We bespreken uit de Jaarboeken alleen de artikelen die gezien onze studie van belang zijn.

De bespreking van het artikel over Het Utrechtse tolrecht vind je hier.
Klik op de tekst voor een vergroting.
Het FUNDAMENT van alle verwarring is het Karolingisch Paleis van Karel de Grote in Nijmegen.
Dat paleis blijkt gebouwd op los zand, op nooit bewezen losse beweringen.
Op dat losse zand zijn alle volgende mythen gebouwd.
Immers als Nijmegen fout is, was de Betuwe ook niet het land van de Bataven; was Utrecht niet de bisschopszetel van Willibrord, werd Bonifatius niet in Dokkum vermoord en hebben de Noormannen nooit in Nederland geplunderd.
Dan stort het hele kaartenhuis van de Nederlandse mythen in elkaar.
Bonifatius, Willibrord, Karel de Grote en de Noormannen zijn voor Nederland volkomen legendarisch.
|
|
Utrecht in de Romeinse tijd: een nieuwe kaart. Door Erik Graafstal.
Op 27 juli heeft het Werelderfgoedcomité tijdens zijn jaarlijkse vergadering ingestemd met de voordracht van de Neder-Germaanse Limes als werelderfgoed. Daarmee heeft UNESCO, de Organisatie voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur van de Verenigde Naties, uitgesproken dat de voormalige Romeinse grens in Nederland en de Duitse deelstaten Nordrhein-Westfalen en Rheinland-Pfalz van unieke en universele waarde is voor de gehele mensheid. Tot het nieuwe werelderfgoed behoren niet minder dan zeven terreinen in en om Utrecht. Met elkaar illustreren zij het complete systeem dat de Limes was: een keten van militaire installaties, zoals forten en wachttorens, gelegen op de zuidelijke oever van de Rijn en verbonden door een weg. Wat de Neder-Germaanse Limes onderscheidt van bijvoorbeeld de Muur van Hadrianus en de Boven-Germaanse Limes tussen Rijn en Donau, beide reeds eerder aangewezen als werelderfgoed, is dat de complete ontwikkeling van de Romeinse grensbeveiliging, van keizer Augustus (27 voor Chr.-14 na Chr.) tot in de vijfde eeuw, hier te volgen is. Bijzonder is daarnaast de aanpassing van het limessysteem aan de ligging in een rivierlandschap, met alle vereisten van dien op het gebied van watermanagement, logistiek en havenfaciliteiten. Van grote waarde acht UNESCO ook de rijkdom aan organisch vondstmateriaal, dat in onze natte kleibodems vaak goed bewaard is en veel vertelt over landschap, vegetatie, voedsel en dieet. Juist de Utrechtse bijdrage aan het werelderfgoed illustreert veel van deze aspecten.
De visie van Albert Delahaye.
Over de geschiedenis van Utrecht is veel geschreven, maar nog meer verzonnen. Aan het belang van Romeins Utrecht kan stevig getwijfeld worden, evenals aan St.Willibrord die voor Utrecht volkomen legendarisch is. Hij is er nooit geweest, omdat Utrecht in zijn tijd vanwege de transgressies, onder water lag. Een Romeinse aanwezigheid is er zeker geweest, maar de naam Trajectum voor Romeins Utrecht en het Utrecht van Willibrord zijn onbewezen aannamen. Rond 260 n.Ch. hebben de Romeinen Utrecht en Nederland verlaten vanwege de toenemende wateroverlast en zijn zij naar het zuiden vertrokken op ongeveer de taalgrens. Pas in de 12de eeuw is er weer sprake van enige bewoning in Utrecht.
Men kan ernstig twijfelen aan de betekenis van die Romeinse grens en in hoeverre dat werelderfgoed zou zijn. De Romeinse maatschappij wordt nog steeds te veel verheerlijkt, terwijl die was gebaseerd op slavernij. Meer dan 200 miljoen slaven hebben het Romeinse rijk opgebouwd. Het is eveneens een hardnekkig misverstand dat de Romeinen vooral beschaving en technische vooruitgang brachten en het schrift, de rechtspraak en een systeem van belastingen hebben geïntroduceerd. Het is een mythe. De werkelijkheid was zoals Tacitus (Agricola 30,4) het beschreef: "De Romeinen zijn de rovers en plunderaars van deze wereld". In 1518 schreef ook Desiderius Erasmus: "Van Caesar zul je de ware zuiverheid van de Romeinse taal leren, maar pas op dat je van hem niet de eerzuchtige dwaasheid van de oorlogen leert".
Romeins Nederland heeft ook nauwelijks iets voorgesteld. Het heeft nimmer een colonia of municipium gehad, dan in de fantasie van zich 'deskundig' noemende geschiedschrijvers. De Romeinen verbleven in ons land slechts op de oeverwallen langs de Rijn, met incidenteel een 'uitstapje' in het zompige veen- en moerasgebied. Rond 260 na Chr. hebben de Romeinen ons land verlaten vanwege de toenemende overstromingen, waar zij geen verweer tegen hadden. Zij trokken zich terug op de taalgrens, waar de echte Limes Germanicus lag. We moeten het verblijf van de Romeinen in Nederland meer voorstellen zoals Tacitus het beschreef: "Allen die de miserie tot dit waagstuk had gedwongen, hebben een land ingenomen waarvan het bezit onzeker was. Daarna heeft men een grensweg aangelegd, hier en daar enige legioenen gelegerd, en zo zijn zij een vooruitgeschoven punt van het rijk en deel van een provincie geworden." Alle grote rijken zijn ontstaan met oorlog, geweld, onderdrukking en uitbuiting van en ellende voor de plaatselijke bevolking, toen en nu nog steeds. Een vergelijking met de Gouden Eeuw is zo gemaakt. Die was ook gebaseerd op slavernij, zoals we nu wel weten. Voor slechts een handjevol Hollanders was het een gouden eeuw, voor de meerderheid van de inwoners was het ellende, armoede en kommer en kwel en zeker voor alle tot slaaf gemaakten. Van dat slavernij-verleden maken we toch ook geen Wereld-Erfgoed?
Wordt hier werkelijk een nieuwe kaart geschetst, zoals de kop van dit artikel belooft?
Een nieuwe kaart? Was die oude dan niet meer actueel? Nieuw zijn niet zozeer de vele kaartjes die toch wel indruk maken, maar nieuw is zeker de vele twijfel die in dit artikel wordt uitgesproken. Twijfel die overigens altijd bestaan heeft en hier nog eens herhaald wordt. Die twijfel blijkt uit woorden als 'er aanwijzingen voor zijn', 'zou kunnen zijn', 'vrijwel zeker', 'suggereert', 'wat er in het verleden beweerd is' en woorden als 'mogelijk' (wordt 14x genoemd), 'lijkt' (19x) en naar de 'schijn' (6x). Wat allereerst opgemerkt kan worden is dat dit artikel voorzien is van liefst 88 noten, die verwijzen naar een literatuurlijst van 89 publicaties, waarbij Graafstal meerrdere keren naar zichzelf verwijst. Hiermee komt de in de historische wetenschap alom gebruikelijke en hardnekkige naschrijverij weer tot uiting.
De uitgangspunten die Graafstal hier hanteert zijn in elk geval niet nieuw. Bij hem is Fectio nog steeds Vechten en Trajectum is Utrecht, ook al schrijft hij daarover wat er in het verleden is beweerd over de naam Traiectum, ofwel 'oversteekplaats', er is geen enkele aanleiding om ter hoogte van de Utrechtse binnenstad een voorde in de Rijn te veronderstellen". Van de derde plaats die hier besproken wordt, De Meern-Hoge Woerd, is de Romeinse naam nog steeds onbekend. Feitelijk komt het erop neer dat van al deze plaatsen, dus ook van Utrecht en Vechten, de Romeinse naam dus nog steeds onbekend is. Lees meer over Utrecht en Fectio.
De opvattingen dat de 'rijngrens', de Limes een verdedigingsgrens zou zijn, vooral om de bewaking van de rivier en een bewaakte transportroute en frontierzone. Kwam er dan gevaar van de stammen aan de overkant? Volgens A.W.Byvanck en W.A. van Es was er van dreigend gevaar van de overkant geen enkele sprake. Lees daarover meer bij A.Byvanck en W.van Es. Deze aloude opvatting wordt ook door Graafstal tegengesproken met opmerkingen als: 'Ook aan de overzijde van de Rijn was menselijke activiteiten kennen we een handvol vindplaatsen'. En: "waarom zouden de Romeinen hun badhuis buiten het castellum geplaatst hebben (p.128) als er sprake zou zijn geweest van gevaar?"
We citeren hieronder enkele opvallende letterlijk teksten uit dit artikel, met onze opmerkingen in rood.
- Terwijl de forten en wachttorens dateren uit de jaren veertig van de eerste eeuw, lijkt de Limesweg pas uit de late jaren tachtig te dateren - de oudste jaarringdatering is van 89. De forten waren er dus eerder dan de weg er naartoe. Hoe kwamen de Romeinen dan in westelijk Nedrland? Per boot? Maar daarvoor had Julius Caesar in zijn tijd al gewaarschuwd vanwege de instabiliteit. Hele cohorten legionairs inclusief paarden, lastdieren, karren, proviand, tenten enz. verplaats je ook niet gemakkelijk per boot.
- Nu moest het Utrechtse castellum met een lange zijweg aan het hoofdtracé worden gekoppeld. Hiermee hebben we misschien ook meteen de oplossing voor het oude raadsel dat de forten van Utrecht en De Meern niet vermeld staan op de Tabula Peutingeriana, de twaalfde-eeuwse kopie van een oude Romeinse reiskaart: voor de doorgaande reiziger waren deze stations, vanwege hun afzijdige ligging, minder relevant als halteplaats. Er zijn wel meer forten niet vermeld, terwijl van andere Romeinse plaatsen die zogenaamd wel vermeld zijn, niets is teruggevonden. Lees meer bij de Limes. Lees meer over de Peutingerkaart.
- De drie locaties werken uiteraard nauw samen voor toeristische marketing. Maar voor de terloopse bezoeker zal de samenhang van het grenssysteem niet altijd onmiddellijk duidelijk zijn. Ook hierin wil de nieuwe kaart van Romeins Utrecht voorzien. Het gaat dus vooral om de inkomsten van het toerisme, ook al is er niets te zien.
- Over de gevonden scheepsresten: Overigens zou de 'schuit' in theorie ook vroegmiddeleeuws kunnen zijn, want we weten dat de Rijn tussen de vierde en negende eeuw in de hele zone tussen het stenen castellum en het Oud kerkhof actief is geweest". Dus toch overstromingen? De natte bodem komt meer ter sprake tussen de Romeinse tijd en de 9de of 10de eeuw. Zie ook hiervoor Jaarboek Oud-Utrecht 1991 en Jaarboek Oud-Utrecht 1999.
- Uiteraard wordt ook St.Willibrord nog even genoemd (p.128) die rond 690 Utrecht als uitvalsbasis voor de bekering van de Friezen in het noorden gebruikte. Deze mythe is niet alleen door Albert Delahaye weerlegd, maar ook door andere, zelfs Utrechtse historici. Lees meer bij Citaten. Kerkhistoricus prof.R.Post heeft aan die mythe al een eind gemaakt met zijn opmerking: "Op één punt moet ik Delahaye onmiddellijk gelijk geven. Sint Willibrord is geen aartsbisschop van Utrecht geweest. Willibrord werd missie-aartsbisschop en koos zijn verblijf ergens in het land van de Friezen. Eerst in 1559 is Utrecht aartsbisdom geworden en voor die tijd kan er onmogelijk sprake zijn van een aartsbisdom van Utrecht." het bisdom Utrecht, as dat al bestaan heeft, was in elk geval tot 1122 aantoonbaar, geen aartsbisdom. Het ressorteerde onder het aartsbisdom Keulen.
- Over de Chauken valt op dat Graafstal hier in noot 68 verwijst naar Taayke 2010, die weer verwijst naar Langeveld 2010b, waar we een verwijzing vinden naar Basisrapportage Archeologie 19 uit 2010 "een goede buur?". Maar wat lezen we nu precies in die Basisrapportage over de Chauken? De geschiedschrijver Tacitus meldt dat de bewoners van het gebied rondom de Eems, de Chauken, zich in 16 na Chr. bij de legers van Germanicus aansluiten en optrekken tegen Arminius. Deze alliantie gaat vermoedelijk ongeveer een decennium terug, want op grond van een vermelding door Velleius Paterculus wordt verondersteld dat omstreek 5 na Chr. reeds een verbond is gesloten met de Chauken. Verder wordt op grond van een door Tacitus opgetekend bericht verondersteld dat er in Chaukisch gebied rond 9 na Chr. Romeinse troepen gelegerd zijn geweest. Deze gegevens bieden mogelijk aanknopingspunten voor het onderzoek naar de herkomst van nieuwkomers in Leidsche Rijn. Het samenvallen van deze historische vermelding over de politieke allianties met de bewoners van het gebied rondom de Eems en de stichting van nederzettingen in het Midden-Nederlands rivierengebied met aantoonbare Noord-Nederlandse culturele invloeden, is opmerkelijk te noemen. Hierin ligt een mogelijke verklaring voor het nederzettings- en vondstbeeld van eerste-eeuwse inheemse nederzettingen in Leidsche Rijn. Wat dan die Noord-Nederlandse culturele invloeden zijn, blijft gissen. Het is wel duidelijk dat hier veel veronderstelt wordt, maar niets bewezen met feiten. De vermelding van Tacitus gaat ook helemaal niet over de Eems (dat is een onjuiste interpretatie) maar over de 'Amisia' wat de Hem(us) in Frans-Vlaanderen is. De beschrijving van de rivieren Amisia, Wisurgis en Lippia doet Tacitus als hij het over Gallia heeft. Het zou dan betekend hebben dat de Romeinen al in 5 na Chr. in Noord-Nederland waren, terwijl ze nog niet eens in Keulen of Xanten of elders in Nederland geweest waren. De forten langs de Rijn in Nederland zijn pas halverwege de 1ste eeuw gebouwd. Dat de Romeinen al in 19 of 16 of 10 vóór Chr. in Nijmegen zouden zijn geweest is een even onbewezen opvatting als zou Nijmegen de oudste stad van Nederland zijn.
- Er zijn de laatste jaren allerlei aanleidingen geweest om de huidige stand van kennis over Romeins Utrecht in kaart te brengen. Alle relevante archeologische rapportages van de afgelopen 25 jaar zijn geanalyseerd op kenniswinst. Een flink deel van het onderzoek in de Utrechtse regio heeft plaatsgevonden in Leidsche Rijn, het nieuwe stadsdeel ten westen van de stad. Hier zijn al de vragen te stellen wat relevante rapportages zijn en welk kenniswinst er behaald is? Geeft kenniswinst al aan dat de oude kennis onjuist of onvolledig was? Wat toon je aan met onderzoek in Leidsche Rijn ten opzichte van Utrecht?
- In Utrecht is de gemeentelijke afdeling Erfgoed de enige kennisgroep die structureel werkt aan het samenbrengen van onderzoeksgegevens die worden aangereikt vanuit de verschillende disciplines van het onroerend erfgoed: archeologie, bouwhistorie, architectuurgeschiedenis en ruimtelijk erfgoed, vaak ondersteund door archiefonderzoek. In hoeverre dat archiefonderzoek of de bouwhistorie nieuwe inzichten opleveren zal moet blijken. We komen daar zeker op terug in de volgende punten. Lees alvast war er in de archeologische en bouwhistorische kroniek over de jaren 1926 tot 1972 werd vermeld.
- Drie forten (castella) die dicht bijeen lagen: Vechten-Hoge Burg (Fectio), Utrecht-Domplein (Traiectum) en De Meern-Hoge Woerd (Romeinse naam onbekend). Met zijn drie forten is de microregio Utrecht voor een cartografische beschrijving vooral ook interessant omdat de Romeinse topografie hier over een lengte van ongeveer 15 kilometer tamelijk compleet bekend is - dat is nergens anders langs de Nederlandse Limes het geval, althans niet zo gedetailleerd (p.109). De hier genoemde forten zijn aangenomen opvattingen. Dat Romeins Utrecht Trajectum geheten zou hebben is een nooit bewezen aanname. Ook Vechten als Fectio is een aangenomen opvatting op grond van een gedenksteen die er gevonden is. Met een plaatsnaam op een gedenksteen, bewijs je niet dat de vindplaats zo geheten heeft. Heette Romeins Nijmegen dan Tervanna (Théroanne) vanwege een gedenksteen van een Moriniër die er gevonden is? Lees meer over Fectio dat Fletione zou zijn.
- De drie locaties werken uiteraard nauw samen voor toeristische marketing. Maar voor de terloopse bezoeker zal de samenhang van het grenssysteem niet altijd onmiddellijk duidelijk zijn. Ook hierin wil de nieuwe kaart van Romeins Utrecht voorzien. (p.109). Hier wordt de ware reden genoemd voor het ophemelen van Romeins Nederland: de toeristische opbrengsten, terwijl Romiens Nederland (volgens W.A.van Es) "nauwelijks iets heeft voorgesteld".
- De Romeinse veldheer Drusus, die de Germaanse campagnes vanaf 12 voor Chr. leidde, liet zelfs een dam aanleggen bij de splitsing van Rijn en Waal, zodat meer water zou afvloeien via Rijn en Vecht. Uit deze offensieve fase dateert Vechten, dat rond het begin van
de jaartelling is gesticht. De naam Fectio maakt ondubbelzinnig duidelijk waarom deze basis hier zo vroeg werd gevestigd, diep in de Rijndelta: het ging om de beheersing van de Vecht, de vaarroute die via het Flevomeer, de voorloper van het IJsselmeer, naar het Noord-Duitse kustgebied leidde. De eigenlijke aftakking lag weliswaar zes kilometer stroomafwaarts, maar bij Vechten lag een royaal plateau van oeverafzettingen, dat ruimte bood aan een flinke legerbasis en in de rug beschermd werd door enkele oude restgeulen - een locatiekeuze die we vaker zien in de vroeg-Romeinse tijd. De castella van Utrecht en De Meern werden zo’n 40 jaar later gesticht. (p.110/111). Hier is sprake van een volgende mythe. Er is geen enkel feitelijk bewijs dat Drusus ooit in Nederland geweest zou zijn (net zo min als Corbulo overigens). Hun kanalen worden en werden in Nederland op geheel verschillende plaatsen gelocaliseerd, terwijl het kanaal van Corbulo een voortzetting was van de kanalen van Drusus. De oude opvatting van de verbinding tussen Rijn en Gelderse IJssel wordt hier dus losgelaten.
- De vroege fortenreeks langs de Oude Rijn, een buitenbeentje in de bredere ontwikkeling van Romeinse grenzen, zouden we dan in deze vroege fase misschien vooral moeten zien als een bewaakte transportcorridor richting Britannia. (p.112). Hier wordt de bewaakte grens langs de Rijn die het altijd was, dan toch herzien in een bewaakte transportroute. Echter, de gebruikeljke oversteekplaats naar Brittannia lag op de plaats waar je de overkant kunt zien en precies waar nu De Kanaaltunnel ligt. Hier stak Julius Caesar al over en later Willibrord en andere predikers. Waarom een gevaarlijke tocht over de Noordzee, terwijl je bij Boulogne-sur-Mer de overkant ziet? De fabel van Katwijk waar Willibrord aan land kwam stamt uit de 17de eeuw.
- Terwijl de forten en wachttorens dateren uit de jaren veertig van de eerste eeuw, en nog geheel gericht zijn op de rivier, lijkt de limesweg pas uit de late jaren tachtig te dateren - de oudste jaarringdatering is van 89 (p.118). Hier is ook weer sprake van een contradictie. De Romeinen zouden eerst forten hebben aangelegd en pas lang daarna een weg? Het is zoals Tacitus beschrijft: "Onder de volken van Germania mogen we hen niet tellen, die zich hebben gevestigd aan de overzijde van de Rhenus en de Danuvius en daar de "Agri Decumates" bezetten. Het schuim van Gallia, en allen die de miserie tot dit waagstuk had gedwongen, hebben een land ingenomen waarvan het bezit onzeker was. Daarna heeft men een grensweg aangelegd, hier en daar enige legioenen gelegerd, en zo zijn zij een vooruitgeschoven punt van het rijk en deel van een provincie geworden".
- Hiermee hebben we misschien ook meteen de oplossing voor het oude raadsel dat de forten van Utrecht en De Meern niet vermeld staan op de Tabula Peutingeriana, de twaalfde-eeuwse kopie van een oude Romeinse reiskaart: voor de doorgaande reiziger waren deze stations, vanwege hun afzijdige ligging, minder relevant als halteplaats. (p.119) Op deze manier los je elk probleem op. De waarheid is ook hier weer dat het aangenomen opvattingen zijn, zowel over de Peutingerkaart, als over het afwezig zijn van de plaatsn. De Peutingerkaart is een falsum en gaat niet over Nederland.
- Strikt genomen betekent het werkwoord traiicere ‘overzetten’: (traiectus). Enkele Franse parallellen wijzen voor de Romeinse tijd eerder op een veerverbinding en dat is ook waar we in het geval van Utrecht aan moeten denken. (p.121) Het is wel opmerkelijk dat men naar Frankrijk verwijst voor de betekenis van een veerverbinding. Vraag blijft wel waar die verbinding naar toe leidde. De overkant van de Rijn bestond uit een groot moeras- en veengebied. Het was een niemandsland dat pas in de 10de eeuw bewoond werd. Waarom zou je naar die overkant willen? Maar het blijkt slechts een suggestie te zijn (zie volgend punt). Afbeelding hiernaast: Artist's impression van een loskade.
- De reguliere oversteekplaats die de naam Traiectum suggereert, onderstreept het belang van de Vecht als corridor naar de woongebieden van de Frisii, niet alleen over water. (p.122). Hier wordt weer de gebruikelijke fout gemaakt met de plaats van de Friezen-Fresones. Die woonden volgens Tacitus naast de Moriniërs van Terwaan aan de kust van Het Kanaal en niet in Friesland.
- De laatste jaren is aan de westkant van Utrecht zeker een dozijn nederzettingsterreinen in de kaart gebracht die aanwijzingen hebben opgeleverd voor bewoning in de eerste decennia van de jaartelling. Op sommige plekken kan deze nederzettingsactiviteit al rond 5-15 na Chr. worden aangetoond. Het kenmerkt zich door Chaukisch Aardewerk in het woongebied van de Chauken (p123/124). het woongebied van de Chauken was in Frans-Vlaanderen, waar zij naast de Fresones in Gallia woonden. Dat de Chauken in Groningen gewoond zouden hebben is een aangenomen opvatting omdat 'zij over de Renus' woonden. Hoe je dan in Groningen terecht komt blijft een vraag. Plinius plaatst de Chauci naast de Cimbri en Teutones. Op de Peutingerkaart worden de Chauken ook genoemd, waarbij vermeld wordt dat het Franken zijn. Hieruit blijkt nogmaals dat alle volkeren van Germanen door de historici over heel Europa zijn verspreid, tot in Polen en Rusland, terwijl al deze volkeren rond de taalgrens woonden. Daarvoor verwijzen we naar het Germania van Tacitus. Zie de kaart in de linker kolom: klik op de kaart voor een vergroting.
- Toen Willibrord rond 690 een levensvatbare uitvalsbasis zocht voor zijn werk, lag de keuze voor de hand: Traiectum, dat bovendien nog steeds zijn connectie met het Friese noorden had in de vorm van de Vecht. Het vervallen castellum van Vechten werd door de Frankische hofmeier Karel Martel in 723 aan de Utrechtse kerk geschonken (p.128). Hier wordt een volgende mythe genoemd. We kunnen dat het beste beschrijven zoals kerkhistoricus prof.dr.R.R.Post deed: zie onder punt 5. Wat hier over Karel Martel vermeld wordt is helaas ook achterhaalde geschiedenis, een fenomeen dat Jona Lendering eens omschreef met: "heel veel historische publicaties bestaan slechts uit het rondpompen van verouderde kennis. De meeste fouten en onjuistheden staan in publicaties van personen met een doctorstitel"..
Wat er nu precies nieuw is aan de kaart van Utrecht, blijft een vraag. Het is het oude verhaal vol mythen en onbewezen aangenomen opvattingen, die hier weer eens bevestigd worden.
Utrecht heeft na de Romeinse tijd tot in de 12de eeuw niet bestaan als stad. St.Willibrord heeft er dan ook nooit gemissioneerd. Daarvoor ontbreekt elk bewijs, zowel tekstueel als archeologisch. De aanweziheid van Willibrord in Utrecht is een volslagen mythe.
|