De historische geografie van de lage landen.
Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.

Jaarboek Oud-Utrecht 1997.






De Fundamentele verwarring bestaat uit de vraag of Noviomagus uit de klassieke teksten Nijmegen is of Noyon. Het kernpunt waar alles mee begon en waar alles om draait is deze hier genoemde fundamentele verwarring. Deze kwestie ligt aan de grondslag van talloze andere opvattingen, zoals de verwarring rond Trajectum: was het Utrecht of was het Tournehem en Dockynchirica, was dat Dokkum of Duinkerke? Immers als Nijmegen fout is, is de Betuwe ook niet het land van de Bataven en is Utrecht ook niet de bisschopszetel van Willibrord en werd Bonifatius niet in Dokkum vermoord. Dat gebeurde allemaal in Noord-Frankrijk!



Tekst op de steen van 'Tongerse' schippers.


De Wilten en Wiltenburg.
Beda Venerabilis die vanuit Engeland over het vaste land schrijft, verhaalt dat koning Pepijn aan St.Willibrord als plaats voor zijn zetel de beroemde burcht Wiltaburg aanwees, de stad van de Wilten, die in de Gallische taal Trajectum werd genoemd, in zijn taal (Engels/Latijn?) Aettreocum. De hier geschetste voorgeschiedenis is voor Utrecht totaal onaanvaardbaar; het bestaan van de stad is niet eens ten tijde van St. Willibrord archeologisch vastgesteld, nog minder twee eeuwen tevoren. De Gallo-Romaanse naam Trajectum kan in Nederland niet hebben bestaan.

Een tekst uit 811 vermeldt: De Noormannen vielen voor de eerste maal Morinië binnen, de streek van Boulogne, St. Omaars en Cassel, waar zij van de kust verdreven werden door Roland, die door Karel de Grote als gouverneur over dit gebied was aangesteld. De keizer trok met een groot leger tegen de Noormannen op, die met een vloot op de kust van Frisia (dat Vlaanderen was) waren geland. Een vloot van de Franken, die Frisia had afgestraft, keerde naar huis terug. Een burcht, die door de Wilten was ingenomen, werd door de Franken heroverd. De Wilten, wier hoofdstad Trajectum de zetelplaats van St. Willibrord was, verbleven in het noord-westen van Frankrijk en niet in Nederland.
Dit verhaal speelt zich dus af in Frankrijk aan de kust van Het Kanaal en niet rond Utrecht.

In de berichten over de strijd van de Franken tegen de Saksen, Friezen en Wilten komt diezelfde trits van Albis, Amisia, Wisurgis en Lippia met de regelmaat van een klok terug, waardoor ten eerste blijkt dat bepaalde gebeurtenissen ten aanzien van de juiste plaats volledig op hun kop zijn gezet, en ten tweede een totaal vals beeld is ontstaan van het Merovingische en Karolingische rijk ten tijde van zijn expansies. De zogenaamde Karolingische residentie van Nijmegen (die dus nooit bestaan heeft: zie hierboven de Fundamentele Verwarring) ontleende voor een groot deel haar geloofwaardigheid aan het motief, door sommige historici zelfs als de diepste reden van haar bestaan aangehaald, dat Karel de Grote er een steunpunt had willen vestigen voor zijn strijd tegen de Saksen.

In dit jaar boek staan zes interessante artikelen van verschillende schrijvers. Wat in al deze artikelen opvalt is dat de auteurs zelf ook steeds meer constateren dat de traditionele geschiedenis niet helemaal juist is, zelfs dat deze op meerdere punten geheel onjuist is. We bespreken hieronder de volgende artikelen:

Utrecht anno 47 : verkenning van een donker tijdvak; / E.J. van Ginkel. p. 8-34 : ill., krt.. - Met lit.opg.
Van Nijmegen naar Utrecht : de limes in Nederland; / J.K. Haalebos. p. 36-65 : ill., krt., plgr.. - Met lit.opg.
Een Romeins graanschip in Woerden; / J.K. Haalebos. p. 68-95 : ill., plgr., tek.. - Met lit.opg.
Antonia, Wiltenburg, Traiectum : de kennis van het Romeinse verleden van Utrecht door de eeuwen heen; / C.J.C. Broer en M.W.J. de Bruijn. p. 98-124 : ill., plgr., portr.. - Met lit.opg.
'Dan zullen velen juichen'. Geschiedenis van twintig jaar conflicten over het archeologisch onderzoek op het Domplein te Utrecht (1929-1949); T.J.Hoekstra en S.L.Wynia. p.125-168. Met afb. & lit.opg.
Servatius en Johannes : over de vroegste geschiedenis van het Utrechtse vrouwenklooster van St. Servaas; Moolenbroek, J.J. van. p.169-204. ill., plgr., portr.. - Met lit.opg.

Wat opvalt in deze zes artikelen is dat de auters wel een eerlijk verhaal geven, al wringen ze zich bij hun interpretaties of conclusies wel eens in vreemde bochten, om te proberen iets wat recht is, toch krom te praten. Dat kan ook niet anders als je kost wat kost wil blijven vasthouden aan de oude tradities, terwijl modern onderzoek (zoals de archeologie) dit tegenspreekt. Dan kom je al vlug op het terrein van speculeren en fantaseren. Opmerking onzerzijds in rood.

De visie van Albert Delahaye.
Over de oudste geschiedenis van Utrecht wordt veel geschreven, maar nog meer gespeculeerd, omdat er zo weinig over bekend is. Probleem bij al dat geschrijf is dat men nog steeds uitgaat van opvattingen die vooral in de 15de tot 17de eeuw zijn aangenomen als ware geschiedenis. De historici houden onverbloemd vast aan die aangenomen geschiedenis, terwijl de archeologie die opvattingen niet onderschrijft. In Utrecht wordt na de Romeinse tijd tot zeker in de 10de eeuw niets anders gevonden dan mariene sedimenten. In de tijd van St.Willibrord was er geen bewoning. Wie moest er dan bekeerd worden?


Een eerste citaat.
Evert van Ginkel (artikel 1) schrijft onverbloemd dat het Utrechts verhaal erg fragmentarisch is, er veel onzekerheden zijn en uit vage tegenstrijdige gegevens bestaat.
Toch wel heel eerlijk.
Charlotte Broer en Martin de Bruijn (artikel 4) schrijven dat veel niet met zekerheid vast te stellen is en de vestiging van een bisschopszetel in Utrecht ook niet mogelijk was.


Wat lezen we in de artikelen?

Er zijn talloze citaten te geven waarbij de betreffende schrijver al de nodige vraagtekens plaats of waarin iets beweerd wordt wat nog nooit bewezen is, maar altijd is aangenomen als ware geschiedenis van Utrecht.

Utrecht anno 47 : verkenning van een donker tijdvak; / E.J. van Ginkel.
'Utrecht anno 47' behandelt het landschap, de bevolking en de invloed van het Romeinse (militaire) bestuur in de provincie Utrecht aan het eind van de Late Ijzertijd en het begin van de Romeinse tijd. Daarbij komen onder meer de bewoningsmogelijkheden in de verschillende landschapstypen, het onderzoek naar inheemse nederzettingen in het Kromme-Rijngebied en het fort bij Vechten aan de orde

Op dit artikel is het nodige aan te merken. Auteur Van Ginkel noemt het niet voor niets 'een donker tijdvak'. De hele geschiedenis is niet alleen donker, maar vooral duister. Er is weinig met zekerheid bekend.

Over de Peutingerkaart merkt Van Ginkel (p.27) het volgende op: Als we aannemen dat tenminste de plaats waar het altaar is gevonden, Fectio heette, blijven er enkele vragen over. Bijvoorbeeld: was Fectio wel de naam van het fort? Of sloeg die naam vooral op de nabijgelegen burgerlijke nederzetting, de vicus? De altaarsteen van burgers en schippers doet in ieder geval dat laatste vermoeden. De vermelding op de Peutinger Kaart (gesteld dat Fletio = Fectio) geeft feitelijk geen uitsluitsel; van geen der op die kaart genoemde namen is zeker of het een fort betreft, van sommige wčl, dat het om een stad gaat (Forum Hadriani, Noviomagus). Toch wordt in iedere publicatie de fortenrij langs de limes aangeduid met de rozenkrans van namen van de Peutinger Kaart. Het is de vraag in hoeverre dat terecht is.
Van Ginkel geeft hier precies aan waarover onzekerheid bestaat en stelt ook terecht enkele vragen. Als eerste is de vraag wat er nu precies op die steen staat. Er is helemaal geen sprake van Tongerse schippers, maar van CIVRES TUNGRI en van NAUTAE QVI FECTIONE. Dat zijn dus 'burgers uit Tungri' en 'schippers uit Fectione'. Zie de vertaling van de tekst hiernaast. Dat die schippers uit Tongeren kwamen staat niet op deze steen, maar is een onjuiste lezing van historici. Ten tweede is de vraag of de vindplaats van een steen ook de naam van die plaats is. Dat is dus beslist niet zo, wat talrijke Romeinse altaarstenen al aanto, nen, met als bekendste voorbeeld in Nederland de altaarsteen gevonden in
Ruimel, waarop de (C)IVITATIS BATAVOR(UM) wordt genoemd. Ruimel was beslist niet de Civitas Batavorum, dat men traditioneel voor Nijmegen, of voor Wijk bij Duurstede heeft gehouden. Kan die steen niet onderweg ergens verloren zijn? Of overboord van een schip zijn gevallen? De steensoort komt van elders, immers deze harde steensoort bestaat niet in Nederland.

Rechts een replica van de betreffende steen (die mogen ze wel eens schoonmaken! Het historisch besef is met mos bedekt -zoals wel vaker in Nederland- en onleesbaar 'duister'). De tekst op deze steen staat in de linker kolom met vertaling.

Bij de vermelding van de opschriften op altaar- of gedenkstenen is het belangrijk de vindplaats te vermelden. Nu wordt de indruk gewekt, dat we te maken hebben met een onbetwijfelbare Nederlandse documentatie, een indruk die reeds lang zijn wrange vruchten heeft afgeworpen, niet alleen bij leken maar ook bij de wetenschappers. Stenen van Bataven bijvoorbeeld, bevinden zich over het gehele voormalige Romeinse rijk, tot in Egypte en Irak. De vindplaatsen zijn even belangrijk als de teksten. Het gebeurt te vaak dat men wat gaat goochelen met stenen om die aan te voeren als bewijs voor de woonplaats van het vermelde volk. Op z'n minst zou men eens de in Nijmegen gevonden steen van een Moriniër uit de streek van Terwaan en Boulogne moeten bekijken, al was het maar om de lezers te waarschuwen dat stenen die overal verspreid waren, geen argument kunnen vormen voor de situering van de woonplaats van een bepaalde volksstam.

Punt drie is dat de steen traditioneel van Tongerse schippers zou zijn. Maar is dat wel zo? Is Tungri wel Tongeren of was het een andere plaats, bijv. Douai? Bestonden er wel Tongerse schippers? De beken in en rond Tongeren zijn niet bevaarbaar en de Maas ligt op ruim 20 km. afstand. En hoe kwam men van de Maas in de Rijn bij Vechten? Was het misschien toch Douai? Dwars door Douai stroomt de Scarpe-Escaut die uitmondt in de Schelde. Dezelfde discussie bestaat rondom de civitas van de Tungri die in de traditie bekend staat als Atuatuca Tungrorum, nu Tongeren. In Tongeren heeft zeker een grote Romeinse plaats bestaan, maar de naam daarvan is onbekend. Meteen dringt zich ook de intrigerende vraag op, die trouwens nog enkele malen bij andere plaatsen kan worden herhaald: waarom staat het grote en belangrijke Tongeren niet op de Peutinger-kaart, terwijl men beweert dat er een stel Nederlandse plaatsen op staat, van een aanzienlijk geringere omvang en betekenis dan Tongeren en waarvan men nooit iets heeft teruggevonden?
Op de vierde plaats wordt Fectio (wat dus niet op die kaart staat!) altijd als Vechten (of soms toch ook als Vleuten?) opgevat, wat dan als een schrijffout wordt gezien. Op de Peutingerkaart staat nergens Fectio staat, wel Fletione (of staat er Eletione?). De Nederlandse traditie is dus gebaseerd op een schrijffout. Lees meer over Fectio.



Van Nijmegen naar Utrecht : de limes in Nederland; Jan Kees Haalebos.
Nederland maakte in de Romeinse tijd deel uit van de provincie Germania inferior, Neder-Germanië. De Rijn vormde niet alleen de grens van deze provincie, maar tevens van het Romeinse rijk. Langs deze grens, die tegenwoordig meestal met het woord limes wordt aangeduid, waren tal van forten (castella) opgericht die het rijk moesten beschermen en het transport langs en over de rivier moesten controleren. In het achterland was in Nijmegen een grote legerbasis gevestigd ter ondersteuning van dit verdedigingssysteem. De in deze legerplaatsen samengebrachte massa soldaten was ongekend groot en verenigde mensen van zeer verschillende herkomst: Romeinse burgers uit Italië en de provincies langs de Middellandse Zee en rekruten uit onderworpen stammen, Galliërs, Germanen, Spanjaarden, Pannoniërs, Thraciërs en Orientalen. Het leger vormde een belangrijke factor in de ontwikkeling van de provincie. Buiten de militaire centra en de paar steden (municipia) en grotere dorpen (vici) die tegen het einde van de 1 ste eeuw tot ontwikkeling kwamen bleef de Romeinse invloed op de lokale cultuur over het algemeen echter beperkt

Onze opmerkingen en dat zijn er best veel:
Haalebos beschrijft in dit artikel niet de hele limes, maar enkel het stukje tussen Nijmegen en Utrecht, zoals de kop van zijn artikel ook aangeeft. Toch noemt hij een aantal keren ook Valkenburg Z.-H., Zwammerdam, Woerden, Alphen a/d Rijn en Leiden-Roomburg ter onderbouwing van zijn opvattingen. Blijkbaar vindt hij de argumenten voor zijn onderbouwing niet op het gedeelte tussen Nijmegen en Utrecht, waar -volgens de kaartjes- tussen Utrecht en Nijmegen een groot stuk niemandsland van ruim 60 km ligt tussen Bunnik-Vechten en Arnhem, slechts onderbroken met Maurik waar een castellum of anderszins onvindbaar is. Lees meer over
Maurik

Haalebos geeft liefst vier definities van het begrip Limes. Dan is er altijd wel een bij die past bij de traditionele opvattingen. Het geeft meteen aan dat van eenduidige opvattingen ook hierover geen consensus bestaat. Let vooral op dat 'ook hierover'. Waarover dan nog meer? De Limes wordt gedefinieerd als 1. een grensdistrict met een bestuursgebied, ook als het niet aan de grens ligt. Ja, je moet Nijmegen er toch ook bij betrekken (!). Verder is de limes 2. een verdedigingsgrens tegen wilde volksstammen of 3. een transportroute of 4. een riviergrens. Hij relativeert het onderscheid met de definitie van (Ernst?) Fabricius (uit 1929: zijn geschrift ontbreekt in de literatuuropgave!) met ...daarbij wordt gedacht.... Het is dus maar een gedachte. Verder noemt hij Naar men meestal aanneemt... en met ...lijkt minder waarschijnlijk... of Er bestaan geen aanwijzingen... of er is wel vermoed. Toch geen echt overtuigend beeld.
Van die wilde volksstammen is ten noorden van Rijn overigens nooit iets gebleken, zoals ook A.W.Byvanck en W.A.van Es (die in de literatuuropgave ook ontbreken. Byvanck wordt wel genoemd bij de afkortingen) al concludeerden. Ja, als je alles wat jouw opvattingen tegenspreekt weglaat, is je eigen gelijk wel gemakkelijk aan te tonen.

Haalebos beschrijft ook de geschiedenis van Romeins Nederland en volgt daarbij strak de traditionele opvattingen. Dat kan ook niet anders als leerling van Jules Bogaers (zie daar) die hij liefst 25x citeert. In zijn artikel over het graanschip in Woerden (zie ) noemt hij Bogaers ook "chef en vriend". Hij laat Romeins Nederland beginnen met Julius Caesar (zie daar) wat een eerste onjuistheid is. In Nijmegen laat hij de Romeinen in 12 voor Chr. of wat eerder (?) op de Hunerberg een kamp stichten. Ook dat is een onjuiste en nooit bewezen opvatting (zie daar). Dat kamp is er ook nooit gevonden. Dat Nijmegen de grootste vindplaats van Romeins in Nederland gaan we niet tegenspreken, maar veel van dat Romeins is overigens door Smetius c.c (zie daar) verkocht aan het buitenland (met name aan Duitsland) en vult daar menig museum. Wat bij al die opgravingen in de hele stad wel opvalt dat er niets uit de tijd van Karel de Grote is gevonden. Dat zou toch boven het Romeins gezeten moeten hebben en eerder gevonden moeten worden. Maar niets daarvan, nog geen steen, zelfs geen scherf, wat ook wel uit de informatie in Museum Het Valkhof blijkt (zie daar).

Over de castella schrijft Haalebos: "Men kan de aanwezigheid van Romeinse soldaten daar alleen vermoeden aan de hand van de gevonden voorwerpen". Dat vermoeden noemt hij liefst 12 keer in de tekst, zoals in: 'In het zuidelijke rivierengebied kan men van enkele plaatsen, zoals Rossum en Kessel-Lith, vermoeden dat ze deel hebben uitgemaakt van de verdediging van de provincie Germania Secunda in de late oudheid, maar ook hier komen we voorlopig niet verder dan vermoedens'. Ook woorden als 'lijkt' (18x) en 'lijken' (8x) en 'waarschijnlijk' (8x) en 'aannemen of aannemelijk' (6x) geven evenzovele keren twijfel aan. Daarnaast is bij Haalebos heel veel mogelijk (liefst 27x). Maar hoe zeker zijn dan de traditionele opvattingen?

Er zijn nog een hele serie opmerkingen uit dit artikel te bespreken, die evenveel vragen oproepen, zoals:
  1. p.39: Friese? koningen. Friese Koningen zijn er nooit geweest. Elk bewijs of aanwijzing in die zin ontbreeekt. Lees meer over de Friese 'koning' Radbod.
  2. p.39, 40, 41: Agri Decumates van Tacitus en zijn sneer (p.43). Lees meer over de Agri Decumates.
  3. p.41: functie van de grens?
  4. p.42: Romanisering en op p.50: invloed relatief beperkt.
  5. p.46: komt de gedachte naar voren
  6. p.47: Nijmegen: grootste vindplaats Romeins, 80 jaar opgravingen nog maar globaal gepubliceerd, oudste vondsten makaen het aannemelijk, kort in gebruik. Op p.50: Nijmegen op 20 km in achterland (dagmars: hoe effectie is dat?). Mag men aannemen.
  7. p.48: Drusus, Oppidum Batavorum, Opstand Bataven, streek rond Nijmegen zwaar getroffen.
  8. p.49: Men mag aannemen, Ulpia Noviomagus in 1ste of 2de eeuw stadrecht (verschil in opvatting tussen Haalebos en zijn 'leermeester' Bogaers).
  9. p.50: In Nederland zijn 10 tot 15 castella bekend. Welke? Niet alleen transportbewaking, ook grensbescherming en gresncontrole Bestond er al zoiets als grensverkeer? naar de grote veengebieden.
  10. p.51: Bewaking Batavenland, geen epigrafische (teksten) getuigenissen.
  11. p.51: Bataven en Canninefaten in Nederland laat zich slechts vermoeden., Oudste castella waarschijnlijk in 39 in Valkenburg.
  12. p.52: Utrecht castella weinig steun in monumenten. Woerden cohors Breucorum onverklaard. Vechten Thracier uit Spanje?
  13. p.53: Graffiti niet van soldaten, van slaven? Moeilijk te herkennen.
  14. p.54: in strikte zin...
  15. p.55: Fragmenten dakpannen hergebruik? Teutoburgerwoud.
  16. p.56: Twee mogelijkheden. Of drie? Algemeen probleem (Bogaers c.s.) is vindplaats ook verblijfplaats? Holdeurn productieplaats was geen verblijfplaats.
  17. p.57: De aanwezigheid van de cohors VI Ingenuorum in De Meern is nog niet met zekerheid aan te tonen.
  18. p.57: Er hebben waarschijnlijk op vier plaatsen in de provincie Utrecht Romeinse forten gelegen. In Woerden en Vleuten-De Meern zijn hiervan tot nu toe geen overtuigende resten te voorschijn gekomen.
  19. p.57: In Utrecht en Bunnik-Vechten kunnen grote delen van de plattegronden van de vestingen worden gereconstrueerd. Deze blijven nog steeds zeer onvolledig.
  20. p.58: Vechten is veel gecompliceerder. Het onvolledige karakter van de opgravingen maakt de interpretatie van de gevonden sporen moeilijk.
  21. p.59: Inscripties leren ons een gedeelte van de bevolking kennen, Tungrische schippers uit het gebied van Tongeren in België.
  22. p.59: De Nedergermaanse limes is geleidelijk aan ontstaan. Aanvankelijk werden in het kader van verovering van het Overrijnse Germanië onder de keizers Augustus en Tiberius slechts enkele punten- Meinerswijk bij Arnhem, Bunnik-Vechten en Velsen - bezet ter bescherming van het transport van troepen en voorraden.
  23. p.59/60: De controle over het deltagebied werd versterkt door de bouw van een versterking in Valkenburg, die tegenwoordig in het jaar 39 mag worden gedateerd en die kan samenhangen met militaire operaties onder keizer Caligula (37-41 na Chr.) en in de eerste regeringsjaren van Claudius (41-54 na Chr.). Mogelijk mag men deze bouwactiviteiten opvatten als een poging om het Beneden-Rijngebied te consolideren. Let speciaal op de onderstreepte woorden. Hoeveel zekerheid spreekt hier dan weer uit?
  24. p.60: Naar men aanneemt, werd bij die gelegenheid de reeks forten gebouwd langs de Rijn tussen Valkenburg Z.-H. en Bunnik-Vechten. Mogelijk werden verder oostelijk gelegen versterkingen zoals Maurik en Kesteren pas na de opstand der Bataven in 69/70 aangelegd om de Betuwe beter te kunnen beheersen. Zie opmerking vorig citaat.
  25. p.60: Tijdens deze opstand zijn talrijke castella platgebrand. Hiervan getuigen dikke brandlagen in Valkenburg Z.-H., Zwammerdam, Woerden, Utrecht en elders.
  26. p.60: In Utrecht wordt dit moment bovendien gemarkeerd door de beroemde goudschat, die tijdens de opstand moet zijn begraven. noot 94: Haak en Zadoks-Josephus Jitta, 1960 • A.C. Haak en A.N. Zadoks-Josephus Jitta, 'De Romeinse muntvondst van het Domplein te Utrecht', Jaarboek voor Munt- en Penningkunde, 47 (I960).
  27. p.60: Ingrijpende veranderingen traden op aan het einde van de 2de eeuw. De castella werden toen voorzien van stenen verdedigingsmuren. Dit moet zijn gedaan om beter weerstand te kunnen bieden aan toenemende overvallen en vanwege de algehele onveiligheid in de provincie.
  28. p.60: De verbetering van de legerplaatsen kan een geleidelijk proces zijn geweest en behoeft niet een onderdeel te zijn geweest van een groot programma. Deze opmerking spreekt de vorige faliekant tegen.
  29. p.60: De verwoesting van Trier in 275 kort na het herstel van de centrale macht door keizer Aurelianus (270-275) lijkt het einde van de limes in Nederland te markeren.
  30. p.60: Of daarna de grensforten langs de Rijn ooit nog voor langere tijd opnieuw door Romeinse troepen zijn bezet, mag worden betwijfeld. Het ziet er naar uit dat Nijmegen in de late oudheid een vooruitgeschoven post was vooruitgeschoven? van wat? of wie? en opnieuw van zijn strategische positie als verbinding tussen de Rijn en de Maas profiteerde. Welke strategische positie wordt hier bedoeld? En van welke verbinding is hier sprake?
  31. p.61: In meer naar het westen langs de Rijn gelegen costella uit de midden-Romeinse keizertijd zijn slechts geringe sporen uit deze late tijd aangetroffen. Mogelijk zijn er reparatiewerkzaamheden uitgevoerd. De hoeveelheid munten en aardewerkscherven uit deze periode is echter gering en de bouwactiviteiten hebben niet geresulteerd in nieuwe forten van voor de 4de eeuw karakteristieke vorm.
  32. p.61: De vraag lijkt nog steeds gerechtvaardigd of de Waal en de Maas in de laat-Romeinse tijd in militair opzicht niet een belangrijker rol hebben gespeeld dan de Rijn.
  33. p.61: In het zuidelijke rivierengebied kan men van enkele plaatsen, zoals Rossum en Kessel-Lith, vermoeden dat ze deel hebben uitgemaakt van de verdediging van de provincie Germania Secunda in de late oudheid, maar ook hier komen we voorlopig niet verder dan vermoedens.
  34. p.61: Mogelijk ook is het voormalige limesgebied in deze laatste fase een overgangszone geworden, waar de Romeinse macht zich door militaire aanwezigheid kenbaar maakte.
  35. p.65: In de noten lezen we o.a.: De woonplaats van de Chasuarii wordt in Westfalen gezocht. Blijkbaar is deze nog steeds niet gevonden. . De Marsaci zouden in Zeeland hebben gewoond. Dus ook nog onbekend. Het Germaanse volk van de Vangiones woonde ten zuiden van Mainz in de omgeving van Worms en Speyer.
  36. p.65: Het ligt misschien meer voor de hand te veronderstellen dat.... en... hiervoor ontbreken echter alle verdere aanwijzingen. Deze conclusies zijn meer dan terecht gesteld.
  37. p.65: Aanvullende gegevens lijken echter meer dan gewenst. Dat lijkt mij ook en niet alleen over opschriften van bakstenen, maar over het hele artikel dat nogal veel open einden en onbeantwoorde vragen bevat.



Een Romeins graanschip in Woerden; Jan Kees Haalebos.

Archeologisch onderzoek is in Woerden pas laat op gang gekomen. Opgravingen zijn in het centrum van de moderne stad over het algemeen slechts in beperkte opvang mogelijk, maar hebben voldoende gegevens opgeleverd om de hoofdlijnen van de topografie in de Romeinse tijd te kunnen schetsen en aannemelijk te maken dat op de oever van de thans dichtgeslibde Rijn een fort heeft gelegen ter bescherming van de grens van het Romeinse rijk.
  • De vondsten hebben duidelijk gemaakt dat hier aan het einde van de 1 ste eeuw een uit vrijwilligers gerecruteerde afdeling van de hulptroepen, de cohors XV Voluntariorum, heeft gelegerd, die later kan zijn vervangen door een van de Balkan afkomstige eenheid, de cohors III Breucorum. Dus er verbleven geen Bataafse cohorten, zoals steeds aangenomen wordt.
  • De vorm van de in Woerden te vermoeden Romeinse legerplaats kon tot nu toe niet worden vastgesteld, de ligging is slechts bij benadering bekend.
  • Het meest indrukwekkende resultaat van het onderzoek is wel het in 1979 ontdekte graanschip, dat in de eerste helft van de 3de eeuw is vergaan pal op de oever van de rivier de Rijn. Het schip biedt een aantal nieuwe details die bij vergelijkbare schepen, zoals die van Zwammerdam, ontbreken. De resten van de lading en het geborgen huisraad maken duidelijk dat het was ingezet bij het transport van graan voor het Romeinse leger, dat afkomstig kan zijn geweest uit het zuiden van het tegenwoordige België. Men kan zich afvragen of dit graan als belasting, de annona militaris, was gevorderd en of de Romeinse vloot bij het transport was betrokken.
    We citeren uit dit artikel ook nog de volgende opmerkingen:
  • Van het kampement zelf is zo goed als niets gevonden. (p.69).
  • In het westelijke gedeelte van de tegenwoordige binnenstad gevonden kaden langs de vermoedelijke Romeinse Rijnoever (p.70).
  • Het geheel doet denken aan een brug over een moeras, zoals we die kennen uit Hessen. Sporen van een eventuele bovenbouw ontbreken echter en het is dus niet uit te maken of we hier werkelijk te doen hebben met een dergelijke brug, die later misschien verbouwd is tot een dam (p.70).
  • De weg kan een onderdeel zijn geweest van de grote limesstraat en heeft mogelijk langs de zuidelijke zijde van het Woerdense castellum gelopen (p71). Het woord 'mogelijk' kom je liefst 18x tegen in dit artikel. Over hoeveel zekerheid hebben we het dan?
  • De vorm van tegenwoordige binnenstad, die boven het hier te vermoeden costellum is gebouwd (p.71).
  • Men mag vermoeden dat hier een weg langs de Linschoten door het verder ontoegankelijke veengebied samentrof met de limesstraat (p.71).
  • In de voor-Romeinse tijd moet de Linschoten een belangrijke arm van de Rijn zijn geweest; in de 1ste eeuw na Chr. had ze waarschijnlijk allang alle betekenis verloren (p.71).
  • Uit het onderzoek is gebleken dat de oudste Romeinse nederzetting waarschijnlijk is ontstaan in samenhang met de bouw van de limes (p.71/72). Waarschijnlijk komt liefst 8x voor in dit artikel.
  • Sporen van een middeleeuwse oever zijn niet gevonden. Waarschijnlijk verschilde de loop van de Rijn in de middeleeuwen slechts van weinig van die in de moderne tijd (p.72).
  • De later gebouwde oeverversterkingen waren eenvoudiger en bestonden uit in de grond geslagen palen of gekliefde boomstammen; de oever was bovendien vaak met dikke lagen rijshout bekleed. (p.72). De oeverversterkingen waarover hier gesproken wordt, worden een tiental keren genoemd in dit artikel. Hieruit blijkt dat de Romeinen vanaf het begin van hun aanwezigheid langs de Rijn steeds met overstromingen te maken hebben gehad. Het werd uiteindelijk ook de reden dat ze 'de boel maar hebben laten gaan' (zoals D.P.Blok dat eens verwoorde) en zijn vertrokken. Van de germannen konden ze winnen, maar niet van het water.
  • Na de bouw van de zesde en laatste kade - waarschijnlijk in de 3de eeuw - is de rivier snel dichtgeraakt. (p.73). Zie ook de vorige opmerking.
  • Boven het schip is een dikke laag klei afgezet (p.74). Ook hiermee wordt aangetoond dat na de Romeinse tijd er langdurige overstromingen (transgressies) plaats gevonden hebben.
  • Uit een dendrochronologisch onderzoek blijkt dat het hout van het Woerdense schip na het jaar 169 gekapt is. Een nauwkeuriger datering kon niet worden vastgesteld, omdat een schatting van het aantal ontbrekende buitenste jaarringen onmogelijk was (p.75)
  • Aangezien houten schepen een vaak lang leven hebben gehad, kunnen het bouwjaar en het moment van de ondergang ver uiteen liggen (p.75). Zoals al is opgemerkt kunnen houten schepen een zeer lang leven hebben gehad (p.83). Als dit standpunt nu eens in de archeologie meer als uitgangspunt gebruikt wordt, kunnen veel dateringen herzien worden. Het geldt ook zeker voor muntvondsten en vondsten van aardewerk. Lees meer over aardewerk.
  • De in het schip gevonden schoenzolen lijken erop te wijzen dat de boot in de 3de eeuw is gezonken (p.75)
  • De opgraving en opmeting van het schip werden bemoeilijkt door de grote diepte en de scheve ligging van de langs de oever gezonken resten (p.76; zie afbeelding hiernaast)
  • De in het schip gevonden kookpotten worden sporadisch gevonden in Romeinse versterkingen. Ze behoren echter net als de overige gesmoorde potten ongetwijfeld tot het in Vlaanderen gedurende de Midden-Romeinse tijd gebruikelijke aardewerk (p.81). Deze kookpotten lijken wel erg veel op het in Wijk bij Duurstede gevonden aardewerk, dat door W.A.van Es gedateerd is in de 8ste en 9de eeuw. De datering van Van Es is gebasserd op de schriftelijke vermedlingen over Dorestad en niet op technisch onderzoek.
  • De ruimte bij de mast was beperkt en niet erg comfortabel. Misschien mag men vermoeden dat er naast de haard een of twee slaapplaatsen zijn geweest, die zich tot onder de mastbank kunnen hebben uitgestrekt. Voor een dergelijke veronderstelling ontbreken echter alle aanwijzingen. (p.81) Ook deze veronderstellingen gaan weer de boeken in als 'vaststaande bewijzen' en kunnen daarna moeilijk tot helemaal niet bestreden worden.
  • Of het Woerdense schip een hoge achtersteven gehad zou kunnen hebben, daar bestaan echter geen andere aanwijzingen en hij (=Lehmann 1997) heeft met het oog op de talrijke verschillende vormen van de achterzijde bij moderne schepen het antwoord op deze vraag terecht open gelaten (p.83). Terecht?
  • Hetzelfde geldt voor de vraag naar de vorm van de besturing, waarvoor geen gegevens beschikbaar zijn, en de wijze van voortbeweging. Er zijn geen aanwijzingen voor het gebruik van roeiriemen of vaarbomen gevonden. (p.83) .
  • De ondergang van het schip is raadselachtig. Kennelijk gaat het niet om een oud en afgetakeld vaartuig dat bij de bouw van een kade is afgezonken. Het moet zijn getroffen door een plotselinge ramp en zo snel ten onder zijn gegaan dat de lading en een gedeeite van de persoonlijke bezittingen van de bemanning niet meer konden worden geborgen. Daarbij kan men zich erover verbazen dat de lading bijna volledig bewaard is gebleven en niet door de rivier is weggespoeld (p.84). Wat te denken van transgressies? Ten aanzien van weggespoeld houdt men er in de Nederlandse traditie wel altijd ht uitgangspunt op na dat als van een te vermoeden castellum niets gevonden wordt, men dan altijd spreekt van weggespoeld.
  • Het schip is dus niet door mensen met grond dichtgestort, maar door de rivier dichtgeslibd (p.84). Zie de vorige opmerking!
  • De activiteiten van de Gallische schippers blijken niet alleen uit de vele inscripties, maar ook uit de vondsten van schepen langs de bovenloop van rivieren, zoals de Schelde en de Allier (p.85). De vondsten van 'Romeinse'schepen is dus geen exclusieve Nederlands gegeven, al wordt het Nederland steeds met de nodige bombarie gebracht.
  • Hoe de graanvoorziening van het Romeinse leger was georganiseerd, is niet geheel duidelijk en gedeeltelijk zelfs omstreden. Direct na het inrichten van een permanent kamp moet men met landbouwwerkzaamheden zijn begonnen om onafhankelijk te zijn van bevoorrading over grote afstand. Aanwijzingen hiervoor zijn aan de noordelijke helling van het Kops Plateau bij Nijmegen gevonden in een pollendiagram, dat duidelijk maakt dat de Romeinse troepen hier bij hun komst omstreeks 10 voor Chr. het bos hebben gerooid om koren te kunnen zaaien (p.86). Noot 42.In noot 42 wordt verwezen naar Teunissen-van Oorschot, die op hun beurt verwijzen naar Bogaers-Haalebos. Het is dus een verwijzing van Haalebos naar zichzelf! Hier wordt de komst van de Romeinen gesteld op 10 vóór Chr. Daarmee vervallen al de opvattingen dat de Romeinen al in 19 of in 16 v.Chr. in Nijmegen waren. Lees meer over de aanwezigheid van de Romeinen in Nijmegen ten tijde van Augustus.
  • Berekeningen zouden bovendien hebben uitgewezen dat de opbrengst van dit bouwland nooit voldoende geweest zou zijn om te voldoen aan de behoefte van het leger aan graan (p.86). Daarmee vervalt ook het gestelde in het vorige citaat en wordt het gestelde in de opmerking (in rood) dus nog sterker benadrukt.
  • Andere schepen in Woerden zijn op een diepte van 3.50 m -NAP vrijgelegd. De transgressies zijn hiermee niet te ontkennen. De Romeinen stopten hun afgedankte schepen toch niet drie-en-een-halve meter onder de grond?
  • In combinatie met de elders in Woerden gevonden Romeinse molenstenen bij de opgravers de gedachte deed opkomen dat 'de gissing dat het schip Romeinsch geweest is, niet geheel onmogelijk' was. (p.90).
  • Over de oorsprong van dit soort schepen wordt uitvoerig gediscussieerd. Hierbij moet men echter niet vergeten hoe zwak onze uitgangspositie is. Men mag dus een zekere overeenkomst in vorm verwachten met de op de Rijn gebruikte praamachtige schepen, maar deze kan voorlopig niet worden aangetoond aan de hand van archeologische vondsten (p.91). Hoe duidelijk wil je het hebben? De Nederlandse archeologie heeft dus nog heel wat huiswerk te maken.

    Opmerking en vragen:
    De beschrijving van het 'Romeinse' schip is een interessant stukje geschiedschrijvingen (vanaf p.73) Het is maar de vraag in hoeverre het schip gevonden in Woerden Romeins was. Men houdt het ook op een 'inlands' schip uit de Romeinse tijd, wat ook bevestigd wordt in het citaat: "Men neemt aan dat het hierbij gaat om van particulieren gevorderde schepen, zoals dat ook gebeurde voor de annona van de stad Rome " en "Wie de eigenaren van de schepen waren, blijft echter onzeker." (p.87) en op p.88: "Men kan vermoeden dat het Woerdense schip deel heeft uitgemaakt van de als belasting geďnde annona mikaris. Wie deze uit Gallia Belgica naar Woerden heeft gebracht, is moeilijk te zeggen. Misschien mag men aannemen dat het schip gevaren werd door personeel van de vloot".. In totaal zijn er in Woerden 6 schepen gevonden, waaronder enkele boomstamkano's die de Romeinen zeker niet gebruikt zijn. Er wordt dan ook aangenomen dat de Romeinen de schepen huurden van binnenlandse schippers. Er wordt steeds van uitgegaan dat de 'Woerden 1' aan het begin van de 3e eeuw is gezonken en vervolgens is gebruikt als oeverversterkingen voor het castellum. Met graan er nog in? Heeft men dat verlies maar geaccepteerd? Dat de boot in de 3de eeuw is 'vergaan' en de Rijn ter plaatse is 'dichtgeslibd' (p.68) geeft onmiskenbaar de transgressies aan. Haalebos schrijft dan ook terecht: "Men kan zich afvragen of dit graan als belasting was gevorderd en of de Romeinse vloot bij het transport was betrokken".
    Over het castellum Woerden schrijft hij: "De vorm van de Romeinse legerplaats kon tot nu toe niet worden vastgesteld, de ligging is slechts bij benadering bekend".

    Het is wel duidelijk dat er nog veel gespeculeerd (zie de onderstreepte woorden) wordt vanwege de vele onzekerheden. Het probleem daarbij is dat die speculaties de boeken in gaan als vastgestelde geschiedenis, zoals dat ook in het verleden meerdere keren is voorgevallen. Zo zitten we nu met aangenomen mythes die schier onmogelijk te weerleggen zijn.



    Antonia, Wiltenburg, Traiectum : het Romeinse verleden van Utrecht door de eeuwen heen; C.J.C. Broer en M.W.J. de Bruijn.

    Het artikel geeft een overzicht van de ideeën die er over de Romeinse oorsprong van de stad hebben bestaan totdat in 1929 het archeologisch onderzoek is begonnen. Die opvattingen blijken te variëren van het eenvoudigweg ontkennen van een Romeins verleden tot het buitenproportioneel opblazen daarvan. Het artikel wil een stimulans vormen voor een nader onderzoek naar de geschiedschrijving over Utrecht, die al even interessant blijkt te zijn als dat verleden zelf.
    De discussie over de vraag of de Romeinen werkelijk hun kampementen hebben opgeslagen aan de benedenloop van de Rijn, ten noorden van Trier, [zal] niet snel [ ... l verstommen. We kunnen slechts aannemen dat Voorburg, Alphen aan den Rijn, Nijmegen en andere plaatsen Romeinse nederzettingen zijn geweest. Bewijzen vinden we nu en dan door middel van munten, kleine gebruiksvoorwerpen en omwallingen van een vesting die in de bodem worden aangetroffen. Maar of het werkelijk en onomstootbaar vaststaat?
    Aldus de minister van onderwijs, cultuur en wetenschappen, dr. ir. J.M.M. Ritzen, op 12 september 1996.

    Alle resultaten van het wetenschappelijk onderzoek ten spijt, blijken er nog steeds twijfels te bestaan over het Romeinse verleden van Nederland, of althans van het Middennederlandse rivierengebled, In dit artikel willen we iets vertellen over de wijze waarop er door de eeuwen heen over het Romeinse verleden van Utrecht is gedacht en geschreven.
    Het is wel duidelijk dat er in 1996 nog veel onduidelijk en onzeker was. Het probleem daarbij is dat deze onzekerheden toch de boeken in zijn gegaan als vastgestelde geschiedenis, ondanks het ontbreken van bewijzen. Dat kan iedereen die de literatuur volgt vaststellen. Eenmaal aangenomen mythes blijken schier onmogelijk te weerleggen te zijn. Men verwist in de steeds uitvoerige literatuurlijsten steeds naar voorgangers en gelijkgestemden, waar dan het bewijs voor de eigen opvatting wordt gevonden. Andersdenkende worden in die literatuurlijsten steeds vermeden wat veelzeggend genoeg is.

    Charlotte Broer en Martin de Bruijn merken zelf ook op dat "Tijdens ons onderzoek bleek al snel dat de geschiedenis van de Utrechtse geschiedschrijving nog nagenoeg geheel geschreven moet worden". (p.99). Sinds 1996 is er aan onderzoek nauwelijks iets toegevoegd, wat wel blijkt uit alle artikelen in de
    Jaarboeken en Archeologische kronieken van Utrecht. Wel veel speculaties op grond van de oude uitgangspunten. We noemen ze hieronder.

    Het artikel begint met een aantal traditionele opvattingen die ooit aangenomen, maar nooit bewezen zijn, sterker, door andere historici of door Charlotte Broer zelf, weerlegd zijn. Ook hier nog maar eens opgemerkt: "Lezen de historici elkaars werk niet?"
    1. Utrecht komt onder de Latijnse benaming Trajectum voor in het van omstreeks 300 daterende Itinerarium Antonini (p.100). Deze opvatting wordt weersproken met: Hieruit blijkt dat zij het derde-eeuwse reisboek van Antoninus niet gekend of althans niet op Utrecht toegepast hebben (p.107).
    2. Koning Dagobert I (623-639) heeft omstreeks 630 de burcht in bezit heeft genomen en er een kerkje gebouwd dat waarschijnlijk aan de apostel Thomas gewijd werd (p.100). Deze opvatting wordt weerlegd door de Archeologische en Bouwhistorische Kroniek: zie Opgravingen op het Domplein. Deze kerk is er nooit gevonden.
    3. Met de komst van Willibrord aan het eind van de zevende eeuw werd Utrecht de zetel van een bisschop. (p.100). De onjuistheid van deze opvatting wordt tegengesproken met de opmerking:in deze streken bestond geen echte civitas, zodat vestiging van een bisschopszetel daar ook niet mogelijk was (p.100). Charlotte Broer weersprekt ook haar eigen opvatting in 'Uniek in de Stad' waarin ze dat zelf schrijft.
    4. Utrecht werd al zeer vroeg als zodanig (als bisschopsstad) aangeduid. In de waarschijnlijk nog uit de achtste eeuw daterende levensbeschrijving van de abt van de Utrechtse kloostergemeenschap Gregorius, geschreven door de in Zwesen onder Zuilen geboren Liudger - de latere eerste bisschop van Munster - werd Traiectum een antiquam civitatem, een 'oude stad', genoemd (p.100). In deze ene zin zitten een aantal aangenomen veronderstellingen:
      1. in de oude akten staat nergens Zwesen of Zuilen, maar Suabsna dat Zouafques in Frans-Vlaanderen is.
      2. St.Ludger heeft ca.783 een klooster gesticht in Werethina aan het Almere. Het was niet Werden, maar Frethun in Frans-Vlaanderen. Lees meer over St.Ludger.
      3. In de tijd van Gregorius (8ste eeuw) was er nog geen enkel klooster in Utrecht. Het oudste en eerste klooster was de Paulusabdij uit 1050, het verplaatste klooster van Hohorst, tenminste volgens mevr.Broer (zie 'Uniek in de stad').
      4. Al deze hier genoemde teksten staan in Franse kronieken. Nederland heeft geen enkel document op dit gebied. De oudste teksten van Utrecht en Egmond, zoals het Cartularium van Radboud, kwamen via Gent uit St.Omaars in Noord-Frankrijk. lees meer over het 'Cartularium van Egmond'.
      5. het hier genoemde 'antiquam Civitatem' slaat niet op Utrecht dat immers geen Civitas is geweest (zie opmerking 3 hiervoor). Het 'Vetus Trajectum' staat onder meer in de Goederenlijst uit 870 (zie daar) waarvan nooit aangetoond is dat het hier om Utrecht ging. Waar liggen de in deze lijst genoemde plaatsen rondom Utrecht? Ook in een bericht over de Noormannen in de kroniek van St.Omaars wordt Vetus Trajectum genoemd. Van Noormanneninvallen in Utrecht is nooit iets gebleken, wat ook Luit van der Tuuk erkende. Lees meer over de Noormannen.

    5. Een kort overzicht van het tot stand komen van de Utrechtse traditionele geschiedenis lees je op p.103 en 104:
      1. Het eerste middeleeuwse bericht dat expliciet van Utrecht als Romeinse versterking melding maakt, dateert, voor zover wij hebben kunnen nagaan, pas van omstreeks 1186. Utrecht maakte toen deel uit van het Heilige Roomse Rijk onder keizer Frederik Barbarossa. Dat is dus bijna 10 eeuwen na dato. Hoeveel onzekerheid (nr.1) spreekt hieruit?
      2. Rond 1186 gaf een hofkapelaan van de keizer, Godfried van Viterbo, een zeer lovende beschrijving van Utrecht, waarbij hij ook melding maakte van een Romeinse oorsprong van deze stad. Volgens hem was Utrecht gesticht als een oorlogsbasis tegen de Friezen, van wie de Romeinen belasting wilden heffen. Oorlogsbasis tegen de Friezen? Onzekerheid 2.
      3. Pas van een eeuw later dateren de eerste tekens van een eigen Utrechtse geschiedschrijving. Zie opmerking onder A. Nog een eeuw later.... onzekerheid 3.
      4. We beginnen met een geschrift dat niet alleen om zijn inhoud maar ook om zijn overlevering uiterst merkwaardig genoemd mag worden. Het gaat hierbij om een handschrift dat in het begin van de achttiende eeuw in handen zou zijn geweest van de oud-katholieke kerkelijke geschiedschrijver Hugo van Heussen. Dat zegt ten minste Valentijn Blondeel, die een boekje schreef over de oorsprong van Utrecht, dat in 1757 is uitgegeven. Uiterst merkwaardig? Onzekerheid 4.
      5. Volgens Blondeel was dat oude manuscript geschreven door de domkanunnik Rudolf van Stoutenburg, die leefde aan het eind van de dertiende eeuw. Van Stoutenburg zou zich op zijn beurt hebben gebaseerd op een verloren gegaan liber memorialis, een memorieboek, van het Utrechts domkapittel. Blondeel had het geschrift van Van Stoutenburg bij Van Heussen mogen inzien en er een uittreksel, geen volledige transcriptie, uit mogen maken. Dat uittreksel staat in Blondeels boekje afgedrukt. Een verloren gegaan memorieboek? Onzekerheid 5.
      6. Volgens Van Stoutenburg zou uit de oude gedenkstukken van de dom blijken dat de oorsprong van Utrecht heeft gelegen in vyf huizen of hutten op den boord van den Rhyn, welke door eenige landbouwers, jagers, en een Veerman bewoond wierden. Want voor de geboorte van Christus zou er al een veer of overtocht zijn geweest. Rond het jaar 200 zou een Vorst der Vriezen er een stenen kasteel hebben gebouwd. Om het groeiend aantal inwoners te huisvesten en te beschermen, werden daaromheen wallen gegraven, die rond 400 door stenen muren vervangen waren. Het kasteel heette Wiltenburg omdat het de burgt der wildvangers was, en het is zeker, dat de familie der opperjagtmeesters de naam van Wiltenburg aangenomen hebben. Aangezien de Friezen en de Saksen die hier woonden zich zeer roofzuchtig gedroegen, trok Keizer Valentiniaan rond het jaar 368 hen met een leger tegemoet, veroverde de stad en het kasteel Wiltenburg en onderwierp hen. Maar de Friezen en Saksen sloegen terug, waarna er een verdrag gesloten werd en de Vriezen de stad en het kasteel herstelden, en versterkten. Wat hierna in het geschrift van Rudolf van Stoutenburg volgde, had betrekking op de vroege Middeleeuwen. De oorsprong... onzekerheid 6, voor de geboorte van Christus.... onzekerheid 7, rond 200 al een stenen kasteel.... onzekerheid 8, rond 400 al stenen muren..... onzekerheid 9, Wiltenburg, burgt der wildvangers... onzekerheid 10, de stad en het kasteel Wiltenburg.... onzekerheid 11, herstelden en versterkten.... onzekerheid 12.
      7. Een deel van Van Stoutenburgs bevindingen treffen we aan in de Rijmkroniek van Melis Stoke, die leefde van omstreeks 1235 tot in of kort na 1305. Zijn werk gaat over het graafschap Holland en bevat maar weinig gegevens over Utrecht. Stoke zegt dat tlant beneden Nimaghen wilen Nederzassen hiet. Utrecht ligt niet 'beneden' (stroomafwaarts!) van Nijmegen. Onzekerheid 13. Er woonde een wreet volc ende sterc, waarvan de hoofdstad Wiltenborch heette. Deze Nederzassen kwamen in opstand tegen keyser Valentiniaen, die in 366 keizer was geworden, maar ze werden door hem verslagen. Die Nederzassen heten nu Vriesen, voegt Stoke er ter verduidelijking aan toe. Een wreet en sterc volk..., Nedersassen die nu Vriesen heten..: onzekerheid 14 en 15. Dat hij met Wiltenborch Utrecht bedoelde blijkt even verderop, waar verteld wordt dat Willibrord quam tUtrecht dat Wiltenborch hiet te voren.
      8. Volgens Melis Stoke zou de oorsprong van Utrecht via-via overgeleverde oude gedenkstukken van de dom in een inheemse nederzetting hebben gelegen. De eerste burcht zou er niet door de Romeinen maar door de Nederzassen, later Friezen geheten, of althans door een vorst der Vriezen gebouwd zijn (p.104). via-via overgeleverde oude gedenkstukken..., onzekerheid 16. De tafelen dateren dus in elk geval van na het midden van de dertiende eeuw Deze datering is dan onzekerheid 17.
      9. Het tekstbord dat de geschiedenis van de stad weergeeft, zegt dat 'in de tijd van Nero de Antonijnse stad - of burcht - met nieuwe muren' werd gebouwd. Het ontstaan van Utrecht wordt dus op deze tafel gedateerd op de tijd van de Romeinse keizer Nero (54-68 na Chr.) Deze mededeling zou best eens waar kunnen zijn. Dan is het Romeinse castellum pas gesticht in het begin van de tweede helft van de eerste eeuw, wat archeologisch ook is vastgesteld, al gaat men daarbij nog uit van het jaar 47, wat is aangenomen op rond van de terugtrekking van de Romeinen op de Rijngrens..
      10. De burcht zou echter verwoest zijn 'en op dezelfde plaats werd daarna de nieuwe burcht van de Wilten gesticht met hoge torens, welke burcht nog in die tijd door het volk van de Abroditen geheel en al geslecht werd en tot de grond toe neergehaald. Hierop werd de burcht Traiectum met hoge muren gesticht door de christelijke Franken'. Op grnd van dergelijke opvattingen zijn de tradities van Romeins Utrecht en Romeins Nederland ontstaan. Maar deze opvattingen zijn geheel onzeker: onzekerheid 18.
      11. De naam Antonia voor Romeins Utrecht komt voor bij Johannes de Beke. Hij schrijft daar het volgende over (p.106, kort samengevat) : Keizer Nero vervolgde de christenen en twee Romeinse edelen, de senator Granus en de tribuun Antonius, werden uit Rome verdreven en trokken naar het noorden. Granus werd de stichter van de stad Aquis Grani (Aken). Antonius kwam n Hollant, en maakte een vesting die lange tijd Antonina heette. Utrecht zou dus lange tijd Antonina geheten hebben, totdat het door de Slaven en de Wilten werd verwoest. Dit verhaal is een stuk duimzuigerij van Beka. Onzekerheid 19. Wat Beda daarover schreef gaat niet over Nederland, maar hij schrijft in Engeland over Frisia 'hier dicht bij ons' ofwel 'hier aan de overkant' Voor Beda: zie de linker kolom. A.W.Byvanck en W.A.van Es noemen beide volkeren niet in hun boek over 'Romeins Nederland'. D.P.Blok noemt Wiltenburch (1605) als een verdwenen plaats, waarschijnlijk eerst dubbelnaam van Utrecht, later 2 km ten westen van Bunnik (Utrecht). 731 copieën 8e e. (ad ca. 690): in castello .,. quod antiquo gentium illarum uerbo Uiltaburg, id est Oppidum Uiltorum, lingua autem Gallica Traiectum uocatur (Beda, HistEccllib. 5 c. 11, p. 303) na 786 copie 16e e. (ad midden 8e e.): stabilito episcopatu in loco qui nuncupatur Traiectum et alio nomine Wiltaburg (Liudger, VitaGreg c. 10 SS 15, 1, p. 75) 11 840-864 cop. 15e e. (ad ca. 770): Traiectum castrum quod. Het 'waarschijnlijk' van Blok is onzekerheid 20. Over de verwijzing naar St.Ludger die daar.
      12. De naam Traiectum zou dus, zowel volgens Beke als volgens de domtafelen, pas na de Romeinse tijd ontstaan zijn. Hieruit blijkt dat zij het derde-eeuwse reisboek van Antoninus niet gekend of althans niet op Utrecht toegepast hebben (p.107). Hiermee vervalt dan de naam Trajectum voor Romeins Utrecht, wat altijd wel de traditie is geweest. Onzekerheid 21.
      13. Beke zou -volgens Broer en de Bruijn- een chronologisch en samenhangend verhaal over de Romeinse oorsprong van Utrecht gegeven hebben. Zijn relaas is door latere geschiedschrijvers ofwel gevolgd ofwel heeft op zijn minst als basis gediend heeft voor andere opvattingen. Beke zelf heeft zijn specifieke gegevens over het Romeinse Utrecht waarschijnlijk geput uit vroege bronnen als Beda Venerabilis en Liudgers levensbeschrijving van de abt Gregorius en wellicht ook uit de Utrechtse domtafelen. Aannemelijk is dat hij ook gebruik gemaakt heeft van het werk van Melis Stoke 37, maar duidelijk is dat hij de Nedersaksische of Friese oorsprong van Utrecht zoals die bij Stoke voorkomt niet overgenomen heeft. Opmerkelijk is niet zozeer dat Beke Utrecht een Romeinse oorsprong gegeven heeft, maar dat hij die met de voor keizer Nero gevluchte tribuun Antonius van een christelijk karakter heeft voorzien. Het voorgaande overziende zijn er dus in de vroege bronnen nogal wat verschillen op te merken. Was de oorsprong van Utrecht Romeins of inheems? Wat was de oorspronkelijke naam van de burcht of stad? Waar kwamen de genoemde namen vandaan? Met dit soort vragen hebben de latere geschiedschrijvers over Utrecht zich uitvoerig beziggehouden. Er blijven dus nog wat vragen over, wat onzekerheid 22 betekent.
      14. Hierna worden de latere geschiedschrijvers besproken zoals Willem Heda (ca.1460-1525), Lambertus Hortensius (1500-1574), Arnoud van Buchel (1565-1641), Cornelis Booth (1605-1678), Valentijn Jan Blondeel (ca. I720-na 1774), Hubert Matthijs Adriaan Jan van Asch van Wijck (1774-1843), Jan Jacob de Geer van Oudegein (1820-1911), Samuel Muller (1848-1922), Gerard Gilles Calkoen (1857-1935), Gerard van Hoorn (1881-1969), Jan Hendrik Holwerda (1873-1951) en Albert Egges van Giffen (1884-1973). In het rijtje historieschrijvers missen we Cornelius Aurelius, terwijl hij toch een grote invloed heeft gehad op het ontstaan van meerdere tradities rond 't Sticht Utrecht.

        Al met al is het een erg interessant hoofdstuk over het ontstaan van bepaalde tradities, waarvan de oudste dus pas teruggaan tot de 12de eeuw. Zij bouwen echter voort op de opvattingen van Beka, al wijken ze op meerdere punten van hem af. Ook onderling kom je meerdere verschillen tegen, die toch wel van belang zijn geweest om de geschiedenis van Utrecht te bepalen. De conclusie van Broer en De Bruijn is als volgt: Overzien we deze rapsodie van opvattingen over het Romeinse verleden van Utrecht, dan valt op dat ze uiteenlopen van het eenvoudigweg ontkennen tot het buitenproportioneel opblazen daarvan. Dit verschijnsel treft men merkwaardigerwijs door de eeuwen heen aan, al werden de accenten in de ene periode anders gelegd dan in de andere. Het nagenoeg ontbreken van bruikbaar geachte schriftelijke bronnen en de onzekerheid over de aard en de herkomst van de gevonden Romeinse voorwerpen hebben ongetwijfeld tot deze zeer uiteenlopende visies aanleiding gegeven. De archeologische opgravingen vanaf 1929 hebben aan een groot deel van de onzekerheid over het Romeinse verleden van Utrecht een eind gemaakt. Maar getuige het begin van dit artikel zijn alle twijfels nog steeds niet bij iedereen weggenomen .... .

        Broer en De Bruijn spreken ook hier de nodige twijfel uit, twijfel die Albert Delahaye ook had, maar dat hebben ze niet bij hem gelezen. Immers zijn naam ontbreekt ook hier weer in deze literatuuropgave. Niet vermelden wat je opvattingen tegenspreekt is in historisch wereld helaas nog steeds eerder regel dan uitzondering.

      Als je dit allemaal leest merk je dat het hele verhaal gebaseerd is op liefst 22 onzekerheden, dus fabels. Het is te gek voor woorden dat deze teksten nog serieus genomen worden. Een feit is wel de strijd tussen de Romeinen en Friezen en Saksen, maar deze heeft zich niet voorgedaan in Nederland, maar in Frans-Vlaanderen. Rond 368 kwamen de Romeinen echt niet even naar Utrecht om er tegen Friezen en Saksen te vechten. De Romeinen hadden Nederland al meer dan een eeuw verlaten.
      Ook van een stenen kasteel uit het jaar 200 of van stenen muren uit rond 400 is in Utrecht archeologisch nooit iets gebleken. Wat men aantrof in 1929 was het Romeinse castellum. Deze verzinsels en fabels zijn helaas wel het uitgangspunt van de geschiedenis van Utrecht gaan vormen. Nadien doet het verhaal van Johannes de Beke en Willem Heda er nog een schepje bovenop. Ook hun verhaal zit vol onwaarheden, dus klan niet het uitgangspunt worden van de geschiedenis van Utrecht of van Nederland.


    6. Charlotte Broer en Martin de Bruijn hebben dus nog de nodige twijfel over deze rapsodie aan opvattingen. Rapsodie betekent een (muziek)stuk met contrasterende gedeelten wat betreft stijl en stemming, hier gaat het om contrasterende opvattingen. Ze schrijven ook het volgende: 'Zowel volgens Melis Stoke als volgens de via-via overgeleverde oude gedenkstukken van de dom zou de oorsprong van Utrecht dus in een inheemse nederzetting hebben gelegen. De eerste burcht zou er niet door de Romeinen maar door de Nederzassen, later Friezen geheten, of althans door een vorst der Vriezen gebouwd zijn' (p.104). Let vooral op het woordje 'zou'. Ook het gebruik van woorden als 'waarschijnlijk' (17x), 'mogelijk' (11x) en 'zou kunnen' of 'zou hebben' (meer dan 30x) getuigen van een zekere dosis aan twijfel.
      Op hun eigen website, en dat moet gezegd, uiten ze wel meer twijfel over traditionele opvattingen, zoals dat De Bilt gesticht zou zijn door de Ieren. De Bruijn noemt dat terecht dan ook 'pia fraus' ofwel vroom bedrog.
    Utrecht, ná de Echternach-affaire en nádat het rond 1170 in kopie het Cartularium van Radboud (waarin Wiltenburg overigens ontbreekt) vanuit Egmond had gekregen, vertelt het verhaal van een heel oud Utrecht eerst aan een buitenstaander – nog zonder het Wiltenburg-gedeelte – en als die het heeft opgetekend wordt het honderd jaar later in Utrecht zelf uitgebouwd en vervolgens door Melis Stoke overgenomen – dit keer mèt een, ongetwijfeld aan Beda ontleend, Wiltenburg. Voor de Utrechtse bron moeten we bovendien een achttiende eeuwer, die zich beroept op “oude gedenkstukken”, op zijn woord geloven. Het geeft precies aan hoe de mythen ontstonden en in stand bleven, met een verwijzing naar 'oude stukken'. Lees meer over Wiltenburg in de linker kolom.


    'Dan zullen velen juichen'. Geschiedenis van twintig jaar conflicten over het archeologisch onderzoek op het Domplein te Utrecht (1929-1949). T.J.Hoekstra en S.L.Wynia.

    In 1938 barstte een felle pennenstrijd los in de lokale Utrechtse pers over de opgravingen op het Domplein. Hieraan lag een controverse ten grondslag tussen de archeologen C.W.Vollgraff (leraar klassieke talen) en A.E. van Giffen (bioloog uit Groningen), die op uitnodiging van Schuylenburg naar Utrecht was gekomen. Beiden wensten de opgravingen op het Domplein uit te voeren. Hun verstandhouding was aanvankelijk zeer vriendschappelijk. Niets wees erop dat er enige onenigheid tussen Vollgraff en van Giffen zou ontstaan en grootse vormen zou aannemen. Vollgraff had, als voorzitter van de plaatselijke PUG, de opgravingen naar zich toe getrokken. Hij had daarmee Van Giffen buiten spel gezet, evenals plaatselijk archivaris W.C.Schuylenburg, die aanvankelijk de opgravingen had willen leiden. Bovendien had het Gemeentelijk College de gevraagde subsidie aan Vollgraff toegekend, aangezien hij de opgravingen het goedkoopst kon uitvoeren (ƒ4570,- tegen ƒ5100,-). Sindsien is het niet meer goedgekomen tussen Vollgraff en Van Giffen. De aangevraagde Rijksbijdrage van 5000,- werd ook afgewezen wegens 'buitensporigheid' en 'het mindere belang ervan'.
    Beide kampen hadden 'hun' aanhangers en volgelingen, die zich met de interne strijd gingen bemoeien en hun standpunten over de ander wel kenbaar maakten in de bestaande briefwisselingen. Aan de kant van Van Giffen stonden A.W.Byvanck, J.H.Holwerda en diens assistent W.C.Braat. Opvallend is ook dat Holwerda 'niet veel zag' in de opgravingen en geen enthousiasme ervoor kon opbrengen.

    De climax van de controverse ontstond, wat ons betreft maar waar dit artikel niet over gaat, over de beoordeling van door
    Vollgraff vertaalde teksten op een twintigtal Romeinse inscripties, waar hij de naam Albiobola las. Kamp Van Giffen was het daarmee volstrekt niet eens, want zij doorzagen dat als Romeins Utrecht Albiobola had geheten, de naam Trajectum diende te vervallen (met alle consequenties vandien, zoals de bisschopszetel van St.Willibrord).
    Overigens is de naam Trajectum in Utrecht op geen enkel relict gevonden. Ook op de Peutingerkaart wordt Trajectum niet genoemd. Lees meer over Utrecht en over Trajectum.



    Servatius en Johannes : over de vroegste geschiedenis van het Utrechtse vrouwenklooster van St. Servaas. J.J. van Moolenbroek.

    Op een riant terrein direct achter de stadswal was eeuwenlang het voorname Utrechtse vrouwenklooster van St. Servaas gevestigd. Hoe waren de zusters op die fraaie plek terechtgekomen? Ten gevolge van een wonder, aldus een boeiend verhaal dat in de late Middeleeuwen werd geboekstaafd. Niemand minder dan de heilige Servaas zelf had de zusters de weg naar hun plek aan het uiteinde van de stad gewezen, aldus dit mirakel. Behalve dat bevat deze tekst nog enkele andere gegevens over de vroege geschiedenis van het klooster. Het is interessant deze laat opgetekende informatie te confronteren met hetgeen eerder geschreven bronnen daarvan weten. Vooral de kroniek van
    Jan Beke en het necrologium van het St. Servaasklooster zelf zijn hier van belang. Als resultaat van het onderzoek kunnen enige nieuwe gegevens en hypotheses worden gepresenteerd, in het bijzonder over de stichter, de ontstaanstijd en de keus van de patroonheilige van het klooster. Ook worden de intenties van het stichtingsverhaal verduidelijkt, en met vijftiende-eeuwse kloosteractiviteiten in verband gebracht.







    Lees het boek "De Ware Kijk Op" voor al deze en andere teksten en oordeel zelf!

    Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.