De historische geografie van de lage landen.
Terug naar de beginpagina.
Het Bronnenboek van Nijmegen weerlegt de Karolingische geschiedenis van Nederland.
Naar het overzicht in het kort.

Spinrag der Middeleeuwen.

De ware geschiedenis van Nederland in het eerste Millennium, per onderdeel te lezen.
Nijmegen
Karel de Grote
Willibrord
Bonifatius
Bataven
Franken
Friezen
Saksen

Aan deze pagina wordt nog gewerkt!



J.W. Bronkhorst, Spinrag der Middeleeuwen (1980), lees vooral wat in dit boekje staat op de hiernaast genoemde pagina's.



Klik op de tekst voor een vergroting.

Het FUNDAMENT van alle verwarring is het Karolingisch Paleis van Karel de Grote in Nijmegen. Dat paleis blijkt gebouwd op los zand, op nooit bewezen losse beweringen. Op dat losse zand zijn alle volgende mythen gebouwd. Immers als Nijmegen fout is, was de Betuwe ook niet het land van de Bataven; was Utrecht niet de bisschopszetel van Willibrord, werd Bonifatius niet in Dokkum vermoord en hebben de Noormannen nooit in Nederland geplunderd.
Dan stort het hele kaartenhuis van de Nederlandse mythen in elkaar.


Bonifatius, Willibrord, Karel de Grote en de Noormannen zijn voor Nederland volkomen legendarisch.
Het boekje "Spinrag der Middeleeuwen" van J.W.Bronkhorst (125 pagina's) etaleert feilloos hoe mythen ontstaan zijn en vooral hoe ze in stand gehouden worden. Spinrag is een treffende titel voor de misterieuse mythen die gevangen zitten in een web van nooit bewezen verwarde opvattingen.
Er bestaat de laatste tien, twintigjaar- duidelijk aanwijsbaar in West- en Midden-Europa - een sterk toegenomen belangstelling voor alles wat van doen heeft, of heeft gehad, met het leven van de daar wonende mens. Een vergrote interesse dus voor de geschiedenis in het algemeen. Het is bepaald niet eenvoudig de diepere redenen voor deze toenemende belangstelling aan te duiden. Een zekere onvrede met onze hedendaagse maatschappij zou hiervoor een aanleiding kunnen zijn. In onze tijd, waarin de jeugd zich bezig houdt met een toekomst vol met grondstofproblemen, gaat zij zich haast automatisch de vraag stellen, hoe onze voorvaderen zich door het leven sloegen, zonder beton om hun huizen te bouwen, zonder energiebronnen als stoom, electriciteit en olie om hunebedden en kathedralen op te richten en zonder een ballpoint om berichten en berekeningen vast te leggen.
Er bestaan natuurlijk legio bronnen, die het mogelijk maken het leven van onze voorouders te bestuderen. Helaas kenmerken deze bronnen zich vaak door ontoegankelijkheid voor de niet wetenschappelijk gevormde lezer, terwijl de kennis, die het onderwijs verder aanreikt, dikwijls net niet voldoende is om te beschikken over de in vele boeken veronderstelde voorkennis. De auteur stelt zich nu ten doel in een serie boeken van bescheiden omvang en betaalbare prijs, in eenvoudig en helder gehouden taal die leemten op te vullen waardoor deze werkjes geschikt worden voor een breed lezerspubliek, waarbij de jeugd niet wordt vergeten.

Over de visie van Albert Delahaye schrijft Bronkhorst het volgend:
De zaken, die Albert De la Haye op tafel heeft gelegd kunnen dus moeilijk gebagatelliseerd worden. Het is de zoveelste maal dat een "amateur" de beroepsdeskundigen in onze geschiedenis aanvalt. Die discipline is er niet mee gebaat, dat bij de vraag naar gelijk of ongelijk wederom een "onbetwist" valt. De zaak Vermaning heeft al een duidelijke deuk nagelaten. Welke kant het bij een onderzoek naar de waarheid uitgaat, vonden we reeds aangeduid in het Nieuwsblad van de Universiteit van Amsterdam. Het citeert uitspraken van prof. F.W.N. Hugenholtz (hoogleraar Middeleeuwse geschiedenis Utrecht), prof. B.H. Stolte (hoogleraar oude geschiedenis Nijmegen), prof. D.P. Blok (plaatsnaamkundige en nederzettingshistorisch hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam) en Dr. W.A. van Es (directeur van de Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek te Amersfoort). "Wij hebben hier te doen met een te laag wetenschappelijk interpretatievermogen om erover door te discussiëren," aldus prof. Hugenholtz. Prof. Stolte begreep niet waarom de archivaris een soort samenzwering van de historici tegen zijn zienswijze veronderstelt. De heren Blok en Van Es kwamen wat minder fel uit de hoek, maar waren toch ook van mening, dat er uit de stellingen van De la Haye geen plaatsnaamkundig of archeologisch hout te snijden viel.
Hoe het ook zij, het bovenstaande illustreert opnieuw de levendige belangstelling waarin DE GESCHIEDENIS VAN HET FRANKENVOLK zich tot op de dag van vandaag mag verheugen.

De visie van Albert Delahaye.
Het waren deze 4 proef die in 1980 in debat gingen met Albert Delahaye. Lees er meer over bij wetenschap. Verder dan een te laag wetenschappelijk interpretatievermogen kwamen de heren, wat betekent dat ze er "niets tegenin konden brengen". Slecht hun eigen interpretatie hielden ze voor hun wetenschappelijke waarheid. Op de argumenten van Delahaye gngen ze niet in.

In Spinrag der Middeleeuwen van J.W.Bronkhorst worden een aantal opvallende zaken genoemd. Het nummer geeft de betreffende pagina aan. Het zijn ook zaken die Albert Delahaye aanstipte maar door de gevstigde historici als "te laag wetenschappelijk interpretatievermoge" werden weggewuifd.

14. Castra Herculis is Druten.
19. de moord op Bonifatius bij het toen nog niet bestaande Dokkum.
20. dun historische bewijs
31. van een belangrijk missiecentrum is niets van die aard te vinden.
54. Men deed er beter aan te zwijgen, dan ondoordacht te spreken. (Perfect van toepassing op de historische faculteiten in Nederland).
79. Dokkum bestond toen nog niet.
89. wel twintig kerken in Dorestad, maar nog geen enkele gevonden.
91. monnik Willibrord te paard. Dan weet men dat de missie het zonder stallen en paarden niet stellen kon.
99. We hebben al meer dan eens vastgesteld, dat de Romeinen deze gebieden tot een waardeloze, onaangename uithoek rekeneden.
99. Karel de Grote liet de van zijn vader Pepijn geërfde hof aan de Waal bij Nijmegen uitbouwen tot een palts (residentie) en verbleef daar kennelijk graag.
100. Een lijst van koningsgoederen in ons land is helaas niet achterhaald.
104. De resten van Romeinse versterkingen hebben hun namen ook in onze tjd nagelaten.
106. De uit hout opgetrokken handelsmetropool Dorestad is ons Pompeii. Eigen verbeeldingskracht gevoed door de ontdekkingen van in aarde en modder wroetende archeologen moet hier de handelsmetropool der Franken weer in de geest oprichten en er zullen steeds - ondanks alle uitgravingswerk - veel raadselen overblijven.
107. Daarbij komt dan nog, dat het maar de vraag is of het Romeinse Dorestad op dezelfde plaats lag als de Merovingische nederzetting van die naam.
108. In 1841 stond de archeologie echter nog in de kinderschoenen. De Leidse deskundige, L. J anssen, kon niet verhinderen, dat de delvers ongestoord hun gang konden gaan. Hij had inmiddels op eigen kosten wel ontdekt, dat de goudmijn van Wijk hoofdzakelijk bestond uit oud, zeer oud keukenafval.
109. Na zijn dood in 1869 brachten de delvers het in de winter van 1879-80 zelfs weer tot een topprestatie. Zonder kritiek of enige hinder van overheidswege. Slechts een buitenlander maakte zich woedend. Een Zweedse archeoloog - de Skandinaviërs zijn fervente onderzoekers der Vikingen-historie - protesteerde heftig tegen de nonchalante wijze waarop men hier met z'n oudheden omsprong. Het duurde tot 1922 voor er sprake was van enig wetenschappelijk onderzoek, een onderzoek dat te beperkt was en in zijn conclusies veel te voorbarig om het oude Dorestad gestalte te geven. Het was de tijd, dat de professor nog met hoge hoed en handschoenen op het veldwerk verscheen! Voorzichtigheidshalve werd de naam Dorestad toen nog maar aarzelend genoemd.
114. In de historie wordt er over gesproken, dat Dorestad veel kerken bezat. Logischerwijze is er naar die kerken gezocht. Overigens zonder veel succes. Bij al het graafwerk werd niet één plattegrond ontdekt, die op kerkebouw wees.
117. De historie duidt aan, dat Dorestad welvarend geweest moet zijn. Er is té veel om gevochten. De naam wordt té vaak in de geschiedenis genoemd. Het uiterst geringe aantal teruggevonden sieraden ondersteunt de stelling van het rijke Dorestad echter niet. Het behoeft daarom niet te verbazen, dat er nog lieden zijn, die het betwijfelen of de archeologen inderdaad Dorestad terugvonden. Of het niet een geheel andere nederzetting is, die opgegraven werd. Deskundigen halen hun schouders bij dergelijke meningsuitingen op. Dit is Dorestad, zeggen ze, al zijn we dan geen naambordje bij onze graverijen tegen-gekomen. We hebben ook nooit gezegd, dat we geheel Dorestad blootgelegd hebben.

In het NASCHRIFT op p.120 en 121wordt dan een van die lieden genoemd. die betwijfelen of inderdaad Dorestad is teruggevonden, of een geheel andere nederzetting, zoals bijvoorbeeld het vissersdorp en roversnest Munna. Deze tekst luidt als volgt:
In het WOORD VOORAF werd gesteld dat archeologen, naamkundigen, onderzoekers der streekgeschiedenis en muntdeskundigen elkaar nog steeds aanvullen bij het ontwarren van het vroeg-Middeleeuwse spinrag. Dat zij nog steeds verrassende ontdekkingen doen werd een dezer dagen opnieuw bewaarheid, toen de naam De la Haye in pers en media opdook.
Albert De la Haye (1) is streekarchivaris in noordwest Brabant, ook wel Nassau-Brabant genoemd. Dat is het gebied ten zuiden van Bergen op Zoom (2), waar je het provinciebordje van Zeeland nog net niet kunt zien, maar waar je wel de invloed van Antwerpen al kunt opsnuiven. Albert De la Haye is een forsgebouwde man (3), die in woord en geschrift de laatste jaren in het wereldje van onze geschiedvorsers met niet aflatende ijver heel wat heeft losgemaakt. Hij trapt met groot geduld in boek, radio en televisie tegen de scheenbenen van enige hooggeleerde professionele beoefenaars van deze wetenschap, die hij vakblindheid en napraterij verwijt. Die op hun beurt zien hem - het is hard om het te zeggen - feitelijk niet staan en vinden het eigenlijk beneden hun waardigheid om met een niet standgenoot over historische waarheid of onwaarheid te discussiëren.(4)

Objectief bezien zijn de stellingen, die de streekarchivaris en de ere-archivaris van Tournehem sur la Hem (bij Calais in Frankrijk) tot waarheid erkend willen zien lang niet mis. Al liggen ze er in Nijmegen niet wakker van, Albert De la Haye zegt toch maar, dat Karel de Grote nimmer zijn residentie in dat Nijmegen heeft gehad. Het Noviomagus van Karel de Grote zou de Franse stad Noyen (5) geweest zijn. Noyen ligt een beetje (6) ten noorden van Parijs. Indien Albert De la Haye gelijk zou hebben dan zou dat betekenen, dat onze goede oude Betuwe ook niet het eiland van de Bataven (7)zou zijn geweest. En de woorden Renus en Vahalis voorkomende op de copy van de oudste (Romeinse) kaart (8) van deze gebieden, zeker niet vertaald mogen worden met de de Betuwe omgrenzende rivieren Rijn en Waal (9). Had Albert De la Haye zich tot deze stellingen beperkt, dan was er voorwaar al genoeg wetenschappelijk porcelein gebroken.

Met de glimlach van een Bourgondische wijnboer (10) en af en toe een ironisch grapje deponeert hij nog een paar tijdbommen onder professorenzetels. De meest explosieve hiervan is wel, dat onze archivaris stelt dat het Romeinse Trajectum niet met ons Utrecht "vertaald" mag worden en de bij Wijk bij Duurstude (11) opgegraven Karolingische nederzetting zeker niet Dorestad geheten heeft. Dat zou o.a. betekenen, dat Willibrord nooit bisschop van Utrecht (12) geweest zou zijn en volgens De la Haye moeten we de heidense Friezen (13) dan ook niet zoeken in onze Hollanden en misschien Zeeland, maar veel zuidelijker, in Frans-Vlaanderen. Sterker nog, de archivaris tovert ons twee lijken van Willibrord (14) voor, waarbij de vereerde relieken, bewaard in het Luxemburgse Echternach, in zijn ogen maar een zeer geringe kans maken de echte te zijn. De echte zouden in Abbeville gevonden zijn. Willibrord zou ook niet in ons Katwijk geland zijn, maar in Gravelines (15) bij Calais in het Franse departement Nord. Een klein bommetje ligt verder onder ons Almere (16). Ook dat water ligt volgens De la Haye in Frans- Vlaanderen, bij Duinkerken en Sint Omaars.

Daarna beschrijft Bronkhorst op p.122, hetgeen in het kader hieroven genoemd staat.

Opmerkingen over het NASCHRIFT:
(1) de juiste schrijfwijze is Delahaye.
(2) Nasau-Brabant ligt niet ten zuiden van Bergen op Zook, maar ten noorden en oosten ervan.
(3) Wat deze onjuiste kwalificatie met deze zaak te maken heeft is een vraag. Grapje?
(4) Vooral de discussie vermijden vanwege het geen weerwoord te hebben. Eigen ondeskundigheid verbergend?
(5) Deze stad heeft Noyon (typefout? In elk geval geen tekstcorrestie toegepast).
(6) Noyon ligt op precies 115 km van Parijs, of zoals Ptolemeus al schreef: twee dagreizen te paard.
(7) Lees meer over de Bataven.
(8) Die 'Romeinse' kaart is inderdaad niet Romeins. Lees meer over de Peutingerkaart.
(9) Lees meer over de rivieren Rijn en Waal.
(10) Zie opmerking bij (3).
(11) De plaats heet Wijk bij Duurstede. Zie opmerking bij (5).
(12) Lees meer over Willibrord en over Utrecht.
(13) Lees meer over de Friezen.
(14) Lees meer over de twee lijken en over Echternach.
(15) Lees meer over de landingsplaats van Willibrord in Gravelines.
(16) Lees meer over het Almere.


Lees meer over achtergronden om een goed begrip te krijgen over de werkwijze in de historische wetenschap.

Citaten van Historici


wetenschap is twijfel


ongelooflijk


onnozelheid


Heiligenlevens


Kletspraat




Lees meer over het ontstaan van de traditionele opvattingen in de loop der eeuwen en vooral sinds de 17de eeuw.
11de en 12de eeuw
13de en 14de eeuw
Opvattingen in de 15de, 16de en 17de eeuw
18de eeuw
19de eeuw
20ste eeuw




Lees het boek "De Ware Kijk Op" voor al deze en andere teksten en oordeel zelf!

Terug naar de beginpagina.
Het Bronnenboek van Nijmegen weerlegt de Karolingische geschiedenis van Nederland.
Naar het overzicht in het kort.