De literatuuropgave in dit boek over Het Valkhof is veelzeggend. Verwijzingen naar bijvoorbeeld Smetius (1645), Daniëls (1921) en Schevichaven (1896) geven duidelijk aan dat er slechts oude opvattingen worden aangehaald uit de tijd dat archeologie en geschiedschrijving nog niet serieus bestonden. Ook de verwijzing naar de Stede-Atlas van Friedrich Gorissen (1952) is wat dat betreft duidelijk. Gorissen ging bij zijn Stede-Atlas uit van het bestaan van een Karolingische Palts, terwijl dat juist eerst eens bewezen zou moeten worden, welk bewijs tot heden nog steeds ontbreekt. De verwijzing naar het Bronnenboek van Nijmegen van Leupen en Thissen (1981) is de beste bevestiging van achterhaalde geschiedenis.
Feitelijk is Het Valkhof een misplaatste naam. Deze naam impliceert de bij de Karolingen gebruikelijk Valkenjacht. Maar van een Valkenjacht is daar nooit sprake geweest, immers de Karolingen zijn nooit in Nijmegen geweest.
De Fundamentele verwarring bestaat uit de vraag of Noviomagus uit de klassieke teksten Nijmegen is of Noyon. Het kernpunt waar alles mee begon en waar alles om draait is deze hier genoemde fundamentele verwarring. Deze kwestie ligt aan de grondslag van talloze andere opvattingen, zoals de verwarring rond Trajectum: was het Utrecht of was het Tournehem en Dockynchirica, was dat Dokkum of Duinkerke? Immers als Nijmegen fout is, is Utrecht ook niet de bisschopszetel van Willibrord en werd Bonifatius niet in Dokkum vermoord en dan was de Betuwe ook niet het land van de Bataven. Dat gebeurde allemaal in Noord-Frankrijk!
|

De locatie van de Gertrudiskapel ten opzichte van Het Valkhof (p.58).

Plattegrond van Jacob van Deventer uit 1560 (p.59).

Plattegrond van Nicolaes van Geelkerken uit 1639 (p.137).

Plattegrond van Hendrik Feltman uit 1649 (p107).
Op geen van deze plattegronden is op de vermeende locatie van de Gertrudiskapel een gebouw te zien.

Ruïne van de Gertrudiskerk bij het Valkhof.
In 1997 zou op Kelfkensbos bij archeologisch onderzoek voorafgaand aan de bouw van Museum Het Valkhof, restanten van een kelder opgetrokken uit natuurstenen blokken gevonden zijn. Deze natuurstenen blokken waren vermoedelijk afkomstig van gesloopte Romeinse gebouwen. Mogelijk gaat het om de kelder van de oude pastorie, die na de verplaatsing van de Sint-Stevenskerk in 1254 is afgebroken. Zie foto hierboven. Klik op de foto voor een vergroting. (p.139).

De Gertrudisruïne in Nijmegen (p.142). Klik op de foto voor een vergroting.
Of het een ruïne van de Gertrudiskerk was is een aanname. Of was het een stuk van de stadsmuur die in 1456 werd gebouwd, zoals op p.142 wordt genoemd?
Op de website van De Kerk van Sint-Gertrudis begint het verhaal ook met Pepijn van Landen en 'mogelijk' en 'waarschijnlijk' en toont een stuk stadsmuur aan de Voerweg, waar de Sint-Gertrudiskapel onderdeel van uitmaakte (zie foto hieronder: klik op de foto voor een vergroting).

We stuiten met het vergelijken van de plaats van de 'vermeende' Gertrudiskerk (platterond bovenaan in deze kolom) en de plaats waar de muur gelocaliseerd wordt, op een probleem. Beide locaties komen niet overeen, verre van zelfs. Op de plattegrond hierboven ligt de St.Gertrudiskerk ten oosten van de Voerweg. Op de foto's zou de Gertrudiskerk ten westen van de Voerweg hebben gestaan, precies op de plaats van de stadsmuur. Deze muur kan dus niet van de Gertrudiskerk geweest zijn, maar was gewoon een stuk van de stadsmuur.
Hier is ook weer de gewenste gedachte met vermoedelijk en mogelijk, sterker dan het strikte bewijs.
In de verwijzing (noot 25) wordt B.Thissen genoemd met "Die Pfalz Nimwegen zwischen Reichs- und Territoriale Gewalt (1247-1371)".
|
We bespreken hier de hoofdstukken 5 t/m 8. Hoewel de periode van na 1247 buiten het onderzoek van Albert Delahaye valt, zijn er toch meerdere opmerkingen over te maken. Immers latere opvattingen vinden hun oorsprong in de aanname van de aanwezigheid van het Paleis van Karel de Grote in Nijmegen.
Als je leest wat Museum Het Valkhof zelf publiceert en laat zien, dan worden een aantal misvattingen vanzelf gecorrigeerd. Zo vertoont Museum het Valkhof tussen de 3de en 11de eeuw een gat van eeuwen. In 'Het Valkhof in Nijmegen' onder redactie van G.Lemmens (uitgave van het Nijmeegs Museum 'Commanderie van Sint-Jan') wordt vermeldt dat 'Nijmegen was als stad in feite ten onder gegaan aan het einde van de derde eeuw, pas in de dertiende eeuw was er weer een nederzetting van enige omvang'.
De 'bekering' heeft zich al ingezet als we Wikipedia mogen geloven. Daar lezen we nu: "Omdat van Karel de Grote gezegd wordt dat hij een palts bij Nijmegen liet bouwen, wordt de stad Nijmegen weleens aangeduid als keizerstad. Karel de Grote was er op het paasfeest van 777 en meermalen tussen 804 en 814. Vermoedelijk heeft hij er toen zelfs gewoond". De (door mij) onderstreepte worden geven toch aan dat er de nodige twijfel bestaat.
In de geschiedenis van Nijmegen neemt Het Valkhof een centrale plaats in. Met het boek 'Het Valkhof 2000 jaar geschiedenis' willen de "Nijmeegse" historici nu eens uitvoerig aantonen dat omtrent het bestaan van de Karolingische Palts geen twijfel bestaat. In de 8 hoofdstukken die we hieronder bespreken nemen de auteurs hun standpunten in en menen ze alle twijfel over Karolingisch Nijmegen weg te kunnen nemen. De hoofdstukken zijn:
- Hoofdstuk 1. Het Valkhof en omgeving tot het einde van de Romeinse tijd, Harry van Enckevort & Jan Thijssen.
- Hoofdstuk 2. Een noordelijk steunpunt. Vroegmiddeleeuws Nijmegen vanuit archeologisch perspectief, Joep Hendriks, Arjan den Braven, Harry van Enckevort & Jan Thijssen.
- Hoofdstuk 3. Centrum en symbool van koninklijk gezag. Het Valkhof en de palts te Nijmegen van 777 tot 1247, Bert Thissen.
- Hoofdstuk 4. 'Buitengewoon en onvergelijkbaar', Het Valkhof vanuit bouwhistorisch perspectief tot circa 1200 , Elizabeth den Hartog.
- Onder Gelders landsheerlijk gezag. De burcht in het spanningsveld tussen stad en landsheer, 1247-1543, Jan Kuys.
- Hoofdstuk 6. Het verval van een icoon. De Valkhofburcht gedurende de jaren 1543-1797, Jac Geurts.
- Hoofdstuk 7. Wie was de bouwer van de eerste burcht? Denken over de vroegste geschiedenis van het Valkhof in de twaalfde tot negentiende eeuw, Louis Swinkels.
- Hoofdstuk 8. Heimwee naar de burcht. Het Valkhof vanaf de sloop tot de herbouwplannen voor de Reuzentoren, Hettie Peterse.
De centrale plaats die het Valkhof in de geschiedenis van Nijmegen inneemt, wordt tegengesproken door de excentrische ligging. Het Valkhof lag buiten de oude stad. Zie afbeelding hiernaast van Hendrik Feltman uit 1670. Klik op de kaart voor het detail met het Valkhof. Die ligging geeft al meteen aan dat het in opzet geen Karolingische maar een Duitse stad was. In een Karolingische stad lag de palts altijd in het centrum, met de bewoning daar omheen. Zie als voorbeeld de plattegrond van Noyon.
De vraag is ook of die 2000 jaar geschiedenis slechts voor het Valkhof geldt of ook voor de hele stad? In Nijmegen meent men dan wel dat het de oudste stad van Nederland is, maar daarvoor bestaan bij voorbaat al vier problemen:
- Er is geen enkel bewijs dat Nijmegen ooit stadsrechten kreeg van de Romeinen. Lees daar meer over bij Stadsrechten.
- Er bestaat geen continuïteit in de geschiedenis van Nijmegen. Lees daar meer over bij Nijmegen oudste stad?, wat in het Bronnenboek bevestigd wordt.
- Het grootste probleem in de geschiedenis van Nijmegen is het veronderstelde Paleis Noviomagus van Karel de Grote dat er archeologisch nooit gevonden is . Dat Paleis stond in zijn kroningsstad Noviomagus, dat onmiskenbaar Noyon was?
- Met het Bronnenboek van Nijmegen is aangetoond dat alle teksten over Noviomagus tot 1047 niet over Nijmegen, maar over Noyon gaan. Lees meer over het Bronnenboek.
De visie van Albert Delahaye.
Het is wel duidelijk dat Albert Delahaye tijdens zijn werk in Nijmegen een totaal andere kijk kreeg op de continuïteit van de stad. Die bleek er niet geweest te zijn. Het Romeins wordt door hem helemaal niet ontkend, al beweren kwaadaardige opponenten dat wel eens. Maar zelfs in de Romeinse periode zijn enkele hiaten aangetoond en daarna brak een lange tijd van een nagenoeg onbewoonde periode aan. Er zijn wel enkele graven gevonden uit verschillende eeuwen, maar met een graf bewijs je geen bewoning als er geen nederzetting wordt gevonden. Zo is van de aanwezigheid van een Karolingische Palts die er ruim 4 eeuwen gestaan moet hebben nog steeds niets teruggevonden. Maar het belangrijkste in de visie van Delahaye vormen de teksten. En die wijzen allemaal naar het Noviomagus waar Karel de Grote tot Koning van de Franken werd gekroond, wat onmiskenbaar het Noord-Franse NOYON was. Alle teksten die in Het Bronnenboek van Nijmegen opgevoerd worden om daarmee te bewijzen dat 'toch Nijmegen bedoeld zal zijn', blijken over Noyon en enkele andere steden te gaan die in de Romeinse tijd ook Noviomagus heetten. Ligt Nijmegen aan een rivier die uitstroomt in de Seine? Ligt Nijmegen vlak bij Parijs? Ligt Nijmegen tussen Soissons en Amiens? Ligt Nijmegen in Picardië? Heeft Nijmegen ooit een bisschopszetel gehad? Op al deze vragen is het antwoord volmondig NEEN. Dan was Noviomagus ook niet Nijmegen, maar Noyon.
Het belangrijkste en keiharde bewijs die de aangenomen Karolingische geschiedenis van Nijmegen tegenspreekt is de gedenksteen van Frederik Barbarossa, die in Museum Het Valkhof te zien is. Lees meer over deze gedenksteen.
We geven hieronder letterlijke citaten en hebben die in rood voorzien van onze opmerkingen en commentaren. De gebruikte nummering kan wijzigen door het tussenvoegen van nieuwe bevindingen.
Hoofdstuk 5. Onder Gelders landsheerlijk gezag. De burcht in het spanningsveld tussen stad en landsheer, 1247-1543, door Jan Kuys.
Jan Kuys schrijft in dit hoofdstuk enkele keren over de Nijmeegse Palts, waarmee toch weer de suggestie wordt gewekt dat het over de Palts van Karel de Grote gaat. Die is er nooit geweest. Sinds 1155 bestond wel de burcht van Frederik Barbarossa, meestal ook zo genoemd, maar die was zeker niet Karolingisch. (zie punt 2 hieronder).
- Het jaar 1247 wordt algemeen beschouwd als een breekpunt in de Nijmeegse geschiedenis. De burcht met toebehoren, de stad en het Rijk van Nijmegen kwamen toen als pandgoed in bezit van graaf Otto II van Gelre en werden onderdeel van zijn graafschap. Geleidelijk aan zouden de koninklijke palts, de stad en het Rijk van Nijmegen na 1247 met het graafschap Gelre vergroeien (p.129).
De verpanding van de burcht en de stad betekende inderdaad een breekpunt en er was ook zeker sprake van een groot spaningveld tussen stad en landsheer, wie dat ook was.
Met de verpanding werd precies aangetoond wat de historici nooit hebben kunnen accepteren: Nijmegen is nooit een Duitse Rijksstad geweest, ook al voert het de dubbele Duitse adelaar in het gemeentewapen.
Ook opvallend is dat Nijmegen bij alle pogingen om zich los te maken van Gelre en een eigen zelfstandigheid te krijgen en als Duitse stad, zich nooit beroepen heeft op haar zogenaamde Karolingsche status.
Het Bronnenboek eindigt zijn referenties met de oorkonde uit 1247, alsof de kwestie van Karolingisch Nijmegen hiermee afgedaan was, terwijl zij in feite dan pas begon. Immers, tot nu toe hebben we in de schriftelijke bronnen niet het minste spoor kunnen ontdekken, dat enige relatie zou inhouden met de Karolingische voorgeschiedenis van Nijmegen, evenmin enige bevestiging over het bestaan van die traditie. Sommige historici, waaronder de auteurs van het Bronnenboek, aan wie de elementaire kennis van de middeleeuwse staatsinstellingen blijkt te ontbreken, hebben uit de oorkonde van 1230 (met de verlening van stadsrechten door koning Hendrik VII) afgeleid, dat Nijmegen een vrije Rijksstad was. In de oorkonde staat echter geen woord over dit statuut. Vanzelfsprekend kan het niet worden afgeleid uit de woorden van de suppliek, waarin Nijmegen vroeg om in bepaalde zaken gelijkberechtigd te worden met “Aken en andere steden van ons en van het rijk” . In het Latijn staat: “Aquisgranum et aliae nostrae civitateset imperii” . Het Bronnenboek vertaalt dit met “rijkssteden”, wat taalkundig al fout is, en hup, Nijmegen is dus ook rijksstad geweest. De Nijmegenaren bedoelden in 1230 al niet rijksstad; de koning nog minder, want in de eigenlijke beschikking komt de formule “Aken en de andere steden van het rijk” niet eens meer voor.
Was Nijmegen een Rijksstad geweest, dan had de stad een zetel gehad in de Duitse Rijksdag en had de verpanding nooit plaats kunnen vinden. Immers, de verpanding van een Rijksstad zou door de Duitse Rijksdag en zeker door de andere Rijkssteden als een verraad tegen het Rijk zijn opgevat. Nijmegen heeft ook nooit deelgenomen aan enige militaire operatie van het Duitse Rijk, tenzij als ondergeschikte van Gelre. De enige maal dat Nijmegen in verband met een Rijksdag is genoemd, was in 1543, toen de stadsbode Gerrit van Ravenstein een reis maakte naar de Rijksdag van Neurenberg. Wat precies zijn opdracht was, wordt niet vermeld. Maar in 1543 stelde de titel van Rijksstad feitelijk al weinig meer voor en was het meer verworden tot een economische inhoud dan een staatsrechtelijke. Als archivaris trok Albert Delahaye een volgende dodelijke conclusie voor de auteurs van de rijksstad-theorie en vooral voor hun leider Leupen. Wanneer zo ’n belangrijke en essentiële thesis voor een stad wordt gesteld, is het wel zaak om uit de stadsarchieven bewijzen daarvoor aan te dragen, maar deze primaire bron hebben zij glansrijk overgeslagen. Afdoende is ook dat Nijmegen zich in zijn strijd tegen Gelre en zijn zucht naar onafhankelijkheid nooit beroepen heeft op de titel van rijksstad of enige Karolingische status. Dat zou toch het argument bij uitstek zijn geweest om zijn aspiraties kracht bij te zetten en de overheersing van Gelre af te houden.
In 1431 zette koning Sigismund een nieuwe stap door over Arnold en de inwoners van Gelre de rijksban uit te spreken, hetgeen betekende dat al hun burgerlijke en politieke rechten vervielen. De stad Nijmegen wist zich aan deze rijksban te onttrekken met een beroep op het feit dat zij niet Gelders was, maar een rijksstad die slechts verpand was aan de hertog van Gelre. Hierdoor werd de rijkskanselarij geattendeerd op iets wat deze vermoedelijk al lang vergeten was, namelijk dat de palts van Nijmegen nog steeds aan de hertogen van Gelre verpand was. Vanwege dit beroep op de rijksstatus werd Nijmegen nu door de koning gesommeerd de oude verpandingsbrieven te tonen. Dit is vermoedelijk gebeurd en vervolgens heeft Sigismund in 1435 het pand ingelost door de totale pandsom uit te betalen aan Adolf van Berg, die immers in zijn visie de wettige hertog van Gelre was. Formeel waren hiermee de sinds 1247 verpande rijksgoederen aan het Duitse rijk teruggevallen. Aangezien het hertog Adolf van Berg en zijn opvolgers nooit is gelukt Gelre in hun macht te krijgen, zijn Nijmegen en het Rijk feitelijk steeds Gelders gebleven. Dit voorval laat evenwel zien dat zelfs in de vijftiende eeuw de hertogen van Gelre nog ernstig rekening moesten houden met het verlies van hun Nijmeegse pandbezit en dat het voor Nijmegen politiek loonde zich als niet-Gelderse stad en rijksstad te afficheren (p.141/142).
Direct na de verpanding van de burcht liet de graaf van Gelre merken, dat de aanwezigheid van de parochiekerk vlakbij de burcht, die hij nu als de zijne beschouwde, hem een doorn in het oog was. In 1249 verkreeg hij van de aartsbisschop van Keulen verlof “ om de parochiekerk, die hem zeer hinderlijk was” a f te breken en op een andere passende plaats te herbouwen. De akte benadrukt, al zegt zij dit niet met zoveel woorden, dat hier de St. Nicolaas-kapel bedoeld was. De afbraak is niet doorgegaan - de kapel staat er vandaag nog! - waarschijnlijk omdat de stad de eis had gesteld dat, wanneer de graaf van Gelre de kerk weg wilde hebben van het Valkhof, hij op zijn kosten dan maar een nieuwe moest laten bouwen, wat trouwens ook in het verlof van de aartsbisschop van Keulen bevolen was. Even waarschijnlijk is dat de stad de graaf heeft tegengewerkt, die zij met lede ogen als haar heer moest aanvaarden, en die zij op dat tijdstip nog als een vreemde indringer beschouwde. In dezelfde maand juni 1254, toen de hypotheek op de burcht was verhoogd, deed de graaf van Gelre een nieuwe poging om de kerk verplaatst te krijgen. Samen met de rechter, de schepenen en burgers van Nijmegen schonk de graaf de Hundisberg aan het kapittel der H. Apostelen te Keulen, die het patronaatsrecht over de parochiekerk van Nijmegen bezat, om daar een nieuwe kerk met kerkhof te stichten.
De Ste.Gertrudiskerk in Nijmegen.
Na een uitvoerig bericht over de bouw van de St. Stevenskerk en haar inwijding door St. Albertus de Grote laat Willem van Berchen volgen, dat de gelovigen in 1459 op de plaats van het voormalig kerkhof een kapel stichtten ter ere van Ste.Gertrudis, wat het verhaal sluitend leek te maken dat de Ste.Gertrudis ook voorheen de parochiekerk van Nijmegen was. Van die kerk is geen spoor te bekennen geweest. Het is dan erg interessant wat er op de oude stadsplattegronden te zien is. Zie in de linker kolom. Willem van Berchen vermeldt daar heel eerlijk over dat hij het 'van horen zeggen' heeft. We kunnen ook hier Van Berchen betrappen op wat duimzuigerij, immers hij meende ook dat de eerste parochiekerk van Nijmegen ten tijde van de Pepijnen (7e eeuw) was gesticht en onder het patronaat van Ste.Gertrudis stond. De stichting van een parochiekerk ter ere van Ste. Gertrudis (626-659) is een zodanig lachertje, dat geen enkele serieuze historicus in Nijmegen, waar men warempel niet flauw is met mythen, dit ooit heeft durven herhalen. Tot in dit boek over het Valkhof dan! Lees meer over Ste.Gertrudis in hoofdstuk 2 onder punt 49.
Een van die mythe was de Karolingische Palts die de mensen niet alleen van af de schoolbanken in het hoofd werd gepraat, zij werd hen tevens met de “ Karolingische Kapel” bijna onuitwisbaar op het netvlies gebrand. De juiste naam van St. Nicolaas-kapel, die Albert Delahaye al in 1954 heeft genoemd, is na aanvankelijk hevige tegenstand, toch volledig door Nijmegen aanvaard; het staat ontelbare malen in de huidige literatuur.
Nijmegen heeft na de verpanding van de burcht aan Gelre een eeuwenlange en hopeloze strijd geleverd om zich aan de politieke gevolgen daarvan te onttrekken. Door de oorkonde van 1230 leek een schoon begin gemaakt te zijn om te komen to t een gelijkschakeling met de Duitse steden,
wat nadien als het argument werd aangegrepen om te ontkomen aan de greep van Gelre. Indrukwekkend lijkt de serie oorkonden en privileges die Nijmegen bezit. Zij werden verleend door: Hendik VII in 1230; Richard in 1257; Rudolf in 1282; twee stuks, waarvan een met een duidelijke strekking tegen Gelre; Albert in 1304; Hendrik VII in 1310; Lodewijk IV in 1324 en 1338; Karel IV in 1349 en 1357; de laatste is de zogenaamde Gouden Bul; Wenceslausin 1384; Frederik III in 1442; Karel V in 1549 en Rudolf II in 1576. Door hun aantal, termen, zegels en afkomst zouden deze keizerlijke oorkonden een geweldige indruk kunnen maken. Men moet zich echter niet laten verblinden door de figuren van de oorkonders bij het nawegen van het juiste gewicht van de inhoud en het effectieve nut voor de stad.
Als eerste intrigerende vraag dringt zich immers op, waarom zoveel koningen en keizers in de serie ontbreken. Er zijn geen oorkonden of bevestigingen (we beginnen bij 1125) van de volgende vorsten: Koenraad III (1138-1152); Frederik I (1152-1190): Hendrik VI (1190-1197); Philips van Zwaben (1198-1208); Otto IV (1208-1218); Frederik II (1218-1250); Koenraad IV (1250-1254); Willem II (1250-1256); Adolf van Nassau (1291-1298); Ruprecht (1400-1410); Sigismund (1410-1437); Albrecht II (1438-1439); Maximiliaan I (1493-1519); Ferdinand I (1556-1564) en Maximiliaan II (1564-1576).
Tegenover 11 koningen van het Duitse rijk, die de rechten van de stad bevestigd hebben, staan er 15 die zich niet verwaardigd hebben Nijmegen een gunstbrief te schenken. Dit feit heeft een heel simpele verklaring. Uit het gehele rijtje van wel en niet verleende oorkonden blijkt zonneklaar, dat Nijmegen deze gunstbrieven gevraagd heeft in perioden waar de stad in de verdrukking van Gelre stond, zoals na 1250, toen de gevolgen van de verpanding begonnen door te dringen; tegen het einde van de 13e eeuw, toen het duidelijk werd dat de stad de hertog van Gulik-Gelre volledig als haar heer moest erkennen; omstreeks 1440, toen de stad om politieke redenen weer sterker tegen Aken ging aanleunen, en omstreeks 1543, toen Gelre verloren dreigde te gaan in de politiek van Karel V.
Het is meer dan opvallend, het is waarschijnlijk alles bepalend, dat de stad juist in de perioden, waar zij actief bezig was zich tegen Gelre af te zetten, koninklijke gunstbrieven vroeg en verkreeg, en dat er geen aanwezig zijn uit de perioden, waar het aktie-voeren tegen Gelre en het nadruk leggen op het zogenaamd statuut van Duitse stad minder actueel waren.
De latere koninklijke gunstbrieven waren in de meeste gevallen niets anders dan oratorische uitlatingen van de welwillendheid van de vorsten, gunstbrieven waaraan dikwijls het verlangen naar een tegenprestatie in de vorm van politieke steun ten grondslag lag, die kort na de kroning vanuit de koninklijke kanselarij over het rijk werden verspreid, als het ware aan de lopende band. Nijmegen begon zich tegen het begin van de 14e eeuw te ontwikkelen tot een stad, die in politiek opzicht meetelde en economisch de vleugels ver had uitgeslagen. Niettegenstaande de keizerlijke brieven heeft het de strijd om de onafhankelijkheid tegen Gelre verloren; zelfs het voortdurend hameren op het statuut van Duitse stad, een reeds lang achterhaald feit, heeft niet meer gebaat. Aan de eerste rechten van 1230, bestaande uit tolvrijheid in het Duitse rijk en een slechts zijdelings bevestigd recht van zelfbestuur, is later weinig substantieels toegevoegd. De nadelige gevolgen van de verpanding konden door geen keizerlijke brief, hoe hoog gestemd ook, verhinderd worden zolang de verpanding niet ongedaan en de pandsom aan Gelre gerestitueerd was. Nijmegen en het rijk van Nijmegen lagen de keizers niet na aan het hart; een terugkoop van het pand is nooit overwogen.
Opvallend is dat bij al deze pogingen van Nijmegen om zich los te wringen van Gelre, een eigen zelfstandigheid te krijgen en als Duitse stad erkend te worden, de stad zich nooit beroepen heeft op haar zogenaamde Karolingische afkomst. Trouwens, zij kon het niet doen, omdat dit denkbeeld tot ver in de 15e eeuw nog bij niemand in Nijmegen, in Holland of Gelre was opgekomen. Men heeft altijd gedacht, dat Nijmegen zich juist met dit motief altijd aan Aken heeft geprobeerd op te trekken. Ook dat was onjuist, omdat dit motief nog totaal onbekend was. Toen het misverstand in de loop van de 15e eeuw begon door te sijpelen en tenslotte ca. 1480 door fabelschrijver Willem van Berchen voor de eerste keer in Nijmegen en Nederland werd neergeschreven. Van Berchen die eerder ook al beweerde dat Nijmegen door Julius Caesar was gesticht. De politieke ontwikkelingen en de ondergeschiktheid van Nijmegen aan Gelre waren inmiddels zo gestabiliseerd, dat Nijmegen wel begreep met een beroep op de zogenaamde vroegere Karolingische residentie niets meer te zullen bereiken.
Meer over de verpanding en de ware geschiedenis van Nijmegen is te lezen in de Ware Kijk Op.
- Ten tijde van de verpanding was Nijmegen nog een bescheiden stad in opkomst. De vroegste aanwijzingen dat de van oorsprong Karolingische nederzetting ten westen van de burchtheuvel zich tot een stedelijke nederzetting aan het ontwikkelen was, stammen uit het midden van de twaalfde eeuw (p.129). De verpanding vond plaats in 1247, ofwel in het midden in de dertiende eeuw Met het enkele keren noemen van het woordje 'Palts' in dit hoofdstuk en de mededeling van een van oorsprong Karolingische nederzetting wordt weer sterk gesuggereerd dat er een Palts van Karel de Grote heeft bestaan. Die is er nooit geweest! De mededeling van een stedelijke nederzetting aan het ontwikkelen spreekt de aanname tegen dat Nijmegen de oudste stad van Nederland zou zijn. Halverwege de 13de eeuw bestonden er al meerdere steden, zoals Amersfoort, Dordrecht, Utrecht, Maastricht, Middelburg, zelfs Zutphen enz. Zie bij de opkomst van Nederland.
Nijmegen bestaat sinds 1230 als stad, maar het grootste probleem van Nijmegen is het gebrek aan continuïteit, sinds de Romeinse tijd en het feit of Nijmegen ooit stadsrechten kreeg van keizer Traianus.
"De zo gewenste continuïteit in de bewoning van Nijmegen kan niet worden aangetoond", aldus H.P.H.Jansen in zijn boek "Middeleeuwse Geschiedenis der Nederlanden". De gemeente Nijmegen spant zelf de kroon door dat in de eigen uitgave te vermelden: "Nijmegen was als stad in feite ten onder gegaan aan het einde van de derde eeuw en pas in de dertiende eeuw was er weer een nederzetting van enige omvang". (Bron: "Het Valkhof te Nijmegen" uitgegeven ter gelegenheid van de tentoonstelling "Het Valkhof en de vroegste geschiedenis van de stad Nijmegen", gehouden in het Nijmeegs Museum Commanderie van St. Jan van 11 oktober t/m 30 november 1980).
- Zowel de burcht als de stad kwamen te liggen binnen een omwalling, die na 1254 door de graaf en de stad gezamenlijk is aangelegd. De verdediging van de burcht en de stad werd hierdoor een gemeenschappelijk belang van graaf en stad. In het beheer van de Nijmeegse palts en toebehoren zal de graaf van Gelre na 1247 het nodige veranderd hebben, al ontbreken hiervoor directe aanwijzingen (p.131).De burcht van Barbarossa wordt hier nog steeds foutief Palts genoemd. Feit is dat pas in 1254 de eerste omwalling is aangebracht. Hiermee wordt tevens ondergraven dat het bericht over de Noormannen die de palts met omwalling zouden hebben bezet, op Nijmegen betrekking had. In Nijmegen ontbreken wel vaker directe bewijzen die men vervolgens invult met aangenomen vermoedens (zie volgende punt).
- Thissen vermoedt dat diplomatieke stappen van graaf Reinald voorkomen hebben dat hem het Nijmeegse pandbezit zou worden ontnomen (p.133).Op een vermoeden van Bert Thissen (van het Bronnenboek) wordt hier geschiedenis geschreven.
- In het jaar 1300 kwam koning Albrecht naar Nijmegen om daar een uitspraak te doen in het conflict over de opvolging in het graafschap Holland. Volgens de rijmkroniek van de Hollandse geschiedschrijver Melis Stoke nam hij tijdelijk zijn intrek op de burcht (p.133/134).Hier wordt de Rijmkroniek van Melis Stoke genoemd. Heeft Jan Kuys deze kroniek wel gelezen? In de literatuurlijst ontbreekt deze kroniek, terwijl het wel wetenschappelijk zou zijn geweest als de historici met de geschiedschrijving van Nederland eens bij de oudste schrijvers zouden beginnen. Dan zijn er nog tot heden enkele onopgeloste puzzels, die nodig om opheldering vragen, zoals 'waar ligt de plaats 'Suthardeshage'?
De eerste Nederlandse schrijvers spreken met geen woord over Nijmegen of over de Karolingische palts aldaar. Alpertus van Metz, de Annalen van Egmond, de Rijmkroniek van Melis Stoke, de Clerc uten Laghen Landen zwijgen in alle talen over Karolingisch Nijmegen evenals over Dorestadum. Alpertus van Metz vermeldt wel het concilie van Noviomagus van 1018, waarmee hij vanzelfsprekend Noyon bedoelde waar dat plaats vond. Deze eerste kronieken van Nederland beslaan de periode van de 10e tot ver in de 14e eeuw. De traditie van St. Willibrord, in Nederland in de 12e eeuw langzaam opkomend, begint bij Melis Stoke en de latere schrijvers door te sijpelen, maar van de Nijmeegse mythe hebben zij nog geen syllabe. Er mag derhalve de conclusie getrokken worden, dat tot ver in de 14e eeuw nog nooit iemand in Nederland van Karolingisch Nijmegen had gehoord. Uit de teksten van Noyon en het Bronnenboek van Nijmegen kan geconcludeerd worden dat de Nijmeegse kanunnik Willem van Berchen de mythe van Karel de Grote in Nijmegen heeft uitgevonden. Hij leefde en schreef tussen 1450 en 1490 en het klopt tot in de puntjes, dat alle gegevens uit de ware geschiedenis van Nijmegen dit tijdstip aanwijzen als de geboorte van de Karolingische mythe.
- Voor de stad vormde de militaire aanwezigheid van de hertog een permanente bedreiging, omdat de burcht binnen de stadsmuren was gelegen, maar niet door de stad gecontroleerd werd. Dat verklaart waarom hertog Reinald III in 1343 bij zijn ambtsaanvaarding aan de stad moest beloven dat hij de burcht niet zou versterken. Toen er in 1372 in Gelre een burgeroorlog woedde om de hertogelijke macht, maakte de stad zich tijdelijk meester van de burcht (p.136). Hieruit blijkt eens te meer dat stad en burcht twee gescheiden werelden waren, wat het Karolingische karakter van Nijmegen tegenspreekt. Het oudste Nijmegen, dat aan de Waaloever lag, ging immers aan de burcht vooraf! Deze verhouding tussen burcht en stad dateert uit de 12e eeuw, toen namelijk de tendens leefde, aan een stad en een burcht onderscheiden territoria te geven, die strikt en dikwijls tot in kleinzielige details van elkander gescheiden moesten blijven. Deze tendens bestond nog niet in de Karolingische periode, waar de grondpolitiek niet bekend was en die zeker niet gebezigd werd als uitdrukkingsmiddel van machtsverhoudingen. Het topografisch beeld van Nijmegen toont oppervlakkig gezien reeds overduidelijk, dat de stedenbouwkundige opzet en de verhouding tussen stad en burcht niet kan dateren uit de tijd van Karel de Grote. Lange tijd bleven burcht en stad van elkander gescheiden; pas in de 15e eeuw groeiden zij samen tot een geografische eenheid.
- Op de plaatsen waar zij verblijf hielden, was het meestal niet mogelijk de vele leden van de hofhouding langdurig te onderhouden, zodat de hertog na gedane zaken weer naar zijn volgende verblijfplaats trok (p.137).Dit rondtrekken gold zeker in de tijd van Karel de Grote. Waar hij dan in Nederland verbleef (buiten Nijmegen waar hij slechts in 777, 804, 806 en 808 zou zijn geweest) is nog steeds een groot onopgelost probleem. In Utrecht, Deventer, Zutphen of 'Dorestad' is Karel de Grote met zijn hofhouding NOOIT geweest. Dat kon ook niet, immers deze plaatsen bestonden nog niet in de 8ste of begin 9de eeuw.
- Parochiekerk op het Valkhofterrein. Leupen veronderstelt dat deze kerk in het eerste kwart van de zevende eeuw is gesticht en oorspronkelijk in handen was van de Keulse aartsbisschop. In de schriftelijke bronnen vernemen we pas voor het eerst in 1249 iets over de parochiekerk op het Valkhof, die dan in de onmiddellijke nabijheid van de burcht blijkt te staan, binnen de muren van het laat-Romeinse castellum. Het kerkgebouw moest echter wijken voor de aanleg van een gracht die de burcht beter verdedigbaar zou maken. Pas vijf jaar later, in 1254, stemde het Nijmeegse stadsbestuur er officieel mee in dat de kerk zou worden afgebroken en op een andere plek herbouwd, zo blijkt uit een oorkonde die graaf Otto in dat jaar uitvaardigde voor het Sankt-Apostelenkapittel in Keulen (p.138).Wat Leupen 'veronderstelt' is een fabel, waar geen enkele bewijs voor is of ooit voor heeft bestaan. Leupen baseert zijn veronderstelling blijkbaar op de mededeling van fabelschrijver Willem van Berchen, die van alles heeft verzonnen (van horen zeggen!) en Nijmegen een Paleis van Karel de Grote toekende, dat hij immers bij Gregorius van Tours gelezen had. Hieruit blijkt nog eens ondubbelzinnig dat Leupen de bronnen niet kent en als historicus heeft afgedaan.
De eerste parochiekerk stond niet naast maar OP het Valkhof en was de St.Nicolaaskapel, wat blijkt uit de opdracht van Albertus Magnus. Die parochiekerk moest wijken, niet de kapel op zich, die is ook niet afgebroken, maar het gebruik als parochiekerk werd verplaatst. De hier genoemde oorkonde uit 1254 is een falsum. Deze oorkonde heeft de topografie van Nijmegen op een dwaalspoor gebracht, met name Friedrich Gorissen heeft in zijn |Stede-Atlas van NIjmegen deze niet als vals onderkend. Zijn reconstructie van de stedenbouwkundige ontwikkeling is dan ook tot plm.1400 onhoudbaar, omdat hij uitging van de aanwezigheid van een Palts van Karel de Grote. In de oorkonde uit 1254 worden functies, termen en gebruiken genoemd die in de 13de eeuw nog niet bestonden. De oorkonde is geruime tijd later opgemaakt, om enkele vergeten of in onbruik geraakte rechten van Keulen veilig te stellen. Wat hier het Nijmeegs stadsbestuur wordt genoemd, staat in de oorkonde 'de rechter der stad Nijmegen, de schepenen en de andere burgers'. Daarmee wordt ondubbelzinnig mede de valsheid van de oorkonde aangegeven; alsof er instemming van de burgers of de rechter nodig was bij de afbraak.
|