De historische geografie van de lage landen.
Terug naar de beginpagina.
Het Bronnenboek van Nijmegen weerlegt de Karolingische geschiedenis van Nederland.
Naar het overzicht in het kort.

Onder Gelders gezag, het verval, de bouwer en heimwee naar de burcht.
Hoofdstuk 5, 6, 7 en 8: p.128-228.

De literatuuropgave in dit boek over Het Valkhof is veelzeggend. Verwijzingen naar bijvoorbeeld Smetius (1645), Daniëls (1921) en Schevichaven (1896) geven duidelijk aan dat er slechts oude opvattingen worden aangehaald uit de tijd dat archeologie en geschiedschrijving nog niet serieus bestonden. Ook de verwijzing naar de Stede-Atlas van Friedrich Gorissen (1952) is wat dat betreft duidelijk. Gorissen ging bij zijn Stede-Atlas uit van het bestaan van een Karolingische Palts, terwijl dat juist eerst eens bewezen zou moeten worden, welk bewijs tot heden nog steeds ontbreekt. De verwijzing naar het Bronnenboek van Nijmegen van Leupen en Thissen (1981) is de beste bevestiging van achterhaalde geschiedenis.


Feitelijk is Het Valkhof een misplaatste naam. Deze naam impliceert de bij de Karolingen gebruikelijk Valkenjacht. Maar van een Valkenjacht is daar nooit sprake geweest, immers de Karolingen zijn nooit in Nijmegen geweest.



De Fundamentele verwarring bestaat uit de vraag of Noviomagus uit de klassieke teksten Nijmegen is of Noyon. Het kernpunt waar alles mee begon en waar alles om draait is deze hier genoemde fundamentele verwarring. Deze kwestie ligt aan de grondslag van talloze andere opvattingen, zoals de verwarring rond Trajectum: was het Utrecht of was het Tournehem en Dockynchirica, was dat Dokkum of Duinkerke? Immers als Nijmegen fout is, is Utrecht ook niet de bisschopszetel van Willibrord en werd Bonifatius niet in Dokkum vermoord en dan was de Betuwe ook niet het land van de Bataven. Dat gebeurde allemaal in Noord-Frankrijk!




De locatie van de Gertrudiskapel ten opzichte van Het Valkhof (p.58).




Plattegrond van Jacob van Deventer uit 1560 (p.59).




Plattegrond van Nicolaes van Geelkerken uit 1639 (p.137).




Plattegrond van Hendrik Feltman uit 1649 (p107).


Op geen van deze plattegronden is op de vermeende locatie van de Gertrudiskapel een gebouw te zien.




Ruïne van de Gertrudiskerk bij het Valkhof.
In 1997 zou op Kelfkensbos bij archeologisch onderzoek voorafgaand aan de bouw van Museum Het Valkhof, restanten van een kelder opgetrokken uit natuurstenen blokken gevonden zijn. Deze natuurstenen blokken waren vermoedelijk afkomstig van gesloopte Romeinse gebouwen. Mogelijk gaat het om de kelder van de oude pastorie, die na de verplaatsing van de Sint-Stevenskerk in 1254 is afgebroken. Zie foto hierboven. Klik op de foto voor een vergroting. (p.139).



De Gertrudisruïne in Nijmegen (p.142). Klik op de foto voor een vergroting.
Of het een ruïne van de Gertrudiskerk was is een aanname. Of was het een stuk van de stadsmuur die in 1456 werd gebouwd, zoals op p.142 wordt genoemd?

Op de website van De Kerk van Sint-Gertrudis begint het verhaal ook met Pepijn van Landen en 'mogelijk' en 'waarschijnlijk' en toont een stuk stadsmuur aan de Voerweg, waar de Sint-Gertrudiskapel onderdeel van uitmaakte (zie foto hieronder: klik op de foto voor een vergroting).



We stuiten met het vergelijken van de plaats van de 'vermeende' Gertrudiskerk (platterond bovenaan in deze kolom) en de plaats waar de muur gelocaliseerd wordt, op een probleem. Beide locaties komen niet overeen, verre van zelfs. Op de plattegrond hierboven ligt de St.Gertrudiskerk ten oosten van de Voerweg. Op de foto's zou de Gertrudiskerk ten westen van de Voerweg hebben gestaan, precies op de plaats van de stadsmuur. Deze muur kan dus niet van de Gertrudiskerk geweest zijn, maar was gewoon een stuk van de stadsmuur.

Hier is ook weer de gewenste gedachte met vermoedelijk en mogelijk, sterker dan het strikte bewijs. In de verwijzing (noot 25) wordt B.Thissen genoemd met "Die Pfalz Nimwegen zwischen Reichs- und Territoriale Gewalt (1247-1371)".


We bespreken hier de hoofdstukken 5 t/m 8. Hoewel de periode van na 1247 buiten het onderzoek van Albert Delahaye valt, zijn er toch meerdere opmerkingen over te maken. Immers latere opvattingen vinden hun oorsprong in de aanname van de aanwezigheid van het Paleis van Karel de Grote in Nijmegen.

Als je leest wat Museum Het Valkhof zelf publiceert en laat zien, dan worden een aantal misvattingen vanzelf gecorrigeerd. Zo vertoont Museum het Valkhof tussen de 3de en 11de eeuw een gat van eeuwen. In 'Het Valkhof in Nijmegen' onder redactie van G.Lemmens (uitgave van het Nijmeegs Museum 'Commanderie van Sint-Jan') wordt vermeldt dat 'Nijmegen was als stad in feite ten onder gegaan aan het einde van de derde eeuw, pas in de dertiende eeuw was er weer een nederzetting van enige omvang'.

De 'bekering' heeft zich al ingezet als we Wikipedia mogen geloven. Daar lezen we nu: "Omdat van Karel de Grote gezegd wordt dat hij een palts bij Nijmegen liet bouwen, wordt de stad Nijmegen weleens aangeduid als keizerstad. Karel de Grote was er op het paasfeest van 777 en meermalen tussen 804 en 814. Vermoedelijk heeft hij er toen zelfs gewoond". De (door mij) onderstreepte worden geven toch aan dat er de nodige twijfel bestaat.

In de geschiedenis van Nijmegen neemt Het Valkhof een centrale plaats in. Met het boek 'Het Valkhof 2000 jaar geschiedenis' willen de "Nijmeegse" historici nu eens uitvoerig aantonen dat omtrent het bestaan van de Karolingische Palts geen twijfel bestaat. In de 8 hoofdstukken die we hieronder bespreken nemen de auteurs hun standpunten in en menen ze alle twijfel over Karolingisch Nijmegen weg te kunnen nemen. De hoofdstukken zijn:
  1. Hoofdstuk 1. Het Valkhof en omgeving tot het einde van de Romeinse tijd, Harry van Enckevort & Jan Thijssen.
  2. Hoofdstuk 2. Een noordelijk steunpunt. Vroegmiddeleeuws Nijmegen vanuit archeologisch perspectief, Joep Hendriks, Arjan den Braven, Harry van Enckevort & Jan Thijssen.
  3. Hoofdstuk 3. Centrum en symbool van koninklijk gezag. Het Valkhof en de palts te Nijmegen van 777 tot 1247, Bert Thissen.
  4. Hoofdstuk 4. 'Buitengewoon en onvergelijkbaar', Het Valkhof vanuit bouwhistorisch perspectief tot circa 1200 , Elizabeth den Hartog.
  5. Onder Gelders landsheerlijk gezag. De burcht in het spanningsveld tussen stad en landsheer, 1247-1543, Jan Kuys.
  6. Hoofdstuk 6. Het verval van een icoon. De Valkhofburcht gedurende de jaren 1543-1797, Jac Geurts.
  7. Hoofdstuk 7. Wie was de bouwer van de eerste burcht? Denken over de vroegste geschiedenis van het Valkhof in de twaalfde tot negentiende eeuw, Louis Swinkels.
  8. Hoofdstuk 8. Heimwee naar de burcht. Het Valkhof vanaf de sloop tot de herbouwplannen voor de Reuzentoren, Hettie Peterse.
De centrale plaats die het Valkhof in de geschiedenis van Nijmegen inneemt, wordt tegengesproken door de excentrische ligging. Het Valkhof lag buiten de oude stad. Zie afbeelding hiernaast van Hendrik Feltman uit 1670. Klik op de kaart voor het detail met het Valkhof. Die ligging geeft al meteen aan dat het in opzet geen Karolingische maar een Duitse stad was. In een Karolingische stad lag de palts altijd in het centrum, met de bewoning daar omheen. Zie als voorbeeld de plattegrond van Noyon.

De vraag is ook of die 2000 jaar geschiedenis slechts voor het Valkhof geldt of ook voor de hele stad? In Nijmegen meent men dan wel dat het de oudste stad van Nederland is, maar daarvoor bestaan bij voorbaat al vier problemen:
  1. Er is geen enkel bewijs dat Nijmegen ooit stadsrechten kreeg van de Romeinen. Lees daar meer over bij Stadsrechten.
  2. Er bestaat geen continuïteit in de geschiedenis van Nijmegen. Lees daar meer over bij Nijmegen oudste stad?, wat in het Bronnenboek bevestigd wordt.
  3. Het grootste probleem in de geschiedenis van Nijmegen is het veronderstelde Paleis Noviomagus van Karel de Grote dat er archeologisch nooit gevonden is . Dat Paleis stond in zijn kroningsstad Noviomagus, dat onmiskenbaar Noyon was?
  4. Met het Bronnenboek van Nijmegen is aangetoond dat alle teksten over Noviomagus tot 1047 niet over Nijmegen, maar over Noyon gaan. Lees meer over het Bronnenboek.

De visie van Albert Delahaye.
Het is wel duidelijk dat Albert Delahaye tijdens zijn werk in Nijmegen een totaal andere kijk kreeg op de continuïteit van de stad. Die bleek er niet geweest te zijn. Het Romeins wordt door hem helemaal niet ontkend, al beweren kwaadaardige opponenten dat wel eens. Maar zelfs in de Romeinse periode zijn enkele hiaten aangetoond en daarna brak een lange tijd van een nagenoeg onbewoonde periode aan. Er zijn wel enkele graven gevonden uit verschillende eeuwen, maar met een graf bewijs je geen bewoning als er geen nederzetting wordt gevonden. Zo is van de aanwezigheid van een Karolingische Palts die er ruim 4 eeuwen gestaan moet hebben nog steeds niets teruggevonden. Maar het belangrijkste in de visie van Delahaye vormen de teksten. En die wijzen allemaal naar het Noviomagus waar Karel de Grote tot Koning van de Franken werd gekroond, wat onmiskenbaar het Noord-Franse NOYON was. Alle teksten die in Het Bronnenboek van Nijmegen opgevoerd worden om daarmee te bewijzen dat 'toch Nijmegen bedoeld zal zijn', blijken over Noyon en enkele andere steden te gaan die in de Romeinse tijd ook Noviomagus heetten. Ligt Nijmegen aan een rivier die uitstroomt in de Seine? Ligt Nijmegen vlak bij Parijs? Ligt Nijmegen tussen Soissons en Amiens? Ligt Nijmegen in Picardië? Heeft Nijmegen ooit een bisschopszetel gehad? Op al deze vragen is het antwoord volmondig NEEN. Dan was Noviomagus ook niet Nijmegen, maar Noyon.
Het belangrijkste en keiharde bewijs die de aangenomen Karolingische geschiedenis van Nijmegen tegenspreekt is de gedenksteen van Frederik Barbarossa, die in Museum Het Valkhof te zien is. Lees meer over deze gedenksteen.

We geven hieronder letterlijke citaten en hebben die in rood voorzien van onze opmerkingen en commentaren. De gebruikte nummering kan wijzigen door het tussenvoegen van nieuwe bevindingen.

    Hoofdstuk 5. Onder Gelders landsheerlijk gezag. De burcht in het spanningsveld tussen stad en landsheer, 1247-1543, door Jan Kuys.

    Jan Kuys schrijft in dit hoofdstuk enkele keren over de Nijmeegse Palts, waarmee toch weer de suggestie wordt gewekt dat het over de Palts van Karel de Grote gaat. Die is er nooit geweest. Sinds 1155 bestond wel de burcht van Frederik Barbarossa, meestal ook zo genoemd, maar die was zeker niet Karolingisch. (zie punt 2 hieronder).

  1. Het jaar 1247 wordt algemeen beschouwd als een breekpunt in de Nijmeegse geschiedenis. De burcht met toebehoren, de stad en het Rijk van Nijmegen kwamen toen als pandgoed in bezit van graaf Otto II van Gelre en werden onderdeel van zijn graafschap. Geleidelijk aan zouden de koninklijke palts, de stad en het Rijk van Nijmegen na 1247 met het graafschap Gelre vergroeien (p.129).

    De verpanding van de burcht en de stad betekende inderdaad een breekpunt en er was ook zeker sprake van een groot spaningveld tussen stad en landsheer, wie dat ook was.
    Met de verpanding werd precies aangetoond wat de historici nooit hebben kunnen accepteren: Nijmegen is nooit een Duitse Rijksstad geweest, ook al voert het de dubbele Duitse adelaar in het gemeentewapen.
    Ook opvallend is dat Nijmegen bij alle pogingen om zich los te maken van Gelre en een eigen zelfstandigheid te krijgen en als Duitse stad, zich nooit beroepen heeft op haar zogenaamde Karolingsche status.

    Het Bronnenboek eindigt zijn referenties met de oorkonde uit 1247, alsof de kwestie van Karolingisch Nijmegen hiermee afgedaan was, terwijl zij in feite dan pas begon. Immers, tot nu toe hebben we in de schriftelijke bronnen niet het minste spoor kunnen ontdekken, dat enige relatie zou inhouden met de Karolingische voorgeschiedenis van Nijmegen, evenmin enige bevestiging over het bestaan van die traditie. Sommige historici, waaronder de auteurs van het Bronnenboek, aan wie de elementaire kennis van de middeleeuwse staatsinstellingen blijkt te ontbreken, hebben uit de oorkonde van 1230 (met de verlening van stadsrechten door koning Hendrik VII) afgeleid, dat Nijmegen een vrije Rijksstad was. In de oorkonde staat echter geen woord over dit statuut. Vanzelfsprekend kan het niet worden afgeleid uit de woorden van de suppliek, waarin Nijmegen vroeg om in bepaalde zaken gelijkberechtigd te worden met “Aken en andere steden van ons en van het rijk” . In het Latijn staat: “Aquisgranum et aliae nostrae civitateset imperii” . Het Bronnenboek vertaalt dit met “rijkssteden”, wat taalkundig al fout is, en hup, Nijmegen is dus ook rijksstad geweest. De Nijmegenaren bedoelden in 1230 al niet rijksstad; de koning nog minder, want in de eigenlijke beschikking komt de formule “Aken en de andere steden van het rijk” niet eens meer voor.

    Was Nijmegen een Rijksstad geweest, dan had de stad een zetel gehad in de Duitse Rijksdag en had de verpanding nooit plaats kunnen vinden. Immers, de verpanding van een Rijksstad zou door de Duitse Rijksdag en zeker door de andere Rijkssteden als een verraad tegen het Rijk zijn opgevat. Nijmegen heeft ook nooit deelgenomen aan enige militaire operatie van het Duitse Rijk, tenzij als ondergeschikte van Gelre. De enige maal dat Nijmegen in verband met een Rijksdag is genoemd, was in 1543, toen de stadsbode Gerrit van Ravenstein een reis maakte naar de Rijksdag van Neurenberg. Wat precies zijn opdracht was, wordt niet vermeld. Maar in 1543 stelde de titel van Rijksstad feitelijk al weinig meer voor en was het meer verworden tot een economische inhoud dan een staatsrechtelijke. Als archivaris trok Albert Delahaye een volgende dodelijke conclusie voor de auteurs van de rijksstad-theorie en vooral voor hun leider
    Leupen. Wanneer zo ’n belangrijke en essentiële thesis voor een stad wordt gesteld, is het wel zaak om uit de stadsarchieven bewijzen daarvoor aan te dragen, maar deze primaire bron hebben zij glansrijk overgeslagen. Afdoende is ook dat Nijmegen zich in zijn strijd tegen Gelre en zijn zucht naar onafhankelijkheid nooit beroepen heeft op de titel van rijksstad of enige Karolingische status. Dat zou toch het argument bij uitstek zijn geweest om zijn aspiraties kracht bij te zetten en de overheersing van Gelre af te houden.

    In 1431 zette koning Sigismund een nieuwe stap door over Arnold en de inwoners van Gelre de rijksban uit te spreken, hetgeen betekende dat al hun burgerlijke en politieke rechten vervielen. De stad Nijmegen wist zich aan deze rijksban te onttrekken met een beroep op het feit dat zij niet Gelders was, maar een rijksstad die slechts verpand was aan de hertog van Gelre. Hierdoor werd de rijkskanselarij geattendeerd op iets wat deze vermoedelijk al lang vergeten was, namelijk dat de palts van Nijmegen nog steeds aan de hertogen van Gelre verpand was. Vanwege dit beroep op de rijksstatus werd Nijmegen nu door de koning gesommeerd de oude verpandingsbrieven te tonen. Dit is vermoedelijk gebeurd en vervolgens heeft Sigismund in 1435 het pand ingelost door de totale pandsom uit te betalen aan Adolf van Berg, die immers in zijn visie de wettige hertog van Gelre was. Formeel waren hiermee de sinds 1247 verpande rijksgoederen aan het Duitse rijk teruggevallen. Aangezien het hertog Adolf van Berg en zijn opvolgers nooit is gelukt Gelre in hun macht te krijgen, zijn Nijmegen en het Rijk feitelijk steeds Gelders gebleven. Dit voorval laat evenwel zien dat zelfs in de vijftiende eeuw de hertogen van Gelre nog ernstig rekening moesten houden met het verlies van hun Nijmeegse pandbezit en dat het voor Nijmegen politiek loonde zich als niet-Gelderse stad en rijksstad te afficheren (p.141/142).

    Direct na de verpanding van de burcht liet de graaf van Gelre merken, dat de aanwezigheid van de parochiekerk vlakbij de burcht, die hij nu als de zijne beschouwde, hem een doorn in het oog was. In 1249 verkreeg hij van de aartsbisschop van Keulen verlof “ om de parochiekerk, die hem zeer hinderlijk was” a f te breken en op een andere passende plaats te herbouwen. De akte benadrukt, al zegt zij dit niet met zoveel woorden, dat hier de St. Nicolaas-kapel bedoeld was. De afbraak is niet doorgegaan - de kapel staat er vandaag nog! - waarschijnlijk omdat de stad de eis had gesteld dat, wanneer de graaf van Gelre de kerk weg wilde hebben van het Valkhof, hij op zijn kosten dan maar een nieuwe moest laten bouwen, wat trouwens ook in het verlof van de aartsbisschop van Keulen bevolen was. Even waarschijnlijk is dat de stad de graaf heeft tegengewerkt, die zij met lede ogen als haar heer moest aanvaarden, en die zij op dat tijdstip nog als een vreemde indringer beschouwde. In dezelfde maand juni 1254, toen de hypotheek op de burcht was verhoogd, deed de graaf van Gelre een nieuwe poging om de kerk verplaatst te krijgen. Samen met de rechter, de schepenen en burgers van Nijmegen schonk de graaf de Hundisberg aan het kapittel der H. Apostelen te Keulen, die het patronaatsrecht over de parochiekerk van Nijmegen bezat, om daar een nieuwe kerk met kerkhof te stichten.

    De Ste.Gertrudiskerk in Nijmegen.
    Na een uitvoerig bericht over de bouw van de St. Stevenskerk en haar inwijding door St. Albertus de Grote laat Willem van Berchen volgen, dat de gelovigen in 1459 op de plaats van het voormalig kerkhof een kapel stichtten ter ere van Ste.Gertrudis, wat het verhaal sluitend leek te maken dat de Ste.Gertrudis ook voorheen de parochiekerk van Nijmegen was. Van die kerk is geen spoor te bekennen geweest. Het is dan erg interessant wat er op de oude stadsplattegronden te zien is. Zie in de linker kolom. Willem van Berchen vermeldt daar heel eerlijk over dat hij het 'van horen zeggen' heeft. We kunnen ook hier Van Berchen betrappen op wat duimzuigerij, immers hij meende ook dat de eerste parochiekerk van Nijmegen ten tijde van de Pepijnen (7e eeuw) was gesticht en onder het patronaat van Ste.Gertrudis stond. De stichting van een parochiekerk ter ere van Ste. Gertrudis (626-659) is een zodanig lachertje, dat geen enkele serieuze historicus in Nijmegen, waar men warempel niet flauw is met mythen, dit ooit heeft durven herhalen. Tot in dit boek over het Valkhof dan! Lees meer over Ste.Gertrudis in hoofdstuk 2 onder punt 49.

    Een van die mythe was de Karolingische Palts die de mensen niet alleen van af de schoolbanken in het hoofd werd gepraat, zij werd hen tevens met de “ Karolingische Kapel” bijna onuitwisbaar op het netvlies gebrand. De juiste naam van St. Nicolaas-kapel, die Albert Delahaye al in 1954 heeft genoemd, is na aanvankelijk hevige tegenstand, toch volledig door Nijmegen aanvaard; het staat ontelbare malen in de huidige literatuur.

    Nijmegen heeft na de verpanding van de burcht aan Gelre een eeuwenlange en hopeloze strijd geleverd om zich aan de politieke gevolgen daarvan te onttrekken. Door de oorkonde van 1230 leek een schoon begin gemaakt te zijn om te komen to t een gelijkschakeling met de Duitse steden, wat nadien als het argument werd aangegrepen om te ontkomen aan de greep van Gelre. Indrukwekkend lijkt de serie oorkonden en privileges die Nijmegen bezit. Zij werden verleend door: Hendik VII in 1230; Richard in 1257; Rudolf in 1282; twee stuks, waarvan een met een duidelijke strekking tegen Gelre; Albert in 1304; Hendrik VII in 1310; Lodewijk IV in 1324 en 1338; Karel IV in 1349 en 1357; de laatste is de zogenaamde Gouden Bul; Wenceslausin 1384; Frederik III in 1442; Karel V in 1549 en Rudolf II in 1576. Door hun aantal, termen, zegels en afkomst zouden deze keizerlijke oorkonden een geweldige indruk kunnen maken. Men moet zich echter niet laten verblinden door de figuren van de oorkonders bij het nawegen van het juiste gewicht van de inhoud en het effectieve nut voor de stad.
    Als eerste intrigerende vraag dringt zich immers op, waarom zoveel koningen en keizers in de serie ontbreken. Er zijn geen oorkonden of bevestigingen (we beginnen bij 1125) van de volgende vorsten: Koenraad III (1138-1152); Frederik I (1152-1190): Hendrik VI (1190-1197); Philips van Zwaben (1198-1208); Otto IV (1208-1218); Frederik II (1218-1250); Koenraad IV (1250-1254); Willem II (1250-1256); Adolf van Nassau (1291-1298); Ruprecht (1400-1410); Sigismund (1410-1437); Albrecht II (1438-1439); Maximiliaan I (1493-1519); Ferdinand I (1556-1564) en Maximiliaan II (1564-1576).
    Tegenover 11 koningen van het Duitse rijk, die de rechten van de stad bevestigd hebben, staan er 15 die zich niet verwaardigd hebben Nijmegen een gunstbrief te schenken. Dit feit heeft een heel simpele verklaring. Uit het gehele rijtje van wel en niet verleende oorkonden blijkt zonneklaar, dat Nijmegen deze gunstbrieven gevraagd heeft in perioden waar de stad in de verdrukking van Gelre stond, zoals na 1250, toen de gevolgen van de verpanding begonnen door te dringen; tegen het einde van de 13e eeuw, toen het duidelijk werd dat de stad de hertog van Gulik-Gelre volledig als haar heer moest erkennen; omstreeks 1440, toen de stad om politieke redenen weer sterker tegen Aken ging aanleunen, en omstreeks 1543, toen Gelre verloren dreigde te gaan in de politiek van Karel V.
    Het is meer dan opvallend, het is waarschijnlijk alles bepalend, dat de stad juist in de perioden, waar zij actief bezig was zich tegen Gelre af te zetten, koninklijke gunstbrieven vroeg en verkreeg, en dat er geen aanwezig zijn uit de perioden, waar het aktie-voeren tegen Gelre en het nadruk leggen op het zogenaamd statuut van Duitse stad minder actueel waren.

    De latere koninklijke gunstbrieven waren in de meeste gevallen niets anders dan oratorische uitlatingen van de welwillendheid van de vorsten, gunstbrieven waaraan dikwijls het verlangen naar een tegenprestatie in de vorm van politieke steun ten grondslag lag, die kort na de kroning vanuit de koninklijke kanselarij over het rijk werden verspreid, als het ware aan de lopende band. Nijmegen begon zich tegen het begin van de 14e eeuw te ontwikkelen tot een stad, die in politiek opzicht meetelde en economisch de vleugels ver had uitgeslagen. Niettegenstaande de keizerlijke brieven heeft het de strijd om de onafhankelijkheid tegen Gelre verloren; zelfs het voortdurend hameren op het statuut van Duitse stad, een reeds lang achterhaald feit, heeft niet meer gebaat. Aan de eerste rechten van 1230, bestaande uit tolvrijheid in het Duitse rijk en een slechts zijdelings bevestigd recht van zelfbestuur, is later weinig substantieels toegevoegd. De nadelige gevolgen van de verpanding konden door geen keizerlijke brief, hoe hoog gestemd ook, verhinderd worden zolang de verpanding niet ongedaan en de pandsom aan Gelre gerestitueerd was. Nijmegen en het rijk van Nijmegen lagen de keizers niet na aan het hart; een terugkoop van het pand is nooit overwogen.
    Opvallend is dat bij al deze pogingen van Nijmegen om zich los te wringen van Gelre, een eigen zelfstandigheid te krijgen en als Duitse stad erkend te worden, de stad zich nooit beroepen heeft op haar zogenaamde Karolingische afkomst. Trouwens, zij kon het niet doen, omdat dit denkbeeld tot ver in de 15e eeuw nog bij niemand in Nijmegen, in Holland of Gelre was opgekomen. Men heeft altijd gedacht, dat Nijmegen zich juist met dit motief altijd aan Aken heeft geprobeerd op te trekken. Ook dat was onjuist, omdat dit motief nog totaal onbekend was. Toen het misverstand in de loop van de 15e eeuw begon door te sijpelen en tenslotte ca. 1480 door fabelschrijver Willem van Berchen voor de eerste keer in Nijmegen en Nederland werd neergeschreven. Van Berchen die eerder ook al beweerde dat Nijmegen door Julius Caesar was gesticht. De politieke ontwikkelingen en de ondergeschiktheid van Nijmegen aan Gelre waren inmiddels zo gestabiliseerd, dat Nijmegen wel begreep met een beroep op de zogenaamde vroegere Karolingische residentie niets meer te zullen bereiken.

    Meer over de verpanding en de ware geschiedenis van Nijmegen is te lezen in de Ware Kijk Op.


  2. Ten tijde van de verpanding was Nijmegen nog een bescheiden stad in opkomst. De vroegste aanwijzingen dat de van oorsprong Karolingische nederzetting ten westen van de burchtheuvel zich tot een stedelijke nederzetting aan het ontwikkelen was, stammen uit het midden van de twaalfde eeuw (p.129). De verpanding vond plaats in 1247, ofwel in het midden in de dertiende eeuw Met het enkele keren noemen van het woordje 'Palts' in dit hoofdstuk en de mededeling van een van oorsprong Karolingische nederzetting wordt weer sterk gesuggereerd dat er een Palts van Karel de Grote heeft bestaan. Die is er nooit geweest! De mededeling van een stedelijke nederzetting aan het ontwikkelen spreekt de aanname tegen dat Nijmegen de oudste stad van Nederland zou zijn. Halverwege de 13de eeuw bestonden er al meerdere steden, zoals Amersfoort, Dordrecht, Utrecht, Maastricht, Middelburg, zelfs Zutphen enz. Zie bij de opkomst van Nederland.
    Nijmegen bestaat sinds 1230 als stad, maar het grootste probleem van Nijmegen is het gebrek aan continuïteit, sinds de Romeinse tijd en het feit of Nijmegen ooit stadsrechten kreeg van keizer Traianus.


    "De zo gewenste continuïteit in de bewoning van Nijmegen kan niet worden aangetoond", aldus H.P.H.Jansen in zijn boek "Middeleeuwse Geschiedenis der Nederlanden". De gemeente Nijmegen spant zelf de kroon door dat in de eigen uitgave te vermelden: "Nijmegen was als stad in feite ten onder gegaan aan het einde van de derde eeuw en pas in de dertiende eeuw was er weer een nederzetting van enige omvang". (Bron: "Het Valkhof te Nijmegen" uitgegeven ter gelegenheid van de tentoonstelling "Het Valkhof en de vroegste geschiedenis van de stad Nijmegen", gehouden in het Nijmeegs Museum Commanderie van St. Jan van 11 oktober t/m 30 november 1980).

  3. Zowel de burcht als de stad kwamen te liggen binnen een omwalling, die na 1254 door de graaf en de stad gezamenlijk is aangelegd. De verdediging van de burcht en de stad werd hierdoor een gemeenschappelijk belang van graaf en stad. In het beheer van de Nijmeegse palts en toebehoren zal de graaf van Gelre na 1247 het nodige veranderd hebben, al ontbreken hiervoor directe aanwijzingen (p.131).De burcht van Barbarossa wordt hier nog steeds foutief Palts genoemd. Feit is dat pas in 1254 de eerste omwalling is aangebracht. Hiermee wordt tevens ondergraven dat het bericht over de Noormannen die de palts met omwalling zouden hebben bezet, op Nijmegen betrekking had. In Nijmegen ontbreken wel vaker directe bewijzen die men vervolgens invult met aangenomen vermoedens (zie volgende punt).

  4. Thissen vermoedt dat diplomatieke stappen van graaf Reinald voorkomen hebben dat hem het Nijmeegse pandbezit zou worden ontnomen (p.133).Op een vermoeden van Bert Thissen (van het Bronnenboek) wordt hier geschiedenis geschreven.

  5. In het jaar 1300 kwam koning Albrecht naar Nijmegen om daar een uitspraak te doen in het conflict over de opvolging in het graafschap Holland. Volgens de rijmkroniek van de Hollandse geschiedschrijver Melis Stoke nam hij tijdelijk zijn intrek op de burcht (p.133/134).Hier wordt de Rijmkroniek van Melis Stoke genoemd. Heeft Jan Kuys deze kroniek wel gelezen? In de literatuurlijst ontbreekt deze kroniek, terwijl het wel wetenschappelijk zou zijn geweest als de historici met de geschiedschrijving van Nederland eens bij de oudste schrijvers zouden beginnen. Dan zijn er nog tot heden enkele onopgeloste puzzels, die nodig om opheldering vragen, zoals 'waar ligt de plaats 'Suthardeshage'?

    De eerste Nederlandse schrijvers spreken met geen woord over Nijmegen of over de Karolingische palts aldaar. Alpertus van Metz, de Annalen van Egmond, de Rijmkroniek van Melis Stoke, de Clerc uten Laghen Landen zwijgen in alle talen over Karolingisch Nijmegen evenals over Dorestadum. Alpertus van Metz vermeldt wel het concilie van Noviomagus van 1018, waarmee hij vanzelfsprekend Noyon bedoelde waar dat plaats vond. Deze eerste kronieken van Nederland beslaan de periode van de 10e tot ver in de 14e eeuw. De traditie van St. Willibrord, in Nederland in de 12e eeuw langzaam opkomend, begint bij Melis Stoke en de latere schrijvers door te sijpelen, maar van de Nijmeegse mythe hebben zij nog geen syllabe. Er mag derhalve de conclusie getrokken worden, dat tot ver in de 14e eeuw nog nooit iemand in Nederland van Karolingisch Nijmegen had gehoord. Uit de teksten van Noyon en het Bronnenboek van Nijmegen kan geconcludeerd worden dat de Nijmeegse kanunnik Willem van Berchen de mythe van Karel de Grote in Nijmegen heeft uitgevonden. Hij leefde en schreef tussen 1450 en 1490 en het klopt tot in de puntjes, dat alle gegevens uit de ware geschiedenis van Nijmegen dit tijdstip aanwijzen als de geboorte van de Karolingische mythe.


  6. Voor de stad vormde de militaire aanwezigheid van de hertog een permanente bedreiging, omdat de burcht binnen de stadsmuren was gelegen, maar niet door de stad gecontroleerd werd. Dat verklaart waarom hertog Reinald III in 1343 bij zijn ambtsaanvaarding aan de stad moest beloven dat hij de burcht niet zou versterken. Toen er in 1372 in Gelre een burgeroorlog woedde om de hertogelijke macht, maakte de stad zich tijdelijk meester van de burcht (p.136). Hieruit blijkt eens te meer dat stad en burcht twee gescheiden werelden waren, wat het Karolingische karakter van Nijmegen tegenspreekt. Het oudste Nijmegen, dat aan de Waaloever lag, ging immers aan de burcht vooraf! Deze verhouding tussen burcht en stad dateert uit de 12e eeuw, toen namelijk de tendens leefde, aan een stad en een burcht onderscheiden territoria te geven, die strikt en dikwijls tot in kleinzielige details van elkander gescheiden moesten blijven. Deze tendens bestond nog niet in de Karolingische periode, waar de grondpolitiek niet bekend was en die zeker niet gebezigd werd als uitdrukkingsmiddel van machtsverhoudingen. Het topografisch beeld van Nijmegen toont oppervlakkig gezien reeds overduidelijk, dat de stedenbouwkundige opzet en de verhouding tussen stad en burcht niet kan dateren uit de tijd van Karel de Grote. Lange tijd bleven burcht en stad van elkander gescheiden; pas in de 15e eeuw groeiden zij samen tot een geografische eenheid.

  7. Op de plaatsen waar zij verblijf hielden, was het meestal niet mogelijk de vele leden van de hofhouding langdurig te onderhouden, zodat de hertog na gedane zaken weer naar zijn volgende verblijfplaats trok (p.137).Dit rondtrekken gold zeker in de tijd van Karel de Grote. Waar hij dan in Nederland verbleef (buiten Nijmegen waar hij slechts in 777, 804, 806 en 808 zou zijn geweest) is nog steeds een groot onopgelost probleem. In Utrecht, Deventer, Zutphen of 'Dorestad' is Karel de Grote met zijn hofhouding NOOIT geweest. Dat kon ook niet, immers deze plaatsen bestonden nog niet in de 8ste of begin 9de eeuw.

  8. Parochiekerk op het Valkhofterrein. Leupen veronderstelt dat deze kerk in het eerste kwart van de zevende eeuw is gesticht en oorspronkelijk in handen was van de Keulse aartsbisschop. In de schriftelijke bronnen vernemen we pas voor het eerst in 1249 iets over de parochiekerk op het Valkhof, die dan in de onmiddellijke nabijheid van de burcht blijkt te staan, binnen de muren van het laat-Romeinse castellum. Het kerkgebouw moest echter wijken voor de aanleg van een gracht die de burcht beter verdedigbaar zou maken. Pas vijf jaar later, in 1254, stemde het Nijmeegse stadsbestuur er officieel mee in dat de kerk zou worden afgebroken en op een andere plek herbouwd, zo blijkt uit een oorkonde die graaf Otto in dat jaar uitvaardigde voor het Sankt-Apostelenkapittel in Keulen (p.138).Wat Leupen 'veronderstelt' is een fabel, waar geen enkele bewijs voor is of ooit voor heeft bestaan. Leupen baseert zijn veronderstelling blijkbaar op de mededeling van fabelschrijver Willem van Berchen, die van alles heeft verzonnen (van horen zeggen!) en Nijmegen een Paleis van Karel de Grote toekende, dat hij immers bij Gregorius van Tours gelezen had. Hieruit blijkt nog eens ondubbelzinnig dat Leupen de bronnen niet kent en als historicus heeft afgedaan.
    De eerste parochiekerk stond niet naast maar OP het Valkhof en was de St.Nicolaaskapel, wat blijkt uit de opdracht van Albertus Magnus. Die parochiekerk moest wijken, niet de kapel op zich, die is ook niet afgebroken, maar het gebruik als parochiekerk werd verplaatst. De hier genoemde oorkonde uit 1254 is een falsum. Deze oorkonde heeft de topografie van Nijmegen op een dwaalspoor gebracht, met name Friedrich Gorissen heeft in zijn |Stede-Atlas van NIjmegen deze niet als vals onderkend. Zijn reconstructie van de stedenbouwkundige ontwikkeling is dan ook tot plm.1400 onhoudbaar, omdat hij uitging van de aanwezigheid van een Palts van Karel de Grote. In de oorkonde uit 1254 worden functies, termen en gebruiken genoemd die in de 13de eeuw nog niet bestonden. De oorkonde is geruime tijd later opgemaakt, om enkele vergeten of in onbruik geraakte rechten van Keulen veilig te stellen. Wat hier het Nijmeegs stadsbestuur wordt genoemd, staat in de oorkonde 'de rechter der stad Nijmegen, de schepenen en de andere burgers'. Daarmee wordt ondubbelzinnig mede de valsheid van de oorkonde aangegeven; alsof er instemming van de burgers of de rechter nodig was bij de afbraak.


  1. De nieuwe kerk op de Hundisberg werd in 1272 voltooid, waarna het gebouw in 1273 kon worden ingewijd. De huidige Sint-Stevenskerk, die op dezelfde plek staat, bevat nog enkele bouwkundige resten van deze kerk uit 1272. Toen de Keulse wijbisschop Albertus Magnus in 1273 de nieuwe parochiekerk inwijdde, bepaalde hij dat men jaarlijks op de zondag na Pinksteren een processie moest houden die vanaf de nieuwe kerk naar de plek van de voormalige oude kerk zou trekken. Men moest in de processie het beeld van Maria, de heilige hostie en de relieken van de heiligen meedragen. Aangekomen op het oude kerkhof moest men met gebed Gods genade afsmeken voor degenen die daar begraven lagen. Willem van Berchen schrijft dat in zijn tijd (de tweede helft van de vijftiende eeuw) de geestelijkheid en burgerij deze plechtige processie nog jaarlijks organiseerden (p.140). Albertus Magnus (Albertus de Grote, zie afbeelding hiernaast) was wijbisschop van Keulen. In 1272 wijdde hij de nieuwe Sint-Stevenskerk in. Hieruit blijkt dat Nijmegen nog in de 13de eeuw onder het aartsbisdom Keulen ressorteerde en niet onder Utrecht, dat toen als bisdom ook nog onder Keulen viel. Immers in datzelfde jaar wijdde Albertus Magnus ook de Kloosterkerk in Utrecht in. Uit dit gegeven blijken een aantal opvallende feiten. Lees daar meer over de Oude Parochiekerk op het Valkhof.

  2. Willem van Berchen schrijft dat in zijn tijd (de tweede helft van de vijftiende eeuw) de geestelijkheid en burgerij deze plechtige processie nog jaarlijks organiseerden. Op de plek van het oude kerkhof werd in 1459 van de giften van gelovigen de Sinte-Gertrudiskapel gebouwd (p.140). Die plechtige processie is een historisch feit, maar die ging naar de St.Nicolaaskapel op het Valkhof. De Ste.Gertrudiskerk is een van de vele mythen in de geschiedenis van Nijmegen. Een Ste.Gertrudiskerk heeft in Nijmegen nooit bestaan. Daar is geen enkel bewijs voor. Fabelschrijver Willem van Berchen noemde deze kerk dan wel, maar ook hij heeft zich vergistwist niet van de hoed en de rand. Lees er alles over in hoofdstuk 2 punt 49. Ook de archeologie geeft geen doorslaggevend bewijs voor het bestaan van die Gertrudiskerk (zie linker kolom). Er is 'een kelder' (van de pastorie?) gevonden. Of waren het gewoon Romeinse resten zoals er in Nijmegen wel meer onder het maaiveld liggen. Of was het een restje van de stadsmuur die in 1456 werd gebouwd (zoals op p.142 wordt genoemd)?

  3. Afnemend belang als hertogelijk steunpunt. Op terugreis van Engeland naar Duitsland deed koning Sigismund op 13 november 1416 Nijmegen aan. Maar nog voordat hij het geld bijeen had, verscheurde Sigismund de leenoorkonde. In 1431 zette koning Sigismund een nieuwe stap door over Arnold en de inwoners van Gelre de rijksban uit te spreken, hetgeen betekende dat al hun burgerlijke en politieke rechten vervielen (p.140/141).Opvallend hierbij is dat Nijmegen van deze koning Sigismund (1410-1437) geen oorkonde van privileges bezit. Tegenover 11 koningen van het Duitse rijk, die de rechten van de stad bevestigd hebben, staan er 15 (waaronder Sigismund) die zich niet verwaardigd hebben Nijmegen een gunstbrief te schenken. Dit feit heeft een heel simpele verklaring. Uit het gehele rijtje van wel en niet verleende oorkonden blijkt zonneklaar, dat Nijmegen deze gunstbrieven gevraagd heeft in perioden waar de stad in de verdrukking van Gelre stond, zoals na 1250, toen de gevolgen van de verpanding begonnen door te dringen; tegen het einde van de 13e eeuw, toen het duidelijk werd dat de stad de hertog van Gulik-Gelre volledig als haar heer moest erkennen; omstreeks 1440, toen de stad om politieke redenen weer sterker tegen Aken ging aanleunen, en omstreeks 1543, toen Gelre verloren dreigde te gaan in de politiek van Karel V. Het is meer dan opvallend, het is alles bepalend, dat de stad juist in de perioden, waar zij actief bezig was zich tegen Gelre af te zetten, koninklijke gunstbrieven vroeg en verkreeg, en dat er geen aanwezig zijn uit de perioden, waar het aktie-voeren tegen Gelre en het nadruk leggen op het zogenaamd statuut van Duitse stad minder aktueel waren.

    Julius Caesar lei van dit kasteel het fundament
    Zestig jaar ongeveer vóór Jezus' komst op aard'.
    Nijmegen is nadien door keizer Karel, vóór het jaar
    Zevenhonderd plus zeventig, geheel vernieuwd.
    Hersteld is ook 't kasteel door d'eerste Frederik in 't jaar
    Des Heren elfhonderd plus vijftig en plusvijf.
    De vierde Otto, graaf van Gelre, is ook hier geweest,
    Van 't Rijk van Nijmegen zich noemend eigenaar.
    Dit rijk heeft keizer Willem aan zijn bloedverwant verpand,
    Toen 't jaar twaalfhonderdachtenveertig werd geteld.
    Van hertog Arnoud gemalin heeft Gelres hertogin,
    De schone Catharina, de bouwval hersteld.
    In 'r jaar veertienhondert en vijfenzestig heeft hertog
    Adolf het bouwwerk van zijn moeder in bezit.
  4. In het Nijmeegse handschrift van de Gelderse kroniek van Willem van Berchen is een gedicht opgenomen dat herinnert aan het feit dat Adolf in 1465 heer van de Nijmeegse burcht was als opvolger van beroemde vorsten als Julius Caesar, Karel de Grote, Frederik Barbarossa, Rooms-koning Willem van Holland en graaf Otto II van Gelre. Zie in het kader rechts. De oorsprong van de tekst is onbekend, maar hij moet gezien de inhoud stammen uit de regeringsperiode van hertog Adolf (1465-1471). Nijsten suggereert dat de tekst op het poortgebouw was aangebracht, maar geeft hiervoor geen argumenten. In de vertaling die A. Bastiaensen e.a. in 1999 publiceerden van het werk Oppidum Batavorum van Johannes Smetius, luidt de Nederlandse versie van de tekst als hiernaast (p.143): Ook in de tijd van Willem van Berchen en Johannes Smetius was er al volop sprake van 'naschrijverij'. Het is interessant om te lezen wat zij schrijven en te vergelijken met de huidige stand van de historische wetenschap in Nijmegen. Die blijkt nauwelijks aan deskundigheid toegenomen te zijn. Zowel Van Berchen als Smetius laten Nijmegen gesticht worden door Julius Caesar, een opvatting die heden door geen enkele serieuze historicus meer gevolgd wordt. Maar de rest van hun geschrijf is al niet veel beter en is voorzien van de nodige fabels en duimzuigerij. Beide werken worden wel in de noten en literatuurlijst genoemd, maar blijkbaar hebben de auteurs en de redactie van Het Valkhof 2000 jaar daar weinig weet van.

  5. Adolfs kinderen Karel en Philippa werden na afloop van de belegering in opdracht van Karel de Stoute naar Vlaanderen overgebracht om daar verder aan het Bourgondische hof te worden opgevoed (p.144). Het lijkt onbetekenend, maar ook hier wordt weer een directie relatie gelegd tussen Nijmegen en Vlaanderen waar de nodige geschiedenis van Nederland en Nijmegen zijn oorsprong vindt. De Muze Clio, de muze van de geschiedenis, is niet altijd zo ernstig en droog als altijd gedacht wordt. Soms haalt ze ironische grapjes uit die ondoorgrondelijk lijken, maar waar een waarschuwende gedachte achter zit.

  6. Na de overgave van de stad betrok Karel de Stoute tijdelijk de burcht. Later resideerden hier mogelijk de door hem benoemde gouverneur van het Kwartier van Nijmegen en het door hem ingestelde gerechtshof voor het Kwartier van Nijmegen, maar gegevens hierover ontbreken (p.144).Het is een voorbeeld hoe mythen tot stand komen in Nijmegen. Op grond van mogelijk en het ontbreken van gegevens, schrijft men in Nijmegen geschiedenis.

  7. Omstreeks 1490 was Maximiliaans positie in Gelre dusdanig verzwakt dat de standen zich opmaakten om Karel van Egmond, zoon van wijlen Adolf van Gelre, uit Franse gevangenschap los te kopen. Hij was namelijk in 1487 in dienst van Maximiliaan door de Fransen krijgsgevangen gemaakt in de slag bij Béthune. Na zijn vrijlating wilde men hem als hertog van Gelre inhuldigen (p.145). Ook hier weer een directe relatie van Nijmegen met Frans-Vlaanderen en nog wel met Béthune, het èchte Oppidum Batavorum de hoofdstad van de Bataven. Heeft muze Clio dit zo georganiseerd?

  8. Op p.132 en p.146 worden twee plattegronden van Nijmegen afgebeeld. Het is interessant deze te vergelijken met elkaar en met de plattegronden in de Stede-Atlas van Nijmegen van Friedrich Gorissen (zie onderaan: projectie meestal vanuit het noorden).
    Deze plattegronden blijken gebaseerd te zijn op de plattegrond van Gorissen uit ca.1450. De plattegrond uit ca.1250-1300 op p.132 blijkt dus volkomen onjuist te zijn. Maar er klopt nog meer niet. Uit de schriftelijke overlevering blijkt dat het oude kerkhof op het Valkhof lag en niet ernaast. De op deze plattegronden getoonde Ste.Gertrudiskerk heeft nooit bestaan. Die werd pas in 1459 door Willem van Berchen pas voor het eerst vermeld, maar was in 1254 al afgebroken (sic!). Dat klopt niet op de verschillende kaartjes! Klik op de kaartjes voor een vergroting in een nieuw scherm. Zie over de Ste.Gertrudiskerk punt 1 hierboven.



    Plattegrond links: De Valkhofburcht binnen de eerste omwalling, ca. 1250-1300. Rechts van de burcht ligt het oude kerkhof, in het midden de nieuwe Sint-Stevenskerk. De burcht is van buiten de stad nog rechtstreeks toegankelijk (p.132) , maar dan moet je nog wel tegen de heuvel opklimmen. Het Valkhof ligt immers bovenop de heuvel.

    Plattegrond rechts: Nijmegen, ca. 1400-1450. Om de oude stad ligt een dubbele ommuring (14e-15e eeuw). De nieuwe muur, die omstreeks 1450 werd aangelegd, omsluit behalve de reeds aanwezige bebouwing van de voorstad, ook het Valkhof. Hierdoor was het Valkhof van buiten de stad niet meer rechtstreeks toegankelijk. Rechts van de burcht ligt het oude kerkhof met de Sint-Gertrudiskapel (p.146), die op deze plattegrond niet meer zou kunnen staan, aangezien die in 1254 afgebroken was.

    Vergeleken met deze plattegronden van Jacob van Deventer uit 1560 en die van Nicolaes van Geelkerken uit 1639 en van Hendrik Feltman uit 1649 (dat is dus ruim 2 eeuwen later!) zou Nijmegen sinds 1400 gekrompen zijn, immers in de 17de eeuw was Nijmegen nauwelijks groter dan in 1400.

    Het wordt helemaal interessant als we deze plattegronden vergelijken met die uit de Stede-Atlas van Nijmegen van Friedrich Gorissen. Zie de afbeeldingen hieronder.




    Afbeeldingen uit de Stede-Atlas van Nijmegen van Friedrich Gorissen. Klik op de kaart voor een vergroting!
    Plattegrond links (p.73): Nijmegen ten tijde van de eerste omwalling (ca.1200). Recht (p.77): Nijmegen ten tijde van de tweede omwalling (ca.1400).



    Plattegrond links (p.78): Nijmegen en omgeving ca.1450 (projectie vanuit het zuiden). Recht (p.70): Nijmegen in ca.1450.


    Uit de rest van dit hoofdstuk blijkt dat het kwaad kersen eten was met de Nijmegenaren en dat Nijmegen toch sterker op Duitsland (Kleef) gericht was, wat ook blijkt uit het stadwapen met dubbele adelaar, dan op Gelderland. In 1795 werd vlak voor de sloop van de burcht nog gesteld dat de dubbele adelaar te veel herinnerde aan feodale ondergeschiktheid. Daarom zou het wapen tot de essentie teruggebracht moeten worden, 'latende de Arenden van den Duitschen Keizer lings en rechts heenen vliegen' (p.167).



De vervallen St.Nicolaaskapel die gebruikt werd als opslagruimte en stal.

Hoofdstuk 6. Het verval van een icoon. De Valkhofburcht gedurende de jaren 1543-1797, door Jac Geurts.

  1. 9 februari 1546 was een belangrijke dag voor de stad Nijmegen en de Valkhofburcht. Eindelijk zette Karel V voet aan wal voor zijn inhuldiging als de nieuwe hertog van Gelre (p.151). Nijmegen mag zich met recht als Keizer Karelstad blijven presenteren, als daarmee maar gerefereerd wordt aan Keizer Karel V. Die is er tussen 1546 en 1549 werkelijk geweest als 'de nieuwe hertog van Gelre' en verbleef er ook. Hij liet ook de St.Nicolaaskapel en de burcht herstellen (zie beschrijving op p.153), die blijkbaar behoorlijk verwaarloosd waren. ook na het vertrek van de Spanjaarden (80-jarige oorlog) bleken dure herstelwerkzaamheden noodzakelijk (p.155).

  2. Het symbool van deze stadstaat was de machtige Valkhofburcht met de van heinde en verre zichtbare toren die de inwoners elke dag aan een verleden herinnerde dat terugging tot de klassieke oudheid (p.151).Ging dat verleden werkelijk terug tot de klassieke oudheid en waren de bewoners zich daarvan bewust? Daar kan gevoeglijk aan getwijfeld worden. Of wordt hier door Jac Geurts die 'herinnering' aan de bewoners toegeschreven, die in de 16de eeuw geen enkele weet gehad hebben van de klassieke (Romeinse) oudheid. Lees meer over Nijmegen. In noot 1 wordt verwezen naar M.J.M.Hageman, die over de Beeldenstorm schreef (1566-1568) en de kerkelijke ontwikkelingen in de tweede helft van de 16de eeuw, in J.Kuys & H.Bots, Geschiedenis van de oudste stad van Nederland, deel 2: Middeleeuwen en Nieuwe tijd (2005). p. 489-509. Het was ook pas in 2005 toen Nijmegen zich de oudste stad ging noemen, bedacht door Jan Thijssen en ingegeven door Titus Panhuysen.

  3. Het historische en mythische verleden werd uitgangspunt voor de beeldvorming van een onafhankelijke stad met de Valkhofburcht als het symbool van de 'bijzondere positie' van Nijmegen (p.152). Er dient een onderscheid gemaakt te worden tussen het historische en mythische verleden van Nijmegen. Een historisch verleden is er zeker geweest, een mythisch verleden des te meer, aangezien in ca.1480 in Nijmegen de Karolingisch mythe (Willem van Berchen) werd aangenomen en in 1533 de mythe van de Bataven in de Betuwe (door Gerard Geldenhauer na dispuut met Cornelius Aurelius).

  4. De stad bleef zich in de volgende jaren tegen een al te grote invloed van de centrale overheid verzetten, waarbij zij regelmatig schermde met het predicaat 'vrije rijksstad' (p.153). De auteur Jac Geurts heeft 'vrije rijksstad' al bewust tussen aanhalingstekens gezet. Immers dat predicaat 'vrije rijksstad' heeft Nijmegen zeker niet gehad. Na het vroege begin der 14e eeuw (zie hoofdstuk 5 punt 1: de valse oorkonde uit 1230) kan slechts onder groot voorbehoud van rijksstad gesproken worden. Nijmegen heeft zich er steeds toe aangezet om te pogen als rijksstad erkend te worden, niet onderworpen aan enig gezag. De verpanding van de burcht in 1247 aan de hertog van Gulik-Gelre en de onderwerping van de stad aan diens gezag, spreekt de autonomie en de immuniteit van Nijmegen ten stelligste tegen, wat de essentie was van het voorrecht van rijksstad. Toen Gelre eenmaal verenigd was met Gulik, was de kans voorgoed verkeken om zich los te wringen uit het sterke gezag van de hertogen van Gulik en Gelre. Nijmegen is dan ook nooit rijksstad geweest, al staat dit met grote woorden in het boek ”Het Valkhof te Nijmegen”. In een brief uit 1571 beweert de stad voor de eerste keer, dat Nijmegen een aloude rijksstad was. Dat is aantoonbaar onjuist, aangezien Nijmegen nooit op een rijksdag vertegenwoordigd is geweest, nooit tot legerdienst voor het rijk opgeroepen is geworden en nooit een autonome positie in Gelderland heeft gehad, om slechts de voornaamste factoren van het statuut 'rijksstad' te noemen.

  5. Nu het Valkhof onder het beheer van de zo gehate regering te Brussel viel, was er voor het eerst op grote schaal sprake van 'winning' van tufsteen, die als metselspecie veel geld opbracht. Particulieren sloopten stukken muur en namen die mee om te verkopen. De stad, die later zo zou treuren om de afbraak van de burcht, voelde zich absoluut niet verantwoordelijk voor het onderhoud van het Valkhof en liet het gebeuren. Op den duur zou de diefstal van tufsteen echter funest blijken te zijn voor de instandhouding van de Valkhofburcht (p.155). Om dit nu typische een Nijmeegse gewoonte te noemen gaat wat ver, immers overal werden oude burchten gesloopt vanwege afkeer tegen de aristocratie en verzet tegen een centrale overheid. In Nijmegen werd het geldelijk gewin boven het historisch en cultureel belang gesteld, wat ook bleek bij de uiteindelijke en complete sloop van de burcht in 1797.

  6. Tijdens politieke spanningen gebruikte Nijmegen die autonomie als argument om tegen verdere inperkingen van privileges te protesteren. De verhalen over de Romeinse tijd, de Bataafse vrijheidsstrijd en de positie als vrije rijksstad speelden bij deze protesten een belangrijke rol (p.156/157). Nijmegen beriep zich nooit op haar Karolingische erfenis

  7. Er werd nog meer uit de kast gehaald om de respectabele stedelijke identiteit te benadrukken. Met name predikant en oudheid-kundige Johannes Smetius speelde daarbij een belangrijke rol. In zijn geschriften liet hij, tot grote tevredenheid van het stadsbestuur, de middeleeuwse vrijheden herleven. In de stad werden deze denkbeelden visueel onderbouwd, zoals aan de Ziekerpoort waar in 1653 het stadswapen werd aangebracht: de dubbelkoppige Rijksadelaar met de Gelderse leeuw op zijn borst, het symbool van vrije rijksstad (p.158). Het was ook deze dominee Johannes Smetius, afkomstig uit Aken dat hij als voorbeeld nam, Nijmegen met een aantal mythen heeft opgezadeld. Lees meer over Johannes Smetius. Ook duidelijk is dat het idee van 'vrije rijksstad' pas in 1653 is ontstaan met de invoering van de dubbele adelaar, ook afkomstig uit Aken en de bouw van het nieuwe raadhuis dat een kopie is van die in Aken.

  8. Als indrukwekkendste symbool van de stad gold echter de hooggelegen Valkhofburcht: de bekroning van een ruim duizend jaar durende translatio imperii, een fictieve overerving van het Romeinse rijk. De burcht bundelde als het ware het roemrijke verleden van Bataven, Romeinen en Duitse keizers. De magistraat wist zich in dit beeld gesterkt door Gelderse en Hollandse geschiedkundigen die van de klassieke oorsprong van de burcht overtuigd waren. (p.158/159).De vermeende aanwezigheid van Karel de Grote wordt door Geurts tot nu toe niet genoemd. Of schaart hij Karel de Grote onder de Duitse keizers? Met de Gelderse en Hollandse geschiedkundigen begonnen de mythen in Nijmegen binnen te stromen. Juist deze geschiedkundigen hebben veel aannamen waarvan zij overtuigd waren als ware geschiedenis gepresenteerd, zoals Johannes Smetius. Zie volgende punt.

  1. Weliswaar was de kans dat het pandschap zou worden ingelost zeer gering, maar toch bleef Nijmegen aan deze fictie vasthouden. In 1670 plaatste het stadsbestuur daarom op dezelfde Ziekerpoort een beeldje van Karel V, de keizer die in 1546 Nijmegen als rijksstad erkend had (p.159). In noot 20 wordt verwezen naar S.Langereis, Johannes Smetius. Nijmegen, stad der Bataven. Deel 1. Inleiding, Nijmegen. Sandra Langereis baseert haar opvattingen blijkbaar op wat falsaris Smetius schreef (en later In de Betouw) een van de hiervoor genoemde geschiedkundigen. Als je leest welke reeds lange achterhaalde onjuistheden Smetius schreef, dan is het toch niet serieus te nemen dat Langereis haar opvattingen daarop baseert. Het wordt dan ook terecht een fictie genoemd. Een fictie is een niet op werkelijkheid berustende voorstelling; iets dat men aanneemt als uitgangspunt voor verdere beschouwing (Van Dale). Beter dan Van Dale kan ik de aangenomen geschiedenis van Nijmegen niet omschrijven. Lees meer over Johannes Smetius.

    De benodigde achtergrond informatie geeft een ander beeld van die erkenning van rijksstad:
    In 1548 richtte keizer Karel V de Bourgondische Kreits op, een mooie naam die niets voorstelde, en probeerde hij her en der medestanders voor zijn politiek te vinden. Een van die medestanders meende Karel V met Nijmegen te vinden. Op 9 februari 1546 hield keizer Karel V een plechtige intocht in Nijmegen, wat een politiek bezoek was. Men moet deze feiten bijzonder scherp ontleden en in tijd en omstandigheden plaatsen. Bijna 30 jaren lang ziet Karel V Nijmegen niet staan; omgekeerd blijkt nergens van enige sympathie. Kan het ook anders bij een stad, die in 1541 een steen aan de Hezelpoort liet inmetselen met het uitdagende opschrift: “ Beter is de vrijheid in oorlog dan de vrede in slavernij” . De stad behoefde de keizer niet wijs te maken dat dit voor de hertog van Gelre bedoeld was, daar die volledig was uitgekaart. Maar opeens, om Gelre helemaal op de knieën te krijgen, had hij de stad Nijmegen nodig, omdat hij wist dat zij fel in de clinch gelegen had met de laatste hertog. Bijster tevreden is Karel V niet geweest over Nijmegen; pas in 1549 volgde zijn bevestiging van de oude rechten van de stad, namelijk toen hij Gelre zo in de greep had, dat het verlenen van wat oratorische rechten aan Nijmegen geen kwaad meer kon en niet meer gebruikt kon worden om aan zijn politiek afbreuk te doen. Nog merkwaardiger is dat Nijmegen dit heeft geslikt. Dit was voor Nijmegen toch de kans geweest om weer als Duitse stad erkend te worden, en dit was precies wat Karel V niet wilde.
    Ondanks de formele overeenkomst van 1433 was het appel op Aken toch weer in onbruik geraakt. In 1524 vroeg de Nijmeegse magistraat aan Aken advies over de kwestie, of de stad het recht had de goederen van een ter dood veroordeelde in beslag te doen nemen (let wel: dit valt in de tijd van de kettervervolging toen het doodvonnissen regende; het punt komt in 1571 op even macabere manier opnieuw aan de orde). Aken antwoordde, dat de goederen van een ter dood veroordeelde niet geconfisceerd mochten worden maar ter beschikking van de erfgenamen moesten blijven, want het Akense recht huldigde de opvatting, dat een terechtgestelde geacht werd met zijn lichaam de voile schuld betaald te hebben. Verder zeggen de schepenen van Aken letterlijk: “Zouden zich bij U andere zaken voordoen, waarover wij beter bericht kunnen geven, wilt U ons daar dan ook in erkennen” . Blijkbaar stelde Aken het appel en de filiatie op prijs; uit het antwoord blijkt eveneens, dat in het rechthalen verslapping was opgetreden. Het valt op, dat het appel op Aken opnieuw opgenomen wordt in een tijd, dat Nijmegen in moeilijkheden verkeerde en aan de rechten van de stad werd getornd. Uit het vervolg blijkt dat de eigen rechtsgebruiken van Nijmegen aangevochten werden. In de strijd voor het behoud van de eigen rechtsmacht, waarmee Nijmegen het appel op Aken onverbrekelijk verbonden achtte, deed de stad een beroep op keizer Karel V; deze besliste in 1549, dat het appel op Aken mocht blijven bestaan. Doch weer moet er nadien iets misgelopen zijn, waardoor de betrekkingen tussen Aken en Nijmegen zo verslapten dat zij bijna vergeten waren. De politieke verwikkelingen van die tijd zullen daaraan niet vreemd zijn geweest.

  2. Onder anderen Albert Cuyp onderstreepte de zelfbewuste gevoelens van Nijmegen met schilderijen en etsen waarop de Valkhofburcht als een icoon van vrijheid hoog boven de stad uittorent. Zo maakte Nijmegen goede sier met een burcht die onder beheer van het gewest stond. De stad betaalde niets aan het onderhoud, maar gebruikte het Valkhof graag als symbool voor de stedelijke identiteit (p.160). Zou dit typisch iets van Nijmegen zijn: goede sier maken met iets wat niet van de stad is?
    Men maakt in Nijmegen al vele eeuwen goede sier met een Paleis van Karel de Grote dat in Noyon stond, met Bataven die in Béthune woonden, net het masker van Trajanus uit Trier, de Godenpijler, Nep-in-Nijmegen, om enkele voorbeelden te noemen.


  3. Er werd veel geplunderd. Uiteraard tufsteen, maar ook talloze gedenkstenen, zuilen en andere bouwfragmenten (p.160). Na jaren van verwaarlozing (p.155 en 157) en verval (p.160,161,162, 164, 166), van plunderingen (p.160), herbouw (p.153), verbouw (p.152 en 162), reparaties (p.161) en herstel (p.162) van de Valkhofgebouwen en het Valkhof is archeologisch in Nijmegen feitelijk niets meer te bewijzen. Zolang van elk voorwerp niet precies te achterhalen waar het vandaan kwam, zoals de twee delen van een Godenpijler, valt daarmee niets te bewijzen. Zie afbeelding in de linker kolom van de vervallen St.Nicolaaskapel die gebruikt werd als opslagruimte en stal.

  4. Voor de Nijmeegse middenstand waren het overigens gouden tijden. Veel inwoners verdienden een goede boterham aan noodzakelijke reparaties aan de burcht of leveranties aan het hof. Na het vertrek van de prins gingen de reparaties aan het Valkhof overigens gewoon door. Vooral de dakenmisère bleek hardnekkig. In 1791 moesten er 13352 leien worden gelegd (p.166). In 1791 werd de Valkhofburcht nog hersteld, terwijl de sloop al in het verschiet lag.

  5. Dat gebeurde overal in Gelre, maar niet in Nijmegen, waar aanvankelijk een conservatieve wind waaide. Omdat de meeste Nijmeegse stadsbestuurders en regenten voor de Franse verovering in november 1794 de stad ontvlucht waren, benoemde de Franse zaakgelastigde in de Bataafse Republiek een Provisioneel Bewind. Het enige raadslid dat niet gevlucht was, de amper dertigjarige Gijsbertus Cornelis in de Betouw, werd daarbij prompt als eerste burgemeester aangesteld. In die hoedanigheid werd hij automatisch ook voorzitter van de Kwartiervergadering van het Rijk van Nijmegen en van de Gelderse Statenvergadering of Landdag. Hij en zijn familie hadden de teugels in Nijmegen nu vast in handen (p.167). Het waren juist de familie Smetius en In de Betouw die veel mythen als ware geschiedenis van Nijmegen hebben ingevoerd. Zo zijn de berichten over de Noormannen door de Nijmeegse historici Smetius en In de Betouw en door de oorkondenverzamelaar Sloet, met een zo grenzeloos tekort aan historische kritiek naar Nijmegen getrokken, dat men zich (uiteraard achteraf!) in gemoedenn afvraagt, hoe dit mogelijk is geweest. Hiervoor biedt het mysterie van het Paleis, al was dit allesoverheersend, nauwelijks een excuus. Het gevolg is nog bedenkelijker geweest; de traditie van het Karolingisch Paleis te Nijmegen werd met een pantser van onwrikbaarheid omgeven. Het Noviomagus, door de Noormannen bezocht, bezat het Karolingisch Paleis; dit staat buiten twijfel. Echter dit Noviomagus was Noyon. In zijn Gelderse kroniek verhaalt Van Berchen dat de eerste Nijmeegse parochiekerk ten tijde der Pepijnen werd gesticht en aan St.-Gertrudis was toegewijd. Smetius en In de Betouw preciseerden deze mythe nader op het jaar 692, maar op welke grond zij tot dit jaartal kwamen is niet te achterhalen. Het was ook Smetius die de fabel invoerde dat Nijmegen het Romeinse Noviomagus is geweest. De collectie Romeins van Smetius sr. werd in 1705 door zijn gelijknamige zoon voor 20.000 gulden! aan de Keurvorst van de Palts verkocht en naar Mannheim vervoerd! Luguber is de opmerking van In de Betouw, dat “dit verlies enigszins vergoed wordt door een beschrijving van die vondsten in ‘Antiquitates Neomagenses’.” Het staat integendeel als een paal boven water vast, dat die karrenvrachten oneindig veel meer hebben bevat dan hetgeen de Smetiussen met hun toenmalig gebrekkig inzicht in de archeologie —wat men hen niet behoeft te verwijten— eruit hebben gehaald.
    Maar weer wordt aangetoond, en de feiten liegen er niet om, dat de hedendaagse archeologen werken met fragmenten van Romeins Nijmegen. Wanneer zij dan de opvatting van Delahaye dat Nijmegen niet het Romeinse Noviomagus is geweest —het fabeltje van Smetius— triomfantelijk beantwoorden met de vraag: geef ons dan de juiste naam, kan vastgesteld worden dat de werkelijke naam van Romeins Nijmegen hoogstwaarschijnlijk is afgevoerd op een der karren van de handelaars in Romeinse vondsten.


  6. In de maanden dat Nijmegen als conservatief bolwerk alleen stond tegenover de rest van het gewest, werd de Valkhofburcht het symbool van Nijmeegse behoudzucht en arrogantie. Het gevolg was dat elders in Gelre steeds meer stemmen opgingen om de burcht maar af te breken, zeker omdat restauratie ook nog veel geld zou kosten. Geld dat de Staten van Gelre niet hadden (p.167). Dat conservatisme is tot op de dag van vandaag nog te merken in het stand houden van oude mythen, met name door de Universiteit van Nijmegen.

  7. Na fel aandringen van Nijmegen werd het definitieve besluit tot verkoop echter opgeschort. Hoewel de discussie zich toespitste op de kosten, blijkt uit de archiefstukken overduidelijk dat de conservatieve, antirevolutionaire opstelling van Nijmegen andere spelers in Gelre ernstig stoorde. Vooral het feit dat de stad bleef hameren op haar bevoorrechte positie in het eigen kwartier en in de Landdag wekte ergernis. Spreekbuis van het verzet tegen de afbraak van de burcht was kwartiersecretaris en raadslid Johannes in de Betouw, vader van burgemeester Gijsbertus en net als zijn betovergrootvader Johannes Smetius groot kenner van de Nijmeegse geschiedenis. Op hooghartige en grimmige toon sloeg In de Betouw de vertegenwoordigers van het gewest met zijn oudheidkundige kennis om de oren. Hij benadrukte vooral dat de Sint-Nicolaas- en de Sint-Maartenskapel 'merktekenen van de hoogste (klassieke) oudheid waren', waarbij de spolia (klassieke bouwfragmenten ) als bewijs golden. Deze gebouwen mochten toch niet afgebroken worden? In zijn strijd tegen de afbraak van de burcht werd In de Betouw gesteund door raadslid en kunstenaar Hendrik Hoogers, die zich vanaf 1797, nu als burgemeester van Nijmegen, nadrukkelijk zou inzetten voor de aanleg van een wandelpark rondom de bewaard gebleven kapellen (p.168/169). Johan In de Betouw, door wiens tussenkomst tenminste enige delen van de burcht gespaard bleven: de St.-Nicolaas- kapel en de Barbarossa-ruïne. Hij was oudheidkundig genoeg, om ook andere delen als waardevol aan te wijzen, als die hem zeer oud gebleken waren. Of zo hij in het behoud ervan niet slaagde, dan zou hij zijn bevindingen toch in zijn geschriften hebben vastgelegd.

  8. Toen duidelijk werd dat zelfs de funderingen verkocht zouden worden, reageerde Nijmegen nog feller. Zelfs Karel de Stoute had na zijn verovering van Nijmegen in 1473 bevolen dat dit werk der Romeinen door niemand afgebroken mocht worden (p.169). Ook hier wordt niet gerefereerd aan Karel de Grote, een opvatting die in 1473 dus nog niet bestond, Het was immers Willem van Berchen die het eerst zoiets beweerde opgrond van 'wat hij Gregorius van Tours gelezen had'.

  9. Uiteindelijk ging de Landdag akkoord omdat iedereen ervan overtuigd was dat beide kapellen oorspronkelijk Romeinse tempels waren geweest, die van 'Heidensche Afgoderije' waren gezuiverd en voor de christelijke eredienst waren ingewijd. In deze Bataafse jaren werden ze gezien als tastbare herinneringen aan de Bataafs-Romeinse geschiedenis (p.170).Ook hier greep men weer terug op de Bataafs-Romeinse geschiedenis en niet op het Karolingisch Paleis. Blijkbaar kende men in 1796 de geschiedenis beter dan tegenwoordig.

  10. Op 21 februari 1796 sloten de Staten van Gelre het definitieve contract met een slopersconsortium (uit Holland) voor een bedrag van 90.400 gulden. De stad legde 10.000 gulden op tafel legde voor de beide kapellen en de grond (p.170). Het geldelijk gewin ging voor het behoud van Cultureel Erfgoed.

  11. Soms waren er lugubere vondsten, zoals een aantal geraamtes in de kelder van de Reuzentoren, waar vroeger de gevangenis was geweest; of een kinderlijkje dat in een kistje in een afvoerpijp verstopt was. De grootste ergernis voor sloper Jan Dekker was echter diefstal. Voortdurend verdween er tufsteen (p.171). Waren dit geraamtes die tegenwoordig als 6de en 7de eeuws worden gepresenteerd? Je leest er ook bij weinig over.

  12. Eeuwenlang is aan de burcht een wisselende betekenis gegeven, waarbij twee thema' s voortdurend terugkomen: de vermeende oeroude Romeinse of Bataafse oorsprong van het Valkhof en de keizerlijke aura als verblijfplaats van Karel de Grote en Frederik Barbarossa. Nijmeegse geschiedschrijvers hebben dit idee van imperiale continuïteit gretig uitgebouwd. In de volgende eeuwen werden beide motieven steeds opnieuw beklemtoond, met als gevolg dat op den duur Nijmegen als de oudste stad en het Valkhof als het alleroudste bouwwerk in de noordelijke Nederlanden werden beschouwd (p.172). Hier noemt Geurts voor de eerste keer de aloude en hardnekkige opvatting dat het Valkhof de verblijfplaats van Karel de Grote was.

  13. Uiteindelijk leidden de hoge kosten die het gewest moest opbrengen, in combinatie met het arrogante vasthouden van Nijmegen aan zijn oude privileges, tot de veel betreurde sloop van de Valkhofburcht. Het blijft echter opvallend dat Nijmegen zich zo fel verzet heeft tegen de sloop van een burcht die geen deel van de stad uitmaakte, en zelfs bereid was om veel geld voor het behoud van enkele delen uit te geven. Dit heeft waarschijnlijk minder met 'monumentenzorg', maar veel meer met 'regentenleed' te maken. Vooral de erfgenamen van families die in 1795 de politieke macht in gewest en stad verloren hadden, hebben alles op alles gezet om het glorieuze verleden in herinnering te houden (p.172). De discrepantie tussen stad en burcht bestond vanaf het begin en is dus altijd gebleven.

  14. Terwijl de Nijmegenaren de burcht beschouwden als symbool van de voorname positie van hun stad, hebben de meeste vreemdelingen het Valkhof waarschijnlijk links laten liggen. Er gaapte een groot gat tussen de lokale emotie en de rauwe werkelijkheid, die overigens in de vele afbeeldingen van de Valkhofburcht nooit echt getoond is (p.173). Uit deze laatste pagina in dit hoofdstuk blijkt dat er door bezoekers en schrijvers geen enkele relatie is gelegd tussen het Valkhof en Karel de Grote. Die mythe was tot voor kort vergeten. Het was juist Albert Delahaye die de mythe weer onder de aandacht bracht, maar er de nadruk opgelegd heeft dat een relatie met het Noviomagus van Karel de Grote er NOOIT geweest is. Toen schoot de Universiteit van Nijmegen wakker en werd er bij monde van prof.dr.F.Hugenholtz beweerd dat we toch niet hoeven te bewijzen dat Karel de Grote in Nijmegen een Paleis heeft gebouwd? Dat weet toch iedereen!.

    Toen moesten er, om Albert Delahaye nu voor eens en altijd de mond te snoeren, de bewijzen op tafel komen, wat men met Het Bronnenboek meende duidelijk te kunnen aantonen. Het werd een complete deceptie. Het Bronnenboek toont juist het tegendeel aan van wat de bedoeling was en geeft Albert Delahaye volkomen gelijk: Nijmegen was niet het Noviomagus van Karel de Grote. Dat was Noyon, de stad waar hij in 768 gekroond is tot Koning van de Franken.



De Latijnse tekst op de gedenksteen van Frederik Barbarossa luidt in vertaling als volgt: 'In het jaar 1155 nadat het heil aan de wereld was geschonken, heeft de regerend keizer, Frederik, vriend van de vrede, dit bouwwerk in Nijmegen, dat vervallen, ingestort, oud en bijna tot niets teruggebracht was, even kunstvol en prachtig laten herstellen. Julius [Caesar] was weliswaar ooit de stichter, maar niet gelijk aan de vreedzame hersteller Frederik.'
Klik op de steen voor een vergroting in een nieuw scherm.



Caesar te paard te midden van zijn leger in Nijmegen ('Ymmaghen'). Houtsnede uit Die jeeste van Julius Cesar bij de tekst: 'Des sa quam hi den Ryn neder met groter crafte ende quam tot Ymmaghen dat hi selver stichtte'. Eind 15de eeuw.

Hoofdstuk 7. Wie was de bouwer van de eerste burcht? Denken over de vroegste geschiedenis van het Valkhof in de twaalfde tot negentiende eeuw, door Louis Swinkels.

In dit hoofdstuk staan de denkbeelden centraal die achtereenvolgens in de late middeleeuwen en vroegmoderne tijd over de vroegste geschiedenis van het Valkhof zijn ontwikkeld. De personen die daarbij een rol hebben gespeeld, zochten en vonden houvast voor hun ideeën in antieke teksten van Romeinse schrijvers, in de namen van de stad en de burcht, en in materiële resten die op het Valkhof of directe omgeving werden aangetroffen. Het beeld dat van de vroegste geschiedenis werd gecreëerd, was aanvankelijk vooral van belang voor het prestige van de vorsten die de burcht bouwden en in bezit hadden, maar speelde al snel ook een grote rol in het zelfbewustzijn van de stad Nijmegen en haar burgers.

De hele tekst doorlezend geeft Swinkels geen antwoord op de door hemzelf gestelde vraag: Wie was de bouwer van de eerste burcht? Swinkels komt niet verder dan Julius Caesar, een opvatting die in de tijd van Jacob van Maerlant (1289) en Willem van Berchen (1465) nog gangbaar was, maar heden toch door niemand meer gevolgd wordt. Zie verder onder punt 8. Of wordt dit in Nijmegen nog steeds voor waarheid gehouden? Zie afbeelding van een houtsnede eind 15de eeuw in de linker kolom.
Naast Julius Caesar noemt Swinkels Karel de Grote (overigens slechts met bewijs van Einhard (zie nr.2 in het kader onder punt 3) en Godfried van Viterbo (zie punt 4 en 5 ) en Frederik Barbarossa. Het was dan ook Frederik Barbarossa die de bouwer van de eerste burcht was. Swinkels noemt dan nog wel 6x het Oppidum Batavorum, maar dat was geen burcht en werd in Nijmegen ook niet gevonden. Lees er alles over bij W.Willems die het Oppidum Batavorum van Holwerda ook niet gevonden heeft.

  1. In 1804 schreef de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde in Leiden een prijsvraag uit voor een verhandeling die nieuw licht kon werpen op 'den meest waarschijnlijken oorsprong en het voormalig gebruik' van de kort tevoren gesloopte Valkhofburcht in Nijmegen. Voor de winnende studie werd een gouden penning ter waarde van 150 gulden als prijs uitgeloofd, maar op de jaarvergadering van de Maatschappij op 1 juli 1806 moest de secretaris melden dat hij geen inzendingen had ontvangen (p.175). Blijkbaar leefde onder de inwoners en historici geen enkele behoefte aan de roemruchte geschiedenis aandacht te besteden.

  2. Eeuwenlang was toen al gespeculeerd over de voorgeschiedenis van de burcht. De oorsprong ervan was steeds geplaatst in een tijd ver voor de bouw van de eerste palts door Karel de Grote. In de twaalfde tot zestiende eeuw kregen de speculaties over de hoge ouderdom van het Valkhof gestalte in enkele mythische verhalen. Daarin werden aanvankelijk de Romeinen, en in het bijzonder Julius Caesar genoemd als bouwers van een eerste burcht op deze plek. Later ging die eer ook naar de Bataven. Vanaf het begin van de zeventiende eeuw werden deze verhalen in de geleerde wereld niet langer serieus genomen, maar in populaire geschriften en in de historische beleving van de Nijmeegse bevolking hielden ze hardnekkig stand (p.175). Hier wordt door Louis Swinkels de ware toedracht van de mythevorming geschetst. De bevolking bleek het beter te weten dan de historici.

  3. Het was voor geleerden daarom nog altijd gissen welke betekenis zij moesten toekennen aan de twee als oeroud beschouwde restanten in het rond 1800 aangelegde Valkhof park en aan de Romeinse overblijfselen op en om het Valkhof. Het initiatief van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde laat zien dat er ook buiten Nijmegen inmiddels behoefte was aan een nieuwe benadering en nieuwe inzichten (p.175). Die benadering en inzichten zijn weinig nieuw. Het is steeds de oude traditie die tot heden stand houdt en gepresenteerd wordt als ware geschiedenis.

    De volgende drie punt geven het ontstaan van het grote misverstand omtrent Karolingisch Nijmegen aan.

    1. Dat de geschiedenis van het Valkhof ten minste teruggaat tot de tijd van Karel de Grote, was nooit een punt van discussie (p.176). Inderdaad wàs dat nooit een punt van discussie, maar is dat wel sinds archivaris Albert Delahaye ontdekte dat die geschiedenis nooit met feiten aangetoond was. Het was prof.dr.F.Hugenholtz die in 1979 nog zelfvoldaan opmerkte "dat Karel de Grote een Palts had in Nijmegen, hoeven we toch niet te bewijzen? Dat weet toch iedereen!" Het bleek ook nooit met feiten aangetoond te zijn. De meest simpele vragen die Delahaye vervolgens stelde werden weggelachen en vervolgens werd Delahaye uitgehoond. Die vragen zijn tot heden nog steeds niet beantwoord in Nijmegen. Zelfs Universitair geschoolde historici bleven de antwoorden schuldig. Lees daar alles over in het Verhaal van Gelderland.

    2. In de Vita Karoli Magni, geschreven door Karels vertrouweling Einhard, staat immers een beknopt overzicht van diens belangrijkste bouwprojecten, waaronder de 'paleizen van voortreffelijke bouwkwaliteit' in Ingelheim en Nijmegen (p.176). Deze Vita is volkomen onbetrouwbaar, want die staat vol fouten en onmogelijkheden. Dat Einhard een vertrouweling van Karel de Grote was, is een aanname, maar ook onjuist. Zelfs de simpelste feiten over Karel de Grote weet hij niet, tenminste, die vermeldt hij niet. Lees alles over Einhard. Het bestaan van een Paleis in Nijmegen dat er toch 4 eeuwen gestaan moet hebben, is archeologisch nog nooit aangetoond. In Ingelheim zijn de oudste resten uit de 10de eeuw en is van een indrukwekkend Paleis ook niets te zien.

    3. Vanaf het jaar 777 wordt de Nijmeegse palts bovendien regelmatig in de middeleeuwse kronieken genoemd (p.176). Die vermeldingen in de kronieken gaan niet over Nijmegen, maar over Noviomagus of Niumaga en dat was Noyon of Neumagen of Novillare of Neustadt. Het was de plaats Noviomagus waar Karel de Grote gekroond is tot koning van de Franken. Het Bronnenboek dat werd geschreven om die traditie van Nijmegen aan te tonnen, laat juist het tegendeel zien: het is een wetenschappelijke aanfluiting waarmee niets bewezen wordt. Het Bronnenboek 'vertaalt' Noviomagus of Numaga steeds klakkeloos met Nijmegen, terwijl het aantoonbaar over Noyon, Neumagen, Neuville-en-Condroz, Neustadt of zelfs Novillare in Italië gaat. Dan kun je jezelf toch geen deskundige historische wetenschapper noemen. De bisschop van Nijmegen doet de deur definitief dicht. Lees alles over het Bronnenboek van Nijmegen.

  4. In 1155 begon Frederik Barbarossa met de herbouw van de palts en niet lang daarna duiken in de bronnen voor het eerst verwijzingen op naar de geschiedenis van het Valkhof vóór de tijd van Karel de Grote. Zulke verwijzingen ontbreken nog in de Gesta Friderici, de kroniek over de daden van keizer Frederik Barbarossa, geschreven in de jaren 1157-1160 door zijn oom Otto van Freising en diens medewerker Rahewin. Daarin wordt alleen Karel de Grote met ere genoemd als eerste bouwheer. Enkele decennia later, omstreeks 1190, plaatste Godfried van Viterbo, kapelaan en secretaris van Barbarossa, de oorsprong van de Nijmeegse palts voor het eerst verder terug in de tijd, namelijk in die van de Romeinen en van Julius Caesar (p.176). Hier wordt precies geschetst hoe de Nijmeegse 'tradities' tot stand kwamen: er werd van alles beweerd, maar niets met feiten aangetoond. Op de gedenksteen van Frederik Barbarossa (zie afbeelding in de linker kolom) noemt hij Karel de Grote niet, maar staat vermeldt dat hij herstelt wat de Romeinen achterlieten. Barbarossa bouwde zijn burcht rechtstreeks op het Romeins. Pas ná Barbarossa wordt er voor het eerste verwezen naar Karel de Grote. Dat Julius Caesar Nijmegen gesticht zou hebben is ook lang beweerd op grond wat Godfried van Viterbo ca.1190 schreef, maar wordt momenteel door alle historici als compleet achterhaald beschouwd.
    Karolingisch Nijmegen is eveneens geheel achterhaald, wat het Bronnenboek precies aantoont.


  5. Over de geschiedenis van Nijmegen vermeldt Godfried van Viterbo dat Julius Caesar deze heeft gesticht en dat 'naar men zegt' Caesar ook de hal met zuilen (aula columpata) heeft gebouwd die daar op een hoge plek staat. Later, aldus Godfried, heeft Karel de Grote de bouwwerken hersteld en verfraaid en na de verwoestingen door Attila heeft Frederik ze ten slotte opnieuw opgebouwd (p.176). "Naar men zegt", zo ontstaan de mythen in Nijmegen. De stichting door Julius Caesar heeft men in Nijmegen losgelaten, evenals de verwoesting door de Hunnen. Maar ook de herbouw door Karel de Grote zal men los moeten laten. Daarvoor bestaat geen enkel archeologisch noch tekstueel bewijs.

  1. Een kortere versie van deze bouwgeschiedenis is in Nijmegen zelf bewaard gebleven in de vorm van een inscriptie op een blok marmer. Het blok is gehouwen uit een Romeinse zuil, waarvan de verticale groeven of cannelures aan de achterkant nog te zien zijn. (p.176). Precies op deze blok marmer staat de juiste geschiedenis van Nijmegen. Zie afbeelding in de linker kolom. Frederik Barbarossa geeft duidelijk aan dat zijn burcht rechtstreeks op het Romeins werd gebouwd. Hij heeft het niet over het herstellen van de palts van Karel de Grote, wat zijn grote idool was die hij in alles navolgde. Dat zou hij zeker hebben vermeld op die gedenksteen. Het was ook Frederik Barbarossa die Karel de Grote heilig liet verklaren, al ging de Paus van Rome daarin niet mee. Lees meer over de gedenksteen van Frederik Barbarossa. Opvallend is dat in het Bronnenboek van de tekst op deze gedenksteen geen vertaling wordt gegeven. Het is een 'keihard' bewijs van de valsheid van Karolingisch Nijmegen. De inscriptie wordt op grond van de gebruikte lettervormen in de eerste decennia van de dertiende eeuw gedateerd (p.177). Dat is ruim 1½ eeuw na Frederik Barbarossa en ook toen werd er geen link gelegd met Karel de Grote.

  2. Toch blijft het de vraag of het verhaal van de stichting door Julius Caesar in Nijmegen niet eerder al circuleerde, ter verklaring van de Romeinse overblijfselen op en om het Valkhof. Vast staat dat bij de bouw van de nieuwe burcht veel stenen monumenten uit de Romeinse tijd als bouwmateriaal zijn gebruikt, zoals grafstenen en altaarstenen met inscripties en stukken bouwornamentiek. Enkele daarvan zijn al in de zeventiende eeuw vanuit de burcht overgebracht naar het stadhuis, om daar te worden ingemetseld en tentoongesteld in de muur van een galerij. Vele andere kwamen bij de sloop van de burcht tevoorschijn en hebben nog lang in het park gelegen als 'spreekende bewijzen van de verganglijkheid der tijden'. De meeste behoren nu tot de collectie van Museum Het Valkhof (p.177). Langzaam 'ontdekt' Nijmegen de ware geschiedenis en de herkomst van de mythen. Er is heel veel Romeins gevonden dat nu Museum Het Valkhof vult. Als er een palts van Karel de Grote zou hebben gestaan, zouden resten daarvan eerder gevonden moeten zijn dan al dat Romeins. Het zou immers boven het Romeins hebben moeten zitten. Maar daarvan is nooit iets gebleken. Ook missen we in Nijmegen sporen van bewoning in de Karolingische tijd. Karel de Grote woonde er echt niet in zijn uppie, maar was omringd door een grote hofhouding en een nog groter leger. Maar ook hier weer NIETS van dit alles. En dan missen we in Nijmegen ook nog een kerk! Een Karolingische residentie zonder kerk is een utopie, een onmogelijkheid!

  3. Aan het einde van de dertiende eeuw gaf Jacob van Maerlant in zijn Spiegel historiael de stichtingslegende een plaats in Caesars eigen verslag van de oorlog in Gallië. Volgens Van Maerlant kwam Caesar naar Nijmegen nadat hij voor de eerste keer een brug had laten bouwen over de Rijn om Germanië binnen te vallen en voordat hij voor de eerste keer het Kanaal overstak naar Engeland. Caesar leverde deze militaire en logistieke huzarenstukjes in het jaar 55 voor Chr., maar in zijn verslag sluiten ze op elkaar aan en noemt hij Nijmegen nergens (p.178). De meest fantasierijke versie van de stichtingslegende rond Julius Caesar is omstreeks 1465 op schrift gesteld door Willem van Berchen, een Nijmeegse priester die vooral bekendheid geniet om zijn historische werken. Onder verwijzing naar de Spiegel historiael beschrijft Van Berchen hoe Caesar tijdens zijn veldtochten in Gallië en Germanië op een bosrijke en bekoorlijke plek kwam en besloot daar een grote en sterke burcht te bouwen, en kampementen voor zijn legioenen. Caesar zelf zou de plaats ook een naam hebben gegeven: Novimagium (p.179). Naschrijverij bestond in Nijmegen dus ook al in de 15de eeuw. Inderdaad was dit een legende en een fantasierijke versie, ofwel compleet achterhaald. De kronieken van Willem van Berchen vind je dan ook niet meer in historische literatuurlijsten, ook niet in dit boek. Maar Van Berchen wordt toch nog regelmatig aangehaald als historische bron, zo ook door Swinkels. Het geeft ook precies aan op welke legendes en fantasieverhalen de tradities van Nijmegen gebaseerd zijn. Van kampementen van Caesar is in Nederland nooit iets gevonden, zelfs in België ontbreken die, zoals prof.H.Thoen aangetoond heeft.

  4. Op verzoek van Karel de Grote zou paus Leo III deze heidense tempel later hebben gekerstend en aan Sint-Nicolaas hebben gewijd. De betreffende gedenksteen bleef op zijn plaats bij de ingang van de Sint-Nicolaaskapel tot hij in 1670 van het Valkhof werd overgebracht naar het Nijmeegse stadhuis. Van Berchen had goed gezien dat de steen Romeins was, maar de juiste betekenis van het opschrift en van de erin gebruikte afkortingen wisten hij en zijn tijdgenoten niet te doorgronden. Pas in de loop van de zestiende eeuw brak het inzicht door dat het in werkelijkheid een grafsteen was voor een veteraan van het Romeinse leger en voor diens zoon (p.180). De opvattingen van Van Berchen zijn driedubbel onjuist. De St.Nicolaaskapel stamt uit de 11de eeuw kan door Karel de Grote nooit gezien zijn. Ook de inwijding door de Paus is een misser. Buiten Van Berchen wordt dat nergens vermeld in de klassieke bronnen. Zijn opvatting over die gedenksteen is momenteel ook achterhaald, al duikt die toch zo nu en dan weer op, zoals in dit boek, maar ook in Museum Het Valkhof zij het met de juiste interpretatie.

  5. 'Een oudt werck der Batavieren"! Met de ontdekking van de Romeinse geschiedschrijver Tacitus, kregen humanistische geleerden de beschikking over een grote hoeveelheid nieuwe gegevens over de volken die in de Romeinse tijd ten noorden van de Alpen hadden gewoond. Dat opende de weg voor nieuwe versies van oorsprongsmythen en geregeld namen nu inheemse helden de plaats in van Julius Caesar als stichters van steden en burchten. Voor Nijmegen en de Valkhofburcht werd een nieuwe stichtingslegende geschapen door Gerard Geldenhouwer, die naar zijn geboorteplaats ook wel (Gerardus) Noviomagus werd genoemd. (p.181). Het worden door Swinkels dus geheel terecht mythen en legenden genoemd. Als je leest wat Gerard Geldenhouwer beweert en op grond waarvan, is het onbegrijpelijk dat men in Nijmegen deze mythen en legenden nog steeds volgt. Is men echt van mening dat de Batavieren de bouwers van de eerste burcht waren? Een burcht die ook dr.W.Willems maar niet kon vinden.

  6. In de tijd dat Geldenhouwer zijn Historia Batavica schreef, waren de meeste geleerden het erover eens dat het land van de Bataven en de hoofdstad daarvan ooit in het westen van Nederland, in het gewest Holland, hadden gelegen. Met zijn geschrift ging Geldenhouwer dus in tegen deze heersende mening. Hij benadrukte dat de Bataven zich het eerst hadden gevestigd in de Betuwe en dat zijn geboortestad Nijmegen hun hoofdstad was geweest (p.181). Dus ook toen ging Geldenhouwer als eenling in tegen de gevestigde opvattingen, ook al had ook hij ongelijk. Van een vestiging van de Bataven in de Betuwe is nooit sprake geweest. Archeologisch is daar nooit enige bewijs voor gevonden. Het komt voort uit het onjuist vertalen van Tacitus' Historia IV vers 12.3. Steeds meer historici ontdekken dat de Betuwe nooit het woongebied van de Bataven kan zijn geweest, zoals ook Stijn Heeren constateerde in zijn proefschrift "Romanisering van rurale gemeenschappen in de civitas Batavorum".

  7. Volgens Geldenhouwer was Julius Caesar dus niet de stichter van Nijmegen, maar in zijn geschrift laat hij de Romeinse veldheer wel een bezoek brengen aan de hoofdstad van de Bataven. Bataafse eenheden zouden al hebben gediend in het leger van Caesars vader en hij zou ze zelf als zijn persoonlijke lijfwacht hebben ingezet. (p.182). Dit heeft Geldenhouwer dan wel weer juist gezien, echter de hoofdstad van de Bataven was Béthune in Frans-Vlaanderen, waar Julius Caesar precies in die buurt voorbereidingen trof voor zijn oversteek van Brittannia. Dat deed Caesar dus niet vanuit de Betuwe, wat wel steeds als traditie genoemd wordt! Hoe bedenk je zoiets? Hebben historici geen atlas?

  8. Aan de legendevorming over de vroege bouwgeschiedenis van het Valkhof voegde Geldenhouwer in zijn Historia Batavica een ander element toe, dat tot dan niet eerder was genoemd. Op het burchtterrein zou tot in zijn tijd een door Karel de Grote gebouwde gerechtsplaats zichtbaar zijn geweest, waar 'naar men leest' de keizer regelmatig recht zou hebben gesproken. (p.182/183). In de geschiedenis van Nijmegen is nogal vaak sprake van legendevorming, zoals ook met het verhaal over Mariken van Nimwegen en de duivel Moenen. Het zijn ook steeds duivelse dilemma's die de traditionele historici maar moeilijk los kunnen laten. Immers met het verdwijnen van hun traditionele opvattingen verdwijnt ook hun deskundigheid. Lees er meer over bij NEP in Nijmegen.

  9. In de loop van de zestiende eeuw werd Geldenhouwers versie van de vroegste geschiedenis van Nijmegen en van de Valkhofburcht door enkele andere schrijvers naverteld. Ze vormde bovendien de inspiratie voor het toneelstuk Baeto, dat in 1617 werd geschreven door Pieter Cornelisz Hooft (p.184). Hooft heeft onder zijn 'gezag als wetenschapper' (dichter, toneelschrijver, historicus) de oudste geschiedschrijving meer kwaad dan goed gedaan. Omstreeks 1623 zette Hooft zich aan het vertalen van Tacitus, waarmee hij in 1635 klaar was. Tacitus was Hoofts lievelingsauteur, niet alleen vanwege diens kernachtige stijl, evenzeer een kenmerk van Hoofts eigen stijl, maar ook vanwege de overeenstemming in beider staatkundige opvattingen. Tacitus was om dezelfde redenen ook de lievelingsauteur van Albert Delahaye, aangezien Tacitus de Nederlandse mythen op eenvoudige wijze weerlegt. Delahaye schrijft in de inleiding van Germania van Tacitus ook "Eigenlijk had ik met Tacitus' Germania moeten beginnen", waarmee ik veel tijd en moeite had kunnen besparen. Immers juist gelezen plaats Tacitus de hele geschiedenis van de Bataven in Noord-Frankrijk. En dan volgt de rest van de onjuist geplaatste geschiedenis vanzelf die kant op. Lees meer over Germania.
    Op late leeftijd begon Hooft aan een groot historisch werk 'Nederlandsche Historiën'. Het werk zou uiteindelijk 27 delen beslaan. De laatste zeven delen verschenen postuum. In deze serie beschreef hij de onafhankelijkheidsoorlog, de oorlog die wij tegenwoordig de Tachtigjarige Oorlog noemen. Het meest opvallende geschrift, in dit verband gepubliceerd, was ongetwijfeld het Tractaet vande oudtheyt vande Batavische nu Hollandsche republique van Hoofts generatiegenoot Hugo de Groot, dat in 1610 verscheen. Daarin knoopte De Groot aan bij de allang florerende Batavenmythe: op deze directe voorouders van de Hollanders zouden de Statenvergaderingen teruggaan. Ook Hooft, opgevoed met de idee der Statensoevereiniteit, leverde hier zijn bijdrage, daarbij gebruik makend van de geschiedenis. Die vergelijking met de Bataven vrijheidsstrijd in de 80-jarige oorlog is inmiddels als een mythe bestempeld, al duikt deze mythe, gesteund door Rembrandts 'Samenzwering van Cladius Civilis' en Vondels 'Batavische Gebroeders', steeds weer op als ware geschiedenis.
    Het is pas veel later dat historici door etnografisch onderzoek tot de conclusie kwamen dat de antieke Bataven niets te maken hebben met de latere Hollanders of Nederlanders en dat er van enige institutionele continuïteit tussen de Bataven als autonome Romeinse bondgenoten en het graafschap Holland ook geen enkele sprake was.


  10. De Gallische koning Magus, die volgens Geldenhouwer het allereerste kasteel in Nijmegen zou hebben gebouwd, was even fictief als prins Bato of de stichting van Nijmegen door Julius Caesar. Hoewel de echtheid van de teksten door sommigen al vroeg werd betwijfeld, hield de vervalsing lang stand, vooral omdat Annius ermee voorzag in een in West-Europa breed gevoelde behoefte de eigen geschiedenis en oorsprong zo ver mogelijk terug te voeren in de tijd, en daarmee het eigen prestige te vergroten (p.184). De fictieve geschiedenis was slechts bedoel om eigen prestige te vergroten, wat heden nog steeds het uitgangspunt van veel historici is. Je gaat toch niet toegeven dat je het als historicus altijd fout hebt gehad?

  11. In de zeventiende eeuw duiken in enkele teksten verwijzingen op naar nog een derde oorsprongsmythe. Daarin wordt de stichting van Nijmegen toegeschreven aan de Sicambriërs, een volk dat zou afstammen van vluchtelingen uit het door de Grieken verwoeste Troje. Volgens een in de middeleeuwen ontstane traditie zouden ze in de vijfde eeuw voor Chr. onder leiding van hun koning Marcomir vanuit Oost-Europa naar het westen zijn getrokken (p.184). In de Middeleeuwen zijn meer tradities ontstaan die nog steeds gepresenteerd worden als ware geschiedenis, ook in dit boek. Het blijken slechts "Uit de lucht geraepte beuzelingen" te zijn.

  12. "Uit de lucht geraepte beuzelingen" Vanaf het begin van de zeventiende eeuw werden de stichtingslegenden van Van Berchen en Geldenhouwer meer en meer afgedaan als verzinsels zonder enige basis in de geschreven bronnen (p.184). Helaas worden die verzinsels nog steeds als ware geschiedenis gepresenteerd. Denk daarbij maar aan de Ste.Gertrudiskapel die alleen en slechts eenmaal door Willem van Berchen wordt genoemd die als zijn 'bron' opgeeft "van Horen zeggen".

  13. In 1644 publiceerde de Nijmeegse predikant en oudheidkundige Johannes Smetius een overzicht van alle theorieën over de vroegste geschiedenis van zijn woonplaats in het laatste hoofdstuk van zijn invloedrijke boek Oppidum Batavorum, seu Noviomagum (Nijmegen, stad der Bataven). Zijn conclusie luidde dat weliswaar niet meer precies viel vast te stellen hoe en wanneer de stad was ontstaan, maar dat die zeker terugging tot de tijd van Julius Caesar. Zijn boek had vooral tot doel definitief te bewijzen dat Nijmegen de hoofdstad van de Bataven was geweest, het door Tacitus genoemde Oppidum Batavorum. (p.). Maar ook Smetius had het steeds fout. Lees meer over Smetius die karrenvrachten Romeinse relicten verkocht ter eigen inkomsten.

  14. Tijdens het graafwerk stuitte men op een pot met zilveren Romeinse munten, en hoewel die snel verspreid raakten, slaagde Smetius erin een aanzienlijk aantal daarvan te documenteren. Ze dateerden alle uit de eerste helft van de eerste eeuw na Chr. en geen enkele munt was jonger dan de regering van keizer Claudius (41-54). De muntschat leverde voor Smetius daarom een hard bewijs dat de geschiedenis van de Valkhofburcht ten minste tot de tijd van de Romeinen kon worden teruggevoerd. En het waren volgens hem de Bataven die de burcht toen hadden gebouwd (p.186). Zo schrijft men in Nijmegen nog steeds geschiedenis, op grond van munten dat in tijd en afstand verplaatsbare relicten zijn. Daarmee bewijs je niets. Als ik in mijn straat een Spaanse euromunt vind, ben ik dan in Spanje? Of is die door een Spanjaard verloren?

  15. In 1685 schreef Simon van Leeuwen zijn Batavia Illustrata en bestreed de identificatie van Nijmegen met het Oppidum Batavorum. Van Leeuwen meende dat Nijmegen zou kunnen zijn ontstaan uit een nederzetting van heidense priesters, die met een Latijnse naam magi werden genoemd. De nederzetting zou daarom Magen of Megen hebben geheten en later, na tot een stad te zijn uitgegroeid en te zijn vernieuwd, de naam Nieuw Magen hebben gekregen. (p.186/187). Leuk bedacht van Van Leeuwen. Ook dit geeft weer aan hoe fabels, mythen en legenden in Nijmegen ontstonden en nog steeds (deels) gevolgd worden.

  16. Direct na de sloop in 1797 zette de Nijmeegse oudheidkundige Johannes in de Betouw de tot dan beschikbare gegevens over de vroegste geschiedenis van de Valkhofburcht nog eens uiteen in de eerste paragrafen van zijn 'Lotgevallen en eindelyke ondergang van den vanouds alom vermaarden burgt binnen Nymegen'. Reizigers die Nijmegen bezochten, memoreerden in hun verslagen nog altijd met regelmaat dat de eerste burcht op het Valkhof was gebouwd door Julius Caesar, maar de oudheidkundigen plaatsten de oorsprong nu meestal wat later in de tijd, bij de Romeinse prins Drusus (p.187). Ook Drusus heeft niets met Nijmegen te maken gehad. In zijn tijd bestond Nijmegen nog lang niet en was er geen Romeins te vinden, al is dat nog steeds wel de traditie. Het Drususkanaal tussen Rijn en IJssel is nu als onjuist breed geaccepteerd. Krijgt Delahaye toch weer eens gelijk en blijft er niets over van de opvattingen van prof.dr.B.H.Stolte, een de felste opponenten van Delahaye!

  17. De zoon van Johannes in de Betouw, Gijsbert Cornelis In de Betouw hield vast aan de heidense oorsprong van beide kapellen, maar plaatste de bouw van de Sint-Nicolaaskapel nu aan het einde van de vierde of het begin van de vijfde eeuw. Toen tot de sloop van de burcht werd besloten, zette Johannes in de Betouw zich met succes in voor het behoud van de twee 'heidense' kapellen, als oudste en meest eerbiedwaardige onderdelen van het complex en als overblijfselen uit de begintijd van Nijmegen (p.187). Inderdaad waren de beide 'kapellen' de oudste overblijfselen uit de begintijd van Nijmegen: de St.Nicolaaskapel uit 1087 (volgens Delahaye, Van Agt stelde deze op 1030) en de St.Maartenskapel uit 1155. De elfde eeuw was dan ook na de Romeinse tijd de feitelijke begintijd van Nijmegen.

  18. Echo's van de oude stichtingslegenden klonken nog na tot ver in de negentiende eeuwen de naam 'heidense kapel' prijkt nog op prentbriefkaarten van de Sint-Nicolaaskapel uit het begin van de twintigste eeuw (p.188). Het was 'historicus' Anton van Hooff die tegenover mij ontkende dat de St.Nicolaaskapel ooit 'Heidensche kapel' had geheten. Als Nijmegenaar kende hij de geschiedenis van zijn eigen stad dus niet eens.

  19. Hoewel nu nog altijd discussie mogelijk blijkt over de precieze datering, is sinds de negentiende eeuw duidelijk dat de bovengrondse resten op het Valkhof niet met de Romeinen of Bataven in verband kunnen worden gebracht (p.188). Die discussie leverde verschillende jaartallen op van 1030 (J. van Agt, B.Perlich, G. van Tussenbroek), 1046/47 (J.Weve), 1047 (A.Mekking ) en 1087 (Delahaye). Dat laatste jaartal is vastgesteld door het patronaat van St.Nicolaas die pas na 1085 in Westelijk Europa bekend werd als patroon van de schippers. Zie verder de linker kolom in hoofdstuk 4 en punt 8 (p.112).

  20. Over de Romeinse geschiedenis van het terrein kwam pas duidelijkheid in de loop van de twintigste eeuw, toen voor het eerst opgravingen werden uitgevoerd in het park en in de directe omgeving. De burcht van Julius Caesar of het fort van Drusus werden daarbij niet blootgelegd, wel een niet eerder vermoede versterking uit de tijd van Constantijn de Grote (306-337 na Chr.). Daaronder bleek, tot veler verrassing, de stad van de Bataven schuil te gaan, het Oppidum Batavorum van Tacitus, al valt vooral de Romeinse signatuur van de aangetroffen resten in het oog (p.189. Uit deze laatste zinnen uit dit hoofdstuk blijkt dat er slechts Romeins gevonden is. Dus niets Karolingisch dat er immers boven had moeten zitten. Die Romeinse signatuur van het zogenaamde 'Oppidum Batavorum' geeft al aan dat er niets Bataafs aan zit. Ook dr.W.Willems had al geconcludeerd dat hij het Oppidum Batavorum, dat Holwerda vermoedde, niet gevonden heeft.

  21. Daartoe behoren de blokken van de monumentale godenpijler met de naam van keizer Tiberius (14-37 na Chr.), die in 1980 bij opgravingen op het Kelfkensbos werden gevonden. Een van de meest sprekende getuigenissen van de ouderdom en Romeinse oorsprong van Nijmegen heeft daar eeuwenlang in de bodem verborgen gelegen, op luttele meters afstand van de toegangspoort tot de Valkhofburcht (p.189). Deze 'godenpijler' geeft de valsheid van de Nijmeegse traditie aan, tenminste, als je daarop doordenkt. Er zijn slechts twee fragmenten van gevonden (zie p.. Waar is de rest? Waar kwam deze pijler vandaan? De Romeinen sleepte met allerlei materiaal door het hele rijk. Wanneer werd deze pijler begraven? Pas nadat Tiberius (vermoord?) opgevolgd werd door Caligula en het gebruikelijk was alle gedenkstenen van de voorganger te vernietigen? Of is de rest van de pijler verkocht door Smetius? Zie hiervoor hoofdstuk 6 punt 7, 8, 9, 13 en hoofdstuk 7 punt 18 en 19.

Het komt er dus op neer dat niet bekend is wie de bouwer van de eerste burcht in Nijmegen was. Na enkele opties: het was niet Julius Caesar, niet de Bataven met Oppidum Batavorum, niet Karel de Grote, blijft Frederik Barbarossa over. En zijn burcht stamt uit 1155, waarmee de geschiedenis van Nijmegen weer begint na vele 'blanco' eeuwen sinds de Romeinse tijd. Van alle opvattingen van Van Maerlant, van Van Berchen, van Geldenhouwer, van Smetius, van Van Leeuwen en van In de Betouw blijft weinig overeind.


De Sint-Nicolaaskapel na de restauratie van stadsarchitect J.J. Weve in 1906. Weve ging zeer terughoudend te werk en handhaafde het oorspronkelijke muurwerk en de in later tijd aangebrachte vensters op de eerste verdieping. Bij de naoorlogse restauratie door architect J.G.Deur werden de vensters gereconstrueerd en een groot deel van het tufstenen muurwerk vernieuwd.


Nymeegs Burgt, gezegd het Valkhof. Gravure bij E.J.B.Schonck (1805).


Hoofdstuk 8. Heimwee naar de burcht. Het Valkhof vanaf de sloop tot de herbouwplannen voor de Reuzentoren, door Hettie Peterse.
    Heimwee? Waar kwam die 'heimwee' uit voort? Uit het verlangen naar invulling van blanco eeuwen geschiedenis?
    In Nijmegen en omgeving is steeds discussie gevoerd of je die Valkhofburcht wel moet willen herbouwen. Een van de tegenstanders was Arjan den Braven, die er een artikel aan wijdde. Helaas was zijn uitgangspunt fout. Hij wilde het Paleis van Karel de Grote in Nijmegen redden. Jammer voor Arjan, maar dat Paleis heeft er nooit bestaan. Lees ook meer over die herbouwplannen bij NEP in Nijmegen. Uiteindelijk ging de herbouw van de Donjon niet door. Er blijkt toch nog enig historisch besef aanwezig in Nijmegen. In hoeverre er sprake is van 'heimwee' blijft een vraag. Het wordt in het hele hoofdstuk nergens meer genoemd. Wel worden verschillende plannen genoemd voor de inrichting van het terrein en voor de herbouw van de Valkhofburcht, plannen die even gemakkelijk weer geschrapt worden als ze werden voorgesteld.

    Hettie Peterse is behalve auteur van dit artikel ook met Dolly Verhoeven e.a. eindredactrice van het hele boek over Het Valkhof 2000 jaar. Zij kan dus ook verantwoordelijk gehouden worden voor de hele inhoud, inclusief alle fouten, onmogelijkheden en speculaties, waardoor we aan haar deskundigheid als historica toch moeten gaan twijfelen Overigens twijfelen we ook aan de deskundigheid van prof.dr. in geschiedenis aan de Radboud Universiteit Dolly Verhoeven, die vooral geen discussie wenst te voeren over alle fouten, onmogelijkheden en speculaties, hoewel ze daartoe wel zelf oproept. Onbegrijpelijk. Neen, helaas zeer begrijpelijk, immers tijdens die discussie zal blijken dat ze ondeskundig is omdat ze geen antwoorden heeft op mijn vragen en stellingen. Lees er meer over bij het Verhaal van Gelderland.

  1. De geschiedenis van het Valkhofpark in de negentiende eeuw is grondig onderzocht door Wilhelm Diedenhofen. Hij beschrijft hoe Nijmegen in 1796 het burchtterrein voor tienduizend gulden aankocht en een jaar later het besluit nam het Valkhof terrein te beplanten met bomen. De parkaanleg werd bekostigd uit de verkoop van de tufstenen gewelven van de onderverdieping van de Sint-Maartenskapel of Barbarossa-ruïne, die in 1799 alsnog sneuvelde onder de slopershamer (p.193). Tufstenen uit de onderverdieping van de Barbarossa-ruïne, dus ook hier weer niets uit de tijd van Karel de Grote. Als dat gevonden zou zijn, was het met vette letters in alle publicaties verschenen.

  2. Mogelijk refereerde de door bomen omgeven open plek met de 'heidense kapel' ook aan het Heilig woud der Bataven. Een inscriptie op het hek bij de Sint-Nicolaaskapel, ontleend aan Constantijn Huygens, verwijst in elk geval naar de Bataven, meer in het bijzonder naar het neerslaan van de Bataafse opstand onder leiding van Julius (ook wel aangeduid als Claudius) Civilis (p.193). Lees meer over deze tekst op dit hek. het is wel duidelijk dat deze tekst dan wel gekoesterd wordt, maar nergens op slaat. De Romeinen zouden niet uit de Betuwe (het noorden) gekomen zijn om de Bataven te bestrijden, maar uit het zuiden, waar hun legerplaats immers op het Kops Plateau lag.
    Als je zo'n tekst aanhaalt om te bewijzen dat er Bataven verbleven op Het Valkhof, laat je zien meer te geloven in mythen dan in ware geschiedenis.


  3. De wandeling in het park moest bij de bezoeker een melancholieke bezinning teweegbrengen en herinneringen oproepen aan het roemruchte verleden van de plek. Johannes in de Betouw schreef over het Valkhof met zijn overblijfselen uit de oudheid, waar Romeinen, Batavieren, keizers, koningen en andere vorsten hadden vertoefd (p.194). De opvattingen van In de Betouw worden de meester historici (misschien/blijkbaar niet die in Nijmegen?) niet langer voor betrouwbaar gehouden.

  4. In 1812 werd in de apsis van de Barbarossa-ruïne een marmeren borstbeeld van Napoleon geplaatst met het opschrift: 'Cesar et Charlemagne revivent en Lui.' Oftewel: Julius Caesar, die hier kennelijk nog beschouwd werd als stichter van het Valkhof, en Karel de Grote, die de palts had gebouwd, zouden voortleven in de toenmalige heerser Napoleon. (p.194).

  5. Hoewel voor het appreciëren van de parkaanleg en het begrijpen van de inscripties een bepaald niveau vereist was, kwam er blijkbaar ook ander publiek in het Valkhof park (p.194). Dat bepaalde niveau wordt helaas ook bij gerenommeerde historici gemist. Zie de club van Nijmegen van het Bronnenboek van Nijmegen.

  6. In 1826 verscheen een verbodsbord gericht tegen kinderspelen. Het was kinderen tevens verboden zonder toezicht het park te betreden. Met loslopende honden werd korte metten gemaakt: ze werden doodgeslagen (p.194). We kunnen het niet typisch Nijmeegs noemen, maar het algemeen besef was toch niet van enig cultureel en historisch niveau.

  7. Het park werd een verblijfsruimte, die in contrast stond met de natuur erbuiten. Een enkele wandelaar betreurde de aanleg van de 'engelsche bloemperkjes' op het Valkhof, hij vond de eenvoud van het grasperk beter bij 'de eerwaardige overblijfsels der verledenheid' passen." (p.195). Zie ook de vorige opmerking. Slechts een enkele wandelaar had toch nog enig historisch besef.

  8. In 1836 werd een nieuw smeedijzeren hekwerk rondom het park geplaatst. Op het hek aan de Waalzijde kwam een aan Smetius ontleend vers te staan: Quem dabis, baec possit qui dare cuncta locum? De vertaling stond op de rugleuning van een bank: 'Weet gij mij een plaats te noemen, die op zoveel schoons kan roemen''? (p.). Hier wordt dan slechts het 'schoons' (van de natuur?) genoemd en gelukkig niet het historische dat door Smetius wellicht wel bedoeld zal zijn.

  9. Hier werd in 1884 het spoorwegmonument opgericht als herinnering aan de opening van de spoorweg Nijmegen-Kleef in 1865 (p.196). Dat spoorwegmonument van Godin Victoria wordt, ondanks het opschrift, nog wel eens misverstaan omdat het op de verkeerde plaats staat. Bij de ingang van het Valkhofpark en wel erg ver van het station, roept het verkeerde associaties op. Het staat in elk geval op de verkeerde plek, maar dat is met meerdere standbeelden in Nijmegen het geval, zoals dat beeld van Karel de Grote dat niet op Het Valkhof staat, maar op een druk verkeersplein, slechts bereikbaar met gevaar voor eigen leven, alsof dat de bedoeling was.

  1. Na de opheffing van de vestingstatus in 1874 begon Nijmegen in 1876 met de sloop van stadsmuren en vestingwerken. In het oosten en westen van de stad werden delen van de middeleeuwse stadsmuur gespaard (p.196/197). Met de sloop van de stadsmuur verdween ook nog meer historisch besef in Nijmegen, ondanks dat een deel van de oude stadsmuur behouden bleef 'als geschiedkundige herinnering, maar ook als decoratie van een modern park'. Een deel van die stadsmuur werd als de Ste.Gertrudiskerk beschouwd, die echter in Nijmegen nooit bestaan heeft. Lees er meer over in hoofdstuk 4, punt 8 d.

  2. De Romeinse bouwfragmenten die na de sloop van de burcht op last van In de Betouw in de muur van de Sint-Nicolaaskapel waren ingemetseld, liet de commissie in 1884 verwijderen en overbrengen naar het museum. In dezelfde periode rijpte de gedachte dat de kapellen gerestaureerd zouden moeten worden. Geleerden uit binnen- en buitenland kwamen naar Nijmegen om onderzoek te verrichten naar de bouwwerken. Een van hen was de Duitse kunsthistoricus Konrad Plath, die zijn wetenschappelijke interesse verbond met de verheerlijking van het Duitse rijk en het geslacht Hohenzollern. Samen met Weve voerde hij in 1894 een archeologische opgraving uit in de Sint-Nicolaaskapel. Beiden bepleitten een terughoudende restauratie. (p.198/199). Ook bij deze archeologisch opgraving werd niets gevonden uit de Karolingische periode.

  3. Tijdens de Tweede Wereldoorlog bouwde de Duitse bezetter drie bunkers in het park: een aan de noordoostelijke rand van het Valkhofplateau, een achter de Barbarossa-ruïne aan de zuidoostelijke rand en een bij de brug over de Voerweg. Park en omgeving liepen forse schade op in 1944, gedurende de periode dat Nijmegen frontstad was (p.199/200). Zie afbeelding in de linker kolom. In de muur van de kapel zijn ook diverse vreemde voorstellingen en voorwerpen opgenomen, zoals de afbeelding van een zakhorloge en Romeinse dakpannen. Lees er meer over bij de Valkhof en Valkhofburcht. Zie de eigen foto's. In het ALGEMEEN DAGBLAD van 20 januari 1984, wordt de Karolingische kapel genoemd die uit "rommelsteen" bestaat, een keizer onwaardig.

  4. De losse, stenen bouwfragmenten van de burcht die bij de Barbarossa-ruïne lagen, verhuisden naar de gemeentewerf (p.202). Deze losse bouwfragmenten zijn ook nadien niet opgevoerd als bewijs van de Palts van Karel de Grote en waren dat ook niet.

  5. In 1949 publiceerde de Volkskrant, die toen nog een duidelijk rooms-katholieke signatuur had, in twee artikelen plannen voor de 'herbouw van de burcht van Karel de Grote op het Valkhof te Nijmegen, als waardig en geschikt gebouw voor de Katholieke Universiteit'. Jan Brinkhoff, kenner van de Nijmeegse geschiedenis, jubelde over 'het visioen van een herbouwde Carolusburcht als zetel van de Alma Mater Carolina [ ... op deze Nijmeegse Acropolis, waar zich eens aan de drempel der middeleeuwen een gekerstend Carolingisch Parthenon als Zetel der Wijsheid verhief. Hoewel de meeste universiteitsgebouwen in de binnenstad waren verwoest of beschadigd (door oorlogsgeweld, met name in 1944), is het de vraag of de universiteit ooit serieus herbouw van de Valkhofburcht heeft overwogen. (p.203). De door Jan Brinkhoff bejubelde 'Zetel van Wijsheid' bleek bij hem toch te ontbreken. Het was Jan Brinkhoff die jubelde over "Het Valkhof te Nijmegen" (Numaga, 1 febr.1981) dat G.Th.M.Lemmens een majesteitelijk boekwerk heeft samengesteld. Brinkhoff noemt het verstandig dat Lemmens in een voetnoot terloops opmerkt, dat de theorieën van A.Delahaye hier natuurlijk niet aan de orde komen. Let op dat "natuurlijk niet". Stel je eens voor dat het in het boek over Het Valkhof in Nijmegen zou gaan over de kern van de zaak en wel of Karel de Grote er nu wel of juist geen Paleis heeft gehad. Het boekwerk zou er iets minder majesteitelijk door geworden zijn. Het was ook Jan Brinkhoff die jubelde over het Bronnenboek van Nijmegen dat van alle kanten grondig onderzocht is door P. Leupen en B. Thissen, schrijft hij. Blijkbaar heeft Brinkhoff het Bronnenboek zelf niet grondig gelezen. Dan waren hem, als kenner van de Nijmeegse geschiedenis, de vele blunders en fouten toch wel opgevallen moeten zijn, zeker als hij zich nog langer een kundig historicus wil blijven noemen? Opvallend is overigens dat Brinkhoff als kenner van de Nijmeegse geschiedenis geen bijdrage heeft geleverd aan dat Bronnenboek. Of is hij, om welke reden dan ook, niet gevraagd vanwege toch zijn bestaande kritiek over die geschiedenis? Brinkhoff noemde in zijn boekje 'Nijmegen vroeger en nu' het verhaal over Bato en het slot 'Magus' een aantrekkelijke veronderstelling, dus onzin. Hij schrijft ook zeer terecht: Wetenschappelijke vorsers die zich niet beperken tot het gebied binnen de Nederlandse rijksgrenzen maar een onderzoekende blik daaroverheen wierpen op talrijk namen van plaatsen in het buitenland die alle op Romeinse nederzettingen teruggaan, herkenden in Noviomagus het Franse Noyon en het Duitse Neumagen. Brinkhoff wist in 1971 al wat Leupen in 1980 gemist heeft, hoewel Brinkhoff toch strak aan de traditionele opvattingen vasthield. Het boekje van Brinkhoff is in die zin interessant aangezien prachtig omschreven wordt op welke wijze de mythen van Nijmegen ingevoerd zijn en belangrijker, waarop deze mythen gebaseerd zijn, ook al noemt hij het op goede gronden van ernstig onderzoek. Brinkhoff wijst er in elk geval op dat je ook over de grens moet kijken om een verklaring van plaatsnamen te vinden. En dat is precies wat Albert Delahaye deed en hij tot zijn conclusies kwam met de Deplacements Historiques.

  6. De gemeentelijke monumentencommissie werd in 1986 voor dat doel tijdelijk uitgebreid met drie hoogleraren (Prof.dr.E.Taverne, prof.dr.ir. C. Temminck Grol, prof.dr.ir. F. van Voorden). De Nijmeegse hoogleraar kunstgeschiedenis Cees Peeters, die ook was uitgenodigd, bedankte voor de eer, maar schreef wel een uitgebreid memorandum onder de titel 'Herbouw van Het Valkhof, een heilloze onderneming', dat door de andere drie werd opgenomen in hun eindrapport. De geleerden concludeerden dat een betrouwbare reconstructie op basis van de beschikbare, summiere gegevens onmogelijk was. Zij vonden het nabouwen van de burcht of delen daarvan, mede om deze reden, ontoelaatbaar. Peeters zag de herbouw als geschiedvervalsing en wees daarnaast op het feit dat het monumentale Valkhofpark op zichzelf al bijzonder genoeg was (p.204). Op het punt van 'geschiedvervalsing' zou de herbouw best gepast hebben in de geschiedenis van Nijmegen, dat immers meerdere elementen van geschiedvervalsing bevat. Lees daar alles over bij Neumaia, de oudste naam van Nijmegen.

  7. Voorstanders van herbouw wilden stad en regio verrijken met een symbool van de roemrijke geschiedenis van Nijmegen, dat tevens veel extra bezoekers zou aantrekken. Ook nu klonk weer 'het is nu of nooit', een argument, dat al vanaf 1949 opdook. (p.204/205). Het werd 'nooit', ondanks dat de commercie met een Disneyland attractie belangrijker werd geacht dan het historisch cultureel besef, of zoals beschreven op p.207: "Ons heil is niet meer afhankelijk van gedisciplineerde buitenlandse huursoldaten, maar van toeristen die geld uit komen geven".

  8. Een stadsraadpleging met slechts 43% voorstanders voor herbouw en en krappe meerderheid van de raad, bleef het negatieve advies van de overheid van kracht. In 1991 had het Valkhof de status van archeologisch rijksmonument verkregen. Niettemin ging de planontwikkeling gewoon door. (p.206). de Projectgroep Valkhofburcht was blijkbaar net zo eigenwijs als meerdere historici in Nijmegen. Het vasthouden aan onjuiste opvattingen blijkt steeds een probleem in historisch Nijmegen, niet alleen onder historici, maar ook onder beleidmakers.

  9. In oktober 1997 volgde nog een brief van de staatssecretaris (Nuis), waarin hij onomwonden stelde dat hij geen vergunning zou verlenen voor aantasting van het archeologisch rijksmonument (p.207). Het droombeeld van de eerder gepresenteerde sprookjesachtige burcht bleek omgeslagen in eigentijdse bebouwing rondom het Valkhof. Een deel van de Valkhofvereniging voelde zich bij de neus genomen. In de verkiezingsprogramma' s voor de periode 1998-2002 namen vrijwel alle partijen stelling tegen de bouwplannen. Uiteindelijk werd het project afgeblazen om na zeven jaar wederom op de politieke agenda te verschijnen. (p.208). Hoe eigenwijs zijn ze in Nijmegen eigenlijk? De Nijmegenaren staan er wel om bekend en dat kan ik zeker weten!

  10. Ter ere van het 20000-jarig bestaan van Nijmegen in 2005 sloeg een aantal particuliere initiatiefnemers de handen ineen voor de tijdelijke herbouw van de Reuzentoren - nu veelal aangeduid als donjon - met behulp van steigermateriaal en doek. Het rijk stond dit keer de herbouw toe, omdat het ging om een tijdelijk, niet gefundeerd gebouw, dat geen bedreiging vormde voor het park of het bodemarchief. Andere randvoorwaarden waren dat de toren openbaar toegankelijk moest zijn en dat de gemeente er geen geld in zou steken. (p.208/209). Rekenen kunnen ze in Nijmegen ook al niet. Nijmegen zou dan al gesticht zijn in het jaar 5 n.Chr. en door wie dan wel en op grond waarvan? Is de stichting van Nijmegen in 19, 16, 12 of 10 vóór of 10 ná Chr. hiermee van tafel? Archeoloog Jules Bogaers stelde in 1959 nog dat Nijmegen pas in 105 marktrechten kreeg van de Romeinen, toen zij Nijmegen verlieten. Is de opvatting van Bogaers ook van tafel?

  11. Als de plannen doorgaan, komt de donjon immers te staan op een van de meest bijzondere en gevoelige plekken van Nederland, te midden van de Sint-Nicolaaskapel en de Barbarossa-ruïne, twee rijksmonumenten van duizend jaar oud, in de context van een rijksmonumentaal park op een archeologisch rijksmonument, waar meer dan 2000 jaar geschiedenis ligt opgeslagen in de bodem. (p.209/210). Die 2000 jaar geschiedenis bevat meerder hiaten en er beslist geen sprake van enige continuïteit, zoals duidelijk is aangetoond.

  12. De parkontwerpen van de negentiende eeuw en de herbouwpogingen van de twintigste en eenentwintigste eeuw hebben met elkaar gemeen dat ze op een bepaalde manier het verleden proberen te laten herleven. Alle herbouwpogingen mochten rekenen op heftige tegenstand, die zich in 1949 en 1988 vooral concentreerde op de ethische kant van herbouw ('herbouw is een leugen'). (p.210). Het is wel duidelijk dat men in Nijmegen niet terugdeinst voor een leugen, om het verleden te proberen te laten herleven.

    Op 5 december 2018 werd bekend dat de Donjon definitief niet herbouwd zal worden. De archeologische kosten, uitblijven van de omgevingsvergunning en onzekere exploitatie alsmede groeiend verzet werden als redenen gegeven. Bron: De Gelderlander 5 december 2018. Zo houdt men in Nijmegen op 5 december toch de herinnering aan St.Nicolaas, patroon van de gelijknamige kapel, in ere!


Het grootste probleem van de traditionele geschiedschrijving is niet het aantonen van onjuiste opvattingen, maar dat historici hierover niet in discussie wensen te gaan. Hoewel enkele keren als zodanig genoemd, wordt ook in dit boek over Het Valkhof 2000 jaar, geen enkel feitelijk bewijs geleverd voor het bestaan van een Paleis van Karel de Grote in Nijmegen. Het heeft er dus niet bestaan! Veel is gebaseerd op de oude schrijvers die het 'van horen zeggen' hebben of zich beroepen op niet bestaande of valse oorkonden. Zo zijn nog steeds meerder opvattingen gebaseerd op de Duitse bronnenuitgave Monumenta Germaniae Historica, die onbegrijpelijke fouten bevat, zoals het opvoeren van een Bisschop van Nijmegen. Als dit nu eens zal worden toegegeven, valt ook de rest van Karolingisch Nijmegen in het water, verhalen die juist zijn uitgegaan van de aanwezigheid van dat Paleis van Karel de Grote, zoals uit de oorkonde uit het jaar 777 zou moeten blijken.

Tot zover Hoofdstuk 5 t/m 8 van Het Valkhof 2000 jaar. Lees verder bij Hoofdstuk 1.

Bestel en lees het boek "De Ware Kijk Op" voor al deze en andere teksten en oordeel zelf!

Terug naar de beginpagina.
Het Bronnenboek van Nijmegen weerlegt de Karolingische geschiedenis van Nederland.
Naar het overzicht in het kort.