De historische geografie van de lage landen.
Terug naar de beginpagina.
Het Bronnenboek van Nijmegen weerlegt de Karolingische geschiedenis van Nederland.
Naar het overzicht in het kort.

Jaarboek Oud-Utrecht 1972.

De ware geschiedenis van Nederland in het eerste Millennium, per onderdeel te lezen.
Nijmegen
Karel de Grote
Willibrord
Bonifatius
Bataven
Franken
Friezen
Saksen


We bespreken uit de Jaarboeken alleen de artikelen die gezien onze studie van belang zijn.




Klik op de tekst voor een vergroting.

Het FUNDAMENT van alle verwarring is het Karolingisch Paleis van Karel de Grote in Nijmegen. Dat paleis blijkt gebouwd op los zand, op nooit bewezen losse beweringen. Op dat losse zand zijn alle volgende mythen gebouwd. Immers als Nijmegen fout is, was de Betuwe ook niet het land van de Bataven; was Utrecht niet de bisschopszetel van Willibrord, werd Bonifatius niet in Dokkum vermoord en hebben de Noormannen nooit in Nederland geplunderd.
Dan stort het hele kaartenhuis van de Nederlandse mythen in elkaar.


Bonifatius, Willibrord, Karel de Grote en de Noormannen zijn voor Nederland volkomen legendarisch.
Over de vroegste geschiedenis van de stad Utrecht is door geleerden uit verschillende vakgebieden zoveel geschreven en als hypothese of theorie geponeerd, dat in plaats van een 'communis opinio' een steeds grotere verwarring is ontstaan en een 'status questionis' nauwelijks meer te geven valt. Het vroegmiddeleeuwse Traiectum wordt als de voortzetting van het Romeinse castellum beschouwd en hebben de meeste historici aangenomen, dat er vroeger een rivier was die door het huidige Utrecht stroomde en dat die rivier de Rijn was. Tegenwoordig is er van die rivier niets anders over dan enige stukjes gracht en wat nietige waterlopen. Tot zover is men het in grote trekken met elkaar eens, maar dan beginnen de moeilijkheden. (Bron: Jaarboek Oud-Utrecht 1975, p.44 e.v.).

De visie van Albert Delahaye.
Over de geschiedenis van Utrecht is veel geschreven, maar nog meer verzonnen. St.Willibrord is voor Utrecht volkomen legendarisch, hij is er nooit geweest, omdat Utrecht in zijn tijd vanwege de transgressies, onder water lag. Een Romeinse aanwezigheid is er zeker geweest, maar rond 260 n.Ch. hebben de Romeinen Nederland verlaten vanwege de toenemende wateroverlast en zijn zij naar het zuiden vertrokken op ongeveer de taalgrens. Pas in de 11de eeuw is er weer sprake van enige bewoning in Utrecht.

Voor onze studie zijn uit het Jaarboek 1972 de volgende artikelen het bespreken waard. Opmerkingen in rood.
  1. 12e eeuw Dr. J. E. A. L. Struick, Het recht van Trecht.
  2. 13e eeuw Prof. dr. F. W. N. Hugenholtz, Het Sticht in de 13e eeuw: een historiografisch probleem.
    Het artikel van Hugenholtz is interessant om eens te lezen wat hij zelf als een historiografisch probleem ervaart. Hugenholtz was een van de eerste en felste historici die commentaar had op de visie van Albet Delahaye, maar "niet kon bewijzen waarom Delahaye ongelijk zou hebben" (zijn woorden).
12e eeuw Dr. J. E. A. L. Struick, Het recht van Trecht
  1. Utrecht 850 jaar geleden gaf keizer Hendrik V door zijn hoge bescherming Utrecht de mogelijkheden zich verder uit te breiden dankzij zijn bevestiging van de stedelijke rechten, die verleend waren door de stadsheer bisschop Godebald. De gegevens over deze ontstaansperiode zijn schaars, hoe waardevol de enkele vermelde feiten ook zijn. Bovendien bestaan er gelukkig zijdelingse aanwijzingen hoe de ontwikkeling binnen en buiten Utrecht zich heeft voltrokken: een vooral voorzichtig gebruik van de bronnen geeft een boeiend beeld. Deze voorzichtigheid heeft helaas vaak geleden onder de weetgierigheid, onder de zucht feiten te verhalen, die op geen enkele bron teruggaan. Zo aantrekkelijk is de wordingsgeschiedenis in de 12e eeuw, dat dit dun-begroeide terrein van naspeuring zo langzamerhand een platgetreden gebied is geworden, waar vele geschiedvorsers hebben rondgewandeld, geleid door de zeldzame richtingborden of - tot schade van de duidelijkheid - hebben rondgedwaald aan de hand van aanwijzingen die met meer fantasie dan waarheidsliefde door hen zelf werden neergezet.(p.9) Struick schrijft nogal poetisch over de oudste geschiedenis van Utrecht. Hij wijst hier op de oorkonde van keizer hendrik van 2 juni 1122 en noemt dit de Bevstiging van Stadsrecht. Maar van stadsrecht is in deze oorkonde geen enkele sprake. Het ging over tolrecht dat Utrect nog moest delen met Muiden. Voor een goed verstaander is wel duidelijk dat er geen bewijzen -dun begroeide terrein- voor zijn opvattingen bestaan en de geschiedenis van Utrecht slechts vanaf de 12de eeuw bewijsbaar is. De zijdelingse aanwijzingen waar hij naar verwijst, blijken te bestaan uit mythen uit diezelfde 12de eeuw.

  2. Het is een dwingende eis deze historische lusthof van de 12e eeuw te zuiveren van het gepote onkruid en omzichtig de landmijnen te verwijderen, waarop een onderzoek kapot kan springen. De tuin der geschiedschrijving over 12e eeuws Utrecht zit inderdaad vol valkuilen en putten: het zou onbillijk zijn de nijvere navorsers hun halve waarheden helemaal te verwijten. (p.9) Het komt er dus op neer dat die oudste geschiedvorsers weinig te verwijten valt. Ze wisten ook niet beter! Maar op de mythen van die oudste navorsers is nog steeds de oudste geschiedenis van Utrecht gebaseerd. Dat onkruid zal eens nodig verwijderd moeten worden. Het zal voor een ingrijpende ontploffing van die landmijnen leiden. Om het met prof.dr.R.Post -hier nog genoemd op p.13 in noot 11- te beschrijven: 'Op één punt moet ik Delahaye onmiddellijk gelijk geven. Sint Willibrord is geen aartsbisschop van Utrecht geweest'.

  3. Dubbel waardevol waren de wijkplaatsen, waarvan de nederzetting Utrecht er één was. Reden van ontstaan waren immers de natuurlijke hoogten van Domplein en Buurkerkhof, waar reeds de Romeinen eeuwen geleden de bescherming tegen het water door kunstmatige ophoging hadden gegarandeerd. Vanaf deze terpen konden de Utrechters angstig maar voorlopig veilig uitkijken over het ontvolkte platteland (p.10) Hier worden de transgressies bevestigd die uiteindelijk rond ca.260 voor het terugtrekken van de Romeinen hebben gezorgd. Of zoals op p.13 wordt vermeld: Tot in de dertiende eeuw waren de Rijn en de verschillende takken, m.n. de Vecht, onbedijkt en stonden in open verbindina met de zee. Verder bestond er in de moerassige streken ten westen van de Utrechtse heuvelrug een groot aantal stromen, die elk voor zich onderdeel uitmaakten van het stroomstelsel van de Rijn.

  4. Voor Utrecht is de oudste vermelding in 1006 te vinden, wanneer een laatste inval van Noormannen aanleiding is voor de inwoners hun nederzetting te verlaten en een veilig heenkomen te zoeken in het bisschoppelijke kasteel.(7) (p.11) In noot 7 wordt verwezen naar Alpertus van Metz. De diversitate temporum. M.O. SS. IV. 1. 8. Maar Alpertus heeft het niet over Noormannen, maar over 'pyrates'. Noormannen is een onjuiste interpretatie, die op p.14 plots Vikingen genoemd worden.

  5. Wat weten we van deze nederzetting? Bitter weinig, eigenlijk niet meer dan de ligging ten westen van de Domburcht. De betekenis voor de handel blijkt uit de vermelding van Utrechter kooplieden in het toltarief van Koblenz,ca.1070 naast Vlaamse en Maaslandse handelaars. Utrecht staat door dit stuk te boek als één van de oudste handelsplaatsen in Nederland naast Bommel, Heerewaarden, Tiel en Deventer. (p.11) Bitter weinig kan beter veranderd worden in Bitter NIETS. Hier wordt nergens Utrecht genoemd, maar gaat het om Trajectum of zoals vermeldt op p.13: volgens de formule: „Vicus Traiectam + vetus Traiectum = vetus vicus=Oudwijk. Dan moet eerste eens aangetoond worden dat Trajectum wel Utrecht was, waar Jongkees over schrijft: "hierbij past slechts een uitroepteken!" Maak daar maar een vraagteken van.

  6. Het gevolg is dat enthousiaste, weetgierige schrijvers met juichkreten elk gevonden stuk rivierbedding of zelfs een vermoedelijk stroomdeel (meestal wegens het bochtige verloop van een straat of een weg, die zelfs de irrationele Middeleeuwers als regel niet krom maar als de rechte verbinding tussen 2 punten zullen hebben aangelegd, b.v. de bochtige Voorstraat) in verband brachten met allerlei andere gevonden rivierlopen. Het resultaat van deze goedbedoelde maar soms kronkelige redeneringen en hypothesen was een eveneens kronkelig beeld. Dit neemt niet weg dat vele goede resultaten zijn bereikt, al is een totaal beeld nog niet te geven. Ook zijn er bepaalde stukken van de Rijnloop, die figuurlijk als een paal boven water staan. Om ons tot de hoofdzaken te beperken: er was de hoofdtak die met zekerheid langs de Kromme Nieuwegracht en de Minrebroederstraat liep en de bocht bij de latere Stadhuisbrug vormde; over het overige verloop kunnen alleen vermoedens bestaan, die hier niet hoeven te worden besproken. (16) (p.14) Het is wel opmerkelijk dat hier verwezen wordt naar het boek van R.Blijstra, 2000 jaar Utrecht (1969). Blijstra schrijft in zijn boek precies wat Struick hier onbesproken wil laten. En dat is juist de kern van de vroegste geschiedenis van Utrecht. Daar gaat het toch om en dat moet juist besproken worden!

  7. In 1105 wordt voor het eerst een schout genoemd, Galo. Hiermee is een duidelijke aanwijzing gegeven voor de eigenheid van de linksrijnse nederzetting, al was Utrecht nog geen stad. Wanneer wij Utrecht vergelijken met plaatsen die in dezelfde tijd uitgroeiden tot kennelijk stedelijke gemeenschappen, dan kunnen wij sommige lacunes aanvullen; het is wel nodig dat gegevens over andere nederzettingen in verband staan met wat wij over Utrecht weten. (p15.) Begin 12de eeuw was er in Utrecht nog geen sprake van een stad en met deducties uit deducties wil men bewijzen dat Utrecht toch wel een stad genoemd zou kunnen worden. Het is een algemeen probleem in de historische geografie dat men met deducties (afleidingen) wil bewijzen wat in de premisse (het uitgangspunt) nog bewezen moet worden. Op p.15 wordt nog verwezen naar Heda voor een tekst uit 1148. Wilhelm Hedae, Historia episcoporum Ultraiectensium, ed. A. v. Buchell, Utrecht, 1642. Hiermee komen we dus in de 17de eeuw, de eeuw waarin veel beweringen voor het eerst op schrift zijn gesteld, met name door Buchelius. Wilhelm Heda schreef echter slechts na wat Johannes de Beka in de 15e eeuw al eerder geschreven had, maar waar heel wat op aan te merken is. Zie daar

  8. Binnen het latere Nederland bestonden vóór de invallen van de Noormannen de plaatsen Dorestad, Witla aan de Maasmond, Maastricht, Deventer en Utrecht (p.15) De hier genoemde zaken betreffen evenveel onbewezen mythen. In Nederland is geen tekstueel of archeologisch bewijs gevonden van plundering door de Noormannen, ook noemt men die op p.14 plots geheel onjuist Vikingen. Lees meer over Dorestad en Deventer. Witla doet al helemaal de deur dicht: dat is in Nederland nooit aangetoond, maar was Wissant in Frans-Vlaanderen.

  9. Sinds 1075 waren paus en keizer gewikkeld in de zg. investituurstrijd om het benoemingsrecht van de bisschoppen, dat tot dan toe in handen lag van de keizer. Op grond van dit recht en met gebruikmaking van de aldus aangewezen kerkvorsten en van hun landsheerlijk gezag had de keizer een netwerk van vertegenwoordigers van zijn bestuur opgebouwd. In dit langdurige conflict werden de burgers van de bisschopssteden betrokken, die een onverwachte medestander tegen de machtige bisschop vonden in de nog machtiger persoon van de keizer. Bisschop Godebald van Utrecht had vrij snel na zijn benoeming door de keizer partij gekozen voor de pauselijke wens naar een vrije positie van de kerk. In Utrecht brak de bestaande spanning uit tot een conflict en ontstond ruzie tussen de hovelingen en de dienstlieden (onvrije ridders) van de bisschop, die zodanig verliep, dat het hele gevolg van de keizer en tegelijk de stad in opschudding raakte en van beide zijden groepen gewapenden kwamen toelopen. Er ontstond een verwarde vechtpartij, alsof een samenzwering wasgesmeed tegen de keizer door de Utrechtse burchtbewoners. Zo ontbrandde een felle strijd. Velen sneuvelden. De meesten van de burchtlieden werden gevangen genomen; de overigen namen hun toevlucht tot een sterke toren, die daar stond. Ook de bisschop werd als een medeplichtige aan de beweerde laaghartige aanslag gevangen genomen en schuldig verklaard aan majesteitsschennis. De kroniekschrijver Ekkehard plaatst dit verhaal op Kerstmis 1123, een mening die door velen ten onrechte gedeeld werd. Klakkeloze naschrijverij. Juister is de datering van de Chronica regia Coloniensis, die dit oproer stelt op Pinksteren 1122, 14 mei, en aan zijn soberder verhaal toevoegt, dat de strijd onopzettelijk door een onbenullig voorval „de re modica" ontstond. De burgers bleken in dit gevecht niet betrokken te zijn. (p.17/18) Achtergrond van deze strijd was de investituurstrijd, het benoemingsrecht van de bisschoppen dat tot die tijd in handen was van de Keizer. Dit leidde in Utrecht tot veroordeling van bisschop Godebald voor het betalen van een hoge schatting. De bisschoppelijke dienstman Gisilbert van Muiden werd veroordeeld tot de doodstraf (uitevoerd?). Het leide wel tot een gezamenlijk streven van de burgers van Utrecht en Muiden, wat in de oorkonden uit 1122 (volgens O.Opperman vals verklaard en vervaardigd in 1178!) en 1127.

  10. Uit een oorkonde van 1127 weten wij, dat reeds onder vroegere keizers en bisschoppen vier vaste markten in Utrecht bestonden. Hieruit kunnen wij het bestaan van een oude marktnederzetting afleiden. (p.17) Met de schriftelijke bevestiging van een stadsrecht was het vreemd gesteld; meestal werd het formele stadsrecht niet eens vastgelegd maar mondeling bewaard. In de vele gevallen waarin onomstotelijk stadsrecht is verleend, wordt óf geen enkele bijzonderheid genoemd óf (zoals in Utrecht) een aantal gunsten min of meer achteloos met name opgesomd. (p.20). Het is merkwaardig, maar voor onze weetgierigheid teleurstellend, dat de Middeleeuwse rechtsgeleerden niet de nauwkeurigheid van onze hedendaagse wetgevers bezaten: in de ontleende stadsrechten vindt men niet terug van de rechtsgebruiken van de moederstad. Alleen kan men b.v. uit de vermelding dat Soest Keuls recht ontving o.a. vaststellen dat Keulen stadsrecht bezat en evenzeer uit de verlening van Utrechts recht aan een reeks van nieuw gestichte steden, dat Utrecht stadsrecht bezat. Dit stadsrecht was een uitwerking van het marktrecht, het koopmansrecht, dat hiervoor (p. 16) genoemd wordt; dit is een concreet gegeven dat blijkt uit de vermelding van de 4 jaarmarkten die in 1127 worden genoemd. Dit martkrecht kan ook betekenen, dat er marktrechters waren en wel in het stad geworden Utrecht schepenen. Met deze veronderstelling komen wij op het glibberige terrein van de oorkondencritiek. Op dezelfde dag, 2 juni 1122, vaardigde Hendrik V. een tweede charter uit, dat door O.Oppermann tot een vervalsing is verklaard. Op grond van een vernuftige constructie is de conclusie getrokken, dat de genoemde oorkonde vervaardigd is omstreeks 1178 uit de behoefte van de Utrechtse burgers hun positie en hun handelsvoorrechten te verstevigen. Over deze kwestie wil ik het oordeel overlaten aan de deskundiger vakgenotenDit stadsrecht Het vermeende 'stadsrecht' van Utrecht blijkt dus een afleiding uit aangenomen veronderstellingen te zijn. Uit het glibberige terrein van de oorkondencritiek, blijkt dat stadrecht niet erg overtuigend te zijn!

  11. Niet alleen blijkt op deze wijze het bestaan van een schepenbank, een orgaan van stedelijk bestuur, maar ook treden op de „honestiores cives", de vooraanstaande burgers, een term met een belangrijke betekenis. Deze marktgemeenschap stond in de regel onder een schout; wanneer de schepenen als gekozen medewerkers aan de schoutenrechtspraak voorkomen, is een belangrijk deel van het stadsrecht vermeld, een onderdeel van het „ius et consuetudo", dat Godebald verleend had.(p.22). Ook ontleende de stad mogelijk aan het stadsrecht de bevoegdheid stedelijke wetten te maken. De eerste vermelding vinden wij in het jaar 1233, wanneer het voltooide stadsbestuur van schout, schepenen, raden en gezworenen bepalingen maken over de verkoop van wijn. Er bestaan geen aanwijzingen dat een bisschop of een keizer vergunning heeft gegeven tot deze noodzakelijke voorwaarde van een stedelijke rechtsgemeenschap, zodat het niet ongerijmd is de rechtspraak van de raad terug te voeren tot de wortel van het „ius et consuetudo", het stadsrecht van bisschop Godebald. (p.24) Hieruit blijkt nogmaals dat pas in 1233 enige zekerheid bestaat dat Utrecht stadsrecht had en dus een stad genoemd kan worden. We zitten dan wel in de 13de eeuw en dat is ruim 5 eeuwen na Willibord.

  12. De veronderstelling is niet gewaagd, dat bisschop Godebald met gulle hand uit de schenking, die in 732 door Karel Martel aan de Utrechtse kerk was gedaan, dit gebied aan de burgers had overgedragen. Een dergelijke goedgeefsheid is normaal; bij de mondeling bevestigde stadsrechten van oudere steden blijkt het stedelijk grondbezit eveneens uit latere gegevens. (p.23) Hier wordt nog even een mythe 'als bewijs' (?) opgevoerd. Karel Martel heeft nooit enige bemoeienis gehad met Utrecht of Nederland. Later gegevens zijn niet zonder aantoonbare gegevens op te voeren als bewijs voor vele eeuwen eerder. In de betreffende tekst uit 732 is sprake van een veldslag van Karel Martel tegen de Frisones bij Poitiers. Karel Martel was dus in Frankrijk, niet in Nederland of bij Utrecht. Ook andere teksten uit het jaar 72 wijzen erop dat het gebeuren in Frankrijk geplaatst moet worden. Het misverstand met Trajectum en Utrecht blijkt hier wel uit. Overigens: Utrecht bestond in 732 niet eens, wat archeologisch onderzek wel heeft uitgewezen. We noemen de volgende gebeurtenissen:
    1. In de strijd van de Merovingers en Friezen komen enkele veldslagen voor, die ver in Frankrijk plaats vonden : in 687 bij Tertry ten zuid-oosten van Peronne; in 717 te Inchy-en-Artois tussen Atrecht en Karnerijk, terwijl Friezen meestreden in de slag van 732 bij Poitiers. Men kan nauwelijks een wetenschappelijk argument bedenken tegen deze onmogelijke historisch-geografische rekonstruktie en men moet dan ten einde raad zeggen : Maak het de kat maar wijs, dat dit de Friezen uit Noord-Nederland waren gekomen, waar geen archeologisch bewijs van hun bestaan gevonden is en nog minder van een krachtig volk, dat zo talrijk en sterk was dat het de vijand zo ver van huis, bij wijze van spreken in zijn hol ging opzoeken.
    2. In 732 vond ook een kerkvergadering plaats te Noviomagus, waar onder andere een klacht van de bisschop van Beauvais in behandeling kwam, die meende door de koning onrechtvaardig behandeld te zijn. Dit Noviomagus was onmiskenbaar Noyon en zeker niet Nijmegen!
    3. In 732 schrijft Beda (die in 735 overlijdt) zijn laatste bericht over Willibrord: "Deze Willibrord, bijgenaamd Clemens, leeft nog in hoge en eerbiedwaardige ouderdom. Reeds 36 jaren is hij bisschop. Met heelzijn hart verlangt hij, na veelvuldige strijd in dienst van de hemelse macht, naar de prijs van de eeuwige beloning". (Bron: Beda, Historia gentis Anglorum, V, 11).
    4. Beda, die (vóór 732) schreef, dat het Trajectum van St.Willibrord ook Viltaburg werd genoemd. De juiste lokalisatie is in Nederland altijd een diepgaand probleem geweest. Men legde een verband tussen deze stam en de Saksen. Het gevolg hiervan is geweest, dat de gangbare geschiedschrijving de Vilten in Duitsland (soms zeer ver naar het oosten) plaatst. Dat dit absoluut onjuist was, behoeft niet nader toegelicht te worden. Beda noemt Trajectum de hoofdstad van de Vilten. De hoofdstad van een volk kan men moeilijk buiten het grondgebied van dat volk leggen. Laat ons maar helemaal zwijgen over de onverteerbare oplossing, die het grondgebied ver in Duitsland situeert en de hoofdplaats in Utrecht! Uit het feit, dat de gangbare geschiedschrijving er niet in is geslaagd, de Vilten in Nederland te lokaliseren, mag zonder bezwaar geconcludeerd worden, dat het Trajectum van St.Willibrord, de hoofdstad der Vilten, er evenmin gelegen heeft. De Vilten waren bewoners van de streek rondom Tournehem in Noord-Frankrijk, hèt Trajectum van St.Willibrord! De Vilten worden het eerst genoemd ten tijde van Karel de Grote. Het was een stam van de Slavi die weer een onderdeel van de Saksen waren, maar dan wel de Saksen aan de kust van Het Kanaal. Het waren de Vilten in noorden van Frankrijk waar hun hoofdstad Viltaburg (=Trajectum ofwel Tournehem) was. Uit de mededeling bij Einhard is duidelijk op te maken dat zijn 'Vita' (ook Waletabi genoemd) aangepast is in de tijd dat de 'deplacements historiques' al in volle omvang waren toegeslagen.
    5. In 732 ontving Bonifatius het pallium: Bonifatius zond boden naar de paus met berichten over de missie. De paus liet een welwillend antwoord geven en zond hem en zijn onderdanen een bewijs van broederschap en vriendschap: het pallium van een aartsbisschop, met veel relieken, en zond de gezanten eervol terug. De brief van Bonifatius waarin deze gebeurtenis genoemd wordt is betwijfelbaar, door enkele historici zelfs een falsum genoemd.



13e eeuw Prof. dr. F. W. N. Hugenholtz, Het Sticht in de 13e eeuw: een historiografisch probleem.
Dit artikel van Hugenholtz is interessant om eens te lezen wat hij zelf als een historiografisch probleem ervaart.
Hugenholtz was een van de eerste historici die commentaar had op de visie van Albet Delahaye, maar "niet kon bewijzen waarom Delahaye ongelijk zou hebben" (zijn woorden).

Als je leest wat Hugenholtz schrijft in Jaarboek Oud-Utrecht (1972) in zijn artikel "een historiografisch probleem", dan kun je er slechts verbazing over uitspreken dat hij zoveel commentaar had op de visie van Albert Delahaye. In dat artikel schrijft Hugenholtz over gebeurtenissen van de 14e eeuw in verband met de kronieken van Melis Stoke en Johan de Beka en het vrijwel ontbreken van historische bronnen. Hij stelt dat de geschiedenis van Utrecht tot het midden van de veertiende eeuw nog vrijwel onbeschreven was. Daarmee erkent hij toch wat Delahaye stelde? Belangrijk is wat Hugenholtz met 'vrijwel' bedoelt? Het blijkt te gaan over helemaal niets dan slechts de aangenomen geschiedenis rondom Willibrord, die hij als vaststaand beschouwd, ondanks, zoals hij schrijft, het 'vrijwel' geheel ontbreken van mededelingen van tijdgenoten.
  1. Door de berichten van min of meer contemporaine geschiedschrijvers, zou een fraai bewijs te vinden zijn in de Utrechtse geschiedenis van de dertiende eeuw. En daarbinnen bestaat geen beter voorbeeld dan de geschiedenis van de elect Jan van Nassau (1267-1290). De eerste die een verantwoorde studie aan hem wijdde was S. Muller Fzn. Na een korte vermelding van enige voorgangers volgt bij hem reeds in de inleiding een klacht over de contemporaine geschiedschrijvers en met name over Beka, die over Jan van Nassau bijzonder weinig mee te delen heeft. Het vrijwel geheel ontbreken van mededelingen van tijdgenoten roept de vraag op: Waarom heeft de middeleeuwse historiografie Jan van Nassau zo stiefmoederlijk behandeld? We krijgen dan als antwoord: dat het met de Utrechtse historiografie van de dertiende eeuw, zelfs tot het midden van de veertiende, zeer slecht gesteld was. J. Romein wijt dat aan het feit dat Utrecht in die periode nog altijd was, of weer geworden was, „een vrijwel onbeschaafd milieu" (p.38/39)

  2. Johannes de Beke, in het midden van de veertiende eeuw is geen geschiedschrijver die iets van betekenis heeft geproduceerd; er is tenminste niets van overgebleven. Dit geldt derhalve niet alleen voor de periode van Jan van Nassau, maar voor het grootste deel van de dertiende eeuw. Dat er een aanzienlijke historiografische productie zou zijn teloor gegaan is niet erg waarschijnlijk, want reeds de veertiende-eeuwse compilator Beke had bijzonder weinig tot zijn beschikking. (p.40) Zou hier niet van toepassing geweest zijn wat Jacob van Oudenhoven in 1654 al stelde? Jacob schreef in zijn "Out Hollandt, nu Zuyt Hollandt" over "het ontbreken van elke schriftuur". Hij concludeerde terecht dat het onjuist moest zijn wat sommigen zeiden, namelijk "dat de eerste Hollanders ongeletterd waren en niet konden schrijven". Geen enkel geschrift over de geschiedenis van Holland was niet het gevolg van ongeletterdheid bij een zo vief volk als de Hollanders, meende Oudenhoven, maar de geschriften ontbreken omdat het land niet bewoond was . Jacob van Oudenhoven had het perfect begrepen en het volslagen juist geformuleerd.

  3. De geschiedschrijver Johannes de Beke, die kort voor het midden van de veertiende eeuw zijn Chronographia schreef, wilde een gecombineerde geschiedenis schrijven van de bisschoppen van Utrecht en de graven van Holland. Uit de vele overgeleverde handschriften van zijn werk, uit vertaling, voortzettingen en bekortingen blijkt de populariteit die hij in de late Middeleeuwen genoot; voor lange tijden was zijn compilatie het laatste en belangrijkste woord. Zijn Chronographia bepaalde de geschiedkennis van vele generaties. Hij moge dan tegenwoordig, juist omdat hij vaak niet meer was dan een intelligent compilator, wat in de achting van de historici zijn gedaald, het feit blijft staan dat zijn werk in de Middeleeuwen toonaangevend is geweest en als zodanig is en blijft hij voor ieder die zich voor de geschiedenis van de geschiedschrijving interesseert een belangwekkend verschijnsel. (p.40) Wat hier geschetst wordt door Hugenholtz is precies het probleem. De door Beke geschreven Chronographia uit het midden van de 14de eeuw is nog steeds de basis van veel historische opvattingen, terwijl zijn werk weinig kritische is bestudeerd.

  4. Beke nu geeft teleurstellend weinig over de Utrechtse geschiedenis van de dertiende eeuw en dat frappeert vooral voor de periode van Jan van Nassau, die in de tijd toch niet zo verschrikkelijk ver van hem verwijderd was en bovendien naar we zeker weten geen onbelangrijk man, al was het alleen maar omdat het in het Sticht tijdens zijn bewind zo snel bergafwaarts ging. Muller heeft al kort en krachtig gezegd waartoe zich Bekes berichtgeving - de periode Jan van Nassau beslaat drie folio-bladzijden - beperkt: „Maar als wij die drie bladzijden lezen, dan vinden wij: het verhaal van een oproer, waarin de bisschop geen rol speelt, - berichten over de veldtochten van Floris V tegen de Westfriezen, - een en ander over Floris' strijd met Vlaanderen, - een correspondentie tusschen graaf Floris en den pseudo-Frederik II, - notities over een watervloed en over een brand te Utrecht, - en eindelijk . . . het verhaal van 's bisschops afzetting-" 7a). Dat is merkwaardig weinig, vooral als men weet wat er allemaal aan werkelijk schilderachtigs over Jan van Nassau te vertellen zou zijn geweest: (p.40/41) Zie vorige opmerking: op dat weinige is met de nodige fantasieën de geschiedenis later uigebreid.

  5. Volgens Buchelius' titelblad Canonicus Trajectensis was en is men geneigd Beke niet alleen gebrek aan informatie maar ook een gebrek aan belangstelling te verwijten. Het is echter steeds duidelijker geworden dat alles wat we weten omtrent de persoon van Beke naar Holland wijst. J.Hof heeft hem, met overtuigende waarschijnlijkheid, teruggevonden in een Egmondse rekening, waaruit blijkt dat hij priester was, in dienstverband stond van de abdij en daar ook verblijf gehouden heeft. Op deze wijze is een vrij raadselachtige zaak opgelost: Beke zegt immers zelf in zijn voorwoord dat hij te Egmond ijverig alles heeft bijeengegaard uit de historiën, annalen, kronieken, codices, privileges, „dictaminibus" (gedichten?) en brieven en dat hij daarover een zevental jaren heeft gewerkt.
    De geleerden hadden trouwens al lang gemerkt dat het materiaal dat Beke gebruikt had voor het maken van zijn Stichts-Hollandse kroniek vooral uit Holland kwam. We weten nu dat zulks ook voor de hand lag gezien zijn relaties tot de abdij van Egmond, van oudsher een centrum van historiografie. Overigens kon Beke op Utrechtse historiografen ook nauwelijks terugvallen, want die waren er niet. (p.41) hier komen we op de abdij van Egmond, gesticht en bevolkt met monniken uit Gent, die ook vanuit Gent diverse kronieken meenamen. Deze kroniken bleken afkomstig uit Noord-Frankrijk (St.Omaars en Abbeville) en staan bekdn als de Annalen van Egmond. De dokumentatie van het bisdom van St.Willibrord staat praktisch geheel in één codex, het befaamde Cartularium van Egmond, dat in de 12e eeuw in de abdij van Egmond via Gent terecht kwam. Van tevoren is het in Nederland niet bekend geweest, wat dan ook duidelijk maakt waarom vóór de 12e eeuw in Nederland met geen woord is gerept over Willibrord en diens bisdom. Utrecht kreeg pas in de dertiende eeuw vanuit de abdij van Egmond een kopie van het Cartularium.

  6. Is de magerte van de dertiende eeuw bij Beke te verklaren uit het feit dat geen andere dan Hollandse bronnen ter beschikking stonden en hoe komt het dan dat die Hollanders zo bitter weinig te melden hadden over de gebeurtenissen in het aangrenzende gewest? Op deze vraag wil ik nu nader ingaan aan de hand van de Rijmkroniek van Melis Stoke, die een belangrijke bron voor Beke is geweest. Deze Rijmkroniek is kort na 1300 klaar gekomen en werd geschreven ten behoefte van de graaflijke dynastie. (p.41/42) Melis Stoke was een 'hofschrijver' van de Graven van Holland. Men dient zijn verhaal ook in dat licht te beschouwen. Zijn historisch geografische beschrijvingen blijven ondanks dat wel belangrijk.

  7. We vragen ons wel af welke aandacht Stoke heeft geschonken aan het buurland, het Sticht Utrecht. We moeten ons er voorts van bewust zijn dat Stoke slechts een deel van de dertiende eeuw, de laatste veertig à vijftig jaar, bewust heeft meegemaakt en voor de oudere periode zelf weer was aangewezen op het werk van anderen. Ook wanneer we dit alles in aanmerking nemen, is wat hij over het Sticht in de dertiende eeuw weet te berichten merkwaardig pover. Het was ook voor Stoke blijkbaar nog moeilijk informaties te krijgen over de eerste helft van de eeuw. Zijn vaste bron voor de periode daarvoor, het Chronicon Egmondanum, liet hem vanaf 1205 in de steek en kennelijk heeft hij voor de decennia vanaf dat moment tot dat waarop hij op zijn eigen waarneming kon gaan steunen weinig materiaal aangetroffen.(p.42)

  8. Tussen 1196 en 1296 blijkbaar geen interessante verkiezingen, maar wat merkwaardiger is, ook geen interessante bisschoppen. Zelfs de toch geruchtmakende elect Jan van Nassau (1267-1290) wordt slechts eenmaal genoemd, komt in het stuk eigenlijk niet voor. En men vraagt zich af hoe het komt dat de hoofdbron voor de geschiedenis van Floris V diens grote tegenspeler en slachtoffer Jan van Nassau zo notoir heeft verwaarloosd. In de Rijmkroneiek van Stoke is een opmerking die wel wat cryptisch is - al weer wordt gezwegen over de leenhoogheid van de bisschop - maar tevens vermoedelijk wel juist. In de beschrijving van de nu volgende zestig jaren (na 1202) wordt met geen woord gerept over Utrecht, de bisschop of het Sticht, dat alles bestaat eenvoudig niet. Tot die tijd wekte Stoke de indruk niets meer te weten. (p.44) Utrecht en Het Sticht blijken voor Melis Stoke geen belangrijk onderwerp geweest te zijn.

  9. Het probleem is nu duidelijk. Hoe is het mogelijk dat Stoke zo summier is -en de schrijvers die na hem komen en op hem steunen onvermijdelijk ook - over Stichtse zaken? Bestudeert men de geschiedenis van Floris V dan is het zonder meer duidelijk dat hij zijn aandacht heeft moeten verdelen over drie gebieden, Friesland, Zeeland (en Vlaanderen) èn het Sticht. Uit het overgeleverde oorkondenmateriaal blijkt zonneklaar dat hij bijzonder veel aandacht heeft besteed aan zijn politiek in oostwaartse richting. Men kan zelfs stellen dat het een van de gebieden is geweest waar zijn politiek grote successen heeft geboekt. We weten ook dat zijn optreden in het Sticht in hoge mate is begunstigd door de uiterst zwakke positie van Jan van Nassau (p.45)
    Over het tijdperk tussen 1205 en 1267 kunnen we, met Stoke, kort zijn. De Rijmkroniekschrijver beschikte wel over een enkele bron voor die periode, maar die leverde hem naast Hollandse en algemene rijkszaken niets over het Sticht, zijn bisschoppen of hun stad. (p.46) Blijkbaar was Utrecht en Het Sticht voor Stoke, en de schrijvers na hem, niet belangrijk genoeg om er veel over te schrijven. We kunnen het belang van Utrecht dan ook sterk relativeren. Utrecht komt als belangrijke stad pas op in de 14de eeuw, precies ook de tijd dat de geschiedenis van Willibrord er voor het eerst geplaatst wordt met het vragen van enige relieken van de heilige, die,na isotopisch onderzoek, uit de 12de eeuw blijken te stammen (en waarschijnlijk aan een overleden pater in Echternach hebben toebehoord). Lees meer over het Corpus van Willibrord in Echternach, dat aantoonbaar vals is.

  10. Johannes de Beke weet dus wel veel meer dan Stoke en de Procurator, al is het nog maar een droevig beetje en al is vooral de chronologie bij hem wel wat vreemd geconstrueerd. Bestonden er overigens andere bronnen die geraadpleegd hadden kunnen worden? Natuurlijk waren er voor de drie genoemde auteurs (ouder) tijdgenoten die inlichtingen hadden kunnen verstrekken. Voor de auteur van de Rijmkroniek zou dat zelfs de graaf of diens directe omgeving hebben kunnen zijn: hij geeft er immers herhaaldelijk blijk van achter de politieke schermen te hebben kunnen kijken of althans inlichtingen te hebben gekregen van mensen die dat konden. In dit opzicht is Beke veruit zijn meerdere, omdat deze de uiterst schaarse berichten van zijn voorbeelden althans heeft aangevuld met gegevens van overigens onbekende herkomst; vermoedelijk heeft hij moeten steunen op het niet al te sterke geheugen van zegslieden. (p.49) En juist dat aanvulen van de schaarse berichten is bij Beke opletten geblazen. Wat hij schrijft wordt met geen tweede bron bevestigd en is dus betwistbaar. Lees er meer over bij Johannes Beke en Wilhelmus Heda.



    Land zonder grenzen. Het grensgebied van Nedersticht en het graafschap Holland. Kopergravure ven G.Blauw ca.1635.
    Kaartje in het artikel van Hugenholtz (p.50/51). Klik op de kaart voor een vergroting.

    Het is opmerkelijk dat Hugenholtz een kaartje uit de 17de eeuw bij zijn verhaal plaatst. Echter, in de 17de eeuw was de situatie uiteraard geheel anders dan in de 13de eeuw waar dit arikel over gaat en de meeste gronden nog moeras of veen (zie de plaatsnamen) waren. Veel van de hier genoemde plaatsen bestonden nog niet in de 13de eeuw en hadden zeker nog geen naam zoals in de 17de eeuw. Opmerkelijk is ook dat bij Woudenberg het bos 'Hengestscote' niet genoemd wordt en bij Hoogland wordt het bos 'Weede' niet genoemd, bij Soest wordt 'Fornhese' niet genoemd en in de buurt van de Modderbeek geen Mocoroht. Dat zouden immers de 4 bossen uit de oorkonde uit 777 zijn, zoals altijd algemeen werd aangenomen dat die rond Amersfoort zouden liggen. Het gebied rondom Amersfoort zou uit die oorkonde de naam Flethitte gekregen hebben. Ook deze naam ontbreekt op deze kaart, die op latere kaarten wel voorkomt. Is deze aanname pas ontstaan ná het jaar 1635? Wel wordt bij Amersfoort/Leusden de Heylighenberch afgebeeld, met een onduidelijke tekening van een kerkje of een klooster? Op een vergelijkbare kaart uit 1708 staat bij Heyligenberg (iets andere spelling!) een kerkje getekend (zie afbeelding hiernaast). Een kerkje heeft er op de Heiligenberg echter nooit bestaan!

  11. De tijdgenoten schrijven over het Sticht als over een vrij vaag gebied, waarbinnen de omringende machthebbers nog betrekkelijk vrij kunnen opereren zonder daarvoor rechtsgronden te hoeven aanvoeren. Op deze wijze wordt ook de zwijgzaamheid van Stoke over het Sticht begrijpelijker: graaf Floris deed niet anders dan zijn voorgangers altijd hadden gedaan, optreden in een land zonder grenzen, een land zonder macht en een land met een vorst van twijfelachtige status. Hij kon niet voorzien dat juist zijn graaf Floris door zijn optreden zo grote winst voorbereidde; voor Stoke was het Sticht inderdaad een quantité négligeable (p.54) Een quantité négligeable is een verwaarloosbare hoeveelheid ofwel een verwaarloosbaar gebied. Holland was immers belangrijker en blijkt dat nog steeds te zijn, zoals in het buitenland Nederland nog te vaak 'Holland' wordt genoemd. Dat vooropstellen van het belang van Holland, stamt dus niet pas uit de 17de eeuw -de Gouden Eeuw-, maar al uit de 14de eeuw ten tijde van de oudste 'Hollandse' schrijvers. Het sluit uit ook precies aan bij de opvatting van Cornelis Aurelius die de Bataven als de voorouders van die dappere Hollanders, in Holland plaatste.

  12. Het droevige feit deed zich vervolgens voor dat, toen in het vervolg van de veertiende eeuw de historiograaf Beke moest schrijven over een zich toen territoriaal afsluitend Sticht, deze zo bijzonder weinig kon putten uit een van zijn voornaamste bronnen, Melis Stoke. (p.54) Hieruit blijkt al zonneklaar dat zowel Stoke als Beke hun mededelingen te veel gebaseerd hebben op het gebruik van het woord „quidam", wat nu niet bepaald getuigt van een intieme kennis van het recente verleden (p.48) en een niet al te sterk geheugen van zegslieden (zoals vermeld op p.49). Quidam kan het best vertaald worden met 'een zekere' of 'van horen zeggen', nu niet de meest betrouwbare bron. En op de schrijverij van Johannes de Beke is de geschiedenis van Utrecht en Nederland gebaseerd, aangezien De Beke vaak als oudste bron wordt genoemd in heel wat oudere literatuurlijsten. Andere historici noemen het geschrijf van Johannes de Beke 'onbetrouwbaar'. Het is daarbij dan wel opvallend dat de geschriften van Beka en Heda in tegenwoordige literatuurlijsten steeds ontbreken, hoewel men wel hun opvattingen over Willibrord in Utrecht en Bonifatius in Dokkum vermoord blijft volgen!


Utrecht heeft na de Romeinse tijd tot in de 12de (?) / 14de (?) eeuw nauwelijks iets voorgesteld en niet bestaan als -al dan niet belangrijke- stad. St.Willibrord heeft er nooit gemissioneerd. Daarvoor ontbreekt elk bewijs, zowel tekstueel als archeologisch. Dat Willibrord hier geweest zou zijn is dan ook een volslagen mythe.


Lees meer over achtergronden om een goed begrip te krijgen over de werkwijze in de historische wetenschap.

Citaten van Historici


wetenschap is twijfel


ongelooflijk


onnozelheid


Heiligenlevens


Kletspraat

Lees meer over het ontstaan van de traditionele opvattingen in de loop der eeuwen en vooral sinds de 17de eeuw.
11de en 12de eeuw
13de en 14de eeuw
Opvattingen in de 15de, 16de en 17de eeuw
18de eeuw
19de eeuw
20ste eeuw




Lees het boek "De Ware Kijk Op" voor al deze en andere teksten en oordeel zelf!

Terug naar de beginpagina.
Het Bronnenboek van Nijmegen weerlegt de Karolingische geschiedenis van Nederland.
Naar het overzicht in het kort.