Aan deze pagina wordt nog gewerkt.
We bespreken uit de Jaarboeken alleen de artikelen die gezien onze studie van belang zijn.

Klik op de tekst voor een vergroting.
Het FUNDAMENT van alle verwarring is het Karolingisch Paleis van Karel de Grote in Nijmegen.
Dat paleis blijkt gebouwd op los zand, op nooit bewezen losse beweringen.
Op dat losse zand zijn alle volgende mythen gebouwd.
Immers als Nijmegen fout is, was de Betuwe ook niet het land van de Bataven; was Utrecht niet de bisschopszetel van Willibrord, werd Bonifatius niet in Dokkum vermoord en hebben de Noormannen nooit in Nederland geplunderd.
Dan stort het hele kaartenhuis van de Nederlandse mythen in elkaar.
Bonifatius, Willibrord, Karel de Grote en de Noormannen zijn voor Nederland volkomen legendarisch.
|
|
Uit de periode tussen de 3de en 10de eeuw (hiernaast punt 21) bezit Nederland geen enkel geschrift, niet eens een blad papier of een krabbeltje ter grootte van een postzegel. Jacobus van Oudenhoven stak in zijn 'Out Hollandt, nu Zuyt Holland' (1654) al de draak met het ontbreken van elke oud-Hollandse schriftuur, en concludeerde terecht dat het onjuist moest zijn wat sommigen hiervoor ter verklaring aanvoerden, namelijk dat de eerste Hollanders ongeletterd waren en niet konden schrijven. Het geeft geen pas, zegt hij met verontwaardiging, zo'n ongeletterdheid te veronderstellen bij een zo vief volk als de Hollanders; maar de geschriften ontbreken omdat het land niet bewoond was. De oude Jacob had het perfect begrepen en volslagen raak geformuleerd.
|
|
Over de vroegste geschiedenis van de stad Utrecht is door geleerden uit verschillende vakgebieden zoveel geschreven en als hypothese of theorie geponeerd, dat in plaats van een 'communis opinio' een steeds grotere verwarring is ontstaan en een 'status questionis' nauwelijks meer te geven valt. Het vroegmiddeleeuwse Traiectum wordt als de voortzetting van het Romeinse castellum beschouwd en hebben de meeste historici aangenomen, dat er vroeger een rivier was die door het huidige Utrecht stroomde en dat die rivier de Rijn was. Tegenwoordig is er van die rivier niets anders over dan enige stukjes gracht en wat nietige waterlopen. Tot zover is men het in grote trekken met elkaar eens, maar dan beginnen de moeilijkheden. (Bron: Jaarboek Oud-Utrecht 1975, p.44 e.v.).
De visie van Albert Delahaye.
Over de geschiedenis van Utrecht is veel geschreven, maar ng meer verzonnen. St.Willibrord is voor Utrecht volkomen legendarisch, hij is er nooit geweest omdat Utrecht in zijn tijd vanwege de transgressies, onder water lag. Een Romeinse aanwezigheid is er zeker geweest, maar rond 260 n.Ch. hebben de Romeinen Nederland verlaten vanwege de toenemende wateroverlast en zijn zij naar het zuiden vertrokken op ongeveer de taalgrens. Pas in de 11de eeuw is er weer sprake van enige bewoning in Utrecht.
We bespreken uit dit jaarboek het artikel van Johanna Maria van Winter "Utrecht aan de Rijn".
In de inleiding schrijft ze: De ogenschijnlijk zo eenvoudige titel van dit opstel: Utrecht aan de Rijn, houdt in meer dan één opzicht, zoals zal blijken, een stellingname in. Over de vroegste geschiedenis van de stad Utrecht is door geleerden uit verschillende vakgebieden zoveel geschreven en als hypothese of theorie geponeerd, dat in plaats van een communis opinio een steeds grotere verwarring is ontstaan en een status questionis nauwelijks meer te geven valt. Niettemin zal hier geprobeerd worden, de meest wezenlijke geschilpunten onder enige hoofdthema's samen te vatten en daarin stelling te nemen. Ook daarbij zal veel hypothetisch moeten blijven; want zolang de Utrechtse binnenstad niet grondig door archeologen is onderzocht, laat zich geen enkele theorie echt bewijzen.
De hoofdthema's die Van Winter noemt zijn:
1. de rivier of de rivieren waaraan de stad is ontstaan: Rijn of Vecht?
2. de namen Traiectum, Trecht en Utrecht;
3. de kathedralenkwestie.
De rivier waaraan Utrecht is ontstaan moet in de Romeinse tijd de hoofdstroom van de Rijn hebben gevormd, die ongeveer in de bedding van de tegenwoordige Nederrijn stromend, bij Dorestat (tegenwoordig Wijk bij Duurstede) naar het noordwesten afboog en tot Fectio (Vechten) de huidige Kromme Rijn volgde. Bij Fectio moet er een verbinding met de Vecht zijn geweest, die zich waarschijnlijk daar in de buurt van de Rijn aftakte en haar loop naar het noorden met grote kronkels tot in het Flevomeer voortzette. Tot zover is men het in grote trekken met elkaar eens, maar dan beginnen de moeilijkheden.
De 'moeilijkheden' die in het Jaarboek genoemd worden zijn:
- Hun castellum Fectio lag niet aan de Vecht en het castellum Traiectum lag niet aan de Rijn maar aan een gracht tussen Rijn en Vecht. Fectio is een naam die op een altaarsteen voorkomt en beslist niet Vechten was. Lees meer over Fectio/Fletione.
- Fectio komt de Tabula Peutingeriana (2e eeuw na Chr.) voor als Fletio. In deze ene zin staat sowieso al 2 onjuistheden. De Peutingerkaart komt uit de 3e of 4e euw (volgens de traditionele opvattingen) en daarop staat Fletione of Elitione en geen Fectio.
- De tegenwoordig boomgaard met de naam Wiltenburg, de naam die door Beda werd verwisseld met Traiectum. Met een (onjuist gebruikte) naam Wiltenburg, bewijs je niets over Utrecht. In de vita van Lebuinus komt de volede tekst voor: "Lebuines verliet zijn land en zijn familie; hij liet het eiland Engeland achter zich en begaf zich per schip naar Trajectum, de burcht, die vanouds Wiltenburg heet". Wiltenburg was de stad van de VVilten of Vilten, een volkstam die naast de Saksen in Frans-Vlaanderen woonden en zich met hen vermengde en ook samen met de Friezen tegen Karel de Grote streden.
- Ook lost het de vraag niet op of de Romeinen werkelijk hun castellum ten noorden van de Rijn hebben gebouwd.
- De Lijnpad-Rijn heeft vertoond dat hiermee de theorieën van diegenen niet weerlegd zijn, die het bestaan van een door de stad Utrecht lopende Rijnbedding helemaal in twijfel hebben getrokken.
- Bij het begin van de Romeinse bezetting was de Vecht geen zijtak van de Rijn maar een zelfstandige rivier, die haar water uit de Utrechtse Heuvelrug en uit regenval verkreeg.
- De Lijnpad-Rijn bestond nog niet in de Romeinse tijd maar pas na de 3e eeuw, want anders hadden de Romeinen hun castellum wel verder naar het zuiden gebouwd.
- Ook al klopt dit geologisch misschien prachtig, dan toch zijn voor de historicus de beschreven consekwenties niet recht aanvaardbaar. Waar in het limesgebied hebben de Romeinen een castellum ten noorden van de Rijn gebouwd, dus aan de onveilige oever? En waarom zou het castellum Fectio, dat in de 2e of 3e eeuw inderdaad door de verlegging van de Rijn onbruikbaar werd, zijn naam hebben gegeven aan de rivier die deze verlegging veroorzaakte? het zijn terechte vragen die Van Winter hier stelt. Het zou een begin van een oplossing zijn als ze dit uitgezocht had. Zie volgende citaat.
- De andere Vecht-theoreticus, Labouchere, laat dit laatste probleem buiten beschouwing, omdat hij de Vecht van meet af aan als een aftakking van de Rijn beschouwt. Ook lost hij de vraag niet op of de Romeinen werkelijk hun castellum ten noorden van de Rijn hebben gebouwd.
- In de Utrechtse rivierkwestie is er tenslotte nog een derde theorie, van ir. J.van Galen. Hij laat in de bedding van de Minstroom niet de Rijn maar de Vecht stromen. Via de Minstroom naar het oosten te stromen en waar reeds in de Karolingische tijd een tol zou zijn geheven, volgens een noch door anderen noch door mij gedeelde interpretatie van de scheningsoorkonde van 753. Deze oorkonde van Bonifatius is een falsum, waaraan weer heel wat geschiedenis van Utrecht is opgehangen, zoals het kerkje van Radboud dat nooit gevonden is.
- Bij deze splitsing van Rijn en Vecht lag volgens Van Galen het middeleeuwse Trecht met de Sint Maartenskerk, dat geen voortzetting van het Romeinse castellum was maar een nieuwe nederzetting vormde. Op de plaats van het castellum ontstond niet Trecht maar Utrecht, dwz. Neder-Trecht, stroomafwaarts aan de Rijn.
- Over het verloop van Oudegein tot de Hollandsche IJsel bestaan weer vele meningsverschillen, maar die zullen we hier laten rusten. Ik moet echter bekennen dat ik die ogenschijnlijke communis opinio niet deel en me bij Heeringa aansluit; want van zo'n rivier vindt men noch op oude noch op moderne kaarten iets terug.
- Het middeleeuwse Trecht met de Sint Maartenskerk, was geen voortzetting van het Romeinse castellum, maar vormde een nieuwe nederzetting.
- Bij de Kromme Nieuwe Gracht zijn inderdaad Romeinse scherven gevonden maar is geen nederzetting ontstaan; pas in de 13e eeuw vinden we in de bronnen een weg van die plek naar het oosten vermeld, zoals Jongkees meedeelt. Maar aan de westelijke oever was er reeds in de Romeinse tijd een burgernederzetting ((men heeft hier voor de oorlog graven en veel scherven gevonden, maar een opgravingsbericht is nooit verschenen); en de middeleeuwse stad heeft zich eveneens daar, in de Buurkerk-wijk Stathe ontwikkeld.
- Na de beschouwing van deze drie theorieën: 1. Traiectum en Utrecht aan de Rijn, 2. Traiectum en Utrecht aan de Vecht of aan een gracht tussen Rijn en Vecht, en 3. Utrecht aan de Rijn maar Traiectum en Trecht aan de splitsing van Rijn en Vecht, staan we nog steeds voor een raadsel. Daarom Daarom wordt het tijd een vierde theorie te ontwikkelen, hoewel ook deze natuurlijk slechts hypothetisch kan zijn. Er is veel geschiedenis van Utrecht (en Nederland) die hypothetisch ontstaan is en zonder tegenspraak al snel als een zekerheid werd beschouwd.
- De Romeinen hebben hun castellum dus op een schiereiland gebouwd, aan drie zijden door de rivier beschermd. Het oorspronkelijke Traiectum, dat wil zeggen oversteekplaats, zoek ik aan de westelijke rivierarm, in het verlengde van de Via principalis van het castellum, waar tegenwoordig de Maartensbrug ligt. Jongkees heeft het aan de andere kant gezocht, bij de Kromme Nieuwe Gracht, waar inderdaad Romeinse scherven zijn gevonden maar geen nederzetting is ontstaan; pas in de 13e eeuw vinden we in de bronnen een weg van die plek naar het oosten vermeld, zoals Jongkees zelf meedeelt. Maar aan de westelijke oever was er reeds in de Romeinse tijd een burgernederzetting (men heeft hier voor de oorlog graven en veel scherven gevonden, maar een opgravingsbericht is nooit verschenen); en de middeleeuwse stad heeft zich eveneens daar, in de Buurkerk-wijk Stathe ontwikkeld. Omdat Jongkees ten westen van het Domplein geen Rijnarm vermoedde, kon hij daar geen Traiectum localiseren.
- De in 1974 gevonden platbodemschip was niet op de Romeinse manier gespijkerd maar volgens inheemse traditie. Tussen de bodem en de spanten zaten Romeinse scherven geklemd, en daarboven scherven die tussen de 10e en 12e eeuw kunnen worden gedateerd. Een kleiner schip van ongeveer 10 meter lengte is qua type vergelijkbaar met het zgn. Utrechtse Schip, dat zich in het Centraal Museum bevindt en gewoonlijk in de 8e eeuw wordt gedateerd. Maar dit scheepstype is eeuwenlang in gebruik gebleven. Dit scheepje lag op een ondergrond van klei en zand, met daaronder grind. In dat grind onder het hulkje werd een scherf uit het eerste kwart van de 12e eeuw gevonden.
- Bewoning van dit gebied (de noordwesthoek van de Stadsbuitengracht) valt pas te constateren sinds de tweede helft van de 12e eeuw, toen de rechtstreekse Rijn-Vecht-verbinding van 1148 reeds bestond.
- Het is toch al raadselachtig hoe de stad haar bestaan heeft gerekt in de tijd na de afdamming van de Kromme Rijn bij Wijk bij Duurstede en vóór het graven van de Vaartsche Rijn naar de IJssel en de Lek, toen ze noch uit het oosten noch uit het zuiden over water bereikbaar
was. Deze afdamming moet hebben plaatsgevonden na de Noormanneninval van het jaar 1007, toen de Noormannen met grote schepen de Rijn bij Dorestat opvoeren; misschien ook na 1057, toen de Utrechtse Sint Maartenskerk in haar tolvrijheid op de oevers bij Dorestat (in ripis Dorestatu) werd bevestigd. Hier worden enkele mythen genoemd. De zogenaamde Noormannen inval in 1007 (Alpertis Mettensis noemt geen Noormannen, maar 'pirates') en het vermelden van Dorestad in 1057 (dat was toch al vernietigd in 863?) zijn aangenomen mythen.
- Nu is het waar dat het Domplein reeds in de Romeinse tijd herhaaldelijk is opgehoogd. Van Giffen heeft daar bij uitgravingen vier Romeinse castella van hout en aarde uit de periode 47 tot ongeveer 200 na Chr. gevonden, met daarbovenop een vijfde castellum van steen, dat tot omstreeks 260 na Chr. heeft bestaan. In de 10e eeuw bouwde bisschop Balderik op de resten van de Romeinse castellum-muur zijn middeleeuwse vesting, die eveneens door Van Giffen bij uitgravingen werd ontdekt. Ziet U hier het door Albert Delahaye altijd gestelde 'gat' tussen de 3de en 10de, 12de en zelfs 13de eeuw? Waarom werd het castellum terrein steeds opgehoogd? Het bevestigt de opvatting van Delahaye omtret de transgressies, wat uiteindelijk de ware reden van het vertrek van de Romeinen uit Nederland in ca.260 n.Chr. was.
De namen Traiectum, Trecht en Utrecht.
- Hoewel er volgens de uitgravingen van Van Giffen vanaf het jaar 47 tot ongeveer 260 na Chr. zonder onderbreking een Romeins garnizoen op het latere Domplein gelegerd moet zijn geweest, komt deze nederzetting niet voor op de Tabula Peutingeriana uit de 2e eeuw. Pas in het Itinerarium Antonini uit het eind van de 3e eeuw, dus nadat het vijfde castellum reeds was verlaten, figureert 17 mijl verwijderd van Albanianae (Alphen aan de Rijn) het door ons gezochte Traiectum.
- Maar Vollgraff heeft uit vondsten op het Domplein met inscripties uit de 3e eeuw vóór 260, dus voor de invallen van de Germanen, menen te kunnen afleiden dat de naam destijds Albiobola luidde. Hij interpreteerde dat als „Nederzetting aan de rivier", uit het Keltische albio-, rivier, en het Germaanse bol, woonplaats.
- In een recentere verklaring wordt de naam zelfs prae-Indo-Europees geïnterpreteerd uit alb-, hoogte of versterking, en bol-, hoogte, als „Hoge sterkte" of „Sterke hoogte".
- Deze Colonia Albiobola Batavorum was niet slechts een militaire sterkte maar ook een burgernederzetting met een stadsbestuur. Uit het feit dat deze naam Albiobola na de Germaanse invallen van de 3e eeuw volledig is verdwenen en het veld heeft moeten ruimen voor Traiectum,
heeft Van Galen willen afleiden dat er tussen deze beide nederzettingen geen continuïteit heeft bestaan en dat Albiobola op het Domplein maar Traiectum bij de Tolsteegbrug moet worden gezocht.
Over de naamgeving van Utrecht als Albiobola zijn enkele discussies gevoerd en daarna verzwegen. Immers aanvaarding van de naam Albiobola voor Romeins Utrecht weerspreekt alle opvattingen over Willibrord en zijn verblijf in Utrecht.
- Zoals hierboven reeds gezegd, deel ik deze opvatting niet, die bovendien niet door de uitgravingen in 1970 onder en bij de Klaaskerk (de middeleeuwse parochiekerk van deze wijk) is bevestigd. Daarbij werden geen fundamenten ouder dan de 12e eeuw gevonden. Ook Willibrords Sint Maartenskerk, die volgens Van Galen daar moet worden gezocht, heeft zich toen niet vertoond.
- Nu wordt diens interpretatie Utrecht = Uittrecht, dus Buitentrecht, door de historici die zich de laatste decenniën met dit vraagstuk hebben beziggehouden, wel algemeen afgewezen en de vertaling Utrecht = Nedertrecht aangenomen. Utrecht moet dus een nederzetting stroomafwaarts van een rivierovergang betekenen, of een rivierovergang stroomafwaarts van een andere, meer stroomopwaarts gelegen oversteekplaats.
Hier komen we op het feit dat - net als in Amersfoort- die voorde of overstekkplaats niet te vinden is. Daarnaast wordt de visie van Albert Delahaye bevestigt dat de naam Utrecht ontstaan is uit Uit-rek, de vrijkomende grond, wat van Winter ook bevestigt met "Niettemin moet erop worden gewezen dat de naam Utrecht een vorming van de volkstaal is uit Uut = Neder en Trecht = Traiectum".
- Daarom zou ik zelf als werkhypothese een andere oplossing willen voorstellen, en wel deze: de hele nederzetting Utrecht met kerken en handelswijk vormde een Rijnovergang, en wel stroomafwaarts gelegen ten opzichte van Dorestat. Dorestat gold dus als de rivierovergang bij uitstek, ten opzichte waarvan Utrecht een lagere oversteekplaats vormde. Dorestat vervulde de funktie van Opper-Trecht. De naam Dorestat is volgens Gysseling ontstaan uit een prae-Germaanse stam dur- met suffixen -ast en -atja- en betekent zoveel als „Deur" -„Sterkte". Als volstrekte leek op het gebied van de naamkunde zou ik me ook een betekenisontwikkeling van „Deur" naar „Doorgang" of „Overgang" kunnen voorstellen, maar dat moet in het midden worden gelaten; voor mijn hypothese is het niet noodzakelijk. Utrecht en Dorestat worden voor het eerst samen vermeld in een oorkonde van 8 juni 777, toen Karel de Grote de Sint Maartenskerk, que est constructa Traiecto Veteri subtus Dorestatu (die is gebouwd in het Oude Trecht onder Dorestat) enige goederen schonk en eveneens ad ecclesiam sancti Martini que est super Dorestad constructa et appellatur Vpkirika (aan de kerk van Sint Maarten die boven Dorestat is gebouwd en Vpkirika heet). Gelukkig schrijft Van Winter dat ze een volstrekte leek is op het gebied van naamkunde. Desondanks volgt ze Gysseling die honderden fouten heeft gemaakt in zijn Toponymisch Woordenboek. Hier wordt ook de oorkonde uit het jaar 777 aangehaald, die helaas in Nederland volledig is misverstaan. Deze oorkonde gaat over Frans-Vlaanderen waar ook alle in Nederland onvindbare plaatsen te vinden zijn.
- Als we nu terecht hebben vastgesteld dat Oud Trecht een verkeerde kanselarij-interpretatie voor Nedertrecht is, bericht de oorkonde dus dat de Sint Maartenskerk in Utrecht = Nedertrecht stroomafwaarts van Dorestat, waar eveneens een Sint-Maartenskerk bestaat, de Vpkirika, met enige goederen wordt begiftigd. Deze lagere Sint Maartenskerk lag dus in Utrecht, en niet zoals Jongkees en Van Galen wilden in een plaats Trecht, die van Utrecht zou moeten worden onderscheiden.
In noot 48) schrijft Van Winter het volgende: "Een andere opvatting over de Vpkirika te Dorestat wordt verdedigd door A.Johanna Maris. De Opkerk te Dorestad als voorganster van de Parochiale kerk van Sint Johannes de Doper te Wijk bij Duurstede, in Jaarboek Oud Utrecht 1971. p. 89-107. Zij
beschouwt de schenking van 777 'ad ecclesiam sancti Martini que est super Dorestad contracta et appellatur Vpkirika' niet als gift aan de Sint Maartenskerk boven Dorestat die Vpkirika heet, maar aan de Utrechtse Sint Maartenskerk, die met de kerk van Dorestat wordt begiftigd. Omdat het Maartenspatrocinium bij deze vertaling niet op de Vpkirika slaat, kan voor deze laatste iedere schutspatroon binnen het chronologisch mogelijke worden gekozen, dus bv. ook Sint Jan. Omdat er in de latere middeleeuwen in Wijk bij Duurstede een Sint Janskerk was en omdat bij recente opgravingen onder Dorestat een Karolingisch kerkje met de funktie van parochiekerk werd ontdekt, tracht Maris nu aannemelijk te maken 1) dat dit kerkje onder Dorestat geïdentificeerd moet worden met de Vpkirika die super Dorestad constructa was; 2) dat de Vpkirika onder Dorestat de voorgangster van de latere Sint Janskerk was; en 3) dat de Vpkirika zelf reeds aan Sint Jan was gewijd; een betoog dat mij niet heeft overtuigd". Dit betoog overtuigt ook mij allerminst en wel omdat hier zaken met elkaar in verband worden gebracht waar eeuwen tussen liggen. Van Winter kan dan menen dat terecht is vastgesteld (door wie en hoe?) dat Oud Trecht kanselarij-taal is voor Nedertrecht en dat in Wijk bij Duurstede een St.Maartenskerk heeft gestaan. In Wijk bij Duurstede zijnde Dorestad heeft overigens geen enkele kerk bestaan, die zijn er ook niet gevonden, terwijl er volgens de teksten meerdere (4? of 9?) bestaan moeten hebben. Lees alles over Dorestad. Lees ook nog even wat er over de oorkonde uit 777 geschreven is, waarbij men het onjuiste uitgangspunt heeft gehanteert dat deze in Nijmegen is uitgegeven door Karel de Grote en het een schenking aan de kerk van St.Willibrord in Utrecht betrof. Beide gegevens zijn onjuist! In Nijmegen heeft nooit een paleis van Karel de Grote gestaan en Utrecht bestond niet in de 8ste eeuw (net zo min als Wijk bij Duurstede).

- Ook noemt Van Winter het delingsverdrag van Meersen van 870. Heeft zij dat ooit gelezen of schrijft ze hier slechts anderen na? Naschrijverij of eigen onderzoek? Alleen de bron 'Annales Bertiniani' wijst al op de juiste streek. Zie ook het kader in de linker kolom. Het verdrag van Meerssen (dubbel s) is allereerst niet in het Nederlandse Meerssen bepaald, maar in Marsna. In de Latijnse teksten wordt nergens Meerssen genoemd: dat is een voorbarige en onjuist interpretatie. In de klassieke tekst staat Marsna. Was het wel Meerssen in Nederland of wellicht Meersen in België? Enkele historici denken hierbij ook aan Eijsden, wat evenmin bewezen is met feiten. Zie bij Marsna.
Uit recente opgravingen blijkt dat er niets Karolingisch gevonden is in Meerssen, wel laat-middeleeuws. Het verdrag van Marsna in 870 was een vervolg op de verdeling van Verdun in 843 en werd vervolg in de verdeling van Ribemont in 880. Deze drie verdelingen moet men in één geheel beschouwen, aangezien ze over dezelfde landstreken gaat en wel allemaal in Frankrijk gelegen. Deze verdragen zijn altijdd misverstaan door het uitgangspunt dat Karel de Grote een palts in Nijmegen had en Aken zijn geliefde verblijfplaats was. Beide opvattingen zijn momenteel achtehaald. Lees meer over het verdrag van Verdun uit 843 en de verdeling van Marsna en Ribemont.
De kathedralenkwestie.
- De Sint Maartenskerk lag niet slechts Traiecto Veteri, maar ook in de vicus die Treiectum heet aan de rivier de Rijn. Uit het feit dat Treiectum hier een vicus wordt genoemd, heeft zich de beruchte Utrechtse kathedralenkwestie ontwikkeld.
Want Tenhaeff heeft uit de combinatie van de oorkonden van 753 en 777 afgeleid, dat de oorspronkelijke Sint Maartenskerk niet tussen de resten van het oude castellum op het Domplein maar in Oudwijk (dat overigens pas in de 12e eeuw voorkomt) tussen Rijn en Vecht ten oosten van de
Pieterskerk gezocht moet worden. De oorkonde uit 753 gaat net zo min over Utrecht als die uit 777. In 753 schenkt Pepijn de Korte en zijn zoon Karloman in 768 marktrecht voor het gebied van Parijs, maar noemen de twee plaatsen Dorestad en Trajectum niet meer, doch zeggen wel dat het geldt voor alle handelaars zowel Saksen als Friezen. Ook hier was de streek ten noorden en oosten van Boulogne bedoeld, waar zij tevoren nog Trajectum en Dorestadum hadden opgesomd tussen Amiens en Sainte-Maixence. Door deze opsomming kwam Albert Delahaye bij zijn bevindingen om beide plaatsen in Frans-Vlaanderen te localiseren en zo tot Audruicq (Ouderwijk) en Tournehem (waar een oversteekplaats door rivier de Hem is) kwam. Daarbij ging het evenwel om WAS voor kaarsen en verdere benodigdheden voor de abdij van St. Germain-des-Prés, welke handel een zeer beperkte en regionale omvang had. Nog minder kan men zich na de lezing van al die Franse plaatsen voorstellen dat de kelderbroeder van deze abdij te Utrecht of te Wijk bij Duurstede naar de markt ging! Zou het ook niet buitengewoon vreemd zijn geweest als handelaren uit Nederlands Friesland en Oost-Nederland (Saksen) marktrecht in Parijs zouden hebben gekregen? Zo ver ging die 'vermeende' Friese handel echt niet! Het waren de Friezen en Saksen aan de kust van Het Kanaal die dit marktrecht kregen. Het ging om een marktrecht onder meer voor de verkoop van was voor kaarsen, zoals uit de oorkonde uit het jaar 779 van Karel de Grote bleek, waarbij ook de tolvrijheid van de abdij van St. Germain-des-Prés werd verlengd.
- Met betrekking tot deze kerk berichtte Bonifatius in zijn bekende brief aan paus Stephanus van het jaar 753, dat Willibrord vijftig jaar onder de Friezen had gepredikt, waarbij hij zowel een bisschopszetel als een kerk ter ere van de heilige Verlosser stichtte op de plaats en
in de burcht die Traiectum heet. Van die brief van Bonifatius is inmiddels vastgestel dat het een falsum is. Bovendien stelde prof.R.Post in 1959 al: "Op één punt moet ik Delahaye onmiddellijk gelijk geven. Sint Willibrord is geen aartsbisschop van Utrecht geweest. Willibrord werd missie-aartsbisschop en koos zijn verblijf ergens in het land van de Friezen. Eerst in 1559 is Utrecht aartsbisdom geworden en voor die tijd kan er onmogelijk sprake zijn van een aartsbisdom van Utrecht.".
- Het bestaan van een Sint Salvatorkerk wordt geheel verzwegen, maar uit de verwoeste fundamenten van de Sint Maartenskerk zijn opeens een paar Merovingische oorkonden tevoorschijn getoverd. Mag men dat niet manipuleren noemen? Ja, dat mag zeker. Het is het begin van nadenken over de Ware Kijk Op de geschiedenis en deze ontdoen van mythen.
- Toen de Sint Salvator in 1578 werd afgebroken, stond ze iets ten zuidwesten van de Sint Maartenskerk of Dom op het Domplein; maar waar haar oudste bouw heeft gelegen, is nog steeds niet ontdek. Uit het feit dat de Sint Salvator vicinior (dichterbij) aan de oever was dan
de Sint Maarten, hebben Tenhaeff en Van Galen willen afleiden, dat er er een aanzienlijke afstand tussen beide kerken bestond; zelfs zo groot, dat de Sint Maartenskerk toen helemaal niet op het huidige Domplein stond, maar volgens Tenhaeff in Oudwijk en volgens Van Galen bij de Tolsteegbrug. Die oudste kerk zal men ook nooit vinden, aangezien deze niet bestaan heeft.
- Eigils beschrijving veroorzaakt inderdaad moeilijkheden bij de localisering van de Sint Maartenskerk op het huidige Domplein. Want in die gevallen zou de Sint Salvator niet dichterbij hebben gelegen dan de Sint Maarten. Maar als mijn hypothese van de Rijnloop en de rivierovergang juist zou blijken te zijn, zou men daarmee een duidelijker inzicht in deze hele situatie hebben verkregen. Zo nauw hangt de oudste geschiedenis van de stad Utrecht samen met haar topografische ligging, dat ze niet kan worden geschreven zolang over die topografie geen klaarheid is ontstaan. Deze laatste conclusie van Johanna Maria van Winter is maar al te waar. Vandaar dat Albert Delahaye zijn belangrijk boek ook de opzienbarende titel heeft meegegeven "Vraagstukken in de historische geografie van Nederland". Het ging niet om de geschiedenis op zch, maar om de plaats waaar die geschiedenis zich heeft voorgedaan. En daarbij is de < a href="taalgrens.htm">taalgrens van doorslaggevend en alles bepalend belang.
|