Op de plek van het oude kerkhof werd in 1459 van de giften van gelovigen de Sint-Gertrudiskapel gebouwd. De historische geografie van de lage landen.
Terug naar de beginpagina.
Het Bronnenboek van Nijmegen weerlegt de Karolingische geschiedenis van Nederland.
Naar het overzicht in het kort.

Het Valkhof, 2000 jaar geschiedenis. Hoofdstuk 2, p.42-71.

De auteurs Joep Hendriks, Arjan den Braven, Harry van Enckevort en Jan Thijssen noemen hun bijdragen in het Verhaal van Gelderland
'vermoedens in de lijn van verwachtingen'. Dat geldt ook voor hun verhaal in Het Valkhof 2000 jaar.


Hoofdstuk 2 heet: "Een noordelijk steunpunt. Vroegmiddeleeuws Nijmegen vanuit archeologisch perspectief". Dat je vanuit archeologisch perspectief kunt bepalen of Nijmegen een noordelijk steunpunt was, is uitgesloten. De archeologie zegt niets over etniciteit. Dat blijkt ook wel uit de teksten waarin dat steunpunt slechts 2 keer genoemd wordt. Nijmegen nam immers een strategische positie in als schakel tussen enerzijds het achterliggende Rijn- en Maasland en anderzijds de stroomafwaarts gelegen castella en koningsgoederen. (p.54). "Destijds zullen zij ook op andere manieren de claims onderstreept hebben van de Merovingische heersers, voor wie Nijmegen een belangrijk steunpunt vormde in de noordelijke periferie van hun rijk." (p.65).
Die strategische positie blijkt nergens uit, net zo min dat er Merovingische heersers verbleven. Dat Nijmegen een Merovingische aanwezigheid heeft gehad, is eenzelfde aangenomen veronderstelling als de aanwezigheid van dat Karolingisch Paleis. Nijmegen krijgt van deze auteurs meer geschiedenis toebedeeld, dan het ooit gehad heeft. Het Bronnenboek is daar wel heel duidelijk over: tussen de 4de eeuw en 725/777 geeft het geen enkele tekst. Er bestaat dus geen enkele Merovingische tekst of gebeurtenis die over Nijmegen gaat!

EEN SPECIFIEKS NIJMEEGS PROBLEEM (Het Valkhof 2000 jaar, p.81)
Een specifiek Nijmeegs probleem is de identificatie van de vermeldingen. In de bronnen, die in het Latijn geschreven zijn, komen we naamsvormen als Neomaga, Neumaga, Niumaga, Nivimagun en Noviomagus tegen. Het is niet bij voorbaat duidelijk dat hiermee inderdaad Nijmegen wordt bedoeld, want er zijn andere plaatsen met vergelijkbare namen. Soms blijkt het bij de middeleeuwse vermeldingen bijvoorbeeld te gaan om het Franse Noyon, soms om het Duitse Neumagen. Voor de Nijmeegse archivaris Albert Delahaye vormde dit, in combinatie met het feit dat de Karolingische palts op het Valkhof voor zover destijds werd onderkend nog niet was teruggevonden, vanaf de jaren vijftig van de vorige eeuw aanleiding om het bestaan van heel Karolingisch Nijmegen te ontkennen: alle vermeldingen zouden betrekking hebben op Noyon in Noord-Frankrijk. Ook alle andere plaatsnamen die in de middeleeuwse bronnen direct of indirect met Noviomagus in verband worden gebracht, zouden in die contreien moeten worden gesitueerd. Noord-Nederland zou in de vroege en volle middeleeuwen een vrijwel leeg gebied zijn geweest. Toen dit in de twaalfde eeuw voor menselijke bewoning werd ingericht, zouden oude namen zijn gekopieerd en zou de mythe zijn ontstaan dat de bewoning hier al van eeuwen her dateerde. Delahaye, die zich uiteindelijk verloor in complottheorieën, is duidelijk te ver doorgeslagen in zijn kritiek, maar een feit blijft wel dat de juiste interpretatie bij naams-vormen als Noviomagus problematisch kan zijn. Vaak geeft de context uitsluitsel, maar soms resteert er een onzekerheidsmarge (aldus dit citaat op p.81).
Wat hier geschreven wordt op p.81 is inderdaad hèt Nijmeegs probleem. Dat er sprake is van verwarring tussen Nijmegen en Noyon, wat altijd ontkend werd, is hèt kernprobleem. De context dient de doorslag te geven en als er geschreven wordt over een bisschop van Noviomagus of plunderingen van de Noormannen die via de Seine en Oise komen, kan men daar niet Nijmegen van maken, wat dus wel gebeurd is. Waar die complottheorieën van Delahaye uit bestaan, hebben we nooit mogen vernemen. Of was er bij de gevestigde historici sprake van een complot tegen de opvattingen van Delahaye? Complot is (volgens Van Dale) immers een samenzwering met kwade bedoelingen tegen iemand of iets. Met wie zweerde Delahaye samen? Hij stond toch alleen in zijn opvattingen, volgens prof.P.Leupen? Waartegen had Delahaye kwade bedoelingen? Tegen de historische waarheid?
Het is niet alleen een Nijmeegs probleem! Het wordt een algemeen 'vaderlands' probleem. Immers als Nijmegen vervalt als Karolingisch, verdwijnen alle opvattingen die van Karolingisch Nijmegen afgeleid zijn, zoals de Bataven in de Betuwe, de Fresones in Friesland, St.Willibrord in Utrecht, St.Bonifatius in Dokkum en andere predikers die onjuist in Nederland terecht zijn gekomen.

De literatuuropgave in dit boek over Het Valkhof is veelzeggend. Verwijzingen naar bijvoorbeeld Smetius (1645), Daniëls (1921) en Schevichaven (1896) geven duidelijk aan dat er slechts oude opvattingen worden aangehaald uit de tijd dat archeologie en geschiedschrijving nog niet serieus bestonden. Ook de verwijzing naar de Stede-Atlas van F.Gorissen (1952) is wat dat betreft duidelijk. Gorissen ging bij zijn Stede-Atlas uit van het bestaan van een Karolingische Palts, terwijl dat juist eerst eens bewezen zou moeten worden, welk bewijs tot heden nog steeds ontbreekt. De verwijzing naar het Bronnenboek van Nijmegen van Leupen en Thissen (1981) is de beste bevestiging van achterhaalde geschiedenis.

Stamt de Kapel op het Valkhof uit 1030?
Dit jaartal dat algemeen aanvaard is, net zoals de opvatting dat de St.Nicolaas gebouwd is naar voorbeeld van het stift in Aken. Het is een mythe en het is eerder andersom geweest. Bij nadere bestudering blijken de bronnen zeer twijfelachtig.
Het jaartal 1030 wordt 'als vaststaand' genoemd door J.F. van Agt in het artikel "De Sint-Nicolaaskapel op het Valkhof" (p.52-58), opgenomen in 'Het Valkhof te Nijmegen' in Catalogi van het kunstbezit van de Gemeente Nijmegen nr.3.
Maar wat schrijft Van Agt precies? "De bouw rond 1030 van een kleine kapel in Nijmegen als vereenvoudigde navolging van de Paltskapel te Aken past dus helemaal in dit kader".

De vraag is dus: Welk kader wordt hier bedoeld?

Over dat kader valt het nodige op te merken:
  • Van Agt en anderen gaan uit van het feit dat de palts van Karel de Grote in Nijmegen heeft gestaan.
  • Dat deze palts in 1047 verwoest is door Godfried van Lotharingen, maar dat de kapel blijkbaar 'gespaard' is gebleven, misschien dank zij haar excentrieke ligging. Van Agt stelt het hier wel erg simplistisch voor. Zou Godfried en zijn troepen die kapel werkelijk over het hoofd hebben gezien?
  • Dat Sint-Nicolaas, de patroonheilige en patroon van de schippers, al in 1030 bekend was in Nijmegen. Nicolaas zou al in Duitsland bekend zijn geweest voordat zijn relieken van Myra naar Bari werden overgebracht, wat in 1097 gebeurde. Hier is dan ook zeker sprake van een wonder.
  • Dat ir. J.J.Weve, die de bouw na zorgvuldig archeologisch onderzoek, op 1046/47 stelde, het dus fout had.
  • De bouw van de ten onrechte 'Karolingisch' genoemde kapel heeft in ieder geval niet in de tijd van Karel de Grote, maar pas veel later plaatsgevonden.
  • De spaarvelden van de westelijke uitbouw, plaatsen de kapel in dezelfde tijd als ondermeer de in 1048 ingewijde Sint-Pieterskerk te Utrecht.
  • We mogen derhalve de polygonale kapel op het Valkhof zonder enige twijfel als een gebouw uit het tweede kwart van de 11de eeuw beschouwen. Dit vanwege vergelijkingen met de Michaëlkerk te Hildesheim, de Lebuinuskerk te Deventer en meerdere bouwwerken in de Rijnstreek. Noot 28 verwijst naar 2 publicaties: Edgar Lehman, Der frühe deutsche Kirchenbau, Berlin 1938; E.H. ter Kuile, De Romaanse kerkbouwkunst in de Nederlanden, Zutphen 1975.
  • Vervolgens worden vergelijkingen gemaakt met de kerk te Brugge (bekend door de moord op Karel de Goede in 1027) en de Saint-Jean te Luik, die sterk leek op het Akense voorbeeld. De veel kleinere kerk te Muizen bij Mechelen uit de 10de eeuw, die duiden op een soortgelijke opzet. De Walburgiskerk te Groningen waarvan de meningen over de dateringen uiteen lopen, maar de bouwtijd in de 11de eeuw is niet onwaarschijnlijk. Helaas kunnen we over het inwendige van deze gebouwen slechts vermoedens uiten.

    De conclusie van J.F. van Agt luidt als volgt:
    "Welke invloed echter tussen het einde van de 10de eeuw en het midden van de 11de eeuw van Aken uitging, bewijzen het westwerk van de Abdijkerk (nu Dom) in Essen, waarin een halve centraalbouw naar Akens model is opgenomen, de westgalerij van Sankt-Maria im Kapitol te Keulen en de achthoekige Mariakerk te Ottmarsheim. Hier sluit de dubbele zuilenopstelling in de openingen van de arcaden iedere twijfel uit. Het westwerk in Essen kwam tot stand onder Abdis Mathilde (974-1011) rond het jaar 1000; en de kerk te Ottmarsheim werd pas in 1049 gewijd, omstreeks welke tijd ook de westgalerij van de Kapitoolskerk gereed zal zijn gekomen".

    De datering blijkt dus te bestaan uit vergelijkingen met overeenkomstige gebouwen elders in Westelijk Europa. En zoals alle vergelijkingen het mis hebben, is op grond van al deze twijfel en onzekere 'vergelijkingen' van bouwwijzen, komt Van Agt op het jaar 1030! Hoe onzeker wil je het hebben? Er bestaat dus geen enkel rechtstreeks bewijs voor de datering op 1030!

    Feitelijk is Het Valkhof een misplaatste naam. Deze naam impliceert de bij de Karolingen gebruikelijk Valkenjacht. Maar van een Valkenjacht is daar nooit sprake geweest, immers de Karolingen zijn nooit in Nijmegen geweest.



    De Fundamentele verwarring bestaat uit de vraag of Noviomagus uit de klassieke teksten Nijmegen is of Noyon. Het kernpunt waar alles mee begon en waar alles om draait is deze hier genoemde fundamentele verwarring. Deze kwestie ligt aan de grondslag van talloze andere opvattingen, zoals de verwarring rond Trajectum: was het Utrecht of was het Tournehem en Dockynchirica, was dat Dokkum of Duinkerke? Immers als Nijmegen fout is, is Utrecht ook niet de bisschopszetel van Willibrord en werd Bonifatius niet in Dokkum vermoord en dan was de Betuwe ook niet het land van de Bataven. Dat gebeurde allemaal in Noord-Frankrijk!

    De oude parochiekerk op het Valkhof.
    Na de uiteindelijke instemming en de overdracht van de kerk aan de broeders van St. Jan, is de nieuwe St.Stevenskerk gebouwd. Gegevens over de bouw zijn niet bekend gebleven, enkel het feit dat Albertus de Grote, toen wijbisschop van Keulen, op 7 September 1272, de dag voor het feest van Maria Geboorte, de kerk heeft geconsacreerd. Bij deze gelegenheid heeft zich iets voorgedaan, dat van het hoogste belang is voor de Karolingische kwestie. Albertus de Grote legde namelijk aan de parochie de verplichting op om elk jaar, acht dagen na Pinksteren een processie te houden naar de plaats van de oude kerk, speciaal om de gelovigen te herdenken, die daar begraven waren. In die processie moesten het H. Sacrament, het beeld van de H. Maagd en de relieken van de heiligen meegedragen worden.
    Het staat vast, dat de processie het Valkhof als doel had.
    Dit voorschrift is door de parochie trouw opgevolgd en heeft geleid tot de beroemde Maria-Omdracht van Nijmegen, die in de middeleeuwen een grote faam genoot. Een zijdelings gevolg ervan is geweest, dat de schrijver van een mirakelspel dit in Nijmegen situeerde als Mariken van Nimwegen. Dit mirakelspel valt in de categorie
    nep in Nijmegen, want het heeft zich daar, of waar dan ook, nooit voorgedaan. Het is een mirakelspel, ook al wordt men in tegenwoordig Nijmegen er overal aan herinnert, zonder de nadruk te leggen op 'mirakel'.
    Tijdens de protestantse overheersing werd de Maria-Omdracht verboden; de traditie is vooral op instigatie van Prof. Titus Brandsma in 1926 hernomen, al bleek spoedig dat zij doodgebloed was en de mens van vandaag niet meer aanspreekt.
    In 1962 is plotseling en zonder enige uitleg de Maria-Omdracht van het programma geschrapt.
    Let goed op: in hetzelfde jaar werd het Keizer Karelbeeld in Nijmegen opgericht! Er behoeft nauwelijks op gewezen te worden dat dit gebeurde nadat Albert Delahaye met zijn publicaties over de Maria-Omdracht naar Brabant was verjaagd. De ware reden van de opheffing van deze aloude traditie is - en laat U niets anders wijsmaken - dat het voor de Karolingische toeteraars onverdraaglijk was, dit jaarlijks terugkerend bewijs dat de oude parochiekerk en het oude kerkhof op het Valkhof aanwezig zijn geweest, en er geen sprake is geweest van een Karolingische palts voor de burcht van Barbarossa uit 1155. De fraudes van het Bronnenboek zijn systeem geworden in Nijmegen. Om de mythe in stand te houden, ziet men er zelfs geen been in de ware historie om zeep te helpen.

    Albertus Magnus (Albertus de Grote).

    Uit de opdracht van St. Albertus de Grote blijken vier gewichtige zaken:

    1. Voor de bouw van het Paleis van Frederik van Barbarossa, dat er in 1155 was gesticht, was het Valkhof het kerkelijke domein van de stad en was de St. Nicolaas-kapel de parochie-kerk.

    2. Op het tijdstip van de bouw van deze kerk, het einde van de 11de eeuw -de kerk is immers aan St.Nicolaas gewijd en daarmee de oudste St.Nicolaaskerk van Nederland. Vóór 1087 was St.Nicolaas, die de patroon van de schippers was, in Westelijk Europa nog onbekend- ,was het Valkhof nog geen keizerlijk domein, laat staan een overblijfsel van een Karolingische residentie. Opvallend detail: de tweede voornaam van prof.dr.F.Hugenholtz was Nicolaas. Was hij daarom zo fel tegen Albert Delahaye die van Nicolaas meer bleek te weten dan hij? De naam Nicolaaskapel, zoals de kapel tegenwoordig heet, bevestigt immers het gelijk van Delahaye, dat er nooit een Karolingische residentie heeft bestaan.

    3. Een en ander verklaart nog beter de aanvankelijke tegenzin van Nijmegen om toe te stemmen in de verplaatsing van de kerk, wat nog te aanvaarden was bij het vooruitzicht op een nieuwe en fraaiere kerk, maar wat pijnlijker was met betrekking tot het kerkhof, waaraan de mensen gevoelsmatig meer gehecht waren. De verplichting tot de jaarlijkse processie was dan ook het belangrijkste element dat Albertus de nieuwe kerk en parochie oplegde.

    4. Het voorschrift van de jaarlijkse processie mag men terecht opvatten als een zacht protest tegen de houding van de graaf van Gelre, die de kerk en het kerkhof uit zijn voortuin weg wilde hebben. Met dit zacht protest wilde Albertus de gelovigen van Nijmegen op een devote manier op het hart binden door hen elk jaar eraan te doen herinneren, dat de kerk voor een wereldlijk heer had moeten wijken. De parochie had haar doden moeten achterlaten op een geprofaneerd terrein, waar de mensen van Nijmegen normaal geen toegang toe hadden. Die toegang kregen zij nu door jaarlijkse processie, voorgeschreven door de aartsbisschop van Keulen, die meer te vertellen had dan de graaf van Gelre.



    Rode mortel bij de Romeinen
    De Romeinen waren zeer deskundig op het gebied van mortel. Ruïnes van hun bouwwerken staan al eeuwen bloot aan weer en wind, zonder dat de mortel uitgespoeld is. Romeinse mortel bestaat meestal uit kalk, zand en water. Voor waterwerken kon de kalk door puzzolaan vervangen worden, dat bij Napels gewonnen werd. De Romeinse architect Vitruvius geeft een variant, die een rode mortel oplevert. Hij kiest daarvoor 1 deel kalk, 2 delen rivierzand, aangevuld met 1 deel gemalen dakpan, en 15 à 20% water. Het resultaat is herkenbaar aan de rood-roze voegen, bij beschadigingen is te zien dat het hele metselwerk met deze rode mortel is opgetrokken: navoegen was bij de Romeinen een uitzondering.

    In het hierboven genoemde artikel van J.F. van Agt over de kapel op het Valkhof lezen we het volgende: Wel werd op enkele plaatsen mortel aangetroffen met baksteenpoeder erin maar het bleek dat deze rood gekleurde specie bij puinblokken hoorde of aan stenen zat die kennelijk afkomstig waren van hergebruikt sloopmateriaal. Deze alleen plaatselijk gevonden mortelresten zijn overigens van een heel andere samenstelling dan de zeer harde rode pleister, waarmee het gebouw - blijkens overgebleven resten - zowel binnen als van buiten afgewerkt is geweest. De resten van die beide met restjes
    rode mortel waren gevoegd werden door hem wel in de Karolingische tijd geplaatst. Die rode mortel wordt nu gebruikt om dat Karolingisch Paleis aan te tonen dat er bijna 300 jaar gestaan zou hebben. Binnen in het metselwerk lijken op specieresten in twee muurfragmenten bij de westelijke uiteinden van de romaanse Barbarossa-ruïne en op mortelresten, aangetroffen op losse Romeinse fragmenten verspreid over het Valkhofterrein; ook werd op veel plaatsen puin met mortel opgegraven. Op het Valkhof terrein werden geen fundamenten of grondsporen van Romeinse gebouwen aangetroffen; de Romeinse fragmenten moeten dus van elders gehaald zijn. De muurgedeelten met de rode mortel bij de Barbarossa-ruïne beschouwde Weve als Karolingisch, zij zijn jonger dan een waarschijnlijk Merovingisch fundament met grijze mortel, dat langs de hele westrand van deze ruïne loopt, maar veel ouder dan het aansluitende muurwerk uit de 12de eeuw. Uit dit alles bleek, dat de Karolingische Palts met behulp van rode mortel was opgemetseld uit bouwstenen, die gedeeltelijk van Romeinse herkomst waren. De excentrisch gelegen polygonale kapel, zo concludeerde Weve, moest dus blijkens de rode mortel die op sommige plaatsen werd gevonden, gebouwd zijn met Karolingisch sloopmateriaal en wel op een plaats, waar tevoren geen ander bouwwerk had gestaan.

    Deze rode mortel die in Nijmegen soms Karolingisch wordt verklaard, maar in werkelijkheid Romeins is, bevestigt het enorme gat van Nijmegen in de continuïteit. Dat gat wordt met die rode mortel aangetoond tussen de derde (vierde?) en de twaalfde eeuw. Dat gat van Nijmegen zie je ook telkens terug in diverse publicaties. Zie als voorbeeld het Verhaal van Gelderland. Enkele opmerkingen daaruit worden hiernaast al genoemd.

    Opvallend is dat in het boek "Het Valkhof te Nijmegen" bij de beschrijving van de St.Maartenskapel (p.63-72) nergens 'rode mortel' wordt genoemd, slechts hergebruikte Romeinse fragmenten.


    Uit dit hoofdstuk (en andere hoofdstukken) blijkt dat de auteurs heel deskundig zijn om de traditionele opvattingen in mooie en overtuigende verhalen te beschrijven. Maar zij blijken helaas niet op de hoogte van de ware geschiedenis, ook al spreken ze menigmaal hun twijfel uit over de eigen traditionele opvattingen.
    Zo blijken de auteurs van dit hoofdstuk geen weet te hebben van de kronieken van kanunnik Willem van Berchen. Als je de vermelding over de Ste.Gertrudiskerk serieus neemt, ken je de ware geschiedenis niet. En dan kun je wel verwijzen naar een vorige auteur zoals Gorissen die het ook niet blijkt te weten, maar als je de bron niet controleert ben je niet echt wetenschappelijk verantwoord bezig.
    Het is ook steeds een probleem voor de niet deskundige lezers dat zij niet (kunnen) weten wat in een verhaal weggelaten wordt. Zie als voorbeeld de 362 plaatsnamen van Trajectum die niet genoemd worden of de plaats Auici. Ook weet de lezer niet dat bepaalde opvattingen al sinds tijden achterhaald zijn: zie als voorbeeld de mythe over de Ste.Gertrudiskerk. Misschien weten de auteurs het zelf ook niet dat een opvatting achterhaald is. Uitleg over waarom niet onbelangrijke zaken worden weggelaten, wordt ook steeds gemist: zie het Bronnenboek als voorbeeld. Met slechts 12 van de 362 plaatsnamen kun je toch je gelijk niet aantonen?

  • De belangrijkste conclusie van dit hoofdstuk is dat er geen continuïteit heeft bestaan in de bewoningsgeschiedenis van Nijmegen. De auteurs erkennen dit onverbloemd op p.43 en p.65 en met de verwijzing in noot 91 (zie punt 67). Waar verder over continuïteit gesproken wordt, gaat het steeds over 'vermoedens' en 'aanwijzingen'.

    Als je leest wat Museum Het Valkhof zelf publiceert en laat zien, dan worden een aantal misvattingen vanzelf gecorrigeerd. Zo vertoont Museum het Valkhof tussen de 3de en 11de eeuw een gat van eeuwen. In 'Het Valkhof in Nijmegen' onder redactie van G.Lemmens (uitgave van het Nijmeegs Museum 'Commanderie van Sint-Jan') wordt vermeldt dat 'Nijmegen was als stad in feite ten onder gegaan aan het einde van de derde eeuw, pas in de dertiende eeuw was er weer een nederzetting van enige omvang'.

    De 'bekering' heeft zich ingezet. Op Wikipedia lezen we nu: "Omdat van Karel de Grote gezegd wordt dat hij een palts bij Nijmegen liet bouwen, wordt de stad Nijmegen weleens aangeduid als keizerstad. Karel de Grote was er op het paasfeest van 777 en meermalen tussen 804 en 814. Vermoedelijk heeft hij er toen zelfs gewoond". De (door mij) onderstreepte worden geven al aan dat er de nodige twijfel bestaat.

    In Nijmegen en historisch Nederland weten ze maar al te goed dat Albert Delahaye gelijk had. Van een palts van Karel de Grote is niets gevonden. In Archeologie Magazine nr.6 2023 lezen we: "In Nijmegen zijn nog resten te bewonderen van de keizerlijke palts waarin keizerin Theophanu in 991 overleed. De fraaie 11de eeuwse St.Nicolaaskapel maakte hiervan deel uit". Let op: Geen woord over Karel de Grote en een palts uit 777, maar een verwijzing naar keizerin Theophanu ruim 200 jaar later. Overigens is die verwijzing dubbel onjuist, aangezien keizerin Theophanu overleden is in Noyon en de St.Nicolaaskapel pas een eeuw later (ca.1089) is gebouwd is en nooit deel heeft uitgemaakt van welke palts dan ook.

    In de geschiedenis van Nijmegen neemt Het Valkhof een centrale plaats in. Met het boek 'Het Valkhof 2000 jaar geschiedenis' willen de "Nijmeegse" historici nu eens uitvoerig aantonen dat omtrent het bestaan van de Karolingische Palts geen twijfel bestaat. In de 8 hoofdstukken die we hieronder bespreken nemen de auteurs hun standpunten in en menen ze alle twijfel over Karolingisch Nijmegen weg te kunnen nemen. De hoofdstukken zijn:
    1. Hoofdstuk 1. Het Valkhof en omgeving tot het einde van de Romeinse tijd, Harry van Enckevort & Jan Thijssen.
    2. Een noordelijk steunpunt. Vroegmiddeleeuws Nijmegen vanuit archeologisch perspectief, Joep Hendriks, Arjan den Braven, Harry van Enckevort & Jan Thijssen.
    3. Hoofdstuk 3. Centrum en symbool van koninklijk gezag. Het Valkhof en de palts te Nijmegen van 777 tot 1247, Bert Thissen.
    4. Hoofdstuk 4. 'Buitengewoon en onvergelijkbaar', Het Valkhof vanuit bouwhistorisch perspectief tot circa 1200, Elizabeth den Hartog.
    5. Hoofdstuk 5. Onder Gelders landsheerlijk gezag. De burcht in het spanningsveld tussen stad en landsheer, 1247-1543, Jan Kuys.
    6. Hoofdstuk 6. Het verval van een icoon. De Valkhofburcht gedurende de jaren 1543-1797, Jac Geurts.
    7. Hoofdstuk 7. Wie was de bouwer van de eerste burcht? Denken over de vroegste geschiedenis van het Valkhof in de twaalfde tot negentiende eeuw, Louis Swinkels.
    8. Hoofdstuk 8. Heimwee naar de burcht. Het Valkhof vanaf de sloop tot de herbouwplannen voor de Reuzentoren, Hettie Peterse.
    De centrale plaats die het Valkhof in de geschiedenis van Nijmegen inneemt, wordt tegengesproken door de excentrische ligging. Het Valkhof is feitelijk buiten de oude stad gelegen. Zie afbeelding hiernaast van Hendrik Feltman uit 1670. Klik op de kaart voor het detail met het Valkhof. Die ligging geeft al meteen aan dat het in opzet geen Karolingische maar een Duitse stad was. In een Karolingische stad lag de palts altijd in het centrum, met de bewoning daar omheen. Zie als voorbeeld de plattegrond van Noyon.
    De eerste vraag is of die 2000 jaar geschiedenis slechts voor het Valkhof geldt of ook voor de hele stad? In Nijmegen meent men dan wel dat het de oudste stad van Nederland is, maar daarvoor bestaan bij voorbaat al vier problemen:
    1. Er is geen enkel bewijs dat Nijmegen ooit stadsrechten kreeg van de Romeinen. Lees daar meer over bij Stadsrechten.
    2. Er bestaat geen continuïteit in de geschiedenis van Nijmegen. Lees daar meer over bij Nijmegen oudste stad?
    3. Het grootste probleem in de geschiedenis van Nijmegen is het veronderstelde Paleis Noviomagus van Karel de Grote dat er archeologisch nooit gevonden is . Dat Paleis stond in zijn kroningsstad Noviomagus, dat onmiskenbaar Noyon was?
    4. Met het Bronnenboek van Nijmegen is aangetoond dat alle teksten over Noviomagus tot 1047 niet over Nijmegen, maar over Noyon gaan. Lees meer over het Bronnenboek.

    De visie van Albert Delahaye.
    Het is wel duidelijk dat Albert Delahaye tijdens zijn werk in Nijmegen een totaal andere kijk kreeg op de continuïteit van de stad. Die bleek er niet geweest te zijn. Het Romeins wordt door hem helemaal niet ontkend, al beweren kwaadaardige opponenten dat wel eens. Maar zelfs in de Romeinse periode zijn enkele hiaten aangetoond en daarna brak een lange tijd van een nagenoeg onbewoonde periode aan. Er zijn wel enkele graven gevonden uit verschillende eeuwen, maar met een graf bewijs je geen bewoning als er geen nederzetting wordt gevonden. Zo is van de aanwezigheid van een Karolingische Palts die er ruim 4 eeuwen gestaan moet hebben nog steeds niets teruggevonden. Maar het belangrijkste in de visie van Delahaye vormen de teksten. En die wijzen allemaal naar het Noviomagus waar Karel de Grote tot Koning van de Franken werd gekroond, wat onmiskenbaar het Noord-Franse NOYON was. Alle teksten die in Het Bronnenboek van Nijmegen opgevoerd worden om daarmee te bewijzen dat 'toch Nijmegen bedoeld zal zijn', blijken over Noyon en enkele andere steden te gaan die in de Romeinse tijd ook Noviomagus heetten. Ligt Nijmegen aan een rivier die uitstroomt in de Seine? Ligt Nijmegen vlak bij Parijs? Ligt Nijmegen tussen Soissons en Amiens? Ligt Nijmegen in Picardië? Heeft Nijmegen ooit een bisschopszetel gehad? Op al deze vragen is het antwoord volmondig NEEN. Dan was Noviomagus ook niet Nijmegen, maar Noyon.
    Het belangrijkste en keiharde bewijs die de aangenomen Karolingische geschiedenis van Nijmegen tegenspreekt is de gedenksteen van Frederik Barbarossa, die in Museum Het Valkhof te zien is. Lees meer over deze gedenksteen.

    We geven hieronder letterlijke citaten en hebben die in rood voorzien van onze opmerkingen en commentaren. De gebruikte nummering kan wijzigen door het tussenvoegen van nieuwe bevindingen. Toch geven de auteurs meerdere malen eerlijk toe dat ze twijfelen aan hun opvattingen. Op nauwelijks 20 pagina's tekst lezen we toch 14x 'wellicht', ook 21x 'vermoedelijk', 'vermoedde' of 'vermoedt' en meerdere keren 'misschien', 'aannemelijk' of 'aangenomen mag worden'. Dat 'mag' misschien van een bepaalde historicus? Daarnaast nog 13 instanties met 'moet', zoals in 'moet zijn geweest' en 'moet hebben'. Je vraagt je daarbij dan weer af: "Van wie moet dat?" Wellicht van diezelfde historicus die zijn opvatting toch wel bevestigd wil zien.

    Hoofdstuk 2. Een noordelijke steunpunt. Vroegmiddeleeuws Nijmegen vanuit archeologisch perspectief. (p.42-71). Geschreven door Joep Hendriks, Arjan de Braven, Harry van Enckevort en Jan Thijssen.
      De vraag is in hoeverre er geschreven is vanuit archeologisch perspectief? Archeologie gaat over grondvondsten en kent geen jaartallen, namen van stammen of plaatsnamen, waarmee dit hoofdstuk toch ruim voorzien is. Er wordt slechts 18x over de archeologie geschreven, de rest is geschreven vanuit de historische context. Dit hoofdstuk zit vol aannamen en onbewezen opvattingen, kenmerkend voor de geschiedenis van Nijmegen. Opvallend is dat de auteurs van dit hoofdstuk juist de archeologisch bevindingen die toch wel duidelijk zijn, bagateliseren.

    1. Fragment met leeuwenkop van Karolingisch/Ottoons beeldhouwwerk (28 cm hoog) uit de fundering van de Hof van Lydborch tot Styrom op de Eiermarkt, en zeer waarschijnlijk afkomstig van het Valkhof (p.43). Is het Karolingisch of Ottoons? En als niet eens zeker is waar het fragment vandaan komt, vervalt ook dit stukje geschiedenis.

    2. In 2005 vierde de stad Nijmegen zelfverzekerd haar tweeduizendjarig bestaan en claimde zij tevens de titel ‘oudste stad van Nederland’ (p.43). In noot 1 wordt verwezen naar A.van Hoof (hier met één -f- terwijl hij het zelf met twee -ff- schrijft. Hoe zorgvuldige ben je dan als redactie?). In zijn artikel in het Historisch Nieuwsblad 20/6, 44-51: "Hoe Nijmegen Maastricht aftroefde". We kennen Anton van Hooff al langer, toen hij verontwaardigd schreef over de Bataven in de Betuwe. Dat aftroeven valt wel mee, het is immers slechts een gedachte van enkelen niet deskundigen. In de historische wereld houdt men het toch op Maastricht als oudste stad, met een aangetoonde doorlopende continuïteit die in Nijmegen geheel ontbreekt. Dat die viering zo zelfverzekerd was blijkt niet uit andere gegevens. Zo vierden men in Nijmegen in 1930 het 700 jarig bestaan, maar in 1950 het 1800 jarig bestaan dat in 1955 plots werd aangepast aan het 1850 jarig bestaan van de stad. Lees er meer over bij Nijmegen. Dat Nijmegen ooit stadsrechten gekregen heeft is ook een pertinente onjuistheid. Het is bedacht door Jules Bogaers die als archeoloog steeds liet blijken helaas geen verstand van historische geografie te hebben.

    3. De feestelijkheden werden voorafgegaan door een debat over de vraag of Nijmegen tussen de late oudheid en het begin van de Karolingische tijd wel continu bewoond is geweest. Een halve eeuw eerder werd hieraan namelijk nog openlijk getwijfeld (p.43). Die twijfel bleek maar al te zeer terecht te zijn en is dat nog steeds. Ook het Bronnenboek van Nijmegen dat met veel bombarie werd gepresenteerd, toont aan dat er meerdere hiaten in de geschiedenis van Nijmegen bestaan.

    4. Tussen het laat-Romeinse castellum op het Valkhofplateau en de historisch bekende Karolingische palts en zijn opvolgers lag een periode van de vijfde tot de achtste eeuw waaruit geen duidelijke bewoningsresten bekend waren. Voor zover al sprake was van bewoningscontinuïteit, was er geen bewijs dat de regionale centrumfunctie tijdens de Merovingische periode was voortgezet. Vanuit historisch perspectief – Nijmegen wordt niet vermeld in schriftelijke bronnen uit deze periode – is het altijd problematisch geweest de ruïnes van het laat-Romeinse castellum zonder meer te beschouwen als verblijfplaats van de Merovingische (rijks)elite (p.43). Dat is toch duidelijke taal. En die gaten de in de bewoningscontinuïteit worden ook aangetoond met het Bronnenboek.

    5. Intussen heeft archeologisch onderzoek, uitgevoerd sinds begin twintigste eeuw, in combinatie met de (her)interpretatie van historische bronnen, voldoende aanwijzingen opgeleverd dat Nijmegen tussen het verdwijnen van het Romeinse gezag en de opkomst van de Karolingers wel degelijk continu bewoond was en als regionaal centrum bleef fungeren. Hoewel het in sommige gevallen – onder andere voor het Valkhof – nog om indirect bewijs gaat, wijzen nieuwe ontdekkingen, onder meer in Lent, erop dat aan geen van beide zijden van de Waal sprake is geweest van een vroegmiddeleeuws bewoningshiaat (p.43). Let op hoe men in Nijmegen geschiedenis schrijft met 'herinterpretaties' en 'indirect bewijs'. Men moet en zal immers bewijzen dat Karel de Grote in Nijmegen was en er een palts bouwde. Er is geen enkel archeologische of tekstueel bewijs voor die 'heroriëntatie'. En wat er in Lent te vinden was vormt geen enkel bewijs voor Nijmegen, in tegendeel zelfs.

    6. Vanaf het tweede kwart van de vijfde eeuw verloor het Romeinse gezag definitief zijn greep op de provincie Germania secunda, waartoe ook Nijmegen en het voormalige Bataafse stamgebied behoorden (p.43). Het Bataafse stamgebied lag volgens Tacitus in Gallia en was dan ook niet de Betuwe. Dat laatste is inmiddels achterhaald, o.a. door Stijn Heeren. Germania Secunda wordt meestal Germania Inferior genoemd. Lees meer over Germania, maar dan wel Germania van Tacitus.

    7. Op p.43 wordt ook nog even de grote volkverhuizingen aangestipt, waarvan de echte deskundigen al langer weten dat die nooit bestaan hebben. Lees er meer over bij de Grote Volksverhuizingen. Er worden enkele veldslagen genoemd tussen de Franken en de Romeinen in 445 en 454 (Flavius Aetius) en 457 (p.44). Als we de teksten volgen, blijkt die geschiedenis zich helemaal in het zuiden van België en het noorden van Frankrijk te hebben voorgedaan.
      1. In 445 na Chr. zond Chlodius de koning van de Franken (ook Chlodovech, Clovis) vanuit de burcht Dispargum (niet Duisburg maar Isbergues) bespieders naar de stad Camaracum (Kamerijk). Hij trok de Renus (Schelde) over, versloeg veel volk van de Romeinen rond de Renus (Schelde), die tot aan de Ligeris (Loire) woonden, trad het Carbonarisch Woud (is Het Kolenwoud op de taalgrens binnen, veroverde de stad Tornacum (Doornik), en vandaar haastte hij zich naar de stad Cameracum (Kamerijk). Daar bleef hij korte tijd zitten en doodde alle Romeinen die hij kon vinden. Vandaar stootte hij door tot aan de Somme en bezette het gehele gebied (Bron: Sigeberti Gemblacensis chronica, MGS, VI, p. 308). Zoek je dit op de traditionele locaties van plaatsen dan wordt het een veldtocht van ongekende omvang, terwijl het een zeer plaatselijk gebeuren was. De Romeinen hadden Nederland al in 260 verlaten. Het is een farce te denken dat ze dan in de 5de eeuw rond Nijmegen nog een veldslag zouden hebben gevoerd tegen de Franken, die allang in het oude Romeinse Rijk verbleven.
      2. Flavius Aetius ( ca. 390 - 454) was Romeins opperbevelhebber in Gallia, waar hij tegen de Westgothen en Franken streed. Door een onscrupuleus streven naar macht berokkende hij het Romeinse Rijk veel schade: Pannonia, Engeland en Afrika gingen voor de Romeinen verloren, maar de neergang van het West-Romeinse Rijk in Gallia en Germania is door zijn toedoen nog enige tijd uitgesteld. Hij werd in 454 door keizer Valentinianus III eigenhandig gedood tijdens een audiëntie.
      3. De Salische Franken (p.43) worden traditioneel in Salland geplaatst, maar het waren de Franken aan de rivier de Selle bij Valenciennes die in de Schelde (Renus) stroomt. Lees meer over Salland in het Verhaal van Gelderland.
        De Franci, die na 287 in de teksten beginnen te verschijnen, waren niet afkomstig uit een 'Frankenland' in Duitsland, doch zij waren inheems in het noorden van Frankrijk en het zuiden van België. Zij noemden zichzelf niet Franci (vrijen), maar het was een Romeinse verzamelnaam van verenigde stammen die zich verzetten tegen het Romeins gezag. Dat zij woonden in het gebied dat de Romeinen sinds ca.260 verlaten hadden, is een mythe. Waarom zouden de Romeinen dan daar gaan vechten op een plek die totaal geen overlast veroorzaakte? De Franken zullen voor het merendeel zijn voortgekomen uit de Suevi (omgeving Kortrijk), want er moet opgemerkt worden dat de naam van de Suevi bij hun opkomst begint te verdwijnen. Na deze tijd spreekt bijna niemand meer over de Suevi, die door Caesar en Tacitus toch als het grootste en machtigste volk van de Germanen werd beschreven. Later duiken de Franci op verschillende plaatsen op. Dan is het zo dat dit geen veroveringen van de Franci waren, doch dat ook andere stammen zich bij hen aansloten en Franci werden genoemd door de kroniekschrijvers, omdat zij hetzelfde ideaal van eigenheid en zelfstandigheid voor ogen hadden staan.
      4. De Frankische immigranten zullen deels aansluiting hebben gevonden bij de nog resterende Romeinse structuren en namen waarschijnlijk -zoals vaker in de voorafgaande eeuw- als foederati de bescherming van de Rijngrens op zich (p.44). Waarom zouden die Franken de Rijngrens gaan beschermen? Voor wie of wat? Om het weglopen te voorkomen?

      5. Na een laatste mislukte veldtocht langs de Rijn door de Gallische generaal Aegidius, kregen de zogenoemde Rijnfranken de provinciehoofdstad Keulen tegen 457 definitief in handen. Deze hier genoemde Rijnfranken waren de meestal 'Ripuarische Franken' genoemd. In dit hoofdstuk worden ze niet zo genoemd, maar hanteert men de naam 'Rijnfranken'. De Ripuarische Franken woonden natuurlijk niet, zoals meestal wordt aangenomen, op de beide Rijnoevers rond Keulen, vanwaar ze geleidelijk zouden zijn 'afgezakt' in de richting van de Moezel en de Maas. Dit laatste is wel ongeveer hun juiste plek, maar van "afzakken" is er geen sprake geweest. Het is trouwens niet ongebruikelijk om twee onverenigbaarheden met "afzakken" aan elkaar te praten. De Bataven, die later zo duidelijk in het noorden van Frankrijk zitten, zijn ook op deze legendarische manier "afgezakt" ! De streek van de Ripuarii is het best te reconstrueren via de nog bestaande naamkundige relicten van hun stammen. Zij zijn er in overvloed: Ribeaucourt, Meuse; Ribeaucourt, Somme; Ribeauville, Aisne; Ribemont, Aisne; Ribecourt-la-Tour, bij Kamerijk; Ribemont-sur-Ancre, Somme; Rupt-sur-Moselle, Vosges; Rupt-aux-Nonains, Meuse; Rupt-sur-Othain, Meuse; Rupt-sur-Saöne, Haute-Saöne; Rupt-devant- aint-Mihiel, Meuse; Rupt-en-Woevre, Meuse.
        De hier genoemde veldslag in 457 vond plaats in Frankrijk. Het in de teksten genoemd Colonia Agrippina was niet Keulen, maar Avesnes-sur-Helpe. Na de Wandali (Vandelicourt) en de Alani (Allennes), na de Gothi (Gosnay) en de Hunni (Huningue e.a.) trokken de Franci verder Gallia binnen (zie kader hiernaast), niet zozeer om dit te verwoesten maar om er zich blijvend te vestigen. Na Colonia Agrippina (Avesnes-sur-Helpe) te hebben veroverd, dreven zij Egidius op de vlucht en doodden veel Romeinen. (Bron: Sigeberti Gemblacensis chronica, MGS, VI, p. 312). Egidius is de laatste Romeinse opperbevelhebber in Gallia geweest, die er sedert 456 in functie was. Hij heeft veel tegen de Ripuarische Franken gestreden, daar zij in hun gebied al zoveel macht hadden dat in feite alleen de twee steden Avesnes-sur-Helpe en Trier nog onder Romeins gezag stonden. Deze plaatsen zijn overigens omstreeks 458 in handen van de Franken gevallen, toen Egidius meer aandacht aan het zuiden van Gallia moest besteden. Hij is in 464 om het leven gekomen. De veronderstelling dat de Romeinen eind 5de eeuw nog in Nederland of Duitsland aanwezig waren, is volstrekt uitgesloten, wat ook door menig historicus wordt bevestigd. Wat hier hoofdstuk 2 beweerd wordt is behalve een farce, ook pure volksverlakkerij. Dat blijkt ook uit het vervolg van dit verhaal. Zie hierna.

    8. Beide Frankische rijken grensden in het zuiden vermoedelijk aan twee Gallo-Romeinse territoria (p.44). Ze grensden er niet aan, maar lagen er al lange tijd middenin. Dat de Franken vanuit Nederland of Duitsland gekomen zouden zijn is de omkering van de feiten. De verschillende stammen woonden allang binnen het Romeinse Rijk (zie de plaatsen van de strijd van de Romeinen tegen deze stammen), maar gingen zich pas met de opkomst van Childerik (ca.457-481) verenigen en werden door anderen 'Franken' genoemd, aangezien ze 'Frank en vrij' wilden zijn. Vandaar hun constante strijd tegen de Romeinse onderdrukkers.

    9. Na Childeriks dood begon zijn zoon Clovis (circa 481-511) met de uitbreiding van het Salische grondgebied, zowel in zuidelijke als oostelijke richting. Dat was dus vanuit Doornik! Het is verre van duidelijk hoe de situatie tussen Rijn en Maas eruitzag in de tweede helft van de vijfde eeuw. Veel van de nederzettingen op het Bataafse platteland die in de laat-Romeinse tijd bewoond waren gebleven, werden alsnog verlaten. Alsnog verlaten? Het bewijs voor deze opvatting wordt afgeleid uit de toename van bos. Hoe overtuigend wil je het hebben? Tussen Rijn en Maas? Waar? In Nederland of in Noord-Frankrijk waar beide rivieren ook stromen? Maar gaat het hier wel over Rijn en Maas of over Renus en Mosa? De (resterende) bewoning in Nijmegen moet zich hoofdzakelijk in en rond het laat-Romeinse castellum op het Valkhofplateau geconcentreerd hebben. Duidelijke bewoningssporen ontbreken omdat op het Valkhof nauwelijks archeologisch onderzoek is verricht. Wel wijst een handvol aardewerkfragmenten uit de periode 450 tot 500 in de vulling van de gracht van het castellum op bewoning in de directe omgeving (p.45). Een handvol aardewerkfragmenten in de vulling van een gracht of greppel (?) bewijst geen bewoning. Waar kwam dat zand vandaan? En wanneer werd die greppel dichtgegooid? In 1155 toen men met de bouw van de burcht van Frederik Barbarossa begon? Of in 1945 toen de Duitse loopgraven werden dichtgegooid?
      Dat er nauwelijks archeologisch onderzoek is gedaan, is een miskenning van de feiten. Het Valkhofterrein is meerdere malen volkomen binnenste-buiten gekeerd, wat op p.70 en 71 ook bevestigd wordt, zoals door Plath, Weve, Brunsting, De Waele en Daniëls en de Duitsers tijdens WO2 die het terrein meerdere keren doorwroet hebben om er stellingen en bunkers te bouwen. Zie ook bij 20 eeuwen Nijmegen en Romeins Nijmegen boven het maaiveld. Het probleem dat hier verhuld wordt, is dat men tot op heden NIETS gevonden heeft van een palts van Karel de Grote. Men steekt het dan maar op weinig onderzoek en dat het toch nog wel 'ergens' moet zitten, maar dat een graafverbod het verhindert te vinden. Maar zo groot is het Valkhofterrein nu ook weer niet. Als het er gezeten heeft, had men het allang gevonden. Men heeft er immers een Romeins castellum gevonden en de palts van Karel de Grote zou men dan toch éérder gevonden moeten hebben. Die zit immers niet ònder het Romeins, maar erboven!

      Op pagina 70 lezen we letterlijk: "Op vrijdag 23 juli 1943 installeerde burgemeester Marius van Lokhorst de ‘Beoordelingsraad van de cultuurhistorische en archeologische problemen te Nijmegen’. Vermoedelijk gebeurde dit als legitimering van Duitse militaire graafwerkzaamheden op het Valkhof en in het Hunnerpark voor de bouw van bunkers en de aanleg van loopgraven. Bij de eerste vergadering merkte Ferdinand de Waele, hoogleraar aan de Katholieke Universiteit Nijmegen en lid van de Beoordelingsraad, op dat bij de militaire graafwerkzaamheden onder zijn toezicht geen ‘oudheidkundige voorwerpen van belang voor den dag zijn gekomen. […] Het feit, dat de graafwerken plaats hebben in omgewerkte aarde of opgehoogd terrein, matigt de vooruitzichten op belangrijke vondsten.’ Het vergaderverslag vermeldt verder dat ‘het contact tussen Prof. de Waele en Hauptmann Sachs van de Ortskommandantur […] van dien aard [is], dat de eerste door de laatste van alle vondsten op de hoogte zal worden gehouden en derhalve niets belangrijks op dit gebied aan de aandacht van de Raad zal behoeven te ontsnappen. In hoever van eventueele vondsten profijt zal kunnen worden getrokken, valt niet vooruit te zeggen.".
      Als je daar nog aan toevoegt wat prof. De Wael in 1956 stelde toen er maar steeds niets uit de Karolingische periode in de bodem van Nijmegen werd gevonden: "dat de eerste palts van Karel de Grote, niet en nooit op het Valkhof had gestaan, gezien het ontbreken van bevestigende archeologische resultaten. Gelijktijdig wees hij er wederom op dat het Valkhofterrein begin 1944, in verband met de geplande Duitse bunkerbouw ter plekke, diepgaand was omgespit. En al dat graafwerk had geen enkel Karolingisch spoor, rest of scherf opgeleverd. Wat hem betrof was de kwestie overduidelijk: op het Valkhof had Karel de Grote nooit zijn residentie neergezet". Dat zou nu toch wel voor iedereen duidelijk en begrepen moeten zijn. Albert Delahaye begreep het in elk geval wel en trok zijn conclusies.

      Het is dus duidelijk dat de auteurs van dit hoofdstuk hun eigen hoofdstuk niet goed gelezen hebben, maar ook de ware geschiedenis van het Valkhofterrein niet kennen.

    10. Er wordt algemeen aangenomen dat de castella langs de Rijngrens – in naam – in Frankische handen overgingen, nadat het Romeinse leger zich in de loop van de vijfde eeuw had teruggetrokken. Ze kwamen waarschijnlijk in bezit van de Rijnfrankische koningen (p.45). Een algemene aanname vormt geen enkel bewijs, zeker niet vanwege die onnavolgbare naschrijverij in de historische wereld. Ook als zijn alle historici het met elkaar eens, dan hoeven ze nog geen gelijk te hebben!

    11. Hoewel deze Frankische lieden al in grote mate geïntegreerd waren in het leger en de laat-Romeinse samenleving, bestaat het vermoeden dat juist in hún graven vanaf het einde van de vierde tot het midden van de vijfde eeuw nog geregeld kledingaccessoires en militaire uitrustingsstukken meegegeven werden. (p.45).Ook hier is weer slechts sprake van een vermoeden. Over begraven en grafvelden wordt in Nijmegen voortdurend gespeculeerd. Bekijk je het totaal aan grafvelden, dan is slechts één conclusie mogelijk: er werd hier niet gewoond, alleen passanten werden ter plaatse begraven. Lees er meer over Het grafveld van Nijmegen. En daarbij gaat het wat ons betreft over de periode ná de Romeins tijd en dan gaat het om enkele tientallen over een periode van meer dan 5 eeuwen. Maar is daarmee bewoning aangetoond? Want daar gaat het toch om als je continuïteit in de bewoningsgeschiedenis wilt aantonen?

    12. In Nijmegen ging het waarschijnlijk om een lokale of Rijnfrankische elitegroep die zich tijdens de laatste decennia van de vijfde eeuw op het Valkhof gevestigd had (p.46). Zijn daar specifieke bewijzen voor anders dan 'waarschijnlijk'?

    13. Deze opvallende graven zijn niet de enige aanwijzingen voor de aanwezigheid van een Frankische elite in Nijmegen vanaf de gevorderde vijfde eeuw. In de bovenvulling van een waterput in Nijmegen west is een beursbeslag gevonden en in Lent een zwaardschedepuntbeschermer. Hoewel het om losse vondsten gaat, mogen ze eveneens in verband gebracht worden met de nieuwe gezagsdragers op het Valkhof. (p.47).Zo schrijft men in Nijmegen geschiedenis met 2 losse vondsten die niet eens in de buurt van Het Valkhof zijn gevonden. Wat bewijs je daarmee? Met de alineas over een Merovingische elite in Lent (p.47) bewijs je ook al niets ten gunste van Nijmegen. Waarom is dit niet Nijmegen aangetroffen?

    14. Algemeen wordt aangenomen dat de Rijn de noordgrens van dit rijk (van Clovis en Syagrius) is geweest en dat de castella als koningsgoed in handen waren van de Merovingers. (p.47).Deze algemene aanname is dan wel in Nederland gemeengoed, maar de Franse Historici denken daar toch anders over. Lees meer over de strijd tussen Clovis en Syagrius, die zich volledig in Frankrijk heeft voorgedaan. Het district van (de Romeinse veldheer) Syagrius lag geheel ten zuiden van de Somme. Als men dit accepteert, zijn de Nederlandse mythen meteen opgelost (maar dan moet je wel even 'doordenken').

    15. Door de opdeling van Clovis' rijk onder zijn zoons, en de voortdurende onderlinge strijd binnen deze dynastie, ging men na het midden van de zesde eeuw het oostelijk deel van het rijk, met de centrale steden Reims, Metz en Keulen, als het zelfstandige deelrijk Austrasië beschouwen. Het benedenstroomse Rijn- en Maasgebied bevond zich aan de noordrand van dit gebied, al valt te betwijfelen of deze regio in haar geheel onder het gezag van de Austrasische adel stond. Men veronderstelt dat dit in ieder geval tot aan Nijmegen het geval was. Een van de redenen hiervoor is dat verschillende historische bronnen melding maken van een inval van de Scandinavische koning Hygelac rond 526 in het Friese en Frankische gebied, en in het bijzonder in de pagus van de Hattuarii. Deze stam wordt in de laat-Romeinse tijd tussen Nijmegen en Xanten gesitueerd, het gebied dat later bekendstond als de Hettergouw (p.47). In deze alinea lopen werkelijkheid en mythe door elkaar. Austrasië lag tussen de Somme en de Seine en bevatte de plaatsen Amiens, Soissons, Rouen, Therouanne, Cambrai, Reims en Metz. Lees meer over Austrasië en Neustrië. Daarna beginnen de twijfel en de veronderstellingen, zoal terecht aangegeven, maar waarmee men dus in de fout gaat. De hier genoemd Hygelac is een vorst die in de Beowulf genoemd wordt, wat een Saksisch epos is. Lees meer over de Beowulf. De stam van de Hattuarii wordt ook in de Beowulf genoemd, naast de streeknamen Saxonia, Fresnaland, Francan, de Dani en Ingwinen, Cimbri en Teutones, de Brodingas, Finnas en Merowioingas, wat allemaal noordelijk Francia aanwijst. De Attuarii, die in andere teksten voorkomen als Hattuarii, in de latere rijksverdelingen als Haettra, moeten gesitueerd worden in de streek van Ath (B.), op 28 km oost van Doornik. Op 5 km zuidoost van Ath ligt de plaats Attre, een nog duidelijker naamkundig relict. De Hattuarii, in 715 in verband met de Saksen genoemd, waren de bewoners van Attin op 3 km noordwest van Montreuil. De "Hettergouw ten zuiden van de Rijn en ten oosten van Nijmegen" (volgens Blok, p. 11,25) heeft nooit bestaan, doch is een der vele vrije gedachten van de geciteerde auteur. Een Nederlandse Hettergouw wordt overigens nergens in de bronnen genoemd.

    16. Afbeelding: Lent in de Merovingische periode: vermoedelijke bewoningskern (6e tot 8e eeuw) (p.48). Het blijkt bij deze bewoning in Lent, dus niet in Nijmegen, slechts om een vermoeden te gaan.

    17. Waarschijnlijk hebben zich in onze streken al aan het begin van de zesde eeuw leden van de nieuwe elite uit het kerngebied van de Salische Franken gevestigd; zij kwamen in het kielzog van Clovis' verovering van het Rijnfrankische rijk. Het is aannemelijk dat zij, net als de leden van de oudere lokale elite, grote stukken grond in leen kregen (p.48). Ook deze opvatting is slechts gebaseerd op 'waarschijnlijk' en 'aannemelijk'. De veroveringen van Clovis in het Rijnfrankische gebied betrof het gebied van de Schelde. De Renus is hier duidelijk de Schelde, immers het gaat hier naast de stichting van enkele 'bisdommen' (niet zozeer in de huidige betekenis) St.Quentin, Noyon/Doornik, om de veroveringen in het westelijk deel van het Frankische rijk, later meer bekend onder de naam Neustrië.

    18. Het is bij de rijkere vroeg-Merovingische graven in deze grafvelden steeds de vraag of het gaat om leden van de lokale elites, die (verwantschaps)relaties met het Frankische kerngebied onderhielden, of dat hierin 'immigranten' uit het zuiden zijn bijgezet. (p.48).Een juist constatering van deze auteurs. Nu even doordenken over deze opmerking en niet blijven vasthouden aan het eenmaal vanuit de opleiding 'geprogrammeerde systeem'.

    19. Waarschijnlijk hebben zich in onze streken al aan het begin van de zesde eeuw leden van de nieuwe elite uit het kerngebied van de Salische Franken gevestigd (p.48). Ook hier is de opvatting weer gebaseerd op een waarschijnlijkheid. Wat bewijs je daarmee?

    20. Door recente vondsten in Lent, een van de weinige plaatsen in de Betuwe met een continue bewoningsgeschiedenis vanaf de late prehistorie, zijn er goede aanwijzingen dat ook hier kort voor of rond 500 een dergelijke elitegroep moet zijn neergestreken (p.48). Ook hier is slechts sprake van aanwijzingen en een 'moetje'. Dat moet dan maar, echter het vormt geen bewijs en zeker niet voor Nijmegen, laat staan voor Het Valkhof! Wordt hiermee ook erkend dat er op de meeste plaatsen in de Betuwe geen sprake is van continuïteit in bewoning? En hoe zit dat dan met Nijmegen?

    21. Omdat het in dit geval om een losse vondst ging, werd de hypothese geopperd dat het beslagstuk afkomstig was uit een nabijgelegen grafveld (p.49). Een geopperde hypothese is een dubbele twijfel. Naast het eerder genoemde beursbeslag en de zwaardschedepuntbeschermer zijn er dus slechts drie losse vondsten bekend. Daarmee toon je geen bewoning aan, wat hier na ook wordt erkend.

    22. Hoewel in Lent geen bewoningssporen uit deze periode zijn aangetroffen, bewijst de vondst van dit grafveld het bestaan van een kleine gemeenschap tussen 480 en 600 aan de noordzijde van het dorp. In het Lentseveld kon het grootste deel blootgelegd worden van een grafveld bestaande uit twintig crematiegraven en minimaal vijftig inhumatiegraven. Ofschoon ..... doet het ruwe uiterlijk van de handgevormde urnen sterk vermoeden dat een deel van de doden van Friese of Saksische komaf was.(p.49). Ook hier is weer sprake van een vermoeden. Het zijn bij elkaar dan zo'n 70 graven over 120 jaar, dat is nog geen 2 begrafenissen per jaar. Erg omvangrijk zal de bewoning niet geweest zijn. Enkele regels verder worden 18 vrouwen, 15 mannen en 17 adolescenten genoemd, die er begraven zijn. Dat is bij elkaar slechts 50 personen. Dan komt het neer op twee begrafenissen in 5 jaar. Van Friese of Saksische komaf wordt gesteld. Heeft Annemarieke Willemsen niet aangetoond dat "archeologisch de Franken en Saksen in Nederland niet te duiden zijn. De traditionele etnische indeling in Friezen, Franken en Saksen in Nederland is archeologisch niet te bewijzen". Hoe komen deze auteurs dan weer tot deze opvatting? Het waren dan in elk geval geen Franken als het Friezen of Saksen geweest zouden zijn. Blijft de vraag: Wat bewijzen deze graven in Lent ten gunste van Nijmegen?

    23. Omdat het nieuwe grafveld waarschijnlijk rond 500 in gebruik genomen is en het cloissonné-versierde beslagstuk in de directe nabijheid gevonden werd, zou het afkomstig kunnen zijn uit een nog onbekend of reeds verstoord elitegraf, ergens in het Lentseveld (p.49). Ergens? Is het dan gevonden en waar dan precies?

    24. Wellicht dat andere gelijktijdige begravingen zich buiten het opgegraven areaal bevinden (p.52). Wellicht geef hier slechts aan dat die graven (nog) niet of (nog) nergens gevonden zijn. Wat niet gevonden is kan dan ook niet meegenomen worden als bewijs in dit betoog.

      We komen hier bij de kern van het betoog over de aanwezigheid van een Karolingische Palts op Het Valkhof. We komen hier bij de kern van het betoog over de aanwezigheid van een Karolingische Palts op Het Valkhof.

    25. Bewoning rondom het Valkhof. Hoe was in deze tijd de situatie op het Valkhof? Daar zijn geen directe sporen van bewoning of begravingen uit de zesde eeuw bekend. Toch mogen we ervan uitgaan dat op het Valkhof vertegenwoordigers van het Merovingische gezag aanwezig waren. Een belangrijke reden hiervoor moet in de directe omgeving van Nijmegen gezocht worden. (p.52)
      Het blijft dus bij zoeken naar wat men in Nijmegen maar niet vindt. Dan heeft men het vervolgens over 'de latere ontginning' en de vermoede bewoningskernen'.

    26. Toch is hier, naast vele 'lege' graven –zonder kledingaccessoires of grafgiften en dus nauwelijks te dateren–, een redelijke hoeveelheid Merovingisch aardewerk aangetroffen dat waarschijnlijk uit graven afkomstig is (p.53). Zie vorige opmerking.

    27. De begravingen en de fibulae maken duidelijk dat er op en mogelijk rond het Valkhof werd gewoond (p.53). Is die bewoning nu wel of niet aangetroffen?

    28. Bij de afbeelding: Vermoedelijk Merovingische grafgiften uit de omgeving van het Valkhof (p.53).

    29. De bewoningskern in Nijmegen zelf zal in deze periode vooral op en rond het Valkhof gezocht moeten worden (p.53). Men blijft in Nijmegen maar zoeken, maar heeft men het ook gevonden? Ja, wel meerdere scherven uit de vijfde tot de achtste eeuw in de vulling van een laat-Romeinse gracht (p.52/53), maar wat bewijs je daarmee? Waar kwam dat zand om die gracht te vullen vandaan? En wanneer is dat zand daar gestort? Bij de bouw van de burcht van Frederik Barbarossa? Dus ook hier weer geen enkel bewijs dan wat speculaties, voortkomend uit de traditionele opvatting dat Karel de Grote een palts had in Nijmegen op het Valkhof.

    30. Op basis van het onderzoek naar het grafveld in de binnenstad moet rekening gehouden worden met een duidelijke teruggang in bewonersaantal vanaf de laat-Romeinse tijd (p.53). Hier wordt toch erkend dat die teruggang in bewonersaantal in Nijmegen overeenkomt met de rest van midden-Nederland. Rond 260 verlieten de Romeinen Nederland vanwege de voortdurende overstromingen en de plaatselijke bevolking trok mee.

    31. In de collectie van Museum Het Valkhof bevinden zich zeker twintig tot dertig grijze en rode knikwandpotten die zijn gevonden tijdens de wederopbouw van de Nijmeegse binnenstad na de Tweede Wereldoorlog (p.53). Tijdens de wederopbouw is in de binnenstad van Nijmegen grootschalig en intensief archeologisch onderzoek gedaan. Daar lees je overigens vrij weinig over. Het wordt maar een beetje verzwegen, voornamelijk omdat er niet gevonden is wat men zo graag gevonden had, namelijk Karolingische bewoning.

    32. In de omgeving van de Gruitberg en Pauwelstraat lag hier vermoedelijk in deze latere fase de kern van het grafveld (p.53) Op een vermoeden kan men geen geschiedenis baseren.

    33. Wellicht begroef men ook overledenen meer oostwaarts, op het terrein ten zuiden van het Valkhof (p.53) Wellicht? Zie volgende opmerkingen!

    34. Toch is hier, naast vele ‘lege’ graven – zonder kledingaccessoires of grafgiften en dus nauwelijks te dateren –, een redelijke hoeveelheid Merovingisch aardewerk aangetroffen dat waarschijnlijk uit graven afkomstig is. In de collectie van Museum Het Valkhof bevinden zich zeker twintig tot dertig grijze en rode knikwandpotten die zijn gevonden tijdens de wederopbouw van de Nijmeegse binnenstad na de Tweede Wereldoorlog. Omdat het vaatwerk door bouwvakkers werd gevonden, is weinig bekend over de vondstcontext. Intacte graven zijn in dit deel van de Nijmeegse binnenstad (nog) niet aangetroffen (p.53). En op deze bewijsvoering bouwt Nijmegen de geschiedenis verder uit. Enkele gevonden fibula (p.53) die in de late vijfde of vroege zesde eeuw gedateerd worden, moeten dan verder als bewijs dienen voor Karolingisch Nijmegen. Fibula zijn typisch Romeins, wat ook al blijkt uit noot 36. In noot 35 verwijzen de auteurs naar zichzelf, in noot 36 wordt verwezen naar een proefschrift van Van Buchem (uit 1941) en naar Steures (2013). Het boek van D.C.Steures gaat over "The Late Roman Cemeteries of Nijmegen. Stray Finds and Excavations 1947–1983. In dit boek (2 delen) zijn de resultaten van onderzoeken en losse vondsten die gedaan zijn op de Romeinse grafvelden in Nijmegen op een rij gezet en geïnterpreteerd. "In Nijmegen liggen twee begraafplaatsen uit de 4de eeuw waar in de afgelopen jaren veel archeologisch onderzoek is uitgevoerd. De uitwerking van dit onderzoek is nog niet voltooid, deels omdat de resultaten van eerder onderzoek in deze grafvelden nog niet wetenschappelijk waren uitgewerkt. Dit boek vult deze laatste lacune op. Het kloeke naslagwerk bundelt alle resultaten van de opgravingen vanaf 1947 tot 1983 en alle losse vondsten uit de laat-Romeinse grafvelden vanaf de 17e eeuw tot 1963", aldus de toelichting van de uitgever. Het hele boek is gebaseerd op documentaties van H. Brunsting, S. L. Wynia, P. A. M. Zoetbrood, met bijdragen van C. C. Bakels, H. Brunsting †, H. van Enckevort, R. C. G. M. Lauwerier, G. M. Vogensang-Eastwood, P. A. M. Zaertbrood en identificatie van munten door R. W. Reijnen, H. Enno van Gelder en J. Raap onder redactie van J. S. Boersma. Met identificaties van kralen door W. van der Sluijs. Het gaat dus helemaal niet over de late vijfde of vroege zesde eeuw, maar over Romeinse vondsten.

    35. De begravingen en de fibulae maken duidelijk dat er op en mogelijk rond het Valkhof werd gewoond. De relatie van deze bewoningskern met de mensen die in Lent woonden, is vooralsnog onduidelijk (p.53/54). Het is wel duidelijk dat Nijmegen zich vastklampt aan elke strohalm om de geschiedenis te bewijzen.

    36. Nijmegen nam immers een strategische positie in als schakel tussen enerzijds het achterliggende Rijn- en Maasland en anderzijds de stroomafwaarts gelegen castella en koningsgoederen (p.54). Het zou toch eens prettig zijn als eens wordt aangetoond welke castella en koningsgoederen dat zijn die stroomafwaarts aan de Waal (of Rijn? of Maas?) dat geweest zijn. Ze worden in dit hoofdstuk in elk geval nergens genoemd.

      Nijmegen als bruggenhoofd.
    37. Tot in het begin van de zevende eeuw bevond het oostelijk rivierengebied zich duidelijk in de periferie van het Merovingische rijk (p.54). Periferie is een aardrijkskundig begrip dat "achterland" betekent. Welk achterland wordt hier bedoeld? En waaruit blijkt dat 'duidelijk'? Niet uit teksten, maar zeker ook niet uit archeologische vondsten. 'Die geven een incompleet beeld', volgens de AWN-publicatie: Rijkdommen van ver. Handelsnetwerken in de vroege middeleeuwen. Matrijs Utrecht 2023. De vraag hoe die objecten in graven terecht kwamen, is nog onbeantwoord. Ook kan aan een grafgift geen 'identiteit' afgeleid worden, immers grafgift-objecten reisden over honderden tot duizenden kilometers ver en ook 'de landelijke bevolking wist exotische objecten te verwerven' zoals Frans Theuws in een aantal recente publicaties schetst.

    38. Nadat in de late zevende eeuw een interne machtsstrijd was beslist in het voordeel van zijn kleinzoon Pippijn II (hofmeier 680/687-714), richtten de Franken zich op het veroveren van de riviermonden en ontbrandde een strijd om het noordelijker gelegen Friese gebied (p.54). Hier begint het probleem van de ware plaats van de Friezen. Volgens Blok (noot 38) woonden de Friezen in het huidige Friesland. De waarheid is echter dat ze in het eerste millennium in Vlaanderen naast de Moriniërs woonden, zoals de klassieke schrijvers (o.a.Tacitus) vermelden. Toch hebben enkele onderzoekers (historici wil ik hen niet noemen) een andere opvatting over de Friezen, zoals Jos Bazelmans en Charles Groenhuijsen, zelfs Luit van der Tuuk. Wat zij momenteel beweren wordt door de klassieke bronnen bevestigd. De naamkundigen (zoals Blok en Gysseling) vinden in Friesland ook geen plaatsnamen uit de oudheid of uit de Romeinse periode.

    39. Nijmegen wordt vaak beschouwd als het noordelijkste bruggenhoofd, van waaruit het centrale rivierengebied, met plaatsen als Utrecht en Dorestad, bereikt kon worden. Het belang van het Nijmeegse domeincentrum blijkt wellicht uit de in 1897 gedane vondst van een muntschat in Escharen (p.54). Voor de muntschat van Escharen. Dat in de 7de eeuw de plaatsen Utrecht en Wijk bij Duurstede al bestonden is een onjuiste aanname. Het is zelfs de vraag of Nijmegen toen bestond. Volgende het Bronnenboek begint de geschiedenis van Nijmegen na de 3e/4e eeuw pas weer in het jaar 777. Lees meer over Nijmegen, Utrecht en Wijk bij Duurstede.

    40. De muntschat van Escharen (p.54).
      1. Het belang van het Nijmeegse domeincentrum blijkt wellicht uit de in 1897 gedane vondst van een muntschat in Escharen, ten zuiden van Wijchen op de noordelijke oever aan de Maas. In deze muntschat van 66 gouden munten, die tussen 590 en 600 gedateerd wordt, bevonden zich twee solidi en vijf tremisses met op de voorzijde de tekst 'Niomago/Nionag' en op de keerzijde 'Magnia vico'.
      2. Omdat normaal gesproken op dergelijke munten de naam van de muntplaats en die van de muntmeester vermeld worden, vermoedt men dat Niomago als Nijmegen geïnterpreteerd mag worden en dat Magnia vico een plaats is, afhankelijk van of wellicht gelegen in Nijmegen.
      3. De solidus en vier tremisses met op de voorzijde de tekst 'Teledanus' zouden wellicht ook aan Nijmegen toegeschreven mogen worden, aangezien op de keerzijde van de tremisses eveneens Niomago (Ni-omd-go) staat.
      4. Wanneer deze munten in Nijmegen geslagen zijn, misschien wel op het Valkhof, onderstreept dit het belang van deze plaats als regionaal centrum (p.55).
      5. Dit betekent overigens niet dat Nijmegen een permanente muntslag bezat: het slaan van munten kan ook een praktijk zijn geweest die op bijzondere momenten plaatsvond. De gouden munten uit Escharen circuleerden namelijk niet zozeer in een geldeconomie, maar speelden eerder een rol in een uitwisselingssysteem van betekenisvolle objecten, zoals relieken (p.55).
        Lees deze zinnen nog eens zorgvuldig door en tel het aantal keren dat er twijfel wordt uitgesproken. Zo schrijft men in Nijmegen geschiedenis en praat men de zaken aan elkaar. Maar vormt een muntschat enig bewijs ten aanzien van de vindplaats? Waarom is deze muntschat of een van die munten dan niet in Nijmegen gevonden? Als ik op straat een Spaanse Euromunt vind, ben ik dan in Spanje? Dat deze 7 munten aan Nijmegen worden toegeschreven en het belang van het Nijmeegse domeincentrum aangeven is dus een zeven- of zelfs negenvoudige veronderstelling die slechts gebaseerd is op de zoveelste aanname in de geschiedenis van Nijmegen..

    41. Op p.55 volgt dan het verhaal van het kerkje van Dagobert dat in Utrecht stond. Dit verhaal is door de archeologie volkomen achterhaald. Het kerkje van Dagobert (welke Dagobert?) heeft in Utrecht nooit bestaan. Door dit weer op te nemen in dit boek over Het Valkhof blijkt het volgende:
      1. de auteurs van dit hoofdstuk blijken niet op de hoogte van sinds 1972 gepubliceerde archeologische gegevens over Utrecht.
      2. wat bewijs je met het niet bestaande kerkje in Utrecht over Nijmegen? Daar is van het bestaan van een kerk niets bekend. Wil men hiermee bewijzen dat in Nijmegen sprake was van het Christelijk geloof?

    42. De historicus Piet Leupen veronderstelde op basis hiervan dat al in de vroege zevende eeuw een Nijmeegse kerk gesticht moet zijn. Of dit daadwerkelijk het geval was, blijft giswerk (p.55). Het is inderdaad 'giswerk' ofwel fabellogie. Piet Leupen kennen we al als auteur van het Bronnenboek van Nijmegen, een wanproduct en een aanfluiting van historisch onderzoek en historische wetenschap, ver beneden elk wetenschappelijk peil.

    43. De eerste kerk op het Valkhof. Voor de locatie van de vroegste kerk zijn twee scenario’s mogelijk. In de eerste plaats zou deze kerk in de loop van de zevende of vroege achtste eeuw in de directe nabijheid van de begraafplaats kunnen zijn gesticht, waar de oudste graven toen al aangelegd waren. De kerk zou dan op de plek van de Sint-Maartenskapel gestaan kunnen hebben. Een tweede mogelijkheid is, dat de vroegste kerk een parochiekerk was die in de loop van de zevende of vroege achtste eeuw is gesticht op het latere Kelfkensbos, in de zuidoostelijke hoek van het castellumterrein (p.56). Met enkele begraafplaatsen wil men in Nijmegen het bestaan van een kerk aantonen. Gelukkig noemt men het zelf al een 'mogelijkheid' en dat het 'zou kunnen zijn'. Als je afgaat op de schriftelijke gegevens dan blijkt de oude kerk de St.Nicolaaskapel geweest te zijn en de nieuwe kerk de St.Stevenskerk. Lees over de kerkwijding door Albertus de Grote, waaruit dit duidelijk blijkt.
      Wat in Nijmegen steevast de St.Maartenskapel genoemd wordt was geen kapel of kerk. Het was een zaalgebouw, vermoedelijk de aula regia van de Staufische palts, zoals ook beschreven op p.71. Het zou ook raar geweest zijn als er naast de St.Nicolaaskapel op hetzelfde terrein nog een kerk of kapel zou hebben gestaan.

    44. De oude kerk en het oude kerkhof op Het Valkhof.(p.56 e.v.). Zie ook de informatie in de linker kolom.
      Voor de locatie van de vroegste kerk zijn twee scenario's mogelijk In de eerste plaats zou deze kerk in de loop van de zevende of vroege achtste eeuw in de directe nabijheid van de begraafplaats kunnen zijn gesticht, waar de oudste graven toen al aangelegd waren. De kerk zou dan op de plek van de Sint-Maartenskapel gestaan kunnen hebben. Hierop zou een eerder door Weve waargenomen blok natuursteen kunnen wijzen. Deze kerk was hoogstwaarschijnlijk een eigenkerk van de Merovingische elite of de Keulse bisschop, waarbij het de vraag is of ze alleen als residentiële kapel voor de Merovingische 'palts' op het Valkhof in gebruik was of tegelijkertijd diende als parochiekerk. In het laatste geval is het voorstelbaar dat de oude begraafplaats later uitgegroeid is tot een kerkhof, dat zich vanaf de Sint-Maartenskapel in de richting van de latere Voerweg uitstrekte. De bouw van de Karolingische palts in de late achtste of vroege negende eeuw zou dan reden zijn geweest voor verplaatsing van de kerk naar de zuidoostelijke hoek van het voormalige castellumterrein. Op de oude begraafplaats is dan vervolgens de voorganger van de latere Sint-Maartenskapel gebouwd.
      Een tweede mogelijkheid is, dat de vroegste kerk een parochiekerk was die in de loop van de zevende of vroege achtste eeuw is gesticht op het latere Kelfkensbos, in de zuidoostelijke hoek van het castellumterrein. Rond de parochiekerk ontstond dan ook meteen een begraafplaats, die in jongere bronnen aangeduid wordt als antiquum cimiterium, ofwel het Alden Kerckhoff.

      We komen hier op een belangrijk en doorslaggevend onderwerp. Waar stond de oude kerk en welke kerk was dat? Het aantal keren dat hier gespeculeerd wordt (in hoofdstuk 2 wordt liefst 16x 'zou' geschreven en 37x 'mogelijk') is erg verontrustend. Juist over die oudste kerk heeft Albert Delahaye een uitvoerig onderzoek gedaan, wat zijn visie op het ontbreken van de Karolingisch Palts in Nijmegen bevestigt. Immers een Karolingische Palts was onmogelijk zonder een kerk en een bisschop. Lees alles over de bisschop van Nijmegen, de grootste blunder in Het Bronnenboek, dus van Leupen en Thissen en het elftal historici die deze blunder niet in de gaten hadden. Hoe deskundig ben je dan? Lees meer over de oude kerk in het boek de Ware Kijk Op, te bestellen op deze website. In de linker kolom leest U een korte samenvatting over de oude kerk van Nijmegen.

    45. De aanleg van deze begraafplaats kan parallel gelopen hebben met het opgeven van het grafveld rond de Gruitberg/Pauwelstraat in de binnenstad en de begraafplaats op het Valkhof. Waarschijnlijk speelde hierbij de definitieve kerstening van de regio een doorslaggevende rol. Doden werden vanaf die tijd immers in of nabij een kerk begraven (p.56). Men draait hier de zaken weer om. Er is wel een begraafplaats gevonden, maar geen kerk. Maar die moet er gestaan hebben immers overledenen werden immers vanaf deze tijd (welke tijd?) in of nabij een kerk begraven. Met deze niet bestaande kerk wil men in Nijmegen aantonnen dat er al sprake was van een Christelijk geloof in/rond eind 8ste eeuw, terwijl dat in Utrecht nog niet bestond.

    46. In de regio Nijmegen is de pre-Romaanse kerk van Elst zelfs de enige locatie waar ook graven uit de late achtste of negende eeuw zijn aangetoond (p.57). Ook hier wil Nijmegen haar geschiedenis bewijzen met vondsten op verder weg gelegen plaatsen. Over de kerk van Elst en Elst zelf zijn enkele opmerkingen te maken, die de aangenomen geschiedenis weerspreken. Lees meer over Elst dat lange tijd voor het Heliste-Marithaime uit het Cartularium van Radboud gehouden werd.

    47. De door radiokoolstofanalyse gedateerde graven in de Sint-Maartenskapel en nabij de castellummuur hebben namelijk nagenoeg dezelfde datering, tussen circa 675 en 890. Twee andere graven die op dezelfde wijze gedateerd zijn, werden in 1998 gevonden bij het uitgraven van de bouwput voor de fietsenkelder vlak naast Museum Het Valkhof. (p.57). De datering van de graven blijkt een vrij ruime marge te bezitten, dus zo nauwkeurig als vaak gesteld is de radiokoolstofanalyse niet. Er zit ruim 2 eeuwen verschil in deze datering en dat maakt nogal een verschil. Bovendien is de C-14-datering aan de nodige discussie onderhevig. Ook blijkt dat de graven erg verspreid liggen en er geen eenduidig begrafenisritueel achter te vinden is. Het is zeker geen zorgvuldige Christelijke graftraditie geweest, maar lijkt meer op toevallige begraafplaatsen die verspreid liggen en zeker geen eenheid rond of bij een kerk vormden.

    48. De zuidelijkste van beide (graven) is gedateerd tussen het begin van de elfde en het midden van de twaalfde eeuw (zie kaart op p. 66, B), de andere tussen het tweede kwart van de veertiende en het midden van de vijftiende eeuw (zie kaart op p. 66, C) (p.58). Hier lezen we dan de ware dateringen: 12de tot 15de eeuw van graven die vlak bij elkaar liggen. Het is in elk geval niets Karolingisch!

    49. De Ste.Gertrudiskapel. Tot het midden van de dertiende eeuw stond in de zuidoostelijke hoek van het castellumterrein een aan Maria en Sint-Stephanus gewijde parochiekerk. (noot 59). De precieze locatie ervan is niet bekend. Gemeentearchivaris Herman D.J.van Schevichaven veronderstelde dat de kerk aan de Voerweg lag, tegenover de poel op het Kelfkensbos. Hij baseerde zich op meldingen uit de zeventiende en negentiende eeuw waarin sprake is van de ontdekking op deze locatie van grote hoeveelheden duifsteen (tufsteen), die hij met de kerk in verband bracht. Deze tufsteen kan echter ook heel goed afkomstig zijn van de laat-Romeinse castellummuur (p.58/59).
      De precieze locatie is niet bekend, ofwel er is geen bewijs dat er ooit een kerk heeft bestaan, wat Van Schevichaven veronderstelde blijkt geheel juist te zijn. Het tufstenen fundament is afkomstig van de Romeinse muur en helemaal niet van een kerk of kapel. In noot 59 wordt verwezen naar Friedrich Gorissen, die zijn opvattingen baseert op een kroniek van Willem van Berchem. Nu is Van Berchem niet geheel betrouwbaar, wat de kenner van zijn kronieken al langer weet. Zo vermeldt Van Berchem dat Nijmegen door Julius Caesar is gesticht, wat elke rechtgeaarde historicus momenteel als een fabel beschouwd. Van Berchen schrijft in zijn kroniek dat hij zich baseert op 'van horen zeggen' en dat de eerste parochie-kerk van Nijmegen ten tijde van de Pepijnen (7e eeuw) was gesticht en onder het patronaat van Ste.Gertrudis stond. De stichting van een parochie-kerk ter ere van Ste. Gertrudis (626-659) is een zodanig lachertje, dat geen enkele serieuze historicus, zelfs niet in Nijmegen, waar men warempel niet flauw is om mythen in stand te houden, dit ooit heeft durven herhalen. Tot in dit boek over het Valkhof dan!. In latere kronieken noemt Van Berchen deze kerk niet meer. Blijkbaar twijfelde hij zelf ook aan dat 'van horen zeggen'. De zogenaamde Ste.Gertrudis op het Kelfkensbos mist elke historisch grond, dan slechts deze ene vermelding bij Van Berchen 'van horen zeggen'.
      Prof.dr.R.R.Post die graag enkele mythen in stand houdt, vermeldt over Ste.Gertrudis het volgende: "Onder de hoogste adel, ja onder de vorsten kwamen heiligen, met name heilige vrouwen voor. Aldus de heilige Gertrudis († 664), dochter van Pippijn. Zij is de tweede abdis van het klooster Nijvel geweest, opvolgster van haar moeder de heilige Itta. Ofschoon zij dus binnen de muren van dat klooster leefde, heeft zij volgens sommige, niet zeer betrouwbare berichten Noord-Nederland bezocht (Geertruidenberg, Sint-Gertruide bij Valkenburg). Ook zij heeft vele wonderen verricht (het laten verdwijnen van zeemonsters). Zij werd veel vereerd en haar naam komt in de folklore voor: Sinte-Geerten minnedronk of Sint-Geertrui's minne hetgeen een gedachtenis-, liefde- of vriendschapsdronk beduidde". "Bij Ste.Geertruid en andere vrouwelijke heiligen, wordt de ongehuwde staat op bijzondere wijze gewaardeerd. Sint-Geertruid verwerpt de schone, rijke, hoogadellijke jongeman die koning Dagobert haar opdringt. Zij ontvluchtte tenslotte het hof om een leven met ontberingen in een klooster te dragen".. Post noemt Nijmegen helemaal niet, terwijl hij, verbonden aan de Universiteit van Nijmegen, als pauselijk kamerheer toch de nodige kennis over Kerkgeschiedenis had.

      En wat schrijft Jan Brinkhoff in 1983: "De nieuwe St.Stevenskerk nam het patronaat over van de kerk bij de palts en zo werd de protomartyr Sint Steven ook patroon van de nieuwe parochiekerk. Recent onderzoek heeft duidelijk gemaakt, dat ook de kerk buiten de wallen aan hem was toegewijd en niet aan de H.Gertrudis van Nijvel zoals een schriftelijke bron uit de 15de eeuw vermeldt". Bron: Een bezoek aan de Keizer Karelstad. Die schriftelijke bron uit de 15de eeuw is het verhaal van Kanunnik Willem van Berchen.

      Heren auteurs van Het Valkhof 2000 jaar, ken je geschiedenis! Lees meer over Willem van Berchen en over Ste.Gertrudis.

      Hier blijkt weer zonneklaar dat de auteurs van dit verhaal totaal geen weet hebben of hebben gehad van kanunnik Willem van Berchen en zijn kronieken. Als je de vermelding over de Ste.Gertrudiskerk serieus neemt, ken je de ware geschiedenis van Nijmegen niet. En dan kun je wel verwijzen naar een auteur als Friedrich Gorissen die het ook niet blijkt te weten, maar als je de primaire bron niet controleert ben je niet echt wetenschappelijk bezig. Uit de verwijzing naar Gorissen, Stede-Atlas van Nijmegen (p.113) blijkt tevens dat 'naschrijverij' in de 16de eeuw ook al volop bestond. De primaire bron blijkt Willem van Berchen te zijn (zie hierboven). Daarna hebben anderen aan de hand van Stadsrekeningen deze mythe verder uitgebouwd waarbij slechts geschreven werd over 'die capelle op den olden kerckhof' en geen naam van die kapel wordt genoemd. Dat het over de Ste.Gertrudiskapel zou gaan kan niet juist zijn, immers die lag volgens de traditionele opvattingen ver buiten het Valkhof. Zie plattegrond op p.58. Die kapel zou afgebroken zijn om plaats te maken voor de stadsmuur, maar over die afbraak blijken geen kerkelijke gegevens bekend te zijn. Immers een kerk afbreken kan niet plaatsvinden zonder instemming van het (aarts-)bisschoppelijk gezag. Er blijken nog meer mythen in Nijmegen om een oplossing te vragen.

      De oude kerk was de kapel op het Valkhof, die geenszins stamt uit de tijd van Karel de Grote. Deze kapel is toegewijd aan St.-Nicolaas en dit patronaat wijst de stichting van deze kapel onverbiddelijk toe na het jaar 1087. Immers, pas na dat jaar begon de verering van St.-Nicolaas in Europa door te dringen. De datering van Van Agt op 1030 is nergens anders op gebaseerd, dan op een 'gissing'. Voor het aannemen van de mogelijkheid van een patronaatswisseling van Maria of Gertrudis naar Nicolaas bestaat ook al geen enkel bewijs. Als een patronaatswisseling zou hebben plaatsgevonden, zou het zeker ergens in een oorkonde genoteerd zijn geweest. Niet dus. Het komt er op neer dat voor het bestaan van een Ste.-Gertrudiskerk in Nijmegen elke historische grond gemist wordt, dan slechts die eenmalige vermelding bij Willem van Berchen die het 'van horen zeggen' heeft. Er moet daarom worden vastgesteld, dat het zogenaamde Karolingisch Paleis te Nijmegen geen kerk bezat. Dit detail is zo merkwaardig en vreemd, dat hierdoor het bestaan van het Karolingisch Paleis radicaal wordt tegengesproken. Uit de wijding van de nieuwe kerk, de Stevenskerk door Albertus de Grote, blijkt dat de oude kerk op het Valkhof stond en dus niet de Ste.Gertrudiskapel kan zijn geweest, die immers -het kan niet genoeg herhaald worden- niet op Het Valkhof stond.

      Na 1250 werden de parochiekerk en de bijbehorende pastorie verplaatst naar de Hundisberg. Ze moesten wijken voor de aanleg van nieuwe vestingwerken rond het Valkhof (p.59). Ook hier is het wel zaak je te houden aan de juistheid van de geschiedenis, met name de oorkonde uit 1254 te bestuderen, die vals blijkt te zijn. Lees meer over de oorkonde uit 1254.


    50. Op de topografische afbeelding van het Valkhof en het Kelfkensbos uit circa 1560 van Jacob van Deventer wordt de zuidelijke begrenzing van het Alden Kerckhoff gevormd door een strakke rij huizen. Een verwoestende brand in 1942 veranderde de bebouwing ter plekke in een troosteloze ruïne. Daarmee kwam een einde aan een ruim 1600 jaar oude perceelscheiding. Door het museumgebouw niet op de oude Romeinse muurresten te funderen, is een unieke gelegenheid voorbijgegaan om deze vorm van eeuwenlange continuïteit voor de toekomst vast te houden. (p.59). Nu is deze afbeelding vrij onduidelijk. Zo is de St.Nicolaaskapel niet te onderscheiden. In de tekst bij deze afbeelding staan enkele onjuistheden. Allereerst is er van enige continuïteit in de geschiedenis van Nijmegen geen enkele sprake geweest, zoals behalve Het Bronnenboek ook Museum Het Valkhof duidelijk aantoont. Terugrekenend zou die perceelscheiding in 342 ontstaan zijn. Waarop is dit jaartal gebaseerd? In 342 waren er geen Romeinen of Franken in Nijmegen. Wie dan wel?

    51. Vergelijkbare stenen kelders lijken in Nijmegen vooralsnog niet vóór circa 1200 te dateren. Gelet op de omvang moet dit het restant zijn van een belangrijk stenen huis. Voor zover kan worden nagegaan is het een van de oudste huizen in de stad met een stenen kelder. Omdat de kelder in de nabijheid lag van de parochiekerk, is eerder verondersteld dat hij toebehoorde aan de pastorie (p.60). Hieruit blijkt dat de geschiedenis van Nijmegen, net als die van zoveel andere steden in Nederland pas weer echt begint in de 11de/12de eeuw en blijft slechts een veronderstelling over.

    52. De hypothetische eerste kerk is dus ofwel gebouwd op het Valkhof – op of bij de plek van de latere Sint-Maartenskapel. Toekomstig archeologisch onderzoek zou hierover meer helderheid kunnen verschaffen. (p.60). Men blijft dus op zoek naar deze kerk, die men terecht hypothetisch noemt en nog steeds niet gevonden is.

    53. Bewoning buiten het Valkhof. Zoals we al zagen, kunnen voor het zevende eeuwse Valkhofplateau de vage contouren geschetst worden van een koninklijk- en mogelijk ook bisschoppelijk domeincentrum. Hierop wijzen de tijdens verschillende opgravingen op het Kelfkensbos aangetroffen fragmenten van laat-Merovingisch aardewerk. Het aardewerk uit de hogere vullingen van de laat-Romeinse castellumgrachten wijst in dezelfde richting. De vondsten laten bovendien zien dat het plateau continu in gebruik is gebleven. Buiten het Valkhofplateau, in het huidige centrum van de stad, blijft het nog zoeken naar de locaties van hoeves en andere bewoningssporen uit deze tijd. Daarbij kan slechts in beperkte mate gebruikgemaakt worden van historische bronnen over de structuur van de laatmiddeleeuwse stad. De meest concrete aanwijzingen komen van archeologische vondsten. (p.60/61). Slechts met vage contouren en fragmenten van aardewerk wil men de aanwezigheid van de Karolingische Palts in Nijmegen overeind proberen te houden. Het blijken slechts aanwijzingen te zijn en geen feitelijke bewijzen. Wat toon je aan met fragmenten van aardewerk, met een munt en mogelijke paalgaten? Er zijn geen eenduidige bewoningssporen gevonden in de benedenstad (p.61). Terwijl de benedenstad de oudste bewoningskern was, zoals gesteld is in het Verhaal van Gelderland hoofdstuk 7. Over de datering van skeletresten bestaat ook nog geen zekerheid, zoals gesteld op p.61.

    54. De nederzetting waartoe het grafveld in het Lentseveld behoorde, is vermoedelijk aan het eind van de zesde eeuw opgegeven. Mogelijk verhuisden de bewoners naar een nieuwe plek in de huidige kern van Lent. Daar ontwikkelde zich vanaf die tijd een nieuwe nederzetting, die waarschijnlijk aansloot bij de structuren van de voormalige villa of vicus uit de Romeinse tijd (p.61). Het is zeker de moeite waard deze twee zinnen nog eens na te lezen. Over hoeveel zekerheid wordt hier gesproken? Overigens gaat het hier over Lent aan de overkant van de Waal, dus niet over Nijmegen. Wat mist men in Nijmegen om met Lent de geschiedenis van Nijmegen te willen bewijzen? Het is vergelijkbaar met de vondsten in Ruimel en Escharen om de geschiedenis van Nijmegen van wat belang te voorzien.

    55. Van de vermoedelijk ongeveer 160 inhumatiegraven in het zuidelijke cluster zijn er 94 opgegraven. Deze lagen aanzienlijk dichter op elkaar en bevatten veel minder vaak grafgiften (p.62). Hoe komt men hier aan die 160 graven waar er maar 94 zijn opgegraven? Gissen is missen!

    56. In eerste instantie lijkt het erop dat deze langgerekte zone met bewoningssporen in latere tijd verploegd is. Het is ook mogelijk dat de bewoning zich hogerop langs de helling uitstrekte, tot in de buurt van de Burchtstraat en de Lange Hezelstraat. Dat de vondsten uit deze periode door erosie in de benedenstad terechtgekomen zouden zijn, is onwaarschijnlijk. Het is mogelijk dat de bewoners van de nederzetting op de Waal oever ook gebruikmaakten van het grafveld in de binnenstad (p.61). Wat hier beweerd wordt zijn slechts speculaties.

    57. Een groot gebouw dat mogelijk uit de tweede of derde eeuw stamt, (p.61) Ook hier weer een mogelijke mededeling.

    58. Had men de graven boven de grond gemarkeerd met een houten grafmonument en/of een aarden heuveltje. Deze persoon was begraven in een grote houten grafkamer, die oorspronkelijk mogelijk met een grafheuvel gemarkeerd was. In deze fase lijkt het grafveld in de binnenstad -mogelijk tegelijk met de begraafplaats op het Valkhof- buiten gebruik te raken (p.61).Over graven bestaat nogal veel onduidelijkheid. Natuurlijk kun je niet alles weten van de begraven persoon, maar speculeren is hier uit den boze. Zeker als je daarmee een bepaalde opvatting wenst te onderbouwen.

    59. Waarschijnlijk speelde hierbij de definitieve kerstening van de regio een doorslaggevende rol. Doden werden vanaf die tijd immers in of nabij een kerk begraven. Na het laatste kwart van de zevende eeuw bleef alleen het zuidelijke deel van het grafveld in gebruik bij een ongeveer even grote gemeenschap. De reden van deze verandering is onbekend. Dat begin achtste eeuw ook het zuidelijke cluster werd opgegeven, heeft waarschijnlijk te maken met de voortschrijdende kerstening door Willibrord (circa 658-739) en de zijnen (p.63).De kerstening wordt steeds gekoppeld aan Willibrord en Bonifatius, maar beiden zijn nooit in Nederland geweest. Het is eenzelfde mythe als de palts van Karel de Grote op het Valkhof. Lees meer over Willibrord en over Bonifatius.

    60. Het is onduidelijk of degenen die in het grafveld aan de Azaleastraat begraven werden tot de lokale elite behoorden of van elders afkomstig waren. Het graf van een veertig tot vijftig jaar oude man is in dit opzicht bijzonder interessant. De grafvondsten wijzen op contacten met het Austrasische kerngebied in Zuidoost-België en de Franse en Duitse Moezelstreek (p.62/63). Hier wordt terecht verwezen naar Austrasië als kerngebied van de Franken, dat zich beslist niet uitstrekte tot Duits gebied over de Rijn. Lees meer over Austrasië.

    61. De mogelijkheid bestaat dat dit het stichtersgraf is van een elitegroep uit het zuiden, wellicht behorend tot het gevolg van koning Dagobert I, die zich te Lent gevestigd heeft (p.63). Is het graf wellicht van een volgeling van Dagobert I of moeten we lezen dat Dagobert I zich wellicht in Lent gevestigd heeft.

    62. Dat begin achtste eeuw ook het zuidelijke cluster werd opgegeven, heeft waarschijnlijk te maken met de voortschrijdende kerstening door Willibrord (circa 658-739) en de zijnen. Een van de vroegste aanwijzingen voor dit proces in de Over-Betuwe heeft betrekking op het naburige Elst. In 726 schonk Karel Martel (hofmeier 717-741) hier een domeingoed (villa) aan Willibrord of aan zijn Sint-Salvatorkerk in Utrecht. Deze schenking leidde vermoedelijk tot de stichting van een kerk. (p.63). Dat Willibrord hier enige invloed zou hebben gehad is een fabel. In zijn tijd bestond Utrecht niet eens. Zijn Trajectum lag in Frans-Vlaanderen. De hier genoemde kerk van Elst bestond in 726 evenmin. Deze oorkonde gaat over Heliste-Marithaime dat Oust-Marest was in Frans-Vlaanderen en niet Elst. Lees meer over Heliste-Mraitahime. Lees ook meer over Trajectum van St.Willibrord. Helaas bestond Utrecht in 726 nog lang niet! Lees daarover alles in de Jaarboeken Oud-Utrecht.

    63. Het is denkbaar dat ook de dorpskern van Lent omstreeks deze tijd of iets later een kerk kreeg en dat men de doden daarna begroef op het daarbij gelegen kerkhof. Er zijn in elk geval voldoende aanwijzingen dat de nederzetting Lent ook na het midden van de achtste eeuw bewoond bleef (p.63/64). In de geschiedenis van Nijmegen blijkt nogal veel denkbaar, maar welke aanwijzingen daartoe dan aanleiding toe geven wordt helaas verzwegen.

    64. Voor onze streken betekende dit dat Pippijn II van Herstal en zijn zoon Karel Martel aan het hoofd stonden van de Austrasische adel. Tijdens hun bewind vonden veel veldtochten plaats tegen onder anderen de Friezen en de Saksen. Door middel van schenkingen en kloosterstichtingen stimuleerden zij in sterke mate het missiewerk van Willibrord en later Bonifatius (p.64). Dit gebeurde dus niet in Nederland, maar in Frans-Vlaanderen, waar zowel de Saksen als de Friezen aan de kust van Het Kanaal woonden. Uit latere oorkonden blijken deze schenkingen aan Willibrord en Bonifatius allemaal in Frankrijk te liggen, terwijl die in Nederland onvindbaar blijken te zijn, wat zowel prof.D.P.Blok als ook prof.M.Gysseling tot hun schaamte hebben moeten erkennen, c.q. moesten toegeven. Bij hen is te veel 'onbekend'. Ik daag de auteurs van dit hoofdstuk dan ook uit alle 362 namen van het bisdom Trajectum eens in Nederland aan te wijzen, zoals Henesloth, Husloth, Rumleos en Waedritlaum en niet te beginnen met die 12 plaatsnamen die men traditioneel hanteert. Waar liggen die 350 onvindbare plaatsen in Nederland?

      Het is steeds een probleem voor de niet deskundige lezers dat zij niet weten wat in een verhaal weggelaten wordt. Zie als voorbeeld de 362 plaatsnamen van Trajectum die niet genoemd worden of de plaats Auici. Met slechts 12 van de 362 plaatsnamen kun je toch je gelijk niet aantonen? Ook weet de lezer niet dat bepaalde opvattingen al sinds tijden achterhaald zijn: zie als voorbeeld de mythe over het kerkje van Dagobert in Utrecht of de mythe over de Ste.Gertrudiskerk in Nijmegen. Maar dat wordt niet genoemd en misschien weten de auteurs het zelf ook niet dat een traditionele opvatting achterhaald is. Uitleg over waarom toch niet onbelangrijke zaken worden weggelaten, wordt ook steeds gemist: zie het Bronnenboek als voorbeeld.

    65. Op grond van de afwerking en de roodoranje kleur is dit vaatwerk direct vergelijkbaar met rond het jaar 700 te dateren pottenbakkersafval dat in 1980 op het terrein van het koetshuis van Villa Waalheuvel in Ubbergen is gevonden, circa anderhalve kilometer ten oosten van het Valkhof. Het vaatwerk is, anders dan gebruikelijk voor de Merovingische periode, niet reducerend (grijs) maar oxiderend (rood) gebakken. Het sluit qua kleur eerder aan bij de oudere, overwegend oxiderend gebakken producten uit de Romeinse tijd dan bij de traditioneel grijze Frankische knikwandpotten (p.64/65). Hier lees je de ware ouderdom: niet 8ste eeuws maar uit de Romeinse tijd.

    66. De vindplaats bevindt zich iets ten westen van het gebied dat volgens Leupen behoorde tot de negende-eeuwse villa Bechi met acht mansi of hoeven van Boso van Beek, een graaf hof. De vondst versterkt het vermoeden dat de ambachtelijke productie van aardewerk en ijzer reeds in de late zevende eeuw tot het oorspronkelijke koningsgoed behoorde (p.65). Het blijkt slechts een vermoeden te zijn. Over de villa Bechi kun je alles lezen in het Bronnenboek van Leupen: het was niet Beek, maar Béhicourt. Hier wordt Auici weggelaten die met Bechi als een tweeling in de betreffende oorkonde wordt genoemd. Auici wordt weggelaten omdat het bij Nijmegen niet te vinden is. Het is Auchy-la-Montagne in Frankrijk.

    67. Hoewel tot ver in de achtste eeuw geen geschreven informatie overgeleverd is over de inwoners van het oostelijk rivierengebied, waaronder Nijmegen, was in deze regio zeker sprake van bewoningscontinuïteit. (p.65). Wat over die geschreven bronnen wordt verteld, is geheel juist. Voor Nederland bestaan die inderdaad niet, maar voor Frankrijk des te meer, zoals uit de Annales Regni Francorum en de Histoire de France wel blijkt. Voor het bewijs van die continuïteit wordt verwezen naar twee grafvelden in Lent en noot 91 Bloemers en Thyssen 1990. Zoek je deze verwijzing dan even na, dan lees ik daar toch iets geheel anders dan wat hier beweerd wordt. Wat schrijven Bloemers en Thijssen? Citaat (vertaald uit het Engels): "Deze hypothese beantwoordt de vraag van historisch-chronologisch en empirisch continuïteit in Nijmegen tussen ca. 400 en 750 n.Chr. De vraag van functionele continuïteit als regionaal centrum is echter nog steeds open. Het is duidelijk dat het stedelijke karakter en de infrastructuur met elkaar verbonden zijn en verloren zijn gegaan. Er is geen bewijs van behoud van een administratieve en economische regio functie in de 5e en 6e eeuw. Eind 6e eeuw blijkt Nijmegen ook dat er sprake kan zijn van een pauze die relatief kort geweest is. Op basis van zijn regionale functie in de voorgaande eeuwen en ook in de daaropvolgende eeuwen lijkt het voor de hand te liggen dat Nijmegen deze functie ook heeft vervuld in de twee tussenliggende eeuwen. De regionale functie kan dat niet echter absoluut bepaald worden, maar alleen relatief."

      Dat is toch duidelijke taal: er is geen enkel bewijs voor die continuïteit van Nijmegen tussen ca.400 en 750. Maar ook na 750 is dat bewijs van continuïteit er ook niet. Lees daar alles over bij het Bronnenboek van Nijmegen.


    68. Die invloed is niet zozeer terug te zien in een permanente, fysieke aanwezigheid van de rijksadel, maar in het op bepaalde momenten verschijnen van bijzondere lieden of elitegroepen van elders. Voor ons manifesteren zij zich alleen in het gebruikte grafritueel. Destijds zullen zij ook op andere manieren de claims onderstreept hebben van de Merovingische heersers, voor wie Nijmegen een belangrijk steunpunt vormde in de noordelijke periferie van hun rijk (p.65). In deze tekst wordt dus zonneklaar aangegeven dat er geen bewijs voor bewoning tussen 400 en 750 is gevonden. Het zal er geweest zijn, maar we weten het niet wie dat dan wel waren en waar die verbleven. We hebben alleen hun graven gevonden. Wat bewijs je met graven in Lent met zo'n ruime datering tussen de 7de en 10de eeuw, voor Nijmegen?

    69. Er kwam ook een einde aan een lange periode van ‘radiostilte’. Als Nijmegen voor het eerst weer opduikt in de schriftelijke bronnen, is dat in verband met Karel de Grote (768-814). Volgens diens biograaf Einhard werd in opdracht van Karel begonnen met de bouw van twee prachtige paltsen, een te Ingelheim en de andere ‘te Nijmegen aan de rivier de Waal, die aan de zuidelijke kant langs het eiland der Bataven stroomt’ (p.65). Hier wordt nogmaals erkend dat Nijmegen geen geschiedenis heeft gehad tot de tijd van Karel de Grote. En dan die tekst van Einhard die in Nijmegen gekoesterd wordt als historische goud: het is een falsum. Deze ene en enige vermelding is vergelijkbaar met die ene van Willem van Berchen over de Ste.Gertrudiskapel. Lees meer over de falsaris Einhard. Je zou dan toch mogen verwachten dat het Paleis dan gevonden zou zijn. Maar daarvan blijkt niets en is ook nooit iets gebleken. Het Valkhofterrein is archeologisch compleet doorwroet. Er is niets gevonden van dat Karolingische Paleis, geen spoor, geen steen, zelfs geen scherf, terwijl het in Noyon zo aan te wijzen is, zowel in het stratenpatroon als in archeologische resten van een gebouw. Lees meer over Noyon.

      Wat in Nijmegen ook nooit genoemd wordt is de reden van Karel de Grote om een nieuw Paleis te bouwen. Karel de Grote trok na de moord op zijn broer Carloman in 771 naar Noyon, dat de residentiestad van Carloman was. Karel de Grote liet een nieuw Paleis bouwen 'omdat het oude Paleis te klein was', zoals vermeldt staat. Het oude Paleis was dat zijn broer Carloman 'die het voor de helft had afgestaan aan een klooster'. Over dat oude Paleis heeft men het in Nijmegen maar niet, immers elke historicus weet dat Carloman in Noyon resideerde. Daarom verzwijgt men in Nijmegen dat 'oude Paleis'. Men begrijpt al te goed als je Carloman in Noyon plaatst, dat nieuwe Paleis van Karel de Grote dus ook in Noyon stond. Karel de Grote liet niet in dezelfde jaren twee nieuwe paleizen bouwen in plaatsen die dan ook nog eens dezelfde naam Noviomagus droegen. In Nijmegen heeft nooit een oud Karolingisch of Merovingisch Paleis gestaan.

      En Ingelheim? Wat weten we van het Paleis van Ingelheim? Allereerst dat Multatuli (Eduard Douwes Dekker) er enige tijd heeft gewoond en er overleden is. Maar ook dat de archeologie in Duitsland aantoont dat er niets uit de tijd van Karel de Grote gevonden is, ook niet net zoals in Aken. Je gaat twijfel of die Karel de Grote feitelijk wel bestaan heeft. Op veel plaatsen in Duitsland begint de archeologie (na de Romeinse tijd) pas in de 10e eeuw, ook in Ingelheim, waar men altijd een palts van Karel de Grote had gedacht. Momenteel is daarvan niets te zien dan 'enkele brokstukken' van wat ooit een kaiserpfalz geweest moet zijn, die men voor de Palts van Karel de Grote houdt. Doch deze brokstukken zijn ook niet ouder dan de 10de eeuw. Opvallend hierbij is dat de Pfalts niet aan de Rijn ligt maar er verder vandaan, bovendien niet op de heuvel, maar dan wel meer centraal in de stad. Ingelheim is één van de plaatsen die wordt genoemd als geboorteplaats van Karel de Grote, nog zo'n sprookje. Hij zou er dan geboren zijn voordat de palts bestond en voordat dit gebied in bezit van de Franken was? Karel de Grote is geboren waar zijn moeder Bertha was en dat was in of bij Noyon, dat later ook zijn kroningsstad werd en waarmee hij altijd een bijzondere band heeft gehouden.
      Volgens een verzonnen verhaal dat opdook in de 13e eeuw was de enige vrouwelijke paus, pausin Johanna (Johannes Anglicus), die in de negende eeuw zou hebben geleefd. Zij was afkomstig uit Ingelheim. Je ziet dat men in Ingelheim ('huis van Engelen') niet terugdeinst in het verzinnen van aansprekende verhalen. Je moet toch iets doen om je stad in de belangstelling te brengen, precies wat in Nijmegen gebeurt.

      De plunderingen door de Noormannen, een volgende hardnekkige mythe in Nijmegen.

    70. Er zijn goede redenen om te veronderstellen dat de oude Romeinse verdedigingsmuren in de Karolingische tijd nog deels overeind stonden. Leupen nam aan dat Nijmegen werd versterkt in de eerste helft van de negende eeuw, na een reeks Vikingaanvallen in het Friese gebied. Het is nog niet helemaal duidelijk of bij die gelegenheid de Romeinse verdedigingswerken werden hersteld of dat een nieuwe versterking werd aangelegd. Opmerkelijk is in elk geval dat Nijmegen vanaf 837 herhaaldelijk als castrum (fort) wordt aangeduid. De fortificaties hebben echter niet kunnen voorkomen dat in de winter van 880-881 een groep Noormannen haar kamp in Nijmegen opsloeg (p.66). Dit is het traditionele verhaal, waarin toch ook wel twijfel doorklinkt. De archeologie spreekt echter andere taal: van zowel het Paleis als van de plunderingen door de Noormannen is archeologisch niets gebleken. De teksten die men in Nijmegen hiervoor hanteert blijken over de Franse stad Noyon te gaan, wat wel blijkt uit het Bronnenboek van Piet Leupen. Kwam men via Seine en Oise in Nijmegen?

    71. Dikke brandlagen aangetroffen die op basis van het erin aangetroffen aardewerk uit de laat-Karolingische tijd lijken te stammen. Mogelijk hangen deze brandlagen samen met de aftocht van de Noormannen in 881. Nijmegen zou dan met Zutphen en Deventer tot de weinige plaatsen in Nederland behoren waar archeologische sporen van Vikinggeweld zijn aangetroffen (p.66). Die sporen van Vikinggeweld zijn in Zutphen en Deventer net als die in Nijmegen nooit gevonden. Wel sporen van middeleeuwse stadsbranden, toen alles nog van hout gebouwd werd. Lees meer over de Noormannen die voor Nederland volkomen legendarisch zijn. Hier wordt voor de juistheid van de opvattingen verwezen naar Michiel Bartels, Hemmy Clevis en Michel Groothedde. Het zijn schoolvoorbeelden van hoe verwijzingen naar elkaar, wat onder historici gemeengoed is, en dat door Delahaye 'naschrijverij' wordt genoemd, toch vaak verkeerd kan uitpakken. Begrijpend lezen geeft hierbij het grootste probleem aan. Men leest niet adequaat en men begrijpt blijkbaar niet wat men leest. Laat staan dat men de juiste conclusies uit het gelezene trekt.

    72. Bij opgravingen op de oostelijke Waalkade zijn direct ten noorden van de laat-Romeinse keermuur dikke brandlagen aangetroffen die op basis van het erin aangetroffen aardewerk uit de laat-Karolingische tijd lijken te stammen. Mogelijk hangen deze brandlagen samen met de aftocht van de Noormannen in 881. Nijmegen zou dan met Zutphen en Deventer tot de weinige plaatsen in Nederland behoren, waar archeologische sporen van Vikinggeweld zijn aangetroffen. (p.67)
      Dit is een interessante mededeling, maar het lijkt slechts en is mogelijk geweest. Dus ook hier geen enkel feitelijk bewijs. Hier worden noot 99, 100 en 101 als bron genoemd. Als we even opzoeken wat zij letterlijk zelf schrijven, dan is dat toch wat anders dan hier gesteld wordt.

      1. In noot 99 wordt verwezen naar Bartels, M, 2006,190, noot 284. Wat lezen we daar? "Thijssen had in deze tijd het voortouw van de ‘Stichting Stadsarcheologie Nijmegen’ (mondelinge mededeling Jan Thijssen 9-10-2003). Bij navraag blijkt de toenmalige projectleider van het urbansiatieonderzoek van de ROB, Herbert Sarfatij, eigenlijk geen concrete aanwijzingen te hebben waargenomen voor een wal, gracht of enige structuur van defensieve aard in de Benedenstad (mondelinge mededeling Herbert Sarfatij, Amsterdam, 2004). Een definitieve uitwerking en waardering van de sporen en structuren uit dit project lijkt vooralsnog de enige oplossing". Dat is toch duidelijke taal: twee mondelinge mededelingen en geen concrete aanwijzingen! Werkt de historische wetenschap op deze wijze?

      2. In noot 100 wordt verwezen naar Clevis H.H.C.C., 1990 die een proefschrift schreef over 'Nijmegen. Investigations into the historical topography and development of the Lower Town between 1300 and 1500'. Wat bewijs je met een proefschrift over de periode tussen 1300 en 1500 voor Nijmegen in 881? Niets dus. Is dit proefschrift van Hemmy Clevis (stadsarcheoloog van Zwolle!) door onafhankelijke deskundigen beoordeeld en goed bevonden?

      3. In noot 101 wordt verwezen naar Bartels 2006 en Groothedde 2013, 65-70. Maar wat lezen we daar?
        Bartels, M., 2006: De Deventer wal tegen de Vikingen. Archeologisch en historisch onderzoek naar de vroegmiddeleeuwse wal en stadsmuren (850-1900) en een vergelijking met andere vroegmiddeleeuwse omwalde nederzettingen, Deventer (Rapportages Archeologie Deventer 18). In deze rapportage wordt veel gespeculeerd, maar niets met feiten aangetoond. Bang geworden voor de Vikingen vluchtte de bisschop van Utrecht naar Deventer, is de traditionele opvatting. Blijkbaar vluchtte de bisschop precies de vijand tegemoet, die juist daar aan het plunderen was. 'De aanwezigheid van een wal uit ca. 900 maakt dat we hier kunnen spreken van een bijzonder monument, lezen we in dit rapport. Het is immers het enig zichtbare relict van een "stads"verdediging uit die periode in heel Nederland.' Echter bij deze beschrijving gaat het om een stenen wal, waar bij boringen in 1998 in het wallichaam werd ontdekt dat de kern van het wallichaam bestaat uit duinzand dat in de 9e en 10e eeuw is opgeworpen. Duinzand bij Deventer? Ligt Deventer aan zee? Onder deze lagen zand is ook nog duidelijk een dikke aslaag te herkennen. Maar wat betekent een aslaag of een zwarte laag? Is dat altijd een brandlaag? Een heidebrand? Of een stadsbrand? Lees meer over de zwarte laag bij opgravingen. Maar bestond Deventer al in de 9de eeuw? Volgens Bartels wel want (en ik citeer) dat staat in eeuwenoude bronnen de Vikingaanval op Deventer in het jaar 882 beschreven. Dus niet in 881, maar in 882. Waar waren de Vikingen in 882 aan het plunderen? In alle teksten die daarover gaan worden de volgende plaatsen genoemd: Ascloa (is Hasnon en niet Asselt bij Roermond), in Soissons, Laon, Reims en Noviomagus (Noyon en niet Nijmegen), Metz (of Mamets?), Condate aan de Somme (bij Abbeville) en het klooster van St.Vaast in Atrecht. Het gaat hier duidelijk over Noord-Frankrijk en niet over Deventer. Zouden historici geen atlas hebben? Vandaar dat we hiernaast een kaartje afbeelden alle plaatsen die in 882 genoemd worden aangegeven. Deventer is een zeer afwijkende locatie, tussen verder allemaal Franse plaatsen. Het Taventeri (ook Taventria) dat in deze tekst genoemd wordt, is Desvres op 34 km. ten westen van St.Omaars, Hasnon ligt tussen Lille en Valenciennes ook in dezelfde streek. Klik op het kaartje voor een vergroting. In de Annales Fuldenses wordt genoemd dat de H.Liobomus in Taventeri begraven is. Echter, een heilige Liobomus heeft nooit bestaan. Deze tekst is niet juist, maar daarmee bewijs je in elk geval niets ten gunste van Deventer. Lees meer over Deventer.

      4. Groothedde, M., 2013: Een vorstelijke palts te Zutphen? Macht en prestige op en rond het plein 's-Gravenhof van de Karolingische tijd tot aan de stadsrechtverlening, Zutphen (proefschrift Universiteit Leiden/Zutphense Archeologische Pulicaties 77). Ook bij dit proefschrift zijn de vragen wie de promotie begeleiders waren en wie in de promotiecommissie zat en of zij met alles hebben ingestemd? Lees meer over Zutphen. het wordt eentonig, maar ook in deze publicatie wordt geen enkel bewijs gegeven voor de juistheid van de stelling over de plunderingen van de Noormannen. De betreffende ringwal zou volgens Groothedde pas gemaakt zijn nadat de Noormannen weg waren. Ze zijn daarna nooit teruggeweest, dus alle werk voor niets! En dan schrijft Groothedde ook nog over een muur die een waterkerende functie had! Waterkering? Waartegen dan? Tegen aanvallers of tegen het water? Ook in Nijmegen is een Romeinse keermuur aan de Waal gevonden, die een waterkerende functie had. Maar dat weigerde archeoloog prof.dr.J.Bogaers te erkennen, immers daarmee zou hij Delahaye weer eens gelijk hebben moeten geven. In beide gevallen is toch duidelijk sprake van transgressies, een verschijnsel dat men heden (2024) toch wat serieuzer neemt.

      Bij een publicatie als proefschrift wordt ik altijd argwanend. Een proefschrift is bedoeld om een titel of een bepaalde benoeming te verkrijgen. Er wordt doorgaans van alles in beweerd om indruk te maken en zeker nooit van de gevestigde orde afwijkende zaken. Denk hierbij aan het proefschrift van Jules Bogaers die daardoor een professoraat in Nijmegen kreeg toebedeeld. Wat hij in 1959 in dat proefschrift beweerde over Ulpia Noviomagus, is nog steeds een onbewezen aanname.

      De teksten uit 880, 881 en 882 gaan niet over Nederland, maar over Frankrijk. Zutphen wordt in deze teksten sowieso al nergens genoemd, wel de Isla dat de Lys is en niet de IJssel. Ook deze riviernaam is hergebruikt met de deplacements historiques. In de teksten is duidelijk sprake dat de Noormannen door Gallië, Francië en Lotharingen trokken, wat er soms ook nadrukkelijk in staat. Dáár waren ze aan het plunderen en ook dáár staken ze het Paleis van Noviomagus in brand. Plaatsen die genoemd worden in deze teksten zijn naast Noviomagus (dat Noyon is dat ze immers bereikten via de Seine en de Oise), Kamerijk, Terwaan, Doornik, Kortrijk, Amiens, Corbie, Atrecht, Reims, Beauvais en Ascloa (uiteraard wordt van al deze plaatsen in de teksten de Latijnse naam genoemd). Lees meer over Ascloa dat niet Asselt in Brabant was, maar Hasnon in Frankrijk. Waarom zou Hincmar, de aartsbisschop van Reims, zich druk hebben gemaakt over plunderingen in het verre Nederland?

      Het is wel opvallend, eigenlijk ook weer niet, dat de meeste teksten over de plunderingen van de Noormannen in 880, 881 en 882 in Het Bronnenboek van Nijmegen ontbreken. In de Ware Kijk Op, het boek van Delahaye, vindt U ze wel. In het Bronnenboek worden tussen ca.400 en ca.1480 liefst 273 teksten overgeslagen, waarin Noviomagus, de Batua, de Noormannen of Frisia genoemd wordt. Over Dorestad, een ander voorbeeld, slaat het Bronnenboek 16 teksten over die Delahaye wel geeft. Blijkbaar spreken deze teksten de traditionele geschiedenis dusdanig tegen, dat als ze wel gegeven werden de mythe van de Palts van Karel de Grote in Nijmegen in een klap opgelost is. Het verzwijgen van alles wat de traditionele opvattingen tegenspreekt, is gemeengoed in historisch Nederland. Daarover deden de professoren dr.R.Post en dr.B.Stolte eens de volgende nadrukkelijke uitspraak: "Zoals de oorkonde voor ons ligt, kan zij niet echt zijn." De tekst werd vals verklaard om moeilijkheden te voorkomen. Beter was geweest t.a.v. deze tekst te verklaren "Zoals de oorkonde voor ons ligt, kan zij geen betrekking op Nederland hebben". Dat zou de juiste zienswijze zijn geweest!
      Deze 273 vermeldingen over Noviomagus worden dus aan Noyon afgestaan. Het Bronnenboek zou dan ook beter "Het Bronnenboek van Noyon" geheten kunnen hebben.


      Enkele andere teksten over de Noormannen in dit boek:
    73. Voor de grond die nodig was om de wal op te werpen, hebben de Noormannen wellicht een of meer grachten van het laat-Romeinse castellum opnieuw uitgegraven (p.67). Is dit geschreven door een historicus? De Noormannen groeven geen grachten! Voor wie waren zij bevreesd? Veel infantieler kan het niet beschreven worden. Dat de Noormannen ooit Nijmegen of waar dan ook in Nederland geplunderd hebben is een van de grootste en hardnekkigste mythen, waarvoor elke bewijs ontbreekt, zowel archeologisch als ook tekstueel.

    74. Na betaling van losgeld verlieten de Noormannen Nijmegen, maar eerst staken ze nog de palts en de nabijgelegen nederzetting in brand (p.67). Van brandstichting blijkt archeologisch nooit iets gevonden te zijn, wat prof.dr.F.Hugenholtz tot de volgende uitspraak bracht: "De Noormannen hebben na hun bezoeken aan Nederland alle sporen van hun aanwezigheid "opgeruimd". Dit is dus de verklaring van een professor bij het totaal ontbreken van sporen van de Noormannen. Hadden de Noormannen een opruimploeg? Wanneer een professor die in de knel zit, met zulke infantiele uitvluchten aankomt, moet hij in het belang van de wetenschap recht in zijn gezicht gezegd krijgen dat hij beneden niveau bezig is. Hugenholtz erkent hiermee in elk geval wel dat er in Nederland (en dus ook niet in Nijmegen) niets van de Noormannen gevonden is en geeft Delahaye dus (waarschijnlijk onbedoeld) gewoon weer gelijk! Maar dat zal Hugenholtz ook wel niet begrepen hebben. En als er archeologisch niets van de Noormannen gevonden is, zijn ze er dus ook nooit geweest! Hetzelfde argument van die opruimploeg werd ook door andere historici en archeologen gebruikt, zoals dr.W.A.van Es over het ontbreken van sporen van plunderingen en brandstichting in Dorestad, oh nee, sorry, in Wijk bij Duurstede en Caspar van Heel dat de Noormannen alleen schriftelijke getuigenissen hebben achtergelaten over hun plunderingen en geen sporen. Het waren dan zeer listige gauwdieven die plunderden zonder daarvan sporen achter te laten. Hoe infantiel kun je zijn?

    75. Noormannenzwaard, gevonden in de Waal bij Nijmegen en gedateerd rond 850-900. De knop en de pareerstand zijn ingelegd met zilver. De gewoonte om kostbare metalen voorwerpen, vooral wapens, aan de goden te offeren in water of moeras bestond al voor onze jaartelling (p.85). We moeten ons hierbij dus voorstellen dat de goddeloze Noormannen hun door roof verkregen kostbaarheden aan de goden offerden door ze in het water te gooien. Zeker als dank voor hun behouden aftocht uit Nijmegen. En dit schrijven serieuze historici die daarvoor doorgeleerd hebben. Lees meer over de Noormannen.

    76. Maar de voornaamste reden om juist op het Valkhof een palts te bouwen was vermoedelijk de militair-strategische betekenis van het oude castellum (p.66). Maar dat castellum is net als die palts op het Valkhof nooit gevonden. Verwijzingen naar Lindenberg of Kelfkensbos brengen daar geen verandering in.

    77. Waar nodig hebben ze het terrein vermoedelijk ook met een houten palissade afgeschermd (p.67). Vermoedelijk? Hoe denkt man dat te weten?

    78. Ook de in het vorige hoofdstuk besproken fragmenten van de Romeinse 'godenpijler' waren vermoedelijk opgenomen in de architectuur van de Karolingisch/Ottoonse palts (p.68).Er wordt hier met de palts al geschoven van Karolingisch naar Ottoons. Maar ook dat zal niet helpen, immers een Ottoonse palts is in Nijmegen net zo min aangetroffen als een Karolingische. Op p.71 wordt de palts Staufisch genoemd, wat uiteraard klopt met het jaartal 1155. Karolingisch is van 751 tot ca.987, Ottoons is van ca.936 tot ca.1002, en Staufisch is van ca.1150 tot ca.1250, maar niet alle historici zijn het precies eens met elkaar over de jaartallen.

    79. Vermoedelijk was net als in de Merovingische tijd ook tijdens de Karolingische periode sprake van bewoning in de nabijheid van de palts op het Valkhof (p.68). Vermoedelijk? De bewoning is een vermoeden, gebaseerd op de aanwezigheid van die nooit gevonden palts? De omvangrijke hofhouding, de ambachtlieden, de reizigers en de legers moeten wel ergens verbleven hebben, maar waar dan? Van bewoning is in Nijmegen geen archeologisch bewijs gevonden, slechts een zestal graven. En waar leefden deze mensen van bij gebrek aan domeinen en omvangrijke voedsel voorziening? Als er geen bewoning was betekent het dat Nijmegen als stad niet bestond. Jammer voor deze auteurs, maar hier krijgt Albert Delahaye weer eens gelijk.

    80. Enkele diep uitgegraven kuilen met verticale wanden zouden wellicht vroegmiddeleeuwse latrines kunnen zijn. In een van deze kuilen op de hoek van de Lindenberg en de Ridderstraat is een vrij complete, met radstempels versierde tuitpot gevonden van laat-Badorfaardewerk uit de tweede helft van de negende eeuw (p.68). Die Badorfpot zal wel een pispot geweest zijn en Badorf aardewerk wordt ook gedateerd tot de 13de eeuw. Het is maar net welke archeologische bron men volgt. Als er een jaartal mee bewezen moet worden, zoals in Nijmegen, moet men zeer alert worden. Ook deze tekst is geschreven door een historicus. Dat kun je toch niet serieus nemen?

    81. Mogelijk zijn ze gebruikt als haarnaald of wellicht als stylus voor het schrijven op een wastablet (p.69). Die eenvoudige boeren of vissers uit de 10e eeuw konden dus al schrijven. Naar welke school zijn ze geweest? Zijn die wastablets, de voorlopers van de huidige tablets, ooit ergens gevonden?

    82. Mogelijk gaat het hier om een aan de palts gerelateerde vicus of wijk waar ambachtelijke activiteiten plaatsvonden (p.69). Is die vicus nu wel of niet gevonden?

    83. Dergelijke amforen werden waarschijnlijk gebruikt voor het vervoer en de opslag van wijn en zijn ook in grote hoeveelheden gevonden in handelsnederzettingen als Dorestad, Deventer en Tiel (p.69). Hier komen drie mythen bij elkaar. Lees meer over Dorestad, Deventer en Tiel.

    84. Dat werpt meteen de vraag op of een blok natuursteen dat Weve waarnam in het noordwestelijk gedeelte van het halfrond wellicht een bestanddeel is geweest van een oudere (Karolingische) steenbouwfase (p.70). Het is veel betekenend dat men hier (Karolingische) tussen haken heeft gezet.

    85. Ongeveer halverwege de apsis werd haaks op de funderingsmuur aan beide zijden muurwerk aangetroffen bestaande uit tufsteenblokken, die eveneens gevoegd waren met rode mortel. Weve veronderstelde dat de funderingsmuur behoorde tot de Merovingische voorganger van de palts. Het slechts gedeeltelijk bewaard gebleven opgaande metsel werk en het haaks op de funderingsmuur aangetroffen muurwerk plaatste hij in de Karolingische tijd (p.71). Met dit restje rode mortel heeft men de bevestiging gevonden van de palts van Karel de Grote. Maar rode mortel is overigens typisch Romeins. Lees er alles over in de linker kolom.

      De conclusie moet dan ook zijn dat de hier genoemde plunderingen in Nijmegen, Deventer en Zutphen nooit hebben bestaan. Ze zijn zowel archeologisch als tekstueel niet aan te tonen. Einde mythe van de Noormannen in Nederland.

      Het is wel duidelijk dat je op vermoedens, mogelijk- en waarschijnlijkheden geen geschiedenis kunt baseren. En dat is precies wat in Nijmegen is gebeurd en nog gebeurt.

    Tot zover Hoofdstuk 2 van Het Valkhof 2000 jaar. Lees verder bij Hoofdstuk 3 (daar wordt nog aan gewerkt).

    Bestel en lees het boek "De Ware Kijk Op" voor al deze en andere teksten en oordeel zelf!

    Terug naar de beginpagina.
    Het Bronnenboek van Nijmegen weerlegt de Karolingische geschiedenis van Nederland.
    Naar het overzicht in het kort.