De historische geografie van de lage landen.
Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.

Zutphen (=zuid-veen) en de Achterhoek.

De toepassing van de akte uit 882 op Zutphen is 'hinein interpretatie'. Echte bewijzen zijn er niet. (Peter Seinen, SEM-symposium 2015).

Oude munten gevonden onder Zutphense kerk.
Onder de Sint Walburgiskerk in Zutphen is een ware muntschat gevonden. Bij archeologisch onderzoek tijdens de verbouwing van de kerk vonden archeologen 250 zilveren munten uit de periode van 1400 tot 1830. Extra bijzonder zijn 150 zilveren munten uit de periode tot 1550.
(Bron: Archeologieonline.nl, nieuwsbrief van 8 febr.2018).
Het geeft een ander en juister beeld over de ouderdom van deze kerk.



De ooit katholieke, nu protestantse Ste.Walburgiskerk in Zutphen.

Een protestantse kerk met als patrones een katholieke heilige. Ook deze contradictie speelt de geschiedenis van Zutphen parten.

De kerk in Zutphen is pas in 1105 aan St.Walburga toegewijd, die in Groningen in 1112, in Arnhem in 1315. In Veurne (BelgiŰ) staat de oudste kerk met het patronaatschap van Walburgis in de lage landen. Die stamt uit 1100. Walburga is met haar broers begraven in Veurne. De ruim 25 St.Walburgiskerken in Nederland, BelgiŰ en Duitsland dateren allemaal van na 1100.
Een volgende contradictie is dat men het Mariabeeld in het zijportaal gehandhaafd heeft. En dat in een nu protestantse kerk. Men kent in Zutphen behalve haar geschiedenis ook de historische achtergronden niet.

Woeste Vikingen?


De historici laten de geschiedenis van Zutphen graag beginnen in de 8e eeuw. Het 'standaard' jaartal dat daarbij genoemd wordt is 882, maar dat is toch heus de 9e eeuw. Alle aanwijzingen die men voor die vroegste geschiedenis hanteert, haalt men uit Franse kronieken, die onjuist op de Nederlandse IJsselstreek werden toegepast. Deze Franse kroniekschrijvers schreven niet over Nederland, maar over hun eigen streek in het noorden van Frankrijk. Bij toepassing op Nederland zou het betekend hebben dat ze de geschiedenis van een verre streek wel beschreven zouden hebben, maar die in eigen omgeving niet. Deze grondfout doorzien de historici nog steeds niet.

Het gaat hierbij met name om kronieken waarin sprake is van plunderingen door de Noormannen (zie daar). Als in de kroniek van de St.Bertins abdij in St.Omaars sprake is van "de onzen" (les notres) bedoelde de kroniekschrijver zeker niet de bewoners langs de IJssel in Nederland, maar die langs de Isla in hun eigen streek.

Stadsarcheoloog Michel Groothedde verklaarde dat er in Nederland alleen in Zutphen bewijzen te vinden zijn voor plunderingen van de Vikingen. Daarmee verwijst hij het hele Dorestad-verhaal van Wijk bij Duurstede naar het rijk der fabelen, net als de zogenaamde plunderingen in Deventer, Utrecht en Nijmegen. Daarmee had hij overigens wel gelijk, maar ook Zutphen hoort in dit rijtje van nooit geplunderde steden thuis. Archeologe Annemarieke Willemsen verklaarde al eerder dat van plunderingen door Vikingen in Nederland geen spoor is te vinden (zie artikel hiernaast), vandaar dat zij op het idee kwam van vreedzame handel drijvende Vikingen. Maar waarom zouden Vikingen gaan handelen en betalen voor spullen waar ze gewend waren alles zonder te betalen mee te nemen tijdens hun rooftochten? Want dat ze roofden en plunderden staat wel vast, zoals de teksten dat beschrijven.

Neen, dat er geen sporen van brandstichting en plundering zijn gevonden toont overduidelijk aan dat de teksten niet over Nederland gaan en dat de Vikingen er dus nooit geweest zijn. En dat kan Groothedde ook niet 'bewijzen' met een skelet van een vrouw en een kind.

Volgens "Het Achterhoekboek" (in 2011 samengesteld o.m. met het Regionaal Archief Zutphen) leest men dat 'er geen onomstotelijk bewijs voor de aanvallen door Vikingen in Zutphen is' (p.247). Wat Groothedde beweert wordt door het Regionaal Archief Zutphen dus tegengesproken.

Plunderingen in Zutphen en Deventer die midden in moerassige gebieden lagen, als de plaatsen al bestonden, moeten eerst eens bewezen worden. Niet op grond van vermoedens of 'mogelijk', maar met feiten. En dat is tot heden nooit gebeurd. Ook Groothedde levert die bewijzen niet in zijn boek(en). Zijn enige 'bewijs' zijn de twee gevonden skeletten met sporen van geweld. Waaruit die 'sporen' dan bestaan wordt niet vermeld.

Wat Groothedde ook beweerde is dat de geboorte van de IJssel rond 400 na Chr. plaats vond en plotsklaps daarna ontstond Zutphen als machtscentrum.
Tenminste dat beweerde hij tijdens een toelichting op zijn onderzoek, waarop hij zelfs promoveerde. Archeologische of tekstueele bewijzen voor het plotsklaps ontstaan van Zutphen ontbraken hierbij helaas. Ook in zijn boek over "Een vorstelijke palts in Zutphen?" (met vraagteken door hemzelf geplaatst) gaat zowel de archeologie als de tekstuele 'bewijzen' niet verder terug dan tot het jaar 882.
Andere onderzoekers houden het ontstaan van de IJssel op rond 800 n.Chr. Wie heeft nu hier gelijk?
Het zou te wensen zijn dat Groothedde de 8ste stelling bij zijn promotie in 2013 eens zou volgen. Die luidde: "Archeologen en historici maken te weinig gebruik van elkaars bronnen en daarmee blijft de grote sprong voorwaarts in de kenniswinst over de vroege en volle middeleeuwen uit."

Van het boek "Een vorstelijke palts in Zutphen?" is een tweede herzien druk verschenen. Daarin staan enkele opmerkelijke uitspraken. Opvallend is de volgende tekst: "De opgravingen rond het stadhuisplein die tussen 1989 en 2004 zijn uitgevoerd (een twintigtal kleine en grote opgravingen), bevatten een schat aan informatie die nooit in sythetische vorm was uitgewerkt. Van de stadhuisopgravingen (1996-'97) waren zelfs de 10e tot 12- eeuwse sporen en gebouwen nooit uitgewerkt. Alleen de 9e eeuwse sporen kregen door de aanwijzingen voor Vikinggeweld alle aandacht. Juist in de 10e tot 12e eeuw bevinden we ons op deze site in het machtcentrum van de Hamalandse, Zutphense en Gelderse graven, al of niet met een koninklijke en/of bisschoppelijke fase".

Enkele opmerkingen:
  • Zonder uitgewerkte opgravingsverslagen trok Groothedde eerder, dus voorbarige, dus onbewezen conclusies.
  • Dat de Vikingen Zutphen geplunderd zouden hebben is ook met deze tekst niet bewezen.
  • Ook de 10e tot 12e eeuwse sporen zijn zonder synthematisch onderzoek niet te dateren, het zijn dus aannames.
  • Die 10e tot 12e eeuwse sporen zijn ruim gedateerd, maar blijken zoals uit een detailstudie (ZAP-67) blijkt, eerder 12e dan 10e eeuw te zijn.
  • In het vervolg op deze teksten blijken veel opgravingsonderzoeken nog veel onbeantwoorde vragen te hebben. Mijn conclusie is dat Groothedde dus voorbarig allerlei onbewezen conclusies trok, alleen maar om Zutphen een geschiedenis te geven die teruggaat tot het jaar 882. En daar zit nu precies het probleem. Het jaar 882 handelt niet over plunderingen van de Vikingen, maar van de Noormannen (Nortmanni). Maar die plunderde volgens de tekst uit 882 in de omgeving van St.Omaars en in (het oude) Frisia dat in Frans-Vlaanderen lag.

    Walburgis.
    Alpertus Mettensis schrijft in zijn "de Diversitate Temporum" over de 'Miracula Waldburgia'. De relieken van de H.Walburga en haar broers St.Wunnebald en St.Willebald bevinden zich echter niet in Zutphen, maar in de kerk van Veurne. Dit is een verwijzing naar de juiste streek waar Walburga verbleef. Wat Alpertus schreef past niet op Nederland en het heeft daar ook geen betrekking op. Tiel, Utrecht en Amersfoort worden door Alpertus overigens ook nergens genoemd, maar zijn de foutieve interpretaties van historici die Karel de Grote in Nijmegen plaatsten, St.Willibrord in Utrecht en het Lisiduna uit de oorkonde uit het jaar 777 onjuist op Leusden toepasten. Ook St.Lebuinus hoort niet in Deventer, maar in Vlaanderen thuis, waar deze heilige St.Lieven heet.
    In Antwerpen was de burchtkerk toegewijd aan St.Walburgis. De eerste schriftelijke vermelding van die kerk is uit 1114, waaruit op te maken is dat de kerk toen al voltooid was (gebruikt werd) en dus al langer bestond. De stichting ervan wordt gedateerd op eind 11e eeuw. Je vraagt je dan ook af waarom men in Antwerpen een kerk toewijd aan een 'Zutphense' heilige, waar men in Vlaanderen een keuze had uit een overaanbod van plaatselijke heiligen.

    In zijn boek "Vestingstad Zutphen" (2008) doet Michel Groothedde ook enkele wonderlijke uitspraken die de traditionele geschiedenis van Zutphen behoorlijk ter discussie stellen (zie enkele voorbeelden hiernaast). Dat de geschiedenis van Zutphen herschreven moet worden is wel duidelijk.

    De geschiedenis van de St.Walburgkerk in Groningen is omgeven met dezelfde mythe.

    En dan komt Groothede met een nieuwe mythe (sept.2017).
    Er zijn aanwijzingen (let op dit woord) dat Ludwig van Beethoven (Bettehoven) in Zutphen geboren zou zijn, tenminste zijn wieg heeft er gestaan, beweert Groothedde. En warempel, er zijn fundamenten gevonden van een huis uit de 18e eeuw. Dat zal dus het betreffende huis geweest moeten zijn.
    En zo wordt een nieuwe mythe geboren.
    Een verkeerd gelezen of niet begrepen tekst ligt aan de oorzaak ook van deze mythe. Het is vergelijkbaar met de mythe van de Varusslag in Varsseveld, waar een plaatselijke militaire diender meende dat 'Varus" wel erg veel leek op 'Varsse'. Ja, zo schrijft men geschiedenis in Nederland.
    Nu Groothedde niets van de Noormannen gevonden heeft, blijft hij op zoek naar andere aanspreekbare vondsten. Je moet als 'stadsarcheoloog' toch iets doen om je baan te behouden. Het 'loog' sluit ook hier weer precies aan bij zijn fabels.

  • Volgens de overlevering....., wordt vaak genoemd in de geschiedenis van Zutphen. Overlevering door wie? Door de historici? Sinds wanneer bestaat die overlevering? Sinds de 8e eeuw of sinds de 17e eeuw? Een overlevering vormt echter geen enkel bewijs!

    Het grote probleem in de geschiedenis van Zutphen is dat de premisse onjuist is, waardoor ook alle deducties onjuist zijn. De premisse, het uitgangspunt, is de vermeende aanwezigheid van St.Ludger in Zutphen. Maar St.Ludger is nooit in Zutphen geweest. In zijn tijd bestond Zutphen niet eens.

    De geschiedenis van Zutphen kan met minstens 4 eeuwen ingekort worden.
    In Zutphen hanteert men de volgende jaartallen om haar geschiedenis aan op te hangen: ca.780 (abdis Walburga), 882 (de vermeende aanval door de Vikingen), 1059 (een valse oorkonde), 1101 (twijfelachtige oorkonde van Otto van Sutphem), ca.1195 (moet zijn 1210: de verlening van stadsrecht).

    Tussen 780 en 882 (meer dan een eeuw!) heeft men niets, net als tussen 882 en 1101 dan alleen een valse oorkonde. Dat zijn tussen 780 en 1101 ruim 3 eeuwen zonder bewezen geschiedenis. In de oorkonden uit het jaartal 882 komt de plaatsnaam Zutphen overigens niet voor. Pas in 1195 komt er enige zekerheid in de geschiedenis van Zutphen. Tussen 780 en 1195 zitten ruim 4 eeuwen met een twijfelachtige en onbewezen geschiedenis.
    Kortom: de geschiedenis van Zutphen begint pas aan het eind van de 12e eeuw, net als zoveel andere plaatsen in Nederland. Zutphen is daarop geen uitzondering.

    De oudste vermelding van Sutphen stamt uit de 12e eeuw. (Bronnen: Lexicon van Nederlandse toponiemen en Nederlandse plaatsnamen). In 1654 heet het stadje nog Zutveen, waarin het 'veen' duidelijk aangegeven is. Zutphem kreeg haar naam dus vanuit het noorden, dus eerder vanuit Deventer dan vanuit Doesburg.

    De geschiedenis van Zutphen volgens Michiel Groothedde in Westerheem 2001, p.VIII.
    De geschiedenis van Zuthphen blijkt al heel ver terug te gaan. Dit is uit opgravingen gebleken. De stad begon als nederzetting op een zandrug aan de IJssel. Bij de bouw van het nieuwe stadhuis werden in de bouwput resten gevonden van een Germaanse nederzetting, die lange tijd in gebruik bleef. In de negende eeuw kwam op brute wijze een einde aan de bewoning, vermoedelijk bij een aanval van de Vikingen in het jaar 882. In de opgravingsput werden brandsporen, afgeslacht vee en de resten van mensen gevonden, die door geweld om het leven waren gekomen. Mogelijk kwamen de aanvallers uit York, getuige de vondst van een in York geslagen munt naast een van de slachtoffers. De verwoeste nederzetting werd herbouwd binnen een ringwal, die als versterking moest dienen tegen nieuwe aanvallen. Zutphen vormde destijds een bestuurlijk centrum binnen het zogenaamde "IJsselgraafschap" en werd bestuurd door graaf Everhard van Hamaland. In dit bestuurlijk centrum resideerde de graaf als bestuursambtenaar namens de Frankische koning in een grote hof met een zaal waar onder meer recht werd gesproken. Later werd dit houten hof vervangen door een gebouw van tufsteen. Hoe dit er ongeveer moet hebben uitgezien, kon worden gereconstrueerd uit de in 1946 door Renaud opgegraven plattegrond. Het was zo'n 54 meter lang. Een vergelijkbaar gebouw is nog te zien in het Duitse stadje Goslar, in de Harz. Naast de palts liet Bisschop Bernold van Utrecht, die het gebied van de vorst ten geschenke kreeg, een kapittelkerk bouwen. Aan het eind van de twaalfde eeuw kwam Zutphen onder het bestuur van de hertogen van Gelre. In de twaalfde eeuw groeide aan de noordkant een stad met een eigen omwalling. Toen Zutphen stadsrechten kreeg, werd de wal vervangen door een stenen stadsmuur. In 1312 voegde men de "nieuwe" stad samen met het oude centrum. In de zeventiende eeuw werd het bestuurlijk centrum gesloopt, om plaats te maken voor een plein. De adellijke stadspaleizen, zoals de residentie van de heren van Bronckhorst, werden steeds aan dit plein gebouwd. In 1995 kon dit plein geheel worden opgegraven, zodat daarmee de complete bewoningsgeschiedenis van zo'n 2000 jaar zichtbaar werd.

    Ziet U ook dat Groothedde de aanval van de Vikingen hier vermoedelijk noemt? Ziet U ook het gat tussen 'Germaanse tijd' en de 9e eeuw? Dat gat wordt vanzelf groter aangezien de Vikingaanval uit 882 niet over Zutphen gaat, maar over het gebied van de Isla in Frans-Vlaanderen. In de betreffende akte uit 882 wordt de plaats Zutphen nergens genoemd. Het hier genoemde Hamaland lag overigens ook in Frankrijk. Zie bij Hamaland. De geschiedenis van Zutphen vertoont hetzelfde gebrek aan continu´teit tussen 'Germaanse tijd' (wanneer was dat precies volgens Groothedde?) en de 12e eeuw zoals zoveel steden in Nederland. Van een bewoningsgeschiedenis van zo'n 2000 jaar is in het geheel geen sprake. In Zutphen niet, maar ook in Nijmegen niet, om een ander voorbeeld te noemen. Zie bij Nijmegen.
    En die menselijke resten? In zijn boek 'Een vorstelijke palts in Zutphen?' spreekt hij dit zelf tegen. Zie hoofdstuk 7.1.1. Het gaat om slechts twee (2!) skeletten: van een kind van ongeveer 12 jaar en een vrouw! Door geweld om het leven gekomen? Moord en geweld is van alle tijden, ook in huiselijke kring. Nu kun je er wel een aansprekend plaatje uit een stripboek bij plaatsen (zie afbeelding), maar fantasie is geen historische wetenschap. En die Noorman? De Noormannen kwamen nooit alleen. Waarom zou hij die vrouw vermoorden? Was zij een bedreiging voor hem? Of wilde zij niet verkracht worden, wat toch gebruikelijk was bij plunderingen van de Noormannen? En dan die munt uit York? Wat bewijs je daarmee? Dat is hetzelfde als de gevonden dakpannen uit de Romeinse tijd. Met een munt of dakpan bewijs je niet anders dan dat er mee gesjouwd en gehandeld werd. Ook in dit verhaal is nogal veel sprake van 'vermoedelijk', 'mogelijk' en 'waarschijnlijk'.

    De Vikingaanval op Zutphen.
    Als reactie op de verwoesting van Zutphen door de Vikingen (zie het artikel hiernaast; klik op het artikel voor vergroting in een nieuw veld) werd een ringwal ter verdediging aangelegd, meent archeoloog Groothedde. Pas in 1997 werd er ook een gracht vastgesteld. Hoe men dan jaren eerder al die verdedigingsfunctie kon bepalen is een vraag. De ringwalburg was een vluchtburg, meen hij. Waartegen is onduidelijk, immers de Vikingen zijn daarna nooit meer in Zutphen of omgeving terug geweest (zie voetnoot 1 onderaan de pagina). Was die ringwal effectief of had die ringwal een geheel andere functie? Het antwoord op die vraag wordt gegeven door Groothedde zelf, op pag.26. Bij de beschrijving van de muur bij de Veerpoort schrijft Groothedde: "Die muur had een waterkerende functie". En dat was precies de bedoeling van die eerste ringwal: het had een waterkerende functie. Wat in de 13e eeuw gold met betrekking tot de wateroverlast, gold zeker in de 10e eeuw toen veel veen- en moerasgebied rondom Zutphen (=zuid veen) nog ontgonnen moest worden. "Het maaiveld is sinds 1200 door terreinverhoging ongeveer twee meter gestegen", schijft Groothedde op p.23. Dus daarvóór zal de wateroverlast nog groter zijn geweest.
    Na deze conclusie had men de geschiedenis van Zutphen moeten herschrijven (zie voetnoot 2). Maar men bleef tegen beter weten in vasthouden aan de oude mythe, die toeristisch gezien natuurlijk veel aantrekkelijker is.

    De ware geschiedenis van Zutphen.
    De naam Zutphen (zie voetnoot 3) komt in de bronnen vˇˇr de 12e eeuw nergens voor. De naam Zutphen wordt voor het eerst vermeld in een oorkonde uit de jaren (1053 - 1071), waarin de inkomsten van de abdij Corvei (Abdij van Corvey aan de Wezer of was het Corbie aan de Wisera? Zie bij deplacements) worden opgesomd. Daartoe behoren onder meer goederen gelegen in Sutphem of Sutphania, in de gouw Hamaland.

    De interessante vraag is "Wat stond er in de originele oorkonde?" Stond er misschien Sutham of Suthama? En werd daar Zutphen mee bedoeld? Of werd misschien de plaats Zuthem (Laag-Zuthem en Hoog-Zuthem) bij Raalte bedoeld?

    "De oorkonde is weliswaar vervalst aan het einde van de 12e eeuw, maar gaat terug op een niet bewaard gebleven origineel uit 1059", schrijft Groothedde op p.17.
    En dat is nu juist het grote probleem met gekopiëerde oorkonden. Wat stond er in de originele oorkonde uit 1059? Waarom is deze niet bewaard gebleven? Zolang deze vragen niet beantwoord zijn, mag je de inhoud van de kopie uit de 12e eeuw niet onbelemmerd voor waar aannemen.

    De oorkonde uit 1059 is een falsum, wat ook door D.P.Blok (zie daar) werd vastgesteld.
    In 1101 wordt voor het eerst een Graaf van Zutphen genoemd: Otto van Sutphem (Let op: met een -m-). Tussen 1190 en 1195 (dus niet precies bekend) kreeg Zutphen stadsrechten. Dat wil allerminst zeggen dat Zutphen toen al een stad was. Er zijn vele voorbeelden te geven van kleine dorpjes die in het verleden ook 'stadsrechten' kregen. Denk aan het dorpje Bronkhorst ten zuiden van Zutphen. Die stadsrechten waren niet bedoeld om zich als stad te kunnen profileren, maar werden gegeven vanwege de zeggenschap die lokale machthebbers dan over de bewoners en de omgeving kregen. Vaak ging het daarbij om tolrechten, te leveren krijgsdienst of te leveren voedingsproducten en het kunnen innen van belastinggeld.

    In de hiernaast genoemde kronieken van vˇˇr de 11e eeuw komt de naam Zutphen nergens voor, maar is slechts sprake van de rivier en streek van de Isla. Daar hebben latere historici de IJssel van gemaakt, terwijl het de Lys in (Frans-)Vlaanderen is. De naam IJssel is een schoolvoorbeeld van de deplacements historiques (zie daar). Ook de naam van Hamaland is een doublure van het echte Haimland dat Henegouwen in Noord-Frankrijk was. Verschillende historische gebeurtenissen die zich daar voordeden, kwamen vervolgens onjuist in Nederland terecht. Het bekendste voorbeeld is de onjuiste plaatsing van Walburgis in Zutphen, die in feite 'meelifte' op de onjuiste plaatsing van Lebuinus en Ludger naar de IJsselstreek.

    Sint Walburgis.
    Walburgis leefde van omstreeks 710 tot 779. Zij zou pas in 1105 patrones van de (nu protestantse) St.Walburgskerk geworden zijn. Dat is 4 eeuwen na dato, waarmee deze mythe precies gedateerd is. Deze kerk is ontstaan in de 11e eeuw en door toedoen van de graaf van Zutphen tot kapittelkerk verheven. Het patronaatschap kreeg de kerk vanwege de vermeende aanwezigheid van abdis Walburgis in Zutphen. Tussen haar vermeende aanwezigheid en de bouw van de kerk zitten ruim 3 eeuwen met niks. Een gat van 3 eeuwen is historisch onaanvaardbaar om er nog enige zekerheid aan te kunnen verbinden. De conclusie kan slechts zijn dat abdis Walburgis NOOIT in Zutphen geweest kan zijn. Zutphen bestond niet eens in haar tijd. De oudste archeologische sporen in Zutphen stammen uit eind 9e/begin 10e eeuw volgens stadsarcheoloog Groothedde. (Dat moet echter de 11e eeuw zijn: zie hiervoor).

    Op de lijst van kerkelijke feestdagen in het bisdom Utrecht in 1346 waar het feest van Bonifatius vermeld wordt (op 5 juni) komt het feest van Sint Walburgis, een naaste medewerker van Bonifatius echter niet voor. Er bestond in 1346 in het bisdom Utrecht dus geen kerkelijk devotie tot Walburgis. Die is pas daarna ingevoerd. Het is dan ook niet aanvaardbaar dat de kerk in Zutphen al in 1105 het patronaat van een in het bisdom onbekende heilige Walburgus gedragen zou hebben. Het patronaat zal pas na 1346 verkregen zijn.

    De geschiedenis van Zutphen sluit exact aan bij die van Utrecht, Nijmegen, Dokkum en talloze andere plaatsen. Vˇˇr de 10e eeuw was er geen bewoning van betekenis. Wellicht zwierven er wat nomaden rond met hun kleinvee, maar een nederzetting was er beslist niet. Dat blijkt ook wel uit de naam Zutphen, die pas in de tweede helft van de 11e eeuw voor het eerste voorkomt. Daarvoor had dit vennen- en veengebied nog geen naam. Ook de naam Hamaland is altijd foutief op dit gebied toegepast aangezien men in verwarring werd gebracht door de "Ewa ad Amorem" (zie daar).

    De algemeen aangehouden traditionele opvatting.
    Zutphen is gelegen op de rechter IJsseloever nabij een oeverwal en de monding van de Berkel. De oudste sporen van bewoning gaan terug tot de 4de eeuw. De nederzetting werd vermoedelijk in 882 door de Noormannen verwoest, waarna graaf Everhard van Hamaland in 886 opdracht gaf tot de bouw van een ringwalburcht. De noordoostzijde van deze burcht volgde grofweg het tracÚ van de tegenwoordige marktengordel (Groen-, Houten Zaadmarkt); de zuidwestzijde spoelde later gedeeltelijk weg door de meanderende IJssel. In de burcht verrees in de 10de eeuw een palts, rond 1046 gevolgd door een forse romaanse kerk, toen Hamaland door keizer Hendrik III aan Bernold, bisschop van Utrecht werd geschonken. Op het huidige 's Gravenhof kwam in de 11de eeuw een nieuwe, tufstenen palts tot stand. Omstreeks 1120 werd binnen de ringwalburcht een kleinere omwalling opgeworpen. Aan de noordzijde ontwikkelde zich in de 12de eeuw een handelsnederzetting met de Beukerstraat als hoofdstraat en aan het oosteinde de Berkelhaven - ter plaatse van de huidige Schupstoel. Deze nederzetting werd ter plaatse van de Oudewand versterkt met een wal en een gracht. In 1138 ging Zutphen over in het bezit van de graven van Gelre. Graaf Otto I van Gelre verleende Zutphen tussen 1191 en 1196 stadsrechten.

    Zutphen voert voor het bewijs van het eerste bestaan enkele oorkonden aan die thuishoren in Frankrijk. Overigens erkent Zutphem dat ook in het boek 'Op zoek naar Hamaland'. Op 11 e.v. wordt geschreven over 'de Zutphense Falsa', een reeks vervalste oorkonden waarin de Gelderse Graven alle Utrechtse aanspraken op Zutphen en de rechten en goederen van de Zutphense kerk betwisten. De interessante vraag die hieronder ligt is: "Zijn de oorkonden vals of zijn de opvattingen van de historici vals?"
    Hadden de Graven van Gelre misschien gelijk met hun betwisting en claimde Utrecht rechten en goederen die het nooit bezat?

    We zien hetzelfde verschijnsel elders in de historische geografie van Nederland, zoals met de claims van de abdij van Echternach op kerken en goederen in Holland en Brabant. Zie daar.

    Enkele opmerkingen over deze tekst:
  • men spreekt hier dus over vermoedelijk ten aanzien van die verwoesting door de Noormannen. Hier zijn het ook geen Vikingen, maar Noormannen, een essentieel verschil. Het zal wel net zo zijn als in Wijk bij Duurstede waar men van de verwoesting van de Noormannen ook niets teruggevonden heeft. Volgens archeoloog W.A.van Es hadden de Noormannen hier alles netjes opgeruimd na de plundering (?).
  • waarom het 4 jaar moest duren voordat men tot de aanleg van een ringwal overging, geeft al aan dat die verwoesting niet de reden was, maar een farce is door historici bedacht.
  • het 'grofweg' geeft ook al aan dat men het niet precies weet. Op welke controleerbare zekerheid is dit verhaal dan gebaseerd?
  • als men in de Nederlandse archeologie iets niet vindt is het altijd weggespoeld. Het heeft dus niet bestaan. Ook hier niet.
  • een palts zonder kerk is in de middeleeuwen een onmogelijkheid. Als de kerk uit de 11e eeuw is, is de palts dat ook.
  • Het stadsrecht van Zutphen dat uit het jaar 1190 heet te zijn, dateert in werkelijkheid uit de 13e eeuw (ca. 1227). (Bron: prof.dr.W.Jappe Alberts, De Middeleeuwse stad.)
  • Wat ook steeds als 'bewijs' van het ontstaan van Zutphen opgevoerd wordt is het stratenpatroon, waarin duidelijk die ronde wal herkenbaar is. Maar welke middeleeuwse stad heeft niet zo'n rond stratenpatroon? Daarmee bewijs je toch niets over het eerste ontstaan van de plaats?

    Volgens anderen is Zutphen pas omstreeks het jaar 1100 ontstaan (Bron: F.RackÚ in 'Vliegend boven Nederland', 1980). Alle geschiedenis vóór 1100 is een onbewezen mythe, voortgekomen uit het misverstaan van klassieke teksten. Daarin ging het niet over Zutphen maar over de pagus Islo dat niet de IJssel was, maar de L'Isla in Vlaanderen.

    In Zutphen there is continuity from the mid-Roman period within the town itself on the location of the later administrative centre. It can be assumed that in Roman and Merovingian times a local centre of power already existed before the Carolingian court was settled here. Bron: M.H.Bartels en M.Groothedde. Het geheel is dus een aanname, een onbewezen opvatting! En dat schrijven Bartels en Groothedde dus zelf!

    De visie van Albert Delahaye.
    Zutphen en Deventer zijn twee schoolvoorbeelden van de deplacements historiques. Beide plaatsen hebben een geschiedenis opgeplakt gekregen die in Frans-Vlaanderen thuis hoort. De geschiedenis van Zutphen en Deventer begint pas in het de 12e eeuw.
    Zutphen wordt in geen enkele klassieke bron vˇˇr de 12e eeuw genoemd. We zijn er dan ook snel over uitgepraat.
    De vermeende geschiedenis die men er plaatst, kwam meegelift met die van St.Ludger (zie daar), die van St.Lebuinus (zie daar) in Deventer en St.Plechelmus in Oldenzaal. Ludger hoort thuis in Frans-Vlaanderen waar zijn grootvader een landgoed bezat. Hij werd geboren in Suabsna en werd later bisschop van Arras. Plechelmus hoort thuis in Oudezeele in Vlaanderen. Oldenzaal is een volgend voorbeeld van de deplacements historiques, waarbij de plaatsnaam de onjuiste 'vertaling' van Oldeseele was. St.Lebuinus missioneerde aan de Isla in Vlaanderen en niet aan de IJssel in Gelderland. De plundering van de Noormannen in 882 vond eveneens plaats in Vlaanderen langs de Isla en niet in Nederland langs de IJssel. In dat jaar (882) plunderde de Noormannen de omgeving van St.Omaars waar de abt van St.Bertin nieuwe versterkingen liet aanleggen. Het Frisia dat in 882 geplunderd werd was het oude Frisia aan de kust van Vlaanderen. Het was niet het Nederlandse Friesland, waar toen niets te plunderen viel. Daar is ook archeologisch geen enkelspoor van gevonden. Er was in Friesland in 882 geen enkele abdij of stad om te plunderen, wat wel steeds het doelwit van de Noormannen was.
    De grote spraakverwarring ontstond toen men Karel de Grote eenmaal in Nijmegen had geplaatst en St.Willibrord in Utrecht. De rest van de Noord-Franse geschiedenis werd samen met de eerste bewoners die ingezet werden voor de grootschalige ontginningen, naar Nederland getransplanteerd. Het zijn deze import-bewoners die Nederland gemaakt hebben tot wat het nu is: een waterrijk land vol handeldrijvende allochtonen. Die handel ontstond als vanzelf met de thuislanden van deze import-bewoners.


    Wat weten we nu feitelijk echt?
    De naam Zutphen is etymologisch afgeleid van Zuid-venne [zud-ven of sut-phen] Het is een naam die aangeeft dat de omgeving een groot vennen en nat moerasgebied was, toen de eerste bewoners er aankwamen en het gebied een naam gaven. En die eerste bewoners arriveerden er met de eerste ontginningen die in Nederland pas na de 10e eeuw een aanvang namen.

    Niet alleen de naam van Zutphen verwijst naar het moeras- en veengebied dat Nederland tot de ontginningen was en nu deels nog is. Ook de namen van streken en plaatsen ten noorden, oosten, westen en zuiden van Zutphen wijzen daarop, naast de vele namen die naar -broek of -dijk verwijzen.
    De veen-namen zijn legio, van Hoogeveen in Drente (en nog verder tot de veenkoloniën in Groningen) tot Wolfersveen in de Achterhoek zoals: Diepenveen, Veengoot, Meddose Veen, Korenburger Veen, Zwarte Veen, Wooldse Veen, Vennebulten, Rouveen, Ruitenveen, enz.

    Het aantal broek-namen (zie daar) van de kop van Overijssel tot ver in de Achterhoek (zelfs nog over de Duitse grens) getuigen daarvan. Van 's Heerenbroek tot Breedenbroek verwijzen tientallen broek-namen naar de moerassige en dus onbewoonbare bodem. Voorbeelden zijn: Deppenbroek, Emsbroek, Spilbroek, Larense broek, Erve Brooks, Broekland, Okkenbroek, Bornerbroek, Deldense Broek, Blankenbergse Broek, Hambroek, Spilbroek, Heekenbroek, Velswijker Broek, Meerenbroek, Breedenbroek, Zwilbroek, Ruurlosebroek, Holterbroek, Markelosebroek, Deldenerbroek, Spilbroek, Hooge Broek, Broekhuizen, Nijbroek, Broekheurne, Het Broek (2x), Anholtse Broek, Zwanebroek, Noorderbroek, Stroombroek, Goor, Galgengoor enz. (goor=modder, broek=moeras).
    De namen van enkele plaatsen zoals Lichtenvoorde, Bredevoort en IJzevoorde verwijzen eveneens naar de moerassige toestand van dit gebied. Op enkele plaatsen was een doorwaadbare plaats, waar men door het sompige gebied kon trekken. Al deze namen getuigen van een natte en drassige omgeving die bewoning moeilijk of zelfs onmogelijk maakte. Pas na de ontginningen van het veen- en moerasgebied kwam de bewoning op gang en werden door de nieuwe bewoners, die immigranten waren, de namen gegeven aan de nieuw verworven gebieden. Die ontginningen werden georganiseerd door de lokale machthebbers en begonnen zeker niet voor het jaar 1000. Een geschiedenis voor het jaar 1000 is daardoor onwerkelijk.

    Opvallend in de Achterhoek (en omgeving) is ook het aantal doublure-namen waarmee de deplacements historiques' wordt aangetoond. Te denken valt aan Hengelo, Beek, Zwolle en Etten, verder aan Megchelen, Aalst, Baarlo, Geesteren, Heusden, Laren, Oosterhout, Rijswijk, Velp: namen die vanuit het zuiden met immigranten hier terecht zijn gekomen. Borculo in de VS is een voorbeeld van een latere doublure-naam van immigranten die naar de VS vertrokken.

    Ook Hamaland is zo'n doublurenaam die vanuit het zuiden hier terecht kwam in het jaar 1046.

    Fietsend door de Achterhoek is het eveneens opvallend hoeveel namen van straten en wegen verwijzen naar de voormalige natte en moerassige toestand van dit gebied. Tot ver in de 19e eeuw was dit gebied ook zo goed als onbewoonbaar door de moerassige bodem. De Achterhoek is ook lang een zelfstandige en onafhankelijke streek gebleven doordat zowel de graaf van Gelre als de bisschoppen van Utrecht en Munster er geen zeggenschap over konden krijgen vanwege 'de ondoordringbare moerassen'. Bron: H.J.Keuning.
    De namen van wegen die het deel -goor-, -veen- of -broek bevatten spreken voor zich. Opvallend is ook dat veel wegen -dijk genoemd worden. In de hele Achterhoek, maar ook rondom Zutphen en Deventer (ook aan de overkant van de IJssel) zijn honderden namen te vinden die eindigen op -dijk. Het zijn evenvele verwijzingen naar de onbewoonbaarheid van dit gebied. De dijken zijn een gevolg van de strijd tegen de wateroverlast, ook al zijn ze vaak maar enkele decimeters hoger dan het omringende land.

    Voorbeelden van namen van wegen die eindigen op -dijk zijn: Veengootdijk, Gunjansdijk, Lage Wolboomdijk, Prinsendijk, Villekesdijk, Goordijk, Boterdijk, Dwarsdijk, Kerkdijk, Sturrisdijk, Heidedijk, Kloosterdijk, Nazarethdijk, Ooievaarsdijk, Gastveldsedijk, Guttersdijk, Schaarsdijk, Lieversdijk, Eikendijk, Engelandsdijk, Maasdijk, Pluimersdijk, Jolinkdijk, Priesterinkdijk, Bielemansdijk en Zilverbekendijk (deze opsomming is zeker niet volledig: zie ook voetnoot 4).
    Al die -dijknamen verwacht je eerder in laag-Nederland, maar niet in de Achterhoek dat toch doorgaat voor Hoog-Nederland. Een naam als Maasdijk verwacht je ook niet in de Achterhoek, eerder ergens in Limburg of Noord-Brabant. Deze -dijknamen wijzen op de noodzaak tot ontwatering van dit natte en moerassige gebied voordat het bewoonbaar werd.

    Midden in de Achterhoek ligt het plaatsje Zieuwent, in de middeleeuwen geschreven als 'Synwede' dat oorspronkelijk betekent 'lage ofwel moerassige weide'. In het midden van de dertiende eeuw liet de graaf van Gelre een afwateringskanaal graven vanaf het naburige Ruurlose Broek naar het riviertje de Berkel , de Grevengracht. Daardoor zakte het waterpeil zodanig dat vestiging in het moerasgebied van Het Zieuwent mogelijk werd. Niettemin bleef het een gebied dat ĺs winters erg drassig was of zelfs onder water stond. Hier en daar waren natuurlijke hoogten in het land, waarop bewoning mogelijk was zonder natte voeten te krijgen. Toch bleven ook deze hoogten lang onbewoond. Gelegen temidden in een uitgestrekt moerasgebied waren deze hoogten pas bereikbaar en geschikt voor bewoning na de ontginningen die in de Achterhoek pas vanaf de 13e eeuw plaats vonden. (Bron: Geschiedenis van de Achterhoek.)


    Veel van die -dijkwegen zijn kaarsrecht en tonen de wijze van ontginnen aan: rechtoe, rechtaan. Ze liggen ook wat hoger dan het omliggende land en zijn in die zin ook als dijken te beschouwen. Deze rechte wegen tonen tevens aan dat het gebied nog niet verworven of bewoond was. Juist de kronkelige weggetjes die van boerderij naar boerderij liepen zijn karakteristiek voor bewoonde gebieden. De naam Romienendiek bij Varsseveld zal wel een verwijzing zijn naar de Varusslag die hier als mythe nog steeds de ronde doet. Zolang een naam als Romienendiek (let op de spelling) blijft bestaan en er bovendien een schreeuwend lelijk monument is opgericht in het nabije Varsseveld, zal ook de mythe van de Varusslag in Varsseveld blijven bestaan. Zie verder bij Varusslag.

    De argeloze bezoeker zal in de naam van de weg en het monument een bevestiging van de geschiedenis zien, ook al is het een mythe. Het is vergelijkbaar met het standbeeld van Karel de Grote in Nijmegen (dat er pas in 1962! kwam), dat van St.Willibrord in Utrecht (uit 1942) of dat van St.Bonifatius in Dokkum (ook uit 1962!). Die zullen er vast niet zonder reden zijn weggezet, zal de argeloze bezoeker denken, waarmee de mythe steeds weer bevestigd wordt. De beelden zijn komisch en passen in het grote raamwerk van nationale mythen en illusies. Er staan meerdere van dergelijke beelden in Nederland die geplaatst zijn door niet ter zake deskundigen om een fabel in stand te kunnen houden.
    Volgens de plaatselijke geschiedenis in Aalten werd de Romienendiek waarschijnlijk door de Romeinen al gebruikt in het jaar 57 voor Christus en was het een Heerweg, een lange afstandweg voor de legioenen. Zo worden zonder nauwkeurig bronnenonderzoek en kennis van zaken de fabels en mythen geboren. Immers de Achterhoek heeft nooit behoord tot het Romeinse rijk. Romeinse legioenen zijn er dan ook nooit geweest.

    De horsten.
    Ook het gebruik van horst-namen getuigt eveneens van een overstromingsgebied. Horst-namen verwijzen naar een verhoogde droge plaats waar bewoning mogelijk was, in tegenstelling tot het omliggende drassige land.
    Te denken valt aan Bronkhorst, Katerhorst, Boekhorst, Nettelhorst, Velhorst, Veldhorst, De Horst, Schaghorst, allen in de Achterhoek gelegen. Verder Staphorst, IJhorst, Schiphorst, Lankhorst, Havixhorst, Hoge Linthorst, Elsinghorst, Broihorst, Hoonhorst, Aalshorst, Stokhort, Ravenshorst, Elsinghorst enz. verder naar het noorden.
    Overigens zijn horst-namen niet ouder dan de 12e eeuw. De oudste horst-naam in Nederland was die van Horst bij Rhenen waar de Utrechtse bisschop in 1166 zijn kasteel bouwde en er voor het eerst de naam Horst gebruikte.

    Klik op de afbeelding voor een vergroting.

    In de periode tussen het jaar 1000 en 1300 zijn veel Mottekastelen gebouwd. Deze werden op door de mens kunstmatig aangelegde heuvels gebouwd. Ze dienden net als de terpen in Friesland en de wierden in Groningen om de bewoners tegen overstromingen (en rovers) te beschermen. Op de afbeelding de motte van Bijvanck, zoals die ooit bestaan heeft in het Montferland (tussen Didam en Beek) in een verder onbewoond gebied. Ook namen van de plaatsen zoals Didam en Beek, wijzen op het natte gebied.


    De voetnoten.
    Voetnoot 1): Deze ene en enige Viking-aanval in Zutphen is een onbewezen aanname op grond van een onjuist toegepaste oorkonde uit het jaar 882 en de vondst van de ringwal. De oorkonde uit 882 is geschreven in de abdij van St.Omaars en gaat over plunderingen in Francia. Nergens wordt Zutphen genoemd, maar is slechts sprake van de streek van de Isla. De Isla was niet de IJssel, maar de Lys in Vlaanderen. De IJssel dankt haar naam aan de 'deplacement historiques' (zie daar), zoals veel andere plaatsen in Nederland een doublure zijn van plaatsen in Vlaanderen. Dat Zutphen al bestaan zou hebben in de 9e eeuw wordt slechts met deze ene oorkonden bewezen, waarin Zutphen niet eens genoemd wordt. Archeologische bewijzen zijn er niet dan die zogenaamde ringwal. De aangetroffen ringwal zou deel uitgemaakt hebben van een vluchtburg tegen Vikingen. Maar de Vikingen zijn daarna nooit meer in Zutphen geweest. "Zie wel, de ringwal werkte en schrikte de Vikingen af" menen enkele 'deskundigen' (veel gekker moet men het niet maken). De ringwal was niet gericht tegen Vikingen, maar tegen overstromingen die ter plaatse zelfs tot in deze tijd nog voorkomen. Het hele Vikingverhaal in Zutphen is ÚÚn grote mythe, bedacht door niet ter zake kundige historici en/of archeologen, die meenden dat de Isla de Latijnse naam voor de IJssel was.

    Voetnoot 2): Vergelijkbare ringwalburgen in Zeeland waren niet bewoond. Zij dienden alleen als vluchtburg, niet tegen Vikingen die zich voor een wal van enkele meters hoog echt niet lieten tegenhouden, maar als bescherming tegen overstromingen, waarbij de bewoners en hun vee veiligheid zochten.

    Voetnoot 3): Als de naam Zut-phen verwijst naar een zuid-veen, is het een onderzoek waard waar dan de andere venen lagen. Was er een noord- west- of oost- veen? Of is de etymologie van Sut-phem een heel andere? Bij Alphen (Noord-Brabant) zoekt men de etymologie in Alf-heim. Het alv- zou betrekking hebben op een waterloop (alveus), het -heim op woonplaats. Beide aannemelijk. Het -heim zou ook bij Zutphen van toepassing kunnen zijn, zeker omdat de oudste vorm van de naam een -m op het einde had. Het zut- zou zuid kunnen zijn, maar ten zuiden waarvan? De naamgever zal dan ten noorden van Zutphen gezocht moeten worden. In Deventer misschien? Immers rondom Deventer lag een groot moeras- en veengebied. Zuid-veen zou dan zeker toepasselijk zijn. Maar dan moet Deventer wel eerder bestaan hebben dan Zutphen. En omdat Deventer aantoonbaar pas na de 10e eeuw is ontstaan, is Zutphen dan ook pas daarna ontstaan.

    Voetnoot 4): een kleine opsomming van dijk-namen in de Achterhoek:
    Abstegerdijk, Bandijk, Batsdijk, Bekmansdijk, Bielemansdijk, Boskermansdijk, Berkendijk, Boterdijk, Brengersdiek, Brengersdijk, Broekdijk, Buddinkdijk, Buninkdijk, Bussinkdijk, Croddendijk, Dankbaarsdijk, Dennendijk, Derde Broekdijk, D÷lssdiek (D), Dorperdijk, Dortherdijk, Dwarsdijk, Eikendijk, Ellenkampdijk, Engelandsdijk, Espelodijk, Ganzepoelendijk, Gasteveldsdijk, Goordiek, Goordijk, Griesdijk, Gunjansdijk, Guttersdijk, Halsedijk, Hardegoorsdijk, Harterinkdijk, Heidedijk, Heynkdijk, Hiddinkdijk, Hienendijk, Hobelmansdijk, Jodendijk, Jolinkdijk, Kadijk, Kerkdijk, Klaverdijk, Kloosterdijk, Klumperdijk, Koemansdijk, Kriegerdijk, Kroondijk, Kroosdijk, Lage Wolboomdijk, Lieversdijk, Maasdijk, Menopsdijk, Middendijk, Nazarethdijk, Nijlandsdijk, Oerdijk, Ooievaarsdijk, Oudendijk, Peppelendijk, Pietersdijk, Pluimersdijk, Poelhuttersslatdijk, Priesterinkdijk, Prinsendijk, Reeverdijk, Revendijk, Schaarsdijk, Schapendijk, Scheiddijk, Scheidijk, Slaadijk, Slatdijk, Speelmansdijk, Stededijk, Strengendijk, Sturrisdijk, Tameldijk, Veengootdijk, Vellerdijk, Villekesdijk, Visserijdijk, Vloeddijk, Vondermansdijk, Vosdijk, Voshuttedijk, Waterdijk, Wilgendijk, Wippertsdijk, Zanddijk, Zilverbekendijk.

    Lees het boek "De Ware Kijk Op" en oordeel zelf.