Terug naar de beginpagina.
Het Bronnenboek van Nijmegen weerlegt de Karolingische geschiedenis van Nederland.
Naar het overzicht in het kort.

St.Willibrord

De grootste waanzin van de Nederlandse opvatting dat het bisdom van St.Willibrord in Utrecht lag en zijn abdij op 300km daar vandaan in Echternach. Welke pastoor bouwt zijn pastorie op 300 km van zijn kerk? In Nederland is daar ook geen enkele plausibele verklaring voor gegeven. En dat terwijl in een tekst staat dat de abdij 'buiten de muur' van Trajectum werd gebouwd. Buiten de muur geeft een nabijheid aan en niet een afstand van 300 km. In zijn abdij wenstte Willibrord ook begraven te worden. In Echternach bestaat dan wel zijn graf, maar het corpus van St.Willibrord in Echternach is aantoonbaar vals en stamt uit de 15e eeuw.

St.Willibrord kwam aan land te Gravelines en reisde vervolgens over het Almere door naar Dorestad, om tenslotte in zijn bisschopsstad Trajectum aan te komen.
In de Nederlandse traditie landt St.Willibrord in Katwijk en gaat via de Zuiderzee naar Wijk bij Duurstede om van daaruit door te reizen naar Utrecht.

En over deze absurditeit zijn in Nederland NOOIT vragen gesteld!?!

De redactie van het Historisch Nieuwsblad heeft eens een onderzoek gepubliceerd naar het historisch besef van enkele Kamerleden. Men had er beter aan gedaan zelf het eigen huiswerk wat beter te maken, voordat ze de kennis over wat weetjes uit een oud geschiedenisboekje als 'wetenschappelijk' onderzoek naar buiten hadden gebracht. Dan had men geweten dat Willibrordus helemaal niet de eerste bisschop van Utrecht is geweest, maar bisschop is geweest in Trajectum (het huidige Tournehem), dat in Frans Vlaanderen lag en nog ligt.

De landingsplaats van Willibrord (S.Wilbrordi) in het Flevum of Almere, is gelegen in de omgeving van Gravelines, zoals de bekende "Morinenkaart" hiernaast aangeeft. Tegenover Engeland aan het "Mare Brittannicum", "waar je de overkant kunt zien" zoals in enkele teksten LETTERLIJK staat. Wie het nog heeft over Katwijk als landingsplaats, denkt waarschijnlijk ook nog dat de aarde plat is.
(Klik hier voor het betreffende detail) Let op de plaats Turnhem, dat de bisschopsstad van St.Willibrord en zijn voorgangers en opvolgers was.

Willibrord arriveerde op het vasteland in de Monden van de Renus (dit is de Schelde). De juiste plaats hiervan is de omgeving van Calais en Gravelines, vanwaar hij terstond zijn missie-gebied Frisia en zijn toekomstige zetelstad Traiectum (Tournehem) bereikte. Frisia was het gebied dat geografisch (op grond van parallelle bronnen) in Frans en Belgisch Vlaanderen gezocht moet worden. De Monden van de Renus (Schelde) worden door een overvloed van teksten vanaf de Romeinse periode tot ver over de 10e eeuw aangeduid ten noorden van Boulogne. Het was Nederland niet. Vele details uit de oorkonden van Traiectum en uit de levens der heiligen zijn in Noord-Frankrijk aanwijsbaar. In een tekst door de heilige zelf geschreven zegt hij dat zijn missiegebied in Francia lag. Duidelijker kan het niet. Het meest afdoende bewijs voor de juistheid van deze reconstructie wordt gevormd door de honderden plaatsnamen, in de bronnen voorkomend, die nooit in Nederland hebben bestaan en er ook nooit zijn aangewezen; en die alle in diezelfde hoek van Frans-Vlaanderen liggen. De kerk van Gravelines draagt nog steeds het patronaat van St.Willibrord, evenals de kerk van het nabijgelegen Bourbourg ook dat patronaat draagt.

De Plaatsnamen uit de oorkonden van Aefternacum.

St. Willibrord was apostel en aartsbisschop van de "Friezen" (niet in Friesland, maar in het oude Frisia: is Frans en Belgisch Vlaanderen). Zijn abdij stond vlak bij zijn bisschopszetel. Alle plaatsen uit de oorkonden van de abdij Eperlecques lagen in zijn bisdom; dat bisdom lag in Frisia. Het ligt voor de hand dat de 214 goederen in de oorkonden van één klooster in één en dezelfde streek liggen, zodat de 214 plaatsnamen van de dokumentatie van dat bisdom derhalve ook in Frisia lagen. De plaatsen zijn niet in Luxemburg te vinden, nog minder in Friesland of elders in Nederland. Het hele complex ligt in Frans Vlaanderen, waar alle plaatsen teruggevonden zijn, zodat eens en voorgoed een einde is gemaakt aan de onzin over bezittingen van Willibrord in half westelijk Europa.
Wie gewoon nuchter nadenkt en zich niet laat misleiden door de mythen, beseft nu ook, dat weer 214 gevallen worden toegevoegd aan de reeds lange lijst van bewijzen dat St. Willibrord nooit in Utrecht heeft geresideerd.


Zie ook de kerken in Noord-Brabant.

Wat zijn de feiten en waar deden deze zich voor?

  • 714- Pepijn III (Minus=de Jongere; traditioneel foutief vertaald met 'de Korte'), de zoon van Karel Martel en de vader van Karel de Grote, werd door St.Willibrord te Soissons gedoopt! Let op: Wat doet St.Willibrord, de missiebisschop van 'Friesland', daar in Frankrijk?
  • 742- Karel de Grote, "onwettige" zoon van Pepijn de Korte en Bertha, dochter van de graaf van Laon, wordt geboren in Quierzy, op 11 km. ten oosten van Noyon. De bijzondere band met Quierzy (tegen andere zogenaamde geboorteplaatsen) wordt aangetoond omdat Karel meestal daar Kerstmis of het Paasfeest vierde.
  • 742- Karel de Grote wordt door aartsbisschop Bonifatius gedoopt. Let op: Wat doet St.Bonifatius, de missiebisschop van Thüringen, daar in Frankrijk?
  • 749- Pepijn III en Bertha van Laon trouwen, waardoor Karel een "wettige" zoon werd, wat door Carloman en zijn aanhangers nooit geaccepteerd werd.
  • 751- Pepijn III zet Chilperik III af (de laatste Merovingische koning) en wordt door St.Bonifatius te Soissons tot koning gezalfd. Let op: Wat doet St.Bonifatius, de missiebisschop van Thüringen, daar in Frankrijk?
  • 751- Geboorte van Carloman, wettige zoon van Pepijn de Korte en de broer van Karel de Grote.
  • 751- Karel de Grote wordt door aartsbisschop Bonifatius tot Koning van Neustrië gezalfd, zijn broertje Carloman tot Koning van Austrasië, beiden naast hun vader Pepijn III. Wat Bonifatius hier doet: zie hier.
  • 768- Pepijn de Korte, de vader van Karel de Grote, overlijdt en wordt te St.Denis bij Parijs begraven.
  • 768- Beide zonen van Pepijn III volgen hem op. Karel de Grote wordt gekroond tot Koning der Franken te Noviomagus Urbem (Noyon). Carloman werd gelijktijdig tot (mede-)koning der Franken gekroond te Suessionis Civitatem (Soissons) de aloude stad van de Karolingen).
  • 770- Carloman betrekt de palts Noviomagus (Noyon) en geeft er meerdere oorkonden uit, getekend met o.a. "Neumago palatio publico". Karel verblijft te Quierzy (zijn geboorteplaats) en geeft daar oorkonden uit.
  • 771- Carloman overlijdt, waarna Karel zich onmiddellijk naar Corbeny begeeft waar de vazallen van Carloman verbleven, die hem als koning erkenden. Na de dood van Carloman wordt Noviomagus (Noyon) de voornaamste residentie van Karel de Grote. Hij geeft de opdracht tot de bouw van een nieuw Paleis te Noviomagus, omdat het oude Merovingische Paleis te klein werd bevonden. (Dit oude Paleis was voor de helft in gebruik gegeven als klooster)
  • 773- Karel de Grote verblijft nog steeds te Quierzy en geeft een oorkonde uit voor de abdij van Novelaise.
  • 774- Karel de Grote tekent weer diverse dekreten te Quierzy.
  • 775- Karel de Grote tekent te Quierzy enkele oorkonden voor de abdij van St.Denis bij Parijs.
  • 776 en 777- Karel de Grote ondernam een reis naar Rome. Hij keerde in Francia terug, vermelden de kronieken.
  • 776- Karel de Grote vernieuwde, weer te Quierzy, de beschermtitel van een klooster.


    Keizer Karel de Grote in zijn palts te Noyon

    Tot hier komt Nederland of Nijmegen in het hele verhaal niet voor!


    Dat wordt ook door het Bronnenboek van Nijmegen erkend, want geen van deze teksten waarin het over Noviomagus gaat, worden erin genoemd.

    En dan....in het jaar 777.

    Dan betrekt Karel de Grote zijn nieuwe Paleis, dat in pracht en praal gebouwd was en zijn gelijke niet kende, zoals het beschreven wordt. Het oude Paleis was te klein geworden, zeker omdat het voor de helft in gebruik was als klooster. Algemeen gaat men er van uit dat Karel de Grote in 777 zijn nieuwe Paleis betrekt, niet dat het in kronieken als zodanig vermeld staat, maar vanwege de ondertekeningen van oorkonden met Noviomagus, Numaga, Niumago en andere variaties en met de woorden "palacio publico". Karel de Grote is sinds het overlijden van zijn broer Carloman, definitief van Quierzy naar Noyon, zijn kroningsplaats, verhuisd. Quierzy komt niet meer voor in de ondertekening van akten. Noyon is ook steeds het Noviomagus in het centrum van zijn rijk, waar Karel de Grote aanwezig is als zich problemen voordoen. Nijmegen, dat ver buiten het centrum van zijn rijk gelegen zou zijn, is alleen al vanwege deze onlogica, een dissonant.
    Hier tekent Karel de Grote tekent de eerste "actum Niumago palacio publico", vanuit het nieuwe Paleis van Karel de Grote, dat in Noviomagus lag.

    Was dit Noviomagus Nijmegen of Noyon?

    Dit is de centrale en allesomvattende vraag.

    Wat dacht U van Noyon, waar Karel de Grote in 768 tot koning van de Franken is gekroond?


De bronnen van het bisdom Utrecht tenslotte tonen aan, dat dit een volledig nieuwe instelling uit de 10e eeuw is, aan welke pas eeuwen later -zeer geleidelijk en langzaam- de idee werd opgedrongen van de zetel geweest te zijn van Willibrord; zó langzaam dat Utrecht hieruit pas in de 14e eeuw de eerste voor de hand liggende consequenties begon te trekken. Pas in 1940, dus 12 eeuwen na zijn dood, werd St.Willibrord tot kerkpatroon van de Nederlandse kerkprovincie uitgeroepen. Dit naar aanleiding van een kritische publicatie van Dr.P.Boeren die stelde dat St.Willibrord eerder de apostel van Brabant, dan van Friesland genoemd moest worden. Dat kerkpatronaat had men beter in 1853 bij het herstel van de kerkelijke hiërarchie uitgeroepen, toen eindelijk ook in Utrecht een aartsbisschop zetelde. Dat men dat toen naliet bewijst eens te meer dat in Nederland nooit een sterke St.Willibrord traditie heeft bestaan, terwijl juist de traditie door "historici" te pas en te onpas als argument wordt gebruikt.
In Dokkum is nimmer een bisschop vermoord en al zeker niet de opvolger van Willibrord, Bonifatius. In die tijd bestond Dokkum niet eens blijkt uit recent onderzoek. Hij is in 754 vermoord in de buurt van (in pagus) Dockynchirica, het tegenwoordige Duinkerken in Noord-Frankrijk.
De verering van Willibrord als bisschop der Friezen is pas in de 14e eeuw op gang gekomen onder invloed van de abdijen van Echternach en Egmond, die op grond van verkeerde (al of niet bewuste) interpretaties van oude teksten zich op een makkelijke manier land, en dus de opbrengst ervan, konden toeëigenen.
Over de geschiedenis van de lage landen tussen 200 en 1100 zijn meerdere onderzoeken gepubliceerd die allen hetzelfde beeld geven: Nederland -zoals wij dat nu kennen- stond voor het grootste gedeelte onder water.

St.Willibrord devotie.
Er wordt nog wel eens gepoogd 'Willibrord in Utrecht' te redden door zijn verblijf aldaar slechts kort te houden. Zelfs vanuit de hoek van het Nederlandse episcopaat wordt gesteld dat zijn verblijf hier slechts kort duurde, omdat de Friezen niet bekeerd wilden worden, waarna St.Willibrord naar Echternach (1) uitweek (om daar te gaan zitten kniezen?).
Maar ook in korte tijd kan men verdrinken, immers het staat vast dat het gebied rondom Utrecht (en verder) in de tijd van St.Willibrord ver onder water stond. Bovendien is een kort verblijf van St.Willibrord en het niet kunnen bekeren van de Friezen in flagrante tegenspraak met wat de bronnen (waaronder die van St.Willibrord zelf, van St.Bonifatius en Beda) ons vertellen. Daarin is te lezen dat St.Willibrord tot in lengte van dagen vanuit zijn te Traiectum gevestigde zetel werkzaam was. Overigens zou de zienswijze van de bisschoppen, St.Willibrord de titel van 'apostel van Friesland' afhandig maken. Immers als hij geen Friezen heeft bekeerd, waarom zou hij dan deze titel mogen voeren.

Toch hoeft men zich in de Nederlandse Kerkprovincie geen zorg te maken omtrent een St.Willibrord devotie. Ondanks de onmogelijkheid van het bestaan van zijn bisschopszetel te Utrecht, een feit dat steeds meer aanvaard wordt, heeft St.Willibrord toch een invloed gehad op de Kerstening van "ons land". Een groot deel van onze verre voorouders is immers als immigranten afkomstig uit het eerste Friesland in noordwest Frankrijk. Vermoedelijk telt ons land óók katholieken van wie één of méér uit de talloze voorouders door hem werden bekeerd.

(1) De abdij van Echternach werd exact zegge en schrijve in 974 gesticht, dat is 235 jaar ná de dood van de heilige; het blijft onthutsend te moeten constateren dat men óók omtrent die 300 km-verre 'abdij van Willibrord' -het sinds lang meest twijfelachtige punt uit heel de Willibrordmythe- weigert van de meest elementaire gegevens zelfs maar kennis te nemen.

De noordelijke traditie.

De corpus van St.Willibrord in Echternach is aantoonbaar vals en stamt uit de 15e eeuw.
  • Er bestaan van St.Willibord twee corpi en zelfs drie hoofden. Naar Echternach, bezat ook Abbeville en corpus en in Aken claimt met het hoofd van St.Willibord te hebben, Een tri-locatie zijn er twee teveel, zelfs bij zo'n grote heilige als Willibrord!
  • Het is opvallend dat vóór 1559 van enige officiële verering van Sint Willibrordus, Sint Bonifatius en andere geloofsverkondigers geen sporen zijn. Van devotie tot Willibrord, Servatius, Bonifatius, Lebuinus, Plechelmus, Odulphus, Jeroen of andere Nederlandse heiligen vernemen wij in de middeleeuwen niets. (Bron: L.J.Rogier, II p.763)
    Bij een juiste beschouwing is dit dus niet opvallend. De devotie ontbrak aangezien deze predikers niet in Nederland thuishoren. De devotie tot St.Willibrord en andere predikers werd niet gedragen door de bevolking, waarmee aangegeven dat deze hier niet thuishoorde. Dat had de bevolking dus eerder begrepen dan de geschiedschrijvers.
  • In de noordelijke traditie is vóór 1400 geen enkele feestdag, geen enkele Utrechtse oorkonde of Kerkelijk feest gedateerd naar het feest van St.Willibrord. Vóór de 14e eeuw heeft men in Utrecht het Kerkelijk feest van St.Willibrord niet gevierd.
  • In het gebedenboek van Utrecht (?) uit 1498 is het feest van St.Willibrord in zwart geschreven (evenals het feest van Lebuinus en van Bonifatius). Het zijn in het bisdom Utrecht dus geen verplichte feestdagen en dus niet belangrijk. Daarom wordt wel getwijfeld of het gebedenboek voor Utrecht gemaakt is. Het is typisch een omgekeerde gedachtengang.
  • Er zijn in Europa geen sporen van geloof of Christelijke cultuur die vanouds her naar Utrecht verwijzen. In Nederland bestaat geen enkel kunstwerk van vóór de 17e eeuw dat geïnspreerd is op het leven van St.Willibrord.
  • Utrecht heeft geen eigen documentatie gehad van vóór 936. De documentatie van daarvoor heeft betrekking op het oude bisdom van St.Willibrord te Tournehem. De eerste geschriften van Utrecht waren afkomstig van de abdij van Egmond, die gesticht is vanuit Gent. Daar kwam dan ook het eerste Cartularium vandaan, dat weer afkomstig was uit Noord-Frankrijk. In de Annalen van Egmond van vóór de 12e eeuw komt St.Willibrord als bisschop van Utrecht dan ook nergens voor. De abdij van Echternach zet Nederland in de 12e eeuw op een vals spoor.
  • Het bisdom Utrecht wordt eind 10e/begin 11e eeuw nieuw gesticht en vermoedelijk was Balderik de eerste bisschop van Utrecht! Meer zekerheid vindt men pas bij bissschop Adelbold, de opvolger van bisschop Ansfridus waar ook de nodige vraagtekens bij te plaatsn zijn (zie aldaar).
  • In 1148 volgt een interessant bericht over de stadsbrand onder bisschop Adelbold. "De aloude tempel van St.Martinus, door bisschop Adelbold gebouwd, verbrandde, en met deze drie andere kerken, namelijk van St.Paulus, St.Johannes Baptist en St.Pieter. De kerk van St. Salvator, ook naar waarheid de kerk van St. Bonifacius genoemd, werd door de genade van de Salvator door een wonder gespaard". Is het niet verbazingwekkend, dat hier St. Willibrord niet wordt genoemd, die door de latere historici zo grif is aanvaard als de bouwheer van de St.Salvator in Trajectum
  • De naam Trajectum is misleidend, omdat in Utrecht geenszins sprake was vaneen traiectum/oversteekplaats. Ten noorden vanUtrecht ligt een groot moera- en veengebied, ontoegankelijk en onbewoond. Het gaat hier wel over de 7de en 8ste eeuw! Dat is wel het geval in de Franse plaats Traiectum/Tournehem. Zoals gezegd zijn daar ter plekke in de rivier de Hem de plaveiselstenen nog steeds zichtbaar. Utrecht heette vanaf toen dus eveneens 'Traiectum' in kanselarij-taal, zonder dat die naam door ook maar één enkel historisch of archeologisch gegeven is bewezen.
  • De monniken van Egmond hebben de aanwezigheid van St.Willibrord als bisschop van Utrecht ook later niet toegevoegd aan hun annalen, hoewel de mythe toen al wel bestond. Blijkbaar was hun tekstkritisch inzicht groter dan van latere historici.
  • In de noordelijke traditie wordt vóór de 12e eeuw geen enkele volksdevotie rondom St.Willibrord vermeld. Erger nog, het woord Willibrord staat vóór de 12e eeuw in geen enkel Nederlands geschrift. De eerste Nederlandse schrijvers noemen hem nergens.
  • Melis Stoke (eind 13e eeuw) is de eerste Hollandse schrijver die St.Willibrord wel noemt, maar nergens enige activiteiten van hem in Holland, Friesland of Utrecht vermeld. Hij plaatst het missiegebied van Willibrord aan de Schelde wat helemaal correct is, al was het niet in Antwerpen, wel in het andowerpium (aanwerp) van de zee, wat Marck bij Calais was, dat vrijkwam na de transgressies.
  • Pas in de kroniek van de Clerc uten Laghen Lande (1349-1356) kan men lezen dat St.Willibrord naar Heiloo kwam en daar een bron opende.
  • Er zijn in Nederland geen patronaten van kerken van St.Willibrord van vóór 1157. Het oudste patronaat van de kerk in Klein-Zundert (onder Breda) is een stichting vanuit Tongerlo, dus vanuit het zuiden en niet vanuit Utrecht. Pas daarna komen de stichtingen van kerken vanuit Echternach, dus weer niet vanuit Utrecht, op gang. Zie ook de kerken in Noord-Brabant.
  • Toen bisschop Hunger van Trajectum en de monniken van de abdij van St. Willibrord in november of december van het jaar 857 overhaast moesten vluchten, was er geen kans meer, zelfs als zij dit gewild hadden, om de relieken op te halen en mee te nemen, daar het gehele tussengebied door de Noormannen was bezet. Hij vluchttenaar de abdij van Prürn, waar koning Lotharius II vertoefde. Hen werd in 858 een abdij aangewezen te Berg aan de Sura, waar een St.Pietersklooster leeg stond. Deze gang van zaken toont al aan dat het corpus in Echternach vals is.
  • In de oorspronkelijke akte heeft gestaan: “Berg aan de Sura”, de Sauer, waarvan de 13e-eeuwse of nog latere kopiïst van Egmond, die deze rivier niet kende, maar Rura(de Roer) maakte; te meer omdat bij die rivier het klooster van St.-Odiliënberg lag, waarvan hij meende dat dit het klooster “Berg” was. Dit leidde later weer tot de conclusie, dat St.-Odiliënberg bezit van het bisdom Utrecht was, wat pas geponeerd kon worden nadat het Cartularium van Radboud (dat voor deze episode de enige authentieke bron is) door Utrecht gekopieerd was. St.-Odiliënberg is nooit bezit van Utrecht geweest
  • Het Cartularium van Radboud bevat een doorslaand bewijs dat de traditionele reconstructie onjuiste is. Het geeft namelijk een goederenlijst uit ca.870 van het bisdom Traiectum. Daarin zijn 205 plaatsnamen genoemd waar het bisdom rechten en goederen bezat. Het zijn allemaal Franse plaatsen, nooit in Nederland teruggevonden of ook maar getipt, op een enkel fantasietje (nog geen 1%) van prof.D.P.Blok na.
  • Daarnaast zijn honderden plaatsnamen uit de klassieke historische bronnen onvindbaar in Nederland, Duitsland of Luxemburg, maar zijn wel aan te wijzen in Vlaanderen. Hert zijn 362 namen van het bisdom Trajectum die onvindbaar zijn in Utrecht; 214 namen van de abdij Aefternacum zijn onvindbaar bij Echternach (Lux). In Vlaanderen zijn ze allemaal aan te wijzen.
  • Van de vele goederen en kerken van St.Willibrord zijn er in de noordelijke traditie geen in of bij zijn bisdom Utrecht of bij Echternach, zijn abdij, gelocaliseerd. Dit is onaanvaardbaar voor een missiebisschop die met de opbrengsten uit deze goederen directe steun ontving voor zijn missiewerk en dagelijks onderhoud. Ook Friesland, waar toch het zwaartepunt van zijn missiewerk gelegen moet hebben, blijft blanco. Daar lagen geen goederen van het bisdom of van de abdij.
  • De goederen van St.Willibrord in Brabant werden vanaf de 12e eeuw allemaal (met valse en verkeerd begrepen akten) vanuit Echternach geclaimd, geen enkele vanuit het bisdom Utrecht, terwijl de goederen aan het bisdom Trajectum waren geschonken. Er bleek geen band te bestaan tussen deze goederen en het nieuwe bisdom Utrecht.
  • Pas in 1940, dus 12 eeuwen na zijn dood, werd St.Willibrord tot kerkpatroon van de Nederlandse kerkprovincie uitgeroepen. Dit naar aanleiding van een kritische publicatie van Dr.P.Boeren die stelde dat St.Willibrord eerder de apostel van Brabant, dan van Friesland genoemd moest worden. Dat kerkpatronaat heeft men niet in 1853 bij het herstel van de kerkelijke hiërarchie uitgeroepen, toen eindelijk ook in Utrecht een aartsbisschop zetelde. Dat bewijst des te meer dat in Nederland in de 19e eeuw geen enkele St.Willibrord traditie of devotie bestond.
  • In 1942 werd in Utrecht plots een standbeeld van St.Willibrord opgericht mede naar aanleiding van het gebeuren in 1940. Waarom toen pas en waarom niet al in 1853? Men plaatste Willibrord op een paard, wat een farce is voor een Benedictijn, net als het onmeetbare missieggebied. Dan is een paard om dat te bereizen zeker noodzakelijk. Maar zowel Alcuinus als Bonifatius (en Willibrord zelf) schrijven dat hij tot op hoge leeftijd op dezelfde plaats werkte. Voor een Bendictijn gold de regel van 'stabilitas loci'. "Wie op een paard zit deugt niet!"
    Uitspraak van Maarten van Rossem in "Hier zijn de Van Rossems".
  • In Echternach hield en houdt men heden nog steeds vast aan Gravelines (bij Calais) als landingsplaats van St.Willibrord. Hoe verhoudt zich dat tot de traditie van Katwijk, waaraan alleen in Nederland wordt vastgehouden? De Franse en Duitse historici, maar ook Echterbnach houden vast aan Gravelines als landingsplaats, wat sinds mensenheugnis de vaste oversteekplaats was. Het is de enige plaats waar je vanuit Engeland 'de overkant ziet', wat voor elk zeevarendvolk het meest logisch is.
  • In de traditionele opvattingen zou St.Willibrord in een oneindig groot missiegebied gewerkt hebben, dat zijn weerga niet gekend heeft. Dat is teveel eer voor deze eenvoudige predikers die in Noord-Frankrijk er een is uit een lange rij en in een beperkt gebied heeft gemissioneerd. Gezien de omvang van het goederenbezit van St.Willibrord, maakt de geschiedenis van hem de eerste vliegende apostel van west-Europa. Slechts de mythen heeft van St.Willibrord een reislustige missiebisschop gemaakt. Als Benedictijnen gold voor hem, naast de 3 hoofdregels (gehoorzaamheid, kuisheid en armoede), vooral de "Stabilitas loci", het levenslang verblijf in het eenmaal gekozen klooster.

    Steeds opnieuw steken allerlei uitvluchten de kop op om de mythe te redden. Tijdens een TV-uitzending op 6 november 1989 werd gepoogd "Willibrord in Utrecht" te redden door zijn verblijf aldaar slechts kort te houden. Blijkbaar kwam dat voort uit een opmerking van Monseigneur M.Muskens, die in een gesprek met het dagblad "De Telegraaf " (4 november 1989) onthulde dat "Willibrord de Friezen niet bekeerd heeft, omdat zij niet wilden (?!?), waarna hij naar Echternach uitweek!" (en daar zeker verder zat te kniezen om die vermaledijde Friezen).
    Zo'n voortijdige aftocht van St.Willibrord is natuurlijk historisch gezien volkomen naast de waarheid. Zowel de getuigenissen van St.Bonifatius, Beda en... St.Willibrord zelf, verklaren dat hij tot in hoge leeftijd vanuit zijn te Traiectum gevestigde zetel werkzaam was. Bovendien zou het in strijd met de kloosterbelofte van de Benedictijnen geweest zijn, waarbij 'Stabilitas' als een der voornaamste regels gold! Een Benedictijn ging niet op de vlucht! Vergelijk dat b.v. met de moord op St.Bonifatius, die inderdaad heeft plaatsgehad, echter niet in Dokkum.
    Op deze manier maakt bisschop Muskens van St.Willibrord een lafaard en een slappeling en maakt hem de enige reden afhandig waarom hij tot patroon van de Nederlandse kerkprovincie werd verheven. Dit gebeurt nu wanneer ondeskundige zich met de geografische historie van Nederland gaan bemoeien: blunder op blunder.


  • Bovendien is de regels van "Stabilitas loci", het levenslang verblijf in het eenmaal gekozen klooster. Overigens worden grote missiereizen ook nergens beschreven of genoemd. St.Willibrord en St.Bonifatius waren Benedictijnen en bleven beiden tot op hoge leeftijd in het hun toegewezen missiebisdom. Verre reizen of een immens groot missie gebied zijn dan ten ene male uitgesloten.
  • "In Nederland zijn van Ameland to Zeeland Willibrordusputjes en -bronnen te vinden. Van veel plaatsen staat vast dat Willibrord er nooit geweest is. Illustratief is het verhaal van de Willibrordusput in Oss. De put dateert van 1925 en enige wetenschappelijke grond voor een bezoek van St.Willibrord aan dit stukje Brabant is niet gegeven. Het voornaamste argument is gebaseerd op de verkeerde lezing van een tekst. 'In loco Deosne' werd gelezen als 'in loco de Osne', waarbij Osne dus Oss werd. Wat bewezen moest worden was bewezen en de nieuwe mythe was geboren." (Bron: Jacobs). Commentaar: niet van veel plaatsen staat dat vast, maar van alle Nederlandse plaatsen.
  • Bovendien zijn alle Willibrordusputjes, maar ook die van St.Bonifatius worden toegewijd, een grote farce. St.Willibrord en St.Bonifatius waren zeer Rome getrouw en juist de paus had verboden vanuit putjes en bronnen te dopen. Dit in verband met het "heidense karakter" dat aan putten en bronnen werd gegeven. Hier wordt St.Willibrord en St.Bonifatius even het overtreden van de regels uit Rome in de schoenen geschoven. Blijkbaar zijn er weinig katholieken onder de historici.
  • Van de 21 plaatsen in Brabant waar St.Willibrord bezittingen zou hebben gehad is nooit aangetoond dat deze plaatsen in de 7e en 8e eeuw al bestonden. Archeologisch ontbreekt elk bewijs en een historische continuïteit naar de 12e eeuw is een mythe. Er zijn geen kerkelijke documenten van de kerken bekend. In de kerken in die plaatsen zijn slechts 5 altaren aan St.Willibrord gewijd. Van die 21 (verkeerd) gelocaliseerde plaatsen worden er slechts 8 zogenaamd in het "testament van St.Willibrord" genoemd. Vanuit Echternach zijn pas in de 12e eeuw slechts 4 van die 21 plaatsen geclaimd als zijnde bezittingen van Echternach. De overige 17 zijn pas veel later door de historici gelocaliseerd, helaas allemaal foutief. lees alles over de kerken van Brabant. A.J.Bijsterveld moest erkennen dat er geen 8ste-eeuwse kerken in Brabant bestaan. De oudste kerken stammen uit de 12de eeuw.

  • De Willibrord-congressen in 1989 en nu in 1995 handelen over van alles, maar gaan voorbij aan de essentie van de zaak met betrekking tot Willibrords leven en werk in de juiste streek. Utrecht viert het feest, een feest echter dat gefundeerd is op drijfzand. VVV en horeca zijn natuurlijk wel in staat om op dat drijfzand een Willibrord-menu te serveren met een heerlijk Willibrord-wijntje. Laten we ons troosten met de gedachte dat deze wijn afkomstig is uit oude Franse kloosters. Dan kunnen ook wij als 'buitenstaanders' ons toch nog een beetje thuis voelen. Hor(ec)a est!
  • St.Willibrord zou 44 jaar bisschop van Utrecht geweest zijn, begraven in Echternach. Vreemd is het dan, dat er van zijn verblijf (of van zijn gevolg) niets is teruggevonden in Utrecht. Geen kerk, geen bewoning in de 8e eeuw, maar ook geen geschriften. Alles wat wij over St.Willibrord weten staat in Franse bronnen. Zie als voorbeeld de claims van Echternach in Brabant ! Ook die claims die Echternach aanvankelijk in Noord-Holland stelde, zijn door de graaf van Holland afgewezen. Er is in Noord-Holland of in Friesland geen enkele kerk vanouds aan St.Willibrord toegewijd geweest of in het bezit van Echternach geweest.


De zuidelijke traditie.

  • In Frankrijk en Vlaanderen werd vanouds het feest van St.Willibrord gevierd in de bisdommen Kamerijk, Terwaan en Metz. In het bisdom Arras is het nog steeds een voorgeschreven feest. Je vraagt je dan af hoe de bisschop van Utrecht en patroon van de Nederlandse Kerkprovincie in die bisdommen in Noord-Frankrijk terecht gekomen is.
  • De Engelse bisschop Acca op bezoek bij Willibrord: ca. 722 De eerbiedwaardige bisschop Acca die naar Rome reisde en vanuit Brittannia overstak, neemt de kortste en de gebruikelijke weg. Acca reisde derhalve over het noorden van Frankrijk en niet over Utrecht (dat toen nog niet eens bestond).
  • In Frans en Belgisch Vlaanderen leeft St.Willibrord voort in relieken en kerkpatronaten, zoals in Gravelines (zie foto hiernaast) en in plaatsnamen, zoals Clemskerke. Ook de kerk van het nabij Gravelines gelegen Bourbourg had het patronaat van St.Willibrord. De vraag hoe "de apostel van Nederland" in Franse kerken terecht kwam, is dan ook zeer gerechtvaardigd. De Brabantse plaats St.Willebrord (gemeente Rucphen; let op de andere schrijfwijze met -e-) draagt deze naam pas sinds de 19e eeuw.
  • In Frankrijk en Vlaanderen wordt het bestaan van een devotie aan de hand van akten bewezen, vóórdat in Nederland het woord Willibrord voor de eerste keer (in de 13e eeuw) genoemd werd.
  • In de zuidelijke traditie zijn alle goederen en kerken van St.Willibrord te lokaliseren in een wijde kring rondom Tournehem. Ook de plaatsen die in de noordelijke traditie altijd 'onvindbaar' waren en vreemde elementen vormden, omdat er geen enkel aanknopingspunt aanwezig was, zijn daar te lokaliseren.
  • Er bestaan van St.Willibrord 36 oorspronkelijke levensbeschrijvingen (vitae) afkomstig uit Frankrijk, België, Luxemburg of Duitsland. Geen enkele van de oudste vitae is afkomstig uit Nederland wel enkele laatste.
  • Er bestaat in Noord-Frankrijk een sterke devotie rondom St.Ludger, St.Lebuines, St.Anskarius en St. Bonifatius, hoewel allen apostel in noordelijke gebieden zijn verklaard. Waar komt dan die zuidelijke devotie vandaan? Van Ludger bestaat de legende dat hij eens ganzen vermanend toesprak voor hun gesnater. Ze hielden meteen op met snateren. Sindsdien wordt Ludger ook afgebeeld met een gans. Deze legende bevat wel een geografische aanwijzing, namelijk ganzenteelt' die nog steeds bestaat in Noord-Frankrijk: 'Foie de Gras' is er een begrip. In Nederland kenden we dat niet in de 8ste eeuw.
  • St.Willibrord is gestorven op 6 november. Zijn feestdag (sterfdag) is echter vastgesteld op 7 november. Waarom die verplaatsing van één dag? Slechts in Noord-Frankrijk vindt men een reden voor die verplaatsing. Daar werd op 6 november reeds de feestdag gevierd van St.Winnok, die juist in die streek erg populair was. Alleen hier had men een reden de sterfdag van St.Willibrord een dag te verplaatsen. Daarom staat dus onomstotelijk vast dat de cultus van St.Willibrord juist in deze streek zijn oorsprong vond.
  • De plaats Trajectum bestond al vier eeuwen vóór St. Willibrord en hier had de heilige enkele voorgangers. De kerk van Trajectum bestond dus al lang voor hem, wat voor het Nederlandse Utrecht volstrekt onaanvaardbaar is.
  • St.Willibrord had in zijn missiewerk onder de Friezen meerdere voorgangers, zoals: St.Eloy (bisschop van Noyon), St.Amandus (St.Amand-les-Aux), St.Wilfried (bisschop van Evreux) en St.Egbert (abt van het Ierse klooster waar St.Willibrord monnik werd) , die allen op de kalender van St.Willibrord genoemd worden en allemaal een devotie in Noord-Frankrijk hebben. Geen van deze voorgangers van St.Willibrord is in Nederland bekend en wordt hier ook niet kerkelijk gevierd.

De traditie van
St.Bonifatius in Dokkum ontstond pas in de late Middeleeuwen.

De St.Willibrordus-mythe in Utrecht.


Wat historici schrijven over St.Willibrord, Utrecht en Egmond!

    "Wie de plaatsnamen uit het land van Boulogne en St.Omer in Noord-Frankrijk niet kent, zal nooit op de gedachte komen om de schenkingen van St.Willibrord in die streek te lokaliseren". (M.Mähler)

  1. Tussen 250 en 950 ontbreekt elke vorm van bewoning in Utrecht. (Bron: W.van Es).
    St.Willibrord en zijn voorgangers en opvolgers hebben er dus nooit een bisschopszetel kunnen hebben. Immers zonder bewoners valt er niets te bekeren.

  2. Tussen de 4e en 11e eeuw heeft de plaats Utrecht niet bestaan. (Bron: Archeologische Kroniek van de Gemeente Utrecht 1990-1991).
    Uit deze periode wordt volgens de Archeologische Kroniek (zie p.81-84) weinig tot niets gevonden. Lees voor dat 'weinig tot niets' maar gewoon 'niets'. De continuïteit vanaf de Romeinse tijd is wel altijd aangenomen, maar nooit aangetoond. Het gevonden aardewerk stopt qua datering in de 3e eeuw, wat overeenkomt met de andere Romeinse vindplaatsen in Nederland. Daarna begint, volgens de Kroniek, de geschiedenis weer in 1050 met de stichting van de St.Paulusabdij. Bij dit jaartal 1050 kan men vraagtekens plaatsen, aangezien de oorkonde die van deze stichting melding maakt een later opgestelde en geïnterpoleerde oorkonde is (zie bij St.Ansfridus).

  3. Enkele citaten uit de Archeologische Bouwkroniek van de gemeente Utrecht, 1988 over opgravingen op het Domplein, waar het Romeinse castellum is gelocaliseerd, laten geen enkele onduidelijkheid bestaan.
    1. Het genoemde fundament kan niet afkomstig zijn van de kapel van St.Willibrord, laat staan van de nog vroegere uit de tijd der Merovingers, welke door koning Dagobert aan de Keulse bisschop Kuibert (625-665) zou zijn geschonken (p.55).
    2. Het oudste gedocumenteerde bericht over de St.Thomaskerkje binnen Tricht (het kerkje van Dagobert uit begin 7e eeuw, red.) dateert uit 1148 en staat in de Annalen van Egmond (p.61).
    3. Voorwerpen die zich door herkomst uit de Karolingische tijd kenmerken zijn niet tevoorschijn gekomen (p.64).
    4. Scherper aanwijzingen, sterker sprekende gegevens zullen echter gevonden moeten worden om de veronderstelling aannemelijk te maken dat op deze plek in Utrecht de eerste Christenkerk heeft gestaan, dat van hieruit de kerstening van Noord-Nederland een aanvang heeft genomen (p.74).
    5. Er zijn enkele laat- en vroeg-Karolingische scherven gevonden, maar Merovingische vondsten ontbreken ten ene male (p.76).
    6. Verder konden wij nog steeds geen der kerkjes van Willibrord (690-739) lokaliseren, zeker niet door vondsten van restanten of sporen daarvan in de bodem (p.79).
    7. Ook de vroeger gevonden H.Kruiskapel werd geacht niet ouder dan de 10de of 9e eeuw te zijn. Alles bijeen werden dus noch frankische kerkjes noch die van St.Willibrord aangetroffen (p.79).
    8. De verlanding (Achter Clarenburg) heeft eerst na de Karolingische tijd plaatsgevonden, vermoedelijk kort voor of in de 12e eeuw (p.25).

    Het is wel duidelijk dat er in Utrecht geen sporen zijn te vinden van het verblijf van St.Willibrord en directe opvolgers, maar al helemaal niet van zijn voorgangers van prediking onder de Friezen! Zeker het ontbreken van Merovingische vondsten vormt een onweerlegbaar bewijs van de verkeerde toepassing van veel oude kronieken op Utrecht. Het oudste bericht over het kerkje van Dagobert waar het aan Utrecht gekoppeld is, dateert uit 1148 en staat in de Annalen van Egmond. Maar deze Annalen waren in oorsprong afkomstig uit Noord-Frankrijk (St.Omaars)! Moet daar dan ook niet het kerkje van Dagobert gezocht worden? Met de interpolatie uit 1148 wordt haarfijn aangegeven wanneer de St.Willibrordus-mythe ontstond: in het begin van de 12e eeuw, toen er ook weer voor het eerst grootschalig bewoning op gang kon komen (let op de genoemde verlanding.).

  4. Zoals overal in de binnenstad van Utrecht bestaat de ondergrond geheel uit door de rivier afgezette sedimenten. (Archeologische en Bouwhistorische Kroniek 1991-1992 p.216 e.v.)
    In diverse artikelen in de Archeologische en Bouwhistorische Kronieken is sprake van wateroverlast, van een drassige bodem, maar ook maatregelen die men nam voor de waterhuishouding. Ook worden sloten genoemd waarbij een laag humeuse klei wijst op dichtslibbing of aangepunte houten paaltjes onder een stenen vloer of fundament bedoeld om een stevige ondergrond te krijgen. Dit alles wijst op de aanhoudende wateroverlast waar Utrecht steeds mee te maken heeft gehad. Bisschop Godebald wilde daarom een dam aanleggen in de Rijn om die wateroverlast te voorkomen. Maar juist daartegen protesteerden de burgers die hun inkomsten zagen verdampen, als zij niet meer over water handel konden drijven met o.a. Duitsland. In 1125 ontviel aan de burgers hun machtige beschermer keizer Hendrik V, die op 10 juni 1125, kort voor Pinksteren in Utrecht overleed. De afgedwongen welwillendheid van bisschop Godebald liep hiermee ten einde. Bisschop Godebald verplaatste 2 van de 4 jaarmarkten waartegen het merendeel van de burgers protesteerde met de schending van hun 'gewoonten'. Die 'gewoonten' bleken al te hebben bestaan, zoals ze zeiden, onder verschillende voorgangers van bisschop Godebald. Het was dus niet zo dat de jaarmarkten pas ontstonden in 1122 of op grond van het toen verkregen 'stadsrecht'. Bij hun klachten vonden de burgers invloedrijke medestanders in hertog Godfried van Leuven (later van Brabant) en heer Herman van Kuik, een belangrijk Stichts edelman. Op grond van deze bezwaren stond Godebald toe dat de markten opnieuw verhuisden naar de oude plaats; met de doorzichtige verklaring dat de huizen daar beter gebouwd waren, poogde de bisschop zijn gezicht te redden. Maar deze 'doorzichtige verklaring', zoals historici dit noemden, geeft precies aan waarom bisschop Godebald de jaarmarkten verplaatste. Niet de huizen waren daar beter gebouwd (misschien ook wel), maar de ondergrond was steviger en minder drassig door de aanhoudende overstromingen met kans op verzakkingen en dito ongelukken. Lezen we niet in 'Utrecht aan zee' van Herman Jansen (2003): De stad Utrecht is onttrokken aan het moeras!
    Overigens is van het verkrijgen van 'stadsrecht' in de hier genoemde oorkonde geen sprake. Kaj van Vliet omschrijft het in Jaarboek Oud-Utrecht 1995 als volgt: Een stadrecht in de klassieke zin was het in ieder geval niet.. Het was een tolprivilege! Het komt er dan ook op neer dat Utrecht in 1122 geen stadsrecht kreeg. Het aan Utrecht verleende 'recht' was slechts een tolrecht, dat het nog moest 'delen' met Muiden. Van een stadsrecht is dan ook geen enkele sprake geweest.

  5. "Zien we nog iets terug van Willibrord?" "Nou niet echt direct" antwoordt Herre Wynia, gemeentelijk archeoloog van Utrecht, in een uitzending van MuseumTV over DownUnder. "Er is een discussie waar die kerken van Willibrord echt precies hebben gestaan. Wat we wel weten is wat direct daarna gebeurd is. Die steenklomp hoorde bij de Romaanse Dom van Adelbold uit begin 11e eeuw (1023)".
    Archeoloog Herre Wynia voegt er in het Jaarboek Oud-Utrecht uit 2017 een 'nieuw' gezichtspunt toe. Hij schrijft 'het bisdom Utrecht dat in het jaar 777 was ingesteld'. Dus Willibrord of Bonifatius hadden daar blijkbaar nog geen bisdom. Dat kwam pas in 777, ofwel bijna 40 jaar na St.Willibrord. Alberik zou de eerste bisschop van Utrecht geweest zijn.

    'Feiten zijn niets anders dan gegevens die in het licht van bepaalde veronderstellingen worden geïnterpreteerd.
    (Citaat van Aart Mekking in Jaarboek Oud-Utrecht 1998).
    Mekking gebruikt liever zijn creatieve fantasie (zoals hij dat zelf noemt) om tot bepaalde opvattingen te komen.
  6. In de Jaarboeken van Oud-Utrecht en de Archeologische en Bouwhistorische Kronieken vinden we meerdere voorbeelden van archeologische bevindingen die de traditionele opvattingen tegenspreken. Hierin vindt U meerdere gegevens die aantonen dat de oudste geschiedenis van Utrecht meerdere problemen kent, die vaak 'opgelost' worden met 'creatieve fantasie', zoals Aart Mekking dat eens noemde. Zie kader hiernaast. Maar 'creatieve fantasie' is geen historische wetenschap, ook al wordt dat door sommige historici wel zo gezien en ook gebruikt. Wat de ene historicus eens als een mogelijkheid oppert, wordt bij een volgende historicus waarschijnlijk en bij de derde best wel een 'zekerheid'. Het zijn onbewezen vage bevindingen als een veen- of moerasgebied en daarop valt niet te bouwen. Zie in het kader hiernaast hoe Aart Mekking over historische feiten denkt: het zijn geïnterpreteerde veronderstellingen.

  7. Willibrord, aartsbisschop der Friezen, met zetel in Utrecht, was wel leider van de Utrechtse kerk, maar geen bisschop van Utrecht. (Bron: Geschiedenis van Utrecht, deel 1).
    St.Willibrord is dus nooit bisschop van Utrecht geweest, wat ook Charlotte Broere erkent (zie daar). Wat een waarheid, al bedoelt de schrijver er iets geheel anders mee, namelijk dat St.Willibrord geen titel heeft gedragen van 'episcopus Trajectorum'. Niets is echter minder waar. Beda schrijft duidelijk dat St.Willibrord in 695 door Paus Sergius tot bisschop is gewijd (Beda, Historia Gentis Anglorum, V, 11-13). Maar het bisdom van St.Willibrord was een missiebisdom en hoewel de standplaats Trajectum was, komen de verdere gegevens niet overeen met wat men er Utrecht nadien van gemaakt heeft. Vandaar dat men merkt dat die gegevens niet op Utrecht passen en men tot bovenstaande conclusie komt. Deze gegevens betreffen ook de bisschoppen Bonifatius en Gregorius, de opvolgers van St.Willibrord in de prediking onder de Fresones. Maar waar in Nederland zijn de voorgangers van Willibrord in de prediking onder de Friezen, zoals St.Eloy van Noyon?

  8. Prof.L.G.J. Verberne wees er in "Geschiedenis der Nederlanden" (1953) al op dat het verblijf van St.Willibrord in Utrecht een vrome legende is.
    Enkele citaten uit dit boek zijn : pag. 70: In de 7e eeuw zou in Utrecht een Thomaskerkje zijn verrezen, als men de legende mag geloven.
    Op pag. 73 lezen we: Van Willibrords verblijf in onze lage landen is zo goed als niets bekend.
    En: ook het verhaal rondom de Friese koning Radboud is voor Nederland legendarisch.
    pag. 74: De Friese Stamtrots heeft later een legendarisch weefsel gespannen rond de koppige figuur van Koning Radboud. Men heeft zelfs een hele stamlijst van Friese koningen en hertogen uit de duim weten te zuigen. In werkelijkheid is er heel weinig of niets van hen door de geschiedenis overgeleverd..

  9. Hoewel Utrecht een onopvallende grensplaats van het dukaat Frisia was, moet deze plaats met zijn bisschopszetel toch vermeldenswaard geweest zijn. Opmerkelijk is het daarom het- op één geïsoleerd en verdacht bericht na - ontbreken van enigen contemporaire verwijzing naar Utrecht in verband met welke Noormannenaanval dan ook. Toch neemt Utrecht een vaste plaats in de vaderlandse historiografie in als het om dit soort aanvallen gaat. (Bron: Luit van der Tuuk).
    Hoewel Van der Tuuk het traditioneel verhaal van het bisdom Utrecht schetst is zijn conclusie hiermee zeer opvallend in tegenspraak. Echter die tegenspraak bevestigt precies het gelijk van Albert Delahaye. Archeologisch ontbreekt in Utrecht elke vorm van bewoning (zie Citaat hiervoor) en er bestaan ook geen geschreven bronnen over de aanvallen van de Noormannen op de bisschopsstad Utrecht. Vóór 970 is er geen bisschopszetel geweest in Utrecht. Alle gegevens die hierover handelen gaan over Trajectum in Noord-Frankrijk, zijnde Tournehem. Alle veronderstelde teksten van aanvallen van de Noormannen op Nederland hebben betrekking op Noord-Frankrijk.

  10. De beschermheilige van de smeden was Sint Eloy (590-659) of, zoals zijn verLatijnste naam was, Eligius. In 641 werd hij gekozen tot bisschop van Noyon, nadat hij als zendeling in het Vlaamse land werkzaam was geweest. (Bron: Dr.A.van Hulzen, p.146).
    Deze bisschop had dus gepredikt in het Vlaamse land. Wat Van Hulzen er niet bij vermeldt is dat St.Eloy onder de Fresones, de Friezen, predikte en een direkte voorganger was van St.Willibrord. Het missiegebied van St.Willibrord moet dus ook gelegen hebben in het Vlaamse land, wat ook precies klopt: het lag in Frans-Vlaanderen. Plaatsing van St.Willibrord in Utrecht en zijn missiegebied in Friesland berust dus op een groot misverstand.

  11. In 751 stichtte de "Apostel van Duitsland", zoals Bonifatius genoemd wordt, het Bisdom Utrecht. (Bron: Geschiedenis der Nederlanden).
    Het bisdom Utrecht is dus niet gesticht door St.Willibrord, maar door Bonifatius? Daar gaat de basis van een hardnekkige traditie!

  12. De oudste bewijzen van de verering van St.Willibrord zijn juist aan te wijzen in Grevelingen (Frans-Vlaanderen). Reeds in de 11e eeuw was de parochiekerk van Grevelingen aan St.Willibrord gewijd en ging het verhaal dat de heilige in die plaats zou zijn geland. (Bron: Geschiedenis der Nederlanden).
    Grevelingen is het huidige Gravelines! Het is wel duidelijk dat de Nederlandse historici met deze wetenschap niets gedaan hebben. Men bleef ondanks dat er geen bewijzen voor zijn, vasthouden aan de aankomst te Katwijk, een fabel uit de 17e eeuw, die toen al bekritiseerd werd (zie volgende opmerking). Sommige historici houden de aankomst van St.Willibrord op het Zeeuwse Grevelingen. Ze erkennen daarmee dat ook zij Katwijk niet accepteren, maar tevens onbewust dat het wel Gravelines moet zijn geweest. Immers de 'Vlaamse' naam voor Gravelines is Grevelingen. Dat het zeeuwse Grevelingen in de 7e eeuw, toen de transgressies op een hoogtepunt waren, niet bestond is een zekerheid. De naam Grevelingen is ook een van vele importnamen waarmee Zeeland vol ligt.

  13. Dat Willibrord de eerste reis wanneer hij met zijn reisgezellen uit Engeland herwaart overstak, te Katwijk of Egmond geland is, daarvoor is het bewijs zeer duister. (Bron: Beschrijving der stad Utrecht).
    In 1757 werd dus al ernstig getwijfeld aan de landing te Katwijk. Er was immers geen enkel bewijs voor deze opvatting.

  14. Aan het eind van de 3de eeuw komt een eind aan de Romeinse bewoning. Pas in de 11de eeuw verschijnen op het terrein weer tekenen van menselijke activiteit. Het Romeinse vegetatieniveau is dan inmiddels afgedekt door een pakket grijze klei. Daarin bevinden zich de oudste middeleeuwse sporen, die de periode van de 11de tot het begin van de 14de eeuw beslaan. (Bron: Archeologische Kroniek).
    Het gaat hier om opgravingen in de Eligenstraat in het oude centrum van Utrecht. Overigens vertoont de gehele binnenstad in Utrecht hetzelfde beeld. Hiermee wordt glashelder aangetoond dat Utrecht niet bewoond was in de tijd van St.Willibrord, noch lang daarvoor noch lang daarna. Bovendien toont het pakket grijze klei het bestaan en voorkomen van de transgressies overduidelijk aan. Zie volgende opmerking.

  15. Utrechts historie tussen 275 en 925 is archeologisch vooral herkenbaar als een pakket van gesedimenteerde klei. Deze alom aanwezige afzettingslaag is tot nu toe in de onderzoeken grotendeels genegeerd. (Bron: Jaarboek Oud-Utrecht 1999)..
    Dit gegeven bevestigt wat hierboven al is gesteld. Bij een gemiddelde afzetting van 1mm per jaar (Berendsen, 1984) gaat het om overstromingen over een periode van ruim 400 jaar. Boven in het kleipakket beginnen de 10e eeuwse en latere sporen. Het negeren van dit gegeven is vooral veroorzaakt door de verblindheid van historici, die Utrecht toch als het Trajectum van St.Willibrord blijven zien, ondanks alle bewijzen die dat tegenspreken.

  16. De archeologische vondsten in Utrecht uit de periode van Willibrord en Bonifatius zijn niet meer dan een handvol stof. (Bron: T.Hoekstra).
    Hoekstra was stadsarcheoloog van Utrecht! Men heeft er nooit iets gevonden uit de tijd van St.Willibrord en St.Bonifatius. Ook hier spreekt de archeologie weer duidelijke taal.

  17. Utrecht levert in de periode van Willibrord en Bonifatius alleen maar sedimente afzettingen op. (Bron: C.van Rooijen).
    Van Rooijen was stadsarcheoloog van Utrecht en opvolger van Hoekstra! In het Jaarboek Oud-Utrecht 2000 p. 186) kreeg T. Hoekstra de opdracht Van Rooijens bijdrage te relativeren. Dat gebeurde op een erg doorzichtige en haast aandoenlijke wijze. Minder aandoenlijk was de volgende uitspraak: "Houdt hij aan zijn these vast, dan zal hij de resultaten van al zijn opvattingen moeten verwerpen. Doet hij dat dan komt hij verdacht dicht bij de opvattingen van wijlen Albert Delahaye en zijn volgelingen, die het bestaan van een vroeg-middeleeuws Utrecht überhaupt ontkennen en het in Noord-Frankrijk situeren, omdat de boel hier onder water gestaan zou hebben".
    Dat 'de boel hier onder water stond' wordt niet slechts beweerd door Delahaye, maar lees je in meerdere artikelen in Jaarboek Oud-Utrecht en de Archeologische kronieken. Hiermee wordt ook klip en klaar duidelijk dat als het Utrecht van St.Willibrord fout is, dat dan ook de rest van de geschiedenis van de Lage Landen (les Pays-Bas) in die periode fout is. En dat is precies wat Albert Delahaye steeds beweerd heeft: de hele boel is fout omdat het een onlosmakelijk aan het ander verbonden is. Je kunt niet één kaart uit het kaartenhuis trekken. Dan stort de hele boel onherroepelijk in. En dat is ook precies wat de gevolgen zullen zijn. De hele geschiedenis van Nederland in het hele eerste millennium zal herzien moeten worden, te beginnen met een waterig begin.

  18. Dat in Utrecht al in ca.600 een christelijke kerk stond heb ik in 1962 gemeend te moeten wraken. Wie schetst dan ook mijn verontrusting toen ik bij Van Moorsel las, dat onder de resten van het oudmunster een doodkist was gevonden, die op omstreeks 600-625 gedateerd kon worden. Trekt men dit bericht echter na - van Moorsel beroept zich op C.J.A.C. Peeters, die zich weer op Van Giffen beroept - dan blijkt dat men de sarcofaag gedateerd heeft enkel op grond van het door mij gewraakte schriftelijke bericht. De datering hangt dus in de lucht, maar bijna had de historicus zich laten imponeren. (Bron: D.P.Blok)
    En als Blok, de verdediger van de Franken in Nederland, dit zelf al opmerkt, is er geen verdere discussie meer nodig. Dan gaat de hele traditie van St.Willibrord op de helling, want zonder een kerk in ca.600 is er in Utrecht ook geen St.Willibrord geweest. Blok noemt het verschijnsel dat de ene historicus zich beroept op een andere enz. een "cirkelredenering".

  19. In "het Nederland van St. Willibrord" zijn geen archeologische vindplaatsen aan te wijzen in het gebied van de Utrechtse Vecht. (Bron: W.A.van Es)
    Er is in het gebied van de Utrechtse Vecht geen enkel archeologisch bewijs te vinden voor de aanwezigheid van St.Willibrord. Geen spoor van zijn missioneringswerk, geen spoor van kerkenbouw en geen spoor van bewoning.

  20. Bij opgravingen aan de voet van de Utrechtse Dom zijn fundamenten van het eerste bisschoppelijk Paleis van Nederland gevonden. Ook zijn resten blootgelegd van de Romeinse castellummuur die moest wijken voor de bouw van dit Paleis. Nooit eerder was er iets te zien van dit Paleis, dat in de 11e eeuw is gebouwd. Er is bij dit onderzoek een muurwerk tevoorschijn gekomen, dat was gefundeerd op grote granieten zwerfkeien. Tussen het puin bevonden zich ook enkele brokstukken van kleurrijk gedecoreerd Romeins pleisterwerk. (Bron: ANP. september 2008)
    Het elfde eeuwse bouwwerk was rechtstreeks op het Romeins gebouwd. Tussen de 3e en 11e eeuw was er in Utrecht niets. Na deze archeologische constatering kunnen we de hele discussie over St.Willibrord in Utrecht voorgoed beëindigen. Zeker omdat men (de historici) altijd beweerd hebben dat de z.g. eerste kerk van St.Willibrord op het domterrein zou hebben gestaan. Einde discussie.

  21. Willibrord, de Ierse missionaris, kwam in 690 n.Chr. in Frankrijk aan. (Bron: J.W.Bronkhorst)
    Daar gaat de mythe van Katwijk, een mythe uit de 17e eeuw. Dan gaat ook de onjuiste interpretatie dat de Renus de Rijn zou zijn, want St.Willibrord landde in de monding van de Renus! (Door het misverstaan van het begrip Renus kwamen de historici aanvankelijk ook in Katwijk -aan de monding van de Oude Rijn- terecht)

  22. Theofried van Echternach verhaalt in zijn "Vita Willibrordi" dat de apostel aan land kwam in Gravelines, daarheen gedreven door de wind. "delatus vero est primum in portum Gravalingae, villae maritimae". Maar deze veronderstelling verliest zijn geloofwaardigheid, omdat St.Willibrord op een steen de overtocht over het kanaal zou hebben gemaakt. (Bron: G.H.Verbist) .
    Dit schrijft G.H.Verbist de Willibrordkenner bij uitstek in de vorige eeuw. Het wonder met de steen is door Albert Delahaye reeds lang verklaard als een gewone schippershandigheid. Bij slecht weer en hevige wind nam men stenen aan boord als extra ballast, om de boot een stabiele ligging te geven. Het wonder van de steen is in de streek rond het Kanaal een volkomen verklaarbaar en begrijpelijk feit. Het geeft tevens aan in welke streek de oversteek thuishoort, namelijk daar waar men gewend is om "op een steen" te varen. Slechts de historici die de tekst niet begrepen, hebben er een wonder van gemaakt en daarmee de verdere tekst ook als een legende opgevat, terwijl zij historisch volkomen juist is. Had men van het verhaal over het terugvinden van het corpus van St.Willibrord in Echternach maar een legende gemaakt. Dan was ook de daar de waarheid overeind gebleven.
    Ook het "afdrijven" door de wind is aan de kust van Het Kanaal verklaarbaar. Immers de gebruikelijke aankomstplaats was aan de overkant bij Dorestad of Wissant. Gravelines ligt meer naar het noord-oosten, waarheen St.Willibrord blijkbaar afgedreven was.


  23. Ofschoon de kerstening in het noorden reeds aan het einde van de achtste eeuw veld begint te winnen, dateren de oudste stenen kerken hier uit de twaalfde eeuw. (Bron: P.Glazema)
    Pas na de tijd van St.Willibrord en St.Bonifatius zou de kerstening veld gewonnen hebben. De kerstening van St.Willibrord (eind 7e eeuw, begin 8e eeuw) en St.Bonifatius (eerste helft 8e eeuw) hebben blijkbaar geen resultaat gehad. Dat is wel bezijden de tot dan toe gehanteerde traditie! De afwezigheid van stenen kerken in het noorden bevestigt de visie van Albert Delahaye op een wel zeer onmiskenbare wijze.

  24. In het vroege geschiedverhaal heeft het 'Fernbesitz' in de Friese regio van Frankische abdijen iets tegenstrijdigs in zich. Het goederenbezit in Friesland van de abdijen van Fulda en Werden in het begin van de 9e eeuw staat in krasse tegenstelling met het heidendom dat er ten tijde van bisschop Ricfridus (815) en St.Luidger (rond 837) blijkbaar nog heerste. (Bron: M.P.van Buijtenen)
    Uit dit goederenbezit blijkt de mystificatie van deze teksten. Hoewel Friesland nog heidens was, zouden Frankische abdijen al grond in bezit hebben gekregen. Van die heidense en de Franken vijandige Friezen? Je 'vijanden' gronden schenken, dat zou pas echt Christelijk zijn.
    Dat deze goederen verkregen zouden zijn als genoegdoening voor de moord op Bonifatius is natuurlijk te infantiel voor woorden en wordt dan ook door de meeste (dus niet door alle) historici terecht als onzin verworpen.

    Ook de aard van deze schenkingen houdt in dat het niet om simpele Friese boeren gaat. Als bij een schenking sprake is van de halve hoeve en 20 horigen en hun families is dit teveel van het goede! Waar woonden deze horigen en hun families? Op die paar terpen in Friesland? Waaruit bestonden die hoeven? En welke landbouwgronden hoorden erbij? Friesland had volgens de traditie toch slechts veeteelt?

  25. In de periode van St.Willibrord zijn in Nederland boven de rivieren geen archeologische feiten die met St.Willibrord in verband kunnen worden gebracht. (Bron: W.van Es).
    Dat Utrecht en het gebied ten noorden daarvan het werkterrein van St.Willibrord is geweest, vindt Van Es niet aannemelijk. En als Van Es het niet aan te nemen vindt, dan is het dus ook niet zo geweest. Daarvoor is hij deskundige genoeg. Zo'n uitspraak spreekt voor zich en schept wel duidelijkheid! Van Es is het hier dus gewoon eens met de opvattingen van Delahaye. Er is boven de rivieren geen spoor gevonden van de grote "apostel van de Friezen". Archeologisch heeft St.Willibrord hier niet bestaan. Ook tekstueel heeft St.Willibrord nooit in Nederland bestaan, sinds dat al te duidelijk is aangetoond door Albert Delahaye.

  26. Zowel door Eemland als door de Vechtstreek liep in het eerste millennium geen enkele weg vanaf Utrecht naar het noorden.(Bron: Cultuurhistorische Atlas van de Provincie Utrecht)
    Het blijft dan ook een onopgelost probleem hoe St.Willibrord, de apostel der Friezen, in die tijd in Friesland kon komen. Door Eemland liep geen weg. Dat was net als het hele Gelderse Valleigebied één groot moeras, waar geen bewoning was. De IJsselstreek en zeker de monding van de IJssel was één groot veen- en moerasgebied. Plaatsen als Amersfoort, Nijkerk, Baarn, Harderwijk en Zwolle bestonden nog niet. Via Arnhem? Er liep -volgens genoemde Atlas- in het eerste millennium vanaf Utrecht ook geen enkele weg naar het oosten, noch naar het westen, noch naar het zuiden. Er was zelfs geen weg naar Oud-Leusden (Lisiduna?), Wijk bij Duurstede (Dorestad?) of Deventer (Daventria?). Slechts de vermeende Romeinse weg, waar overigens geen meter van is teruggevonden in de omgeving van Utrecht, wordt in deze Atlas vermeld.


  27. Utrecht kan niet de werkelijke standplaats (sedes episcopalis) van St.Willibrord geweest zijn. Willibrord heeft zichzelf nooit bisschop van Trajectum genoemd. Er bestond geen diocees in oprichting. (Bron: P.Leupen).
    En als zelfs Leupen Albert Delahaye gelijk gaat geven, hoe ver zijn we dan al gekomen met de bekering?

  28. Van de idee dat Willibrord vele kerken bouwde is er misschien maar één die archeologisch bewijsbaar is. En dat is het kerkje van het oude klooster van Echternach. (Bron: C. Peeters).
    Het bedoelde kerkje blijkt overigens niet gezien te kunnen worden als Angelsaksische import, dus kan feitelijk ook niet door St.Willibrord gesticht zijn. Wat zeker is dat er in Nederland geen enkele kerk aantoonbaar uit de tijd van St.Willibrord stamt. En als er geen kerken uit de tijd van Willibrord bestaan, dan heeft Willibrord hier ook niet bestaan.

  29. Archeologisch onderzoek op het Domplein te Utrecht wees uit dat de oudste sporen van een christelijke cultus 'ten hoogste tot de 9e eeuw teruggaan'. (Bron:E.J.Haslinghuis).
    Het is een zoveelste bewijs van het gelijk van Albert Delahaye. De Archeologie bewijst keer op keer het gelijk van Delahaye. Er was in Utrecht en verre omgeving geen bewoning in de tijd van St.Willibrord. Wie of wat hij er dan bekeerd zou hebben is een groot vraagteken.

  30. "Had de Merovingische kathedraal op dezelfde plaats als de latere Sint Salvator gelegen, dan is het welhaast ondenkbaar, dat er van hare funderingen niets meer in de grond te herkennen zou zijn. In overeenstemming met deze veronderstelling is zeker de omstandigheid dat wij bij onze ontgraving van het terrein der Sint Salvatorkerk weinig fragmenten van Merovingisch of Karolingisch aardewerk hebben gevonden (alleen hier en daar enige Pingsdorfscherven)". (Bron: A.E. van Giffen).
    Hoewel men er rekening mee moet houden dat door de bouw van de Romaanse en de Gotische Dom en van de Sint Salvatorkerk vele vergravingen hebben plaatsgevonden, waardoor mogelijke aanwijzingen verloren zijn gegaan, is het zeer opmerkelijk dat er van een grote archeologisch lacune sprake is tussen de Romeinse tijd en de 10e eeuw. Hierbij dient nog opgemerkt te worden dat die archeologische lacune niet uitsluitend het tegenwoordige Domplein betreft. Diverse opgravingen in de Utrechtse binnenstad vertonen hetzelfde beeld. (Zie de volgende punten).

  31. Het terrein tussen de Lauwersteeg - Steenweg - Bakkerstraat - Oudegracht: hier trof men enkele scherven aan uit de 10e eeuwen echte bewoningssporen pas uit de 12e eeuw." (Bron: Archeologische Kroniek 1976/1977)

  32. Het Vissersplein e.o.: op de afzettingen uit de Romeinse tijd is een vondstenloos kleipakket van 75 cm aangetroffen, dat in ca. 600 tot 700 jaar is afgezet. Direct hierop volgen 13e-eeuwse bewoningssporen.!" Deze rivierafzetting duidt op een langdurig 'natte' periode. (Bron: Archeologische Kroniek 1981)

  33. Korte Nieuwstraat: op de Romeinse laag is een kleilaag van 80 cm aangetroffen met enkele 12de eeuwse scherven.' (Bron: Archeologische Kroniek 1982)

  34. Pieterskerkhof: op de Romeinse laag zijn vroegmiddeleeuwse begravingen aangetroffen (5e/6e eeuw). Deze graven zijn door middeleeuwse erosie beschadigd. (Bron: Archeologische Kroniek 1982)
    Het is wel duidelijk dat de archeologie de aanwezigheid van St.Willibrord in Utrecht allerminst bevestigt. Erger nog, zelfs compleet tegenspreekt. Tussen de 3e en 10e eeuw was er geen bewoning in Utrecht, laat staan een bisschopszetel met een zeer uitgebreid missiegebied. Deze farce is door Nederlandse historici nooit als een onmogelijkheid in de 8e eeuw ter discussie gesteld. Degene die dit nu eens wel ter discussie stelt, Albert Delahaye, wordt uitgemaakt voor fantast! Niet hij was een fantast, maar degene die St.Willibrord in dat onmogelijke en omvangrijke missiegebied van Denemarken tot in Luxemburg laten prediken.
    Bovendien spreekt uit de archeologie duidelijk het bestaan van de transgressies, de langdurige overstromingen tussen de 3e en 10e eeuw. Een kleipakket van 75 tot 80 cm. wordt niet in enkele jaren afgezet. Daar gaan eeuwen overheen. Dit beeld van Romeins onder een kleipakket is in heel west -dus laag- Nederland vast te stellen. Het is een zoveelste bewijs van het gelijk van Albert Delahaye.


  35. De "Utrechtse" oorkonden daterend uit de 8e, 9e en 10e eeuw, ons overgeleverd in een 11e-eeuws afschrift, die de vroege geschiedenis van Utrecht (Trajectum) zouden betreffen, zijn op een aantal punten onverenigbaar met de Utrechtse situatie. Zo zou de Utrechtse Sint Maartenskerk blijkens twee oorkonden uit 753 en 769 buiten het Romeinse castellum moeten liggen. (Bron: S.Muller).
    Hierbij komt nog het feit dat deze verzameling afschriften van oorkonden (in het z.g. Cartularium van Egmond) nièt van Utrechtse originelen zijn gemaakt: de Utrechtse verzameling (het Liber Donatium in het Domarchief no. 43), dat een jonger handschrift is (eind 12e eeuws), blijkt overgeschreven te zijn van het Egmondse Cartularium! Pas vanaf het jaar 936 zijn er afwijkingen in beide handschriften te constateren. Utrecht heeft vóór 936 geen eigen oorkonden gehad en deze verworven via het overschrijven van het Egmondse handschrift om zó de lacune tot aan de 8ste eeuw te kunnen opheffen. De abdij van Egmond, die de originele oorkonden in bezit moet hebben gehad, is in de 10e eeuw gesticht door monniken uit Gent, die op hun beurt contacten onderhielden met het echte Trajectum in Noord-Frankrijk (Tournehem)!

  36. In Nederland zijn van Ameland tot Zeeland Willibrordputjes en -bronnen te vinden. Van veel plaatsen staat vast dat St.Willibrord er nooit geweest is.(Bron: I.Jacobs & K.Ribbens).
    Het staat ook vast dat op al die plaatsen St.Willibrord nooit geweest is. St.Willibrord zou als Benedictijn en trouw Rome volgeling nooit uit een put gedoopt hebben, zeker omdat de Paus dat verboden had. Van veel bronnen en putjes staat ook vast dat die niet teruggaan tot de tijd van St.Willibrord, maar soms nog geen eeuw oud zijn. Het voornaamste argument bestaat uit het verkeerd lezen van klassieke teksten, zoals het putje van Oss ("in loco Deosne" werd gelezen als "in loco de Osne"), dat uit begin 20e eeuw blijkt te dateren.

  37. Wat we archeologisch van Utrecht weten is veel, maar er zaten veel lacunes is. Tot ongeveer 260 vinden we sporen van Romeinen, maar daarna valt er een gat. De draad wordt weer opgepakt omstreeks 950, uit welke tijd we de eerste tekenen van bewoning vinden. Maar pas in de elfde en twaalfde eeuw krijgen we veel meer gegevens. (Bron: H.de Groot).
    St.Willibrord en zijn voorgangers en opvolgers hebben er dus nooit een bisschopszetel kunnen hebben. Immers zonder bewoners valt er niets te bekeren. Hetzelfde gat zien we in Nijmegen en andere plaatsen in Nederland.

  38. Opgraving Domplein.
    De oudste archeologische sporen met een christelijke signatuur op het Domplein in Utrecht wijzen juist naar de H.Kruiskapel en de St.Salvator. Een datering in de 10e eeuw
    (die algemeen gehanteerd wordt) zou ernstige problemen opleveren. Wanneer we echter uitgaan van een stichting aan het eind van de 7de of begin van de 8e eeuw zijn alle argumenten en gegevens logisch verklaarbaar. Met uitzondering van de C-14 dateringen pleiten mijns inziens alle hiervoor gepresenteerde aanwijzingen en gegevens voor een bouw ten tijde van Willibrord. (Bron: Archeologische Kroniek Utrecht 1992-1993).
    Het is zeer interessant en verhelderend te lezen hoe H.L. de Groot, de auteur van dit artikel in de Archeologische Kroniek van Utrecht, de archeologische gegevens hanteert en interpreteert (beter is om te spreken van manipuleert), om met zeer vage aanwijzingen vooral zijn vooropgestelde uitgangspunten logisch verklaarbaar te maken. Zo vindt De Groot een ophoging van de grond met 80 cm (op het Domplein) in zijn maaiveld-theorie onwaarschijnlijk. Terwijl 4 bladzijden verder in dezelfde Kroniek C.A.M. van Rooijen (opgraving Minrebroederstraat) spreekt over "een ophoging van het maaiveld in Utrecht is een regelmatig voorkomend verschijnsel. Zowel bij het Oudkerkhof als in de Annastraat werden dit soort ophogingen gevonden". Met deze vaststelling vervalt de hele "maaiveldhoogten-theorie" van De Groot en is een datering van de Kruiskapel in de 7e of 8e eeuw uitgesloten. Overigens dateert de eerste keer dat de H.Kruiskapel in schriftelijke bronnen voorkomt uit 1105.
    De C-14 methode is de enige wetenschappelijke en objectieve manier van vaststellen van dateringen. En de C-14 methode toont onweerlegbaar aan dat de Kruiskapel uit de 10e eeuw stamt. De Kruiskapel bevindt zich direct op Romeinse resten, waarmee onweerlegbaar wordt aangetoond dat er na de Romeinse tijd tot de 10e eeuw geen bewoning was in Utrecht. Wat St.Willibrord er dan is komen doen en wie hij hier heeft kunnen bekeren, zijn dan ook de ernstige problemen die H.L. de Groot niet noemt, maar wel bedoelt.

    Volgens H. de Groot (in hetzelfde artikel) bestaat er nauwelijks discussie over het feit dat St.Willibrord aan het eind van de 7e eeuw een kerkje herbouwde op de plaats waar er reeds eerder een had gestaan. Bovendien bouwde Willibrord een tweede kerk: de St.Salvator. Hiermee spreekt De Groot letterlijk geen onwaarheid, al bedoelt hij iets wat onwaar is. Er bestaat wel degelijk discussie over de plaats waar men deze gegevens moet plaatsen. De Groot blijft vasthouden aan Utrecht, Albert Delahaye heeft aangetoond dat het Utrecht niet geweest kan zijn, maar dat het over Tournehem in Noord-Frankrijk gaat. De schriftelijke bronnen spreken immers over de plaats Vultaburch, de stad der Vulti, die in de Gallische taal Trajectum wordt genoemd.

  39. Opgraving Nieuwe Gracht/Hortus Botanicus.
    Na de Romeinse periode is het gebied lange tijd niet bewoond geweest. Dat blijkt vooral uit een pakket van circa 40 cm klei dat bovenop de Romeinse vegetatiehorizont is afgezet. In deze klei zijn enkele kuiltjes ingegraven, waarvan de oudste 11de/12de-eeuws is. Afsluitend kan geconcludeerd worden dat (in de buurt van) de oude Hortus Botanicus een inheems Romeinse nederzetting moet hebben gelegen. Deze woonplaats lag bovenop een oude stroomrug, die door de hoge ligging een goede woonplaats bood. Vervolgens is over het Romeinse niveau heen een dik kleipakket afgezet, een sedimentatieproces dat in ieder geval in de 11de eeuw, maar vermoedelijk eerder, afgerond moet zijn geweest.
    (Bron: Archeologische Kroniek Utrecht 1992-1993).
    De Archeologie toont hier dus onweerlegbaar aan dat er in Utrecht
    1. na de Romeinse periode langdurige overstromingen zijn geweest en
    2. tussen de Romeinse tijd en zelfs de 11e eeuw geen enkele bewoning was in dit gebied.
    En het gebied Domplein - Nieuwe Gracht is het oudste deel van Utrecht.

  40. Het is opvallend dat vóór 1559 van enige officiële verering van Sint Willibrordus, Sint Bonifatius en andere geloofsverkondigers geen sporen zijn. Van devotie tot Willibrord, Servatius, Bonifatius, Lebuinus, Plechelmus, Odulphus, Jeroen of andere Nederlandse heiligen vernemen wij in de middeleeuwen niets. (Bron: L.J.Rogier, II p.763)
    Bij een juiste beschouwing is dit dus niet opvallend. De devotie ontbrak aangezien deze predikers niet in Nederland thuishoren. De devotie tot St.Willibrord en andere predikers werd niet gedragen door de bevolking, waarmee aangegeven dat deze hier niet thuishoorde. Dat had de bevolking dus eerder begrepen dan de geschiedschrijvers.

  41. Dat de Rijn steeds de grens van het Merovingische rijk vormde en Utrecht circa 600 Frankisch geweest is, kan onmogelijk juist zijn. (Bron: D.P.Blok)
    Feit is dat de Merovingische en later de Karolingische koningen wel zeggenschap hadden in Trajectum, maar volgens Blok dus niet in Utrecht. De enig juiste conclusie trekt Blok echter niet: Utrecht was dus niet het Trajectum van St.Willibrord,

  42. In Utrecht zijn weinig archeologische artefacten en vindplaatsen van de periode tussen circa 275 en 950 bekend. Te weinig als men uitgaat van een redelijk continu bewoond Utrecht. (Bron: C.van Rooijen)
    Er was dus geen redelijke bewoning in Utrecht. Waar lagen dan alle plaatsen in oorkonden genoemd in de omgeving van Utrecht ?

  43. Er is geen spoor te vinden van berichten uit het belangrijke missie-centrum dat Utrecht geweest moet zijn. Er is niets gevonden. (Bron: J.W.Bronkhorst)
    Als St.Willibrord in Utrecht zijn bisschopszetel gehad heeft, is het onverklaarbaar dat er geen enkele schriftelijke bron uit Utrecht afkomstig is. Het is eveneens onverklaarbaar dat geen enkele kerk of kerkelijke feestdag vanoudsher naar deze heilige is vernoemd. De enige verklaring voor het ontbreken van deze gegevens ligt in het ter plaatse ontbreken van de heilige zelf.

  44. Bij opgravingen in Utrecht zijn geen resten uit de tijd van St.Willibrord gevonden. (Bron: A.G. Weiler)
    Er is sinds 1929 in Utrecht hard gezocht maar nooit iets gevonden uit de tijd van St.Willibrord. Maar er moet iets zitten. Daarom is er telkens weer opnieuw gezocht, want je weet maar nooit, misschien is er in de tussentijd iets nieuws bijgekomen. Behalve Romeins is er in Utrecht niets noemenswaardigs gevonden uit het eerste millennium! Utrecht verschijnt in de schriftelijke bronnen in het jaar 940. De archeologie sluit daar wonderwel op aan. Er is tussen de Romeinse tijd en de 10e eeuw geen enkele bewoning vastgesteld, laat staan een doorlopende bewoning van een hele stad. Het tiende eeuwse Utrecht is op Romeinse funderingen gebouwd met een grote leegte daartussen.

  45. De oudste kerk aan het Sticht dateert niet uit de zevende of achtste eeuw, maar uit de tiende! (Bron: M.Breij)
    Er zijn in Utrecht geen archeologische vondsten van rond 700, die bewijzen dat daar een bisschopszetel gevestigd was. Zonder kerk is er geen bisdom geweest!

  46. "Utrecht heette in de Romeinse tijd géén Traiectum, maarAlbiobola. Traiectum is de vroegmiddeleeuwse Latijnse vorm van "Trecht". Het Romeinse Traiectum lag in Noord-Frankrijk. (Bron: M.Breij). Als Willibrord werkelijk in Utrecht resideerde, mag men verwachten dat erin Nederland duidelijke sporen van een Willibrord-verering terug te vinden zijn in de vorm van door hem of aan hem gewijde kerken, toponiemen, de viering van zijn feestdag, bedevaarten, de verering van zijn relieken etc. De oudste kerken in het bisdom Utrecht blijken géén van alle aan Willibrord te zijn gewijd, maar aan Sint Maarten. In het beroemde Prosarium van de Utrechtse Mariakerk is het zeer opvallend dat de "Utrechtse heiligen", de zgn. "grondleggers" van het Bisdom zoals Willibrord, Bonifatius, Lebuinus en Radboud geen eigen Sequens hebben en geheel niet voorkomen! In de bronnen van na 1300 zijn deze belangrijke "Utrechtse" figuren aanwezig in de heiligenkalenders. Het ontbreken van een Willibrord-verering vóór de 10e eeuw geeft aan dat men in Nederland geen Willibrord-traditie kende. Pas in de 13e eeuw begon deze verering en een eeuw later was de opvatting dat Willibrord de eerste bisschop van Utrecht zou zijn geweest algemeen verbreid. Hiertegenover staat een zeer oude en omvangrijke Willibrord-verering in Noord-Frankrijk, die na de 11e eeuw aan betekenis verloor".

  47. Er zijn geen archeologische bewijzen gevonden in Utrecht of Wijk bij Duurstede die met St.Willibrord in verband gebracht kunnen worden.(Bron: W.van Es)
    Er zijn in Utrecht of Wijk bij Duurstede dus geen archeologische vondsten van rond het 700 bekend. Ofwel zonder bewoning viel er voor St.Willibrord niets te bekeren.

  48. De ouderdom van de St.Willibrordusput te Heiloo dateert vermoedelijk uit de 16de eeuw. (Bron: H.Halbertsma).
    De zogenaamde St.Willibrordusput te Heiloo blijkt niet ouder te zijn dan de 16de eeuw. Dat is 8 eeuwen jonger dan de vermeende aanwezigheid van St.Willibrord ter plaatse.

  49. Tijdens het leven van St.Adelbert bezat Egmond nog geen kerk.(Bron: Tien eeuwen Egmond)
    De diaken Adelbert werd de apostel van Kennemerland genoemd. St.Adelbert zou volgens de Annales Xantenses een metgezel van St.Willibrord zijn geweest. In de Vita St.Willibrord wordt hij niet genoemd. St.Willibrord zou in Egmond een kerk gesticht hebben, die er na onderzoek niet bleek te hebben bestaan. Indien er geen kerk bleek te zijn in Egmond ten tijde van "de diaken van St.Willibrord", is het verhaal van St.Adelbert ten onrechte in Egmond geplaatst en is ook deze mythe ontrafeld.

  50. De verbinding van St.Adelbert met het klooster van Egmond is volkomen legendarisch. (Bron: H.P.H.Jansen)
    Als St.Adelbert uit Egmond verdwijnt, betekent dat meteen het einde van de aanwezigheid van St.Willibrord of een van de andere predikers, zoals Werenfried en de beide Ewalden, ter plaatse, zeker omdat deze mythen elkaar moesten ondersteunen om staande te blijven.

  51. St.Adelbert is geen streekheilige van Kennemerland, maar een geïmporteerde heilige vanuit Gent, waar ook andere bezittingen van Egmond vandaan gekomen zijn. In heel Noord-Holland en Zeeland is niet één kerk, kapel, altaar of officie gewijd aan St.Adelbert. Zelfs niet één der kerken of kapellen onder het patronaat van Egmond heeft de verering van St.Adelbert overgenomen. (Bron: W.A.Fasel)
    Het oudste Vita van St.Adelbert stamt uit het jaar 990 (dat is ruim 2 eeuwen na zijn overlijden, vermoedelijk rond 740) en is geschreven door Ruopert van Mettlach in opdracht van de aartsbisschop Egbert van Trier, die de onder de bevolking levende legenden van St.Adelbert heeft verzameld. De afkomst vanuit Gent en daarvoor vanuit St.Riquier staat boven twijfel. Behalve enkele heiligen zijn ook veel documenten afkomstig via Gent van de abdij van St.Riquier, wat blijkt uit een miniatuur met de afbeelding van de abdij. In de abdij van St.Riquier was 25 juni de feestdag van St.Adelbert. Ook hier weer dezelfde vraag: Waarom wordt zo ver in Frankrijk (omgeving Abbeville) het feest van een zeer plaatselijke heilige uit Kennemerland gevierd?

  52. Wat steeds weer opvalt in de opgravingsberichten uit deze streek. is het gat tussen de 2e/3e eeuw en de 9e/10e eeuw. (Bron: W.A.Fasel)
    De bedoelde streek is Noord-Holland, met name de omgeving van Alkmaar. Er wordt wat Romeins aardewerk gevonden uit de 2e/3e eeuw en vervolgens voorwerpen en huisplattegronden uit de 9e/10e eeuw. Daartussen NIETS. Daaruit valt slechts te concluderen dat het land daartussen niet bewoond was ofwel onder water stond. Dat impliceert uiteraard ook dat de HH.Willibrord en Adelbert hier dan ook niet geweest kunnen zijn om te prediken, putjes te graven of heilige eiken om te hakken. Dit nu plaatst de historici en archeologen voor een dilemma en we constateren dan ook dat zij het vacuüm trachten te verdoezelen met vage redeneringen, alsmede door voortdurend met de term "Karolingisch" te schermen, aldus meer suggererend dan bewerend dat er nooit een vacuüm is geweest. Met een enkele gevonden scherf worden hele kastelen gebouwd.

  53. St.Willibrord en Bonifatius zijn nooit in Velsen geweest. Ten tijd van St.Willibrords landing was er vrijwel geen bewoning in Velsen. Bewoningssporen in Velsen van ongeveer de derde tot de zesde eeuw ontbreken volkomen. (Bron: J. van der Horst)
    Als er geen bewoning was, was er ook niets te bekeren door St.Willibrord.

  54. Als dan eens een missionaris werd vermoord, zoals de vooraanstaande Lambertus in Luik, maakten tijdgenoten en nageslacht spoedig een martelaar van zo iemand, op wiens graf mirakelen geschiedden. In de literaire overlevering vinden we dan een weinig kritische, maar kleurrijke biografie, terwijl we aan 'harde' gegevens nauwelijks iets hebben. Achteraf immers is die periode volgepropt met legenden en sterke verhalen, maar de historische figuren, ook bijvoorbeeld iemand als de eerste aartsbisschop van Utrecht, Willibrord, blijven onduidelijk en in schaduwen gehuld.(Bron: A.F.Manning)
    Voor de Nederlandse geschiedenis klopt dit helemaal. Immers St.Willibrord komt in de oudste kerkelijke bronnen in Nederland (Egmond) niet voor.

  55. Zelfs in de Algemene Geschiedenis der Nederlanden (Fibula van Dishoek) lezen we twijfel. Op pag. 137 staat: De situatie rondom Utrecht is onduidelijk. Met name kan men zich afvragen welke weg hier over welk water een trajectum, een rivierovergang, vormde vergelijkbaar met dat andere Trajectum: Maastricht.

  56. De aanduiding van St.Willibrord als eerste bisschop van Utrecht in 695 is in zekere zin onjuist. Er was nog geen bisdom Utrecht, maar Willibrord gold als aartsbisschop van de Friezen, die vanuit zijn missieklooster in Utrecht zijn werkzaamheden ondernam. (E.H.Bary, Lebuinus en Walburgis bijeen, 2006)
    Geen bisdom Utrecht en ook geen missiewerk vanuit Echternach? Het lijken onbeduidende details die hier zomaar gratis genoemd worden, maar ze ondergraven de traditionele opvattingen. Waar dat 'missieklooster' in Utrecht dan gestaan heeft blijft een raadsel. Archeologisch is er nooit iets van gevonden of uit schriftelijke gegevens niets van gebleken. Langzaam komt men vanzelf tot historisch besef!


    Nog enkele andere opvallende Citaten over Utrecht en St.Willibrord:

    Drs.M.Breij, Sint Maarten schutspatroon van Utrecht, 1988 en Utrecht stad van Sint Maarten, Katholiek Nieuwsblad 15 juli 1988.
    "Niet St.Willibrord, maar Sint Maarten is van meet af aan de patroon geweest van Utrecht. De oudste kerk aan het Sticht dateert niet uit de zevende of achtste eeuw, maar uit de tiende" concludeert musicologe en archeologe drs. Mieke Breij na onderzoek van het St.Maartensofficie in de Utrechtse kathedrale kerk.
    Steun voor de visie van Albert Delahaye uit geheel begrijpelijke hoek. Immers een kerk zonder religieuze gebeden en gezangen kan niet bestaan hebben.
    "Er waren steeds meer aanwijzingen dat het klassieke verhaal van St.Willibrord, die een kerkje voor St.Maarten herstelt, op geen enkele wijze door de feiten wordt gestaafd. Integendeel: vóór de tiende eeuw ontbreekt elke historische verwijzing." De latere keuze van St.Martinus (St.Maarten, de nationale beschermer van Francia) tot patroon van de betreffende kerk wijst al op de zuidelijke oorsprong ervan. Ook die is na de 10e eeuw geïmporteerd.
    "Maar het meest frappante is wel, dat ook de archeologie geen enkel bewijs voor bewoning van de omgeving van de Dom levert. Je vindt alleen Romeinse resten (die tot de derde eeuw gaan), vervolgens blanke kleilagen zonder enig spoor, variërend in dikte van een halve tot één meter, hetgeen duidt op honderden jaren overstroming. De eerste vondsten boven de klei zijn meestal uit de 11e tot 13e eeuw".
    Deze gegevens stemmen overeen met wat geologen constateren: dat het gebied van Noord- en West-Nederland honderden jaren onder water, maar zeker onder invloed van de getijden heeft gestaan." "Opmerkelijk is ook dat in het oude aartsbisdom Utrecht (ruwweg benoorden de Maas) het aantal oude Maartenskerken erg groot is, terwijl alle sporen van een Willibrordverering vóór de 12e/13e eeuw totaal ontbreken".
    "Tot het jaar 1301 bezat Utrecht zelf nog geen relieken van Willibrord; terwijl in de Middeleeuwen de verering van een heilige zonder relieken ondenkbaar was. In 1301 vrooeg Utrecht aan Echternach om relieken van St.Willibrord "omdat men er nog geen had" staat letterlijk in de tekst. Pas in 1305 keomen de eerste vermeldingen van het feest van St.Willibrord voor, een feest waarnaar andere gegeven gedateerd werden. In het beroemde Prosarium van de Utrechtse Mariakerk (Hs. 417 daterende van vóór 1280) is het zeer opvallend dat de 'Utrechtse heiligen', de zg. 'grondleggers van het Bisdom' als Willibrord, Bonifatius, Lebuinus, Radboud géén eigen Sequens hebben en geheel niet voorkomen! Pas in bronnen van ná 1300 (bijv. de Antifonalen 406 en 407 uit de Mariakerk; de kalender van bisschop Jan van Arkel (1346); het Getijdenboek van Gijsbrecht van Brederode (1460) en het Calendarium Trajectense (1474) zijn deze belangrijke 'Utrechtse' figuren aanwezig in de heiligenkalenders".

    Opmerkelijk is bovendien dat ook in Friesland kerken vaak naar Sint Maarten zijn vernoemd, maar nooit naar St.Bonifatius. In een bewust streven naar herkatholisering na 1870 en als "bevestiging" van de opgekomen mythe, zijn in Dokkum (in 1872) en Leeuwarden (in 1882) de nieuwe katholieke kerken naar Bonifatius vernoemd. De neo-gotische Bonifatiuskapel in de binnenstad is van 1872 (gerestaureerd in 1974-1982) en staat op de plaats van een schuilkerk uit 1676. Hierin bevinden zich relikwieën van Bonifatius verkregen uit Fulda, maar met een nogal dubieuze voorgeschiedenis.

    Het oudste klooster van Dokkum was een klooster van Norbertijnen ofwel Praemonstratenzers. De eerste kloosters van de Praemonstratenzers werden gesticht in 1123 (Deventer) en 1127 (Middelburg). In Friesland en Groningen waren deze kloosters van Praemonstratenzers talrijk. Het geeft eens te meer aan dat er in de 12e eeuw nog geen traditie of relatie bestond met St.Bonifatius, die immers een Benedictijn was. Het eerste Benedictijnenklooster in Friesland werd pas gesticht in de 15e eeuw (te Ferwerd). (Bron: L.J.Rogier).

    Charlotte Broer, Uniek in de stad (Utrecht 2000).
    In een publicatie van mevrouw Broer komt het 'Utrecht van Willibrord' weer op de traditionele manier aan de orde. Mevrouw Broer begint haar boek met de volgende zinnen: "Dat is natuurlijk niet het hele verhaal, maar zo gaat het nu eenmaal met verhalen. We maken ervan wat we willen". En dat "wat we willen" is blijkbaar haar uitgangspunt geweest.
    "Willibrord laat zich in de eerste plaats herkennen als een rondtrekkend evangelieprediker, voornamelijk opererend vanuit het klooster of wellicht beter de kloosters waarin hij leefde en waarvan hij aan het hoofd stond". Deze gedachten van mevrouw Broer zijn in flagrante tegenspraak met wat de bronnen (waaronder die van St.Willibrord zelf, van St.Bonifatius en Beda) ons vertellen. Daarin is te lezen dat St.Willibrord tot in lengte van dagen vanuit zijn te Traiectum gevestigde bisschopszetel werkzaam was. Door mevrouw Broer, en dat is nieuws, wordt de koppeling van Utrecht aan een bisschopszetel als onhoudbaar losgelaten.
    Ze komt met de verder nergens bewezen of toegelichte veronderstelling "dat de twee Utrechtse kerken met het klooster in beginsel één groot complex hebben gevormd". Het gebruik van de term 'in beginsel' in het Utrecht anno 700 is op niets gebaseerd en is dus een mooi staaltje van insinuatie ter bevestiging van de mythe-vorming en getuigt van weinig wetenschappelijk.

    Cees van Rooijen in het 'Jaarboek Oud Utrecht', 1999.
    Volgens eeuwenoude traditie heet Utrecht het "Traiectum van Willibrord" te zijn. Dat reeds lang twijfel bestaat aan die traditie komt vaak niet ter sprake.
    Het artikel "Continue discontinuïteit" van Cees van Rooijen in het 'Jaarboek Oud Utrecht', 1999, vermeldt voor het eerst onverbloemd de werkelijke situatie van Utrechts ondergrond en de betekenis van de archeologische vondsten daar gedaan. Enkele citaten uit de slotbeschouwing: "Het zal de lezer niet zijn ontgaan dat in Utrecht weinig archeologische artefacten en vindplaatsen van de periode tussen circa 275 en 950 bekend zijn. Te weinig als men uitgaat van een redelijk continu bewoond Utrecht". "Grof gezegd is buiten de muren van het castellum Traiectum, Utrechts historie tussen 275 en 925 archeologisch vooral herkenbaar als een pakket van gesedimenteerde klei". "Binnen het castellum hebben, gezien de verschillende topvondsten, wel regelmatig menselijke activiteiten plaats gevonden, maar ook hier lijkt geen sprake van continuïteit. De spaarzame vondsten kunnen gemakkelijk verklaard worden door enkele, korter of langer durende, perioden van occupatie van het castellum".
    Men is vanwege de traditionele interpretatie van de schriftelijke bronnen - in weerwil van de feiten - er zó van overtuigd dat Traiectum-Utrecht vóór 950 een belangrijke rol heeft gespeeld, dat zelfs niet overwogen wordt of met "Traiectum" een andere plaats bedoeld zou kunnen zijn.
    Ook van Rooijen probeert iets van de traditie te redden door een uitzondering te maken voor de periode 700-834, niet omdat de bodem dit uitwijst, maar omdat de veronderstelde geschiedenis nu eenmaal wil dat er bewoning moet zijn geweest. Het is duidelijk dat te Utrecht, zelfs bij een eventuele kortstondige bewoning van het tot ruïne vervallen Romeinse castellum, eenzaam gelegen in een niemandsland, geen sprake kan zijn van het "Traiectum van Willibrord". Maar ook voor wetenschappers is het kennelijk ontzettend moeilijk te accepteren dat mogelijk de schriftelijke bronnen verkeerd geïnterpreteerd zouden kunnen zijn. Die schriftelijke bronnen hebben overigens alleen betrekking op een "bisdom Traiectum". Bronnen waaruit duidelijk blijkt dat de plaats Utrecht bedoeld wordt, bestaan niet.
    Een eeuwenoude traditie is weliswaar niet zo maar weg te cijferen, maar vormt op zich geen bewijs. De vondsten wijzen uit dat de gebeurtenissen, die men in Utrecht dacht te kunnen plaatsen vóór 950, zich dáár niet afgespeeld kunnen hebben. We zullen dus moeten uitkijken naar een ander Traiectum: Tournehem.

    Prof.dr. A.J.A. Bijsterveld, Willibrordus-kerken zijn eeuwen jonger. Eindhovens Dagblad 6 november 2000.
    Ongeveer twintig delegaties van Willibrordparochies uit het bisdom Den Bosch vertegenwoordigden zaterdagmiddag hun parochie tijdens de Willibrordusmanifestatie in de gelijknamige kerk in Waalre. De interesse van publiek liet wat te wensen over. En dit ondanks de uiterst interessante lezingen door de van oorsprong Waalrese historicus Prof.dr. A. Bijsterveld en architect H. Strijbos uit Eersel over de historie rond Willibrordus en de gelijknamige kerken.
    Opmerkelijk was de rede van prof.Bijsterveld waarin hij stelde dat de toehoorders zich, wat Willibrord betreft, eerder moeten richten op de twaalfde eeuw dan op de achtste eeuw. "Iedere parochie houdt zich graag aan de vroegste stichtingsdatum van hun kerk maar of deze datum wel rond de achtste eeuw ligt is discutabel", aldus de professor. Of Willibrordus daadwerkelijk de eerste geloofsverkondiger van deze streken was, betwijfelt Bijsterveld sterk. "Deze daad werd hem waarschijnlijk toegeschreven in de jaren dertig, toen het Rijke Roomse Leven nog volop intact was. Bij aankomst van Willibrord in Nederland was de Kempenstreek al gekerstend. Hij kwam eerder structuur aanbrengen en een parochie-netwerk opzetten. Daarom was hij meer een organisator dan missionaris".
    Blijkbaar is Bijsterveld al een beetje door St.Willibrord bekeerd, want als student in Nijmegen was hij nog volgeling van de veronderstelde geschiedenis van het Bronnenboek.
    Bijsterveld verwees verder naar de expositie die in de Waalrese kerk is te zien. Tientallen historische boeken over deze apostel van het Zuiden, bekers, munten en schrijnrelieken worden achter het altaar getoond.
    De Eerselse architect H. Strijbos beaamde in feite de stelling van Bijsterveld. "Vanuit zijn geboorteland Ierland kende Willibrord stenen kerken. In onze streken werd er destijds enkel met hout, leem en wilgentenen gebouwd. Later werden de kerken in baksteen omgebouwd. Maar de baksteen is pas van na de elfde eeuw. Een authentieke Willibrorduskerk bestaat eigenlijk niet meer", aldus de architect.
    De middag werd afgesloten met een bezoek aan het 'oude' Willibrorduskerkje.

    De plaats Waderlo (in parallelle teksten ook Wattreloe en Watriloe) in Taxandria (Texandria) was in Nederland aanvankelijk Waarle, welke interpretatie onhoudbaar bleek. Zeker omdat men nooit heeft kunnen aantonen met enige plaatselijke tekst of archeologische vondst, dat Waalre al bestond in de 7e eeuw. In 1983 meende een fantasierijke historicus (prof.dr.A-J.Bijsterveld) dat Delahaye hiermee Waterloo bij Brussel bedoelde. Met zo'n blunder vindt ook deze historicus, net als eerder Napoleon, hier zijn "Waterloo". Bijsterveld laat hier duidelijk merken dat hij de boeken van Delahaye niet eens gelezen heeft, die dat immers nooit beweerd heeft, en bovendien geen verstand te hebben van plaatsnaamkunde. Laat hij zich dan ook niet bemoeien met historische geografie en zich onthouden van commentaar op Albert Delahaye.

    J.W.Bronkhorst: Spinrag der Middeleeuwen (1980).
    Pag.27 "Op het ogenblik dat Willibrord, de Ierse missionaris, in Frankrijk aankwam (690) ........." (let op: hier staat dus niet te Katwijk aankwam).
    Pag.79 "Bonifatius werd in 754 in Friesland (gelezen moet worden Frisia) vermoord. Dokkum bestond toen nog niet."
    Pag. 89 "Uit schriftelijke bronnen is bekend dat er wel 20 kerken in Dorestad stonden. Met volkomen zekerheid kon na 10 jaren snuffelen nog geen enkele kerk aangewezen worden (onderzoek ROB te Wijk bij Duurstede)".
    Pag. 31 "Geen spoor van bericht uit het belangrijke missie-centrum dat Utrecht geweest moet zijn. Er is niets gevonden."
    Pag. 117 "De historie duidt aan dat Dorestad welvarend moet zijn geweest. Het uiterst geringe aantal sieraden dat teruggevonden werd, ondersteunt deze stelligheid niet".
    Pag. 118 "Er is geen spoor gevonden van Karolingische of Merovingische bewoning in Dorestad".
    (De schrijver blijft Wijk bij Duurstede toch Dorestad noemen, tegen beter weten in dus)

    H.J.Kok, Enige patrocinia in het Middeleeuwse bisdom Utrecht, Assen 1958.
    "Zo valt heel sterk op, dat in Noordelijk Nederland geen enkele oudere kerk onder het patronaat van St.Willibrord is gesteld. In het gehele oude bisdom Utrecht, dat zich toch de kerkprovincie van St.Willibrord noemt, kwam zijn patronaat niet voor".
    "Dit frappeert zeer bijzonder in Friesland, waar de gevestigde mening toch het zwaartepunt van zijn missionering legt, en waar in de vroege Middeleeuwen talrijke kloosters en kerken getuigen van een sterk gevestigd katholicisme". Als dit zijn oorsprong te danken heeft gehad aan de prediking van St.Willibrord, dan getuigt het van een onvergeeflijke ondankbaarheid, dat de grondlegger van het geloof niet eens meer is genoemd!
    De conclusie van dit onderzoek lijkt gering, maar is natuurlijk van cruciale betekenis. De eerste en oudste kerk in Nederland met het patronaat van St.Willibrord was die op de Raamberg in Klein-Zundert (oudste vermelding in 1157), vlak aan de Belgische grens onder Breda. Deze kerk werd gesticht door de abdij van Tongerlo waarmee exact wordt geïllustreerd van welke kant de verering van St.Willibrord Nederland binnen kwam. De relatie met Utrecht ontbreekt zelfs geheel tot in de 19e eeuw. Tot 1823 werd de pastoor van deze parochie door de abdij van Tongerlo benoemd en NIET door het bisdom. Bijkomende aanwijzingen vormen de patronaten van de kerk van Zundert (patroon St.Trudo) en Rijsbergen (patroon St.Bavo). Ook deze patronaten kwamen vanuit het zuiden en NIET vanuit Utrecht.

    S.W.A.Drossaers, Het archief van den Nassauschen Domeinraad, I, Regestenlijst.
    "De dagen en data worden in de Middeleeuwen vaak genoemd naar de kerkelijke kalender, naar de feestdag van een heilige, naar een feest of naar de gepasseerde of komende zondag. Het valt op, dat vóór de 14e eeuw geen enkele Utrechtse oorkonde gedateerd is naar het feest van St.Willibrord".

    H.Halbertsma, Frieslands Oudheid (1982).
    Halbertsma schets het traditionele verhaal m.b.t. de geschiedenis van de Lage Landen (les Pays-Bas in het eerste millennium.
    Toch merkt hij op: "Het Friese volk verspreidde zich over steeds wijdere streken. De zeespiegel kwam hoger te liggen. De gronden bleven daardoor durend niet bruikbaar. De mensen moesten voortdurend verkassen. Op zo'n lokatie vind je sporen van bijvoorbeeld 12 boerderijen. Maar je moet erop bedacht zijn dat die niet allemaal tegelijk bewoond waren. Van die 12 bijvoorbeeld 3. Na de bouw van een nieuwe boerderij naast of nabij de oudere werd de voorafgaande afgebroken, die nog slechts in de ondergrond zijn sporen naliet."
    Ofwel het 'Friese'volk bestond uit een zeer verspreide bevolking, waarvan nauwelijks sporen zijn teruggevonden. Waar woonde dan het omvangrijke volk der Friezen, die het behalve de Romeinen ook de Franken intensief en langdurig zo moeilijk heeft kunnen maken, zoals men in de geschreven bronnen kan lezen.

    D'Haenens, Winkler Prins Geschiedenis der Nederlanden, 1978, p 115.
    D'Haenens plaatst Rorik, een hoofdman van de Noormannen, vlak boven Boulogne. Een tweede maal, maar ditmaal foutief, plaats hij Rorik in de buurt van Utrecht, doch de schrijver besteedt geen woord aan de verklaring van deze tegenspraak.

    J.Kreijns en L.Pirson, Traiectum- Utrecht of Maastricht, Maastricht 1998.
    De onderzoekers J. Kreijns en L. Pirson plaatsen het Trajectum van Willibrordus in Maastricht. Dat een naam als Trajectum (ad Mosam) ook van toepassing is op Maastricht is onomstreden. De overgang van het bisdom Tongeren-Maastricht (Lambertus) naar Luik valt inderdaad merkwaardig scherp samen met de aankomst van Willibrordus in Francia (zoals Beda meldt). De betekenis van Maastricht als bisschopsstad, tolkantoor, muntslag, handels- en marktplaats, wegenknooppunt en taalgrensplaats, staat vast. Kreijns en Pirson 'vergeten' echter dat Maastricht in het episcopaat van St.Willibrord (690-739) twee andere algemeen bekende bisschoppen heeft gehad: St.Lambertus (670-706) en St.Hubertus, die van het hert met een kruis in het gewei (706-727). Twee bisschoppen op één zetel lijkt me er één teveel.
    Ook teksten die aangeven dat het Trajectum van St.Willibrord in Francia lag, zoals St.Willibrord het zelf schreef, of in Gallia, zoals andere teksten vermelden, worden door Kreijns en Pirson genegeerd. Zo wordt er met het niet begrijpen van teksten een nieuwe mythe gecreëerd, net zoals de oude ooit ontstonden. En waar woonde dan het volk der Friezen in Zuid-Limburg? St.Willibrord resideerde immers in zijn missiegebied Fresia, dat aan de kust lag! De door St.Willibrord bekeerde Friezen plaatst hij in Midden-Nederland. De afstand Maastricht als uitvalsbasis naar midden Nederland is vergelijkbaar met die van Utrecht naar Friesland, dus best mogelijk als je de traditionele visie gelooft. Erkent Kreijns hiermee dat de transgressies toch waar zijn? De Friezen waren immers een volk dat aan de kust woonden. De stichting van kerken in Noord-Brabant is in zijn opvatting ook verklaarbaar, precies tussen Maastricht en het rivierengebied in. Waar hij dan heen gaat met de Bataven die in de Romeinse tijd traditioneel in de Betuwe worden geplaatst, blijft een vraag. En de plaatsing van de vele St.Willibrordkerken en bezittingen in Utrecht en Holland worden blijkbaar onder tafel geveegd. Daar heeft men het niet meer over.
    Kreijns en Pirson houden vast aan de traditionele visie op de vroegmiddeleeuwse geografische situatie van Nederland: de Renus is de Rijn en ook de Waal en Dorestad liggen in het Nederlandse rivierengebied. Zo komen de onderzoekers uit op een andere locatie van Dorestad en wel daar waar Rijn en Maas samenvloeiden, ten oosten van Herewaarden, enkele kilometers ten westen van Nijmegen aan de Waal. Ze laten de optie Wijk-bij-Duurstede dus ook vallen.
    Ook de plaatsen in Patavia op de Peutinger-kaart krijgen bij Kreijns andere locaties: Lugdunum wordt Luik (wel erg ver van de kust zoals de Peutingerkaart aangeeft) en de 2 wegen in Patavia construeert hij vanaf Nijmegen naar het zuiden. Want Noviomagus blijft wel Nijmegen. Dat hij dan niet aan de kust uitkomt, wat de Peutingerkaart toch duidelijk aangeeft en waar iedereen het toch over eens is, deert Kreijns blijkbaar niet.
    Het grootste probleem met de optie van Kreijns en Pirson dat zij bij veel locaties geen aannemelijk alternatief geven. Zo wordt van honderden plaatsen in de verschillende oorkonden genoemd, geen locatie in de buurt van Maastricht, zelfs niet elders in Nederland of België gegeven. En op dit punt staat de visie van Albert Delahaye ijzersterk. Hij weet alle plaatsen in Noord-Frankrijk wèl aan te wijzen. Conclusies: Trajectum is in elk geval niet Utrecht en Dorestad is ook niet Wijk bij Duurstede.

    Daarnaast bestaat de interpretatie van Joep Rozemeyer, die Trajectum in Antwerpen situeert en Dorestad te Doornik.
    Rozemeyer heeft ook ten aanzien van andere plaatsen (o.a. Daventria en Tiale) een locatie in de buurt van Antwerpen op het oog. De locatie Deventer voor Daventria acht hij om diverse redenen onwaarschijnlijk. Dat er in Antwerpen nauwelijks Romeins is gevonden -enkele boerderijtjes- en al helemaal geen castellum, maakt voor Rozemeyer blijkbaar niet zoveel verschil (zie opgravingverslag AVRA, 1974-1976). Het lijkt toch wel een minimale voorwaarde voor het Romeinse Trajectum. De vraag is zelfs gerechtvaardigd of Antwerpen wel bestond in de tijd van St.Willibrord. De streek rondom Antwerpen was toen, net als laag en midden Nederland, één groot moerassig gebied. De naamgeving van Antwerpen - Aanwerp- wijst op het droogvallen van nieuwe gronden en helemaal niet op het zogenaamde "werpen met handen", zoals de plaatselijke VVV. ons wil doen geloven. In "Synopsis van het Colloquium Verleden en toekomst van Antwerpen" wordt het einde van de Romeinse bewoning omstreeks 250-270 n.Chr. geplaatst. Direct op de Romeinse laag volgt de Karolingische laag (eind 8e, begin 9e eeuw). De Merovingische laag ontbreekt! In de tijd van St.Willibrord is in en rond Antwerpen archeologisch geen bewoning aangetoond.
    Maar het belangrijkste argument tegen de optie Antwerpen is dat Antwerpen nooit bisschopsstad is geweest. En zonder bisschopszetel heeft St.Willibrord er niet verbleven.
    Het Walichrum uit de oorkonden over St.Willibrord plaats Rozemeyer in Zeeland en wel op Walcheren. Maar Walcheren bestond niet in de 8e eeuw. Het was toen nog waddengebied en lag onder water, ofwel was onbewoonbaar. Het Walichrum uit de oorkonden betrof het Walachria bij Brugge, dus iets verder naar het westen. En in dat Walachria bij Brugge liggen, tot ieders verbazing, ook de plaatsen Middelburg, Westkapelle en Vlissegem, net zoals deze plaatsen op het Nederlandse Walcheren bestaan, waar Vlissegem Vlissingen (Vlissing-hem) werd. Daar zijn ze duidelijk later terecht gekomen als volledige doublures van de Vlaamse plaatsen. Niet verwonderlijk, want Zeeland is door de Vlamingen ontgonnen vanaf de 11e eeuw. Een duidelijker voorbeeld van de deplacements historiques is bijna niet te vinden.
    Wat Rozemeyer met zijn locatie Antwerpen en Doornik in elk geval bevestigt is de opvattingen van Delahaye dat de Schelde de Renus is. Immers beide plaatsen Trajectum en Dorestad lagen aan de Renus.

    Opvallend is dat zowel Kreijns en Pirson, als Rozemeyer de locatie Utrecht als het Trajectum van St.Willibrord verwerpen. Ook hier krijgt Albert Delahaye weer gelijk, zij het nog niet volledig. We gaan met Trajectum langzaam de goede kant op: naar het zuiden.

Terug naar boven.

Bestel en lees het boek "De Ware Kijk Op" en oordeel zelf.