| Terug naar de beginpagina. | Naar het overzicht in het kort. |
|
| |||||||
Het is wel zaak bij het beoordelen van het werk van Albert Delahaye, zich aan de feiten te houden. Dat begint met het lezen van zijn boeken en niet met het 'voor de vuist weg' verspreiden van algemene onjuiste opvattingen!
|
In het "Verhaal van Gelderland voor het Gelderland werd" (deel 1) wordt op p.334 het verhaal van Albert Delahaye beschreven. Deze beschrijving behoeft enige toelichting die we bij de letterlijke citaten in rood geven. Klik op de afbeelding hieronder voor een vergroting van deze pagina in een nieuw scherm. Opmerkelijk is wel dat de opvattingen van Albert Delahaye in dit boek een plaats gekregen hebben. Geen enkele andere historicus of archeoloog wordt op een aparte bladzijde genoemd. Waarom krijgt alleen Albert Delahaye een aparte bladzijden. Hij kwam toch niet als enige met een van de tradities afwijkende visie. Wilde de redactie hem met enkele leugens monddood maken? Dat men verder geen discussie wenst toont slechts de onkunde van de auteurs van Verhaal van Gelderland aan. De studie van Delahaye is zo omvangrijk en gedegen, dat men er slechts op onbeduidende details en met leugens iets tegenin meent te kunnen brengen.
Albert Delahaye was van 1946 tot 1957 als wetenschappelijk archiefambtenaar verbonden aan het gemeentearchief van Nijmegen. Hij interesseerde zich voor het vroege bronnenmateriaal, met de nadruk op de Iaat-Merovingische en Karolingische tijd. In deze periode schreef Delahaye ruim 150 artikelen in de Gelderlander. Op 24 oktober 1955 verscheen zijn 'schokkende' artikel waarbij hij zijn twijfel uitsprak of het "Paleis van Karel de Grote wel in Nijmegen heeft gestaan?" Hij zette vraagtekens bij de traditionele historische opvatting dat gebeurtenissen in die tijd, zoals de kerstening onder Willibrord, de plunderingen van Dorestad door de Vikingen of de bezoeken van Karel de Grote aan de palts Niumaga zich daadwerkelijk in Utrecht, Wijk bij Duurstede of Nijmegen hadden afgespeeld. Delahaye zetten geen vraagtekens bij de historische gebeutenissen, maar bij de plaats waar deze zich hebben voorgedaan. Hij werd hierin bevestigd doordat deze gebeurtenissen allemaal in Franse kronieken staan en Nederland geen snipper papier heeft van voor het jaar 1000. Dat werd bevestigd ondermeer door Jacob van Oudenhoven die in 1654 schreef dat "het ontbreken van elke schriftuur omdat het land niet bewoond was". Lees daarover meer bij Opvattingen in de 15de, 16de en 17de eeuw. Het is ook niet verklaarbaar dat de Franse Kroniekschrijvers de geschiedenis van een ver en hen onbekend gebied beschreven zouden hebben en de geschiedenis van hun eigen streek onbeschreven zouden hebben gelaten! Uit de opmerking over de Vikingen blijkt al dat deze auteur niet op de hoogte is van de ware geschiedenis. In geen enkele klassieke tekst worden Vikingen genoemd. Er is slecht sprake van Northmanni en de Marck van Danii, dat onjuist tot naam van Denemarken heeft geleid. Als je zorgvuldig alle teksten over de Noormannen volgt, wat Delahaye gedaan heeft en vooral die teksten die in Het Bronnenboek van Nijmegen ontbreken, dan blijkt dat de Noormannen geen enkele keer in Nederland geplunderd hebben. Wat viel in dit onherbergzame en ontoegankelijke land waar zo goed als niemand woonde te plunderen? Hij vond argumenten voor de stelling dat de geschreven bronnen betrekking hadden op een gebied in Noordwest-Frankrijk. De in de bronnen genoemde toponiemen zouden daar gezocht moeten worden. Opmerkelijk in deze is dat Delahaye in Noord-west Frankrijk alle meer dan 1600 plaatsen vond die in de bronnen genoemd worden en die in Nederland onvindbaar bleken. Deze plaatsen hebben in Nederland dus niet bestaan. De taalgrens is daarbij van cruciale betekenis gebleken, een grens die al voor de Romeinse tijd bestond en nog steeds op nagenoeg dezelfde plaats ligt vanaf Frans-Vlaanderen tot ver in Zwitseland. Deze grens liep niet langs de Rijn, maar er ver vanaf. Het was niet alleen een grens van de taal, maar juist een grens van volkstammen. En precies rondom die grens vond Albert Delahaye alle plaatsen en volkeren die de historici in Nederland en Duitsland niet konden vinden. Karel bezocht niet een palts in Nijmegen, die heeft volgens Delahaye nooit bestaan, want er was niets gevonden uit de tijd van Karel de Grote. Het is een onmiskenbaar feit dat van dat Paleis van Karel de Grote met de naam Numaga in Nijmegen op het Valkhof geen steen gevonden is: NIETS. Het enige dan men noemt om het bestaan van dat paleis dat er toch ruim 3 eeuwen gestaan moet hebben, te 'bewijzen' zijn wat sporen van rode mortel in de St.Maartenskapel van Frederik Barbarossaruïne uit 1155. Het grote misverstand wordt aangetoond met precies dezelfde teksten, van dezelfde schrijvers, met dezelfde feiten en dezelfde details, uit dezelfde jaren, die de Nederlandse historici op Nijmegen toepassen, terwijl de Franse historici precies dezelfde teksten sinds jaar en dag op Noyon toepassen. De palts stond in Noyon, dat ook afgeleid is van de Keltische plaatsnaam Noviomagus. Dat de palts van Karel de Grote waar hij gekroond is, in Noyon staat is een onmiskenbaar feit, bij alle historici bekend. Alle Kronieken en oorkonden die deze kroning vermelden geven ook de verschillende schrijfwijzen voor de Karolingische plaats Noyon. Bovendien zijn in Noyon archeologische resten bekend die uit de Karolingische tijd dateren. Deze ontbreken in Nijmegen niet alleen op het Valkhof, maar ook elders in de stad. Ook de Bataven zaten volgens hem niet aan de Rijn, maar aan een Frans riviertje met een vergelijkbare naam. Hier laten de auteurs van deze tekst kennen dat ze de boeken van Albert Delahaye nooit gelezen hebben, in elk geval niet begrepen hebben. Dat riviertje was de machtige en onstuimige Schelde, al beschreven door Julius Caesar die nooit in België, dus ook nooit in Nederland geweest is en de Renus uit eigen waarneming beschreef. Bataven zaten niet aan de Rijn, maar woonden in de Betuwe volgens de traditie. Dat daar geen sporen zijn gevonden van hen, wordt nu ook door verschillende historici erkend, zoals Stijn Heeren en W.A.van Es die schrijft: "De gedachte dat de Bataven in de Betuwe en het Brabantse aanwezig waren vindt thans geen bijval meer". De Batua uit latere teksten was ook niet de Betuwe, maar het land van Béthune, waar Delahaye ook alle plaatsen vond die aan de beschrijvingen voldeden en in Nederland onvindbaar bleken. Daardoor kon ook de Romeinse historie zich niet in Nederland hebben afgespeeld. Dit is een flagrante leugen. Albert Delahaye heeft Romeins Nederland nooit ontkend. Wel plaatste hij dezelfde vraagtekens bij de naamgeving van die plaatsen, die slechts gebaseerd waren op de valse Peutingerkaart uit de 16de eeuw. Hij werd daarin bevestigd door onder andere W.A.van Es die al stelde dat "Romeins Nederland nooit veel heeft voorgesteld" en "Romeins Nederland is allerminst van internationale allure geweest". In Nederland zou ook de Merovingische tijd nooit bestaan hebben en het product zijn van historisch fake news, gecreëerd door archeologen die de periode willen opvullen aan de hand van vondsten die met drogredenen aan haar worden toegeschreven. De Merovingische tijd heeft in Nederland nauwelijks sporen nagelaten. Enkele gevonden graven worden te snel aan die periode toegeschreven, maar buiten wat graven heeft men NIETS. De hier genoemde ' drogredenen' heeft Albert Delahaye nooit gebezigd. Zijn bevindingen waren gebaseerd op de klassieke teksten en niet op de archeologie. Wat hem wel opviel was dat de archeologie zwijgt op plaatsen waar een belangrijke gebeurtenis geplaatst werd en wel gevonden wordt op nietszeggende plaatsen. Nederland was grotendeels onder invloed van de zee, en de Romeinen, Franken, Karolingers hadden hier niets te zoeken. De transgressies bevestigen de theorie van Delahaye op alle punten. Pas na het jaar 1000 werd ons land ontgonnen en bewoond. Dit is een onmiskenbaar feit, dat in de hele geschiedenis van Albbert Delahaye bevestigd. Het is dan ook een farce dat er in Nederland al vele plaatsen gestaan zouden hebben, die een geschiedenis hadden die in Franse kronieken vermeld werden. Zijn standpunt over Nijmegen maakte Delahaye niet geliefd bij zijn collega's en hij vertrok. Na zijn vertrek uit Nijmegen kwam Delahaye met zijn gezin in Zundert terecht, de woonplaats van een eerder miskende bewoner. In Zundert ontdekte hij -toeval bestaat dus wél- dat daar de oudste St.Willibrordkerk van Nederland had gestaan. Deze Willibrorduskerk was niet gesticht vanuit Utrecht, maar vanuit Tongerlo in het zuiden, waar de hele Willibrordcultuur vandaan bleek te komen. Maar zijn stroom publicaties kwam toen pas echt op gang. Systematisch werden alle vroegmiddeleeuwse plaatsnamen uit Nederland weggeredeneerd, waaronder ook Tiel, Elst en Deventer. Hier worden Tiel Elst en Deventer ten onrechte door deze auteur(s?) vroegmiddeleeuws genoemd. Zij kennen de eigen geschiedenis dus niet. Tiel en Deventer komen pas in de 11de en 10de eeuw voor het eerst voor in de geschiedenis. Elst heeft dan wel een Romeinse voorgeschiedenis gekend, maar komt daarna pas in de 11de eeuw weer in de geschiedenis voor. Lees de ware geschiedenis van Elst, Tiel en Deventer. Deze en tientallen andere plaatsen moesten gezocht worden in Noordwest-Frankrijk. En het beste bewijs is dat die, niet tientallen, maar honderden in Nederland onvindbare plaatsen allemaal in Frankrijk gevonden werden. Zie ook het register van meer dan 10.000 plaats-, rivier-, streek-, persoonsnamen dat is samengesteld uit de boeken van Albert Delahaye. Juist in deze periode werden de grootschalige opgravingen in Dorestad uitgevoerd. Over de opgravingen in Wijk bij Duurstede kan kort geconcludeerd worden met wat opgraver W.A. van Es zelf meedeelt: "dat er in Wijk bij Duurstede geen enkel archeologisch bewijs is gevonden voor de determinatie Dorestadum". Dan houdt toch ook deze hele discussie op? Onomwonden geeft de R.O.B. bij monde van opgraver Van Es dus toe dat de archeologische gegevens geen bewijs hebben opgeleverd voor de identifikatie van Wijk bij Duurstede als het oude Dorestadum. Dat bewijs zal derhalve moeten komen uit de historische en naamkundige gegevens. Van Es baseert zich dus uitsluitend op ''zoveel circumstancial evidence" voor zijn determinatie. We bedanken de R.O.B. voor dit Godsgeschenk van een argument, want in de authentieke streek komen zoveel ''évidences circonstancielles" te voorschijn (om de juiste uitdrukking te gebruiken (sic)!), dat de Nederlandse interpretatie nergens meer blijft. Hier wordt gewezen op de kenmerken van het oude Dorestad die in de teksten genoemd worden. Aan die kenmerken voldoet de opgegraven nederzetting bij Wijk bij Duurstede allerminst. En werden er in toenemende mate opgravingen gedaan in steden als Deventer, Nijmegen, Tiel en Utrecht. Deze toenemende opgravingen hebben geen enkel bewijs opgeleverd over de periode vóór de 10de eeuw. Er werd geen enkel nieuw bewijs gevonden door de toenemende opgravingen. Ook etymologen bekritiseerden zijn vroegmiddeleeuwse plaatsnaamduidingen in Frankrijk. Uiteraard becritiseerden de etymologen als prof.D.P.Blok en prof.M.Gysseling de vroegmiddeleeuwse plaatsaanduidingen van Delahaye. Zij zouden daarmee hebben moeten erkennen geen verstand van etymologie te hebben, maar nog minder van plaatsnaamkunde. Het was ook niet zo vreemd dat zij samen bij 1354 plaatsen «onbekend» hebben genoemd. Hoe konden de in de koningsoorkonde van 896 genoemde handelsplaatsen Daventre en Tiale niet Deventer en Tiel zijn? Dat is gemakkelijk verklaarbaar. Deze Franse oorkonde uit 896 werd uitgegeven door koning Zwentibold, koning van West-Francië die geen zeggenschap had over midden-Nederland. Deze oorkonde gaat dan ook niet over midden-Nederland, maar over West-Francië, waar inderdaad Daventre=Desvres en Tial=Tilques liggen. Lees meer over Tiel en Deventer. De vele opgravingen hebben de handelsactiviteiten aldaar volop aangetoond. De enige opgravingen waarmee men handelsactiviteiten meende aan te kunnen tonen was de vondst van enkele munten. Maar met munten bewijst je slechts dat iemand die daar verloren of, als ze in een buidel of pot gevonden zijn, verstopt heeft. Waarom moesten de vermeldingen worden toegeschreven aan twee gehuchten in Frans-Vlaanderen.... Die twee gehuchten is kenmerkend voor historici die het hedendaagse Deventer wil vergelijken met het Deventer uit de 10de eeuw. Waren toen niet alle plaatsen niet meer dan een gehucht? ....waar nog nooit sporen van een Karolingische nederzetting waren gevonden? Ook hier blijkt weer dat de auteur van deze tekst niet op de hoogte is van de Franse archeologie. Ik kan slechts verwijzen naar de vele studies over de Franse archeologie en de geografische gegevens die in Frankrijk wel toepasbaar zijn en in Nederland totaal niet. Naarmate het debat verhardde, volhardde Delahaye in zijn opvattingen. Zijn ideeën stonden tegenover de naar zijn mening starre gevestigde wetenschap. Dat verharden is vooral van toepassing op de gevstigde wetenschap die 'met de rug tegen de muur stond' zoals Leupen dat omschreef. Men had gewoon geen weerwoord op de visie van Delahaye, wat wel blijkt uit de argumenen die men opvoerdde. Hier is precies van toepassing wat prof.P.Leupen al stelde met: "De opvattingen Delahaye worden wetenschappelijk (1) nergens (2) ondersteund (3)". Deze uitspraak van Leupen geeft precies aan wat het probleem is in de historische wetenschap. Daarbij plaatsen we de volgende opmerkingen: De historici hebben in het verleden slechts opvattingen van voorgangers herhaald, vanwege de klakkeloze naschrijverij. En dat klakkeloos naschrijven is precies wat Albert Delahaye niet gedaan heeft, waardoor zijn opvattingen ook niet ondersteund kňnden worden. Ze waren totaal nieuw en niet bekend in de historische wereld. De huidige stand van de wetenschap is het kernpunt in de discussies over de historische opvattingen, waarbij Leupen de opvatting hanteert dat 'als alle geleerden het met elkaar eens zijn, zij dus gelijk hebben'. Dat alle geleerden het met elkaar eens zijn, is het gevolg van die naschrijverij. Feitelijk had de historische wereld Albert Delahaye dankbaar moeten zijn, immers hij heeft hùn werk gedaan door de bronnen te bestuderen en de geschiedenis te beoordelen op mythe en feiten. De archeologische argumenten werden door hem afgedaan als misinterpretaties, vals gedateerd en cirkelredeneringen. Nu heeft Delahaye de archeologie nooit als argument voor zijn opvattingen gebruikt, wel dat de interpretaties en dateringen gebaseerd waren op cirkelredeneringen. Zo is bij Wijk bij Duurstede zeker een oude nederzetting gevonden, maar dat was niet Dorestad dat alle kenmerken mist die in de teksten genoemd worden, maar Munna, een plaats van vissers en jagers dat een roversnest werd en op last van de Duitse Keizer in 1018 vernietigd werd vanwege de overlast die het voor de omgeving gaf. Inmiddels kreeg Delahaye bijval van vooral amateurhistorici en ook zoon Guido zette na het overlijden van zijn vader het debat voort. Over 'amateur-historici' wordt door de beroepshistorici zoals prof.Hoppenbrouwers te vaak wat denigrerend gedaan, terwijl zij vaak beter op de hoogte zijn van de plaatselijke geschiedenis dan zij die ervoor 'gestudeerd' hebben. Beter was dat zij het bestudeerd zouden hebben en niet slechts naschrijven wat er voor hen allemaal over geschreven is. Zoon Guido Delahaye heeft op zijn website www.noviomagus.info niet alleen de visie van Albert Delahaye uitgebreid beschreven, maar vooral bestudeerd wat zijn opponenten schreven en welke argumenten zij gebruikten. En dan kun je slechts Albert Delahaye volkomen gelijk geven, wat in toenemende mate ook gebeurd. Zo heet de kapel op het Valkhof plots niet meer Karolingische Kapel, maar Ottoonse kapel of St.Nicolaaskapel. Met die laatste naam wordt tevens aangegeven dat deze kapel niet uit het begin 11de eeuw is (1030) stamt, maar uit eind elfde eeuw en wel uit 1087. Zie de opmerkingen van zijn aanvankelijk felste opponenten in de linker kolom. De alternatieve kijk op het eerste millennium in ons land vond en vindt nog altijd weerklank in de Studiegroep Eerste Millennium (SEM). Daarvan zijn niet alleen fervente aanhangers van Delahaye lid, maar vooral ook (amateur)historici en archeologen die de bronnen en argumenten van beide kanten willen bestuderen. Deze studiekring bestudeerde niet alleen de visie van Delahaye, maar vooral welke argumenten de beroepshistorici hier tegenin brachten. En dat laatste viel erg tegen. Het bleef slechts bij het herhalen van de 'traditie' terwijl men niet eens wist sinds wanneer die traditie dan wel bestond. Prof. F.Hugenholtz merkte daar eens over op: "We hebben een traditie in handen vanaf de Romeinen" Hij liet daarmee duidelijk zien de feiten niet te kennen. De hoofdmoot van die zogenaamde Romeinse 'traditie' kwam pas ná 1940 tot stand, met de boeken van A.W.Byvanck. Wat er tevoren over de Romeinen geschreven is, heeft nauwelijks iets voorgesteld en bestond slechts over veredelde 'schatgraverij' zonder toelichting of verklaringen. ln het blad SEMafoor publiceren voor- en tegenstanders van Delahayes theorieën. Dit blad is meer dan het lezen waard en alle daarmee gerelateerde uitgaven zijn te vinden op Semafoor.info. Daarover schreef Marco Mostert zelf eens: "hoewel ik niet competent genoeg ben om hierover te beslissen", is hij van mening dat "de Studiekring Eerste Millenium (SEM) geen historicus, archeoloog of naamkundige vooralsnog heeft weten te overtuigen". Let vooral op het 'vooralsnog'! Komt dat doordat de argumenten in die overtuiging te kort schieten? Of willen die historici zich niet laten overtuigen of zijn ze -net als Mostert- niet 'compenent genoeg' om die argumenten te beoordelen? Het blijkt in elk geval noodzakelijk dat de visie van Albert Delahaye eens door een historisch geschoold en wetenschappelijk toegerust team onderzocht en beoordeeld wordt naar mythe en waarheid en vergeleken wordt met de aangenomen traditionele opvattingen. Het moet toch ook iedereen duidelijk zijn dat alles wat wij weten over de 'vaderlandse' geschiedenis, slechts in Franse kronieken beschreven is. Is het dan toch juist wat Jacob van Oudenhoven in 1654 schreef dat "het ontbreken van elke schriftuur kwam, omdat het land niet bewoond was"? |
|
| |||||
| Terug naar de beginpagina. | Naar het overzicht in het kort. |