We bespreken uit de Jaarboeken alleen de artikelen die voor onze studie van belang zijn.

Klik op de tekst voor een vergroting.
Het FUNDAMENT van alle verwarring is het Karolingisch Paleis van Karel de Grote in Nijmegen.
Dat paleis blijkt gebouwd op los zand, op nooit bewezen losse beweringen.
Op dat losse zand zijn alle volgende mythen gebouwd.
Immers als Nijmegen fout is, was de Betuwe ook niet het land van de Bataven; was Utrecht niet de bisschopszetel van Willibrord, werd Bonifatius niet in Dokkum vermoord en hebben de Noormannen nooit in Nederland geplunderd.
Dan stort het hele kaartenhuis van de Nederlandse mythen in elkaar.
Bonifatius, Willibrord, Karel de Grote en de Noormannen zijn voor Nederland volkomen legendarisch.
|

Muurschildering in de Buurkerk van Antonius abt. Derde kwart 15de eeuw. Het valt moeilijk uit de maken op grond waarvan aan deze heilige medische specialismen zoals genezing van ernstige misvormingen en veeziekten werden toegeschreven.
|
In het Jaarboek Oud-Utrecht uit 1985 is een artikel gewijd aan Heiligen tussen Pierementen, Proeve van reconstructie en identificatie, door M.P.van Buijtenen en A.K.de Meijer O.S.A. In het Jaarboek 1986 staat deel 2 van deze studie: Heiligen tussen Pierementen II; Da Capo. De afkorting O.S.A. staat voor Ordo Sancti Augustini, ofwel de religieuze orde van Sint-Augustinus. De Meijer is een monnik van deze orde.
Wie deze titel ziet als een van weinig goede smaak getuigende blikvanger, vergist zich terdege. Hij beschrijft slechts de feitelijke situatie sinds november 1984, toen in de grondig gerestaureerde Buurkerk te Utrecht (zie afbeelding hieronder) het Nationaal Museum van Speelklok tot Pierement er zijn nieuwe onderdak mocht betrekken. Rijst zelfs de vraag of een aantal heiligen, vakkundig weer aan het licht gebracht zich nu wel zo ontheemd en vervreemd zou moeten voelen. Lees meer over heiligenlevens dat hierbij perfect aansluit.
De visie van Albert Delahaye.
Over de geschiedenis van Utrecht is veel geschreven, maar nog meer verzonnen. St.Willibrord is voor Utrecht volkomen legendarisch, hij is er nooit geweest, omdat Utrecht in zijn tijd vanwege de transgressies, onder water lag. Een Romeinse aanwezigheid is er zeker geweest, maar rond 260 n.Ch. hebben de Romeinen Nederland en ook Utrecht verlaten, vanwege de toenemende wateroverlast en zijn zij naar het zuiden vertrokken op ongeveer de taalgrens. Pas in de 11de eeuw is er weer sprake van enige bewoning in Utrecht.
Opvallende bevindingen in dit artikel genoemd: (we geven letterlijke citaten: opmerkingen van mij in rood).
- De trek van christenen naar het Noorden, met in hun bagage heiligenrelieken, begint al met het verschijnen van de Romeinse legioenen en stopt na zo'n vijf eeuwen aan de Rijn.
- De voortzetting komt later met de Iroschottische en Angelsaksische zendelingen. Vervolgens komen via handelswegen de grote buitenlandse abdijen met haar specifieke heiligen tot in het uiterste Noorden. Ziet U hier de trek naar het noorden, niet alleen van de abdijen en heiligenverering, maar ook van de verplaatsing van predikers zoals Willibrord naar het noorden vanuit hun ware missiegebied in Vlaanderen.
- Er zijn heiligen onder, die later soms niet eens meer in Utrechts heiligenkalender zijn terug te vinden. Dit biedt nog wel eens de mogelijkheid om met namen van heiligen een lijnenspel op de kaart van Europa te spelen met onvermoede perspectieven. Zo komen Willibrord en Bonifatius niet voor op de oudste Heiligenkalenders in Utrecht, zoals uit een studie van Mieke Breij blijkt.
- Nadeel blijft wel, dat een biografie van een heilige per definitie niet zonder meer als geschiedbron bruikbaar is. Zo'n biografie heet dan ook hagiografie met alle aankleve van dien. Allerlei wonderen in heiligenlevens kunnen niet als doorslaggevend historische bewijs dienen, wel de daarin genoemde geografische gegevens, zoals dat Werethina aan zee lag. Het kan dus nooit Werden geweest zijn.
- Het proces wordt perfekt weergegeven in de titel van het boek van Robert Folz over een in dit opzicht niet misdeelde Karel de Grote: 'Le souvenir et la légende de Charlemagne' Hoezeer is deze figuur in de loop der tijden niet op- en uitgerekt om aan zijn gewenst formaat te komen, daarnaast nog opgetuigd met nooit verrichte daden. Hier blijkt nogmaals dat de figuur van Karel de Grote altijd onjuist is voorgesteld. Hij was een ordinaire machtspotentaat en allerminst een Christelijk vorst, laat staan een heilige wat Frederik Barbarossa van hem wilde maken. Aken is er met zijn 'Karelsprijs' en de Europese Unie met het voorbeeld van eenwording ingetuind.
- Door de eeuwen heen is een golf aan heiligenlevens losgekomen in allerlei literaire genres, afhankelijk van tijd en plaats. De Acta Sanctorum in het begin der 17de eeuw (weer die 17de eeuw) begonnen, en nog niet geheel voltooid, omvat alleen al 70 foliobanden. Een van de grootste kenners op dit terrein zag zich indertijd genoodzaakt ter ontsluiting van deze baaierd van literaire genres een herhaald herdrukte methode te ontwikkelen met de veelzeggende titel Les légendes hagiographiques.
De Utrechtse mediëvisten deden op dit gebied onlangs aan modelbouw met hun verzamelband Andere structuren, andere heiligen. De hier genoemde 'een van de grootste kenners' was H.Delehaye, Les légendes hagiographiques, 4e éd. augmentée d'une notice de l'auteur par P.Peeters. Subsidia hagiographica XVIIIa (Brussel, 1955). Hypolyte Delehaye (1859-1941; geen familie van Albert Delahaye (sic!), schreef ook 'Cinq leçons sur la méthode hagiographique. Subsidia hagiographica, XXI (Brussel, 1934)' en bracht de Heiligenverering terug tot aanvaardbare proporties. Heel wat 'heiligen' bleken apocrief te zijn en verdwenen van de Heiligenkalenders. Er bleken geen schriftelijke bewijzen te vinden van hun aardse bestaan.
- Brengt de aard van het type reeds alle kans mee op misvatting en verwarring, en krijgt de fantasie vrij spel, erger nog wordt het corruptiegevaar uit concurrentie overwegingen - er spelen geldelijke belangen mee - of als bewuste misleiding wordt nagestreefd. Helaas heeft Moeder de H.Kerk hierin een kwalijke rol gespeeld. Veel pelgrimages werden 'opgetuigd' vanwege de geldelijke inkomsten, het verkopen van aflaten en het omgaan met relieken voor financiële opbrengsten. Het was ook de reden dat monnik Maarten Luther hiertegen in verweer kwam en de misbruiken binnen de kerk aan de kaak stelde.
- Men tracht elkaar door middel van vervalsingen vliegen af te vangen en voert heiligen op als exponenten van theorieën, waarvan zij in hun tijd zelfs geen flauw idee konden hebben. Het was juist deze gang van zaken waardoor Albert Delahaye zich kritisch opstelde en hij tot de conclusies kwam dat het hele verhaal van Echternach gebaseerd was op bewuste leugens van abt Theofried. Het Gouden Boek van Echternach (Liber Aureus) is daarvan de exponent.
- Met relieken trokken zij door het hele bisdom. Dominante factor voor Utrecht is het aandeel in de opbrengst afkomstig van de ommegangen met de relieken van de zogenaamde vier heilige maarschalken. Het was een eretitel voor het viertal, machtige voorsprekers bij Gods troon, dat speciaal werd aangeroepen tegen kwaadaardige ziekten waartegen in die dagen geen kruid gewassen bleek. Uit de opbrengsten van de pelgrims is in Amersfoort de O.L.Vrouwetoren gebouwd. Maar ook de Dom in Utrecht (zie volgend punt). Van de wonderen die zich door de pelgrimage voordeden vond 75% slechts plaats tussen 1444 en 1450. Na 1545 heeft zich geen enkel 'wonder' meer voorgedaan, dan slechts het behoud van deze traditie.
- De vraag naar verering van hun relieken was derhalve groot, maar het aanbod afhankelijk van de in het buitenland gelegen bedevaartplaatsen. Aan de questierders (een rondreizende geestelijke, die de aan een goed werk verbonden aflaat predikte) werd door het Domkapittel vergunning tot ommegang verleend, waarvoor steeds pachtcontracten werden afgesloten. De Buurkerk is, naar uit de bewaarde verantwoordingen blijkt, steeds een vaste gegadigde. Onder het nodige voorbehoud zou je deze wijze van financiering van de Dombouw, steunend op uiteindelijk ontspoorde volksdevoties. Vergelijkbaar met de bouw van de O.L.Vrouwetoren in Amersfoort (en waar werden niet nog meer kerken en torens gebouwd met de opbrengsten van pelgrims?) werd ook de DOM in Utrecht gefinancierd met de opbrengsten van relieken. Het was een welkome bron van inkomsten voor de Kerk en zijn dienaren. Geen wonder dat kerkelijke vertegenwoordigers (Kanunniken), abdijen en kerken steenrijk werden over de rug van armoedzaaiende pelgrims.
- Bij een beschouwing van de vier maarschalken in volgorde staat op voorhand vast, dat Antonius, abt, verreweg de bekendste is en de eigenlijke koploper in de groep. Het zou lichtelijk overdreven zijn te willen suggereren, dat zijn herkenning moeite kon opleveren. Vooral door Jeroen Bosch' 'Verzoeking van de H. Antonius' reikt zijn reputatie verder dan de kring van kunsthistorici. Zie afbeelding hierboven rechts.
- De vraag ligt voor de hand waarom in de latere middeleeuwen vooral deze vroege woestijnvader zulk een furore heeft kunnen maken? Terecht constateerde Huizinga voor de heiligen: 'De individualiteit werd nog versterkt door de speciale functie, die aan verscheiden hunner toekwam: tot dezen wendde men zich in een bepaalden nood, tot genen om genezing ener bepaalde ziekte'. Het valt moeilijk uit te maken op grond waarvan aan de woestijnheilige dit medisch specialisme werd toebedeeld. Antonius werd afgebeeld met een varken als heilige ter bescherming tegen de veepest.
- Er kwam pas goed schot in de zaak toen men een kloosterformatie begon als Reguliere kanunniken onder de regel van S. Augustinus. Er kwam een goed geoliede machinerie tot stand van gigantische afmetingen, geheel christelijk Europa omvattend. Het systeem was gevat in scherp afgebakende invloedssferen van balijen onder commandeurs naar het voorbeeld van ridderlijke orden. Noord-Nederland had daarbij te maken met de Commanderie Flandria, gevestigd bij Bailleul in Frans-Vlaanderen, meestal hier als Belle aangeduid. Hier wordt nog eens expliciet gewezen waar 'onze' traditionele opvattingen rondom heiligen vandaan kwam: Frans-Vlaanderen. Zie ook de opmerking onder punt 7.
- Had men zich vroeger met inkomsten via inzamelingen in de parochies moeten behelpen, financieel kwamen zij, om zo te zeggen, op rozen te zitten toen zij door pauselijke volmachten met aflaatbrieven uitgerust, boven anderen haast een monopoliepositie konden bereiken. Zie punt 7. Die aflaatbrieven brachten de Kerk het nodige geld in het 'collectezakje' waartegen Maarten Luther optrad.
- Hier werd een toestand geschapen, die een 12e eeuwse oud-abt van Prüm al in één korte zin samenvatte: de godsdienst bracht ons rijkdom, maar de dochter verslond de moeder. Die moeder was de Heilige Kerk, de dochter de inkomsten uit religieuze activiteiten.
- Misschien is het Domkapittel zelf niet altijd even gelukkig geweest met die manier van inzamelen. Maar meer dan een eeuw vormde zij de kurk, waar de Dombouw grotendeels op dreef. Nuchter beschouwd moet dan wel gesteld: was er dan zo'n dringende behoefte aan dit geldverslindende prestige-object? Er waren toen al twijfelaars, voorop Geert Groote, die in zijn rond 1372 geschreven vlammend tractaat 'Tegen de toren van Trecht' (Contra turrim Traiectensem) met glasharde argumenten aan Schrift, wet en kerkvaders ontleend, protesteerde. Zelfs toen gold blijkbaar al het adagium 'The show must go on'. In navolging van Geert Groote en Luther is het merkwaardig, dat niet katholieke of a-religieuze historici niet gemakkelijk ertoe komen om een legende af te kraken, vermoedelijk uit welbewuste of intuïtieve vrees, dat zij misschien als anti-klerikaal of anti-rooms uitgekreten zouden kunnen worden. Katholieke historici hebben daar minder moeite mee, omdat zij het eigen nest wel kennen. Zij waren trouwens al vanaf de 17e eeuw op hun hoede, toen de grote franse historicus Jean Mabillon, zelf priester en Benedictijn, keihard schreef dat in de grote en brutale vervalsingen van oorkonden en historische teksten onze lieve Moederde H. Kerk helaas de eerste viool had gespeeld. Dom Jean Mabillon trad ook op tegen de geldbeluste Kerk en heeft veel 'heiligen' uit de kalenders geschrapt. Ook hier moesten de 'bekeringen' van binnenuit de Kerk zelf komen.
- Uiteraard lag aan de meeste grote questen een pauselijke instemming ten grondslag. Ook de bisschop moest toestemming tot een ommegang verlenen, maar diens geëiste zegelrecht was aan de zeer matige kant. Door handig manoeuvreren had in Utrecht het Domkapittel met betrekking tot alle questen de touwtjes in handen kunnen nemen. Sinds 1418 had dit college de bisschop terzijde weten te schuiven, hetgeen in feite door Rome in 1440 werd gesanctioneerd. Ook hier blijkt weer de 'macht' van de Kerk, een macht die ook gebruikt werd voor het onderdrukken van de bevolking en het veroveren van gebied. Zie het Rijk van Karel de Grote.
- Tot goed begrip van de gehele constellatie mag niet worden vergeten, dat behalve de opgevoerde kerkelijke instanties ook de landsheren niet werkeloos hebben toegezien. Dit speelde een onmiskenbare rol bij het groeiend op centralisatie gerichte gezag van de Bourgondiërs, die bij voortduring, eveneens via beden en dergelijke, de bevolking aansloegen.De macht en het bezit van de wereldlijke heersers werd mede mogelijk door de 'medewerking' van de Kerk, die ook eigen voordelen in verwezenlijkt zagen. Dat was al in de tijd van Keizer Constantijn en Karel de Grote, wat zich in de eeuwen daarna heeft voortgezet. De macht en invloed van de Kerk van Rome is nog steeds wereldbreed.
- Het gaat om een in Nederland weinig bekende heilige wiens feestdag hier soms op 30 augustus wordt aangegeven. Zijn levensbeschrijving vermeldt, dat deze Fiacrius in de 7e eeuw uit Ierland naar het vasteland trekt om daar als kluizenaar te gaan leven. De bisschop van Meaux, St. Faron, bood hem daartoe in een naburig bos een stuk grond aan, zo groot als hij in één dag met een sloot zou kunnen omgraven. Het obligate wonder wil, dat Fiacrius met zijn stok rondging, terwijl er vanzelf een gracht ontstond. Hij wordt derhalve in de Buurkerk afgebeeld met een spade of schop en later ook vereerd als patroon van hoveniers en kwekers. De levensbeschrijving van St.Fiacrius is een goed voorbeeld van hoe legende ontstaan en vooral waar zij ontstaan, om vervolgens in Utrecht terecht te komen. Precies dát is ook gebeurd met de vitae van Willibrord, Ludger en Lebuinus. De oudste vitae zijn geschreven in Frans-Vlaanderen, pas in de 13de eeuw en later in Nederland terecht gekomen. De Bollandisten noemen 36 levensbeschrijvingen van St.Willibrord op. Al deze levens, nu in grote bibliotheken en verzamelingen berustend, zijn afkomstig uit kerken en kloosters van Frankrijk, België en Zuid-Duitsland. Welgeteld 2 exemplaren, overigens late afschriften, zijn uit Utrecht bekend.
- Ingewijden in het vak weten, dat wij met deze twee heiligen (Adelbert en Jeroen) het gevechtsterrein betreden van de Egmondse geschiedschrijving, waar Oppermann - Tenhaeff c.s. hun 'bella diplomatica' tegen Meilink - Huyben c.s. streden. Stelling van de eersten luidde: in het leven van Adelbert is door de Egmondse monniken naar hartenlust geknoeid en Jeroen (Hiero, Ieron) van Schotse afkomst door de Noormannen in 856 (?) gemarteld, heeft nooit bestaan. Het is ook precis wat Albert Delahaye stelde over de abdij van Egmond, vergelijkbaar met het geknoei met oude oorkonden zoals de abdij van Echternach deed.
- In de jongste geschiedschrijving blijkt nu een kentering te zijn ingetreden. Hoewel ook nu nog de vraag of Jeroen werkelijk bestaan heeft niet in positieve zin zou worden beantwoord, kon Rentenaar op grond van historisch-geografische en naamkundige aanwijzingen enz. vaststellen, dat er tussen 983-988, ten tijde van keizer Otto III en graaf Dirk II een translatio van Noordwijk naar Egmond moet hebben plaats gevonden. Wat krijgt Albert hier dus ook weer ongelooflijk gelijk, dat de geschiedenis van Egmond geïmporteerd is vanuit het zuiden. Zie ook de volgende punten die de geschiedenis tot in de 16de en 17de eeuw bepaalde. Weer die 17de eeuw.
- Na verloop van enige eeuwen ontstaat dan de mythe: de verkeerde schakeling in het brein van soms heetgebakerde, minder getalenteerde dienaars van Clio. De tocht naar Apulië, in werkelijkheid onder Lotharius, komt op naam van Karel de Grote. Deze fabel staat op rekening van Frankische geschiedschrijvers. Magnus wordt geproclameerd tot aanvoerder dux van de Friezen, die Rome voor Karel de Grote heeft veroverd en zijn banier plantte op de tinne van de burcht van de stad. Magnus, versierd met de naam Forteman, krijgt daarom van keizer Karel het vermeende vrijheidsprivilege, dat eeuwenlang de Friese geschiedschrijving zal verzieken, omdat het nooit werd gegeven en voor en door Karel in Rome nimmer is gestreden. Deze fabel heeft eeuwenlang de Friese geschiedschrijving verziekt. De ware geschiedenis van de Friezen lees je hier.
- Tot in de 15e eeuw, wanneer Frisia Magna is gekrompen tot het tegenwoordige Friesland, bloeien de fantasieën weelderig op. De held Magnus heet afkomstig uit Harlingen, waar zijn arm en banier bewaard zouden zijn. De Saksische hertogen, die op de overgang van de 15e naar
de 16e eeuw Friesland bezetten, kregen met deze symbolen van de Friese vrijheid nog het nodige te stellen. Wat in werkelijkheid gebeurde, is niet anders dan het ineensmelten van genoemde historische gegevens. Ze vallen terug te lezen van het zegel uit 1270, in gebruik bij de oude landgemeente Wyldinghen, waarin Harlingen, ook Almenum genoemd, lag. Bloeiende fantasieën die de historische gegevens hebben doen ineensmelten, zijn debet aan de geschiedenis van Friesland.
- Bij het onderzoek uit de jaren 1950-1953 in Italië en Friesland lag het zwaartepunt in het ontmythologiseren van de Friese Magnus Fortemanmythe. De nadruk kwam daardoor vooral te liggen op de geschiedenis van de translationes van de relieken van de heilige, eerst van Apulië naar Rome, vervolgens van Rome naar het Noorden, in casu Harlingen door het Friezenvendel op de thuistocht. De grondfout die ook hier weer gemaakt wordt is dat de hier genoemde Friezen niet uit Friesland kwamen, maar uit het klassieke Frisia in Vlaanderen. Zij waren ook de stichters van de Friezenkerk in Rome.
- Minder aandacht ging toen uit naar de legende van deze H. Magnus. Bovendien was de vita van Magnus (of het meervoud daarvan), zelfs de vraag: één of meer Magnussen, een oud probleem en in de ogen van de 18e eeuwse scherpzinnige commentator van de Acta Sanctorum, een 'onontwarbaar labyrinth'. Dat wij indertijd - ten genoegen van een der Bollandisten - enige opening mochten forceren, geeft ons de moed van een ander vertrekpunt uit de zoektocht te hernieuwen. De Bollandisten, genoemd naar Jean Bolland -hier wordt als een van hen Cuper genoemd-, was een instituut opgericht door de jezuïeten dat zich bezighoudt met hagiologie, het bestuderen en beschrijven van heiligenlevens. Deze werden gebundeld in de Acta Sanctorum, waarvan het eerste deel verscheen in 1643, en in hun eigen tijdschrift Acta Bollandiana. De naam verwijst naar de jezuïet Jean Bolland (1596-1665), die er de basis van legde. Onder impuls van Hippolyte Delehaye (zie punt 6) werden de hagiografische studies in de Acta Sanctorum wetenschappelijker uitgebouwd en de kritische benadering van de teksten steeds belangrijker door het bestuderen van historische manuscripten, de invoering van een gedetailleerde bronvermelding en de revisie van vele oudere artikels. Veel vermeende heiligen verdwenen toen van de Heiligenkalenders.
- Ste.Ontcommer is een practisch voorbeeld van mythevorming, gebaseerd op legenden.
- Aan de hand van honderden voorbeelden hebben Schnürer-Ritz en Gessier op imponerende wijze kunnen aantonen, dat diezelfde gegevens werden uitgebeeld bij en verteld over afbeeldingen, die op naam kwamen van Sinte Ontcommer(e), Kümmernis, Liberata, Débarras, Uncumber, Regenfledis, waarmee de aan het kruis gebonden dochter van de koning van Portugal werd weergegeven.
- De theorie nu wil, dat deze legende is ontstaan doordat vanwege het lange kleed de gedachte aan een vrouw werd gesuggereerd, maar voor de abnormale baard moest naar het wonder worden verwezen. Dit alles bijeengenomen staat vast, dat de verwarring in dit geval op een toppunt is. Een vergelijkend godsdiensthistoricus ziet er een subreligie in binnen de middeleeuwse kerkgemeenschap.
- Dit moet ook de Bollandist Delehaye voor ogen hebben gestaan toen hij, hoofdschuddend wel, opmerkte: 'Wat heeft men zich niet allemaal in het hoofd gehaald om heiligenbeelden te verklaren'?
- In West-Brabant komen wij al vroeg hetzelfde tegen. Het gaat om Steenbergen, dat - achteraf gezien ten onrechte - lang als de plaats van ontstaan van de legende is gedoodverfd. Daar staat de Ontcommerpolder soms als Komkommerpolder te boek. In verband met de vermeende Steenbergse oorsprong is de stelling gelanceerd, dat de koning van Portugal uit de legende een verzinsel zou zijn, ingegeven door de naam van Poortugaal op de Zuid-Hollandse eilanden. Dat in die contreien de 'schijn'-heilige geen onbekende was, kwam voor enige jaren aan het licht.
- Een punt waarop de aandacht moet worden gevestigd is, dat de vermelding van Wilgefortis of Ontcommer practisch nooit voorkomt in liturgische kalenders. Kleef vormt een uitzondering.
Er bestaan meerdere afbeeldingen van Ste.Omcommer (zie hiernaast zoals Jeroen Bosch haar afbeeldde rond 1500), maar geen relikwieën. Het verhaal van Ste.Ontcommer is een sprekend voorbeeld van legenden en mythenvorming. Het is in het geheel niet vreemd, dat reizigers christelijke tradities zoals die van St. Nicolaas meegenomen hebben. Precies hetzelfde kan in Steenbergen (Noord-Brabant) worden aangetoond, waar Joden of Lombarden uit de omgeving van Lucca in Italië de verering van Ste.Ontcommer hebben ingevoerd, niet omdat zij zo devoot waren doch omdat er een centje aan te verdienen was. Ste.Ontcommer was een beroemd kruis van Lucca met een aangeklede figuur van Christus. Toen dit in de volksdevotie was doorgedrongen en algemene bekendheid gekregen had, zag men de ware betekenis niet meer en ontstond de legende van een vrouwelijke heilige met een baard, die de marteldood zou hebben ondergaan om haar kuisheid te bewaren, en die God door een wonder een baard had laten aangroeien om haar als voorwerp van begeerte te veranderen tot een voorwerp van afschuw. Haar vader, een even legendarisch koning, liet haar daarom terechtstellen. In Steenbergen hadden de Lombarden bijvoorbeeld het monopolie voor de verkoop van beeldjes, medailles en andere devotionalia van Ste.Ontcommer. Hetzelfde kan zich in Nijmegen hebben voorgedaan, waar andere feiten ook op wijzen. Betrekkelijk kort na Nijmegen ziet men de verering van St.Nicolaas in Kampen, Deventer, Utrecht en Amsterdam uit de grond schieten, wat geheel past bij het beeld van het aktieve en rusteloze volk van de Joden.
In "Uit Stad en Land van Steenbergen" schrijft Albert Delahaye over Ste.Ontcommer het volgende: "Opmerkelijk is evenwel, dat er een processie en feestdag was ter ere van St.Jacob en Ste.Ontkommer samen. Het feest der maagd Ste.Ontkommer, die te Steenbergen bijzonder werd vereerd, was op de meeste plaatsen op 5 of 19 juli gevierd. Op 25 juli valt het feest van St.Jacob. De grote processie trok uit op 25 juli. Het is een intrigerend probleem, waarom de voornaamste processie van Steenbergen niet op het feest van Ste.Ontkommer, het meest spectaculaire bezit der stad, plaats vond en waarom deze heiligenfiguur naar het tweede plan verdrongen is. Bij gebreke van zekere schriftelijke gegevens moeten wij voor de verklaring hiervan onze toevlucht nemen tot een veronderstelling. Het is mogelijk, dat op een bepaald tijdstip in Steenbergen het inzicht is ontstaan en gegroeid, dat de maagd Ste.Ontkommer eigenlijk slechts een legendarische figuur was, wier verering wel werd toegestaan en geoorloofd was, maar die toch niet langer van bovenaf mocht worden aanbevolen. Mogelijk is Ste.Ontkommer eens de eerste geweest in Steenbergen. Was St.-Jacob reeds vanouds de patroon der kerk, we zien dat de verering van Ste.Ontkommer van lieverlede achteruit is gegaan en dat, wijl de twee feesten elkaar in tijdsorde zeer dicht opvolgen, het feest van St.Jacob meer en meer op de voorgrond is getreden. De oudere devotie geraakte niet geheel en al in het vergeetboek, maar zij werd samengesmolten tot de gezamenlijke processie van St.Jacob en Ste.Ontkommer. Enigszins vreemd blijft het, dat tijdens en na de Hervorming, toen het katholieke leven een geduchte knak kreeg, de herinnering aan de twee heiligen volledig schijnt verloren te zijn, en de eerste kerk na de herleving van katholiek Steenbergen in het jaar 1707 aan St.Gummarus werd toegewijd, die nog steeds de patroon der Steenbergse kerk is". het geeft maar weer eens aan hoe legenden en ware geschiedenis door elkaar lopen en/of elkaar beïnvloeden.
|


In Frankrijk bestaan meerdere 'Eglises Saint Sauveur', zoals in Parijs, Verdun, in Caen, Lille en Monteils. Afgebeeld is de eglise Saint-Saulve in Montreuil-sur-Mer.
Stadszegel van Staveren.
Borstbeeld van St.Fredericus uit 1362.
Een wonder: Odulphus aan het Almere: na 838.
De tekst uit de Vita Odulphi : (Vita S.Odulphi, AS, juni III, p. 91).
De heilige man (Odulphus), die de gave van de profetie had, toonde dit aan het volk van de Fresones (de klassieke Friezen in Vlaanderen) dat om hem heen stond, door te zeggen: “Ziet gij deze steen?” En hij wees op een grote rots die voor de deur van zijn huis stond. Hij voorspelde dat deze zonder menselijke tussenkomst zou worden verslonden door de rivier die Flye (Flevum of Almere) heet en in de golven zou verdwijnen. Dit is geschied. (De schrijver plakt er nog ’n stichtend woord over dit wonder aan vast).
Odulphus had niet de gave van de profetie doch blijkbaar een goed opmerkingsvermogen. Hij begreep wel degelijk de mogelijke gevolgen van de inwerking van de zee op de kusten van het Almere. Maar waarom kijken de historici niet door dit “wonder” heen en merken zij niet op, dat er een prachtig getuigenis in zit van een aan de gang zijnde nieuwe tussenfase van transgressie?
|
In het Jaarboek Oud-Utrecht uit 1986 staat deel 2 van Heiligen tussen Pierementen, door M.P.van Buijtenen en A.K.de Meijer O.S.A..
In 1984 zette Defoer de door restaurateur Tjebbes ten dele weer tot leven gewekte heiligen naar kunsthistorische criteria op hun nummer. Enkelen lieten zich niet in het gelid voegen. De 'proeve van reconstructie en identificatie' uit voorafgaand Jaarboek beoogde vervolgens deze lacunes op te vullen. Hulp daarbij werd gezocht in hagiografische gegevens, d.w.z. de levensberichten van de heiligen - of wat er voor moet doorgaan - en in terugkoppeling naar ruimere cultuur-historische achtergronden. In muziektermen gesteld: zijn wij aan de 'coda'
of slechts aan een 'da capo' toe? Onderstreping door mij.
- Hoewel gedachtenwisselingen van deze aard bij redacties en lezers doorgaans minder welkom zijn, ligt de zaak gunstiger wanneer blijkt, dat verschillen in methodiek ter discussie staan. Dit komt o.i. het duidelijkst naar voren bij de stellingname wederzijds inzake de voorstelling van St. Michael en de hem vergezellende bisschopsfiguur. Juist de verschillen in methodiek leveren de discussie op. Maar welke methodiek is dan de juiste?
- Niemand zal ons van kwade trouw beschuldigen wanneer wij op grond van dit exposé Scholten onder de ongelovige Thomassen rangschikken: hij moet eerst een 'iconografische relatie' gezien hebben, wil hij overtuigd worden. Maar er is meer tussen hemel en aarde dan iconografische voorstellingen. Op grond van een iconografische voorstelling, ofwel een geschilderde voorstelling van een symbool of motief (wat op zich al een interpretatie is) kun je geen historische conclusies trekken. het is vergelijkbaar met het hierboven genoemde punt 4 dat uit wonderen en legenden geen historische feiten zijn af te leiden. Zie ook het volgende punt.
- De iconografie is nooit het alleenzaligmakend uitgangspunt voor een steekhoudende bewijsvoering. Zij behoort in nauw verband met de hagiografische gegevenheden beschouwd te worden. Heel schoorvoetend beginnen in Nederland de mediaevisten, geleerd door de onderzoeksresultaten elders, het voor hen wat 'unheimisch' heiligenreservaat te verkennen. Dan blijkt, dat een soms ogenschijnlijk was los in de lucht hangende mededeling bijzonder verrassende relaties en beïnvloeding kan blootleggen. Dit betreft intussen meestal wat buitenissige
heiligen, welke men veelal tevergeefs in de overgeleverde Utrechtse kalenders zal aantreffen. De reden daarvan is gelegen in het feit, dat zij reeds in een - voor onze regionen - zeer vroeg stadium door hier opererende buitenlandse abdijen zijn geïmporteerd. Hier is ook buitenzinnig van toepassing wat Albert Delahaye al eerder stelde: "Het is merkwaardig dat niet-katholieke of a-religieuze historici niet gemakkelijk ertoe komen om een legende af te kraken, vermoedelijk uit welbewuste of intuïtieve vrees, dat zij misschien als anti-klerikaal of anti-rooms beschouwd zouden kunnen worden. Katholieke historici hebben daar minder moeite mee, omdat zij het eigen nest wel kennen. Zij waren trouwens al vanaf de 17e eeuw (weer die 17de eeuw!) op hun hoede, toen de grote franse historicus Jean Mabillon, zelf priester en Benedictijn, keihard schreef dat in de grote en brutale vervalsingen van oorkonden en historische teksten onze lieve Moeder de H. Kerk helaas de eerste viool heeft gespeeld.".
Hierna volgen enkele voorbeelden van iconografische relaties en (voorbarige) conclusies met de nadruk over geïmporteerde heiligen.
- In het bisdom Utrecht overigens geheel onbekende St.Salvius ('qui te collaudant quasi balbi'), verschijnt als een hemelgeschenk verschijnt dan een passage in een - let wel - 17e-eeuws testament van een notabele uit Dronrijp, die verduidelijkt, dat het om de verering gaat van
St. Salvius van Montreuil. Diens levensbeschrijving levert vervolgens de verklaring voor de wat vreemd aandoende stamelende of stotterende parochianen van Dronrijp. Deze Salvius werd bij spraakgebreken aangeroepen, omdat hij tijdens een ambtsreis als bisschop op wonderbare wijze een doofstom kind genezen heet te hebben. De iconografie van St. Salvius laat ons dan wel geheel in de steek, maar enig inzicht in diens cultus en kennis over deze uitheemse heilige is dusdoende wel verkregen, ondanks het feit, dat de kalenders in dit opzicht zwijgen als het graf. Zelfs kon een stippellijn van het hoge noorden uit naar de aloude en beroemde abdij van St. Riquier aan de Franse Kanaalkust op de kaart worden uitgezet. Hier wordt niet een stippellijn bedoeld, maar een duidelijk dikke lijn naar Noord-Frankrijk en wel naar St.Riquier te Abbevile in Frans-Vlaanderen waar St.Salvius thuis hoort. Salvius wordt ook Salin, Salinius, Salveur, Salvinus, Sauflieu, Saulve of Sauveur genoemd, van Montreuil ook van Amiens. Hij was bisschop en overleed ca. 615. Ook hier weer een legende uit de 17e eeuw Weer die 17de eeuw, toen veel 'vaderlandse' geschiedenis voor het eerst werd beschreven.
St.Sauveur in Frankrijk.
In de gemeente Oust-Marest bevindt zich een kapel, toegewijd aan St.Salveur (of St.Sauveur) , waar jaarlijks talrijke processies uit de gehele omliggende streek naar toe trekken. De oorsprong van deze traditie is niet te achterhalen, doch volgens mededelingen van geestelijken uit de streek moet zij zeer oud zijn. In Oust-Marest levert de kerk van St.Salveur niet de minste moeilijkheid op. Het detail uit de oorkonde: "in ipso loco Marithaime" heeft bij de Nederlandse historici merkwaardigerwijs geen aandacht gekregen, ofschoon het toch belangrijk is. Het zegt niet meer en niet minder dan dat de kerk van St.Salveur zich op het grondgebied van Marithaime bevindt. In Nederland wordt Helisthe-Marithaime opgevat als Elst. Afgezien van het onoverkomelijke bezwaar, dat EIst nimmer een kerk van St. Salveur heeft gehad, is de lokalisatie van de kerk in het centrum van EIst op grond van de duidelijke woorden in de oorkonde onmogelijk. Zij zou in EIst dus onder Marithaime (volgens de traditionele opvatting -M.Gysseling- D.P.Blok- Merm, een buurtschap 2 km ten zuiden van Elst in Overbetuwe) gelegen moeten hebben. De kerk, die bij de Nederlandse historici in geding is, was echter beslist die van EIst. Want deze kerk heeft Utrecht inderdaad (later) in bezit gehad. Te Oust-Marest bevindt de kapel van St. Salveur zich op het grondgebied van Marest; het detail der oorkonde "in ipso loco Marithaime" klopt er zo nauwkeurig, dat het aan afdoende bevestiging is voor de juiste lokalisatie. In de oorkonde wordt St. Willibrord "custos" (bewaarder, beheerder) van de kerk van Helisthe - Marithaime genoemd. Ook deze term is niet op EIst toe te passen. Indien te EIst ten tijde van St. Willibrord een kerk bestond, zou deze ongetwijfeld aan het bisdom van St. Willibrord onderhorig zijn geweest, zodat zijn verhouding tot die kerk zeer goed met de titel van bisschop zou zijn uitgedrukt, doch zeer vreemd met de benaming "custos".
Tussen de vormen Elisthe-Maritaime en de vormen Oust-Marest liggen etymologisch nog wel enige verschillen, zodat de identiteit niet zonder méér kan worden aanvaard. Typisch is echter weer, dat deze plaats zich nu nog kenmerkt door het patronaat van een kapel van St.-Sauveur, die
van oudsher als bedevaartplaats bekend is. Deze drie bijzonderheden, de toponiemen en het patronaat der kerk, zijn zo merkwaardig, dat hierin een reële waarschijnlijkheid ligt, dat het Elisthe in de Franse Batua moet worden gezocht. De mogelijkheid van Eist in de Nederlandse Betuwe, die historisch toch al zeer wankel stond, wordt zodoende nog kleiner, nu er een andere plaats aangewezen kan worden, waar meerdere details met de teksten der oorkonden overeenstemmen. Met het vraagstuk Elst mogen we ten stelligste ontkennen, dat de toponiem Batua voor de Betuwe door deze problematische oorkonden over Eist niet wordt gedekt.
- Soortgelijke conclusie was mogelijk voor de in Frieslands zuidwesthoek als kerkpatroon verschijnende St.Chrysanthus. Deze moet van de abdij Prüm of haar dochter Münstereifel uit zijn geïmporteerd.
- Misleidend is het daarom wanneer St. Magnus aangevoerd wordt, die in onze streken vrij onbekend zou zijn en in de kalenders moet hebben geschitterd door afwezigheid. Allereerst heeft Utrechts bisschop met hem al zeer vroeg kennis gemaakt wanneer hij op gezette tijden in de seendkerk van Anlo in Drente, toegewijd aan St. Magnus, zijn periodieke rechtspraak placht te houden. Maar in Utrecht kende men hem in een latere periode eveneens als patroon van het Friese Hoornsterzwaag. Gezwegen dan nog van de verering rond Harlingen in Wonseradeel. Dat de Italiaanse heilige hier in feite onbekend zou zijn geweest en niet in de kalenders zou hebben gefigureerd, valt drastisch te weerleggen. Diens feestdag, 19 augustus, wordt herhaaldelijk - zo nodig willen wij nog wel eens turven - als dateringgegevens in de oorkonden vermeld.
- Een sprekend voorbeeld daarvan levert St. Odulphus. Deze arriveerde in de 9e eeuw uit het bisdom Luik en groeide uit tot hulp van de in Utrecht dan fungerende bisschop Fredericus. Naar alle waarschijnlijkheid was hij choorbisschop d.w.z. bisschop voor de buitengebieden van Utrechts diocees. Als heilige vereerd heeft hij gedurende de latere middeleeuwse periode zijn principaal, Fredericus, geheel overvleugeld. St. Odulphusdag, 12 juni, als dateringgegevens vormt schering en inslag. Verder zijn in het Utrechtse bisdom onderscheidene kerken hem gewijd. St.Odulphus was niet van Oirschot, maar van Orchies. [Odulphus, ca.765 geboren, werd ca.806 pastoor van Orchies op 16 km noord-oost van Douai. De beschrijving van zijn leven is enkel bewaard gebleven in enkele 16e eeuwse handschriften, die dan ook vol ‘Hollandse’ toepassingen staan. De goede man heeft niets uitstaande met Oirschot noch met Stavoren waar hij een klooster of een collegiale kerk zou hebben gesticht. Toen Odulphus priester geworden was, wilde hij in het klooster gaan. Maar zijn ouders vroegen hem dat niet te doen doch de kerk van Oressooth (=Orchies, in het Vlaams: Oorschie) en het volk te bedienen, want daar was hij geboren en opgevoed. Toen Odulphus een hoge ouderdom had bereikt en met een stok liep, is hij daar overleden. Niet alleen in Utrecht, zeggen zijn levensbeschrijvingen, maar ook
in Stavoren zijn op zijn voorspraak ontelbare wonderen geschied. De laatste zin die over Utrecht en Stavoren spreekt, is een toevoeging uit de 16e eeuw, toen de legende Odulphus reeds aan Utrecht, de Zuiderzee en Stavoren was gekoppeld. De legende van Stavoren bestond al in de 14e eeuw, zoals blijkt uit het stadszegel van Stavoren van 1359, waarop een engel en een zeilschip zijn afgebeeld, die Odulphus naar de stad zouden hebben gevoerd. Hoe men aldaar aan die Odulphus-legende komt? Wel, als iemand vanuit Utrecht het Alechmere oversteekt om zo vlug mogelijk bij de Fresones te zijn, waar zal hij dan landen?... Juist! Zo weinig immers kan volstaan om een mythe te laten ontstaan.
- Tot voor kort is raadselachtig gebleven waarom bisschop Fredericus, die de marteldood zou zijn gestorven wegens zijn openlijk verzet tegen het incestueuze huwelijk van de keizer, weliswaar met een enkele vermelding van zijn feestdag, 18 juli, als heilige wordt genoemd, terwijl zijn cultus - geen dateringgegevens, geen kerkpatronaat - ver onder de maat genoemd moet worden. Deze onvoorstelbare anomalie: een Utrechtse bisschop, aan wie als enige na St. Bonifatius de martelaarspalm ten deel zou zijn gevallen, vraagt uiteraard om opheldering. Zij wordt geleverd door een al eerder in Groot-Brittannië bekend kroniekverhaal, dat in de 13e eeuw weer opgeld deed. Fredericus moet in zijn ambtsperiode een zware misstap hebben begaan. Dit wangedrag is tijdens de Paaswake door een engel in Staveren aan Odulphus kenbaar gemaakt met de opdracht
dit Fredericus onder ogen te brengen. In één nacht - waar anders twee tot drie dagen mee gemoeid waren - werd Odulphus, begeleid door de engel, van Staveren naar Utrecht gevaren om Fredericus tot inkeer te brengen. Zo geschiedt en deze verlaat voor tien jaar zijn zetel om boetvaardigheid te doen. Dit verhaal eenmaal gegeven, valt achteraf te constateren, dat er ditmaal ook een iconografische aanduiding voorhanden is. Het eerdere stadszegel van Staveren, een simpel leeg schip, wordt in de 14e eeuw vervangen door een, waarop de engel met
St. Odulphus aan boord worden afgebeeld. Wanneer de zaken zich in werkelijkheid zo mogen hebben voorgedaan, dan volgt daaruit tevens, dat het martelaarsverhaal van Fredericus ('Passio Friderici') een 13e-eeuws maakwerk is, dat de zwarte bladzijde van de 9e eeuw moest doen vergeten. Afdoend resultaat lijkt het niet te hebben opgeleverd, want ook het fraaie zilveren reliekschrijn van Fredericus door Elyas Scerpswert in 1362 vervaardigd blijft een wat vereenzaamd cultusteken, dat van Staverens stadszegel concurrentie ondervind.
Zie voor de stadzegel en de reliekschrijn de afbeeldingen in de linker kolom hiernaast. Het hierop genoemde Stavra was hier dan wel Staveren, maar het klassieke STAVRA was STAPLE in Frans-Vlaanderen.
Het is wel duidelijk dat het verhaal van Fredericus nogal twijfelachtig is. De vita van Fredericus is op zijn vroegst in de 10de eeuw (wellicht nog later: 14de eeuw?) geschreven, wat blijkt uit het volgende fragment uit het Leven van St. Fredericus, die tussen 828 en 838 de zetel van Trajectum bezette.
In het jaar 834 ging een profetie van de zalige bisschop in vervulling. Want de Noormannen verzamelden zich als het zand van de zee, staken de zee over en vielen aan op een plaats Dorestad genoemd, omdat zij zeer groot was, die nu Wyck wordt geheten, waarin, zoals verhaald wordt, wel 55 kerken stonden, ter ere van God en de heiligen gebouwd. Deze stad vernielden en verbrandden zij geheel, en met veel gevangenen en veel buit vertrokken zij. Nadat de foutieve lokalisatie van St. Willibrord te Utrecht was geschied, wat voor het eerst in de 12e eeuw gebeurde en pas in de 14e eeuw begon door te werken, werd aan de hand van de tekst uit het leven van St. Fredericus aangenomen, dat Wijk en Dorestadum identiek waren. Vanwege het -die nu Wyck wordt geheten- blijkt deze vita niet in 843 geschreven te zijn (men kon de naam Wyck in 834 nog lang niet weten) maar pas toen Wijk bij Duurstede WYCK heette. Ook van plunderingen door de Noormannen is in Wijk bij Duurstede zijnde Dorestad, archeologisch nooit iets gebleken, net zo min als in Utrecht overigens. Van de hier genoemde 55 kerken (gebaseerd op een leesfout van LV) is bij de opgravingen in Wijk bij Duurstede niets gevonden: zelfs niet één kerk.
- Toegegeven, dat drie gouden ringen bij onderscheiden bisschoppen en kerkvaders voorkomen, zodat er geen 'disjunctief' criterium aan kan worden ontleend, dan mag nog niet zonder meer geconcludeerd worden: dat het onmogelijk is om in de gouden ringen de persoonlijke attributen van St. Magnus te zien. Nog minder geoorloofd is, hetgeen de schrijver doet, uit de goudberingde bisschoppengroep een willekeurige te nemen en aan St. Michael te koppelen.
Derhalve: de combinatie van de goudberingde bisschop in gezelschap van de aartsengel Michael blijft, tot er zwaarder geschut tegen mocht worden aangevoerd, voorlopig gesteld zoals door ons aangegeven. Het geeft o.i. tenminste geen pas - zoals hier geschiedt - om zonder nadere aanduiding dan dat ook St.Nicolaas soms met gouden ringen verschijnt deze aan St. Michael als gezel op te dringen. Geen enkele aanwijzing, dat elders ooit deze combinatie is vertoond, laat staan, dat een iconografische afbeelding ter tafel komt, hetgeen bij Scholten een zo zwaarwegend argument vormt tegen de St. Michaël-St. Magnuscombinatie. Zijn op zich al verwonderlijke vermelding, dat de Domkerk relieken bewaarde van St. Nicolaas en van de aartsengel Michael - een geest heeft immers geen lichaam - berust wat dit laatste betreft niet alleen op onwaarheid,
maar is tevens een verkeerde interpretatie van het citaat waarnaar hij verwijst. Die verkeerde interpretatie -het is dus slechts een interpretatie- wordt in de hagiografie die gebaseerd is op een kunstzinnig afbeelding wel vaker gemaakt. Zo'n afbeelding vormt geen feitelijk bewijs voor een historische opvatting.
- Ewoud (Ewald) had in de middeleeuwen hier duidelijk voet aan de grond, doch is het gebruik van diens naam na de Reformatie tot oostwaarts buiten onze grenzen teruggedrongen. In het aartsbisdom Keulen, maar sterk ook in het aangrenzende bisdom Munster in Westfalen wist hij zich te handhaven. Zo formulerend ziet men een moeilijkheid verschijnen: wij noemen Ewoud (Ewald), terwijl er twee gebroeders-priester onder die naam bekend zijn, te weten de 'witte' (blonde) en de 'zwarte' (donkere). Voor een onzer was niettemin een van de twee een zeer oude bekende, welke - bij wijze van spreken - diens jeugd verblijd had. Onder de verschillende groepen van import-Rotterdammers van rond de eeuwwisseling bevonden zich naast Brabanders een stevig aantal Westfalen. Op de middeleeuwse kalender van Munster doemen twee Ewalden (Duorum Ewaldorum op 3 oktober) op. Die tot op zekere hoogte gemakkelijke herkenning van de Ewoud in de Buurkerk heeft ons in de val gelokt. Ogenschijnlijk geen ruimte voor twijfel latend, worden in de Katholiek Encyclopaedie in het lemma Ewalden de attributen: zwaard, boek soms met lam, toebehorend aan Ewoud 'de witte' verwisseld met knots, boek en kelk van de 'zwarte'. Uiteraard was het noodzakelijk geweest om de toch onder handbereik liggende Bibliotheca Sanctorum of een ander ter controle te raadplegen. Nu werd nodeloos in eigen goal gescoord door enkel op routine te spelen. Te groot geloof aan onze kant, te weinig aanleg tot ongelovige Thomas, die eerst (iconografisch) wenst te zien alvorens een mening te onderschrijven. Wij corrigeren hiermee onze identificatie van zwarte in Ewoud de Witte. Over de twee Ewalden bestaan meerdere mythen en fantasierijke verhalen, waarbij ook de Bibliotheca Sanctorum niet doorslaggevend is. Daarin wordt immers Willibrord als bisschop van Utrecht genoemd, terwijl hij bisschop van Trajectum was. De kwalificatie van de naamgeving de 'witte' (blonde) en de 'zwarte' (donkere), zou te maken hebben gehad met de kleur van hun haar. In hoeverre het dan broeders waren is twijfel. Zouden ouders aan hun zonen dezelfde voornaam hebben gegeven, beide Ewald genoemd? Het waren dus geen broers!
Een tekst uit ca.695 schept al meer duidelijkheid: In deze tijd zijn twee Engelse priesters, de Ewalden genoemd, toen zij bij de Saksen predikten, met de marteldood bekroond. Zij werden door hem (Pepijn, 714) in het jaar Onzes Heren 724 (dat kan dus niet?) te Colonia begraven. Was Colonia Keulen of Coulogne bij Calais waar de Saksen woonden?
Twee teksten uit de Vita SS.Ewaldorum, AS, okt. II, p. 205 en Beda, Historia gentis Anglorum, V, 10. vermelden het volgende:
Naar het voorbeeld van hen (de gezellen van Willibrord) kwamen twee Engelse priesters die in Hiberna (Ierland) reeds lang voor het eeuwig vaderland gearbeid hadden, naar de provincie van de Oude Saksen (zuid van Boulogne) om te zien of zij daar het geloof konden prediken. Zij waren aan elkaar gelijk, want beiden heetten zij Ewald, maar wegens hun verschil in haarkleur werd de ene de Witte Ewald en de andere de Zwarte Ewald genoemd. Waren zij beiden gelijk in godsvrucht en geloof, de zwarte was beter op de hoogte met de H. Schrift. Na enige tijd gepredikt te hebben, werden zij door de heidenen gedood, die hun lichamen in de Renus wierpen... Hun lijken, die eerst afgedreven waren, werden door een wonder tegen de stroom op teruggevoerd... Tenslotte gaf de glorievolle vorst der Franken Pepijn het bevel dat de lijken met veel eer begraven zouden worden in de kerk van Colonia gelegen bij de Renus (Schelde).
De tekst toont aan dat de Twee Ewalden in het noord-westen van Frankrijk gemissioneerd hebben en daar de marteldood ondergingen. Deze tekst voerde tot de legende dat de lijken de Rijn afdreven en door een wonder tegen de stroom op werden teruggevoerd naar Keulen. In de juiste streek is geen behoefte aan een wonder, daar de lijken aangespoeld waren bij Colonia en daar begraven werden.
De volgende tekst maakt duidelijk dat hun legende in de 11e eeuw naar Duitsland werd verplaatst, wat weer perfect past bij de toen opkomende ‘germanisering’ van Duitse zijde, sterk in de hand gewerkt door een groot aantal ware of schijnbare doublures van plaats-, streek- en
riviernamen. Deze tekst luidt: Anno II, aartsbisschop van Keulen, “verheft” de relieken van de - aldus als heiligen erkende- Twee Ewalden. (Bron: De SS.Ewaldis duobus, AS, okt. II, p. 182).
Colonia, waar de heiligen Twee Ewalden begraven werden, toen hun lijken door de heidenen in de Renus waren geworpen, was Coulogne bij Calais. De combinatie van Colonia en Renus leidde natuurlijk tot de verhuizing van dit gegeven naar de buurt van Keulen, wat overigens pas in
1047 gebeurde, toen de aartsbisschop van Keulen de relieken van de Twee Ewalden verhief. Lees meer over de renus, dat staat voor 'rivier'.
In de Levens van St. Egbert, St. Suitbert en de Twee Ewalden worden als de buren van de Frisones de Saksen genoemd. Het waren de bewoners van de streek ten zuiden van Boulogne, reeds in de Romeinse periode bekend als Litus Saxonicum (de Saksische kust).
Bij het beëindigen van de beschouwingen over de legpuzzel, welke sommige heiligen van de schilderingen in Utrechts Buurkerk bieden, zal één ding duidelijk zijn geworden: het laatste woord erover is nog niet gezegd. Er is geen 'coda' voorlopig te componeren, maar gebleken is, dat het 'da capo' niet geheel ongewijzigd kan worden ingezet. Deze ingeslopen dissonant moge de heiligenhymne voortaan niet meer storen zoals in de toekomst misschien de overgebleven onzekere notaties kunnen worden aangevuld. Zo blijven heiligen tussen pierementen
intrigeren.
|