Ursula's graf, ziedaar de oorsprong van de verering van de elfduizend maagden.

      Opmerking: Het hele verhaal hangt van legenden en onjuist gelezen teksten aan elkaar. Eindelijk komt de historische wereld tot bezinning en tot de conclusie dat op de hele geschiedenis van St.Ursula het nodige aan te merken is. Op grond van een onjuist gelezen tekst en het vinden van talloze beenderen kwam de reliekenhandel en daarmee de verspreiding van deze legende op gang. Maar legenden zijn geen historische waarheden.
      Het verhaal van Ursula staat niet op zichzelf, maar is symbolische voor meer middeleeuwse legenden, zoals die van Cunera, maar ook van enkele predikers zoals Lebuinus en zelfs van Willibrord en Bonifatius aan wie allerlei wonderlijke verhalen zijn toegeschreven en die op grond van verkeerd begrepen plaatsnamen in de verkeerde streek terecht kwamen. Zo zou Bonifatius in één klap een Heilige Eik omgehakt hebben. Deze legende gelooft toch niemand meer? Heilige Eiken waren doorgaans toch niet de dunste boompjes.


    7. Een armband voor Hercules Magusanus. (AM.nr.2 2023, Jasper de Bruin).
      De spectaculaire ontdekking van een Romeinse tempel in Empel bij Den Bosch was een primeur, die tot dat moment (1990) nog geheim gebleven was. Het heiligdom in Empel bestond uit een tempel met daaromheen een omheiningsmuur. Aan de voorzijde van deze muur bevond zich een grote hal, wat het geheel een monumentale uitstraling gaf. Heel bijzonder waren vondsten als talloze munten en sieraden, metalen vaatwerk en zelfs een complete Romeinse helm, die op en rond het tempelterrein waren gevonden. Het neusje van de zalm was wel een klein verzilverd bronzen plaatje met een wijding aan de god Hercules Magusanus, de bekendste god van de Bataven. Hieruit kon worden afgeleid dat de Tempel van Empel een Herculesheiligdom was. Toeval of niet, het heiligdom van Herwen-Hemeling was ook aan deze godheid gewijd, hoewel daar ook altaren voor andere goden zijn gevonden. Enige tijd na de ontdekking van de tempel van Empel verscheen een bijzonder boek, dat een leesbaar overzicht bood voor het grote publiek: 'De tempel van Empel. Een Herculesheiligdom in het woongebied van de Bataven' (uit 1994). Deze publicatie omvatte echter niet alle gegevens en vondsten en een volledige publicatie van deze belangrijke Romeinse vindplaats ontbreekt nog tot op de dag van vandaag. In 2006 en 2007 werden bij werkzaamheden langs de A2 bij Empel nog nieuwe vondsten verzameld en er liggen bij verzamelaars in die regio nog talloze vondsten. In 2018 is een flink deel van het onderzoek alsnog deugdelijk gepubliceerd, maar helaas alleen online. In de collectie van het RMO bevindt zich een bijzondere vondst uit de tempel van Empel: een zilveren armband. Die is in augustus 1991 aangekocht van een verzamelaar. Het stuk zal ongetwijfeld ooit als offer in de tempei zijn achtergelaten. De armband heeft een maximale diameter van 9 centimeter. Centraal op de armband prijkt een medaillon met een dame. Ze heeft een kapsel in de stijl van de Severische keizerdynastie, te dateren tussen 193 en 235 na Chr. Misschien is het zelfs wel een van de keizerinnen zelf. Een van de bekendste Severische keizerinnen was Julia Domna, die ook de titel 'mater castrorum' (moeder van de legerkampen) droeg. Omdat de tempel van Empel veelvuldig door (oud-) soldaten werd bezocht, is het misschien niet gek dat er ook een armband is geofferd, waarop een voor het leger zo belangrijke dame staat afgebeeld. (Afbeelding hieronder afkomstig van dit artikel).

      In 1994 verscheen een publicatie van N.Roymans &T.Derks (eds.), 'De tempel van Empel. Een Herculis-heiligdom in het woongebied van de Bataven'. Opmerking: het bovenstaande artikel schets precies het probleem van de archeologie. Ondanks dat opgravingen nog niet zijn uitgewerkt, trekt men al conclusies op grond van onjuiste aannamen. Hier is ook duidelijk sprake van een
      cirkelredenering. Waarom is deze tempel 'Bataafs'? Ligt Empel in de Betuwe, wat toch altijd het woongebied van de Bataven was? Op grond waarvan is deze tempel 'Romeins'? Zouden de Bataven überhaupt een Romeinse tempel bouwen en nog wel buiten hun eigen woongebied? Of hadden de Romeinen een tempel gebouwd voor de Bataven die nog heidens waren? Hoe weet men dat er (oud-)soldaten offerden? Welke oudsoldaten dan? Die uit Rome? Waarom zou je een kostbare armband weggooien? Worden vergelijkbare kostbaarheden ook bij andere tempels gevonden? Waarom moest deze ontdekking geheim blijven? Twijfelden de archeologen ook aan eigen opvattingen?
      Maar waren het wel de resten van een tempel die hier gevonden werden? Hoe staat het dan met de resten van de tempel, gevonden in Elst? Hadden de Bataven dan meerdere tempels en vlak bij elkaar? Enkele onderzoekers, o.a.M.Holtman, meenden dat het resten van een gewone kerk zijn geweest uit de oertijd van het christendom.


    8. De dam bij Wijk bij Duurstede. Talloze sporen tussen Utrechtse heuvelrug en de Lek herinneren daaraan (AM.nr.1 2023).
      De hoge Lekdijk bij Wijk bij Duurstede verbergt een markant monument. In 1122 werd daar in de Rijn op de plek waar de rivier zich splitste richting Utrecht} een dam aangelegd die grote gevolgen had voor de stad Utrecht en haar omgeving. De dam wordt beschouwd als een van de oudste waterstaatkundige monumenten van ons land, met een niveau van watermanagement dat sinds de tijd van de Romeinen niet meer is vertoond. Ad van Schaik ging op zoek naar sporen van dit verborgen meesterwerk.
      Bedenker van de dam is de Utrechtse bisschop Godebald, bisschop van Utrecht van 1114 tot 1127. Doel van Godebald was de waterstand van de Rijn omlaag te brengen zodat deze niet meer jaarlijks buiten haar oevers kon treden. Ook wilde hij de laaggelegen moerassige gebieden tussen Wijk bij Duurstede en Utrecht ontginnen door ze te ontwateren en geschikt te maken voor de landbouw.
      Opmerking: in dit artikel komen weer enkele onjuiste opvattingen ter sprake, zoals de stadsrecht verlening aan Utrecht van bisschop Godebald. Het was geen stadsrecht, maar een tolrecht, een recht om tol te mogen heffen, een recht dat bovendien nog gedeeld moest worden met Muiden. Lees daarover meer in
      Jaarboek Oud-Utrecht 1995.
      Wat te weinig belicht wordt, hoewel wel genoemd, was de noodzaak van deze dam. Het bleek noodzakelijk tegen de jaarlijks meermalen voorkomende overstromingen en de moerassige toestand van het land. Die overstromingen, transgressies, waren ook de reden van het vertrek van de Romeinen uit os land in circa 260. De moerassige toestand van Nederland in alle eeuwen maakt veel gebeurtenissen in de geschiedenis volkomen onmogelijk, zoals de prediking van Willibrord en anderen. Wanneer gaat historisch en archeologisch Nederland dat eens inzien?


    9. Het minderbroeders-klooster van Dordrecht. (AM.nr.1 2023).
      In Museumpark Archeon draait alles om de vroegste geschiedenis van ons land. Voor deze periode vormt archeologisch onderzoek een voorname informatiebron. Bijna alle gebouwen in de museumcollectie zijn reconstructies.
      Opmerking: een kleine correctie blijkt noodzakelijk. Niet bijna alle gebouwen zijn reconstructies, maar alle gebouwen zijn reconstructies. In het Archeon wordt de bezoeker een vals beeld voorgehouden. Men heeft daar van alles uit de Romeinse tijd nagebouwd, niet naar voorbeeld van wat in Nederland werkelijk gevonden is, maar wat naar de opvatting van de archeologen ergens in het Romeinse rijk bestaan heeft. Het geheel is op basis van een eindeloze fantasie gebaseerd, vergelijkbaar met de Schoolplaat van Isings. Zie hier voor die betreffende schoolplaat.

      Archeologie magazine 2022


      1. Verhaal van Gelderland. Samenwerken aan het verhaal van Gelderland. (AM. nr.6-2022).
        Op 10 november j.l. verscheen het vierdelige boekwerk Verhaal van Gelderland. Het eerste volledige overzicht van de rijke geschiedenis van deze grote en gevarieerde provincie. Het eerste deel 'Gelderland voor het Gelderland werd) beslaat de periode vanaf de prehistorie tot en met de vroege Middeleeuwen. 'Van de periferie schoof het gebied steeds dichter naar het centrum van de macht:' Het wordt hier 'een goed verhaal' genoemd, maar dat valt te betwijfelen, zeker waar men vasthoudt aan nooit bewezen aangenomen opvattingen.
        Van dat eerste deel hebben wij de hoofdstukken 4 t/m 8 zorgvuldig bestudeerd en constateren hierbij liefst 685 fouten, onjuistheden en tekortkomingen op slechts 230 pagina's. Op pagina 334 meent de redactie dat de
        visie van Albert Delahaye afdoende tot uiting beschreven wordt. Afdoende tot uiting? Met meerdere onjuistheden, zelfs enkele fragante leugens?



        We bespreken de afzonderlijke hoofdstukken die elk een eigen pagina hebben.
        Hoofdstuk 4, De Romeinen komen.
        Hoofdstuk 5, Bloeitijd van Romeins Gelderland.
        Hoofdstuk 6, Germanisering van de samenleving.
        Hoofdstuk 7, Aan de rand van de Merovingische wereld.
        Hoofdstuk 8, Het Karolingische en Ottoonse Rijk.

        De hoofdstuk 4, 5 en 6 zijn geheel en alleen geschreven door Paul van der Heijden. Blijkbaar heeft hij geen co-auteur (nodig?) gehad, hoewel op p.13 in de introductie geschreven wordt dat "de teksten werden geschreven door 21 auteurs en co-auteurs, van wie de meesten gespecialiseerd zijn in een bepaald tijdvak of een bepaald aspect van de geschiedenis" . Is Van der Heijden dan de autoriteit op het gebied van de Romeinse geschiedenis? Is hij de enige deskundige in Gelderland? Heeft de redactie zijn werk wel gecontroleerd op waarheid en mythe? Of is Van der Heijden blindelings afgegaan op zijn verwijzingen in de literatuur? Het zijn vragen die je vanzelf gaat stellen, als je leest wat hij zoal hier schrijft, maar ook wat hij schrijft in andere artikelen en boeken van zijn hand. Lees meer over Paul van der Heijden. Dat hij een Nijmegenaar is, is op zich geen verwijt, maar hij preekt toch teveel voor eigen parochie.
        Hoofdstuk 7 is geschreven door Joep Hendriks en Michel Groothedde, met medewerking van Nico W.Willemse en Arjan den Braven, hoofdstuk 8 door Michel Groothedde alleen (volgens pag.7), maar ook door Joep Hendriks met medewerking van Nico W.Willemse en Arjan den Braven (volgens opgave op p.4).
        In het Verhaal van Gelderland wordt de geschiedenis van Gelderland beschreven, volgens "de stand van de wetenschap", zoals dr.D.Verhoeven (heel terecht) schrijft. En dat nu is precies het probleem: de stand van de huisige wetenschap, ofwel zoals de historici in 2022 menen dat en waar die geschiedenis zich heeft voorgedaan. Uit de stand van de wetenschap blijkt dat de universiteiten vele decennia achter te lopen. Het is zoals Jona Lendering al constateerde: "honderden misverstanden komen voort uit het rondpompen van verouderde kennis. Driekwart van deze fouten komt voor in publicaties van mensen met een doctorstitel".
        Verouderde kennis die men blijft rondpompen. De meest opmerkelijke uitspraak komt van professor Leupen die verklaarde dat de visie van Delahaye wetenschappelijk nergens ondersteund wordt. In feite is dit een compliment maar dat had prof.Leupen niet begrepen. Delahaye kwam met nieuwe opvattingen en die worden uiteraard niet ondersteund door de oud garde van historici, die hun kennis hebben uit de klakkeloze naschrijverij die in de historische wereld gemeengoed is. Zie de uitgebreide literatuurlijsten en het aantal noten in alle historische publicaties. Ook in het Verhaal van Gelderland (deel 1) beslaan ruim 350 noten naar welgeteld liefst 900 naar titels van boeken van gelijkgestemden.

      2. Castellum Hoge Woerd. Archeologische monumentenzorg van wereldformaat. (AM. nr.6-2022) Dit castellum functioneerde van ongeveer 40 tot omstreeks 270 na Chr. Van dit castellum heeft men geen Romeinse naam, zoals die op de Peutingerkaart voorkomt. Het is een volgend voorbeeld dat die kaart niet over Nederland gaat. Hierbij ook een foto uit dit artikel van de opgravingen in 1982-83. Het maaiveld ligt nu 80 cm hoger (of is het meer als je de persoon vergelijkt?). Uit deze foto kunnen 2 zaken afleiden: 1. Het Romeinse maaiveld lag dus beduidend lager; er is een hele laag sedimenten afgezet op de Romeinse laag vanwege de transgressies; 2. de zwarte laag was dus geen brandlaag, maar een dik pakket veen en rivier- c.q. zeeklei. Lees meer over brandlagen.

      3. De draai van Hadrianus. Overeenkomsten tussen de Villa van Hadrianus en Forum Hadriani? (AM. nr.6-2022) (door Tom Buijtendorp) Lees meer over publicaties van Buijtendorp. Het komt er in dit artikel op neer dat die overeenkomsten er niet zijn. Vandaar dat vraagteken? En de draai heeft alles te maken met de richting waarin Forum Hadriani is aangelegd. Die voldoet niet aan de richting en inrichting van een Romeinse villa. Dat weet Buijtendorp maar al te goed. Hij schrijft er zijn boek over Forum Hadriani zelf over. Maar ook de naam is een fabel. Op de Peutingerkaart waar men zo graag naar verwijst en de naamgever van deze villa zou zijn, staat helemaal geen Forum Hadriani, maar Foro Adriani. Buijtendorp spreekt over de aanleg van een wandelpark in Voorburg dan ook van ".. als zodanig te koesteren met hooguit van subtile verwijzingen naar mogelijke verbanden".

      4. De glorietijd van de Friese Vrijheid. (AM. nr.5-2022) Het artikel handelt over de eigenzinnige, verdwenen wereld van het Noorden tussen 1000 en 1500. Het gaat feitelijk om de tijd na het jaar 1000, waar onze studie niet overgaat. Toch wordt er weer enkele onjuist verbanden gelegd, zoals met de Lex Frisionum die niet over Nederlands Friesland handelt, maar over het klassieke Frisia in Vlaanderen. Waarom zou Karel de Grote zich druk gemaakt hebben om de Friezen die buiten zijn rijk woonden en er een aparte wet voor gemaakt te hebben?

      5. Zoektocht naar de Via Annia. Op reis over het vermoedelijke tracé van een Romeinse weg (AM. nr.5-2022).
        Hoewel er nog veel onduidelijk is over de precieze loop van de antieke Via Annia, heeft archeologisch onderzoek in de afgelopen jaren veel nieuwe informatie opgeleverd over deze vanaf 131 v.Chr. in het noordoosten van Italië aangelegde Romeinse weg. Rénie van der Putte en Joost Vermeulen volgden het vermoedelijke tracé van de Via Annia van haar begin in Adria aan de Adriatische kust tot aan Aquileia in het uiterste oosten van de golf van Venetië. Zie kaart hiernaast.
        Volg je deze weg op de Peutingerkaart (zie hieronder) dan komt men van het ene probleem in het andere. De afstanden komen niet overeen, de weg is praktisch niet te volgen als één doorgaande route en de volgorde van plaatsen is twijfelachtig. De totale weg is volgens de Peutingerkaart 157 mijl (is 235 km), terwijl de weg volgens de huidige routeplanners slechts ca.210 km is, over moderne rechte wegen. Maar de Romeinen legden ook rechte wegen aan. Is toch een dagmars verschil.
        Als deze Romeinse weg in het eigen Italië al onjuist is, hoe betrouwbaar is de Peutingerkaart dan?


      6. Ontdekkingstocht door vestingstad Medemblik. (AM. nr.3-2022) Draagt het kasteel van Radboud terecht zij naam? Archeologen vonden namelijk nooit bewijzen van Radbouds aanwezigheid; de relatie Radboud en Medemblik is grotendeels gebaseerd op een kroniek uit 1517, geschreven 800 jaar na zijn dood. Die kroniek was het schrijfsel van Cornelius Aurelius die wel meer fabels in de geschiedenis heeft gelanceerd, zoals de verblijfplaats van de Bataven in Zuid-Holland.

      7. Begraven in een boomstam. (AM. nr.2-2022) Begraven in een boomstam blijkt uitzonderlijk te zijn. In het Belgische Munsterbilzen zijn 9 boomstamgraven gevonden, te midden van 68 graven. Waarom vonden liefst negen mensen hun laatste rustplaats in een boomstam, wat altijd en overal uitzonderlijk was? Alleen Joost zal het weten. De ouderdom van de boomstamgraven kon wel worden achterhaald en bleken uit het tijdvak tussen de 6-7e en 10e eeuw te komen. Een bot uit een graf werd met C-14 onderzoek tussen 716 en 949 n.Chr. gedateerd. Op het grafveld lag ook Gallo-Romeins bouwpuin en stukjes keramiek uit de 8e tot 10e eeuw. De marge tussen 6e tot 10e eeuw is wel erg ruim. Maar ziet U ook hier weer het hiaat tussen de Romeinse tijd en (zeg maar gerust) de 10e eeuw?

      8. Hazerswoude opnieuw verblijd met Romeinse vondsten. (AM. nr.2-2022) Lag bij Hazerswoude een Romeins fort, stelt de redactie? Naar de grensforten zelf is in het verleden al veel archeologisch onderzoek gedaan, maar over de gebieden tussen de forten is nog relatief weinig bekend. Een muntvondst bestaat uit munten uit 73-75, uit 82 en uit 166 na Chr. en een mantelspeld die dateert tussen 170 en 250. Het is goed mogelijk dat de munten in een zakje zaten, dat met de mantelspeld was dichtgemaakt. De vinder deed zijn ontdekking in een berg grond die afkomstig was uit een uitgegraven wegtracé. De locatie van deze muntvondst bevestigt het belang van de grensstreek. Over deze vondst, maar vooral de conclusies zijn de volgende opmerkingen te maken:
        1. Gevonden in een berg grond, afkomstig waar vandaan? Uit verplaatste relicten zijn geen harde conclusies te trekken.
        2. Met enkele munten en een mantelspeld kun je niet het bestaan van een fort bewijzen.
        3. Wel belang wordt met de vondst van drietal munten bevestigd?
        4. Tussen de datering van de oudste munten en de mantelspeld zit ruim 170 jaar. Hiermee wordt precies aangegeven dat munten ook eeuwen na de vermeende datum in de grond geraakt kunnen zijn. Op hoeveel andere munten is dat ook van toepassing? Lees meer over muntvondsten.
        5. Het veronderstelde fort (er zouden zelfs twee forten bestaan hebben) lag tussen Leiden en Alphen a/d Rijn. Was het wel een fort of een wisselstation voor paarden? De afstand tot Leiden was slechts 8 km, de afstand tot Alphen maar 6 km.
        6. Het veronderstelde fort staat niet op de Peutingerkaart. Waarom zo kort op andere forten, waar langs de Rijn op meerdere plaatsen grote gaten zitten?

      9. Domitianus in Leiden. (AM. nr.2-2022) Het gaat hier over een tentoonstelling over keizer Domitianus (89-96), die zelf nooit in Leiden is geweest. Er zijn enkele stempels gevonden met de crytische afkorting LXGPFD, waarbij de D in spiegelbeeld is afgebeeld. Was het Legio X Gemina Pia Fidelis Domitiana, zoals Jasper de Bruijn verondersteld? Waarom dan de D in spiegelbeeld? Zou een keizer dat geaccepteerd hebben, als hij juist zijn waardering van dat legioen heeft uitgesproken door de toekenning van zijn eretitels? In 96 na Christus werd keizer Domitianus vermoord. Hierna besloot de senaat in Rome dat alle herinneringen aan de voormalige keizer moesten worden uitgewist, de zogeheten damnatio memoriae. In Nijmegen werden de dakpannen van het tiende legioen voortaan alleen nog voorzien van stempels met de afkorting PF, zonder de D. Het is natuurlijk maar de vraag of hiermee de herinnering aan Domitianus echt werd uitgewist: iedereen wist immers precies wie deze eretitels had toegekend. De reden waarom de D in spiegelbeeld staat is onbekend. De vraag is dus of die omgekeerde D wel betrekking had op keizer Domitianus? Hier wordt dus weer geschiedenis geschreven zonder concrete bewijzen en zal 'een onbekende reden' weer een eigen geschiedenis gaan vormen.

      10. Kennemerland in metaalvondsten. (AM. nr.2-2022) Herman Zomerdijk (1947-2014) verzamelde in de loop der jaren duizenden metalen objecten. Hij zocht de Noord-Hollandse akkers, duinen en stranden af met zijn metaaldetector. Zomerdijk werkte op zorgvuldige wijze, verkocht of ruilde zo goed als nooit vondsten en noteerde in veel gevallen heel secuur de precieze vindplaats en vondstomstandigheden. Zijn collectie bestaat uit zo'n 3000 objecten en vormen een aanvulling op ons beeld van de geschiedenis en archeologie van Noord-Holland en vooral Kennemerland. In Kennemerland was de Abdij van Egmond in de Late Middeleeuwen een belangrijk pelgrimsoord. De publicatie is online te raadplegen via de website van het archeologisch depot van de provincie Noord-Holland. Helaas wordt ook op de website geen eenvoudige overzicht gegeven van de vondsten. Wordt hiermee ook erkend dat de abdij van Egmond niet uit de vroege middeleeuwen (dus voor 1050) bestond?

      11. ww.caudicara.nl (AM. nr.2-2022). In een advertentie wordt verwezen naar het boek "Waar is Nehalennia zonder schip?"
        In 1970 werd, met de vondst van vele Nehalennia votiefstenen de meest complete tempelvondst uit de Romeinse periode boven water gehaald. De Nehalennia-tempel opende in 2005 in Colijnsplaat. Marien onderzoek leverde daarna het bewijs dat vanuit de Romeinse havenstad Ganuenta (Colijnsplaat) Romeinse schepen voeren richting Brittannia. De vondst van twee Romeinse schepen in de Londense Black Friars leverde nautisch expert Ludo Van Well de basics voor reconstructie van de Caudicaria Navis. Het schip waarmee de Romeinen overtochten maakten. Auteur Dimp Nelemans ontdekte dat Nehalennia, als godin van de Zeevaarders, daarbij een cruciale rol vervulde. De reconstructie Caudicaria ligt naast de Nehalenniatempel in Colijnsplaat. Zie www.caudicaria.nl. Dat Dimp Nelemans dit allemaal zelf ontdekte is maar de vraag. Over de Nehalennia-altaren is al het nodige geschreven. Maar dat Colijnsplaat het onbekende Ganuenta was is een nooit feitelijk bewezen overonderstelling, dus een hypothese. Lees meer over Nehalennia.

      12. Sporen van de Hanze. (AM. nr.2-2022) Lübeck en Wismar: twee beroemde Hanzesteden.
        In dit artikel worden de geschiedenis van de Hanze beschreven die op plek 9 in de Canon van de Nederlandse geschiedenis voorkomt. We gingen op onderzoek uit in het noorden van Duitsland, de bakermat van de Hanze. In het artikel wordt wel verwezen naar een artikel in Magazine 4 van 2021, maar niet specifiek vermeld dat de KOGGE, die hèt schip van de Hanze was, uit Vlaanderen kwam. Daarom vermelden we het hier nog eens.

      13. Hoe een wij-altaar onvindbaar bleef. (AM. nr.2-2022) Column van Herman Clerincx.
        Tongeren bezit een reconstructie (?) van het wij-altaar waaruit blijkt dat de stad een heus Romeins municipium was: een uiterst belangrijk centrum. Zie afbeelding hiernaast. Maar met het wij-altaar is heel wat aan de hand. In een tuin (?) was een wij-altaar met deze tekst ontdekt: 'I(ovl) O(ptimo) M(aximo) et Genio Mun(ictpli) Tung(rorum) Cat(ius?) Drousus sal(arius, -inator, -samentarius) Men(apiorum) v(otum) s(olvit) l(ibens) m(erito)'. De vertaling (?) is: 'Voor lupiter Optimus Maximus en de Genius van het municipium Tungrorum heeft Catius Drousus, zouthandelaar der Menapiërs, gaarne en met reden zijn gelofte ingelost'.
        De zouthandelaar sprak over het municipium Tongeren. Eindelijk was het bewijs geleverd! Romeins Tongeren hoorde tot het selecte groepje municipium-steden. Onderzoeker en auteur Vanvinckenroye schreef er een artikel over en leverde er een foto en tekening van het altaar bij. Maar daarmee was de kous af en viel geleidelijk alles stil. Het altaar bleek privébezit en werd nergens getoond (?). Zelfs toen de toonaangevende classica Marie-Thérèse Raep-saet-Charlier in 1995 het wetenschappelijke artikel over het altaar verzorgde, moest ze naar verluidt zich op de foto en tekening baseren (?). Toen ikzelf in 2014 voor mijn boek 'Romeinse sporen' informeerde waar ik het wij-altaar kon fotograferen, werd me geantwoord dat de steen ontoegankelijk (?) was. De naam van de eigenaar (?) kreeg ik niet te horen. Bizar. Een belangrijk Romeins wij-altaar dat schroomvallig (?) verborgen (?) blijft. Wat schuilt daarachter? Niemand (?) schijnt het te weten, of het te willen (?) zeggen. Geleidelijk belandden deze vragen in het vergeetboek. Tot onlangs (?) de stad Tongeren besloot een replica (?) van het altaar te vervaardigen. Ook daarvoor moesten de makers zich beperken tot de ene (?) foto en de ene tekening (?) uit 1994, aangevuld met algemene kennis over Romeinse wijaltaren. Daardoor kan op dit ogenblik niemand (?) vertellen of en in welke mate, de reconstructie (?) correct (?) is. Om toeristen te lokken (?) en de luister van Romeins Tongeren (?) kracht bij te zetten, voldoet deze replica natuurlijk ruimschoots. Maar wie de oudheid wil bestuderen, blijft met een lege maag aan tafel achter (?). Hopelijk wil de eigenaar (?) alsnog het altaar vrijgeven. Dit is een oproep.
        Er zijn nogal wat vragen (?) te stellen over deze wij-altaarsteen. Op een onbekend wij-altaar met een raadselachtige tekst baseert Tongeren dus het belangrijke gegeven of het wel of niet een municipium was. Is er tweede bewijs ter verificatie? Als je alles tussen ( ) overslaat, dat zijn immers interpretaties, dan staat er op die onbekende steen (zie afbeelding links): I O M - ET GENIO - MVN T VNG - CAT DROVSVS - SAL MEN - V S L M. (de - geven de verschillende regels aan). Het gaat wel vaker met gedenkstenen die een replica zijn en waarvan de vraag is of ze, en in hoeverre ze, aangepast zijn aan de opvattingen van de archeoloog. Zo is op deze steen de afstand tussen de T en VNG (regel 3) opvallend groter dan tussen andere letters. En slechts op de letters MVN T VNG baseert Tongeren dit belangrijke gegeven van Municipium. Zie als voorbeeld J.E.Bogaers met zijn manipulatie van Romeinse opschriften, zoals op de gedenksteen van Ruimel of over de letters DMB, waar hij zondermeer 'Decurio Municipii Batavorum' van maakt.

        Informatie van het plaatselijk Gallo-Romeinse Museum in Tongeren: Tongeren heeft een replica laten maken van een stenen altaar dat 30 jaar geleden werd opgegraven. Het toont aan dat Tongeren in de tweede eeuw na Christus ook al een echte stad was. Dat Tongeren een Romeinse stad is, stond natuurlijk al als een paal boven water. Maar over de exacte status van Tongeren in de Romeinse tijd bleef er nog lange tijd onduidelijkheid. Tot in 1990, want toen werd in de Rode Kruislaan in Tongeren een bijna perfect bewaard Romeins altaar met een opschrift gevonden. Het altaar was opgedragen aan Jupiter en aan de beschermgeest van de stad, vermeld als 'het municipium van de Tungri'.
        De stad liet een replica van het altaar maken in Franse kalksteen en die heeft nu een mooi plekje gekregen op de toeristische dienst van Tongeren. "Op deze manier verwelkomen wij de talrijke bezoekers aan het 'municipium Tungrorum'", glundert schepen van Toerisme An Christiaens. "Het wordt een soort welkomststeen."

        Het is een typisch voorbeeld van hoe het toerisme boven de historische waarheid wordt gesteld. Met een replica valt namelijk niets te bewijzen. Dat de letters TVNG betrekking zouden hebben op Tongeren moet met een tweede bron eerst bewezen worden. Of was het toch Douai, dat immers tot het gebied van de Menapiërs hoort?

        Atuatuca Tungrorum wordt wel vereenzelvigd met Atuatuca waar Julius Caesar tegen Ambiorix streed. Maar de meeste onderzoekers zijn het er heden wel over eens dat deze plaats niet Tongeren was, maar ergens anders lag. Mogelijke plaatsen zijn Berg (een deelgemeente in de buurt van Tongeren), het Plateau van Caestert, een versterking bij Thuin, Limburg, Spa-Balmoral, Dolembreux, Fort Battice (Luik), Chaudfontaine en Stolberg-Atsch of zelfs niet in België, maar in Noord-Frankrijk. Immers Atuatuca werd belegerd door Julius Caesar en prof.H.Thoen heeft vastgesteld dat Julius Caesar nooit in België is geweest. Lees meer over Julius Caesar. Door de Eburonen niet in Limburg te plaatsen, maar in Noord-Frankrijk -ten zuiden van het Kolenwoud- wordt de hele geschiedenis rondom de belegring van Atuatica ook naar het zuiden verplaatst.

      14. Villa non modica. (AM. nr.2-2022) Romeins overslagstation en vroegmiddeleeuwse versterking.
        Wie heeft er nog nooit van Dorestad gehoord? Deze bij Wijk bij Duurstede gelegen voormalige vroegmiddeleeuwse handelsnederzetting figureert in tal van boeken en is door J.H. Isings vereeuwigd op een schoolplaat. Ook een deel van de speelfilm Redbad speelt zich hier af. En kortgeleden nog figureerde Dorestad in de NTR-serie Het verhaal van Nederland. Maar de bodem van Wijk bij Duurstede herbergt veel meer dan alleen resten van Dorestad.
        In de late 2e/3e eeuw werd aan de weg een militair overslagstation gebouwd. Dit station bestond uit gebouwen binnen een rechthoekig greppelsysteem en diende onder meer voor de verversing van paarden en als overslagpunt voor voedseltransporten. Over dit soort militaire posten weten we nog maar weinig. De Geer is een van de weinige plaatsen in Nederland die in de loop van de 3e en 4e eeuw niet werd verlaten. Toegegeven, in de periode neemt het aantal vondsten ook hier af, maar ze ontbreken niet. Sterker nog, de meeste munten dateren uit de 4e eeuw. In deze en de volgende eeuw stonden er gelijktijdig twee tot vier boerderijen. De vondsten wijzen op nieuwkomers. mogelijk Franken van over de Rijn. In de loop van de 7e eeuw werd begonnen met de aanleg van een greppelsysteem. In het midden hiervan stond een voor die tijd opvallend groot houten gebouw. Binnen de omgreppeling lag ook een grafveld van minimaal 48 individuen. De graven kunnen globaal in de 7e-8e eeuw worden gedateerd. Het omgreppelde terrein was mogelijk de woonplaats van een lokale grootgrondbezitter en zijn onderhorigen. Het zou de villa non modica kunnen zijn, die in het jaar 863 in de annalen wordt vermeld. In deze 'niet onaanzienlijke villa' zochten inwoners van Dorestad hun toevlucht tijdens een Vikingaanval. Er vielen vele doden en Dorestad brandde. Een dergelijk complex is niet alleen uniek voor Nederland, maar voor heel Noordwest-Europa.
        Er wordt nogal veel beweerd in dit artikel. Allereerst is nooit vastgesteld dat de opgegraven nederzetting in Wijk bij Duurstede Dorestad was. Die nederzetting voldoet niet aan alle beschrijvingen in de historische bronnen, maar was de plaats Munna van vissers en jagers. Lees meer over Dorestad en Munna. Op grond van muntvondsten (welke munten? van Romeinen? van Franken?) kun je ook niets bewijzen. Waarom staat deze plaats niet op de Peutingerkaart als die zo belangrijk was? Twee of vier boerderijen? Van Vikingaanvallen is in Wijk bij Duurstede nooit iets gebleken en ook nooit iets van bewezen. Zwarte bodem bewijst niets over brand. Lees meer over zwarte lagen. Het hier genoemde villa non modica was niet de nederzetting Wijk bij Duurstede die immers in 863 ophield te bestaan en zeker niet meer aanzienlijk was. Het was op grond van de complete tekst de Noord-Franse plaats Nemetacum ofwel Arras (=Atrecht).

        De tekst uit 863 luidt als volgt: De Noormannen kwamen in de maand januari over de Renus (dat is de Schelde) per schip tot bij Colonia (=Coulogne bij Calais) en na de haven, die Dorestadum (=Audruicq) wordt genoemd, ontvolkt te hebben, bereikten zij de stad Nonmodoca (Nemetacum = Atrecht), waarheen de Frisii (Vlamingen) gevlucht waren. Daar doodden zij veel handelaars van de Frisii (Vlamingen) en met veel gevangenen bereikten zij een eiland bij de burcht van Neussium (=Noisy-le-Grand ten oosten van Parijs).
        Bronnen: Annales Bertiniani, HdF, VII, p. 80 en Hincmari Remensis Annales, MGS, I, p. 459.

        Nota: De tekst bevat meerdere bewijzen tegen de mythe van Wijk bij Duurstede, d.w.z. de Schelde, Coulogne en Atrecht en het feit dat de nederzetting in Wijk bij Duurstede in 863 ophield te bestaan, zoals algemeen wordt aangenomen. Nonmodoca wordt door W.van Es (zie artikel over “Dorestad ” , blz. 195) vertaald met “niet onbelangrijke nederzetting”, omdat er even verder in de tekst staat “non modica populi multitudine” - een niet geringe menigte volks. De naam is een variant van Nemetacum - Atrecht. Deze tocht van de Noormannen heeft natuurlijk niet op de Rijn plaats gevonden; dan zou Keulen (wat men ervan heeft gemaakt) niet het eerst genoemd zijn. Dorestadum lag derhalve tussen Coulogne en Atrecht; ergo is het Audruicq. Neussium is evenmin het Duitse Neuss. Nonmodoca kan dus niet Dorestad zijn, dat immers al genoemd werd. Waarom zouden de Friezen naar Dorestad vluchten als juist Dorestad geplunderd werd?
        Door het geven van halve teksten of zelfs maar enkele woorden, moeten de interpretaties maar de halve waarheid bevatten of zelfs helemaal onjuist zijn.

      1. Nieuw inzicht in de castra van Velsen. (AM. nr.1-2022) Archeoloog Arjen Bosman is er nog steeds van overtuigd dat Velsen 1 het Romeinse fort Flevum was. Hij meent dat Velsen 2 geen castellum, maar een castra was. Werd de castra ook Flevum genoemd? 'Dat is mogelijk, misschien zelfs waarschijnlijk, maar we weten het eenvoudig niet.' Zoals helaas bij veel opgravingen verdween het merendeel van de vondsten zonder nader bestudeerd te zijn in depots, musea en zelfs bij particulieren. 'Ik ben ervan overtuigd dat beide castra in dezelfde tijd zijn gebouwd en met hetzelfde doel: een basis te creëren voor de inval in Brittannië die door Caligula werd gepland. De perioden van het bestaan van beide forten zou gelegen hebben tussen 39 en 47 na Chr. en 600 meter van elkaar gelegen hebben. 'Er zal ook uitwisseling tussen de twee forten zijn geweest. Maar bewijs ontbreekt. Er zijn geen opschriften bekend'. In dit artikel is de enkele keren sprake van 'mogelijk', 'waarschijnlijk' en 'vermoedelijk'. Ook wordt erkent 'dat bewijs ontbreekt'. te veel is gebaseerd op een aangenomen geschiedenis. De vraag is dan waarom de Romeinen binnen 8 jaar een nieuw fort bouwden op zo'n 600 meter verder? Overstromingen?. Om Velsen nu Castellum Flevum (zie daar) te noemen is een van de meerdere opties die in de loop der jaren gepasseerd zijn. Hoe je zonder bestudering van de vondsten dan zo zeker van je opvatting kunt zijn is een vraag. Castellum of Castra? In de geschreven bronnen is slechts sprake van een castellum, geen castra. Ook hier wordt Caligula er weer bijgehaald, terwijl wel vaststaat dat deze keizer vanuit Boulogne-sur-Mer de overtocht naar Brittannia plande. Lees meer over Velsen 1 en 2.

      2. De bakermat van de stad Antwerpen. (AM. nr.1-2022) In de special in deze Magazine worden enkele opvattingen rondom het eerste ontstaan van Antwerpen herzien. Op diverse plaatsen van het grondgebied van de huidige binnenstad worden sinds de jaren vijftig van de vorige eeuw archeologische sporen - vooral scherven - van een Gallo-Romeinse nederzetting aangetroffen: paalkuilen, waterputten en cultuurlagen uit de 2e en 3e eeuw n.Chr., twee 4e eeuwse munten, laat-Romeinse potscherven en een crematiegraf met bijgraven uit de 2e of 3e eeuw. Drie gouden munten uit de 7e eeuw. Twee van die munten dragen als plaats van fabricage de naam ANDERPVS, wellicht de vroegste naamsvermelding voor Antwerpen. Amandus zou op verzoek van de Merovingische koning Dagobert een kerk hebben. De plaats waar het vroege Amanduskerkje als symbool van het Merovingische Antwerpen en het bijbehorende centrum zich precies situeerden, blijft echter problematisch. Dat kerkje is verloren gegaan mogelijk in de Vikingperiode. Archeologisch werd er tot dusver nog geen enkel bewijs gevonden voor het bestaan van zo'n vroegmiddeleeuwse nederzetting met een zekere status op die plek. Van Vikingterreur is op archeologische vindplaatsen in Vlaanderen echter weinig te merken. Volgens Frankische schriftelijke bronnen zou Antwerpen in 836 door 'Noormannen' gebrandschat zijn, maar van deze aanvallen ontbreekt tot dusver elk archeologisch spoor. Ook hier zijn de archeologische sporen weer mager en problematisch om er een aansprekende geschiedenis mee aan te tonen. Men stapt in elk geval af van de fantasierijke sprookjesnaam 'Handwerpen' voor de herkomst van de naam Antwerpen. Zie afbeelding hiernaast van het wel gehandhaafde beeld van Brabo, die de hand van reus Antigoon afhakte om in de Schelde te werpen.

      3. Van Romeins tot Frans Woerden. (AM. nr.1-2022) In de Romeinse tijd, rond 41 n. Chr., wordt in Woerden een castellum genaamd Laurium gesticht. De vroegste datering van het castellum is niet zeker. Het bestaan van dit eerste castellum is gebaseerd op materiële vondsten, historische bronnen en vergelijkingsonderzoek met andere castella. Laurium was een grensfort, een legerkamp van de Romeinen langs de Limes. De Limes was de noordgrens van het Romeinse Rijk en liep langs de Rijn (nu Oude Rijn). Het castellum werd dicht bij de Rijn gebouwd wat resulteerde in de overstroming van het fort. Mogelijk werden daarom de volgende castella (fasen) noordelijker gebouwd. Rond 69/70 n. Chr. ging Laurium waarschijnlijk in vlammen op tijdens de Bataafse Opstand. Zo blijkt uit een aanzienlijke hoeveelheid houtskool gevonden in grondsporen van het enige gebouw dat tot nu toe uit deze periode is teruggevonden. Kort na de Bataafse Opstand wordt het castellum weer opgebouwd. Rond 175 wordt Laurium omgebouwd tot een stenen fort. Het fort en de directe omgeving worden meermaals opgehoogd vanwege overstromingen. Overstromingen zijn niet langer rampzalig. De Germaanse invallen rond 260 daarentegen wel. Rond 275 gaven de Romeinen Laurium mogelijk voorgoed op. Helaas lijken de laatste bewoningsfasen niet bewaard gebleven. Vanaf de 12e eeuw werd Woerden verder uitgebreid met een slot, wallen, grachten, kastelen en uiteindelijk stadsrechten (1372). Ziet u ook hier weer het gat tussen Romeins Woerden en de 12e eeuw? Dat Romeins Woerden bestaan heeft is geen punt van discussie, wel dat het de naam Laurium gedragen zou hebben. Daarvoor ontbreekt elk aannemelijk bewijs. Lees meer over Romeins Laurium. Lees ook meer over de Bataafse Opstand en de overstromingen.

      4. De Romeinse heerbaan door de Lage Landen. (AM. nr.1-2022) Robert Nouwen heeft een nieuw boek geschreven over dé Romeinse Heerbaan, de oudste weg door de Lage Landen, die dwars door Vlaanderen en Nederlands Limburg liep van west naar oost. Deze weg verbond de kuststad Boulogne-sur-Mer via Kassel, Tienen Tongeren, Maastricht, Heerlen met de Rijnstad Keulen. Hij maakte deel uit van een groot en complex netwerk van (water )wegen dat Rome verbond met de verste uithoeken van het Romeinse Rijk. Van de Romeinse weg Maastricht-Tongeren-Tienen-Kassel zijn maar weinig stukken in hun 'oorspronkelijke' landschappelijke toestand bewaard gebleven. Nouwen wijdt in zijn boek specifiek aandacht aan de geschiedenis van dat stuk heerbaan en koppelt daaraan tevens en terecht een pleidooi voor meer bescherming en onderzoek. En juist deze zo belangrijke Romeinse weg, die op de taalgrens (zie daar) ligt, droeg de naam Limes en niet die weg langs de Rijn door Nederland, die immers in de 3e eeuw verlaten werd. En juist de wegen in België zouden op de Peutingerkaart ontbreken? Zie afbeelding hiernaast.

      5. Offers aan de goden? (AM. nr.1-2022) De vroegmiddeleeuwse schatvondst van Hezingen-Springdal (Twente).
        Vroeg middeleeuwse munten worden met enige regelmaat gevonden in Nederland. Vaak gaat het om een enkel exemplaar. In het verleden zijn enkele schatvondsten gedaan, waarvan de context veelal onduidelijk is.
        Opmerkelijk is dat de verschillende typen munten, die ook in datering verschillen, en de overige vondsten ruimtelijk gescheiden van elkaar liggen. Het is daarom waarschijnlijk dat de vondsten op verschillende momenten zijn achtergelaten. Het betreft dus geen muntschat die verstopt werd om redenen van veiligheid, de meest gangbare interpretatie van grote hoeveelheden vondstmunten. De samenstelling van de vondsten en de aangetroffen sporen geven aanleiding om de vindplaats te interpreteren als een pre-christelijke cultusplaats uit de Vroege Middeleeuwen. Dit type vindplaats uit deze periode wordt maar zelden aangetroffen in Nederland. Er worden nogal veel veronderstellingen gedaan in deze enkele regels tekst. Als deze vondsten zo zeldzaam zijn, is de vraag of er dus maar weinig inwoners waren of dat er wellicht weinig offers aan de goden werden gedaan. Staat er daarom een vraagteken in de kop van het artikel?


      Archeologie magazine 2021


      1. TV-serie Het Verhaal van Nederland op NPO1. (AM. nr.6-2021). Het Verhaal van Nederland vertelt het verhaal van het land waarin we wonen, vanaf het moment dat de eerste bewoners zich er vestigden tot nu. In een 10-delige televisie-serie, vanaf 2 februari 2022 op NPO1, neemt acteur en verteller Daan Schuurmans de kijker mee langs de hoogte- en dieptepunten van onze geschiedenis. Wij hebben voor U aflevering 2 en 3 zorgvuldig bekeken en gerecenseerd. Het blijft helaas te veel bij de traditionele, maar achterhaalde opvattingen. Ook komen er nogal veel onvolkomenheden en onjuistheden voor in deze afleveringen. Is het wel ons verhaal? Lees meer over Het Verhaal van Nederland.

      2. Het Rome van keizer Domitianus. (AM. nr.6-2021). De special in deze Archeologie Magazine gaat over keizer Domitianus (keizer van 81 tot zijn moord in 96). In de 'Nederlandse' geschiedenis is hij steeds vrij onbekend gebleven. Zijn opvolgers Trajanus (98-117) en Hadrianus (117-138) stonden meer in de belangstelling van historici omdat zij in Nederland geweest zouden zijn. Maar dat zijn helaas onbewezen opvattingen. Lees meer over Trajanus en Hadrianus. Wat uit deze special ook blijkt is dat er met de geschiedenis gemarchandeerd is. Veel van de beelden van deze keizer zijn later 'omgekat' naar de nieuwe heerser Nerva. De in de traditie onbeminde keizer blijkt toch aansprekende activiteiten te hebben ontwikkeld waarmee hij niet onderdoet voor veel van zijn collega's. Maar die activiteiten zijn altijd ondergeschoven geweest. Dat is de ironie van de geschiedenis: we weten slechts wat de machthebbers ons wilden laten weten en niet exact wat geschied is. Het zou juist dè taak van historici geweest moeten zijn om dit 'marchanderen' met de geschiedenis te doorzien. Echter, zij hebben het niet doorzien of het niet willen doorzien om vooral hun eigen gelijk te kunnen handhaven.

      3. Vijftig jaar Zwammerdamschepen. Do you remember? (AM. nr.6-2021). 'De vondst in Zwammerdam betekende het begin van een rijke Nederlandse onderzoekstraditie naar de scheepsbouw, binnenvaart en handel langs de Iimes', zegt archeoloog Tom Hazenberg. Hij haalde samen met directeur van Museumpark Archeon, Jack Veldman, de Zwammerdamschepen terug naar Alphen aan den Rijn. Hij vervolgt: 'Er volgden opgravingen van vergelijkbare platbodems in Kapel-Avezaath, Druten en Woerden. Nu, vier decennia later. zijn langs de Rijn-Iimes van Zwammerdam tot aan Utrecht-Leidsche Rijn ongeveer twintig Romeinse scheepswrakken bekend. De schepen met hun hout, ijzeren nagels. breeuwsel, gebruiksobjecten, lading en de vondstcontext, bieden buiten-gewone mogelijkheden voor onderzoek. Ze zijn typerend voor de Neder-Germaanse Iimes als riviergrens, die diende als een vitale transportbaan tussen het Germaanse en Gallische achterland met de Noordzee. De schepen speelden dan ook een hoofdrol in de nominatie van de Neder-Germaanse Limes tot UNESCO Werelderfgoed.' Lees meer over de nominatie tot UNESCO Werelderfgoed. Lees meer over de Zwammerdamschapen in Archeologie Magazine 1 van 2021

      1. Een archeologische tijdreis door Nederland. (AM. nr.5-2021). Op de website www.archeologieopdekaart.nl worden ruim 270 vondsten uit de Nederlandse bodem getoond en maakt men een archeologische tijdreis door tien historische perioden. Op zich allemaal interessant, immers archeologische vondsten liegen niet. Echter de verhalen eromheen moeten hier en daar gecorrigeerd worden. Er wordt nogal veel beweerd wat nooit bewezen is, zoals over de mantelspeld van Dorestad.

      2. Oog in oog met historische sporen in Zeeuws-Vlaanderen. (AM. nr.5-2021). De eerste duidelijke aanwezigheid van de Romeinen wordt gedateerd rond het jaar 170. Toen bouwden zij, op een hoger gelegen zandrug, aan een kanaal dat toegang gaf tot een van de toenmalige mondingen van de Schelde, hun eerste houten fort. Uit latere inscripties kennen we ook de naam van dit fort: Rodanum. Rond 190 verscheen op vrijwel dezelfde plek een heel nieuw fort (castellum). Omstreeks 240 werd dit kamp verwoest en verlaten. Rond 260 werd op dezelfde plaats een nieuw fort gebouwd, nu omgeven door een stenen verdedigingsmuur met ronde torens en een vijftien meter brede natte gracht. Dit laatste fort bleef in gebruik tot ongeveer 290. Uit dit alles is duidelijk dat Romeins Aardenburg een belangrijke rol moet hebben gespeeld in het Romeinse kustverdedigingssysteem. Het is een van de weinige forten van dit systeem waarvan de resten gelokaliseerd zijn. Andere forten, waaronder Brittenburg dat aan de monding van de Rijn bij Katwijk lag, zijn intussen door de zee verzwolgen. Van het Romeinse Aardenburg is helaas in het straatbeeld weinig terug te vinden. Romeins Aardenburg past geheel in het beeld van Romeins Nederland: er is niets van teruggevonden. Alles is door de zee verzwolgen. En dan blijven historici de transgressies toch nog steeds ontkennen

      3. Romeinse schrijfplankjes geven steeds meer geheimen prijs. (AM. nr.5-2021). In Nederland zijn meer dan 200 houten schrijfplankjes uit de Romeinse tijd gevonden. Het probleem is echter dat, op een enkele uitzondering na, de teksten op deze schrijfplankjes nooit zijn bestudeerd. De plankjes werden hergebruikt wat ertoe geleid heeft dat vaak meerdere teksten door elkaar in de houten plankjes zijn doorgedrukt. Zo is een van de bekendste schrijfplankjes uit Nederland, die van Tolsum uit Friesland, ondertussen wel drie keer op een andere manier vertaald. Het probleem bij die nieuwe interpretaties is dat de oude steeds opnieuw blijft rondzingen, die ik daarom hier niet zal herhalen. Het gebeurt in de traditionele opvattingen wel vaker dat, ook al zijn er herzieningen, men toch steeds weer terugvalt uit de 'oude vertrouwde' opvattingen.

      4. Zwammerdam kano's. (AM. nr.5-2021). In de vitrine van het Romeinse Museum in Museumpark Archeon ligt een boomstamkano. Het is kano nummer 5, zo genoemd omdat het de vijfde boot was die ontdekt werd in Zwammerdamse bodem. Dat was begin jaren 70. Sindsdien zijn onder onze voeten in Nederland verschillende scheeps-resten gevonden, gedateerd in de Romeinse tijd. De aanwas is zo groot dat er best gesproken mag worden over vondsten van groot nationaal en internationaal belang.
        En hoe zit het met de originele scheepjes? De Zwammerdam kano 5 mag dan in de vitrine liggen, de Zwammerdam 3 is nog lang niet zover. Recent is begonnen met het opnieuw opmeten en tekenen van de kano. Lees meer over de Zwammerdamschapen in Archeologie Magazine 1 van 2021

      1. De Kogge is in Vlaanderen ontstaan. (AM. nr.4-2021). Het thema in dit nummer van Archeologie Magazine is Maritieme Archeologie. Het gaat daarbij vooral (of alleen maar) over vondsten vanaf de Middeleeuwen tot in de 18e eeuw, voor ons studiegebied van minder belang. Toch lezen we hierin dat de Koggeschepen in de periode tussen 1150 en 1500 aanvankelijk aan de Vlaamse kust werden gebouwd en vanaf ca.1200 langs de IJssel en de oostkust van de Zuiderzee. Dus ook hier zien we een traditie uit het zuiden komen en ook hier weer uit Vlaanderen, de bakermat van meerdere 'Hollandse' tradities! Lees meer over Hollandse tradities.

      2. Overal Zwammerdamschepen. (AM. nr.4-2021). Sinds 50 jaar geleden zijn er meer schepen van het Zwammerdamtype gevonden onder andere in Kapel-Avezaath, Druten, Woerden, Utrecht-de Meern, Xanten en Mainz (D) en Pommereuil (B). Verder naar het zuiden is een groot aantal schepen ontdekt dat grote gelijkenis heeft met type Zwammerdam, zoals in Arles en Lyon en Saint Geordes (F). Nu blijkt dat de Zwammerdam-schepen geen Nederlandse exclusiviteit bezitten, dienen de standpunten over het gebruik en vergaan van deze schepen herzien te worden, wat helaas niet gebeurd is. Men blijft aan de eenmaal aangenomen opvattingen vasthouden, wat helaas kenmerkend is voor de algemene geschiedenis. De foto hiernaast toont de Arles-Rhone3 in Musée Départemental Arles Antique.

      1. Opnieuw Romeinse sporen gevonden in Nijmegen. (AM. nr.3-2021). In de tuin van Museum Kam zijn sporen gevonden van een Romeinse begraafplaats uit 10-70 n.Chr. De archeologen vonden vijf intacte graven. Een van de graven hoort bij de laatste gebruiksfase van het grafveld tussen 40 en 70 n.Chr. Waarschijnlijk zijn hier de bewoners bijgezet van de grote burgerlijke nederzetting Oppidum Batavorum. In dit artikel is weer sprake van de nodige vooringenomenheid. Vraag is uit welk jaar precies deze graven zijn. Een marge van 60 of 30 jaar is nogal ruim voor een graf. Hoe komt men aan het jaar 10? Waarom is sprake van 'waarschijnlijk'? Ook is sprake van de onbewezen opvatting dat het Oppidum Batavorum in Nijmegen lag, terwijl dat buiten de Betuwe lag. Ook zijn sporen gevonden van de militaire stad rond het kamp van het 10de legioen uit 71-105 n.Chr. Was het nu een een burgerlijke nederzetting of een militaire stad? Er woonden ambachtlieden, handelaren en de gezinnen van de soldaten. Ook deze opvatting zijn onbewezen speculaties die wel mogelijk zouden kunnen zijn maar strikt bewijs ontbreekt.
        Duidelijk is ongetwijfeld dat hoe meer Romeins men vindt des te minder er gevonden is uit de Karolingische periode dat er immers boven moet zitten en niet eronder, zoals wel eens gesteld wordt.


      2. Zwammerdam 2 voltooid. Komt dat zien! (AM. nr.3-2021). In dit artikel met enkele informatieve foto's wordt de Zwammerdam 2 een Romeins schip genoemd, een solide vrachtschip, de voorloper van onze rijnaak. Het is gebouwd rond het jaar 200 n.Chr. en is ongeveer 23 meter lang en 2 meter 80 breed. Lees meer over dit en andere Zwammerdamschepen in Archeologie Magazine 1 van 2021. Zie heronder.

      3. Gorinchem, dé vestingstad van Nederland. (AM. nr.3-2021). Gorinchem ligt op de plaats waar de Maas en de Linge in de Merwede stromen. De naam Merwede zorgt voor verwarring. Stroomopwaarts bij Zaltbommel heet de rivier immers Waal. Pas waar de Maas in de Waal stroomt, bij slot Loevestein (bekend van de ontsnapping van Hugo de Groot in een boekenkist), heet de rivier de Merwede. Gorinchem is ontstaan als een nederzetting van vissers en boeren bij de monding van de Linge in de Merwede. Het was een toevluchtsoord in een moerassig landschap. De herkomst van de naam Gorichem is onbekend. Wat te denken van Goor-heim? Woonplaats (heim) in moerassig (goor) gebied? Er zijn bewoningsresten uit de Romeinse tijd gevonden (W.A.van Es plaatste bij Gorichem de veldslag van Julius Caesar met de Usipeten en Tencteren, wat uiteraard onmogelijk was; zie bij Caesar) in 1018 zou een heer Van Goor (naamgever van de stad?) door de bisschop van Utrecht tot prefect van dit gebied benoemd zijn. Het oudste geschreven bericht over Gorinchem stamt pas van 6 december 1244 van graaf Floris VI van Holland. Ook hier zien we weer het gat tussen de Romeinse tijd en de 11e eeuw, wat in Nederland ongeveer standaard is bij veel, zo niet alle plaatsen. De 19 katholiek geestelijke die bekend zijn als de martelaren van Gorichem, stierven onder de Geuzen, de zogenaamde bevrijders van Holland van de Spanjaarden, in 1572 een gruwelijke dood.


      1. Oudste dijkje van Nederland blootgelegd? (AM. nr.2-2021). In Vlaardingen hebben archeologen het oudste dijkje van Nederland aangetroffen. Het dijkje stamde uit de tweede eeuw voor Chr. en was mogelijk 1 meter hoog. Al eerder is er geopperd dat er vermoedelijk ook dijken zijn geweest om het achterland droog te houden. In het plangebied werden ook resten uit de Romeinse tijd en de Middeleeuwen aangetroffen. Het gevonden dijkje bevestigt de steeds voorkomende transgressies en het lag (gezien de foto) op zeker 2,5 meter onder het maaiveld. De lagen die erover zijn afgezet bevestigen die transgressies nogmaals. Lees meer over transgressies.

      2. De wereld van Clovis. (AM. nr.2-2021). Tussen 450 en 750 n.Chr. regeerden de Merovingische koningen, Clovis of Chlodovech (ca.466-511) en opvolgers, over Gallië. Hun Karolingische opvolgers plakten de Merovingen het imago op van oorlogszuchtige barbaren, vadsige koningen, levend in een periode van stagnatie en achteruitgang. Deze cliché worden nog steeds herhaald in de geschiedenisboeken. Het portret is echter veel veelzijdiger en genuanceerder. Het Merovingische tijdperk is een cruciaal moment in de geschiedenis, rijk aan innovaties. Nieuw onderzoek brengt de Merovingische periode verrassend dicht bij de hedendaagse samenleving. Ook hier ziet men weer dat eenmaal ingenomen opvattingen moeilijk te corrigeren zijn in de wereld van de historische wetenschap. Het is de 'normale' gang van zaken in de historische wetenschap.

      3. Leven in een wetland. (AM. nr.2-2021). 20.000 jaar geleden lag de zeespiegel 125 meter lager. Rond 11.700 jaar geleden lag de zeespiegel nog maar 85 meter lager en 4000 jaar later was de Doggersbank alweer geheel verdwenen. De zee steeg gemiddeld met zo'n 2 meter per eeuw. Maak je dit rekensommetje van zo'n 2 meter per eeuw even af naar het begin van de jaartelling, dan blijkt het zeeniveau dan op plus 149 meter te liggen, ofwel is heel Nederland op het uiterste zuiden van Limburg overstroomd. Waarmee is aangetoond dat dit verhaal onjuist.

      4. Het stempel van de gouverneur. (AM. nr.2-2021). In de Romeinse tijd was het gebruikelijk bakstenen (en pannen) te voorzien van een stempel. In Nederland gaat het meestal om stempels van legeronderdelen, maar soms ook van particulieren, Op baksteenstempel werden altijd afkortingen gebruikt, waarvan niet altijd duidelijk is wat er mee bedoeld werd. Vaak werd er over 'vermoedelijk' gesproken, maar dat is niet altijd zeker. Aan het 'vermoedelijk' werden hele theorieën opgehangen die soms her zien moeten worden. Het ultieme voorbeeld van onjuiste interpretaties van baksteenstempels zie je bij Jules Bogaers (zie daar).

      5. De Nederlandse Wal van Hadrianus. (AM. nr.2-2021). In dit artikel bespreekt Tom Buijtendorp in feite zijn boek over 'De Gouden Eeuw van de Romeinen in de Lage Landen'. Daarvoor verwijzen we naar de bespreking van zijn boek op deze site.
        In dit artikel vallen de volgende uitspraken (dikgedrukt) toch op:
        1. Er zijn nieuwe aanwijzingen (p.34), volgende de opgravers waarschijnlijk (p.35).
        2. De Romeinen het gebied tussen Rijn en Maas-Waal ervaarden als een groot eiland, door hen het Bataafse eiland genoemd. Hoe weet Buijtendorp wat de Romeinen ervaarden?
        3. Trajanus stichtte bij Xanten een colonia en investeerde onder meer in de Romeinse stad Nijmegen. Wat en hoe investeerde Trajanus in Nijmegen? Welke bewijzen heeft hij daarvoor?
        4. Hadrianus had mogelijk al in de planning om in het kustgebied de naar hem genoemde stad Forum Hadriani te stichten. Hoe weet Buijtendorp wat Hadrianus in de planning had? Overigens heette de stad volgens de Peutingerkaart Foro Adriani. Zou de keizer een spelfout in zijn naam geaccepteerd hebben?
        5. Meer dan lang gedacht, lijkt het te gaan om een veelzijdige campagne met wellicht het nodige improvisatiewerk.
        6. Daarom is het goed mogelijk dat Hadrianus richting de kust trekkend, halt hield bij Vechten.
        7. Op p.37 lezen we in de tekst de volgende behoudens: 'waarvan de betekenis onzeker is', 'waarschijnlijk' (2x), 'zou kunnen zijn', 'het is denkbaar', 'mogelijk (2x) zou zijn', 'aanwijzingen', 'denkbaar', 'ongetwijfeld'.
        8. In de buurt lag een nog niet teruggevonden vlootstation.
        9. Moord in het oude Rome. (AM. nr.2-2021). In de rubriek 'Boeken' wordt het boek van Emma Southon besproken: "A Fatal Thing Happened on the Way to the Forum. Muder in Ancient Rome". In dit boek blijkt dat moord, doodslag en slavernij 'gewone' en geaccepteerde verschijnselen waren in het Oude Rome. Massale executies van gevangenen of veroordeelden kruimeldieven. Gevangenen die verbrand werden, gekruisigd of aan de wilde dieren gevoerd. Dit boek laat ons een wereld zien die schuil gaat onder de fraaie laag van marmeren zuilen, schitterende Mozaïeken, flitsende bouwwerken en zogenaamde beschaving. Het was Tacitus die al op deze excessen wees en schreef dat "De Romeinen zijn de rovers en plunderaars van deze wereld". (Tacitus, Agricola 30,4). De Romeinse maatschappij was gebaseerd op slavernij. Meer dan 200 miljoen slaven hebben het Romeinse rijk opgebouwd. Ook in de legers dienden vooral 'buitenlanders', maar het was een bezettingsleger al zijn alle misstanden niet altijd door de Romeinse schrijvers opgeschreven. En dat heeft men deze bezettingstijd in Nederland tot Wereld Erfgoed weten te verklaren. ONBEGRIJPELIJK!!!

      1. Het Romeinse legioenskamp in Valkenburg ZH. (AM. nr.1-2021). Met de vondst van een legioenkamp in Valkenburg kunnen eerdere vondsten nu beter worden geïnterpreteerd. Deze ene zin is veelzeggend en wel omdat 1. het dus steeds gaat om interpretaties, 2. die nu beter geïnterpreteerd kunnen worden, dus eerder voorbarig zijn getrokken en 3. veel eerdere interpretaties herzien zullen moeten worden.
        Dit legioenskamp bleek op een rare plek te liggen, namelijk onbeschermd buiten het Valkenburgse castellum.
        Die plek wordt hier 'raar' genoemd, want die voldoet niet aan de algemene traditionele opvatting van de gevaren van de dreiging van binnenvallende Germaanse stammen. Van een dreiging van binnenvallende Germaanse stammen blijkt dus geen enkele sprake te zijn geweest, zoals eerder W.A.Byvanck (zie daar) en andere historici ook al aangaven. Volgens de traditionele opvattingen woonden er in Nederland boven de rivieren alleen de Friezen en soms (?) nog de Chamaven (in het oosten), maar daarvan is bekend dat zij zeer vredelievend waren. Die gingen toch het Romeinse Rijk niet binnenvallen? Waarom zouden zij? Maar historici verzinnen de onmogelijkste zaken, vooral om maar gelijk te krijgen.
        Een andere opvallende opvatting in dit artikel betreft de datering van hout. De auteur schrijft daarover: "Je kunt tenslotte niet uitsluiten dat sommige stukken hout hergebruikt zijn". Ook deze opvatting maakt het noodzakelijk dat veel archeologische bevindingen herzien moeten worden.

        Tijdens de veldtocht uit 39 n.Chr. van Caligula wordt geschreven dat hij zijn soldaten opdracht gaf schelpen te verzamelen op het straand. Was dat in Katwijk? is de vraag van de auteur. Men komt tot die opvatting omdat er in Vechten en Valkenburg enkele duigen van wijnvaten gezonden zijn met de tekst C.CAE.AUG.GER. Het zou op de aanwezigheid van wijn uit de persoonlijke wijngaarden van de keizer wijzen. Maar dat hoefet niet te betekenen dat Caligula hier zelf ook was' is de terechte en enig juiste conclusie van de schrijver.

        Zoals elke historicus behoort te weten liet Caligula ook ter plaatse een vuurtoren bouwen. Maar deze vuurtoren stond in Boulogne-sur-Mer en helemaal niet in Katwijk. Zie bij de Kanaaltunnel.

        Een aantal jaren later leidde generaal Corbulo een campagne tegen de Chauken en de Friezen. Maar de Chauken en Friezen woonden in Frans-Vlaanderen! Zie bij Chauken en bij Friezen. Volgens de traditionele opvattingen liet hij toen een kanaal tussen de Rijn en de Maas graven. Dat kanaal kan nooit zonder sluis tussen Rijn en Maas gelegen hebben, vanwege het hoogteverschil tussen beide rivieren. En van een sluis is nooit sprake geweest. Die bestonden nog niet in de Romeinse tijd. Daarop voortbordurend zou het best eens zo kunnen zijn dat de vroegste fase van het castellum Valkenburg, maar ook andere castella langs de Rijn zoals Alphen, Vleuten de Meern en Woerden, ook vanwege de inval in Brittania zijn gebouwd. Via de Rijn zou men dan naar de kust gevaren zijn om vervolgens zuidwaarts af te zakken en bij het Kanaal over te steken naar Engeland. Het zou het best eens zo kunnen zijn toont al de nodige speculatie aan. Waarom zou men zo'n omweg via de Rijn maken, als de vaste oversteekplaats waar ook Julius Caesar en anderen al overstaken, rechtstreeks te bereiken was in Frans-Vlaanderen?

      2. In de special over Bergen op Zoom treffen we een aantal wetenswaardige zaken aan. Volgens de legende zou de heilige Gertrudis van Nijvel in 654 de kerk van Beregen op Zoom gesticht hebben. Maar deze en dergelijke legendes zijn helaas door geen enkele bron, historische of archeologisch, bevestigd, schrijft Marco Vermunt. De eerste vermelding van een kerk in Bergen op Zoom dateert pas van zes (6!) eeuwen na Gertrudis, uit het jaar 1219. Historici nemen aan dat de kerkstichting van deze stad ouder is, namelijk uit het einde van de 11de eeuw. Van het vroegste kerkgebouw ontbreekt tot nu toe elk spoor. Dit verhaal is precies het probleem in de historische wetenschap. Historici nemen iets aan zonder bewijs, dat vervolgens als de volle waarheid wordt gesteld. Immers historici, die ervoor geleerd hebben, zullen het toch wel weten? Niets is minder waar. Het oudste deel van de tegenwoordige kerk blijkt zelfs pas uit de 14de eeuw te dateren. Ook uit dit verhaal blijkt maar weer eens dat historici er nogal eens naast kleunen. Waarvan akte.

        Archeoloog Marco Vermunt merkt verder op dat er in Bergen op Zoom en omgeving geen vondsten bekend zijn uit de periode van voor de 7e eeuw op wat Romeins na. Pas in de 7e en 8e eeuw lijkt er sprake van enige herbevolking van de streek. Talrijker zijn de vondsten in de 8e en 9e eeuw. In de 10e tot 12e eeuw bestaan er verschillende bewoonde plekken. Vanaf medio 13e eeuw bij het ontginnen van het turfveen in het West-Brabantse landschap gaat de overgang (van onbewoond naar bewoond) sneller. Zien we hier hetzelfde gat als in Nijmegen tussen de Romeinse tijd en de 10e (lijkt!) eeuw? Nu is een marge tussen 10e en 12e eeuw wel erg ruim. Zijn de vondsten uit begin 10e of uit eind 12e eeuw? Daar zit wel zo'n 300 jaar tussen.


        Klik op de afbeelding hierboven voor een vergroting.
        Met deze afbeelding van de Zwammerdamschepen wordt feitelijk valsheid in geschrifte gepleegd. Hier is sprake van misleidingen, wat niet getuigt van een wetenschappelijke verantwoording. De verhoudingen zijn geheel onjuist weergegeven. Waarom? Zo is boot 6 zo'n vier keer zo lang als boot 5, wat niet blijkt uit deze afbeeldig, waar de getekende mensenfiguurtjes een overeenkomstige grootte lijken weer te geven. Wat wil men met deze misleidingen aantonen?
      3. Nieuws van operatie Zwammerdamschepen. (AM. nr.1-2021).
        In deze Archeologie Magazine wordt een overzicht van de zes Zwammerdamschepen gegeven. Klik op de afbeelding links voor een vergroting.
        Ze worden hier 'Romeinse schepen' genoemd, terwijl de schepen dan misschien wel door de Romeinen gebruikt werden, maar niet per se door hen gebouwd hoeven te zijn.
        Waren het wel Romeinse schepen? Ze lijken in geen enkel opzicht op Romeinse schepen zoals die ons in mozaïeken of in reliëfs zijn overgeleverd. (Zie afbeeldingen in de linker kolom). Volgens W.A. van Es waren het ook geen Romeinse schepen, maar inheemse schepen. (Zie artikel hiernaast, klik op het artikel voor een vergroting). De gevonden schepen worden te gemakkelijke 'Romeins' genoemd, maar dergelijke schepen worden nergens anders gevonden. De Romeinse scheepswrakken die elders gevonden zijn (bijv.bij Griekenland) zien er totaal anders uit.

        De afwijkende maten spreken een Romeins ontwerp en bouw tegen. Zo worden de Zwammerdam 1, 3 en 5 boomstamkano's genoemd en volgens mededeling werden 1 en 5 gebruikt als visbun (ruimte gevuld met water waarin gevangen vis levend bewaard werd). Van Julius Caesar weten we ook dat de Romeinen nooit gebruikt maakten van boomstamkano's.
        De Zwammerdam 2 (zie afbeelding hiernaast) en Zwammerdam 4 waren platbodems, schepen zonder kiel die zo op het land getrokken konden worden. Deze schepen zijn gebruikt voor vervoer van vracht, wat ook geldt voor Zwammerdam 6. Vraag is dus of de Romeinen hun eigen vracht vervoerden of dat ze het overlieten aan inlandse schippers die de wateren kenden?

        Wat ook opvalt bij de beschrijvingen van deze schepen zijn de totaal verschillende afmetingen, al blijkt dat niet uit de afbeeldingen hiernaast . Met deze afbeelding van de Zwammerdamschepen wordt feitelijk valsheid in geschrifte gepleegd. Hier is sprake van wetenschappelijke misleiding, wat niet getuigt van een wetenschappelijk verantwoorde weergave. De verhoudingen zijn geheel onjuist weergegeven. Klik hier voor een grafiek van de juiste verhoudingen van die schepen, berekend naar oppervlakte aan de hand van lengte en breedte. Die verschillen wijzen eerder op inlandse schepen, dan op Romeinse schepen. De Romeinen zijn immers vooral bekend om hun standaardisaties.

        En als het nou enkele centi- of decimeters zou schelen? Het kleinste schip past wel 110x in de grootste. De vindplaatsen van de schepen zijn ook verschillend en (vaak) meters onder het maaiveld. Zijn deze schepen opzettelijk afgezonken bij het vertrek van de Romeinen of zin ze gezonken bij een flinke storm? Of zijn de schepen afgezonken om te gebruiken als waterkering bij een overstroming? Dat er een enkele keer wat vracht in zo'n schip is gevonden, is geen argument het opzettelijk afzinken te weerleggen.
        Wat wel duidelijk is dat nadat de schepen gezonken zijn, er een dikke laag afzettingssediment overheen is gekomen. Dat wijst op grootschalige en langdurige overstromingen na het afzinken.


        Een nagebouwd Romeins schip dat dienst doet als rondvaartboot. Hoe men op allerlei manier probeert Romeins Nederland wat meer cachet te geven.


        Hieronder de afmetingen van de zes schepen (in de tekening daaronder de juiste verhoudingen van de afzonderlijke schepen. De verhoudingen zijn bepaald aan de hand van lengte en breedte. De getekende mensenfiguurtjes geven een onjuist beeld van de werkelijkheid. Er is duidelijk sprake van misleiding wat 'wetenschappelijk' niet geoorloofd is.
        Zwammerdam 1 was 7 meter lang en 80 centimer breed.
        Zwammerdam 2 was 23 meter lang en 2 meter 80 breed.
        Zwammerdam 3 was 10,4 meter lang en 1 meter 40 breed.
        Zwammerdam 4 was 34 meter lang en 4 meter 40 breed.
        Zwammerdam 5 was 5,5 meter lang, breedte niet bekend (geschat naar boot 1 zo'n 70 cm.)
        Zwammerdam 6 was 20.25 meter lang en 3 meter 40 breed.


        Een uitgebreider artikel over de Zwammerdam 6 vind je in Archeologie Magazine 2 van 2021, waarin een vergelijking wordt gemaakt met de Woerden 7, die weliswaar iets langer en iets breder was (de exacte maten worden in dit artikel niet genoemd), maar die gezien de constructie toch 'zusterschepen' genoemd worden. Even opgezocht blijkt de Woerden 7 een platbodem van 4,70 meter breed, de vermoedelijke lengte van het schip bedraagt 29,60 meter. Het iets langer en iets breder uit het artikel blijkt dus veel langer (bijna 10 meter) en veel breder (bijna 1½ meter) te zijn. In hoeverre is er bij zo'n grote afwijking nog sprake van 'zusterschepen'? De 'Woerden 7', die in 2003 in Woerden - Hoochwoert is ontdekt, is in Nederland gebouwd, blijkt uit gedetailleerd onderzoek. Was het dan wel een 'Romeins' schip? Lees meer op
        Hazenberg Archeologie.
        Zo manipuleert archeologisch Nederland met de klare feiten om vooral eigen opvattingen te bewijzen.


      Archeologie magazine 2020


      1. Zaltbommel, vestingstad aan de Waal. (AM. nr.6-2020). De ligging aan de Waal is voor Bommel altijd van de grootste betekenis geweest, al in de Romeinse tijd. Voor de Romeinen was de Rijn echter veel belangrijker dan de Waal. De Rijn kent dan ook veel meer Romeinse plaatsen dan de Waal die slechts een zijrivier is van de Rijn en stroomt van het Romeinse castellum Carvium, bij het plaatsje Tolkamer (gemeente Zevenaar), naar het westen. Nieuwe gegevens over de Romeinen kwamen aan het licht toen de Gemeente Zaltbommel onderzoek deed op de bedrijventerreinen De Wildeman 1en 2. In 2005/2006 vonden de archeologen op terrein 1 een grafveld met de crematieresten van maar liefst 95 mensen. Waar deze hadden gewoond was een raadsel, want de vier aangetroffen boerderijen waren daarvoor niet groot genoeg. Later op terrein 2 vonden archeologen echter nog twee boerderijen. In een vitrine in het stadskasteel zijn enkele opvallende vondsten te zien, die zijn opgedoken uit kuilen, greppels en een waterput. Zoals fragmenten aardewerk, waaronder ruwwandige potten die dienstdeden als kookpot of om voedsel in te bewaren. Verder versierde kommen zogenaamd terra sigillata - en een stempel met de tekst Martialis, de naam van de pottenbakker, Het gevonden aardewerk is afkomstig uit het hele Romeinse Rijk, zelfs Spanje, dat wijst op een zekere welvaart. Pronkstuk is een complete Romeinse zeis.
        Inwoners spreken nog altijd over Bommel; de naam zou een samenvoeging zijn van Bomela en Boom en verwijzen naar een loofbos op een verhoging in een moerassig gebied. Uit 850 stamt de eerste vermelding. In 1297 wordt Salt toegevoegd om het te onderscheiden van Maasbommel. Handel in zout, dat per schip werd aangevoerd, was belangrijk voor het inzouten van vis. In 1315 kreeg deze stad, strategisch gelegen aan de Waal en de handelswegen van Holland naar Brabant, stadsrechten, waarna het in de 15e eeuw connecties kreeg met het Hanzenetwerk.
        Commentaar: we beperken ons bij dit artikel tot het Romeinse en Middeleeuwse deel. Ook hier zien we een groot gat in de continuïteit tussen de Romeinse tijd en de late Middeleeuwen (13e eeuw). De vermelding uit 850 gaat ook niet over Zaltbommel, maar over Bommel bij St.Omaars. Bomala, genoemd in een akte van ruil uit 850 tussen het bisdom Traiectum en Baldricus, wordt door de Nederlandse toponymisten als Zaltbommel opgevat, uiteraard zonder bewijs en zonder de oorspronkelijke naam te vermelden. Zaltbommel bestond in 850 nog niet omdat haar grond onder water lag (moerassig gebied!). De juiste determinatie is Bommel
        (zie de deplacements historiques), een heerlijkheid te Sercus, op 1 km zuidoost van St.-Omaars.
        Wat ook uit dit artikel blijkt is dat de 'Romeinse geschiedenis' wordt afgeleid van wat gevonden aardewerk en een zeis. Maar daarmee bewijs je niets over de aanwezigheid van Romeinen ter plaatse. Dat aardewerk kan daar op allerlei manieren en door iedereen terecht zijn gekomen, ook eeuwen nadien, wat wel blijkt dat het afkomstig is uit het hele Romeinse Rijk, zelfs uit Spanje.


      2. Opnieuw Vikingscheepsgraf ontdekt. (AM. nr.6-2020). In de directe omgeving van dit scheepsgraf zijn nog een aantal andere structuren ontdekt. Archeologen denken dat het om minstens zes (6?!?) graven gaat en een aantal gebouwen. Het vlak ernaast gelegen grafveld dateert echter uit het begin van onze jaartelling, terwijl het scheepsgraf uit de hoogtijdagen van de Vikingen stamt (rond 850). Het is 'heel aannemelijk' dat het gaat om een graf van een zeer hooggeplaatste figuur. Wellicht meer dan een lokale vorst. Archeologen vermoeden dat het terrein over een lange periode een sacrale betekenis moet hebben gehad.
        Commentaar: dit scheepsgraf blijkt uniek te zijn, ofwel het komt bij zeer hoge uitzondering voor. In het artikel wordt het 'heel zelden' genoemd. Gerekend over de periode dat de Vikingen actief waren, zo'n 3 eeuwen, is de zeldzaamheid nog groter. Zou er in al die eeuwen maar één leider geweest zijn die een scheepsgraf kreeg? Het staat in schril contrast met die honderden schepen en talloze aanvallen! Het erbij aangetroffen grafveld heeft dan ook niets uitstaande met dit scheepsgraf. Daar liggen zeker 8 eeuwen tussen. Dat het terrein een sacrale betekenis heeft gehad, wordt dan wel een vermoeden genoemd, maar is pure speculatie. Waarom is er tussen 1e en 9e eeuw dan niemand begraven?

      3. Het raadsel van Backerbosch (AM. nr.5-2020). Van een vondst van een bronzen drievoet en een koperen beker in een kelder in een ingestort en afgebrand gebouw werd altijd verondersteld dat deze bij elkaar hoorden en het een luxe brander zou zijn geweest. Daar valt tegenin te brengen dat een donkere gang of kelder met gewone olielampen of toortsen werd verlicht. Het kan ook mogelijk zijn dat de drievoet en beker helemaal niet bij elkaar hoorden, maar in de gang waren gezet om omgesmolten te worden. Wellicht leidde deze smeltactiviteiten wel tot de brand in deze villa.
        Commentaar: logisch denken levert soms verrassende resultaten op in de archeologie. De eerste conclusie blijkt ook wel eens anders geweest te kunnen zijn.

      4. Een nieuwe geschiedenis van de Vikingen. (AM. nr.5-2020.
        Het gangbare beeld van de Vikingen, woeste wildemannen die al rovend en plunderend twee eeuwen lang Europa deden huiveren, stond al langer ter discussie, schrijft Neil Price in 'De Vikingen. Een nieuwe geschiedenis". Dit wankelende beeld van woest uitgeruste krijgers met helmen met hoorns die tussen 750 en ongeveer het jaar 1000 niets anders deden dan in heel Europa dood en verderf brengen kan nu, na de verschijning van het boek echt definitief de prullenmand in. Letterlijk, want niet alleen hadden de Vikingenhelmen geen hoorns, ook hun bijdrage aan de (wereld)geschiedenis omvatte veel meer dan enkel en alleen hun gruweldaden. De auteur, Neil Price, hoogleraar archeologie aan de universiteit van Upsala, toont ons namelijk een wereld die veel complexer is dan het stereotypische, sjabloonachtige model dat tot nog toe in de literatuur werd gehanteerd.
        Een voorbeeld: de 'grote' Vikingraids worden veelal omschreven als spontane en anarchistische ondernemingen. Dat blijken ze, zo leert Price ons, echter geenszins te zijn. Het waren geplande, strak georganiseerde raids, waaraan soms jaren van voorbereiding aan vooraf gingen. Zo waren bij de grote aanval op Parijs (885-886) vele honderden schepen en duizenden manschappen betrokken. Price rekent voor dat voor de bouw van één zo'n Vikingschip ongeveer 2650 werkdagen nodig waren. En daar kwamen nog eens 1300 manuren bij om het schip uit te rusten. Dertig man waren dus een heel jaar bezig voordat ze aan hun rooftocht konden beginnen. 'Het zal duidelijk zijn, aldus Price 'dat de meeste Vikingraids dus absoluut geen spontane acties waren.

        Dat Vikingen zich niet beperkten tot rooftochten, maar dat zij ook handel dreven. Wat Price echter vooral duidelijk maakt is dat het wereldbeeld van de Vikingen sterk afweek van dat wat in de rest van Europa gangbaar was. Hij herschrijft inderdaad de geschiedenis van de Vikingen. En hij doet dat op zeer gedegen manier. Hij schetst namelijk het leven van de Vikingen tot in detail; hun religie, hun erecodes, de sociale cohesie, hun architectuur en nog veel meer. Terecht besteed hij daarbij ook veel aandacht aan de geletterdheid van de Vikingen. Hun inscripties en hun talloze sages en legendes.
        Waar Price wel voor waarschuwt is dat de verbeterde kennis en bredere waardering voor de intellectuele, artistieke en economische prestaties van de Vikingen niet van de weeromstuit moeten leiden tot blinde bewondering. Want de Vikingen waren, het valt niet te ontkennen, extreem gewelddadig, vrouwonvriendelijk, en zo laat Price zien, ook homofoob. Hun gewelddadige karakter en hun houding ten opzichte van vrouwen wordt nog het best geïllustreerd aan de hand van hun begrafenisrituelen. Mensenoffers, verkrachtingen en bloedige, zeer wrede dieroffers waren daarbij namelijk zeer gebruikelijk. Van één zo'n begrafenis bezitten we een contemporaine beschrijving. Dit verslag van de uitvaart van een Vikingleider, die ergens diep in Rusland stierf, is opgetekend door een Arabische diplomaat Ibn Falda. Zijn verslag leest als een gruwelverhaal.
        Commentaar: wat Price hier schrijft over de spontane acties, blijkt niet uit de schriftelijke bronnen. Daar zat zeker een grotere voorbereidingstijd aan vast. Price wil vooral benadrukken dat naast de gewelddadige kant van de Vikingen hun handel tot alle windstreken ging. Maar die 'handel' ging te vaak gepaard met roof, ofwel het meenemen van mensen (slavernij) en goederen zonder daarvoor te betalen. De schriftelijke bronnen laten daar geen misverstand over bestaan. Het traditionele stereotype verhaal over de Vikingen kan met dit boek nog lang niet de prullenbak in.
        Het is totaal verkeerd om de Vikingtijd te romantiseren wat met name onder neonazi's gebeurt. De mens zou nu toch wel beter moeten weten?


      5. Nieuwe historische inzichten. (AM. nr.4-2020.
        'Archeologen hebben zich er namelijk lang over verbaasd dat de Bataven meer dan 5000 soldaten leverden. Dat is eigenlijk veel te veel voor de totale bevolking van het Bataafse gebied, die op 30 tot 40.000 personen wordt geschat', aldus
        Stijn Heeren in Archeologie Magazine nr.4, 2020.
        En wat beweert Heeren hoe het tekort aan Bataven werd aangevuld? Hij stelt dat de Bataafse legereenheden werden aangevuld met Friezen.

          Commentaar op dit artikel:
        1. Het wordt nu dus eindelijk toegegeven dat de Betuwe te klein was en te weinig bevolking had om de grote hoeveelheden soldaten te leveren. Nieuwe inzichten? Ja, als je de boeken van Albert Delahaye nooit leest, is dit inderdaad nieuws. Maar Delahaye wist dit al in 1965 en heeft dat in 1980 (Holle Boomstammen, p.79) en 1984 (Ware Kijk Op 1, p.103) ook gepubliceerd. Het is dus geen nieuws!
        2. Aangevuld met Friezen? Daar is in de geschreven bronnen niets van bekend. Dat verzint Heeren dus maar even om zijn eigen opvatting te bevestigen. Dat er Friezen in de Romeinse legers dienden was allang bekend, maar niet dat ze de Bataafse cohorten aanvulden. Zo ontstaan dus nieuwe mythen en als deze niet worden tegengesproken worden het vanzelf weer zekerheden. Hier is dus sprake van wat men in de wetenschap wel een 'argumentum ex silencio' noemt, ofwel 'zonder tegenspraak zou het waar zou kunnen zijn'. Waar kwamen dan die Friezen vandaan? Toch niet van die paar terpen in Friesland? Ik zou toch graag de bewijzen voor deze bewering eens zien. Maar die bewijzen zijn er niet want dan hadden eerdere historici dat allang eens vermeld. Heeren komt dus met een nieuwe bewering, vandaar dat in de titel van dit artikel sprake is van 'nieuwe historische inzichten'.
        3. In dit artikel wordt ook weer de traditionele fout gemaakt dat Romeinse relicten altijd door Romeinen moeten zijn achtergelaten. Bestond er dan geen handel? Hoe kwamen Arabische munten dan in Zweden terecht, om maar een voorbeeld te geven? Zijn de Arabieren in Zweden geweest? Hadden zij Zweden bezet?
          Men vindt over de hele wereld relicten van volkeren die nooit ter plaatse zijn geweest. Daar zijn honderden voorbeelden van te geven, ook in Nederland, zoals de hier vermelde vondsten van Romeinse gebruiksvoorwerpen in Friesland en Groningen. Vandaar dat Stijn Heeren voor zijn opvatting in enkele zinnen twee keer het woord 'waarschijnlijk' gebruikt. Erg zeker is zijn betoog dus niet.
        4. In hetzelfde artikel wordt vermeld dat de Bataven na hun diensttijd terugkeerden naar huis en dat er daarom Romeinse wapens en paardentuig wordt gevonden in de Betuwe. Hier is dus sprake van onbewezen beweringen ofwel dubbele cirkelredeneringen. Die wapens en paardentuig moeten volgens Heeren dus door Bataven verloren zijn. Hoe weet Heeren dat het wapens en paardentuig van Bataven was? Hoe weet hij dat het Bataven waren die dit verloren zijn? Heeft hij ooit bewijs gevonden dat de Bataven in de Betuwe woonden? Werd de Rijngrens niet vooral bewaakt door soldaten die uit de Balkan, Spanje of Afrika kwamen, zoals onlangs (23 juli 2020) door het Rijksmuseum voor Oudheden werd gesteld?
        5. Het aantal van 30 tot 40.000 inwoners in de Betuwe is dus een schatting. Waarop is die schatting gebaseerd? Het is begrijpelijk dat andere historici zich nooit ingelaten hebben met het aantal bewoners. Dat is niet te berekenen. Momenteel is het aantal inwoners in de Overbetuwe (waar men traditioneel de Bataven plaatst) ruim 45.000. Het lijkt me sterk dat het in de Romeinse tijd net iets minder was. Het Land van Maas en Waal heeft momenteel zo'n 19.000 inwoners. Gezien het kaartje bij dit artikel zijn juist daar de meeste vondsten gedaan. Hoe dat zit wordt verder helaas niet toegelicht.
        6. Zie ook het boek Een Bataafse gemeenschap in de wereld van het Romeinse rijk. Opgravingen te Tiel-Passewaaij. Matrijs Utrecht, 2007. Redactie Nico Roymans, Ton Derks en Stijn Heeren. Dat vertelt een ander verhaal dan hier allemaal wordt beweerd. Daarin is sprake van 'enkele gevonden boerderijtjes en graven'. Het gaat om 366 graven over een periode van ca.60 tot 260 n.Chr. Dat is nog géén twee per jaar! Zelfs de ruim 1000 nederzettingen die men gevonden meent te hebben (p.37) in het 'Bataafs gebied' in de Betuwe, leveren over een periode van vele eeuwen slechts een minimale bewoning op. Ook de schrijvers noemen bij het aantal "niet waarschijnlijk in de midden-Romeinse tijd".

      6. In Archeologie Magazine nr.4-2020 een kort artikel over de promotie van de Leidse archeoloog Karsten Wensink over de Stereotypen in grafgiften. De belangrijkste conclusie die Wensink uit zijn onderzoek trekt is 'dat bepaalde kostbare voorwerpen, zoals koperen bijlen, juist niet in een graf terechtkwamen. Het ging in een graf dus niet om het tonen van rijkdom, wat een archeologische opvatting ondergraaft'.

      7. Nieuw plan voor Romeins verleden van Cuijk. (AM. nr.4-2020.
        Cuijk was volgens de auteur van dit artikel (Joost Vermeulen) een belangrijke strategische plek aan aan van de belangrijkste Romeinse verbindingswegen in dit gebied. Al in de eerste eeuw werd er op een natuurlijke verhoging in een bocht van de Maas een Romeinse legerplaats ingericht (een castellum). Dit castellum, dat de naam Ceuclum droeg, (die naam staat vermeld op de beroemde Peutinger kaart van het Romeinse wegenenet), lag ongeveer waar nu de grote Martinuskerk staat en diende als basis voor de verdediging van de, iets noordelijker gelegen, doorwaadbare plaats in de Maas. Vier eeuwen Romeinse aanwezigheid is de afgelopen decennia regelmatig aangetoond.
        Commentaar: Dat er een Romeinse aanwezigheid is geweest in Cuijk is niet te ontkennen, maar dat deze er vier eeuwen onafgebroken is geweest is een mythe. Ook in dit artikel wordt Cuijk weer vereenzelvigd met het Cevelum op de Peutingerkaart. Men maakt er dus Ceuclum van, aangezien dat etymologisch beter zou passen bij Cuijk. Die etymologie is overigens nooit aangetoond. In het verleden werd Cuijk dan ook Cevelum genoemd tot prof.J.E.Bogaers (als inwoner van Cuijk) het plots Ceuclum ging noemen, nadat hij het eerst Ceudiacum noemde. B.Stolte 'verbeterde' dat overigens tot Ceudiaco. Zie bij Cevelum. Dat het Cevelum op de Peutingerkaart Cuijk geweest zou zijn wordt al weerlegd met de onjuiste afstanden tot Noviomagus en Blariacum. Dat Cuijk een doorlopende Romeinse bezetting heeft gehad is dan wel altijd aangenomen, maar nog nimmer met feiten bewezen. De genoemde strategische plek blijkt nergens uit en de belangrijkste verbindingswegen worden dan wel vermoed, maar er is nauwelijks iets van teruggevonden (zie: Romeinse wegen in Nederland, p.81). Nu wil men wel een 'archeologisch experiense centrum' gaan bouwen, maar die ettelijke miljoenen die het gaat kosten, kan de gemeente zich beter besparen en aan iets nuttigs uitgeven.

      8. De Zwammerdamschepen. (AM. nr.4-2020.
        Na uitgebreide opgravingen van het Romeinse castellum Nigrum Pullum werd oud hout aangetroffen. Het bleek een boomstamkano uit de Romeinse tijd te zijn. Nadien werden kort na elkaar vijf andere rivierschepen aangetroffen. Twee daarvan, de Zwammerdam 3 en 5, waren net als de eerste boomstamkano's. De andere drie , de 2, 4 en 6, waren grote vrachtschepen. Het was niet de eerste Romeinse scheepsvondst. Het is niet overdreven te stellen dat de scheepvaart op de rivieren de Romeinse aanwezigheid mogelijk maakte. De Rijn en andere rivieren dienden als 'snelweg' voor het vervoer van bouwmateriaal, voedsel en luxegoederen en werden druk bevaren. Daar waar nodig legden de Romeinen ook kanalen aan.
        Commentaar: In de kaders wordt een toelichting gegeven op de schepen en de vondsten. Er wordt vermeld dat de schepen werden gebouwd en gevaren door burgers. Het waren dus geen Romeinse schepen, wat al blijkt uit het feit dat de Romeinen nooit boomstamkano's gebruikten (zie De Bello Gallico van Julius Caesar). Bovendien waren alle schepen verschillend, wat erg on-Romeins is die juist van standaardisatie hielden, zeker voor het leger. De schepen zouden ingehuurd zijn door het leger en de Romeinse overheid. Dit is een aangenomen opvatting, ofwel een hypothese. De dik gedrukte zin is een ontboezeming aangezien daarmee wordt beweerd dat de schepen er eerder waren dan de Romeinen. Voor de kanalen kunnen we verwijzen naar de grachten van Drusus en Corbulo die ook al gegraven zijn voordat er één Romein in Nederland was. Met in in Zwammerdam (dat overigens nooit Nigrum Pullum heette (zie daar) en enkele andere plaatsen gevonden schepen zal het niet druk geweest zijn op de Rijn. Ook dit is weer sterk overdreven, zoals heel Romeins Nederland steeds sterk overdreven wordt voorgesteld. W.A. van Es heeft dat al eerder opgemerkt door te stellen 'dat Romeins Nederland allerminst van internationale allure is geweest'.

      9. Karolingische topstukken, door Annemarieke Willemsen. (AM. nr.4-2020).
        In dit artikel gaat Annemarieke Willemsen in op het Stuttgarter Psalter. Met de afbeelding in dit psalter meent zij aan te kunnen tonen dat veel vondsten in Wijk bij Duurstede (dat ze steeds Dorestad noemt) overeenkomen met deze afbeeldingen. Over de schijffibula's wijst ze op een duidelijke kruisvorm en ze benadrukken waarschijnlijk dat dat christenen zijn (zie detail van een afbeelding hiernaast. Vergelijk de fibula vooral met het Vikingschild hieronder, 2e plaatje van links). Op 'digital.wlb-stuttgart.de' is het hele handschrift te bekijken. Kies DFB-viewer om te bladeren en in te zoomen.
        Commentaar: In dit artikel worden een aantal hypothesen weer eens opgesomd waardoor het lijkt alsof de traditionele opvattingen weer bevestigd worden. Het belangrijkste wat in dit artikel wordt vermeld is dat dit Stuttgarter Psalter afkomstig is uit Frankrijk (St.-Germain-des-Pré, nu een wijk in Parijs). De schijffibula's met een duidelijke kruisvorm willen volgens haar benadrukken dat het waarschijnlijk om Christenen gaat. Gelukkig zet ze er nog het woord 'waarschijnlijk' bij. Als je haar gedachte volgt waren de Vikingen ook Christenen, want op gebruiksvoorwerpen (schilden, broches) van hen zie je ook vaak een kruisvorm.
        Ook de gevonden zwaarden in Nederland en elders komen dan wel globaal overeen met afbeeldingen in dit Psalter, maar welk zwaard lijkt niet op elk ander zwaard? Het bewijst niets over de gebruikers of iets ten gunste van Wijk bij Duurstede. Dat ze het steevast over Dorestad heeft is op zich juist, als ze daar dan maar niet Wijk bij Duurstede onder verstaat. Dat noemt ze overigens ook niet. Is 'het Dorestad' er al zo ingehamerd dat dat niet meer nodig is? Of is hier het eerste sprankje twijfel te bespeuren? De details op de afbeeldingen wijzen juist op verschillen met de vondsten in Wijk bij Duurstede. Zie de voorbeelden hieronder. De door haar genoemde overeenkomsten zijn verre van overtuigend.



        Fibula waarop volgens Annemarieke Willemsen een Christelijk kruis zou staan.

        Een 'Christelijk' kruis op een schild van de Vikingen.

        Gouden Vikingbroche uit Hornelund in Denemarken met een duidelijker 'Christelijk' kruis dan op de broche van Wijk bij Duurstede.


        Detail van het handvest van een zwaard uit het Stuttgarter Psalter. De knop is duidelijk breder dan het handvest.


        Detail van het handvest van een zwaard uit Wijk bij Duurstede. De knop van het handvest lijkt helemaal niet op dat van het Psalter. Het houten handvat is verrot, maar was niet breder dan de knop.

        Het komt er op neer dat de bevindingen van Annemarieke Willemsen geen hout snijden. Voor het verhaal over de broche van Wijk bij Duurstede klik hier.

      10. Vikingring, door Annemarieke Willemsen. (AM. nr.3-2020).
        Een ring gevonden bij Hoogwoud, associëren we als een Vikingring die deze regio vanaf de 9e eeuw als uitvalbasis gebruikten. De ring is uit de 10e/11e eeuw. Met een doorsnede van 25 mm is het vermoedelijke geen vingerring. Dat het om miniatuur-torques zou gaan, suggereert het Portable Antiquities Scheme bij twee soortgelijke zilveren ringen die in Engeland zijn gevonden. Die interpretatie is mijns inziens de enige die alle details van deze ring verklaart. Waarschijnlijk werden ze als hanger gedragen, aan een leren koordje om de hals of aan de riem. De nieuwe Vikingring geeft in ieder geval aan dat we een gevonden ring vaak te snel als een vingerring interpreteren. Ook het kleine gouden ringetje, dat dit jaar in Wijk-bij Duurstede is gevonden, mogelijk uit Dorestad komt en in maart aan de pers werd getoond, is vrijwel zeker geen vingerring.
        Commentaar: Aan de bewoordingen 'associëren', 'waarschijnlijk', 'mijns inziens' en 'interpretatie' is al op te maken dat het slechts om aangenomen opvattingen gaat. Ook hier wordt de term Vikingen onjuist gebruikt waar het over Noormannen gaat. Zie bij Noormannen. Er is geen enkele bewijs dat de Noormannen ooit in Nederland geweest zijn. Wat viel er hier te plunderen in dit moeras- en waddengebied? Meer informatie over deze ring vind je hier. Een ring van dit formaat kan ook als duimring (zie daar) gebruikt zijn.

      11. Utrecht kun je niet begrijpen zonder stegen. (AM. nr.3-2020).
        Stegen uit de tijd van de Romeinen zijn er niet. In de tijd van de Romeinen was er in Utrecht nog sprake van een ongetemde Rijn, die situatie duurde tot de kerstening in de tiende eeuw. In de tiende eeuw kwam Utrecht als handelsstad tot bloei. Het voormalige Castellum werd in 925 de zetel van de bisschop, waarna de welvaart in de stad toenam.
        Commentaar: De bekering heeft zich ingezet. Hier wordt St.Willibrord als bisschop van Utrecht terecht losgelaten. Het jaar 925 zal vervangen moeten worden door 950, zoals ook prof.F.Theuws al eens aangaf. Zie
        F.Theuws

      12. Ambiorix en het ego van zijn beeldhouwer. Colomn van Herman Clerinx. (AM. nr.3-2020).
        Dat archeologie om politieke en nationalistische redenen wordt misbruikt, weten we. Een ware opvatting! Maar dat archeologie soms het ego van een kunstenaar moet aaien, is minder bekend. Het standbeeld van Ambiorix op de Grote Markt van Tongeren levert er echter het bewijs van.
        Om het nieuw ontstane België een identiteit te verschaffen werd in 1866 het standbeeld van Ambiorix te Tongeren opgericht. Eén van die helden was Ambiorix, de aanvoerder van de Eburonen die liefst anderhalf Romeins legioen in de pan had gehakt. Zo iemand schreeuwde om een standbeeld en dus kreeg hij dat in Tongeren, de stad waar volgens de opvattingen van de 19e eeuw Ambiorix had gewoond.
        Maar waar kwam het gezicht van Ambiorix vandaan? Als een soort handtekening had Jules Bertin (een Franse beeldhouwer) op de biceps van Ambiorix een riem met twee medaillons aangebracht, met daarop zijn gezicht en dat van zijn vrouw. Wie goed kijkt, merkt het op. Het zelfportret van Bertin en de kop van Ambiorix lijken verdacht veel op elkaar. Bertin had niet alleen het wetenschappelijke comité te kijken gezet (die wilde als voetstuk geen menhir wat het toch werd); hij had ook zichzelf in het zonnetje geplaatst. Met zijn eigenzinnige interpretatie van een archeologische held streelde Jules Bertin voor eeuwig zijn ego.
        Commentaar: Helaas gaat Clerinxs in zijn Colomn er ook weer van de traditionele opvatting uit dat de Eburonen rond Tongeren woonden. Volgens Julius Caesar woonden de Eburonen tussen Mosa en Renus en daar ligt Tongeren dus niet tussen, als je er de Maas en de Rijn onder verstaat. Het waren echter de Moeze en Schelde in Vlaanderen, immers de Eburonen woonden naast de Menapiërs. En die woonden aan de kust van het Kanaal waar Castellum Menapiorum hun hoofdstad was. Het is wel duidelijk dat dit beeld op de verkeerde plaats staat, net als de beelden van Karel de Grote in Nijmegen, St.Willibrord in Utrecht en St.Bonifatius in Dokkum.

        Overigens wordt de naam Ambiorix door historici onjuist vertaald met 'rijke koning'. Het 'rix' komt van 'rex' wat koning betekent. Echter het Ambio betekent niet 'rijk' maar 'eerzuchtig' of 'veeleisend' of 'begerig naar macht' (denk aan ambitieus), maar kan ook als bijnaam gegeven zijn. De Romeinen hielden wel van bijnamen, vooral om iemand te diskwalificeren. Ambiorix was in de ogen van Julius Caesar een 'eerzuchtige' aanvoerder die hij maar niet kon verslaan en ook niet te pakken kreeg. Of Ambiorix werkelijk bestaan heeft of door Julius Caesar (de enige die hem noemt) verzonnen is om de afslachting van zijn troepen in Gallia te kunnen verantwoorden in Rome, blijft nog nader onderzoek waard. Ook de beschrijving van de veldslag en het terrein zijn dermate vaag, dat daaruit geen conclusies te trekken zijn. Dat deze veldslag zich in België zou hebben voorgedaan is eveneens een onjuist veronderstelling. Dat heeft prof. Thoen wel aangetoond. Caesar is daar nooit geweest. Zie verder bij Julius Caesar. In 57 vóór Chr. vond de opstand van de Belgae plaats. En de Belgae woonden niet in België wat de naam wel sterk veronderstelt (Vergelijkbaar zijn de namen van Frisones voor Friezen en Bataven voor Betuwenaars, of Condrusi voor Condroz -zie hierna). Caesar verslaat hen bij de rivier de Axona (is de Aisne). Onder de stammen waar Caesar tegen streed waren de Bellovaci (Beauvais) en de Ambiani (Amiens) de belangrijkste. Ook de de Suessiones (Soissons), de Nervii (Bavay), de Atrebates (Atrecht), de Morini (Terwaan), de Menapii (Cassel), de Viromandui (St. Quentin), de Atuatuci (Douai), de Condrusi (Escaudoeuvres en niet Condroz) en de Eburones namen deel aan die strijd. De strijd vond overtuigend plaats in Noord-Frankrijk. Het is volstrekt uitgesloten dat de Renus hier genoemd als de Duitse Rijn kan worden opgevat. Zou het ook kunnen zijn dat Caesar de naam Ambiorix bedacht als een koning van de Ambiani waar Caesar toen tegen streed?

      13. Spectaculair Nieuws uit Heerlen. (AM. nr.2-2020).
        Het oudste gebouw van Nederland staat in Heerlen. Het is gebouwd tussen 65 en 73 n.Chr.
        Commentaar: Dus Nijmegen is niet de oudste stad van Nederland. Heerlen was dus eerder een stad compleet met thermen (badgebouw).

      14. Jasjes voor mensenschedels. Colomn van Herman Clerinx. (AM. nr.2-2020).
        In 1106 werd in Keulen tijdens een stads-uitbreiding het terrein rond de Ursulakerk opgegraven. Volgens de overlevering werden daar de heilige maagden van de vrome prinses Ursula vereerd. Een legende vertelde dat zij tijdens de 4e eeuw met elf-duizend maagden een reisje langs de Rijn maakte. Bij Keulen werden ze door ongelovige Hunnen afgeslacht, waarna Gods toorn losbarstte. De Hunnen kregen hun gepaste straf, de elfduizend maagden werden eerbiedig begraven. Boven hun graf bouwde men de Ursulakerk.
        Tijdens hun activiteiten in 1106 stootten de Keulenaars op honderden menselijke beenderen en schedels. Meteen wisten ze het zeker: dit waren de restanten van Ursula en haar maagden! De legende was echt!
        Vandaar de vraag voor archeologen: zijn de schedels echt? Dat was een kolfje naar de hand van Mark Van Strydonck. Hij is de Belgische specialist van de C14-methode, het geëigende middel materiaal te dateren. En wat bleek? Een boel schedels zijn inderdaad Romeins. In 1106 waren ze in Keulen op een Romeins grafveld gestoten, en dat stemde overeen met de eeuw waarin Ursula leefde. Maar in hun enthousiasme waren de Keulenaars toch elke kritische zin kwijtgespeeld: enkele schedels dateren van na het jaar 1000, en een van de 'maagden' was zowaar een man.
        Commentaar: Het betekent opnieuw het einde van een mythe. Ursula en haar elf (11!) maagden (zie de opmerking) lagen hier dus niet begraven.

      15. Dubbele memoires, door Dick Roetman (gepensioneerd bankmedewerker). (AM. nr.1-2020).
        In 1986 zou een casino worden gebouwd, dus namen de archeologen Glenn en toen nog amateur-vrijwillige Jan Thijssen (de latere stads-archeoloog) een kijkje. Tot grote verrassing van iedereen die iets met de oude historie van Nijmegen heeft werd een 80 meter lange Romeinse verdedigingsmuur uit de 4e eeuw n.Chr. aangetroffen. Tot verbijstering en woede van historici is de muur gesloopt ten behoeve van het casino!
        Wat ik van opgravingen leerde was om nooit op te geven en altijd door te graven tot aan de zogenaamde maagdelijke grond en om bij vondsten ervoor te zorgen dat er veel publiciteit zal zijn. Nodig de overheid en schrijvende en filmende pers uit, organiseer open dagen. dan is de kans het grootst dat de vondsten in situ zichtbaar blijven. Dus: niet te snel wat in het openbaar roepen. want als het uiteindelijk loos alarm is (gelukkig hier niet) dan heb je later wat uit te leggen.
        Het Sint Josephhof was een groot parkeerterrein toen de Gemeente besloot dat woon-flats hier gebouwd mochten worden en dat betekende in 2005 de start van een tweejarige opgraving op de plek waar ooit Oppidum Batavorum lag. Ogenschijnlijk was de ongeroerde grond bereikt, maar toch voor alle zekerheid even nog dieper en zie, een platgedrukte kelder uit de 1e eeuw n.Chr . gedateerd door het aardewerk en de locatie. Zorgvuldig wekenlang 'priegelen' leverde zoveel informatie op dat een complete reconstructie mogelijk was. Het Scheidemakershof leverde onder andere een houten Romeinse waterleiding op, duidelijk 1e eeuw n.Chr. vanwege een scherf vuurrode terra sigillata uit Zuid-Frankrijk. Mogelijk liep die naar een locatie die lijkt op een badhuis.
        Commentaar:Hier laat historische Nijmegen zich weer van de slechtste kant zien. Weg met die Romeinse 'rommel'. Overigens is het deze Jan Thijssen die enkele jaren later Nijmegen als oudste stad van Nederland heeft gepresenteerd, wat toen in Nijmegen breed werd geacepteerd en door de eindeloze herhalingen nu algemeen is geworden. De opmerking van Roetman over opgravingen hebben ze in Nijmegen wel goed begrepen, maar helaas gingen ze daar regelmatig mee de mist in. Zie bij Nep in Nijmegen.
        De bevindingen over de St.Josephhof zijn kenmerkend voor archeologisch Nijmegen en Nederland. Men blijft steeds deze locatie het Oppidum Batavorum noemen, ook al is dat nooit aangetoond. Zie bij W.Willems. Als er ergens een Romeinse scherf wordt gevonden, als is het er maar één dan is het hele gebouw Romeins, ook al is het zoals later blijkt 17e eeuws!


      Archeologie magazine 2019


      1. Vikingen in een nieuw jasje. (AM. nr.6-2019).
        In het Fries Museum in Leeuwarden is (was) de tentoonstelling 'Wij Vikingen' te bewonderen. In de tentoonstelling leren we ook dat het woord 'Viking' geen synoniem is voor een Scandinaviër uit de Vroege Middeleeuwen, zoals soms onterecht wordt verondersteld. 'Een Viking is een piraat', aldus Speikhout. 'Viking is in deze historische zienswijze een levensstijl en geen etniciteit. Weliswaar kwamen de eerste en de meeste Vikingen uit Scandinavië, maar ook niet-Scandinaviërs konden zich aansluiten bij een Vikingbende'. Zelfs Nederlanders hebben zich bij de Vikingen aansloten en namen deel aan hun rooftochten. Ook zijn er in het Nederlandse kustgebied muntschatten gevonden evenals sieraden met beeltenissen van de Noorse oppergod Odin. In de tentoonstelling zijn daarnaast zowel wapens van Vikingen als een slachtoffer van hun invallen te zien. Uit recent wetenschappelijk onderzoek blijkt tevens dat er juist door de vele Vikinginvallen in de 9e eeuw sprake was van een lange periode van transitie waarin het heidense geloof plaatsmaakt voor het christendom.
        Commentaar:In dit artikel worden weer een aantal hypothesen en mythen aangehaald en klaarblijkelijk bevestigd. Als eerste moet gesteld worden dat de Vikingen geen Noormannen waren. Zie
        hier voor meer informatie over de Noormannen. Dat er in de Vikingtijd al 'Nederlanders' bestonden is een contradictie, een farce. Over muntschatten zijn uiteraard nog andere verhalen te vertellen. Zie bij Zutphen of de muntschat van Amby. Dat er in de 9e eeuw juist door de Vikingaanvallen een transitie (=structurele verandering) heeft plaats gevonden waarin het heidens geloof plaatsmaakte voor het Christendom, is een volgende hypothetische, dus volkomen onware bewering. Ik ben toch benieuwd welk 'wetenschappelijk onderzoek' hier bedoeld wordt. De enige aantoonbare feiten zijn dat de kloosters aan de westkust van Frankrijk landinwaarts vluchtte met meenemen van hun geschriften. Het betreft de kloosters van Epternacum, Cobie, Werethina en Souastre, die hergesticht werden in respectievelijk Echternach, Korvey, Werden en Susteren (let op de naamsdoublures). De meegnomen geschriften hebben nadien (vanaf de 11e eeuw en beslist niet eerder) geleid tot de vele misverstanden in de historische geografie van westelijk Europa, waardoor o.a. het Germania van Tacitus in de 15e eeuw (ook beslist niet eerder) in Duitsland werd geplaatst. Overigens is van Vikingaanvallen op Nederland nooit enige bewijs gevonden of geleverd, zelfs niet door de meest fantasierijke historici.

      2. Hongerige Noormannen. Vikingen stonden bekend als heftige drinkers, door Charlotte Kleyn. (AM. nr.6-2019).
        'Vikingen waren de piraten van de Noordzee. Moordend, plunderend en rovend maakten ze de Europese kusten onveilig. Ook Frisia, het Nederlandse kustgebied, werd geteisterd door Vikingen. De aanvallen begonnen in het jaar 810, toen Deense Vikingen Frisia aanvielen met een vloot van maar liefst tweehonderd schepen', meldt de website het Fries Museum, waar je tot 15 maart de tentoonstelling "Wij Vikingen" kunt bezoeken. Plunderingen door honger. Van 793 - de eerste bekende aanval, in Lindisfarne in Noordoost-Engeland - tot het eind van de 11" eeuw verlieten de Vikingen huis en haard om Europese dorpen, steden en kloosters leeg te roven en de bevolking uit te moorden. Vooral de bewoners in de gebieden van huidig Engeland, Ierland, Noord-Frankrijk en Duitsland moesten het ontgelden. Er bestaan verschillende theorieën over de reden waarom deze Noormannen op rooftocht gingen: om politieke motieven gericht tegen Karel de Grote; een tekort aan huwbare vrouwen of... landbouw-gronden in Scandinavië die niet genoeg opleverden, waardoor men gedwongen was elders naar voedsel te zoeken. Toen het vanaf de 10e eeuw warmer werd (periode die bekend staat als de middeleeuwse warme periode) werden de plunderingen schaarser, want men kon zelf weer voldoende eten produceren. Wellicht speelde honger dus een rol in de plunderingen. In elk geval honger naar goud en macht.
        Commentaar: We geven hier een wat uitgebreider citaat van de tekst en dito commentaar om de onwaarheid en de non-logica van dit hele verhaal aan te tonen. Zie ook het vorige citaat. Allereerst wordt ook in dit artikel de benamingen Noormannen en Vikingen weer door elkaar gebruikt. Het was niet dezelfde bevolkingsgroep. In de klassieke bronnen worden nergens Vikingen genoemd. Daar gaat het steeds over Northimanni en de mark van de Dani (waar Denemarken de onjuiste naam aan dankt). Dat het Nederlandse kustgebied werd geteisterd is een nooit bewezen opvatting. Het wordt in de opsomming van de landen ook terecht niet genoemd. Overigens is van plundertochten in Duitsland ook nooit sprake geweest. Het in de teksten genoemde Colonia was niet Keulen, maar Coulogne aan de Franse kust vlak bij Calais (dat toen nog niet bestond). Het genoemde Frisia was niet Nederlands Friesland, maar de kust van Vlaanderen waar het oude Frisia lag. De aanvallen begonnen ook niet in 810, maar al de 6e eeuw. De eerste vermeldingen in Franse Kronieken waren in het jaar 520 waarin plunderingen genoemd worden van 'mannen uit het noorden' die nadien de verzamelnaam Northimanni of Dani kregen. Bij dat 'noorden' moet men echter de west-orientatie toepassen.
        Over de genoemde redenen van die plundertochten bestaan zoals vermeld meerdere theorieën, maar wat hier genoemd wordt is complete onzin. Dat de Noormannen ook wel eten hebben geroofd zal beslist waar zijn, maar ze zullen dat nooit helemaal meegenomen hebben naar Zweden of Noorwegen bij gebrek aan een koelkast. Uit de schriftelijke bronnen blijkt vooral dat zij kloosters plunderden omdat daar goud en zilver (van kerkelijke voorwerpen) te roven was. En dat kun je niet eten, maar evenmin gebruiken om je boodschappen mee te betalen. Dat de plunderingen schaarser werden kwam doordat de Noormannen een eigen gebied kregen (Normandië!!, een eigen gebied ga je toch niet plunderen?) en de westelijke machthebbers de verdediging steeds beter hadden georganiseerd. Opvallend blijft ook dat van die zogenaamde geplunderde kostbaarheden niets is teruggevonden in Scandinavië, ook niet in Hedeby of Birka. Er werd wel handel gedreven. Daardoor zijn er in Scandinavië veel Arabische munten terecht gekomen en nauwelijks munten uit het rijk van de Franken.
        Als je dit verhaal van Charlotte Kleyn moet geloven, vestigden de Vikingen zich op Groenland en verbouwden er gerst. Veel gekker kun je het niet bedenken. Waarom hebben de Inuit dan geen blond haar en blauwe ogen?


      3. Het wagengraf dat niet kan bestaan, door Herman Clerinx. (AM. nr.6-2019).
        In Vinkovcl, het oosten van Kroatië, was een wagengraf uit de Romeinse tijd opgespoord. Wat zeg je? Een Romeins wagengraf? Zoiets bestaat toch niet! Klopt, zoiets kenden we nog niet. Maar de feiten vallen niet te negeren. het betrof een graf uit de 3e eeuw na Christus. Hartje Romeinse tijd. In een houten grafkamer lag een tweewielige strijdwagen. Pal voor de wagen rustte het skelet van een paard, naast de wagen bevond zich een tweede skelet. Waarschijnlijk waren de trekdieren speciaal voor de begraving gedood. Het graf situeerde zich naast de hoofdweg tussen Italië, de Balkan en Klein-Azië. Dat zal geen toeval zijn: rijke Romeinen plaatsten hun overledenen goed zichtbaar naast een verkeersader. Maar waarom in dit geval werd teruggegrepen naar een grafritueel dat al enkele eeuwen was uitgestorven, blijft een mysterie. Misschien had het te maken met de politieke strubbelingen uit de 3e eeuw, toen in Rome ongeveer elk jaar iemand anders tot keizer werd uitgeroepen? Misschien voelde men zich niet meer veilig, en gaf men daarom opnieuw de voorkeur aan oude gewoontes? Wie zal het zeggen? Dit klinkt als een geloofwaardige hypothese, maar meer dan dat is het niet. Voorlopig weten we slechts één ding zeker: door het Romeinse wagengraf van Vinkovci mogen archeologen hun handboeken herschrijven.
        Commentaar: de conclusie van Clerinx is wel duidelijke. Archeologische Handboeken dienen herschreven te worden. Dat herschrijven zal op meerdere terreinen ook moet gebeuren. Zie deze hele website. Wat dat betreft heeft de historische wereld nog aardig wat te doen.

      4. Het gat in de Limes, door Joost Vermeulen. (AM. nr.5-2019).
        Het zwakste en moeilijkst te verdedigen deel van de totale Limes lag in het zuidwesten van het huidige Duitsland. Tussen Rijn en Donau bevond zich namelijk een zwaar bebost , heuvelachtig gebied. Niet alleen ontbraken daar de natuurlijke barrières (rivieren, heuvelruggen), de natuurlijke gesteldheid van het terrein bood aan vijandelijke stammen een uitgelezen mogelijkheid om, ongezien, diep te kunnen doordringen in het Romeinse Rijk. Iets wat in de eerste eeuw dan ook herhaaldelijk gebeurde.
        Commentaar: Hier maakt Vermeulen drie beoordelingsfouten. 1. De Romeinen waren over de Rijn en Donau al jaren actief. De bekende Deutsche Limesstrasse tussen Aken en Regensburg bevestigt dit. Ook heeft onderzoek aangetoond dat er talloze houten wachttorens juist in dit gebied hebben gestaan. 2. Ook de Romeinse weg tussen tussen Augusta Ruracum (Kaiseraugst-CH) en Reginum (Regensburg) lag voor het grootste deel ten noorden van de Donau. De Romeinen waren dus aanwezig in dit gebied 3. Van invallen van Germaanse stammen in die uithoek is weinig tot niets bekend. In de traditionele opvattingen worden daar geen volkeren genoemd. De Chatten, Tencteren en Mattiaci verbleven ten noorden van de Main. Van de Marringi en Varisii of Naristii die daar zouden wonen, zijn geen invallen bekend. Overigens woonden de Alamannen in Noord-Frankrijk ten oosten van de beide Germania's in de streek tussen de Ardennen en Straatsburg. Zij vielen dan wel Gallia binnen, maar niet vanuit Duitsland, maar vanuit de streek bij Straatsburg. Daarmee blijkt Gallia beperkter te zijn geweest dan het huidige Frankrijk.

      5. Paleis van een ruiter, door Herman Clerinx. (AM. nr.4-2019).
        In een lezing van Xavier Delamare die Clerinx bijwoonde werd Echternach genoemd. De oudste geschreven vorm die we daarvan terugvinden dateert uit de 7e eeuw en luidt Epternacus. Delamare herleidt dat tot Epo-tarino-s. Betekenis: 'wie te paard vooruitstormt' of 'ruiter-speerdrager'. We herkennen daarin epos, Gallisch voor 'paard'. Te mooi om waar te zijn? Sinds decennia weten we dat in de villa van Echternach paarden werden gefokt. Nu blijkt dat de plaatsnaam taalkundig verband houdt met paarden. Delamare geloofde niet in toeval. Maar zekerheid bezat hij helaas niet.
        Commentaar: Zo ontstaan weer nieuwe mythen op grond van speculaties en allerlei veronderstellingen. De oudste vorm 'Epternacus' heeft geen betrekking op Echternach maar op Eperlecques, oorspronkelijk gespeld als Aefterlacum (= 'nabij het meer', dat het Alechmere-Almere was). Aefternacum, door de oorkonden van Eperlecques talloze malen in verband met de Batua genoemd, is Eperlecques, op 10 km noord-west van St. Omaars en op 7 km oost van Tournehem. Het klooster van Echternach is in 973 als een nieuw klooster gesticht. Zie verder bij Echternach.

      6. Een Romeinse ruiterhelm, nieuw licht op een oude vondst, door Jasper de Bruin. (AM. nr.4-2019).
        Het Romeinse fort Fectio is vermoedelijk al rond het begin van de jaartelling gesticht. Recent ging men er nog vanuit dat helm en masker bij elkaar horen. Toch zijn daar geen aanwijzingen voor, Met wat knip- en plakwerk komt er dan een heel mooi resultaat uit.
        Commentaar: Dat is het grote probleem in Romeins Nederland: het hangt met teveel knip- en plakwerk aan elkaar vast. Zo wordt de naam Fectio geplakt op de naam Fletione die op de Peutingerkaart staat. Maar dat zijn twee verschillende plaatsen. Zie verder bij Fletione.

      7. Het ware paradijs, door Tom Buijtendorp. (AM. nr.4-2019).
        In een uitvoerig artikel over 'de zoektocht door 3 continenten' naar het paradijs, komt Buijtendorp zelf al tot de volgende conclusie: Voor geen van de besproken zienswijzen valt overigens wetenschappelijk bewijs te leveren. Dat het paradijsverhaal een ergens in Mesopotamië speldende mythe is, blijft daarom een zeer goede mogelijkheid. Maar ook daarvoor ontbreken harde bewijzen.
        Commentaar: Ook hier laat Buijtendorp zijn fantasie de volle loop. Hetzelfde doet hij in zijn boeken over Julius Caesar en het jaar 117. Zie verder bij Caesar in de Lage Landen en het jaar 117.

      8. Tachtig crematiegraven, door Dick Roetman. (AM. nr.3-2019).
        In Huissen was in de 1e en 2e eeuw n.Chr. sprake van een welvarende woongemeenschap van Romeins georiënteerde bewoners. Misschien leefden er ook gepensioneerde Romeinse soldaten. Er was sprake van een burgerlijke bewoning, geen militaire aanwezigheid.
        Commentaar: Albert Delahaye sprak al over veteranen die in de Betuwe verbleven. Dit past precies in de visie van Albert Delahaye die er de 'Agri Decumates' plaatst. In hoeverre is Huissen (ooit voorgesteld als Castra Herculis) als Romeinse legerplaats nog vol te houden? Omtrent de ligging van de genoemde castella (Maurik, Kesteren, Opheusden, Driel, Huissen/Loowaard en Herwen) bestaan alleen op bodemvondsten gegronde vermoedens. Van de castella zelf heeft men ter plaatse nog nauwelijks enig spoor gevonden. (Bron: J.H.Verhagen in J.H.Verhagen, prehistorie en vroegste geschiedenis van West-Brabant, Waalre, 1984). Zijn die sinds 1984 wel gevonden?

      9. Ook vroegmiddeleeuwse sporen in de Utrechtse wijk Zuilen, door Joost Vermeulen. (AM. nr.3-2019).
        Op de oever van de Vecht gelegen zijn nederzettingen uit de 7e-8e eeuw en uit de 10e eeuw tot en met de 12e eeuw aangetroffen. Dit is het eerste archeologische bewijs dat er al in de vroege Middeleeuwen mensen in dit gebied langs de Vecht hebben gewoond. De aangetroffen bewoningssporen uit de 7e-8e eeuw bestaan uit grondplannen van tenminste drie grote boerderijen. Den Braven denkt... meer dan zomaar een paar huizen. verder zijn er honderden stukken aardewerk, dierenbotten,metalen voorwerpen en tientallen houten palen gevonden.
        Commentaar: Het eerste archeologische bewijs! Dus alles wat er voordien beweerd werd was nergens op gebaseerd. De vraag die onbeantwoord blijft is op welke gronden kwam men tot de wel ruime datering 7e-8e eeuw? Deze wordt ook hier weer meteen aan het verblijf van St.Willibrord in Utrecht gekoppeld. Afwachten is het op de nog te verschijnen basisrapportage van de gemeente Utrecht.

      10. 1000 jaar graafschap Loon. (AM. nr.3-2019).
        De geschiedenis van het graafschap Loon is heel apart en zelfs bij Belgen nauwelijks bekend. Het graafschap dat wat territorium overeenkomt met het huidige Belgisch Limburg behoorde vanaf het ontstaan in de 11e eeuw tot 1795 niet tot de Nederlanden maar tot het Duitse Rijk door een leenband was het verbonden met de Duitse keizer en de prins-bisschop van Luik. De geschiedenis van het graafschap Loon gaat terug tot 1008. Het graafschap is genoemd naar de stamburcht die in het huidige Borgloon stond. 'De oudst zekere vermelding van iemand uit het Loonse gravengeslacht is het grafschrift van prins-bisschop Balderic II van Luik: Zijn episcopaat duurde van 1008 tot 1018.
        Ook uit Loon afkomstig was Hendrik van Veldeke (voor 1150 - tussen 1184 en 1200), de eerste schrijver in het Nederlands. Van Veldeke was een geestelijke. Hij schreef ook in het Duits en was lange tijd verbonden aan het hof van Thüringen. 'Hij wordt in Duitsland gezien als de eerste van de Duitse dichters. 'Het is merkwaardig dat de oudste getuigenissen van het Nederlands onder meer in Bilzen en het naburige Alden Biesen zijn geschreven. In 1130, iets later dan het bekende 'ebban alla vogala' (ca. 1090), is in dezelfde abdij van Munsterbilzen een zin toegevoegd in Oud-Nederlands onder het Mattheus-evangelie van een uit Augsburg afkomstig evangelarium uit het begin van de 9e eeuw: Auteur Ad van Schaik maakt in dit artikel enkele gebruikelijke fouten en noemt meerdere onjuistheden. Het geslacht Van Loon bestaat al langer dan uit het jaar 1008 en is afkomstig uit Frans-Vlaanderen en wel van St.Omaars. Het geslacht Van Loon geeft aan dat het om Frankrijk gaat. Het geslacht Van Loon kwam uit Frans-Vlaanderen. Imago, de dochter van Gerard van Loon, was gehuwd met Willem, kastelein (drossaard) van St.-Omaars. Na de dood van haar man heeft zij zich teruggetrokken in de abdij van Susteren. Wat Van Schaik noemt over Hendrik van de Veldeke als eerste schrijver in het Nederlands, moet zijn 'schrijver in het Diets'. Diets was niet Duits maar was het middennederlands, de taal van Frans-Vlaanderen, die overeenkomsten had met het 'Saksisch' van St.Willibrord. Vandaar dat deze prediker zich ook verstaanbaar kon maken in Frans-Vlaanderen, waar de Friezen woonden. Het hof van Thüringen dat Van Schaik noemt was het hof van Thoringia dat Doornik was. Lees meer over Thoringia.

      11. Het raadsel van Romeinse munten, door Tessa de Groot en Jan-Willem de Kort. (AM. nr.3-2019).
        Bij het dorp Berlicum werden munten gevonden met een dikke korst er omheen. Dit wijst erop dat deze plek ooit zeer nat was. De oudste munt kwam uit het jaar 90 voor onze jaartelling. Andere munten uit de tijd van 69 tot 79 n.Chr. en uit de jaren 161 tot 180. Hoe de gevonden geldstukken ooit in de grond terecht zijn gekomen is een nog op te lossen vraag.
        Commentaar: Uit deze vondst van munten uit zo'n lange periode (ruim 270 jaar) blijkt dat munten vele generaties kunnen meegaan, ook al zijn ze niet bij elkaar in een schat gevonden. Een precieze datering levert grote problemen op. Ze zijn in elk geval niet aan een specifiek gebeurtenis te koppelen, wat archeologen en historici bij andere muntvondsten wat al te voorbarig doen.

      12. Munten uit Sittard geven Caesar gelijk, door Herman Clerinx. (AM. nr.2-2019).
        Twee muntschatten uit Sittard-Graetheide moeten dateren uit het midden van de eerste eeuw v.Chr. pal tijdens de Gallische oorlog toen Julius Caesar onze gebieden kwam veroveren.
        Commentaar: Ook bij deze muntschat kunnen weer de gebruikelijke vragen gesteld worden. 1. Door wie? 2. Wanneer? en 3. Waarom is deze schat verborgen? Zolang deze vragen niet met feiten worden beantwoord blijft het bij speculaties.
        Ook al worden de munten gedateerd halverwege de 1e eeuw v.Chr. (wat een hypothese is) dan zijn ze niet aan de veldtochten van Julius Caesar te koppelen. Deze munten worden ook steevast aan de Eburonen gekoppeld, maar die woonden niet in Limburg maar in Frans-Vlaanderen. De Eburonen waren de buren van de Nervii (Bavay) en de Atuaci (Douai). Zie bij de muntschat van Amby. De aanwezigheid van Caesar in Nederland is nog steeds een onbewezen mythe. Als er van Caesar en zijn troepen in heel België al nooit iets gevonden is, dan is zijn aanwezigheid in Nederland een volslagen fabel.


      13. Lent was al in de oudheid bewoond, deel 2. (AM. nr.1-2019).
        Vaak moesten de bewoners wel maken dat ze wegkwamen als de Waal overstroomde.
        Commentaar: Overstromingen in de Betuwe (en laag-Nederland) blijken van alle tijden te zijn.


      Archeologie magazine 2018


      1. De Rotterdamsebaan in Den Haag. (AM. nr.6-2018).
        Enkele artikelen in deze AM zijn gewijd aan opgravingen op de Rotterdamse baan. De vondsten liegen er niet om lezen we: prachtige overblijfselen uit de Romeinse tijd en de Late Middeleeuwen. Aan het eind van de 13e eeuw is er weer volop activiteit in dit gebied. Er zijn vooral resten uit de 14e eeuw en later gevonden. Ockenburg wordt genoemd als een belangrijke vindplaats van Romeins. Na de Romeinse tijd was het terrein in de Vlietzone ongeveer duizend jaar onbewoond. In de 4e eeuw wordt het terrein verlaten en pas aan het eind van de 13e eeuw zijn er weer activiteiten (drie grote erven). Het is goed mogelijk dat er vanuit Forum Hadriani een weg heeft gelopen naar de Romeinse vindplaats.
        Commentaar: Ziet U ook hier weer het gat tussen de Romeinse tijd en de zelfs Late Middeleeuwen (13e eeuw!). Jammer dat die weg nooit gevonden is en ook niet op de Peutingerkaart staat! Ging het wel over Nederland op die kaart?

        De landschapsinrichting van de omgeving van de Rotterdamsebaan in Den Haag is vanaf de Romeinse tijd (vanaf de tweede helft van de 2e eeuw) tot op heden gelijk gebleven. In de Romeinse tijd werd in de 1e eeuw na Christus het terrein voor het eerst ontgonnen. In de 4e eeuw wordt het terrein verlaten en pas aan het eind van de 13e eeuw zijn er weer activiteiten binnen het gebied. (AM nr.6, 2018).
        Ook in de omgeving van Den Haag (en waar niet in Nederland?) ziet men 'het gat' in de geschiedenis van Nederland tussen de Romeinse tijd en de late Middeleeuwen, hier zelfs de 13de eeuw.

      2. Lent was al in de oudheid bewoond, deel 1. (AM. nr.6-2018).
        In Lent (aan de overkant van Nijmegen) zijn 50 inhumaniegraven en 19 crematiebijzettingen gevonden. Of het Merovingisch is wordt nog getwijfeld.
        Commentaar: Deze graven zijn dus niet in Nijmegen gevonden, maar worden in Nijmegen wel gebruikt om haar geschiedenis mee te bewijzen. Zie bij
        Nijmegen. Ook spreekt men hier terecht niet over 'graven van Bataven'.

      3. In AM. nr. 5-2018 is de special gewijd aan Stonehenge. Uit dit artikel blijkt dat naarmate het onderzoek over dit pre-historisch monument vorderde er nieuwe inzichten ontstonden. Zo zijn er ook nieuwe inzichten ontstaan over de geschiedenis van de Nederlanden in het eerste Millennium, maar die worden, in tegenstelling tot die van Stonehenge, niet geaccepteerd door de gevestigde wetenschap.

      4. Romeinse legerpost in Krommenie. (AM. nr.5-2018).
        In Krommenie het Provily sportpark werden in 1964 stukken aardewerk, resten hout en tientallen stenen slingerkogels ontdekt. Amateurarcheologen hebben wekenlang het terrein onderzocht. Zij concludeerden na afloop van hun onderzoek dat er wellicht een vierkant houten gebouw had gestaan en die resten hout zouden onderdeel kunnen zijn van een omheining. En de datering? Het zou Romeins kunnen zijn. In een van hun publicaties werd zelfs de eerste helft van de eerste eeuw gesuggereerd. Ondanks deze vondsten zag de professionele archeologische wereld toen echter. geen aanleiding voor verder onderzoek.
        Commentaar: Typisch voorbeeld van de hooghartige professionele wereld!
        Vorig jaar (2017) werd het archeologisch bureau Argos ingeschakeld en al vlug bleek dat de amateurs uit 1964 volledig gelijk kregen. Mogelijk geeft de komende tijd meer uitsluitsel of het hier echt om een Romeinse legerpost gaat of om een versterking die de lokale bevolking heeft gebouwd.

      5. Nieuwe Romeinse vondsten in Valkenburg ZH. (AM. nr.5-2018).
        In Valkenburg (Gemeente Katwijk) is een stuk Romeinse weg uit de tweede eeuw na Christus opgegraven, samen met een grafveld, huisplattegronden en een grachtensysteem. 'Hiermee wordt onze kennis van de bewoningsgeschiedenis van dit gebied flink uitgebreid', aldus archeoloog Jeroen Loopik van ADC Archeoprojecten. Er is nauwelijks inheems aardewerk opgegraven: 'Het is allemaal Romeins importaardewerk'. Een grachtensysteem dat mogelijk diende als afwatering.
        Commentaar: Op welke wijze die kennis werd uitgebreid wordt in dit artikel helaas niet vermeld. Die weg gaat natuurlijk weer een bevestiging vormen van eerdere hypothesen. Dat die pas uit de tweede eeuw is, wordt niet al te nadrukkelijk vermeld, wat natuurlijk wel consequenties heeft voor de continuïteit in de Romeinse aanwezigheid in Nederland!

      6. Grafveld door de eeuwen heen. (AM. nr.5-2018).
        Ook in dit artikel van Dick Roetman gaat het over Nijmegen, dat door hem nu Ulpia Noviomagus wordt genoemd. Er zijn 77 inhumatiegraven en 17 crematiegraven gevonden. Daartussen een graf 'dat er niet hoorde', namelijk een graf met een klokbeker. Klokbekers kwamen voor van 2500 tot 2000 v.Chr. Roetman concludeert: 'De Romeinen moeten dit graf in de 3e eeuw wel gezien hebben. Ongetwijfeld een grafheuveltje, dat door hen is gerespecteerd en ongemoeid is gelaten'.
        Commentaar: Een graf uit een andere tijd dan verwacht, kan ook betekenen dat begraafplaatsen over langere perioden werden gebruikt. Met de dateringen, zeker van grafgiften, is het dus uiterst oppassen. Een klokbeker in een 'Romeins' graf is zo'n voorbeeld.

      7. Romeinse weg opgegraven bij Katwijk (AoL.sept.2018).
        Tijdens voorbereidende werkzaamheden voor de Rijnlandroute tussen Katwijk en Leiden, troffen archeologen bij Katwijk een stuk van een Romeinse weg en een Romeinse nederzetting aan. De vondsten dateren uit 125 na Christus, en verkeren in bijzonder goede staat. Zie opmerking bij de Romeinse weg bij Houten.

      8. Was Julius Caesar ooit in onze streken? (AM. nr.4-2018).
        Boekrecentie door Joost Vermeulen.
        Commentaar: Hoewel onder een recentie een kritische bespreking wordt verstaan, is dat hier allerminst het geval. Joost meent dat aan de langdurige twijfel (gesteld in de vraag) nu definitief een einde is gekomen. Voor hem lijkt zelf de opvatting van archeoloog prof. H.Thoen die in België nooit een spoor van Julius Caesar of zijn legers heeft gevonden, niet langer houdbaar. Het 'vrijwel zekere bewijs' dat Joost noemt (let op het woord 'vrijwel'), kan ik nergens vinden. Ik vraag me dan ook in alle oprechtheid af 'Hoe kritisch heeft Joost dit boek gelezen?'
        Voor een echte kritische recentie kunnen we verwijzen naar Caesar in de Lage Landen (zie daar).

      9. Afdalen in Nijmegen centrum. (AM. nr.4-2018).
        Weer een artikel van Dick Roetman over de archeologie van Nijmegen waarmee hij zich heel intensief bezig houdt. Het geeft mooie inkijkjes in de werkwijze en de opvattingen over de vondsten.
        Commentaar: Enkele opmerkingen in dit artikel springen toch wel in het oog, zoals: er zijn liefst 12 historische lagen opgegraven, van boven naar beneden: sporen Tweede Wereldoorlog, bewoningslagen 19e tot 14e eeuw, diverse stegen (gassen), poorten, stadwallen 16e tot 13e eeuw, Romeinse tijd en ouder'. Aldus de letterlijke tekst uit het artikel. Ziet U ook het gat tussen de 13e eeuw en de Romeinse tijd? Verder wordt geschreven dat op een diepte van 3 ½ meter over een lengte van zo'n 16 meter een Romeinse secundaire weg. Munten en mantelspelden bevestigen de oudste datering: 1e eeuw n.Chr. In de lagen erboven hadden de archeologen al eerder een straatje aangetroffen, het Scheidemakersgas met bakstenen funderingen van huizen uit de 14e eeuw. Dus hier ook weer dat gat, nu van zelfs 13 eeuwen. Verder noemt Roetman nog 'de wal van Gorissen', de stadsomwalling waarvan Gorissen beweerde dat de eerste aarden verdedigingswal omstreeks 1200 werd opgericht en de tweede in 1230/1235. Duidelijk hier is ook weer dat de geschiedenis van Nijmegen na de Romeinse tijd pas in de 13e eeuw weer opkwam. Dat werd al eerder aangegeven door mededeling van het (voormalig) Nijmeegs museum Commanderie van St.Jan (nu museum Het Valkhof) in 'Het Bronnenboek', waarin te lezen is dat Nijmegen (en ik citeer) "als stad ten onder is gegaan aan het eind van de derde eeuw en er pas in de 13e eeuw weer een nederzetting van enige omvang was".
        Het mag duidelijk zijn: de archeologie van Nijmegen spreekt duidelijke taal: na de Romeinse tijd begint de geschiedenis weer in de 13e eeuw.
        Over de Merovingische of Karolingische tijd GEEN WOORD. Ook in dit artikel niet.
        Nijmeegse oudste stad van Nederland? Daar is helemaal geen sprake van met een gat van bijna 10 eeuwen in de bewoningsgeschiedenis.


      10. Tropaeum Traiani. (AM. nr.4-2018).
        Hoewel dit artikel niet over Nederland gaat willen we er toch wel het volgende uit vermelden. Het sluit wel aan bij de opvattingen van Nijmegen, immers van keizer Traianus zou Nijmegen stadsrechten hebben gekregen tijdens zijn persoonlijke aanwezigheid in Nijmegen. Maar wat blijkt uit dit artikel? In de jaren tussen 100 en 107 was deze keizer in Dacië oorlog aan het voeren. Hij was daar persoonlijk aanwezig toen zijn troepen over de Donau trokken.
        En aangezien deze keizer geen heilige was is bilocatie, wat alleen aan zeer heilige personen is voorbehouden, uitgesloten. Als hij in Dacië was, dan was hij tussen 100 en 107 niet in Nijmegen. De Romeinse nederzetting Traianenses Tropaeenses (in Roemenië) die tijdens de regeerperiode van Traianus tot stand kwam, bleef tot het begin van de 6e eeuw functioneren.
        Wel opvallend is dat deze plaats die nu Adamclisi is, als zodanig niet op de Peutingerkaart staat. Er loopt ook geen weg die op de Peutingerkaart staat naar toe. Vandaar dat er toch twijfels bestaan in deze herbouw, zoals het er nu bijstaat!

      11. De Via Belgica wijst de weg in Romeins Zuid-Limburg. (AM. nr.3-2018).
        De weg zelf is niet meer zichtbaar. Met de unieke navigatie-app is het een toeristisch product geworden.
        Commentaar: ook hier wordt het toerisme boven de historische werkelijkheid gesteld.

      12. Opgraving met chirurgische precisie, door Dick Roetman. (AM. nr.3-2018).
        Ook in deze magazine komen de memoires van deze amateur-archeoloog (zoals hij zichzelf noemt) ter sprake. Enkele citaten:
        1. Het is een aantrekkelijk idee dat beroemde generaals als Drusus, Tiberius en Germanicus vanuit deze locatie leiding gaven aan hun veroveringstochten.
        2. In 30/40 n.Chr. werd een ruitereenheid op Kops Plateau gestationeerd en werd na de Batavenopstand van 69-70 n.Chr. deze locaties opgeheven.
        3. Een 1e eeuw grafveld bevatte schamele crematieresten, waarvan twee van een vrouw. Er zijn geen mantelspelden aangetroffen. De 11 crematiegraven dateren uit de periode grofweg 70-105/110 n.Chr., dus niemand uit de bezettingsperiode op het Kops Plateau (12v.Chr.-70 n.Chr.)
        4. Van de gevonden 16 munten waren er 9 van vóór de Batavenopstand uit 69/70 n.Chr. (Dus 5 van na die opstand, maar dat vermeldt Roetman niet.)
        5. De zandheuvel Hengstberg is in allerlei perioden in gebruik geweest. Resultaten zijn gevonden van Laat Paleolitjicum, bronstijd/ijzertijd, Romeinse tijd, bezetting door Franse legers in 1794 en door Duitsers en geallieerden in de Tweede Wereldoorlog.
        Commentaar: Het aantrekkelijke idee dat Rietman noemt is de wijze waarop men in Nijmegen haar geschiedenis vaststelt. Het zijn slechts aantrekkelijke ideeën. Ziet U ook hier weer het gat van Nijmegen en wel tussen de Romeinse tijd en de 18e eeuw.

      13. Lopen door de straten van Forum Hadriane (AM. nr.2-2018).
        In deze special komen de traditionele opvattingen over Forum Hadriani weer eens uitgebreid voor het voetlicht. We verwijzen daarvoor allereerst naar Foro Adriani waar de ware toedracht beschreven wordt.
        Commentaar:Nu moet goed begrepen worden dat de Romeinse aanwezigheid en vondsten allerminst worden ontkent. Wel de naam van deze Romeinse plaats. Die steunt vooral op de Peutingerkaart (zie daar), waarop overigens niet Forum Hadriani staat, maar foro adriani (zonder H en zonder hoofdletters). Het artikel blijkt wat de literatuur betreft, naast op de traditie vooral op de boeken van Tom Buijtendorp te steunen.
        Door Buijtendorp worden vergelijkbare bewijzen geven als in zijn boek over Caesar in de Lage Landen (zie daar). Er wordt een heleboel beweerd maar niets bewezen, ook al noemt men de klassieke schrijvers als Tacitus, Suetonius en Cassius Dio. Het is een vergelijkbaar verhaal als men in Keulen hanteert met de letters CCAA wat Colonia Claudia Ara Agrippinensium zou betekenen. Die mythe heb ik doorgeprikt met artikelen in SEMafoor nr.4 jrg.18 en nr.2 jrg.19.


      14. Ook bij Forum Hadriani blijkt het enige bewijs van de naam gebaseerd te zijn op de Peutingerkaart. Wat Tacitus en de andere klassieke schrijvers (waarnaar Buijtendorp verwijst) ook schrijven, toch blijkt ook bij Buijtendorp het uitgangspunt te zijn dat de Ubiërs bij Keulen woonden. Dat uitgangspunt is onjuist aangezien de Ubiërs de buren van de Sueben waren, die volgens Caesar niet ver van de zee woonden waarin de Renus uitmondt. Als men voor Renus de Rijn wil houden (maar het is de Schelde (zie daar), dan woonden de Sueben dus bij Katwijk. En dan kun je de bewoners van Keulen toch moeilijk 'de buren' noemen! Het voorgaande wordt verder bevestigt doordat naast de Sueben de Menapiërs (is Keltisch en betekent 'kustbewoners') woonden. En de Menapiërs woonden in Frans-Vlaanderen, waar Cassel (castellum menapiorum) immers hun hoofdstad was.
        Zo zitten de mythen in elkaar. Als men nu de klassieke schrijvers eens kritisch zou lezen en niet meteen zou spreken 'dat de schrijver zich hier vergist heeft', dan zou de ware kijk vanzelf op tafel komen. Niet de klassieke schrijvers hebben zich vergist, maar de latere historici die hun teksten op de verkeerde plaatsen toepasten. En dat ze daar niet passen geeft precies aan dat men dan elders moet zoeken. En dat is precies wat Albert Delahaye (en anderen) gedaan heeft.

      15. Het keerpunt Dokkum (AM. nr.1-2018).
        In deze special komt de mythe van St.Bonifatius en Dokkum weer volop aan de orde. Zie daarvoor ook het hoofdstuk over Bonifatius waar veel van de mythe wordt besproken.
        In dit artikel worden aan de traditionele opvattingen nog enkele mythen aan toegevoegd. Zo zou Dokkum al in 248 door hertog Obbo van Friesland zijn gesticht. Dat jaartal is echter verzonnen, wordt er aan toegevoegd. Over de hertog Obbo echter geen woord. Heeft die nu wel of niet bestaan? En met muntjes van Duitse machthebbers uit de 11e eeuw bewijs je ook niets over de 8e eeuw. Dat er Doccuga op staat geeft ook niet aan dat het om Dokkum zou gaan. Dan moet er bewezen worden dat Dokkum in de 11e eeuw een eigen muntatelier had. En zolang dat niet bewezen is, blijft ook dit een mythe.
        Directeur Dragt van het museum in Dokkum vindt Bonifatius trouwens geen martelaar, 'want hij kwam niet alleen voor het geloof naar Dokkum' beweert hij. 'In ieder geval werd Bonifatius na zijn dood in talrijke levensbeschrijvingen veel mooier en heiliger voorgesteld dan hij in werkelijkheid was', zegt de museumdirecteur. En wat Dokkum zelf betreft, het was in die tijd niet meer dan een terpje bij een doorwaadbare plaats. Door de moord zou het uitgroeien tot een religieus centrum en bedevaartsoord. Toch zou de moord in 754 op de markt voor de grote of St.Martinuskerk plaats gevonden hebben. Op dat terpje? En dat terwijl de oudste bronnen over die moord niet de plaats noemen, maar de pagus Dockynchirica, wat de streek van Dunkerque (Duinkerke) is en zeker niet het niet bestaande Dokkum. En over een religieus centrum of een bedevaartsoord dat Dokkum geweest zou zijn is in de kerkgeschiedenis van Nederland niets gebleken. Pas in de 19e eeuw werd Dokkum als moordplaats wat bekender.
        Als museumdirecteur al zoveel twijfel uit, zou het aan te bevelen zijn dat hij eens uitzoekt wanneer Dokkum een religieus centrum en bedevaartsoord werd. Dat gebeurde pas in de 19e eeuw, waarmee het ontstaan van de mythe precies wordt aangegeven. Dat de St.Bonifatiuskerk uit 1872 stamt en het St.Bonifatiusbeeld pas in 1962 door (de protestantse, red.) prinses Beatrix werd onthuld wordt dan wel vermeld, maar er worden geen conclusies uit getrokken.
        Zo blijven de mythen bestaan, aangezien men geen historisch onderzoek doet of wenst te doen. Ook hier viert het toerisme hoogtij, reden waarom de welvaart van Dokkum in de 17e eeuw nog eens wordt genoemd en geroemd. Zie verder bij Dokkum.

      16. Op zoek naar Oppidum Batavorum (AM. nr.1-2018).
        Hoewel dit vermeende oppidum elders (zie daar) uitvoerig is besproken, moet het toch weer de aandacht krijgen. Het is zo'n mythe die maar blijft rondzingen in historisch Nederland en in Nijmegen, ook in dit artikel van Dick Roetman. Hij blijft Nijmegen Ulpia Noviomagus en de oudste stad van Nederland noemen, volgens Roetman zelfs 20 jaar ouder dan men in Nijmegen hanteert. Woorden als 'lijkt wel', 'mogelijk' en 'zal wel' maken zijn artikel niet bepaald overtuigend. Het zijn bewoordingen die we vaker tegenkomen in de geschreven geschiedenis uit het eerste millennium, waarmee de twijfel die er toch blijkt te zijn precies wordt aangegeven.
        Zijn vraag "Is de Bataaf gevonden?" beantwoordt Roetman zelf al met een volmondig NEE. De Romeinse gebouwsporen die ervoor in aanmerking zouden moeten komen, hebben geen betrekking op de stad Oppidum Batavorum. Commentaar:Tot die conclusie was W.Willems ook al gekomen in de jaren 80 van de vorige eeuw (zie daar). Blijkbaar heeft Roetman dat opgravingverslag niet gelezen, aangezien hij weer met de conclusies van Daniëls uit de jaren 20 komt aanzetten. Ook dat verhaal van Daniëls heeft hij blijkbaar niet goed gelezen, immers Daniëls twijfelde al aan de algemene opvattingen (zie daar).


      Archeologie magazine 2017


      1. Tempels in het Batavengebied, door Dick Roetman. (AM nr.6-2017).
        Ook in dit artikel gaat Roetman er weer vanuit dat de Betuwe het gebied van de Bataven was. Hij noemt de studie van J.E.Bogaers
        (zie daar), die de Romeinse tempel ontdekte en daarop is gepromoveerd in 1955. Maar in tegenstelling van hetgeen Bogaers beweerde blijkt de tempel niet uit 70 n.Chr., maar uit 100 n.Chr. te stammen. Deze Romeinse (waaraan dus nu getwijfeld wordt) tempel bleek midden in Bataafs gebied te staan. De Bataafse oppergod Magusanus werd door de Romeinen gekoppeld aan hun God Hercules, vermeldt Roetman nog. Dat gaf aan dat de Romeinen heel mild dachten over de goden van overwonnen stammen en die vaak overnamen in hun religie.
        Commentaar: Door dergelijke kromme redeneringen maakt Roetman er een ware karikatuur van. Alsof de Romeinen zich inlieten met de door hen overwonnen volkeren. Als ze konden werden hele volkstammen vermoord, de vrouwen en kinderen tot slaaf gemaakt en de dorpen platgebrand. En nergens anders werd een God van een overwonnen volk tot een God van de Romeinen gemaakt. Alleen in de Betuwe?

      2. Kruis en munt, door Annemarieke Willemsen. (AM nr.6-2017).
        Een gouden munt met Arabisch opschrift, gevonden in Finkum, was erg afgesleten. De munt werd toegeschreven aan kalief Abd al-Mu'min (1130-1163 n.Chr.) en bevestigt dat de munten geen betaalmiddel waren, maar dat het gaat om hun intrinsieke waarde (van het goud). Ook in Nederland waren deze munten blijkbaar gewild om er sieraden van te maken.
        Commentaar: We vermelden dit omdat aan de vondst van munten wel eens heel onjuiste verklaringen worden gegeven. Ter vergelijking: Is deze Arabische munt door een Arabier verloren? Of viel Finkum onder het Arabische Rijk? En is deze munt rond 1163 n.Chr. verloren? Hieruit blijkt ondermeer dat een sluitmunt geen zekere datering geeft. Wat hier geldt voor deze Arabische munt, geldt ook voor Romeinse en Karolingische munten. Waarvan Akte.

      3. De Leidse zuil van Trajanus, door Tom Buijtendorp. (AM nr.6-2017).
        Commentaar: Voor dit artikel van Buijtendorp vol aannamen en hypothesen verwijzen we naar zijn boek over het jaar 117. Dat Buijtendorp zelf ook vermeldt dat het een nieuw licht werpt op de Romeinse tijd toont aan dat van het vorige opvatting niet alles juist was. Maar is de opvatting van Buijtendorp dan wel juist? Ik mag het betwijfelen nu ik zijn boek over het jaar 117 bestudeerd heb.

      4. Archeologie in Breda (AM. nr.5-2017).
        In Archeologie Magazine 5 is een Special gewijd aan de geschiedenis van Breda. Deze kan als voorbeeld dienen voor de geschiedenis van meerdere steden en dorpen in Nederland, zoals Amersfoort (zie daar). Vooral de plaatsen die zich een oudere geschiedenis menen te kunnen aanmeten, zoals Zutphen en Wichmond dienen uiterst kritisch bestudeerd te worden. Vaak blijft van die vermeende oudste geschiedenis weinig tot soms helemaal niets over als men de geschreven bronnen en de archeologische bevindingen eens kritisch met elkaar vergelijkt.
        Ook bij Breda is dat het geval. Er wordt dan wel in algemeenheid geschreven over de Romeinse en de Merovingische en Karolingische tijd (die zijn in algemeenheid wel in West-Europa te plaatsen), maar de zin dat "de oudste bewoningsporen zijn rond 1100 te dateren" zegt precies waar het over gaat.
        Commentaar: Breda is zoals zo veel plaatsen in Nederland (net als Utrecht, Elst, Nijmegen en Heerlen) ontstaan in het tweede millennium. Over de bewoningsgeschiedenis van Breda in de 9e en 10e eeuw is vooralsnog weinig (beter is: niets) bekend, lezen we in het artikel.
        Hebben Utrecht, Elst, Nijmegen en Heerlen een Romeinse voorgeschiedenis gehad, Breda zeker niet. Na die Romeinse voorgeschiedenis verdwijnen ook deze plaatsen in duistere eeuwen en keren pas in het tweede millennium als woonplaats weer in de geschiedenis terug.


      5. Archeologie in West-Friesland. (AM nr.4-2017).
        Het is een nat gebied. Van de vroege Middeleeuwen vinden we moeizaam dingen terug. Dijkresten stammend uit de 11e of 12e eeuw.
        Commentaar: Als bijvoorbeeld ergens de strijd van de Nederlanders tegen het water zichtbaar wordt is het wel hier. In de 11e eeuw begon het met kleine dijken. Wieringerwerf werd op basis van keramiekvondsten, waarschijnlijk bewoond in de periode 1150-1288. In 1351 verdween het dorp definitief van de kaart (wegens toenemende wateroverlast en overstromingen, red.).

      6. De Romeinen in Roemenië, door Dick Roetman. (AM nr.4-2017).
        Het kon weleens een Castellum van de Cananefaten zijn, wat uit de historische literatuur bleek. De dakpanstempel met de inscriptie CICF= Cohors Prima Cananefatium. Dit was het bewijs van het bestaan van deze 'Nederlandse' troepen, helemaal van Zuid-Holland naar Noord-Roemenië gelopen.
        Commentaar: Dick Roetman gaat met deze opmerkingen wel erg kort door de bocht. Een gevonden dakpan met stempel bewijst niet wie die daar heeft weggelegd, nog minder op zijn vertaling van de afkorting wel klopt. En dat het om een "Nederlandse' cohors zou gaan is een hypothese. Gelukkig erkent hij dat ook, aangezien hij het "Nederlandse' tussen aanhalingstekens plaatst.
        Ook het door hem genoemde castellum van de Bataven ten zuiden van Tihâu met de naam Cohors I Batavorum Millitaris is een mythe. Sinds wanneer bouwden de Bataven een Castellum? Waarom zijn die dan nooit in de Betuwe gevonden?


      7. De goudschat van Lienden. (AM nr.3-2017).
        Bij Lienden in de Betuwe is eind 2016 een muntschat gevonden van in totaal 42 stuks van Romeinse gouden solidi. De datering van de munten is tussen 375 en 437 aan de hand van de beeltenissen van de Romeinse keizers op de afzonderlijke munten. Bij de schat zijn geen verdere vondsten uit de Romeinse tijd of daarna gevonden. De verstopplek was vermoedelijk een oude grafheuvel.
        Commentaar: De conclusie die de archeologen Stijn Heeren, Nico Roymans en Jos Bazelmans trekken is ook hier weer zeer voorbarig. Men heeft bepaalde onbewezen en voorbarige opvattingen in het hoofd, die de conclusie dan bepalen. Zij menen dat deze schat een sleutelstuk vormt van de eindfase van het Romeins gezag in Nederland.
        De genoemde archeologen gaan er blijkbaar van uit dat de munten door een Romein verborgen zijn. En dat is een onbewezen aanname. Deze schat is zeker niet door een Romeinse legionair begraven die immers niet in gouden munten werden uitbetaald. Het is duidelijk een spaarpotje, een belegging van iemand op de vlucht, die zijn verborgen bezit later niet meer heeft kunnen ophalen. Wie dat was blijft een onbeantwoorde vraag. Het geeft in elk geval geen enkele informatie over een Romeins gezag in Nederland, dat rond 260 n.Chr. immers door de Romeinen verlaten was.


      8. Het raadsel van Tiel. (AM nr.2-2017).
        In dit artikel is sprake van voorwerpen, die maar bij hoge uitzondering worden aangetroffen, zoals nu bij Tiel. Zo worden voorwerpen vermeld die normaal gesproken in de context van rijke Romeinse bewoning of locaties met een bijzondere functie zoals een tempel of forum worden gevonden. Alleen is van dergelijke gebouwen bij Tiel geen spoor teruggevonden, zoals in het artikel vermeld wordt. Ook hier wordt weer geschreven over 'de stam van de Bataven' die in dit deel van de Betuwe woonden. Het artikel besluit dat er nog veel nader onderzoek nodig is.
        Commentaar: Het is de enige juiste waarheid, echter enkele conclusies staan blijkbaar al bij voorbaat al vast voordat nader onderzoek heeft plaats gevonden.
        En dat nu precies het probleem in historisch Nederland. Men blijft enkele mythen uit de 17e eeuw als uitgangspunt hanteren, zonder deze eens aan een nader kritisch onderzoek te onderwerpen.


      9. Vaubans erfenis. (AM nr.2-2017 p.14 e.v.).
        Een opvallend artikel over de stille getuigen in Noord-Frankrijk van vier eeuwen machtstrijd. Het was precies dit gebied waar zich over vele eeuwen (hier wordt het beperkt tot 4 eeuwen) een machtstrijd heeft voorgedaan tussen verschillende volkeren en machthebbers tot en met de laatste wereldoorlog. Maar dit aantal eeuwen kan uitgebreid worden tot de tijd van Julius Caesar, die van Karel de Grote, de 80-jarige oorlog en meerdere schermutselingen daartussen. Juist dit gebied is sinds mensenheugenis het strijdtoneel van Europa geweest en gebleven. Zie ook het hoofdstuk over het Diets.
        Commentaar: Vergelijkt men het kaartje (zie hiernaast, klik erop voor een vergroting) met de visie van Albert Delahaye over de noordgrens van het Romeinse rijk ten tijde van Julius Caesar en ten tijde van de Limes Germanicus, dan is de overeenkomst frappant. De versterkingen die Vauban aanlegde komen nagenoeg overeen met de bovenste weg op de Peutingerkaart, waarmee de visie van Albert Delahaye een onmiskenbaar gelijk krijgt.

      10. 'Nieuwe' Romeinse weg bij Houten ontdekt (AM. nr.1-2017).
        Onlangs konden er weer 250 meter aan het alsmaar uitdijende Romeinse wegennet worden toegevoegd. Hoewel een exacte datering niet gegeven kon worden lijkt het erop dat het stuk aangelegd werd in het eerste kwart van de eerste eeuw. Daarmee zou het dus een van de oudste stukken van de Limes kunnen zijn. De weg volgt niet de kronkelige loop van de Rijn, maar liep kaarsrecht door het landschap.
        Commentaar: Dat de Romeinen in Nederland geweest zijn werd door Albert Delahaye nooit ontkend en is ook niet in tegenspraak met zijn visie. Dat de Romeinen wegen aanlegden, zeker in de natte en sompige bodem van Nederland, is net zozeer geaccepteerd. De gevonden palen die verzakkingen moesten voorkomen geven dat al aan. Maar dat dit een weg van de Peutingerkaart zou zijn, wat overigens in het artikel ook niet wordt beweerd wel gesuggereerd door het gebruik van het woord Limes, is een nooit bewezen hypothese. De Limes Germanicus is een term uit de 4e eeuw en toen verbleef er geen Romein meer in (laag) Nederland.

      11. De Vikingwereld in beeld. (AM nr.1-2017).
        In 1996 werd de Stichting Weg van de Vikingen opgericht die zich specifiek bezig houdt met het beschermen van het erfgoed uit de Vroege Middeleeuwen en het exploiteren van het Viking Informatiecentrum te Den Oever. De stichting participeerde ook in enkele Europese projecten.
        In het artikel is sprake van het enkele traditionele opvattingen, Dorestad, Asselt, Zutphen en Deventer worden genoemd en de handelsgeest van de Vikingen.
        Commentaar: Die handel is in flagrante tegenspraak met wat de klassieke teksten vermelden, waarin overigens nooit sprake is van Vikingen maar van Northmanni (Noormannen). Dat verschil tussen beide bevolkingsgroepen is bij historici ook nog steeds niet bekend. Dat er weinig geschreven informatie bestaat, zoals in het artikel beweerd wordt, is een volgende misvatting. Over de Vikingen is dat inderdaad zo, maar over de Northmanni bestaat een overaanbod van klassieke teksten. Maar deze vind je inderdaad niet in Nederland, maar wel in Frankrijk waar al die plunderingen ook plaats vonden. Van verwoestingen is in Nederland geen archeologisch bewijs voor handen, staat in dit artikel, wat de volledige waarheid is. Ze zijn immers nooit in Nederland geweest. Zie bij
        Noormannen.
        En over de genoemde 'schat van Wieringen' kunnen we kort zijn: die staat volledig op drijfzand. Zie bij Wijnaldum, Tzummarum en Wieringen.



      Lees het boek "De Ware Kijk Op" en oordeel zelf!

      Terug naar de beginpagina.
      Het Bronnenboek van Nijmegen weerlegt de Karolingische geschiedenis van Nederland.
      Naar het overzicht in het kort.