| Terug naar de beginpagina. | Naar het overzicht in het kort. |

|
Deze pagina wordt elke keer aangevuld na het verschijnen van een nieuw tijdschrift. In het tijdschrift ARCHEOLOGIE Magazine dat 6x per jaar verschijnt, staan publicaties over recente archeologische opgravingen en bevindingen. Het blad heet Archeologie Magazine, maar te vaak houden de auteurs zich niet bezig met archeologische beschrijvingen, maar met het schrijven van geschiedenis. Zie ook bij Archeologie in Nederland. ![]() We beperken ons op deze pagina tot de periode tussen de tijd van 56 v.Chr. tot 1200 n.Chr. en met name tot Nederland en Belgisch en Frans Vlaanderen. Veel bevindingen bevestigen de visie van Albert Delahaye en waar de nieuwe opvattingen in strijd lijken met die visie geven we relevante kritiek. Het woordgebruik in de artikelen geeft vaak al aan dat er de nodige twijfel bestaat omtrent de archeologische interpretaties, immers archeologie is interpreteren. Waar geschreven wordt in termen als 'mogelijk' of 'wellicht' zal onze conclusie zijn dat er geen bewijs voor de opvatting is en er dus feitelijk niets wordt toegevoegd aan de heersende opvattingen. De voorbeelden hiernaast spreken voor zich. Wat we ook scherp in de gaten houden is dat veel archeologische bevindingen gebaseerd zijn op de klassieke teksten. Als voorbeeld kunnen we de bevindingen in de Betuwe noemen. Zolang men er spreekt over Bataafse vondsten gaat men dus klakkeloos uit van de onbewezen opvatting dat de Bataven in de Betuwe woonden. En dat is met geen enkele tekst ooit aangetoond. Integendeel, de teksten plaatsen de Bataven duidelijk in Noord-Frankrijk. Zie daarvoor bij Bataven. Een speciale plaats in deze rubriek wordt ingeruimd voor hobby archeoloog Dick Roetman die elke keer over Romeins Nijmegen schrijft. In zijn artikelen beweert hij vaak met onbewezen aannamen de voor hem vaststaande feiten. Ook maakt hij in zijn artikelen soms pijnlijke fouten waaruit blijkt dat hij niet altijd de echte feiten kent. Zo is de promotie van zijn leermeester prof.J.E.Bogaers over de Romeinse tempel in Elst hevig ter discussie komen te staan, aangezien het geen Romeinse tempel bleek te zijn, maar een 'inlandse' en deze tempel niet uit de tijd voor de Opstand van de Bataven bleek te dateren, maar op zijn vroegst uit het jaar 100 na Chr. Zie bij J.E.A.T.Bogaers. Het moet daarbij goed begrepen worden dat de aanwezigheid van de Romeinen in Nederland door Albert Delahaye allerminst wordt ontkend, wat hem te vaak verweten wordt. Echter de interpretatie van veel archeologische vondsten is aan een grondige herziening toe, zoals de naamgeving van de 'Romeinse plaatsen'. Het Romeinse Noviomagus was dezelfde plaats als het Karolingische Noviomagus en was dus niet Nijmegen maar Noyon. Waar vooral op gelet moet worden is de volgorde van de vondsten in de opgravingverslagen. Als er sprake is van vondsten uit de steentijd of Romeinse tijd die genoemd worden, blijkt daaruit te vaak dat er daarboven niets gevonden is uit de vroege Middeleeuwen. De oudste vondsten zitten uiteraard onder de jongere. Vindt men veel Romeins (zoals in Nijmegen) maar wordt er niets gevonden uit de Frankische tijd dat erboven moet zitten, dan blijkt dit gegeven meestal verzwegen te worden. Het toont in elk geval (zoals in Nijmegen) dat er geen continuïteit in bewoning heeft bestaan tussen de Romeinse tijd en de 12e eeuw. Wat ook opvalt en nader beschouwd moet worden is het gebruik van bepaalde onbewezen aanduidingen of opvattingen bij opgravingen. Zo worden vondsten in de Betuwe te gemakkelijk 'Bataafs' genoemd en wordt iets te Nijmegen gevonden steeds als van 'Ulpia Noviomagus' gekwalificeerd. Dat de Bataven in de Betuwe woonden is, zoals hierboven aangegeven, een hypothese. En de naam Noviomagus voor Nijmegen is eveneens nooit aangetoond met enig bewijs. Het Ulpia Noviomagus was ook niet Nijmegen, maar Neumagen in Duitsland, waar (de latere keizer) Trajanus die de naam Ulpia voerde stadhouder was. In Nijmegen is hij nooit geweest, ook al is daar een deel van een zuil gevonden die aan hem wordt toegeschreven. Artikelen waarin oude beweringen nog eens worden herhaald blijven buiten dit overzicht. Dat de archeologisch vastgestelde Romeinse nederzetting Castello Fectio geheten zou hebben (AM. nr.3 2017) is zo'n voorbeeld. De naam van dit Romeinse castellum is nergens door bewezen, ook niet door de Peutingerkaart, zoals altijd beweerd wordt. Daarop staat overigens niet Fectio, maar Fletione, wat een andere plaats was. Uit veel geciteerde teksten kan opgemaakt worden dat de geschiedenis hard toe is aan een herschrijving. Veel opmerkingen van de aangehaalde auteurs komen niet overeen met de traditionele opvattingen. Opvallend is dat Albert Delahaye van hen feitelijk gelijk krijgt ten aanzien van de Transgressies, de onjuist locatie van plaatsen en de continuïteit in de bewoning die in veel gebieden en op veel plaatsen niet bestaan heeft, zoals in Utrecht en Nijmegen (om maar de belangrijkste plaatsen te noemen). Vanwege het overzicht en de leesbaarheid zijn alle artikelen (per jaar) genummerd. Deze nummering kan wijzigen door het tussenvoegen van nieuwe citaten. ![]() Mozaieken van Romeinse schepen. Zowel de vorm en de boeg, als de riemen zijn geheel anders. ![]() ![]() ![]() ![]() Een traditionele Romeinse trireem, met roeiriemen, spitse boeg en versierd achterdek. Daarvan is op de 'Zwammerdamschepen' niets te zien. In hoeverre waren deze schepen 'Romeins'? Of waren het gewone 'inlandse' platbodems! |
In het tijdschrift Archeologie Magazine lees je veel artikelen die de algemene traditionele opvattingen tegenspreken. Het zijn evenzoveel voorbeelden die de visie van Albert Delahaye onderschrijven. We geven daarvan voorbeelden aan de hand van letterlijke citaten. Wat schrijven de archeologen en historici nu precies zelf in dit tijdschrift? Of het nu gaat over de Romeinse of Karolingische tijd, ze bevestigen de traditionele opvattingen allerminst.
In het Commentaar (in rood) vindt U de conclusies die uit de citaten blijken. De volgorde van verwerking op deze pagina is van de jongste uitgave (bovenaan) naar oudste uitgave (onderaan). Verwijzingen naar jaargang 2025, jaargang 2024, jaargang 2023, jaargang 2022, jaargang 2021, jaargang 2020, jaargang 2019, jaargang 2018, jaargang 2017.
De visie van Albert Delahaye.
Voor eeuwig in de Westhoek. Archeologie Magazine 03-2023.Nergens ter wereld zijn er zo veel militaire begraafplaatsen als in de Westhoek van België. Het zijn de meest zichbare getuigen van de immense tragedie die zich er tijdens de Eerste Wereldoorlog afspeelde. Maar die tragedie bleef niet beperkt tot de Eerste Wereldoorlog. De Westhoek in Belgisch en Frans Vlaanderen was al vele eeuwen daarvoor (ook in de Romeinse tijd), de plaats van vele conflicten. DeWesthoek stopt ook niet bij de landsgrens (die daar pas bestaat sinds 1713), maar loopt ook door in Frans-Vlaanderen (zie de kaart hiernaast: klik op de kaart voor een vergroting). Het is ook gebied waar de taalgrens als teken van die eeuwige conflicten tot op de dag van vandaag de onzichtbare, maar zeker bestaande grens in het landschap is. Het was de grens tussen de Germaanse en Romaanse taal, maar ook tussen de Germaanse en Gallische volkeren. Het was ook de plaats van het Carbonarich Woud waarmee de opmars van Julius Caesar gestopt werd. Verder noordelijk is Caesar nooit geweest. De Westhoek is niet alleen de locatie van de Eerste Wereldoorlog, maar ook de plaats waar de meer bekende Slag bij Nieuwpoort in 1600 plaats vond, maar ook de de Beeldenstorm begon en in de Romeinse tijd de Varusslag en de Opstand van de Bataven geplaatst moet worden, twee gebeurtenissen die door net deskundige historici in het verleden naar Duitsland zijn getrokken door het misverstand dat het Germania van Tacitus wellicht Duitsland was. De Westhoek was ook de woonplaats van de Friezen die er tegen de Romeinen en Franken streden, maar ook de plaats waar de Saksn woonden, waartegen Karel de Grote meer dan 30 jaar oorlog voerde. De Westhoek kenmerkt zich door de standvastige en op vrijheid gerichte bewoners, zoals de Fresones (Friezen) wat uit het altijd miskende Oera Linda Boek duidelijk blijkt. Daar lag het klassieke Frisia en de Litus Saxonicum van de Saksen. Lees meer over de Westhoek bij het Diets, de taal van de Westhoek. precies in de Westhoek ontstonden verhalen zoals het Beowulf-epos, de Gudrun-sage, de sage van de Nibelungen, het Ludwigslied, Carel ende Elegast, Walewein, Flandrijs, Seghelijn van Jeruzalem, het leven van Sint Amand, het Roelandslied, het Oera-Lindaboek en het episch gedicht de Heliand, ook wel 'het Evangelie van de Noordzee' genoemd. Deze werden geschreven aan de Litus Saxonicum, de Saksische kust aan de Germaanse zee, nu het Kanaal en is Vlaams Erfgoed. Ook het Hildebrandslied is later naar andere streken verplaatst, met het Germania van Tacitus naar Duitsland. "Het is opvallend dat in de Nederlandse Romeinse legerplaatsen met name spelden (fibulae) uit Gallië worden gevonden!" (Bron: AiN april 2017) Men gaat nu langzaam ontdekken waar de Nederlandse geschiedenis vandaan komt: uit Frankrijk! ARCHEOLOGISCHE bevindingen. In onderstaande citaten geven we zoveel mogelijk de letterlijke tekst weer. Soms hoeft er uit een heel artikel maar één of enkele zinnen te worden aangehaald. Het hele artikel kunt U in de aangegeven bron desgewenst zelf nalezen. Gebruikte afkortingen in onderstaande teksten: AM staat voor Archeologie Magazine; AiN voor Archeologie in Nederland, met AWN-bijlage; AoL voor Archeologie on Line. Waar in de artikelen sprake is van een hypothese gaat het om "een als voorlopige waarheid aangenomen maar nog te bewijzen veronderstelling". E en voorbeeld uit een oudere Magazine:
Prof.dr.J.de Vries schrijft daar in Archeologie Magazine 4, 2005 het volgende over: De conclusie van Panhuysen lijkt alleszins voorbarig. De "pijler van Nijmegen" is niet in zijn geheel teruggevonden. Dat zal ongetwijfeld mede de reden ervan zijn dat Panhuysen de betekenis van het monument in de vorm van veronderstellingen verwoordt. Illustratief daarvoor is de volgende zin uit deze publicatie: 'Het is best mogelijk dat de Nijmeegse zegepijler een standbeeld van de Romeinse oppergod Jupiter heeft gedragen, maar een keizerbeeld van de vergoddelijkte Augustus - wellicht in de gedaante van Jupiter ligt meer voor de hand. Als er echt een verband zou bestaan tussen Augustus en de stichting van Nijmegen, zou het dan niet bovendien in de lijn van de verwachtingen hebben gelegen dat de stad naar hem vernoemd zou zijn geweest, zoals Trier, Augusta Treverorum, en Autun, Augustodunum? De hele opvatting van Nijmegen als oudste stad blijkt gebaseerd te zijn op een onjuist geïnterpreteerde archeologisch vondst. En zoals elke archeoloog weet -of hoort te weten- sleepten de Romeinen met grafstenen en beelden door het hele Romeinse Rijk, wat al blijkt uit de steensoort van deze pijler die in Nederland onbekend is. Wat elders niet bewezen kan worden met een vondst, vormt deze vondst ook geen enkel bewijs ten gunste van Nijmegen. Keizer Tiberius regeerde van 14 - 37 na Chr. De 'godenpijler' kan dus niet van vóór het jaar 14 zijn geweest. Dat betekent dat er in 2005 nog geen enkele sprake kan zijn geweest van 2000 jaar stad. Hieruit blijkt wel de 'onzorgvuldigheid' van de historici. De oudste bewoning aan de Amstelmonding ontstond rond 1175, nadat de stormvloeden in de jaren rond 1170 het landschap ingrijpend hadden veranderd. (Archeologie Magazine 1-2020). Goed nadenkend over deze ene zin bewijst dat de geschiedenis van Noord-Holland, van Egmond, Medemblijk, over de kerken en de Graven van Holland, toch anders zal zijn geweest dan men traditioneel voor juist aanneemt. Archeologie magazine 2025Archeologie Magazine nr.6-2025.
Archeologie Magazine nr.5-2025.
Archeologie Magazine nr.4-2025.
Archeologie Magazine nr.3-2025.
Lees ook het artikel in Magazine nr.2: Romeinen in Noord-Holland.
In dit artikel wordt weer uitgegaan van de onbewezen opvatting dat Nijmegen de oudste stad van Nederland is. Dat geloven ze alleen in Nijmegen en in verouderde schoolboekjes en is nog steeds een onbewezen opvatting. Over de baggervondsten wordt het volgende vermeldt: "Vondsten die eind negentiende eeuw tijdens baggerwerkzaamheden in de Waal en de Rijn aan het licht kwamen. De baggeraars verkochten de voorwerpen aan een Nijmeegse antiquair die deze op zijn beurt doorverkocht aan de rijke verzamelaar P.A. Gildemeester uit Amsterdam. Gildemeester liet zijn Romeinse verzameling na aan het Rijks-museum van Oudheden in Leiden". Waar precies gevonden? In de Waal of in de Rijn? Verkocht, doorverkocht? Er werd behoorlijk gehandeld in Romeinse relicten. De vinders wisten dat ze er flink veel geld voor konden krijgen, zoals eerder met Johannes Smetius en zoon en met G.M.Kam en zijn museum gebeurde. Karrenvrachten 'Romeins' werden verhandeld en verwisselde van eigenaar en kwamen overal vandaan en overal in musea terecht. Daarvan zijn er nu heel wat te zien in Museum Bastei. Het is bekend dat in Nijmegen sinds de tweede helft van de zeventiende eeuw veruit de meeste Romeinse resten werden gevonden. Er bestond zelfs een handel in oudheden, waarbij ook speciaal voor de markt vervaardigde vervalsingen circuleerden. Het bodemonderzoek was, niet alleen in Nederland, in hoge mate een vorm van schatgraverij die volgens oud gebruik eindigde in de kunst- en rariteitenkabinetten der aanzienlijken. Dat gold ook voor verreweg de belangrijkste archeologische verzameling die Nederland tot 1703 rijk was en die ook internationaal hoog gewaardeerd werd, de collectie van de Nijmeegse predikant en amateurarcheoloog Johannes Smetius
De naam van de riviergod Rhenus bicornis, de gehoornde Rijn, komt voor in de Aeneis van de Romeinse schrijver Vergilius (70-19 v.Chr.), die hiermee verwijst naar de afsplitsing van de Rijn in de Nederrijn en Waal, ongeveer waar nu Millingen aan de Rijn in Gelderland ligt. Zowel de Rijn als de Waal worden meerdere keren genoemd in antieke teksten. Zo beschrijft Caesar (100 - 44 v.Chr.) in De Bello Gallico hoe de Waal, Vacalus, zich afsplitst van de Rijn en het eiland der Bataven vormt. Tacitus (56-117 n.Chr.) noemt de Waal Vahalis in zijn GermaniaHet moet goed begrepen worden dat de naam van Rijn of Waal in geen enkele klassieke tekst wordt genoemd. Dat zijn nooit met enige bewijs gestaafde interpretaties. Julius Caesar zal ook nooit de Waal genoemd kunnen hebben, immers die ligt niet in Gallië, verre van zelfs. Het staat vast dat Caesar nooit in België is geweest en dan al helemaal nooit in Nederland, waar hij de Waal gezien zou hebben. En de Waal ligt ook niet in Duitsland, waar het Germania van Tacitus (helaas onjuist) geplaatst wordt. Offers aan riviergoden konden ook worden gebracht door deze in het water te deponeren. Dat ritueel beperkte zich niet tot rivieren in de Romeinse tijd en kwam voor in allerlei natte contexten, zoals vennen, beken, bronnen en moerassen. Vergelijk dit met de gevonden Ruiterhelm in de Peel, waarvan de geschiedenis volgens deskundigen moet worden herschreven. Voor archeologen is het herkennen van dergelijke offers lastig. Het blijft dan ook onzeker welke wapens, helmen, schildknoppen, mantelspelden en beeldjes in de tentoonstelling offers waren en welke door andere oorzaken in het water zijn beland. Dergelijke voorwerpen zijn alleen als offers herkenbaar als ze op steeds terugkerende plaatsen in het landschap worden gevonden. Offers aan riviergoden zijn niet alleen lastig te herkennen, maar helemaal niet te herkennen. Dat is pure speculatie. De laatste opmerking is waar het om precies draait: steeds op dezelfde plaats, maar dan nog? Waarom zou je kostbaarheden in het water gooien? Het ging immers vaak om voorwerpen van zilver en goud of persoonlijke voorwerpen zoals zo'n ruiterhelm. Met legioenen van duizenden manschappen zouden er toch veel meer gevonden moeten zijn dan die ene uitzondering? Oorspronkelijk lag Romeins Nijmegen, Oppidum Batavorum, op het Valkhofplateau, en strekte zich mogelijk uit tot aan de Waalkade. Dit blijkt uit paalkuilen en munten die onder Museum De Bastei zijn gevonden. Kort na de verwoesting in 69/70 n.Chr. verscheen bijna een kilometer naar het westen een nieuwe nederzetting die bekend werd als Ulpia Noviomagus, de stad die grotendeels werd verlaten rond 270 n.Chr. Kort na de Bataafse opstand ontstond ter hoogte van Museum De Bastei aan de Waaloever een kleine handelsnederzetting, vermoedelijk met aanlegplaats. Tijdens de opgravingen (tussen 2015 en 2018) is een stuk van een Romeinse muur blootgelegd waarvan men al delen vond in de jaren '80 van de vorige eeuw, met name bij de bouw van het Casino. Zowel in Museum De Bastei als onder het Casino zijn stukken van deze muur te zien, die vermoedelijk aan het begin van de tweede eeuw n.Chr. is gebouwd. Deze muur had in eerste instantie de functie van keermuur, om het zand van de Lindebergheuvel tegen te houden. Aan het eind van de derde eeuw n.Chr. werd op het Valkhof plateau een Romeins castellum gebouwd. Hier lezen we een herhaling van de onbewezen aangenomen Nijmeegse geschiedenis. Oppidum Batavorum is archeologisch noch tekstueel ooit aangetoond in Nijmegen. W.Willems verklaarde daarover in 1989 na vele maanden opgraven: "We hebben het niet gevonden!" Over Ulpia Noviomagus kunnen we ook kort zijn. Het was een bedenksel van J.E.Bogaers in 1959, dat door hem nadien nooit bewezen is, hoewel hem daar wel om gevraagd werd door H.J.H.van Buchem. Dit Noviomagus was niet Nijmegen, maar de plaats Neumagen, waar (de latere keizer) Trajanus stadhouder was en zijn familienaam Ulpia aan toevoegde. Maar deze stad zou pas gesticht zijn bij het vrtrek van het Tiende Legioen in 104 n.Chr. De verwoesting in 69/70 n.Chr. heeft te maken met de Opstand van de Bataven. Deze Opstand vond echter plaats in Noord-Frankrijk. Het Tiende Legioen dat de Opstand onderdrukte verbleef in Norroy (bij Pont-à-Aleson) en kwam pas ná de opstand in 71 in Nijmegen terecht. Ook de plaatsen die bij de opstand op één dag werden aangevallen (Arenacum, Batavodorum, Grinnes en Vadam) zijn in Nederland evenvele vraagtekens, net als de rivier de Navalia waar de uiteindelijke wapenstilstand werd gesloten. De Navalia is de Nave bij Béthune. Bij de hier genoemde kleine handelsnederzetting wordt wel een 'vermoedelijk' uitgesproken, immers ook hiervoor ontbreken de noodzakelijke bewijzen. Volgens het boek over Het Valkhof 2000 jaar werd na de opstand de nieuwe Bataafse hoofdstad Ulpia Noviomagus gesticht, die rond het jaar 100 stadsrechten kreeg. (p.30). Opvallend is steeds dat verschillende historici er verschillende opvattingen op na houden over dezelfde gebeurtenissen. Hieruit blijkt eens te meer dat de geschiedenis van Nijmegen geheel onzeker is en niet bestaat uit vaststaande feiten. Zo worden over die genoemde Romeinse muur verschillende opvattinge gehanteerd. Het was zeker een keermuur, echter niet voor de helling maar tegen het water.
Een zeer interessant en verhelderend artikel, mits goed gelezen en begrepen. Dat is feitelijk een terugkomend probleem in de Nederlandse archeologie. Te vaak worden bevindingen gebaseerd op een aangenomen beginpunt. Maar als de premisse onjuist is, is ook elke deductie onjuist. In dit artikel is ook regelmatig sprake van 'mogelijk', 'vermoedelijk', 'onzeker' en 'lastig te herkennen'. Als je die zinnen schrapt blijft er weinig over van 'deze spannende geschiedenis', zoals het in dit artikel genoemd wordt. Lees ook wat er in toont Archeologie in Nederland (nr. 4, okt.2019) geschreven wordt, waarin de mythe van 2000 jaar bewoning in Nijmegen onweerlegbaar wordt aangetoond. Gregorius van Tours noemt hem in zijn omstreeks 592 gepubliceerde 'Decem libri historiarum', ook bekend als Historia Francorum, Chlodovechus, een gelatiniseerde vorm van zijn echte Frankische naam Hlodovic. Zijn geschiedenis is redelijk goed bekend. Vanuit Reims (F) oefent hij, in navolging van zijn vader, een belangrijke militaire en bestuurlijke functie uit in de provincie Gallia Belgica Secunda. Hij voelt zich sterk genoeg om de Frankische krijgsheer Sigebert in Colonia (Keulen, D) hulp te bieden, die zich bedreigd voelt door naar het noorden oprukkende Alamannen. Dat probleem wordt in drie veldslagen opgelost, waarvan de bekendste wel die van Tolbiacum (Zülpich, D) is. Met als gevolg van Hlodovic uitgroeit tot de meest invloedrijke Frank ten westen van de Rijn en ten noorden van de l.olre. Na het verslaan van de Visigotische leider Alarik II op de Campus Vogladensis, mogelijk Vouillé in de buurt van Poitiers (F) en de Frankische leiders in het Rijnland is hij de machtigste man in West-Europa. Omstreeks 508 wordt Hlodovic gedoopt door bisschop Remigius van Reims (F) en wordt daarmee de enige civiele leider van de westelijke christenheid. Na de dood van Genovefa, laat hij in 508 een basilica bouwen op de Mons Lucotilius, de huidige Montagne Sainte-Geneviève, om haar een waardig grafmonument te geven. Enkele jaren later (511) overlijdt Hlodovic zelf en wordt begraven in haar kerk naast zijn inspirator Genovefa. Tot zover is het verhaal wel duidelijk. Maar dan wordt het mistiger. Als in 857 de Noormannen klooster en kerk van Genovefa in de as leggen, worden hun sarco-fagen in veiligheid gebracht. Bij de herbouw van de kerk aan het begin van de twaalfde eeuw krijgt de sarcofaag van Genovefa een centrale plaats in de crypte en die van Hlodovic en Chrodegilde in een aan de noordzijde van het koor aangebouwde kapel. In 1177 is daar sprake van een tombe met het opschrift 'chlodovecho magno'. Die gotische kerk wordt tussen 1801 en 1807 afgebroken om plaats te maken voor het huidige Panthéon en een nieuwe straat die de naam Rue Clovis krijgt. Van het oude klooster resteren nog enkele kelders en andere gebouwen binnen het Lycée Henri ICV. Het enige zichtbare deel is de Tour Clovis. Het graf van Hlodovic bevindt zich ergens tussen die toren en de Rue Clovis, of wellicht onder de straat zelf. Het is tot op heden nog niet ontdekt en wellicht voor altijd verdwenen Volg je dit hele verhaal, dan speelt alles zich af in Noord-Frankrijk, op een zijspoor naar Keulen en Zülpich na. Maar was dit Colonia wel Keulen of was het Cologne bij Calais? Tolbiacum was ook niet Zülpich, maar Thuilles bij Charleroi, door Tacitus (Hist. IV, 79) genoemd bij de Opstand van de Bataven in het gebied van de Agrippinenses (Avesnes), in verband met de Chauci (niet noord-Nederland, maar Chocques) en de Fresones (niet Friesland, maar Frans-Vlaanderen). De oprukkende Alamannen waren ook niet de Duitsers, maar de bewoners van het oosten van Noord-Frankrijk, in de streek van de Ardennen. De Geograaf van Ravenna beschrijft hun streek nauwkeurig. Hij schrijft: "Dichtbij het land van Turringia (=Doornik) ligt het vaderland van de Suavi (door de Romeinen Suevia geschreven, is de omgeving van Kortrijk) en de Alamani, dat raakt aan Italia". Italia is Zwitserland en niet het huidige Italië. De naam Alamani heeft (helaas onjuist) geleid tot de naam Allemagne voor Duitsland, die gehandhaafd bleef nadat Duitsland een veel grotere expansie had gekregen naar het noorden en het oosten. De Engelsen noemen Duitsland, ook onjuist, Germany, naar indicatie van het Germania van Tacitus. In het land van de Alamannen lagen verschillende steden, zoals: Logonas (Longwy of Longuyon), Nantes (Nancy), Bizantia (Bisten-en-Lorraine) en Mandroda (Manderen). Zülpich, op 25 km zuidwest van Bonn, wordt aangezien voor het Romeinse Tolbiacum, dat evenwel blijkens afdoende bewijzen vlakbij Avesnes-sur-Helpe, Thuillies was. In Zülpich is een mijlpaal gevonden die met 16 leugae of 35 km naar Keulen verwees. Voor alle duidelijkheid moet worden gezegd dat er helemaal niet Keulen of Colonia Agrippinensis op staat, zodat er geen enkele reden is om victorie te kraaien en het voor te stellen alsof deze mijlpaal de twee determinaties Keulen en Zülpich zou bevestigen. Bijzonder leuk is dat de Gallische haan op zijn beurt victorie kraait, daar het echte Tolbiacum dat Thuillies is, ook op precies 35 km van Avesnes-sur-Helpe ligt, dat het ware Agrippinenses is. Ja, zou van verbazing achterover moeten slaan van alle toevallen in deze materie. De Muze Clio speelde een verwarring stichtend spel. |
Vaak wordt gedacht dat de Romeinen zich uitsluitend in het zuiden van Nederland vestigden, met de Rijn als noordelijke grens, Inmiddels hebben diverse archeologische vondsten aangetoond dat de Romeinen wel degelijk actief waren in Noord-Holland, Zoals de vondst van de Romeinse wachttoren in Krommenie bijvoorbeeld, die aanleiding was voor het nieuwe stripboek 'De Romeinen deel 2 - De Friese Opstand', 'Het gaat om de meeste noordelijke Romeinse (militaire) nederzetting op het vasteland', aldus gemeentearcheoloog Piet Kleij (gemeente Zaanstad) tijdens de presentatie van het stripboek in archeologiemuseum Huis van Hilde in Castricum. Om de wachttoren heen stond een grote omheining van boomstammen, een zogenaamde palissade, die bijna een half voetbalveld omsloot. Zowel de grootte als de vorm van de palissade en de ligging van
het geheel, buiten het Romeinse Rijk, maken het een bijzondere vindplaats. Piet Kleij: 'Met deze vondst is destijds de geschiedenis van het Romeinse Rijk een stukje herschreven.' Onlangs is het skelet van een Romeinse soldaat die hier in een waterput was aangetroffen, toegevoegd aan de vaste tentoonstelling van Huis van Hilde. Hoorde de wachttoren van Krommenie bij het fort in Velsen? Waar werd het voor gebruikt? Welke vondsten zijn er nog meer aangetroffen en wat vertelt dat over de aanwezigheid van de Romeinen in Noord-Holland? Een ander bewijs van de aanwezigheid van de Romeinen in Noord-Holland was de ontdekking van het grote Romeins legerkamp nabij de huidige Velsertunnel in 2021. Dit fort, bekend als Flevum. besloeg minstens 11 hectare en herbergde duizenden soldaten. Dat deze opstand zich zou hebben voorgedaan in Noord-Holland (dus niet in Friesland?) is een hardnekkige mythe. In 28 ná Chr. was er nog geen enkele Romein in West-Nederland geweest, overigens ook nog niet in Nijmegen. De Romeinen hadden Keulen en Xanten nog niet eens bereikt. In Utrecht en Valkenburg verschenen de Romeinen pas tussen ca.40 en 47 ná Chr. En dan zouden ze al een veldslag tegen de Friezen in Noord-Holland hebben gevoerd? Overigens is daar geen enkel bewijs voor gevonden, niet archeologische, maar ook niet tekstueel. Het is heel interessant en verhelderend wat A.W.Byvanck en W.A. van Es daarover schrijven. Tacitus is de eerste Romeinse schrijver die de Fresones noemt. Hij beschrijft dat Drusus in 12 vóór Chr. de Fresones bedwong, toen honderden kilometers in de omtrek van Friesland nog geen enkele Romein te bekennen was. De Romeinse veldheer Corbulo trekt in 28 ná Chr. ten strijde tegen diezelfde Fresones, die nog steeds op dezelfde plaats in Frans-Vlaanderen woonden en niet 'verhuisd' waren naar Friesland. De Grote Winkler Prins die in alle historische boeken nagevolgd wordt, beschrijft het verhaal van de Friezen, dat van A tot Z een fabel is. De plaatsing van de oude Friezen “van Cadzand tot de Weser” klopt inhoudelijk niet met betrekking tot dit "schuivend" volk, wat de aandachtige lezer wel vanwege de onzekerheden en de tegenspraken zal bemerken. Tacitus plaatst de Fresones/Frisii met duidelijke gegevens in Vlaanderen en wel aan de kust van Het Kanaal waar ze naast de Saksen en Moriniërs woonden. Met de rivieren Albis, Amisia, Wisurgis en Lippia doen de Friezen hun intrede in de geschreven geschiedenis. Deze rivieren zijn FRANSE rivieren en worden in parallelle teksten geïndentificeerd als de Aa, de Hem, de Wimereux en de Lys. Opvallend bij deze rivieren is dat hun getransplanteerde zuster-rivieren (Elbe, Eems, Weser, Lippe) allemaal net buiten het gebied liggen dat de historici voor de Friezen in gedachten hebben. Ze liggen juist in het gebied waar, ook foutief, de Saksen geplaatst worden. Bij deze rivieren onderwierp Drusus in 12 vóór Chr. de Fresones en bouwt er een rij forten om Gallia te beschermen tegen invallen van de Germanen. Een rij forten in Noord-Duitsland om Frankrijk te beschermen tegen invallen van Germanen? Germanen die, ook in de traditionele opvatting, dan al binnen het Romeinse rijk woonden. Ptolemeus plaatst deze rivieren in Noord-west Frankrijk en wordt daarin bevestigt door Tacitus. De Friezen worden in teksten vaak in een adem genoemd met de Saksen. Zij woonden naast elkaar! Ook in de traditionele opvatting woonden ze naast elkaar, maar VERKEERD om. De klassieke Saksen woonden ten zuiden van de Friezen, niet ten oosten ervan! Ook in de latere geschiedenis onder de Merovingen en Karolingen verbleven de Frisii/Fresones nog steeds in Frans-Vlaanderen. Pas in de 10de/11de eeuw na het droogvallen van de gronden, vindt er een migratie plaats van de (voorouders van de huidige) Friezen naar het noorden. Zij nemen bestaande plaatsnamen mee naar hun nieuwe woonplaats. Deze tientallen overeenkomende plaatsnamen tussen Vlaanderen en Friesland/Groningen/Noord-Duitsland is het ultieme bewijs van deze migratie, maar ook hun taal: het Fries. Lees meer over de Friezen.
Het verschil tussen de Romeinen en de 21ste eeuwse mens is niet zo groot. Dat blijkt niet uit de verhalen van de keizers, senatoren en belangrijke veldheren, maar juist uit de teksten die zijn aangebracht op de honderdduizenden grafmonumenten voor de gewone Romeinse doden. Voor historicus Gabriël de Klerk bieden de grafinscripties een inkijk in het dagelijkse Romeinse leven.
Een groepje vrijwilligers op het gebied van archeologie en erfgoed uit het Gelderse Varsselder maakt zich zorgen erover dat in de Achterhoek door allerlei grootschalige projecten delen van het bodemarchief ongezien verdwijnen. En die zorgen strekken zich ook uit tot de relatie tussen vrijwilligers en professionals. Bij het Romeins tempelcomplex bij Herwen was het aantal Romeinse vondsten was zo gering dat niets wees op het heiligdom dat later tevoorschijn is gekomen. Dus daarom liet ik (Theo) Kaminski weten dat ik een artikel over de opgraving bij Herwen in de trant van 'de professionele archeologen hadden het allang kunnen weten en hebben gefaald' zou schrijven. Gevraagd naar problemen en misstanden uit heden en verleden barst bijna het hele gezelschap los. Er wordt geklaagd over professionele archeologen die niets willen aannemen van vrijwilligers zonder academische titel. Ook is er frustratie over het gebrek aan praktijkervaring bij sommige archeologen. We hebben toen via de toenmalige regioarcheoloog voor elkaar gekregen dat we mochten meekijken en graven. De uitvoerder vond dat maar lastig. Na een tijdje stond er ineens zwart plastic om het terrein en mochten we er niet meer op: dit is nou een voorbeeld van hoe archeologische bureaus en overheden soms de belangen van project-ontwikkelaars beschermen - ten koste van de archeologie. 
Voorlopige verklaringen Lees ook de opvallende conclusies in Archeologie in Nederland van maart 2025
a. Romeinse tijd. Sporen bijna allemaal bekend van eerdere onderzoeken; delen van fundering en buitenmuur principiae; greppel (berm greppel Via Principalis of standgreppel); barak; munten; militaria. b. Vroeg-middeleeuwse tijd. (Dom Balderik en Adelbold) Veldkeienfunderingen; munten; sporen muntatelier. Het gaat hier dus over de 10de eeuw! c. Merovingische tijd. Greppelachtig spoor van rond 700 alleen in profiel. Hoe komt men tot die datering? d. Vroeg-Karolingische tijd. Vierkante houten waterput (ontdekt door Van Giffen) bleek nog wel aanwezig. Van Giffen heeft over zijn onderzoek nooit rapportages gemaakt (p.27) e. Karolingische tijd Brok beschilderd muurpleister uit kerk, resten fundering; uitbraakspoor (uitbraaksleuven). f. 10de eeuw. Voorportaal en noordelijke transept van Heilig Kruiskapel opnieuw waargenomen. g. Late Middeleeuwen & vroege Nieuwe Tijd. Sporen Bisschopsweg; delen gotische Dom (noordmuur, koppelfunderingen kerk en toren, westgevel, pijlerfunderingen, grafkelders); kelder en tuinmuur claustra Ie Huis De Roode Poort, twee waterkelders, beerput, sarcofaag, twee inhumaties; klokkengietersafval; fragmenten van beelden; gebruiksvoorwerpen archeologisch onderzoek 1949. Is elke gevonden greppel een Romeinse greppel? Vergelijk de afbeelding hiernaast van een greppel in Amersfoorts, net buiten het centrum, waar nooit een Romein is geweest. Ook hier bestaat de opvulling uit donkere aarde. |
De geschiedenis van Sint-Ursula behoort tot de schilderachtigste heiligenlegenden van Europa. Het is een verhaal op het breukvlak van oudheid en Middeleeuwen met een rol voor de Hunnenkoning Attila bijgenaamd de Gesel Gods en verschillende vertakkingen naar de Nederlanden. Het cultuscentrum in Keulen is de aan Ursula gewijde basiliek met de Goldene Kammer: een plek die ook van belang is voor de 'prehistorie' van de archeologie. Ursula zou in Keulen omstreeks 450 haar einde hebben gevonden. Haar hoogstwaarschijnlijk geheel fictieve levensverhaal is vanaf de 10e eeuw in verschillende versies vastgelegd. Omdat Ursula als vroom christen was uitgehuwelijkt aan de heidense prins Aetherius, trok ze met 11.000 andere maagden naar Rome (in de oorspronkelijke verhalen was er sprake van slechts elf maagden). Op de terugreis werden allen bij Keulen op last van de Hunnenvorst Attila met pijlen doorboord: een massaslachting die in latere eeuwen leidde tot de verering van Ursula en haar heilige schare in grote delen van Europa. 
We bespreken de afzonderlijke hoofdstukken die elk een eigen pagina hebben.

Tongeren bezit een reconstructie (?) van het wij-altaar waaruit blijkt dat de stad een heus Romeins municipium was: een uiterst belangrijk centrum. Zie afbeelding hiernaast. Maar met het wij-altaar is heel wat aan de hand. In een tuin (?) was een wij-altaar met deze tekst ontdekt: 'I(ovl) O(ptimo) M(aximo) et Genio Mun(ictpli) Tung(rorum) Cat(ius?) Drousus sal(arius, -inator, -samentarius) Men(apiorum) v(otum) s(olvit) l(ibens) m(erito)'. De vertaling (?) is: 'Voor lupiter Optimus Maximus en de Genius van het municipium Tungrorum heeft Catius Drousus, zouthandelaar der Menapiërs, gaarne en met reden zijn gelofte ingelost'.
Toen ikzelf in 2014 voor mijn boek 'Romeinse sporen' informeerde waar ik het wij-altaar kon fotograferen, werd me geantwoord dat de steen ontoegankelijk (?) was. De naam van de eigenaar (?) kreeg ik niet te horen. Bizar. Een belangrijk Romeins wij-altaar dat schroomvallig (?) verborgen (?) blijft. Wat schuilt daarachter? Niemand (?) schijnt het te weten, of het te willen (?) zeggen. Geleidelijk belandden deze vragen in het vergeetboek. Tot onlangs (?) de stad Tongeren besloot een replica (?) van het altaar te vervaardigen. Ook daarvoor moesten de makers zich beperken tot de ene (?) foto en de ene tekening (?) uit 1994, aangevuld met algemene kennis over Romeinse wijaltaren. Daardoor kan op dit ogenblik niemand (?) vertellen of en in welke mate, de reconstructie (?) correct (?) is. Om toeristen te lokken (?) en de luister van Romeins Tongeren (?) kracht bij te zetten, voldoet deze replica natuurlijk ruimschoots. Maar wie de oudheid wil bestuderen, blijft met een lege maag aan tafel achter (?). Hopelijk wil de eigenaar (?) alsnog het altaar vrijgeven. Dit is een oproep.
Vroeg middeleeuwse munten worden met enige regelmaat gevonden in Nederland. Vaak gaat het om een enkel exemplaar. In het verleden zijn enkele schatvondsten gedaan, waarvan de context veelal onduidelijk is.
In deze Archeologie Magazine wordt een overzicht van de zes Zwammerdamschepen gegeven. Klik op de afbeelding links voor een vergroting. 

![]() Fibula waarop volgens Annemarieke Willemsen een Christelijk kruis zou staan. | ![]() Een 'Christelijk' kruis op een schild van de Vikingen. | ![]() Gouden Vikingbroche uit Hornelund in Denemarken met een duidelijker 'Christelijk' kruis dan op de broche van Wijk bij Duurstede. | ![]() Detail van het handvest van een zwaard uit het Stuttgarter Psalter. De knop is duidelijk breder dan het handvest. | ![]() Detail van het handvest van een zwaard uit Wijk bij Duurstede. De knop van het handvest lijkt helemaal niet op dat van het Psalter. Het houten handvat is verrot, maar was niet breder dan de knop. |
| Terug naar de beginpagina. | Naar het overzicht in het kort. |