| Terug naar de beginpagina. | Naar het overzicht in het kort. |
|
Grondfout in de geschiedenis van de Graven van Holland is dat men Frisia/Fresia opvatte als (West-) Friesland in Holland. Het klassieke Frisia lag in (Frans-) Vlaanderen. De Graven van Holland en Gelre kwamen uit Frans-Vlaanderen en wel uit de omgeving van Béthune en St.Omaars. ![]() D.E.H. de Boer en E.H.P.Cordfunke, Walburg Pers 2010. De Boer en Cordfunke behoren tot de traditionele historici bij wie Karel de Grote nog steeds in Nijmegen resideerde en Willibrord bisschop van Utrecht was: twee opvattingen die ondertussen wel achterhaald zijn. Lees meer over Karel de Grote en Willibrord. Die opvattingen vormen wel het uitgangspunt van hun boek, terwijl de 'Graven van Holland' De West-Friese omringdijk bijvoorbeeld wordt als geheel pas voor het eerst vermeld in 1320 en kan toen nog niet lang hebben bestaan. Maar zonder dijken stond volgens Rijkswaterstaat alles meters onder water. Het idee dat het maaiveld veel hoger moet hebben gelegen kan, vooropgesteld dat het juist zou zijn, alleen tot de gevolgtrekking leiden dat er een voornamelijk onbewoonbaar moerasbos was dat pas door afwatering en dijkenbouw werd ontgonnen en voor bewoning geschikt gemaakt, waardoor de bodem vervolgens inklonk (daalde), wat het er voor de langere termijn weinig beter op maakte.van België blijken te zijn. Dat beeld wordt bovendien door de archeologie volkomen bevestigd: de doorlopende Hollandse geschiedenis begint op zijn vroegst in de elfde eeuw, en dan nog alleen op de Zuid-Hollandse eilanden, en er is geen duidelijke continuïteit met eerdere bewoning. ![]() Graven van Vlaanderen, Gerben Graddesz Hellinga, Walburg Pers 2013. ![]() Gedenksteen graven van Vlaanderen in de Sint-Pietersabdij in Gent. Zij lagen hier echter niet alleen, in totaal werden er 16 personen bijgezet, namelijk (in chronologische volgorde): (1) gravin Judith (echtgenote van Boudewijn I) (2) graaf Boudewijn I (3) graaf Boudewijn II (4) Adalbertus, zoon van Boudewijn II (5) gravin Elftrudis (echtgenote van Boudewijn II) (6) gravin Adela (echtgenote van Arnulf I) (7) Lutgardis (dochter van Arnulf I) (8) graaf Arnulf I (9) Boudewijn Balzo (neef van Arnulf I) (10) graaf Arnulf II (11) gravin Sussane (echtgenote van Arnulf II) (12) Godfried van Verdun (tweede echtgenoot van gravin Mathildis) (13) gravin Mathildis (weduwe van Boudewijn III) (14) gravin Odgiva (echtgenote van Boudewijn IV) (15) Gisela (zus van Odgiva) (16) graaf Boudewijn IV Opgemerkt dient te worden dat de bronnen over de graven van Holland en Vlaanderen rond het jaar 1000 uit elkaar gaan lopen. Dat heeft alles te maken met de nadien ontstane misvattingen in de geschiedenis waarbij plaats-, rivier- en streeknamen, zoals de Isla, Hamaland en vooral de misvattingen over Frisia, in de verkeerde streek terecht kwamen. Ook hier is vaak sprake van de FUNDAMENTELE VERWARRING. In de geschiedenis over de Graven van Holland kom je steeds dezelfde namen tegen van lieden die het allemaal zo goed weten, maar het onderling vaak oneens zijn met elkaar. We noemen B.Dijkstra, in het dagelijkse leven een keel-, neus- en oorarts (wat geen probleem hoeft te zijn, wellicht een voordeel om goed naar argumenten te luisteren), die familierelaties en geboorte- en sterfjaren van de graven van Holland opstelde, maar die gebaseerd zijn op rekenregels(?), onjuiste archeologische gegevens, en veel creativiteit. De fantasieën van Dijkstra’s aanvankelijke vriend in het traditionalisme, maar later aartsvijand van prof.dr.ir.Erich Heinz Pieter Cordfunke, een scheikundige (ook al geen beroepshistoricus), blijven door hem merkwaardigerwijs geheel onbesproken, geen gering punt. Bekend is de “bottenoorlog” tussen prof.dr.ir.E.H.P.Cordfunke en dr.B.K.S.Dijkstra. Daarnaast noemen we Luit van der Tuuk, die noch historicus, noch archeoloog is, maar museum-conservator van Museum Dorestad (zijn broodheer!) met een dikke duim, waaruit de nodige fantasieën ontsproten zijn. Ook kan Kees Nieuwenhuijsen niet onvermeld blijven, waarbij in zijn 'methodisch' werk steeds van alles “denkbaar” is, wat alweer een “fraaie reeks” oplevert. Dr. Kees Nieuwenhuijsen stelde zich, na zijn Lex Frisionum escapades waarin hij prof.dr.K.O.J.T.Freiherr volgde, plotseling op als een “kritische” leerling en is zelf inmiddels – terecht – afgeschaald tot amateur-historicus; de werkelijke beroeps-oordeelkundigen laten het ondertussen weer lelijk afweten en vallen hem niet bij of af, wat bij 'beroeps' kenmerkend is. Vooral je niet ergens over uitspreken, maar zwijgen. Je zou eens ongelijk krijgen? (Bron: K.IJpelaan, Graven van Holland). Twee thema's die nauw verweven zijn met de eerste graven van Holland zijn Echternach en de oudste Kerken in Holland. Deze geschiedenis geeft al aan waar geschiedvorsers ooit in de fout gingen en tegenwoordige historici daarover zwijgen. Zij laten het maar op zijn beloop, immers zouden ze erop ingaan, dan blijkt al snel hun onkunde. In de literatuur is het onomstreden dat de oorsprong van de Hollandse graven in Friesland, West-Friesland dan wel in Kennemerland moet worden gezocht, of was het toch de omgeving van Dordrecht. Echter bestudering van de originele klassieke teksten maakt onmiskenbaar duidelijk dat ze hun beroep eerst vooral uitoefenden in het noorden van Frankrijk, en daarna in Gent. Kijken we naar het archief van de Graven van Holland dat zich in het Rijksarchief te ’s-Gravenhage bevindt dan zien we dat het oudste stuk pas uit 1204 is en toen was hun Franse herkomst al geschiedenis. Werden alle Frisia-documenten aanvankelijk voor Friesland opgeëist, wat al in de negentiende eeuw leidde tot kritisch onderzoek naar de geschiedschrijving zelve, ze passen net zo min op West-Friesland, Kennemerland of Holland. Wat onder Frisia begrepen moet worden is zelfs uitgesmeerd over het hele gebied van Noordwest-Frankrijk tot Denemarken aan toe om het enigszins passend te maken. Kijken we omgekeerd naar wat voor Holland en Friesland nu eigenlijk vaststaat, bijvoorbeeld met betrekking tot zoiets fundamenteels als de dijkenbouw, dan lezen we het volgende : «Directe gegevens, onwraakbare getuigenissen uit geschreven bronnen zijn er niet. De literaire overlevering leidt hoogstens tot de aanwijzing, dat er vóór het jaar 1000 geen bedijkingen in het zeekustgebied waren, althans geen omvangrijke bedijkingen, die als publieke werken vielen te beschouwen». Vroege documentatie blijkt tegen kritisch onderzoek niet te zijn bestand. De befaamde akte van “1097” b.v., betreffende Ouderkerk in de Krimpenerwaard, is van het jaar 1287 en van graaf Floris V afkomstig. De kolonisatie van waterbouwkundige Nederlandse ontginners in de buurt van Bremen is eerst op het jaar 1106 te bewijzen. De IJ-dijk, die vóór 1018 bestaan zou hebben, berust op een fictief historisch fundament. Dr. D.P. Blok voegt daar aan toe: «Men neemt tegenwoordig algemeen aan, dat in Nederland vóór de 11de eeuw geen dijken van enige betekenis aangelegd waren [...]. Nu is het tegengaan van wateroverlast door het maken van dijken iets zo elementairs – zoals iedereen weet die wel eens op het strand heeft gespeeld – dat het wel gek zou zijn als men daar vóór de 11de eeuw niet opgekomen zou zijn: in Italië deed men dat al in de tijd van Horatius !» Duidelijke taal! De West-Friese omringdijk bijvoorbeeld wordt als geheel pas voor het eerst vermeld in 1320 en kan toen nog niet lang hebben bestaan. Maar zonder dijken stond volgens Rijkswaterstaat alles meters onder water. Het idee dat het maaiveld veel hoger moet hebben gelegen kan, vooropgesteld dat het juist zou zijn, alleen tot de gevolgtrekking leiden dat er een voornamelijk onbewoonbaar moerasbos was dat pas door afwatering en dijkenbouw werd ontgonnen en voor bewoning geschikt gemaakt, waardoor de bodem vervolgens inklonk (daalde). Dat beeld wordt bovendien door de archeologie volkomen bevestigd : de doorlopende Hollandse geschiedenis begint op zijn vroegst in de elfde eeuw, en dan nog alleen op de Zuid-Hollandse eilanden en er is geen duidelijke continuïteit met eerdere bewoning. Nog een voorbeeld van verwarring. ![]() Jacoba Bavariae is een voorbeeld van de onjuiste plaatsing van een geschiedenis in Duitsland en Nederland. Zij kwam niet uit het Duitse Beieren, maar uit Bavariae, dat het land van Bavay in Noord-Frankrijk was. Zij was geboren in Le Quesnoy, dat op 14 km zuid-west van Bavay ligt. Ze was de dochter van graaf Willem VI (van Oosterbant, later van Holland) en Margaretha van Bourgondië. In 1406 werd zij op vijfjarige leeftijd uitgehuwelijkt aan de Franse prins Jan van Touraine. In 1415, toen zij veertien was, werd dat huwelijk voltrokken in Den Haag. Kort daarop overleed Jans oudere broer Lodewijk van Guyenne, waarna Jan de dauphin van Frankrijk werd, en Jacoba dus dauphine, oftewel kroonprinses van Frankrijk. Haar vverdere geschiedenis heeft zich voorgedaan in Henegouwen, Borgondië, Engeland en Holland. Zij heeft niets te maken gehad met het Duitse Beieren. Het is slechts gebaseerd geweest op een onjuiste vertaling van Bavariae, door een ondeskudige geschiedvorser. Door de eeuwen heen zijn er verschillende mythen en legendes over het leven van Jacoba van Beieren ontstaan, die zich graag Jacq noemde. Als jongen of man meende ze meer voorrechten te hebben (wat in die tijd ook zeker zo was). Het in de teksten genoemde Bagiorences, ook als Bajowari, Bajowaria of Bajoraria geschreven, maar ook Baguarii, Bagacum en Baca Conervio is steeds dezelfde plaats Bavay. Het behoeft nauwelijks gezegd te worden, dat men in tal van gevallen hiervan ten onrechte Beieren in Zuid-Duitsland heeft gemaakt. Deze naam is net zo onjuist als die van kruisvaarder Godfried van Bouillon, die niet uit Bouillon kwam, maar uit Boulogne-sur-Mer. ![]() Afbeelding van Jacqueline, Countess of Hainaut, by Hendrik van Heessel (15e-eeuwse tekening). In veel originele stukken noemde zij zichzelf Jacq. Het Jakobakannetje. Een typisch middeleeuwse kan van Siegburgs steengoed werd in de zeventiende eeuw bij werkzaamheden in groten getale uit de gracht van slot Teylingen in Voorhout opgebaggerd. Een legende zegt dat deze kannetjes door de hertogin zelf, nadat ze door verdriet over het verlies van haar land aan de drank was geraakt, in de gracht waren gegooid. In deze legende zit zelfs geen kern van waarheid, aangezien de kannetjes veelal pas na de dood van Jacoba vervaardigd zijn. Dit soort steengoed wordt sindsdien in Nederland wel algemeen jakobakannetje genoemd. |
De voorgeschiedenis van de Graven van 'Holland' tussen 694 en 962 is volkomen duister. Er bestaat voor de zevende eeuwse en 'eerste graaf' Aldgisl maar één bron : de Vita S. Wilfridi van Eddius Stephanus uit York. Gegevens daaruit zijn overgenomen door Beda in zijn 'Historia ecclesiastica Anglorum', waarin de naam Aldgisl zonder toelichting vervangen werd door Rathbed.
"De oudste teksten over de Graven van Holland (Dirk II, III, V en VI en Floris II en III) komen vanaf 936 uit België met name uit Gent (Blandinum) en gaan over Vlaamse schenkingen aan de St.Pietersabdij te Gent." (Bron: J.G.Kruisheer, De oorkonden en kanselarij van de Graven van Holland tot 1299, Hollandse Studiën 1971). Ze worden dan wel de Fontes Egmundenses genoemd, maar deze geschriften zijn afkomstig van de abdij van St.Bertin te St.Omaars in Frans-Vlaanderen en komen via Gent in Egmond terecht. Zie kader hieronder.
In werkelijkheid verloopt de historische beweging in precies omgekeerde richting: ze beginnen in de negende eeuw in het gebied ten westen van Béthune en rond Thérouanne, ongeveer het gebied ten noorden van het huidige Artois, waar ze als graven van Frisia enig leengoed hebben. Vanaf 940 zijn deze graven in Gent te vinden temidden van diverse dynastieke intriges. Rond 1018, na het pleit in Gent te hebben verloren, verblijven ze met wisselend succes in het Merwede-gebied. In 1063 zouden ze geprobeerd hebben om in Egmond voet aan de grond te krijgen, voortdurend betwist door de bisschop van Utrecht. Pas in het jaar van het uitsterven van het ‘Hollandse Huis’ (1299) wordt West-Friesland ‘bedwongen’. De oversteek naar de provincie Friesland wordt pas in 1314 bekroond met het vestigen van enige heerlijke macht. Volgen we de traditionele geschiedenis dan kunnen we ons er over verbazen dat de graven van Holland voortdurend bezig waren hun eigen graafschap te veroveren of in leen te krijgen, waarbij ze er telkens weer in slagen rechten kwijt te spelen vooraleer die te verwerven. De Graven van Holland zijn belangrijk voor de geschiedenis van Nederland, met name voor de geschiedenis van Egmond en van St.Willibrord. Het een is onlosmakelijk verbonden met het andere. Als de geschiedenis van de Graven van Holland toch anders blijkt te zijn dan de traditie ons wil doen geloven, dan geldt dat ook voor de geschiedenis van Egmond, maar zeker ook voor de veronderstelde aanwezigheid van St.Willibrord in Holland. In het verloop van deze geschiedenis heeft de abdij van Echternach een cruciale, maar verderfelijke rol gespeeld door leugens, mythen en fabels te verspreiden. De historici hebben deze intriges niet doorzien, ondanks alle twijfel die er al over de geschiedenis van de Graven van Holland bestond. Lees meer over het graafschap Holland en over de geschiedenis van de Graven van Holland, die pas begint ná Dirk IV. Lees ook meer over de Oorsprong van de Holland en de Hollanders.
Hoe is het mogelijk dat de geschiedenis zo verkeerd is begrepen ? In de abdij van Egmond bestond de idee, gesteund door de bronnen uit de twaalfde en dertiende eeuw, dat de ‘Hollandse graven’ altijd al in Holland waren geweest, ook al zijn er geen andere documenten van vóór de twaalfde eeuw die hun aanwezigheid aldaar bevestigen. Alle documenten die hun bestaan bevestigen komen uit Gent of uit Noord-Frankrijk. Waren de geschiedschrijvers begonnen met die oorkonden in plaats van met de rijmelarij van Melis Stoke, en hadden ze die van de oudste af aan behandeld, dan waren ze tot de juiste conclusie gekomen. Toen in de negentiende eeuw geleidelijk inderdaad oorkonden als uitgangspunt werden genomen bleek al snel dat er zich daar ook nogal wat vervalsingen onder bevonden, zodat de grondslag van de geschiedschrijving wel heel onzeker werd, wat uiteindelijk leidde tot enkele tamelijk overspannen reacties in de twintigste eeuw. Die overspannen reacties heeft ook Albert Delahaye ervaren toen hij de Karolingische Palts in Nijmegen ter discussie stelde.
Voor de herkomst van de graven van Holland is bepalend waar hun bezittingen lagen, met wie zij trouwden en waar zij begraven zijn. De Gouwgraven Lyderick, Inghetrau en Audare zijn allen begraven in Aerlebeke (is Haralbeke bij Kortrijk). Zij waren graven van Flandria. De eerste 'erkende' graaf van Flandria was Boudwijn I (met de IJzeren Arm), geboren ca. 840, was getrouwd met Judith, dochter van Koning Karel de Kale en werd begraven in de abdij van St.Bertijn in St.Omaars. Zie afbeelding hiernaast. Zijn opvolger, Boudewijn de Calve (Kale), werd graaf van geheel Vlaanderen. Zie de kaart van Vlaanderen hiernaast, met de gebiedsuitbreidingen naar Picardië en Artois. Vergelijk ook de jaartallen van de plunderingen van de Noormannen, met die in Nederland gehanteerd worden. Plunderden de Noormannen in Vlaanderen en tegelijk in Deventer en Nijmegen, maar niet in Utrecht? Klik op de kaart voor een vergroting.. Boudewijn trouwde met Elftrude, dochter van de Engels koning Alfred de Grote. Zij zijn beide begraven in de Sint-Pietersabdij in Gent, aangezien een vrouw niet begraven mocht worden in de St.Bertinsabdij, wat hun uitdrukkelijke wens om 'voor eeuwig in hetzelfde graf te rusten'. Zij kregen twee zoons en twee dochters, waarvan de oudste zoon Arnulf in 918 zijn vader opvolgde als graaf van Vlaanderen. Arnulf werd ook begraven in de Sint-Pietersabdij in Gent, zijn zoon Boudwijn III in de St.Bertijns in St.Omaars. Arnulf huwde zijn 3 dochters uit zijn eerste huwelijk uit aan Isaac van Kamerijk, Wicman van Hamaland en Dirk van West-Frisia om zich te verzekeren van machtige bondgenoten. Zijn tweede huwelijk was met Adela, dochter van graaf Herbert II van Vermandois. Bron: Graven van Vlaanderen, Gerben Graddesz Hellinga, Walburg Pers 2013. Feitelijk begint de geschiedenis van de Graven van Holland pas ná “Dirk IV”. Hij wordt in geen enkel overgeleverd document met Holland in verband gebracht en de naam Holland is in geen enkel hem betreffend bewaard document vastgelegd.
Vanaf hier gaat de Nederlandse geschiedenis in de fout. Hamaland was een graafschap in Vlaanderen, net als West-Frisia. De graven van Vlaanderen en hun opvolgers zijn begraven in de Sint-Pietersabdij in Gent, Boudewijn V in de St.Pieters in Rijssel. Robrecht de Vriese, soon van Vlaanderen (ca.1030-1093) is begraven in Cassel. De hele generatie graven van Vlaanderen woonden, trouwden en werden begraven in Frankrijk. De stiefzoon van Robrecht le Frison, Dirk zou als Dirk V graaf van Holland worden. Vraag is dan toch nog welk Holland? Lees meer over Holland en over Hamaland.
Zie opmerking in de linker kolom over de verschillende opvattingen over de graven van Vlaanderen en Holland. Rond het jaar 1000 gaan de gegevens uit elkaar lopen en worden niet geheel betrouwbaar als je beide uitgaven naast elkaar legt. Dat heeft alles te maken met de nadien ontstane misverstanden in de geschiedenis, waarbij misvattingen zijn ontstaan over plaats-, rivier- en streeknamen, zoals de Isla, Hamaland en vooral over Frisia. Was dat in Vlaanderen of in Nederland?Uit de "Tableaux Généalogiques" blijkt alles naar Noord-Frankrijk en Vlaanderen te wijzen. De 'stamvader' van deze familie was Karel de Kale, koning van West-Francië die getrouwd was met Ermentrudis van Orleans. Zij hadden 9 kinderen. Hun oudste dochter Judith werd in 861 geschaakt door Boudewijn I van Vlaanderen, waarmee het Vlaamse huis begon. Een andere dochter, Ermentridus, was abdis van Hasnon en Oostervant (let op de richting: dit Hasnon dat Ascloa was, wordt verward met Asselt). Hun kleinzoon Arnulf I trouwt met Adèle van Vermandois, net zoals Dirk I (uit een andere tak van deze zeer omvangrijke familie) trouwde met Geva van Vermandois, de streek rond Noyon. Het 'bezit' dient wel in de familie te blijven! Adolf, de broer van Arnulf, was graaf van Ternois en Boulogne. Arnulf had 5 kinderen die, behalve Egbert die op jonge leeftijd overleed, allemaal trouwden met echtelieden uit Gent, Hamaland, Saksonia, Guines en West-Frise. Dit vond allemaal plaats in Vlaanderen en niet in Nederland of nog verder weg in Duitsland. In de afstammingslijst van Arnulf komen we in 1071 Robert graaf van Vlaanderen tegen die zich 'le Frison' noemt. Frison of Vriese was een streek in Vlaanderen. Robert trouwt met Gertrude, dochter van Bernard II 'duc de Saxe' en weduwe van Florent I, graaf 'de Frise'. Robbert of Robrecht (zie afbeelding hiernaast) werd begaven in Cassel, zijn thuis. Tot hier gaat het steeds over Frans- en Belgisch Vlaanderen. Nederland wordt hier nog niet genoemd.
Afbeeldingen van graven Dirk I t/m Dirk V uit "Rijmkroniek van Melis Stoke" (uitgave van Cornelis van Alkemade,1699), zoals men die beschouwde (uiteraard fantasie, al kunnen details -zoals kleding- wel juist zijn). Ze zijn allemaal wel voorzien van een zwaard (oorlogzuchtig) en een schouderbord met de Vlaamse Leeuw, wat hun afkomst aangeeft.Klik op de afbeelding voor een vergroting. De familietak van Dirk raakte in onmin en verlegde hun macht en bezittingen naar het noorden, waar in Holland en Friesland door ontginningen (en regressie van de zee) nieuwe gronden vrijkwamen. Feitelijk was Dirk III (993-1039) de eerste die als graaf van Holland invloed in Holland begon te krijgen. Lees meer hieronder bij Even wat geschiedenis. In de traditionele opvatting beginnen de Graven van Holland in Friesland, of in West-Friesland, of in Kennemerland, al naar gelang wie er schrijft, waarbij ze hun macht geleidelijk naar het zuiden uitbreiden. In werkelijkheid verloopt de historische beweging precies omgekeerd: ze beginnen in de negende eeuw in het zuiden, in het gebied ten westen van Béthune en rond Terwaan (Frans-Vlaanderen), ongeveer het gebied ten noorden van het huidige Artesië (Frans Artois), waar ze als graven van Frisia enig leengoed hebben. Vanaf 940 zijn ze in Gent te vinden te midden van dynastieke intriges. Rond 1018, na het pleit in Gent te hebben verloren, verblijven ze met wisselend succes rond in het Merwede-gebied (rond Dordrecht, de oudste stad van Holland!). In 1063 zouden ze geprobeerd hebben om in Egmond voet aan de grond te krijgen, voortdurend heftig betwist door de bisschop van Utrecht die beweerde datzelfde gebied van de Duitse keizer in leen te hebben, terwijl de Hollandse graven zich beriepen op rechten die ze van de Franse koning zouden hebben ontvangen. Pas in het jaar van het uitsterven van het 'Hollandse Huis' (1299) wordt West-Friesland 'bedwongen'. De oversteek naar Friesland wordt pas in 1314 bekroond met het vestigen van enige heerlijke macht. Volgen we de traditionalistische geschiedenis dan kunnen we ons er over verbazen dat de graven van Holland voortdurend bezig waren hun eigen graafschap te veroveren of in leen te krijgen, waarbij ze er telkens weer in slagen het kwijt te raken voordat ze het verworven hadden. (Bron: K.IJpelaan, Graven van Holland). Een bevestiging van het verloop van zuid naar noord vinden we in "Gravinnen van Holland" uit 1987 van E.H.P.Cordfunke, al doorziet hij zijn eigen boek niet. Als oudste bron noemt Cordfunke het Kalendarium van Egmond, zonder zich af te vragen waar dit Kalendarium vandaan kwam. Het blijkt namelijk vanuit St.Omaars te komen en is via Gent in Egmond terecht gekomen. Cordfunke maakt de gebruikelijke fout door het klassieke Frisia in Friesland te plaatsen en niet in Vlaanderen (zie bij Frisia). Als je kijkt met wie de 'graven van het 'Hollandse huis' trouwden, voor zover dat bekend is, geeft dat duidelijk de richting aan waar zij vandaan kwamen. Als stamvader van de 'Hollandse' graven beschouwt men graaf Gerulf. Deze ontving goederen in Teisterbant, wat traditioneel in het rivierengebied wordt geplaatst, maar dezelfde streek is als Taxandria (zie daar). De kleinzoon van Gerulf, Dirk I, trouwde met Geva dochter uit het Noordfranse geslacht van de graven van Vermandois. De zoon van Dirk I, Dirk II trouwde met Hildegard van Vlaanderen, zijn zoon Arnulf trouwde met Liutgard van Luxemburg. Dirk III trouwde met Othilde van Saksen (Saxonia in Vlaanderen wel te verstaan). Ziet U ook de lijn van zuid naar noord? Interessant is ook dat de Katholieke Universiteit van Nijmegen (KUN) de naam kreeg van de Utrechtse bisschop Radboud, die een even omstreden figuur als Karel de Grote was. Deze Radboud was een misdadige intrigant en heeft een dubieus verleden als bisschop van Trajectum (niet Utrecht: zie daar) en abt van Aefternacum (niet Echternach: zie daar). Bisschop Radboud (of Redbod) (900-917) had nauwe banden met graaf Waldger, een zoon van zijn oom Gerulf I. Er wordt wel aangenomen (p.21 in "Gravinnen van Holland") dat Radboud zou afstammen van de zus van Gerulf I en via zijn moeder dus zou afstammen van de Friese koning Radbod (overleden in 719), naar wie hij blijkbaar vernoemd was. In hoeverre hier sprake is van fantasie en speculatie blijft een vraag. Het is dan wel opvallend dat ook deze bisschop Radboud duidelijk een relatie met Vlaanderen had en niet met Utrecht. Toch is het zeer interessant wat Cordfunke in dit boek schrijft. Helaas volgt hij niet zijn eigen opvattingen, zoals 'de vele discussies over het onderzoek van B.K.S.Dijkstra' en het is 'van belang de verschillende bronnen kritisch met elkaar te vergelijken'. Cordfunke maakt hier de gebruikelijke fout door vooral uit te gaan van de 'Tabula', een late bron uit ca.1470, zoals hij schrijft (p.13) en van daaruit terug te redeneren. En juist bij dat "terugredeneren" zijn de meeste fouten gemaakt in de historische geografie van Nederland.
De visie van Albert Delahaye.
Even wat geschiedenis.(hiernaast een idyllisch plaatje van de Graven van Holland en Zeeland, allemaal fantasie uit de 16e eeuw). Wanneer ontstond er feitelijk een soort staatkundig beheer in Friesland? Stambomen van Friese en Hollandse graven zijn er wel, maar er zijn meerdere parallellen met de Vlaamse graven. Louter toeval? Albert Delahaye wijst op de Annalen van Einhard waar we over de nabijheid van de Friezen en Saksen het volgende lezen: "De troepen van Karel de Grote werden door Thedericus, graaf van Frisia, aangevoerd en in Rhiustri (dat is Hestrus bij St. Pol-sur-Ternoise) door Saksen onderschept en vernietigd". Kwam Karel de Grote met de Friese troepen naar Drenthe? Echter Rhiustri geeft de plaats van de veldslag aan. Die vond dus plaats in Artesië (Frankrijk) en niet in Nederland. Zouden de Friezen uit Friesland in Noord-Frankrijk gevochten hebben tegen de Saksen, die daarvoor even uit Drenthe kwamen? . Er blijkt dus al een graaf van Frisia te bestaan voordat Friesland als graafschap bestond. H.A.J. Roobeek (brn: zie onderaan) geeft een stamboom met graven uit Frisia beginnend bij Gerulf ca. 900. Over Gerulf bestaat geen enkel vaststaand historisch gegeven over geboorte en dood. Laat ons daarom eens alle opgemaakte schema's en data vergeten en de de aardrijkskundige gegevens over die graven volgen die in de officiële documenten voorkomen, met de vraag: "Waar gebeurde dit?". Als in 1156 de abdij van Echternach 24 kerken in Holland claimt, als zijnde voormalig en erfelijk bezit van St.Willibrord, wordt de abdij van Egmond niet genoemd wordt, wel de kerk van 'Ekmunde' (zie noot hieronder). Overigens mislukte deze claims aangezien de graaf van Holland het 'terug krijgen' niet vertrouwde. Het was toch nieuw land dat voordien onbewoond was? concludeerde de graaf. Die 'restitutie' bleek nadien geheel onterecht, zoals de latere geschiedenis wel uitwees. Echternach week toen uit naar Zeeland (waar het schapenweiden kreeg) en Noord-Brabant waar enkele claims (4!) op kerkelijk bezit wel lukte. Noot: Bisschop Willem van Utrecht erkent tegenover de abt van Echternach, dat de abdij voor de helft de kerken in Holland bezit, eertijds door Karel Martel en anderen geschonken, die de graven Dirk III van Holland, Dirk IV en Floris onrechtmatig in bezit genomen hadden. Het waren de hoofdkerken: Flardinge, Kiericwerve, Velsereburc, Heligelo, Pethem, met de onderkerken of kapellen: Harago, Sche, Rinesburc, Warmunde, Letthemuthon, Rinsaterwalt, Asclekerewalt, Agathenkiricha, Hemetonkyricha, Ascmannedelf, Spimerawalt, Sloten, Ekmunde, Alcmere, Skimere, Misnen, Woggungen, Aldendohorp en Vronlo. Theofried van Echternach had links en rechts wat plaatsnamen opgepikt en kwam zodoende tot een getal van 24 plaatsnamen, waarvan hij gemakshalve 25 kerken maakte. Waar hij de namen en dit aantal vandaan haalde, is een raadsel, daar hij onmogelijk alle oude akten heeft gezien, anders had hij het astronomische getal van bijna 400 kunnen halen. De kerken kunnen we meteen afschrijven, daar in de meeste akten sprake is van een grondbezit of andere rechten doch slechts zelden over het bezit van de kerk. Zijn bewering leidde er wel toe, dat Echternach in 1157 (en niet in 1063 !) een claim in Holland ging stellen. Dit wijst dan ook nauwkeurig de tijd aan dat deze vervalsing in elkaar werd gestoken. Dat het om een vervalsing gaat, heeft Albert Delahaye in zijn boeken wel aangetoond. Lees meer over de oorkonde uit 1063 Tot hiertoe zijn alle geografische gegevens in Frankrijk en Vlaanderen aan te wijzen en niet in Nederland. Is het dan Nederlandse geschiedenis te noemen? Vanaf Dirk III kan de Gravengeschiedenis van Nederland feitelijk pas beginnen. Alle bezittingen lagen voordien in Frankrijk en de graven werden 'de Fries' genoemd en plots verdwijnt het 'van Gent'. Gent werd vergeten, ook in Egmond waar de eerste monniken uit Gent kwamen met meenemen van het Cartularium van Egmond dat uit St.Omaars kwam. Lees meer over Egmond en de Annalen. De vraag is wat de later opgestelde stambomen waard zijn? Wie was Hildegard van Gent? Was zij Hilde uit het Gudrun-epos, die in 950 de abdij van Egmond gesticht zou hebben? Zij overleed in 990. Zij leefde met Dirk III ( 988). De abdij van Egmond bezit het Cartularium van Radboud met de afbeelding van de abdij Centula ofwel St-Rikiers te Abbeville. Waarom? Hoe kwam het daar terecht? En de Annales van Egmond? Kwam Walter uit de 'ganda-stichting' te Lens, door St.-Amandus uit Elno of St-Amand-les-Eaux gesticht? Heeft Walter geschriften van Hucbald en anderen meegenomen? Gent bezit immers geen geschriften uit die tijden. Dat er overeenkomsten in de Vlaamse en de Hollandse geschiedenis zijn ligt voor de hand. Wie sterft er nu precies in 964? Arnold I en Dirk II erft Gent (of ganda) en Waes (waseland of moseland (moerasland): een put wasen is in Vlaanderen het slijk eruit scheppen). In 988 sterft Dirk II en ook Arnold II, in 1093 sterft Robrecht de Fries, die in 1063 Gertrude van Saksen huwde, weduwe van Floris I, en overlijdt Bertha dochter van Floris I de Fries. In 1113 stierf Gertrude van Saksen. Robrecht en Gertrude kregen 5 kinderen. Robrecht was de jongste zoon en had geen erfrecht op de troon. Hij werd echter tweemaal dik betaald als compensatie, eenmaal te Oudenaarde en eenmaal te Brugge in 1069. De vader van Robrecht de Fries, Boudewijn V van Rijsel (Lille) (| 1067), gehuwd met Adela dochter van de Franse koning, zorgde dat zijn dochter Machteld met de hertog van Normandië huwde, (goede buren), beter bekend als Willem de Veroveraar die in 1066 Engeland onderwierp. Boudewijn VI stierf te Brugge op 17 juli 1070 en werd er begraven. Het is opvallend en levert de nodige vragen op dat ook andere Vlaamse graven begraven zijn in Frans-Vlaams gebied. Wie deze geschiedenis niet kent, die toch her en der na te zoeken is, kan niet langer ontkennen dat de Hollandse (en Gelderse) graven uit Vlaanderen kwamen en wel uit het klassieke Frisia. Lees meer over het klassieke Frisia. Noot *): In de geschiedenis van de graven van Guînes, Historie van Ardres geheten, zijn verschillende vermeldingen te vinden over personen die'gandavenses' (van Gent) genoemd worden, maar het daarom nog niet hoeven te zijn. De zoon van Arnold I werd Boudewijn van Tournehem genoemd en niet Boudewijn van Gent. Adelidem Samurensem (van Samur) et Ghislam Gandavensem (van Ardres of van St.Amand). Winemarus Gandavensis oppidi castellanus (1088 - 1138). Balduinurn Sancti Petri Gandavensis primo monachum ab Liskensibus (uit Licques). Filiam Margaretham que nupsit Gandavensis militi Stepponi (Margaretha huwde Stepponi, die diplomaat was van Filip van de Elzas in 1171, die in Watten begraven ligt. Interim Arnoldus Gandavensis apud Tournehem residens et mores faciens. Deze Arnoldus resideerde in Tournehem en nam de streek van Ostrevant in bezit, Artesië, Ponthieu en Amiens. Zijn opvolger Boudewijn bevolkte de Friezenstreek met 25 echtelijke en bastaardse nakomelingen, zegt de historie. Quomodo Arnoldus Gandavensis Henricum Buoburgensem apud Aldervlcum bello lacessivit. Vertaald: Hoe Arnold van de Aa-monding Henri van Bourbourg bij Audruicq door geweldpleging ombracht. Manasses dedit nepoti suo Gandavensi Arnoldo Tornehem cum appendiciis eius. Vertaald: Manasses gaf aan zijn neef Arnold van ganda (monding) Tournehem met zijn bijhorigheden. Over wel 'gande' (is rivermonding) gaat het hier? Duidelijk is wel dat de stambomen van de graven van Friesland, Holland en Vlaanderen aan herziening toe zijn. Enkele hier gebruikte bronnen zijn: Dhondt. J, Korte geschiedenis van het ontstaan van het graafschap Vlaanderen: Van Boudewijn de IJzere tot Robrecht de Fries. Bos Jurjen M, Archeologie van Friesland, p. 50-51. Delahaye A, Ware Kijk op, Deel II p. 263. Roobeek H.A.J, Van Frisia naar Holland, Semafoor, nr.1, mei 2000. De abdij van Egmond. Voor de stichting van de abdij van Egmond wordt graaf Dirk I omstreeks 925 als stichter gezien. Maar van graaf Dirk I is geen enkele oorkonde bekend. De oudste oorkonde die een graaf van Holland vermeldt is van 1101 (Koch, OHZ,I, nr.92). Volgens Opperman dateert de naam Holland met een graafschap niet eerder dan de 12e eeuw (Stadt und Stift Utrecht II, p.235). Beide onderzoekers bevestigen elkaar. Het gebied waarover Dirk II en Dirk III hun macht uitoefenen wordt in de bronnen nooit Holland genoemd. Bovendien zou Dirk I volgens de overlevering een nonnenklooster gesticht hebben, dat als eerste 'erewacht' bij de relikwieën van St.Adelbert op dezelfde plaats zou hebben gestaan, waar later de abdij zou verrijzen. Zijn zoon Dirk Il, verving de nonnen door monniken en moet derhalve als feitelijke stichter van de abdij circa het jaar 950 worden beschouwd. Dirk II haalde die monniken uit het moederklooster in Gent. Lees meer over de mythe van St.Adelbert. Lees meer over het Graafschap Holland. Dan komen we bij het gegeven of graaf Dirk II al als graaf van Holland beschouwd mag en kan worden. Juist uit die 'beginperiode' is veel onduidelijk en vooral gebaseerd op talloze aannamen, schrijven de auteurs. Enkele jaartallen zijn af te leiden uit schriftelijke gegeven. De oorkonden en regesten van de graven van 'Holland' beginnen echter pas met het jaar 967 en zijn gedateerd naar Blandinium (=Gent) en handelen over goederenbezit van de Sint-Pietersabdij te Gent. Holland komt er niet in voor, evenmin als de abdij van Egmond. Pas in 1083, onder Dirk V (regeerperiode 1061-1091), wordt voor het eerst Egmond genoemd. Of Dirk II werkelijk de zoon was van Dirk I is aan twijfel onderhevig, vanwege het grote leeftijdsverschil tussen beiden. Enkele historici menen dat er tussen Dirk I en Dirk II nog een andere graaf geweest moet zijn, vaak Dirk I-bis genoemd. Zo worden wel vaker 'gaten' in de geschiedenis gedicht. Dirk II groeide op in de leefgemeenschap van de Sint-Pietersabdij in Gent. Maar in het jaar 950 zou hij volgens deze gegevens nog niet geboren zijn. In 939 kan hij zijn vader, die toen sneuvelde, dan ook niet opgevolgd zijn. Voor Dirk I wordt als 'vader' Graaf Gerulf genoemd, waarvan de regeerperiode tussen ca.885 en ca.889 was. Dirk I regeerde van ca.916 tot 939, Dirk II van ca.970 tot-988. Tussen de regeerperiode van Dirk I en Dirk II zit ruim 30 jaar, ofwel een generatie verschil. Wat leert de archeologie? In de jaren1903, 1920, 1941 en 1947/48 is archeologisch onderzoek gedaan op het terrein van de abdij van Egmond (hoofdstuk 12 van Tien Eeuwen Egmond). Naast Romeins en Pingsdorper aardewerk zijn er meerdere cultuursporen waargenomen, die volgens de opgravers op zijn vroegst teruggaan tot in de 9e/10e eeuw. Ziet u ook hier weer het gat tussen Romeins en 10e eeuw? De opgravers menen dat het in hoogste mate waarschijnlijk is dat er vóór de stenen abdijkerk met zijn minstens drie bouwperioden nog een bescheidener, eveneens Christelijk bedehuis is geweest. Hoe weet men dat het een bedehuis was waarvan men grondsporen vond? Hoe weet men dat dit Christelijk was? Het antwoord wordt door de opgravers zelf gegeven. Dat de gedachte hierbij onwillekeurig uitgaat naar het houten, door Dirk I gestichte oratorium, is wel vanzelf sprekend. De onmiddellijke overblijfselen daarvan zijn echter blijkens het boven gereleveerde tot nu toe niet gevonden. Zij bevinden zich niet onder de stenen abdijkerk, ook niet onder de oudste bouwsporen daarvan (p153; Tien Eeuwen Egmond). De gedachte gaat niet willekeurig uit naar een aangenomen geschiedenis, maar juist heel doelbewust. Het is een aangenomen mythe, gebaseerd op veronderstellingen van de 17e eeuwse fabelschrijvers. En dan de geschreven bronnen. Voor de geschiedenis zijn we voornamelijk afhankelijk van de Annalen van Egmond (Annales Egmundenses) en het daarbij behorende Necrologium Egmundanum. Daarover waarschuwde Otto Oppermann al in 1933 dat we te doen hebben met een samenraapsel (compilaties) van Johannes de Beka, die in de 15e eeuw flink aangevuld en gewijzigd is. Andere belangrijke bronnen uit dezelfde periode zijn de oorkonden uit 1063 en uit 1083, waarvan is vastgesteld dat het vervalsingen zijn. De Annales Egmundenses zijn bijna geheel samengesteld uit andere kronieken, vooral van Sigebert van Gembloux (±1035-1112) en van Regino von Prüm (±840-915), zodat het duidelijk is dat Egmond helemaal geen eigen traditie had, maar die in de twaalfde eeuw juist probeerde te krijgen met van elders geleende gegevens. En dan hebben we natuurlijk Melis Stoke, die net als Jacob van Maerlant in opdracht van Floris V schreef. Melis Stoke dichtte een Hollandse mythologie bijeen waarin de historische rechten van de Hollandse graven tegenover Utrecht vooropstonden, en op diens rijmelarij is al eeuwenlang kritiekloos voortgeborduurd. Maar zelfs in de mythologische versie van de geschiedenis staan zoveel Noord-Franse en Vlaamse zaken dat de hele verdere rest alleen daardoor al ter discussie staat. Over de 'Moderne' bronnenboeken kan het verhaal kort zijn. In de tegenwoordige boeken wordt nog steeds uitgegaan van algemeen aanvaarde opvattingen, die in feite achterhaald zijn (zie de onenigheid tussen de verschillende auteurs). Bij het natrekken blijkt telkens weer dat moderne geschiedkundigen naar elkaar verwijzen in plaats van naar de bronnen, waardoor hun beweringen moeilijk controleerbaar zijn en de bronnen lastig zijn terug te vinden. De één oppert iets, de volgende noemt het ‘waarschijnlijk’, voegt er iets aan toe, en de derde neemt het aan als feit, zich daarbij beroepend op de voorafgaande, dan trekt iemand het half in twijfel, maar een volgende bouwt het juist weer verder uit, en zo vervolgt de discussie zich. De oorspronkelijke bron blijkt vervolgens niet te vermelden wat de uiteindelijke conclusie rechtvaardigt. Hoewel er een paar grote lijnen zichtbaar zijn is veel van deze geschiedenis nog in raadselen gehuld. De primaire bronnen moeten de bewijzen bevatten; met de secundaire opvattingen kan nagegaan worden hoe de mythen tot stand kwamen en hoe deze zich ontwikkelden tot de opvattingen die in de moderne literatuur nog steeds gehandhaafd worden.
Wat weten we uit de klassieke teksten?
Uit een 12de-eeuwse aantekening in de marge van het in origineel bewaard gebleven handschrift van de Egmondse annalen blijkt dat de oorkonde van 15 juni 922 toen al op 863 was geplaatst. De eigenlijke oorkonder, de West-Frankische koning Karel de Eenvoudige, werd daardoor aangezien voor de Oost-Frankische koning Karel de Kale, die in 863 regeerde. Met deze oorkonde ontving graaf Dirk (I) de kapel te Egmond met een belangrijk goederenbezit als beloning voor steun aan de koning in diens strijd tegen zijn opstandige vazallen. In deze 'oudste' oorkonde - die werd verleend in het Brabantse Bladel toen de koning op de vlucht uit Frankrijk was - heeft men in de middeleeuwen wel het 'scheppingsverhaal' van het graafschap Holland gelezen. De achtereenvolgende middeleeuwse geschiedschrijvers hebben telkens wat aan dit verhaal toegevoegd tot het bij de laat 15de-eeuwse kroniekschrijver Jan van Leiden was uitgegroeid tot de successtory van Dirk, de eerste graaf van Holland, die een zoon was van Sigisbertus, prins van Aquitanië. Deze gefantaseerde prins zou via de Merovingische koningen afstammen van koning Priamus van Troje. Dirk I was, volgens Jan van Leiden, een man eerbaar van zeden, claer van geboerten ... , een kampioen van de christenheid tegen de heidenen. Ook over de oorsprong van het grafelijk gezag in Holland is veel geschreven. Reeds Melis Stoke huldigde de opvatting dat Holland aanvankelijk een stuk was van het veel grotere Friesland, waar in die opvatting de Bataven leefden ". Het is wel duidelijk dat de eerste geschiedenis van de Graven van Holland gebaseerd is geweest op aannamen, verkeerd gelezen teksten en gefantaseerde toevoegingen om te komen tot een wonderlijk 'scheppingsverhaal' van het graafschap Holland.
Uit de eerste zin van De Boer en Cordfunke blijkt dat zij het verkeerde uitgangspunt hanteren. Die zin is: "Over de eerste graven in het Hollandse Kustgebied is weinig bekend". Daarin zitten meteen twee onjuiste aannamen, en wel 1. dat het kustgebied al 'Holland' heette en 2. dat het bedoelde kustgebied in Nederland lag. Het gaat hier dus over de 9de eeuw met twee onbewezen hypothesen. Waar komt de naam Holland vandaan? Wie gebruikte die naam als eerste voor de kust van Nederland en wanneer was dat? Lees meer over de naam Holland.De bekende schoolplaat van Isings uit 1926 over de gevangenneming van Floris V door de edelen Gijsbrecht van Aemstel, Herman van Woerden en Gerard van Velsen, door wie hij later vermoord werd. Bekend in het verhaal over de graven van Holland is ook de doop van de Friese koning Radboud door St.Wulfram, bisschop van Sens in Frankrijk, wat te Medemblik plaats gevonden zou hebben. Op p.17 vermelden De Boer en Cordfunke ook zeer terecht 'dat van Gerulf en diens nakomelingen wordt aangenomen dat ze van Friese koningen afstammen. Het is daarbij goed te beseffen dat dè Friese koningen eigenlijk niet bestonden'. Het hele verhaal van die Friese Koningen is dus een mythe, wat hier erkend wordt. De doop van Radboud heeft zich niet voorgedaan in Medemblik, (dat bestond niet eens in de 8ste eeuw), maar in Medemolaca, wat Meldick in Frans-Vlaanderen was. Daar woonden de Friezen uit het eerste Frisia. Lees meer over Medemblik en lees meer over de Friezen. |
|
De skeletten uit het grafmonument te Rijnsburg: een hernieuwd onderzoek. E.H.P. Cordfunke, K. van der Borg en G J.R. Maat, KNOBulletin, 1998 p.1.
De conclusie: Met behulp van de 14C-methode werd de ouderdom van alle skeletten afkomstig van het grafmonument te Rijnsburg voor de graven van Holland opnieuw bepaald. De dateringen bleken 300 tot 600 jaar ouder te zijn dan de sterfjaren van de graven van Holland en de familieleden, aan wie de skeletten waren toegeschreven en bevestigen globaal eerdere dateringen uit Groningen. Uit resultaten van eenzelfde onderzoek aan het skelet van de Hollandse graaf Floris I, begraven te Egmond, en de skeletten van de graven van Nassau uit een familiegraf te Breda, blijkt dat de invloed van een visdieet niet de discrepantie van 300 tot 600 jaar voor de skeletten uit Rijnsburg kan verklaren.Verder moet worden geconcludeerd dat de door ons vastgestelde demografische en osteopathologische bevindingen zo weinig overeenkomst vertonen met de historische gegevens omtrent de in Rijnsburg begraven leden van het Hollandse Huis, en met die van het eerdere onderzoek door Dijkstra, dat er geen grond is voor een positieve identificatie. De enige, en waarschijnlijk toevallige, overeenkomst betreft die van skelet nr. 92 met het levenseinde van graaf Floris V. Het betreft hier inderdaad een man van ca. 42 jaar, die gewelddadig om het leven is gekomen, zij het met een aanzienlijk geringer aantal aantoonbare verwondingen. Bovendien weten we uit de historische overlevering dat Floris V bij zijn vrouw Beatrijs werd begraven, doch een vrouwenskelet werd niet aangetroffen in de buurt van skelet nr. 92. Ook komt de ligging van skelet nr. 92 niet overeen met de historische overlevering. |
Over graaf Floris V zegt de tijdgenoot-kroniekschrijver Melis Stoke: Hi wort begraven ter selver stede/ In den coer met groter eerend. Skelet nr. 92, met de verwondingen aan de schedel, werd echter in de zuidelijke absisidiool aangetroffen. Volgens de historische gegevens werden in de Gravenkapel 10 graven en gravinnen bijgezet. Als we de bijzettingen in het koor ook mogen rekenen tot die in de Gravenkapel, dan zouden er voor het koor 10 in plaats van 12 skeletten van leden van de grafelijke familie moeten zijn aangetroffen. Volgens de historische gegevens (tabel 5) zijn in totaal 17 leden van de grafelijke familie in de abdij van Rijnsburg bijgezet, zodat 7 ervan vermoedelijk in de kloostergang of elders in de abdijkerk zijn begraven. In het laatste geval is de man/vrouw verhouding van de aangetroffen skeletten niet met de historisch vaststaande verhouding in overeenstemming, in het eerste geval is bovendien het totale aantal niet juist. De resultaten van het historisch-archeologisch onderzoek, de '14C-metingen en het fysisch-antropologisch onderzoek leiden dan ook tot de conclusie dat de identificatie van de onderzochte skeletten, zoals eerder door B.K.S. Dijkstra gedaan, op een misvatting moet berusten. Zij steunen daarentegen het al tijdens de opgravingen uitgesproken vermoeden dat de skeletten behoorden tot het grafveld dat zich ten oosten en ten noorden van de abdijkerk heeft uitgestrekt. Dit grafveld is op grond van de stratigrafische ligging, het 14C-onderzoek en het aangetroffen aardewerk te dateren in de 9de - 11de eeuw. Een uitzondering vormt graf nr. 102 dat blijkens de 14C-datering nog uit de Merovingische periode dateert. Dit graf zou dan tot de oudste nederzettingsfase behoren, mogelijk bij het huis dat er heeft gestaan. Een dergelijk begravingswijze was niet ongebruikelijk in die tijd. Hoewel er dus geen profiel beschikbaar is over de Karolingische bijzettingen, blijkt uit de genoemde dagrapporten van de opgravers dat 'in de hogere vlakken geen insteek van de grafkuilen kan worden aangetoond'. Een tweetal 14C-dateringen van in de kloostergang begraven skeletten, alsmede het feit dat ook skeletten onder de fundering van het koor werden aangetroffen, doet vermoeden dat het grafveld zich ook naar het noorden heeft uitgestrekt. Blijkens een aantekening in het oudste gedeelte van het Utrechtse goederenregister, heeft de St. Maartenskerk hier vanouds (vóór 860) bezittingen gehad. Huisplattegronden uit zowel de Merovingische als de Karolingische tijd zijn - stratigrafisch gescheiden - bij de opgravingen terug gevonden. Het aangetroffen grafveld behoort zonder twijfel overwegend tot de tweede bewoningsfase. In 1063 wordt in een oorkonde de 'capella' te Rijnsburg genoemd; deze kapel werd gebouwd na de afsplitsing van de moederparochie Oegstgeest. Inmiddels was de naam Rothulfhuashem vervangen door de naam Rijnsburg, hetgeen de situatie weerspiegelt waarbij de tot burg getransformeerde villa in het bezit van de graven van Holland was geraakt. Na ophoging van het terrein heeft gravin Petronilla daarop omstreeks 1130 de abdijkerk gebouwd. De stoffelijke resten van de tien, in de Gravenkapel te Rijnsburg bijgezette leden van de grafelijke familie van Holland, waaronder Floris V, zijn hoogstwaarschijnlijk reeds in 1613 tijdens de radicale sloop van de fundamenten van de abdijkerk, geruimd. Al eerder, in 1574, waren de 'heerlijke tomben' die hun graven dekten, aan de vernielzucht van plunderaars ten prooi gevallen. |
|
Bouwen voor prestige, ziel of vrede. De oudste stenen kerken in Holland en hun opdrachtgevers. Elizabeth den Hartog in KNOBulletin 1998, p.15. Enkel citaten uit het artikel: Over de stichtingsdata van de vroegste kerkjes in Holland is niet veel bekend. De schriftelijke overlevering begint met de missionering door Willibrord, die - aldus Bonifatius in een schrijven aan paus Stefanus II uit 752 - 'gedurende vijftig jaar bij het genoemde volk der Friezen heeft gepredikt en hen voor het grootste deel tot het geloof aan Christus bekeerd heeft, tempels en afgodsbeelden verwoest heeft en kerken gebouwd'. Dat die schriftelijke overlevering betrekking heeft op Nederland is een hypothese, ofwel een onbewezen aanname. Naast het eigenhandig stichten van kerken, kregen Willibrord en het door hem gestichte klooster te Echternach (zie daar) kerken ten geschenke. Zo ontving Willibrord de kerk van Vlaardingen van de clericus Heribald en door schenking kwam de kerk van Velsen - met zeven bijbehorende boerderijen - in het bezit van het klooster te Echternach. Deze schaarse feiten kunnen worden aangevuld met gegevens uit heiligenlevens en kronieken, maar alles bij elkaar blijft het beeld versnipperd. Duidelijk is alleen dat Willibrord kerken stichtte en kerken geschonken kreeg, en - impliciet - dat er anderen moeten zijn geweest die kerken stichtten en in hun bezit hadden. Over hun rol in dit alles is jammer genoeg weinig bekend. Willibrord liet in zijn testament een aanzienlijk deel van zijn bezit in deze streken na aan de abdij van Echternach. In werkelijkheid liet Willibrord niet na aan Echternach. Lees meer over het Testament van Willibrord. Op dit grondgebied waren en werden kerken gesticht, wanneer en waar is niet precies bekend, maar in een oorkonde uit 1063 is sprake van vijf moederkerken, te Vlaardingen, Oegstgeest, Velsen, Heiloo en Petten, alle tot het bezit van Echternach behorend. Van die moederkerken waren de volgende kapellen afhankelijk: Harg, Ketel, Overschie, Rijnsburg, Warmond, Leimuiden, Rijnsaterwoude, Esselijkerwoude, Agathenkiricha (thans Beverwijk), Heemskerk, Assendelft, Spaarnwoude, Sloten, Egmond, Alkmaar, Schermer, Mijsen, Wognum, Oudorp en Vronen (thans St.-Pancras). Blijkens de Echternachse visitatielijsten waren ook de moederkerken van Noordwijk en Voorhout Echternachs bezit. Het gaat hier dus om aanzienlijke delen van Holland en het verbaast derhalve niet, dat zowel de Hollandse graaf als de Utrechtse bisschop, in hun strijd om de beheersing van kust en riviermondingen, bij herhaling poogden deze bezittingen in hun macht te krijgen. Echternach heeft dan wel pogingen gedaan om kerken in Holland in bezit te krijgen, maar is daarin nooit geslaagd. Lees meer over de kerken in Holland. In het eerste kwart van de elfde eeuw werd Hillegersberg met haar dochterkerken Kralingen, Rotterdam, Bleiswijk en Zevenhuizen geschonken aan het klooster Hohorst bij Amersfoort. Het klooster Hohorst bij Amersfoort heeft nooit bestaan. Lees daarover in Ansfridus en het klooster Hohorst. Zodoende bezat de Utrechtse Paulusabdij, de opvolger van Hohorst, hier nadien het collatierecht. |
Ook over de oudste verschijningsvorm van de kerken in Holland is maar weinig bekend. Beter is te spreken over NIETS bekend. Alles is gebaseerd op speculaties. Uit het schaarse bronnenmateriaal blijkt dat het voornamelijk houten bouwwerken zullen zijn geweest. In de achtste eeuw bouwde de plaatselijke bevolking, 'zo goed en zo kwaad als zij, onbedreven in die dingen, dat konden', in het huidige Egmond-Binnen op het graf van Adelbert, die rond 749 gestorven was en die later de patroon van Egmond zou worden, een eenvoudige gedachteniskapel. Lees alles over St.Adelbertus. Na de Noormanneninvallen vatten ene Amalath 'presbiter' en drie mannen het plan op de kerk te herstellen. De Noormannen hebben nooit geplunderd in Nederland. Lees alles over de Noormannen.Uit de beschrijving van de wederopbouw valt af te leiden dat het kerkje, gelegen aan de rand van de duinen, van hout was en met hetzelfde materiaal werd hersteld, al had men moeite om voldoende balken bij elkaar te krijgen. Hoe we ons zo'n kerkje moeten voorstellen is onduidelijk, want op wat vage en moeilijk te dateren paalgaten na, bijvoorbeeld in Velsen en Noordwijk, stammen de oudste resten doorgaans uit de Romaanse periode. Alleen over Heiloo en Assendelft zijn we wat beter geïnformeerd. Bij opgravingen binnen de kerk van Heiloo kwamen twee typen paalgaten te voorschijn, een groep zware en een groep minder zware. Deze laatste waren in ongeroerde grond neergezet. Het zou hier gaan om resten van het tussen 719 en 739 door Willibrord gestichte kerkje; dit op basis van het gegeven dat ten oosten en westen van dit kerkje de vroegste bijzettingen werden gevonden. Dit grafveld was gemarkeerd door een greppel. Even buiten het grafveld ligt de St.-Willibrordsput, die oorspronkelijk vanuit hetzelfde niveau was gegraven en die - blijkens het aardewerk - gelijktijdig met grafveld en oudste kerk werd aangelegd. De tweede serie paalgaten geeft wat meer houvast, daar hieruit een plattegrond van een kerkje gereconstrueerd kan worden, dat ten dele op het oudste grafveld werd opgetrokken. Dit kerkje zou een halfronde koorsluiting hebben gehad, hetgeen opmerkelijk mag heten daar opgravingen hebben uitgewezen dat houten kerkjes overwegend rechtgesloten waren. Volgens de overlevering zou de kerk van Heiloo gebouwd zijn op een open plek in het bos, op de plaats van een heidens heiligdom. De naam Heiloo, heilig woud, die nog tot het midden van de vijftiende eeuw als 'Heyligheloe' werd geschreven, lijkt de overlevering te ondersteunen, evenals de oorspronkelijk geïsoleerde ligging van de kerk. Onderzoek heeft namelijk uitgewezen dat de bewoning hier pas rond de elfde en twaalfde eeuw op gang kwam. Over stenen gebouwen in Holland horen we voor het eerst in de tiende eeuw. In deze tijd verving Dirk II (939-988) de kloosterkerk te Egmond door een stenen bouwwerk. 'Het kostte hem wel de grootste moeite', want - zo schrijft Ruopert in zijn Vita Adalberti - 'de grond is hier door de droogte zeer zanderig en schraal en is zeer arm aan stenen en kalk'. Het is wel duidelijk dat dit betoog van Den Hartog aan elkaar hangt van aannamen, zoals ze zelf schrijft 'uit legenden', zoals over de Willibrordusputjes, wat niet meteen de betrouwbaarste bronnen zijn. Het gehele bronnenmateriaal is afkomstig uit Frankrijk. Nederland heeft helemaal niets uit de periode vóór de 11de eeuw. Voor de genoemde oorkonde uit 1063 ofwel het het dievenboekje van Echternach. Het is wel duidelijk dat als het uitgangspunt onjuist is, alle daaruit getrokken gevolgopvattingen ook onjuist zijn. Het uitgangspunt is de aanwezigheid van St.Willibrord in Holland. Daar is geen enkel bewijs voor of is dat ooit aannemelijke gemaakt. Lees meer over de kerken in Holland. |
|
| Hier wordt de kern van de problematiek van de graven van Holland geraakt. Hun oorsprong van Fries is zeker waar, als men daarbij maar niet denkt aan het huidige Friesland, maar aan het oude Frisia in Vlaanderen. In de jaren 1994-1995 vonden grootschalige onderzoeken plaats in de Grote Kerk van Alkmaar. Voordien en vooral sindsdien zijn tal van publicaties over dit kerkgebouw en zijn ondergrond verschenen. Bijvoorbeeld het boek Goed Gevonden; textielvondsten uit archeologische opgravingen in de Grote of St.Laurenskerk te Alkmaar (besproken in Westerheem 2000, p. 222-225) en het artikel in Westerheem waaraan Peter meewerkte: "Friese ringvormige aardewerken constructies: pottenbakkersovens?" Dezelfde kerk vormde ook het onderwerp waarop Peter promoveerde. Het boek bestaat uit twee delen. Het eerste deel gaat over de bouw en verbouw van de Grote Kerk tot 1470 en relateert deze geschiedenis aan de ontwikkeling van Alkmaar en omgeving. Het tweede deel van het boek 'zoomt' in op de kerk zelf en richt zich geheel op de begravingen daar binnenin. De oudste teruggevonden bouwsporen behoren bij een groot tufstenen kerkgebouw met bijbehorende toren, daterend van voor 1200, waaraan vermoedelijk een tiende eeuwse houtbouw voorafging. De bouw van de kerk vond mogelijk plaats in samenhang met de stichting van een daarnaast gelegen adellijk hof, waarvan de gracht bij archeologisch onderzoek is teruggevonden. Als stichter van de kerk lijkt vooralsnog één van de graven van Holland de beste kandidaat. Zo constateerde ook Elisabeth den Hartog in haar boek De oudste kerken van Holland (zie Westerheem 2003, p. 77), dat in de middeleeuwen niet de plaatselijke bevolking of kloosters, maar vooral de graaf en de machtige lokale adel opdrachtgever waren voor de bouw van prestigieuze kerken in Holland. Opvallend waren de grote afmetingen van de opgegraven fundering van een toren, die wellicht nooit is afgebouwd. De veertiende en vijftiende-eeuwse bouwfasen houden, zo toont Peter ons aan, rechtstreeks verband met de groeifasen van de stad. Interessant is een grafiek en een bijlage met een overzicht van gedateerde bakstenen uit Alkmaar van voor 1650. Uit met name Zuid-Holland en Utrecht is een patroon bekend, waarbij globaal gezien de grootste bakstenen het oudst zijn en er vervolgens gedurende de veertiende tot en met zeventiende eeuw min of meer een geleidelijke verkleining van het baksteenformaat optreedt. Ook in Alkmaar zijn de grootste bakstenen het oudst, maar daarmee houdt elke regelmaat op. Voor degenen die met behulp van de baksteensoort in Alkmaar tot datering willen komen, is het resultaat van dat onderzoek teleurstellend. De grafvondsten bij het archeologisch onderzoek onder de vloeren van de Grote Kerk in 1994-1995 hebben betrekking op 901 graf- en 62 beenderkisten. Dat onderzoek (bijvoorbeeld van de textielvondsten, zie hiervoor), in combinatie met uitgebreid archief- en. ander bronnenonderzoek naar begrafenisgebruiken en het begraven in de Grote Kerk verschaft ons een uitgebreid inzicht in de economische situatie van de stad Alkmaar en in de daar heersende gebruiken rondom dood en begraving gedurende de periode van globaal 1750-1850. (Westerheem 2003, p.118). |
| Terug naar de beginpagina. | Naar het overzicht in het kort. |