De historische geografie van de lage landen.
Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.

Geschiedenis van Noviomagus Nijmegen.




Nijmegen: de oudste stad van Nederland. Ontstaan uit een Bataafs dorp en een Romeinse legerplaats op de zuidelijke oever van de Waal. Onder Karel de Grote een belangrijk regeringscentrum, van waaruit het Karolingisch rijk bestuurd werd. In de middeleeuwen een belangrijk verkeersknooppunt en marktcentrum.
Bovendien een stad met een grote culturele faam en veel politieke activiteit. In een recenter verleden aan het einde van de Tweede Wereldoorlog, trok Nijmegen wederom de aandacht.

Dr. Guus Pikkemaat heeft de rijke historie van Nijmegen vastgelegd in een fascinerend boek. Hij schetst niet alleen een boeiend beeld van het roemrijke Verleden van de Waalstad, maar hij stelt ook o.a. de perikelen rond het moderniseren van de binnenstad aan de orde. 'Geschiedenis van Nijmegen': een unieke uitgave voor iedereen die zich betrokken voelt bij deze prachtige stad.

Uitgave van de SDU uitgeverij, 's-Gravenhage, 1988.

Guus Pikkemaat (Augustinus Gerard Pikkemaat, Ulft, 27 juli 1929 - Bussum, 19 februari 2018) was een Nederlands historicus, journalist en schrijver.
Pikkemaat, geboren in een katholiek gezin, studeerde na zijn middelbareschooltijd in Doetinchem en geschiedenis aan de Katholieke Universiteit Nijmegen. Daar werd hij eindredacteur van het Nijmeegs Universiteitsblad (NUB), dat hij omvormde tot een meer journalistiek en polemisch blad.
Na in het onderwijs te hebben gewerkt, ging hij in 1963 als waarnemend hoofdredacteur en vervolgens in 1965 als zelfstandig hoofdredacteur aan de slag bij De Gooi- en Eemlander en moderniseerde hij het dagblad. Hij bleef tot in 1989 als hoofdredacteur aan het roer.

Pikkemaat heeft naast dit boek over de geschiedenis van Nijmegen, diverse boeken en artikelen geschreven over het koninkrijk, de Bataafse vrijheid, de oorlogstijd en bevrijding, Jeanne d'Arc, Willem IX e.d. wel steeds over historische thema's of gebeurtenissen.
Over de geschiedenis van Nijmegen zijn vele boeken geschreven. De meeste daarvan gaan terug op de kennis zoals die in de 17e eeuw gold. Wat toen als 'vermoeden' of 'waarschijnlijk' gesteld werd, vormt nog steeds de basis van de huidige kennis onder historici. Zo werden de Bataven in de Betuwe gedacht, op grond van een onjuist geïnterpreteerde tekst van Tacitus. Het vormt nog steeds het uitgangspunt van Romeins Nijmegen. Ook werd gemeend dat in Nijmegen een paleis van Karel de Grote stond, dat eveneens een onjuiste gedachte is. Het heeft er nooit bestaan. Pikkemaat gaat in dit boek ook uit van deze traditionele opvattingen. Toch beschrijft hij de geschiedenis niet altijd geheel zakelijk. Als er geen bewijs is voor bepaalde opvattingen dan noemt hij dat soms ook wel, maar probeert er vervolgens toch een draai aan te geven in de richting van de tradities.

Klik steeds op de verschillende 'links' voor de benodigde achtergrondinformatie.

De visie van Albert Delahaye.
Wie de ware geschiedenis van Romeins en Karolingisch Nijmegen wil lezen, zal dat in 'De Ware Kijk Op' vinden. Vanaf p.320 t/m 403 wordt de geschiedenis van Nijmegen beschreven gebaseerd op de klassieke bronnen en niet op de fabels van Willem van Berchen of de fantasieën van Johannes Smetius. Je kunt die geschiedenis ook lezen op de volgende link: de ware geschiedenis van Nijmegen.



Geschiedenis van Nijmegen.
In dit boek over de geschiedenis van Nijmegen beperken we ons tot de geschiedenis uit het eerste millennium en enkele bijzonderheden uit de eerste eeuwen van het tweede millennium. Het is met name de geschiedenis uit de Romeinse en Karolingische tijd die onze speciale aandacht heeft.
Opmerkelijk is dat Pikkemaat in 1988 al schrijft dat Nijmegen de oudste stad van Nederland is, al is daar geen enkel bewijs voor. Dat blijkt dus geen 'uitvinding' van Jan Thijssen te zijn, die dat wel claimde. De vraag is dan ook: "Welke bewijzen zijn er sinds 1988 bij gekomen om te bevestigen dat Nijmegen wel de oudste stad van Nederland is?" (zie hiernaast).
Dr.G.Pikkemaat.
Dr. Guus Pikkemaat beschrijft in dit boek de geschiedenis van Nijmegen en volgt daarbij de traditionele opvattingen zoals die blijkbaar in 1988 -het jaar van uitgave van dit boek- nog golden.
Opmerkelijk is evenwel dat aan de geschiedenis van Nijmegen na 1988 zaken zijn toegevoegd waarvoor geen enkel klasssiek of 'oud' bewijs bestaat. Wat in 1988 als de waarheid vaststond, zal zonder verdere bewijzen ook heden nog steeds als die waarheid moeten gelden. We zullen het aan de hand van enkele voorbeelden -zoals hiernaast over de oudste stad- verder toelichten.


Wat lezen we in dit boek en wat is het commentaar (in rood) hierop? Vooral de Ten geleide op p.7 en 8 spreekt duidelijke taal.

Het is voornamelijk het traditionele verhaal dat Pikkemaat beschrijft. Dat kan ook nauwelijks anders, met een in Nijmegen uitgegeven boek, waarin in het Ten Geleide vooral 'Nimwegeneurs' als 'inspiratiebron' worden genoemd.
We beperken ons bij deze bespreking tot hoofdstuk 1 en 2, hoewel ook verder hoofdtukken interessante informatie bevat. We gaan in dit boek steeds op zoek naar de bewijzen van het verhaal. Immers de bewijzen missen we te vaak in alle verhalen. Welke bewijzen zijn er bijvoorbeeld voor de aanwezigheid van Julius Casaer aan de Waaloever. (p.9). Ook Pikkemaat komt niet verder dan 'mogelijk' en 'zelfs is het niet zeker'. Hoe kwam Julius Caesar aan de Waal? Hij sloeg dan België, Brabant en ook de Maas over. Het lijkt de Peutingerkaart wel die dezelfde 'overslag' laat zien. In Belgiëis Julius Caesar nooit geweest, zoals prof.H.Thoen al heeft vastgesteld. Er zijn daar geen kampen uit de tijd van Caesar gevonden. Het boek van Caesar heet niet voor niets 'de Gallische oorlog'. Nederland en Belgiëboven de taalgrens hoorden niet bij Gallië. Ging hij dan via Duitsland? Neen, ook niet. Immers daar zijn de eerste archeologische sporen van de aanwezigheid van de Romeinen van ver ná Julius Caesar.

pagina
Wat schrijft Pikkemaat? Commentaar in rood:
7
Nijmegen wordt wel de oudste stad van Nederland genoemd. Of de aanspraak op die titel terecht is, blijft evenwel onzeker. Als in 1988 wordt geconcludeerd dat de titel 'oudste stad' onzeker is, moet men nadien zonder verder bewijs niet met die titel blijven schermen. Lees meer over Nijmegen oudste stad? Het idee van oudste stad werd in 2014 nog eens opgerakeld door de Maastrichtse archeoloog Titus Panhuysen, die dat meende te kunnen aantonen met de in Nijmegen gevonden brokstukken van de zogenoemde 'Godenzuil'.
7
De historie van Nijmegen nam een aanvang tussen de jaren 12-9 voor Christus, toen de Romeinse veldheer Drusus zijn soldaten legerde op de Nijmeegse heuvelrug. Van hun aanwezigheid weten we alleen iets dankzij de voorwerpen en grondsporen, die de bodem naderhand prijsgaf. Helaas moet het beeld van Nijmegen in die periode door nevel omgeven blijven; het is immers uiterst moeilijk om een verleden helder en samenhangend te reconstrueren aan de hand van alleen maar bodemvondsten. Dit is duidelijke taal van Pikkemaat: we weten niets van de tijd van Drusus. Op grond van alleen maar bodemvondsten kan geen geschiedenis vastgesteld worden. Wie heeft die vondsten daar achter gelaten en wanneer? Ene munt uit 22 n.Chr. kan ook pas na 100 jaar daar terecht gekomen zijn. Uit teksten blijkt dat Drusus vanuit Moguntiacum veldtochten ondernam in Germania (dat is het Germania van Tacitus, dus niet Duitsland). Nijmegen komt in die teksten al helemaal nergens voor!
De enig juiste conclusie is, zoals Pikkemaat zelf schrijft: het beeld van Nijmegen in die periode moet door nevel omgeven blijven.

Lees meer over de vermeende oudste geschiedenis van Nijmegen.
7
Vrijwel ondoordringbaar wordt de nevel over Nijmegen na de ineenstorting van het Westromeins imperium. Met meer dan schaarse algemeenheden, enige vage gegevens en daaraan ontleende veronderstellingen kan Nijmegens verleden niet worden belicht. Het is wel duidelijk dat de geschiedenis van Nijmegen na de Romeinse tijd slechts bestaat uit veronderstellingen. Er is dan geen enkel bewijs van bewoning, laat staan het bestaan van een stad. Het is het bekende 'gat van Nijmegen'. Zie verder op p.23.
7
Uit de tijd van de Germaneninvasie tijdens de Grote Volksverhuizing (375-500) en de daarop volgende heerschappij van Frankische koningen uit het Merovingische Huis zijn geen geschreven bronnen en slechts spaarzame bodemvondsten bekend. Dat er een grote volksverhuizing heeft plaats gevonden is een mythe die nooit met teksten of bodemvondsten bevestigd is. Ook het 'Collectief Carolus' ontkent de grote volksverhuizing, net als anderen, zoals Stijn Heeren dat stelt in het artikel The theory of ‘Limesfall’.


Na wat hierboven al vermeld is over Julius Caesar (p.9) -dat kan dus al geschrapt worden als geschiedenis van Nijmegen-, vervolgen we het verhaal van Pikkemaat met de Bataven.

Tekst uit het het boek van Pikkemaat (genummerd vanwege het overzicht). Opmerkingen:
1. Bij Pikkemaat vestigen de 'Bataven' die hij de 'Beteren' noemt, zich tussen onze grote rivieren. Volgens hem is het gebied van de Bataven (de Betuwe) van groot strategisch belang voor de veldtochten tegen de Germaanse stammen aan de overkant van de Rijn. (p10).

Voorbeeld van een traditioneel kaartje waarop Germania Inferior en Superior afgebeeld zijn. Beide gebieden lagen ten zuiden en westen van de Rijn. Klik op het kaartje voor een andere kaart.
De Bataven 'de Beteren' noemen past natuurlijk mooi bij Betuwe. Dan zijn in elk geval 3 letters gelijk. Toch stuiten we hier op drie problemen: de Germanen woonden al binnen het Romeinse Rijk ten zuiden en westen van de Rijn. (Zie kaartje hiernaast.) vanuit Holland of de Veluwe was er geen enkele dreiging van Germanen (wat zowel Byvanck als Van Es schrijven). De Betuwe ligt helemaal niet strategisch om Germania over de Rijn te veroveren. Dan kun je beter vanuit Xanten of Keulen vertrekken. Bovendien waren de Romeinen in de tijd van Drusus nog lang niet in Nederland. Zie het volgende punt.
De plaatsing van de Bataven in de Betuwe is het gevolg van het onjuist lezen van de tekst van Tacitus in Historiae IV.12.3. Zie daar. Overigens was het pas ten tijde van Nijmegenaar Gerard Geldenhauer (1482-1542), dat, met de nodige twijfel en discussie, de Betuwe in beeld kwam als woonplaats van de Bataven. De traditie van de Bataven in de Betuwe bestaat dus pas sinds de 16e eeuw, maar was toen nog lang niet algemeen ingevoerd.
2. Tijdens de regeringsperiode van keizer Augustus (27 v. Chr. - 14 na Chr.) werden op de Nijmeegse heuvelrug twee legerplaatsen aangelegd. Een daarvan verrees omstreeks 10 v. Chr. op het Kops Plateau, waar opgravingen aanleiding geven tot de veronderstelling, dat dit kampement de eerste was van een aantal daar gesitueerde opeenvolgende militaire vestigingen, die voorzien waren van houtbouw en een aarden wal. Veel verder mogen de speculaties momenteel niet gaan; over de aard en omvang van deze soldatenkampen is nog te weinig bekend (p.10/11). Hier is dus sprake van een 'veronderstelling', verder is er 'weinig bekend' en bestaan er 'speculaties'. Al met al weinig tot geen bewijzen.

De aanwezigheid van de Romeinen in Nijmegen al vóór de jaartelling bliijkt gebaseerd te zijn op een oude potscherf van een Aco-beker en de opvatting van August Oxé uit 1933 daarover. Lees meer over Nijmegen in de tijd van Augustus
3.; Het vraagstuk van de bewoning en de nederzetting(en) aldaar blijkt gecompliceerder dan men tot voor kort vermoedde. Wel schijnt het Kops Plateau vanaf het jaar 79 na. Chr. niet meer als militair terrein gebruikt te zijn (p.11). Hier wordt het vraagstuk wat men tot voor kort vermoedde gecompliceerd genoemd. Het woord 'schijnt' vormt het vierde punt (de onderstreepte woorden) van twijfel in deze twee zinnen. Alles bij elkaar niet erg overtuigend.
4. Of de torens van de leerplaats op de Hunerberg onderling verbonden waren door een wal, is niet bekend; de opgravingen wettigen daaromtrent nog geen enkele veronderstelling. Hoewel een legerplaats van een dergelijke omvang en opzet doorgaans voorzien was van een groot aantal gebouwen, heeft men daarvan op de Hunerberg geen sporen of resten aangetroffen. Ook over de troepen, die er gelegerd waren, valt niets naders te melden. Als vrij zeker kan echter worden aangenomen, dat de hier gehuisveste militairen nauw betrokken waren bij de drie grote campagnes, die tijdens de regering van keizer Augustus ondernomen werden tegen de Germanen aan de overzijde van de Rijn. (p.11) Ook hier wordt weer geschreven over 'veronderstelling', 'geen sporen' en 'niets naders te melden' dan wat 'wordt aangenomen'
5. Inderdaad schijnt de legerplaats gedurende de eerste tijd van haar bestaan maar weinig militair vertoon gekend te hebben; gedurende de jaren 16 tot 70 na Chr. werd zij vermoedelijk zelfs helemaal niet gebruikt. (p.12). Over hoeveel zekerheid gaat het hier? Er is geen enkel bewijs voor de aanwezigheid van Drusus of Germanicus in Nijmegen, dan slechts enkele aannamen of veronderstellingen.

6. Het Bataafse verzet tegen de Romeinen werd niet alleen gevoed door verontwaardiging over het nieuwe en onbarmhartige recruteringsstelsel, maar had vermoedelijk evenzeer te maken met nationale volkstrots. (p.12/13). Het vermoeden dat Pikkemaat hier noemt is ingegeven door de nationalistische beweging die in de 80-jarige oorlog van de Bataven de bevrijders van een overheersende macht maakte. Het deed het goed in die tijd. Zelfs Vondel, Hooft, Huygens en Rembrandt hebben er aandacht aan besteed. Dank zij de boekdrukkunst gingen deze opvattingen als een lopend vuurtje rond. Ze vormen nog steeds de basis van de mythen en fabels in de Nederlandse geschiedenis.

7. Niet alleen in de Betuwe, maar in het hele gebied van de Rijn tot de Alpen werd het Romeinse gezag weggevaagd. (p.13) De Opstand van de Bataven vond volgens Pikkemaat plaats in de Betuwe en langs de Rijn tot de Alpen. Dat is toch een ander verhaal dan Jona Lendering schetst in Opstand der Bataven, waar ook het nodige op aan te merken is. Beschikten de Bataven dan over zoveel manschappen om een achttal Romeinse legioenen te verslaan over een afstand van toch wel een kleine 1600 km (enkele reis)? Volgens Stijn Heeren was de Betuwe te klein om zoveel manschappen te leveren.
8. Vanuit het zuiden drong Cerialis onstuitbaar noordwaarts, de troepen van Civilis voor zich uit jagend. Wat kon de Bataafse leider nog anders doen dan zich proberen te verdedigen in zijn eigen Batavodurum? Deze nederzetting - ook wel Oppidum Batavorum genoemd - bevond zich waarschijnlijk op de Valkhofheuvel en het daarbij gelegen Kelfkensbos en Hunerpark. Aangenomen wordt, dat ze ontstond in de tijd van keizer Augustus, dus in dezelfde periode, dat zich op Kops Plateau en Hunerberg de Romeinen vertoonden. Oppidum Batavorum besloeg een oppervlakte van minstens 22 hectare, waarvan een deel - vermoedelijk het Valkhof - met een gracht omgeven schijnt te zijn geweest. De (p.13) Verder dan 'waarschijnlijk', 'aangenomen wordt', 'vermoedelijk' en 'schijnt' komt ook Pikkemaat niet. Van dat Oppidum Batavorum is echter nooit iets gevonden. Lees daarover meer bij W.Willems.

Even een korte onderbreking: In de 32 pagina's tekst die we hier bespreken van dit boek van Pikkemaat, is liefst 16x sprake van 'vermoedelijk' en 7x van een vermoeden, wordt 15x iets 'waarschijnlijk' genoemd, is 13x het 'mogelijk', is 7x iets 'aangenomen', wordt 6x 'wellicht', 10x 'misschien' en 9x 'schijnt' geschreven. Toch niet allemaal erg overtuigend.
Plaats daarnaast alle hiervoor door mij onderstreepte worden en er blijft weinig over van de oudste geschiedenis van Nijmegen. Dat de aanwezigheid van de Romeinen in Nijmegen al in 19, 12 of 10 vóór de jaartelling geweest is, kan dus gevoeglijk geschrapt worden. Daar is geen enkel bewijs voor te vinden of ooit gevonden dan wat speculaties. Lees meer over de stichting van Nijmegen. Nu blijkt dat de oudste geschiedenis van Nijmegen op zoveel onzekerheid is gebaseerd, kan het herschrijven van die oudste geschiedenis beginnen. En denk nu niet dat nadien er steeds meer bewijzen zijn gevonden? Dat is zeker niet zo, wat wel blijkt uit de laatste publicaties over Nijmegen. Zie daarvoor de recente publicaties.



9. Was het achter zo'n defensiewerk, dat Civilis zich met zijn troepen in Batavodurum op het Valkhof verschanste en vanaf deze hoogte 'tandenknarsend en met grimmige blik' de wrekende Romeinse legerscharen zag naderen? Van de strijd, die zich rond dit Bataafse bolwerk afspeelde, zijn maar weinig en dan nog verwarrende gegevens bekend. De Bataafse bevelhebber stak vervolgens zijn eigen stad in brand en trok zich haastig terug naar het 'Eiland der Bataven'. (p13/14.) Hier komt die verzonnen spreuk van Huygens weer eens aan bod. Lees alles over die spreuk van Huygens.

Van die strijd die zich in Nijmegen of in de Betuwe voorgedan zou hebben, is archeologisch niets gevonden. Er wordt dan wel eens geschermd met brandsporen. Maar wat zeggen brandsporen en waren het wel brandsporen? Het zou ook raar geweest zijn als Civilis op de Valkhofheuvel zou hebben gestaan. Kwamen de Romeinen dan uit het noorden uit de Betuwe aan de overkant van de Waal (die dan overigens nog niet bestond)? Maar hun legerkamp lag toch op het Kops Plateau ten zuiden van de Valkhofheuvel?
. We moeten ons hierbij voorstellen dat Civilis de Romeinen tegemoet ging, die immers vanuit de Betuwe kwamen, zoals hiervoor is vastgesteld.

10. 'De oorlog was nog zo hevig, dat Civilis op één en de zelfde dag versterkingen van cohorten (afdelingen voetvolk), van ruiterij en van legioenen aanviel met vier afdelingen: het Tiende Legioen te Arenacium (Kleef-Rindern), het Tweede Legioen te Batavodurum, en de plaatsen Grinnes (Rossum) en Vada, waar cohorten en ruiterij gelegerd waren. ( ... ) Intussen trachtten Germaanse troepen te Batavodurum de (schip) brug af te breken, die men daar was beginnen te bouwen. De strijd was nog niet beslist, toen de nacht er een einde aan maakte' (p.14) De hele opstand van de Bataven wordt hier samengevat in één enkele alinea, wat wel erg symplistisch voorgesteld is. De Bataven moeten toch wel over een enorm leger hebben beschikt om dit voor elkaar te krijgen. Over de Opstand van de Bataven zoals die traditioneel wordt voorgesteld, zijn de nodige opmerkingen te maken. Het gaat bij die opstand volgens de traditonele opvattingen over ongekende afstanden in beperkte tijd, ofwel een onmogelijkheid dat deze opstand zich zo heeft voorgedaan op de traditionele plaatsen. Lees daarover meer bij de Opstand van de Bataven.

11. Civilis en Cerialis sloten in de herfst van het jaar 70 vrede met elkaar. De Bataafse rebellie had de overwinnaars echter duidelijk gemaakt, dat een krachtig garnizoen op de Nijmeegse heuvelrug geen overbodige luxe was. Daarom werd in de castra op de Hunerberg, die tot dan toe vrijwel onbezet was gebleven, in het voorjaar van 71 het Tiende Legioen (Legio X Gemina) gestationeerd. De nederzetting Batavodurum dat tijdens de opstand door Civilis in de as was gelegd, werd verplaatst naar een verderweg en lager gelegen gebied. Batavodurum mocht herrijzen op de vlakke zuidelijke Waaloever, even ten westen van de huidige spoorlijn Nijmegen-Arnhem (p.14). Het Tiende Legieoen werd dus pas maanden na de opstand in Nijmegen gelegerd en had dan ook niet in of bij Nijmegen de opstand neergeslagen. Het Tiende Legioen dat de Bataven versloeg was gelegerd in het Noord-Franse Norroy en heeft dáár de opstand neergeslagen voordat het naar Nijmegen werd verplaatst.
Het 'verplaatste' Batavodurum kreeg dus niet de naam Noviomagus, zoals de traditionalisten ons willen doen geloven. Daar zijn (zowel tekstueel als ook archeologisch) geen bewijzen van te vinden dan slechts in de fantasie van enkele historici.


12. In het gebied ten zuiden van de castra heeft het archeologisch speurwerk vondsten opgeleverd, die voedsel geven aan het vermoeden, dat hier sprake kan zijn van een amfitheater, dat tot de bijna vaste welzijnsvoorzieningen van een legioensvesting behoorde (p.17). Ook dit blijkt allerminst een zekerheid te zijn..

13. Behalve zijn castra en het daaromheen gebouwde kampdorp bezat Nijmegen nog een derde nederzetting. Op anderhalve kilometer westwaarts van de legerplaats - en buiten de grenzen van de canabae - werden daarvan sporen aangetroffen op de Waaloever bij het Valkhof. Hoewel deze nederzetting - ontstaan na de verwoesting van Batavodurum tijdens de Bataafse Opstand - geen deel uitmaakte van het kamp dorp, mag niet worden uitgesloten, dat daarmee enige relatie bestond. De vermoedens gaan uit naar een handelswijk (p.18). 'Vermoedens' kun je inderaad nooit uitsluiten, maar vormen dan nog geen strikt bewijs.

Tot hier zijn de 'bewijzen' wel erg mager. Dat de Romeinen in Nijmegen en Nederland langs de Rijn zijn geweest, staat niet ter discussie, maar welke Romeinen waren dat? Waren dat Romeinen uit Rome? Of waren het veteranen en oud-gedienden. Was Nederland dan toch het 'Agri Decumates' zoals Tacitus dat beschreven heeft?
14. De opgravingen hebben echter ook ingetogener zaken aan het licht gebracht. Behalve een ruime collectie gouden, zilveren en bronzen munten bevatten de vitrines in Museum Kam een schat aan fraaie sieraden en toiletartikelen, waaraan de vele culturen binnen het Romeins imperium vaak een eigen aparte verfijning bijdroegen. (p.18) Wat zich in Museum Kam bevond is allerminst zeker of het ook allemaal in Nijmegen gevonden is. Het is immers bekend dat Gerard Kam als collecteur overal Romeinse attributen opkocht voor zijn persoonlijk collectie. Later kwam dit in een naar G.M.Kam genoemd Museum terecht en vormt nu het belangrijkste deel van de Romeinse collectie in Museum Het Valkhof. Zijn historici die zo graag met al deze vondsten schermen zich dat wel bewust?

15. Het vertrek van het Tiende Legioen betekende een gevoelige klap voor het economisch leven in Batavodurum. Ter compensatie hiervan werd de hoofdplaats van het Bataafse stamgebied, dat de Over- en Neder-Betuwe omvatte alsmede de streek ten zuiden van de Waal tot ongeveer de Maas, door de keizer vermoedelijk begiftigd met het marktrecht. Bij die gelegenheid ontving de nederzetting - naar wordt aangenomen - tevens de naam Noviomagus (Nieuwe Markt). De belangstelling van Trajanus voor de leefgemeenschap aan de Waal blijkt verder uit de aan Noviomagus toegekende eer om zijn naam te mogen voorzien van het voorvoegsel 'Ulpia', dat van 's keizers familienaam Ulpius was afgeleid (p.19). Hier wordt het tot stand komen van de naam Ulpia Noviomagus duidelijk beschreven: het is een vermoeden en een aanname. Blijkbaar hebben de Bataven de naamsverandering van hun stad klakkeloos geaccepteerd. Of was er geen sprake van een naamsverandering en vond die slechts plaats in de vermoedens en aannamen van de historici? Overigens was deze gedachte over Ulpia afkomstig van Jules Bogaers, die dit stelde bij zijn benoeming tot professor aan de Universiteit van Nijmegen. Je moet je Universiteit en nieuwe wwonplaats toch ergens mee fêteren? Lees meer over Ulpia Noviomagus. Ook het verhaal over de 'compensatie' is verzonnen door Bogaers. De Romeinen boden nooit en nergsn 'compensatei' voor wat dan ook. Het is een infantiele gedachte om het gemis aan werkelijke bewijzen te verbloemen. En de historici na Bogaers hebben dit verhaal klakkeloos geaccepteerd, zoals uit deze vermelding ook alweer blijkt. Naschrijverij viert nog steeds hoogtij in historisch Nederland.

16. Behalve op de bekende, uit ongeveer 1200 daterende kopie van een Romeinse wereldkaart (Tabula Peutingeriana) wordt de naam Noviomagus of Noviomagi ook aangetroffen op enige altaartjes en grafstenen, die buiten Nijmegen zijn gevonden. In Beieren gaf de bodem een altaar prijs, waarop de Bataafse ritmeester en waarnemend cohorscommandant Titus Flavius Romanus zich een 'Nijmegenaar' noemt. In Boedapest kwam een grafsteen tevoorschijn met de naam van een Bataafs soldaat uit Noviomagus, die ingedeeld was bij een afdeling hulptroepen. Een tweede in Hongarije gevonden grafsteen draagt de inscriptie van de vrouw Romana, die in Nijmegen geboren was en getrouwd bleek met de bevelhebber van de Derde Bataafse Cohors. Verder werden te Rome verscheidene grafstenen aangetroffen met de namen van Nijmegenaren, die dienst deden bij de bereden keizerlijke garde en de praetoriaanse lijfwacht van de keizer (p.20). Er worden hier door Pikkemaat een aantal voorwerpen genoemd waarop de naam Noviomagus staat. Dat het om Nijmegen zou gaan is een aanname. Dat moet dan maar eens bewezen worden. Was het misschien een van de andere 12 Noviomagussen binnen het Romeine Rijk, bijvoorbeeld Noyon? Dit is de kern waar heel Romeins Nijmegen om draait. Het is een nooit bewezen aangenomen opvatting. De combinatie met Bataaf zou de doorslag hebben gegeven. Maar ook dat de Bataven in de Betuwe woonden is een nooit bewezen aanname. Bovendien wat zegt een verplaatsbaar opbject over een vindplaats? Het ultieme voorbeeld wordt gegeven door een grafsteen van een Moriniër uit Terwaan die in Nijmegen gevonden is. Was Nijmegen dan Tervanna? Ook met de drie altaren gevonden in Kapel-Avezaath en Colijnsplaat bewijs je niets ten gunste van Nijmegen. Is het niemand ooit opgevallen dat in Nijmegen zelf, de naam Noviomagus nergens op een Romeins relict is teruggevonden? En kom dan niet aanzetten met die ring van die schoenmaker. Dat is het volgende voorbeeld van Nep in Nijmegen. Lees daarover alles in het volgende artikel (het is een pdf-bestand: de snelheid van het 'laden' is afhankelijk van Uw PC). Ook de steen met het opschrift Ulpia Noviomagus, die in Museum Valkhof te Nijmegen als de geboorte-steen van Nijmegen wordt getoond, is een kopie van een in Beieren gevonden inscriptie. Hij is symbolisch: de Nijmeegse geschiedenis kent meerdere verschillende van soortgelijke kopieën.

17. Liggend aan een druk bevaren rivier en op een knooppunt van belangrijke wegen moet Ulpia Noviomagus Batavorum erin geslaagd zijn om zich in de noordelijkste regionen van het Romeins imperium een aanzienlijke positie te verwerven. Dat lijkt bevestigd te worden door het stadsrecht en de rang van Municipium, waarmee de plaats in de tweede helft van de 2e eeuw of later werd begiftigd. Weliswaar werd Romeins Nijmegen sedertdien officieel als Municipium Batavorum aangeduid, maar daarnaast bleef ook de naam Noviomagus in gebruik. (p.20). Op deze ook weer aangenomen opvatting meent men in Nijmegen dat het de oudste stad van Nederland is, immers dat 'stadsrecht' -dat het marktrecht van Neumagen was- gaf de doorslag. Of men kan in Nijmegen niet lezen, of niet nadenken. Dat een plaats van vertrekkende Romeinen extra privileges zou hebben gehad is wel heel erg niet-romeins. Dat kwam nergens voor, dus ook niet in NIjmegen. het is een verzinsel van Jules Bogaers. Zie ook de opmerking bij nr.15. Lees meer over dat stadsrecht van Nijmegen.
18. Hoewel Romeins Nijmegen als municipium een stadscentrum moet hebben bezeten met openbare gebouwen zoals een raadhuis (curia), een gerechtshof(basilica), een badhuis (thermen) en meerdere tempels, is daarvan tot op heden weinig of niets teruggevonden. Ook over de rest van de bebouwing is betrekkelijk weinig bekend (p.21). Er moet in NIjmegen nogal veel aangenomen worden op grond van betrekkelijk weinig of niets. Er zijn dan wel op basis van dit weinig of niets mooie 'reconstructie-tekeningen' gemaakt die nu dienen als bewijs, zoals in Het Verhaal van Nederland, maar met een tekening kun je niets bewijzen.
19. Behalve voornoemde zaken is ons tot nog toe over het verleden van Ulpia Noviomagus maar weinig meer ontsluierd dan de aanwezigheid van enige Romeinse pottenbakkerijen en een metaalsmelterij. Van woningen werden tot op heden geen sporen aangetroffen (p.22). En zonder woningen zal er niet gewoond zijn. De bekende hiervoor genoemde reconstructie-tekeningen zij dan ook pure fantasie.
20. Noviomagus was gebouwd naar een Romeins stadsmodel en zijn inwoners hadden er kennelijk geen moeite mee om hun naam te verlatijnsen (p.22). Waarom gebruikten de Romeinen en later de Bataven dan een Keltische naam voor hun stad, een naam waarvan er meerdere (minstens 12) bestonden in het Romeinse rijk. Van dat stadsmodel is echter weinig teruggevonden in Nijmegen dan slechts enkele grondsporen. De fantasie van enkele archeologen en historici deden de rest. Zie hiervoor punt 18 waar dat al wordt aangegeven.
21. Over de duur van de periode, waarin dit contingent zich in de castra ophield, valt vrijwel niets te zeggen. Maar na het midden van de 2e eeuw was de militaire activiteit er aanzienlijk verminderd. Een continue bewoning heeft het kamp toen zeker niet meer gehad. Alleen schijnen er tussen de jaren 222-235 nog enige bouw- of reparatiewerkzaamheden te zijn uitgevoerd (p.22) In het verblijf van de hier genoemde legereenheden tussen de jaren 104 en 235 blijken enkele forse hiaten te zitten. Er is dus geen enkele sprake van continuïteit in aanwezigheid van de Romeinen, laat staan in bewoning van wie dan ook. Het is een van de altijd ontkende gaten in de continuïteit van Nijmegen. Die gaten hebben dus zeker bestaan en in de Merovingische en Karolingische periode zullen het er nog meer worden. En die (6?) gevonden graven dan? Dat er mensen hebben rondgezworven en er ook zijn overleden en begraven, betekent nog niet dat er toen een stad was. Daar zijn huizen voor nodig en documenten waaruit zou blijken dat Nijmegen toen bestond als stad. Die documenten zijn er in elk geval niet, dat toont het Bronnenboek van Nijmegen wel aan.
22. In het Noordwestduitse kustgebied waren Germaanse stammen op drift geraakt en vormden een gevaarlijke bedreiging van de Rijngrens. De strooptochten, die Chauken en Chatten omstreeks 174 ondernamen in Gallia Belgica, konden dat gemakkelijk bewijzen. Weliswaar werden de indringers teruggedreven (p.23). Je vraagt je welleens af of historici geen atlas bezitten. De Chauken woonden volgens de traditionele opvattingen in noord-Duitsland, de Chatten in midden-Duitsland. Hoezo vormde zij een bedreiging in Gallia Belgica? Gallia Belgica lag aan de kust van Het Kanaal. Kwamen die Chauken en Chatten daar per schip naartoe? Of was het toch zo dat zowel de Chauken als de Chatten al in Gallia Belgica woonden, zoals Delahaye stelt. Volgens de Geograaf van Ravenna was Gallia Belgica hetzelfde gebied dat nadien Francia Rinensis heette, wat betekent Francia aan de Renus. Hier wordt met Renus duidelijk de Schelde bedoeld en niet de Rijn, tot waar Francia nooit gereikt heeft.
23. In Noord-Nederland waren het de Franken, die tussen 240 en 250 de totaal verzwakte Rijnlinie doorbraken en het zuiden van ons land binnenvielen. Wat zich tijdens hun voortdurend herhaalde campagnes in het land der Bataven en te Ulpia Noviomagus heeft afgespeeld, is niet bekend. Wel schijnt deze stad zich een tijdlang met succes te hebben gehandhaafd tegen de woeste invallers. (p.23/24). De hier bedoelde invallen van de Franken of andere Germanen heeft zich nimmer voorgedaan. Daar is ook geen enkel archeologisch bewijs voor gevonden. Slechts de fantasie van historici heeft de grote volksverhuizing bedacht om de eenmaal verkeerd geplaatst volkeren op de juist plek te krijgen. Lees meer over de Grote Volksverhuizing.
24. Het is niet onmogelijk, dat aan dergelijke Germaanse plunderzucht ook Noviomagus ten offer is gevallen. In de periode tussen 260 en 270 kwam er althans een einde aan het bestaan van deze stad. Sedert die tijd werd ook van de Bataven niets meer vernomen (p.24). De defensie in het gebied van Rijn en Waal berustte thans in eerste instantie niet langer bij een staand beroepsleger, maar was toevertrouwd aan landbouwende Germaanse kolonisten. Te Nijmegen hebben deze immigranten zich kennelijk niet gewaagd aan bewoning van het denkelijk verwoeste en verlaten Ulpia Noviomagus op de vlakke en lage Waaloever . Waarschijnlijk uit vrees voor de grote kwetsbaarheid van die plek vestigden zij zich liever op de hoogten van het Valkhof en het Hunerpark (p.25). Jammer dat Pikkemaat niet vermeldt dat de Romeinen rond 260/270 Nederland verlieten vanwege de langdurige overstromingen. Wat wel weer duidelijk is, dat er weer gaten in de continuï teit van Nijmegen ontstaan zijn.
25. Sinds de legioenen en de provinciaal-Romeinse bevolking zich vanwege de permanente onrust in de grensgebieden uit hun oude stand- en woonplaatsen hadden teruggetrokken, had de Romeinse cultuur aan de Waaloever niet verder kunnen wortelschieten. Een opvallend bewijs daarvan is wel een afwezigheid van overtuigende sporen, die te Nijmegen kunnen duiden op de aanwezigheid van het Christendom. Van de stad Maastricht weten wij, dat ze in de 4e eeuw een bisschopszetel bezat; Nijmegen kan ons uit die tijd weinig meer presenteren dan een zilveren speldje (p.25) In Nijmegen is geen spoor gevonden van Christendom ook al wil een enkeling dat steeds blijven volhouden. Die 4de eeuwse bisschopszetel in Maastricht is overigens ook een vraagteken, gebaseerd op een legende over een Aravatius (omstreeks 450 overleden, dus 5de eeuws) en dat was niet dezelfde als St.Servatius, toen nog bisschop van Tongeren, respectievelijk Luik, voordat de bisschopszetel verplaatst werd naar Maastricht.

26. De afbrokkeling van de Nijmeegse relatie met de Romeinse beschaving kan misschien ook blijken uit de muntvondsten. Geldstukken met beeltenissen van keizers, die na 395-400 regeerden, werden tot nu toe tenminste niet of nauwelijks in de Nijmeegse bodem aangetroffen (p.26). Met wat 'verdwaalde' munten valt ook al niet veel te bewijzen. Mijn voorbeeld is steeds: "Als ik een Spaanse euromunt vind, ben ik dan in Spanje? Of is die Spaanse Euromunt verlorne door een Spanjaard?"

27. Het gebied ten noorden van de grote Romeinse heerweg, die Keulen met de Franse kust aan Het Kanaal verbond - en die ongeveer de taalgrens vormt tussen het Nederlands en het Frans in België lieten de Romeinen praktisch geheel over aan de Franken (p.26) Die taalgrens bestond al langer en is zeker niet door de Romeinen ontstaan. Dan had de taalgrens toch langs de Rijn gelopen, die ruim 300 jaar de grens van het Romeinse Rijk was. Lees meer over de taalgrens, die niet alleen in België ligt, maar ook in het oosten van Frankrijk en afbuigt naar Zwitserland en Oostenrijk en ook daar dwars doorheen loopt. De taalgrens komt nergens overeen met de voormalige grens van het Romeinse Rijk, een grens die men te gemakkelijk de Limes noemt.

28. Er zou nog ongeveer een eeuw voorbij gaan voordat de prediking van het christendom intensief werd aangepakt en Nijmegen zijn vermoedelijk eerste gebedshuis kreeg. Dat kan gebeurd zijn tijdens de regering van koning Dagobert I (623-639), die kerken stichtte. Aangezien ook Nijmegen zo'n Romeinse versterking was geweest en koning Dagobert waarschijnlijk daarvandaan optrok naar Dorestad en Utrecht, waar hij een kerk stichtte, kan het nauwelijks twijfel lijden, dat hij er ook een liet bouwen aan de Waaloever, tenzij hij daar al een godshuis aantrof. Dat is niet onmogelijk, gezien enige vage aanwijzingen, dat omstreeks 600 er misschien een kerkgebouw op het Kelfkensbos bij het Valkhof heeft gestaan. Als het eerste Nijmeegse kerkje verrees op een plek, die duidelijk buiten de bebouwde kom van de nederzetting lag, behoeft ons dat niet te verbazen. In de vroegste tijden van het christendom werden de kerken dikwijls bij voorkeur gesticht op een stuk grond, dat eertijds gebruikt werd voor de viering van Germaanse godsdienstige plechtigheden. Op zo'n heidense cultusplaats kan ook de oudste kerk van Nijmegen opgetrokken zijn. Het is echter volstrekt onmogelijk, dat - zoals zeer lang werd aangenomen - het eerste Nijmeegse godshuis aan St. Gertrudis werd gewijd. Want de kerk verrees in ieder geval voordat deze abdis van het klooster Nijvel (België) in 6S9 over leed. Veel meer ligt daarom voor de hand, dat Nijmegens oudste parochiekerk Sint Stefanus als oorspronkelijke patroon had, aan wie later - in de elfde of twaalfde eeuw - St. Gertrudis werd toegevoegd (p.27). In dit wat langere citaat uit dit boek van Pikkemaat is interessant om te lezen hoe mythen ontstaan en kunnen ontstaan op grond van vage aanwijzingen. Niet al te deskundige historici doen de rest en maken van die vage aanwijzingen een aansprekend verhaal, al was het maar om subsidies te verwerven, zoals we bij het Dorestad van W.A.van Es hebben gezien.
Van het hier genoemde kerkje van Dagobert in Utrecht noch in Dorestad is ooit iets gevonden. Het heeft er nooit bestaan, zoals uit archeologisch onderzoek in Utrecht is gebleken. Lees daarover meer bij Oud-Utrecht. Wel is interessant dat een oude mythe in Nijmegen over de Gertrudiskapel hier rechtgezet wordt. Men kan toch ook nadenken in Nijmegen.


29. Of de zich daarbij bevindende nederzetting zich ontwikkeld had uit het oude Nijmegen van vóór de Volksverhuizing, is een moeilijk te beantwoorden vraag, omdat voldoende gegevens ontbreken. Wel zijn er aanwijzingen voor de veronderstelling, dat Nijmegen in de zesde eeuw een 'Merovingisch steunpunt met enige handel' was. Dit kan afgeleid worden uit enig opgegraven aardewerk, dat uit de Merovingische tijd stamt; misschien ook uit een gevonden munt, die in de zesde eeuw geslagen werd te 'Niomaga'. Maar aangezien deze naam ook betrekking kan hebben op het in Duitsland gelegen Neumagen, is dit 'bewijs' wat wankel (p.28). Toch blijft men in Nijmegen schermen met aanwijzingen voor veronderstellingen. Daar bewijs je toch niets mee? Dan komt nu eindelijke het grote misverstand Nijmegen-Neumagen aan bod, dat niet alleen op deze munt betrekking heeft, maar ook op meerdere Romeinse vondsten. Neumagen was een van de (zeker 12!) plaatsen in het Romeinse Rijk met de naam Noviomagus. Aan die naam 'Novio-magus' in Nijmegen dat daar vertaald wordt met 'nieuw-markt' kan men dan ook geen bewijs ontlenen van het verkrijgen van 'marktrecht' door keizer Trajanus. Dat zou dan voor alle 'Noviomagussen' gegolden hebben. Trajanus was stadhouder van Germania Superior waarin Neumagen wèl lag en Nijmegen niet, voordat hij naar Rome vertrok om keizer te worden. Lees meer over Traianus.

30. Een aandachtig napluizen van teksten vol oude mis- en heldendaden leidde tot de ontdekking, dat Nijmegen in de 6e eeuw het toneel kan zijn geweest van een bloedige strijd tussen Gautenkoning Hygelac en hoofdman Hun, die heerste over de Frankische stam der Hattoarii (p.28) Bij dat aandachtig napluizen heeft men blijkbaar de leesbril vergeten op te zetten. In Nijmegen blijft men geschiedenis schrijven met van elders geplukte teksten. Deze Hygelac die voorkomt in het Beowulf-epos, een oud Saksisch heldendicht, hoort thuis aan de kust van het Kanaal, de plaats van meerdere oud-Saksische en Dietse literartuur. Bij het verhaal over die 'Zweedse' koning Hygelac kan men beter spreken van “natte-vinger-werk” dan van aandachtig napluizen. Niet alleen omdat voor deze locaties niet het minste bewijs wordt gegeven, noch historisch noch naamkundig of archeologisch (zulke bewijzen zijn er immers niet), maar vooral omdat er uit blijkt dat de historici en naamkundigen moeten beginnen met lezen van de werken van Tacitus en Ptolemeus die men nooit uitvoerig heeft bestudeerd. Daar immers moet men beginnen met het onderzoek naar de juiste locaties van de talloze Germaanse stammen en de herkomst en betekenis van hun namen.
31. Nijmegen lag aan een druk bevaren rivier lag, maar dit kon zijn bewoners niet altijd tot vreugde stemmen. De Waal maakte haar tevens kwetsbaar, niet alleen voor onverlaten als de Noormannen, maar ook voor de schermutselingen, die de Franken moesten voeren met de op handel beluste Friezen, die voortdurend probeerden om het belangrijke gebied tussen Rijn en Maas onder controle te krijgen (p.28/29). Deze passage over het 'belangrijke' gebied tussen Rijn en Maas, de Noormannen en de strijd tussen Franken en Friezen is dan wel de traditionele geschiedenis, maar is een volgend voorbeeld van het niet op de hoogte zijn van andere disciplines. Dit gebied was een moeras-, veen- en waddengebied dat regelmatig geheel onder water stond. Daar hebben de Noormannen nooit geplunderd -waarom zou je gaan plunderen in een gebied waar niemand woonde?- en ook Karel Martel heeft er nooit Friezen bestreden. In 717 verslaat Karel Martel de Fresones bij Vinci, dat Inchy-en-Artois was dat in Frankrijk ligt. Zijn zoon Pepijn streed in 687 en in 695 tegen de Friezen bij Testricum (dat is Tertry bij Péronne) en bij Duristato (wat Audruicq was), beide in Frankrijk. Speelden de Friezen alleen uitwedstrijden en kwamen zij vanuit Friesland om ergens ver in Frankrijk oorlog te voeren? Waren het wel Friezen uit Friesland waartegen Martel en Pepijn streden. Of waren het de Fresones uit Vlaanderen? Lees meer over de Friezen. En hoe kan het toch dat alle namen over Fresones in Friesland onvindbaar zijn, maar wel in Frans-Vlaanderen liggen? Een antwoord wordt ook gegeven in het volgend citaat.
32. Uit deze tijd resten in Nijmegen maar weinig relicten. Het Museum Kam, dat bijna uitpuilt van vier eeuwen Romeinse beschaving aan de Waal, vermag de daarop volgende vierhonderd jaar helaas niet diepgaander te illustreren dan met enkele spitsbuikige urntjes, die aangetroffen werden op een oude begraafplaats in de buurt van het raadhuis. De sporen, die Nijmegen bezit van zijn vroege middeleeuwen, zijn noch in aantal noch in vorm treffend, roerend of imposant. (p.29). Hoe eerlijk en voor de geschiedenis van Nijmegen dodelijk, beschrijft Pikkemaat het hier. Die vier eeuwen Romeinse beschaving kan beter gehalveerd worden tot de helft, met daarin ook nog enkele grote hiaten. Over de daarop volgende vierhonderd jaar heeft men NIETS. Kan het nog duidelijker gesteld worden?
33. Het is de figuur van Karel de Grote (768-814), die het middeleeuws Nijmegen in een wat helderder historisch licht kan plaatsen. Deze Frankische koning, die later de keizerskroon zou dragen, vereerde in 777 zijn onderdanen aan de Waal met een officieel bezoek. Toen de vorst in dat jaar te Nijmegen het paasfeest vierde, was hij eigenlijk op weg naar het veroverde Saksenland, waar hij in Paderborn de Frankische rijksdag bijeen geroepen had (p.29). Dan komen we nu bij het klapstuk in de Nijmeegse geschiedenis: Karel de Grote. Helaas: hij is er nooit geweest. Elk bewijs van zijn aanwezigheid ontbreekt, wat ook Nijmeegse historici, zelfs P.Leupen en J.Thijssen erkennen. Lees hun bevindingen in Spiegel Historiael van dec.1980. Lees alles over Karel de Grote. Dat Karel de Grote in Noviomagus (dat Noyn was) gekroond is tot koning van de Franken in 768 zal men in Nijmegen toch ook wel weten? De Frankische Rijksdag die hier genoemd wordt werd gehouden in Padesbrunnon. Dat was Pierrefonds vlak bij Noyon en niet Paderborn. Waarom zou je een Frankische Rijksdag houden ver in Duitsland, terwijl het over de Saksen ging die toen nog aan de kust van Het Kanaal woonden.
34. Het oog van de moderne beschouwer wordt met betrekking tot dat jaar 777 echter door wat anders geboeid. Karels verblijf in Nijmegen heeft een document opgeleverd, waarop voor het eerst na de ineenstorting van het Westromeinse Rijk de naam van de stad weer duidelijk genoemd wordt. Dit document betreft een schenkingsoorkonde, waarmee Karel de geestelijkheid van de Utrechtse St. Maartenskerk verblijdde. De slot-formule bevat de mededeling, dat het stuk werd 'opgemaakt te Nijmegen in het Rijkspaleis' (Actum Niumaga palacio publico). Na enkele eeuwen afwezigheid was de naam Nijmegen eindelijk teruggekeerd in de historie, al had het oude Noviomagus dan plaats moeten maken voor Numaga (p.29). Het is werkelijk komisch hoe het hier beschreven wordt door Pikkemaat. Helaas houdt zijn verhaal geen stand. Het hier genoemde Niumaga was Noyon. Van een Utrechtse St.Maartenkerk is in 777 nog nooit iets gebleken. Lees daarover meer bij Utrecht, waar de oudste kerken pas in de 11e eeuw gebouwd werden. Over het jaar 777 en de in dat jaar opgestelde akte bestaan ook de nodige misverstanden. Lees meer over de akte uit 777
35. Een ander interessant aspect van Karels document betreft de aanduiding 'Rijkspaleis'. Ondanks deze wat weids aandoende benaming heeft de reeks gebouwen, die Karel en zijn hofhouding in 777 op het Valkhof onderdak bood, weinig meer allure gehad dan wat zijn voorvader er indertijd als omwalde verzameling houten schuren en stallen rondom een hoofdgebouw had laten neerzetten. Aanvankelijk bedoeld als grensverzamelplaats, van waaruit campagnes tegen Friezen en Saksen werden ondernomen, kreeg de oude Merovingische burcht onder Karel de Grote de deftige status van koninklijke residentie (p.29). Deze omschrijvingen van Pikkemaat tart alle waarheden. Welk hoofdgebouw bedoelt hij? Het was ook prof.dr.Hugenholtz die van dit 'in alle pracht en praal' gebouwde nieuwe paleis van Karel de Grote (zoals Einhard dat beschrijft) een 'houten boerderijtje maakte, omdat er nog geen steen ofwel niets van teruggevonden is. Zo maakte Hugenholtz van Karel de Grote een Gelderse boer met zijn houten boerderijtje. Van een deftige status van koninklijke residentie kan met slechts een houten boerderijtje uiteraard geen sprake zijn. Dat 'houten boerderijtje is als excuus in het leven geroepen omdat van dat paleis van Karel de Grote in Nijmegen nooit iets is teruggevonden en hout vergaat nu eenmaal in de grond.
Maar ook die grensverzamelplaats is een mythe. Die campagnes tegen de FRiezen en Saksen vonden plaats in Noord-Frankrijk waar de Friezen en Saksen aan de kust van Frans-Vlaanderen woonden. Lees meer over de Saksen. Pas na 782 werden de Saksen door Karel de Grote gedeporteerd buiten zijn rijk naar het noorden van Duitsland, nadat Karel de Grote 4500 gevangen genomen Saksen liet vermoorden. Deze Saksenmoord vond plaats in Frethun in Frans-Vlaanderen en niet in Verden in Duitsland. En naar deze volkerenmoordenaar, we noemen dat tegenwoordig genocide, is een vredesprijs genoemd!
36. Slagvaardig regeren over een uitgestrekt territoir met lastige grensgebieden was in die dagen een absolute onmogelijkheid, wanneer dit gebeuren moest vanuit een vast regeringscentrum. Ieder systeem van informatie en communicatie moest stuklopen op de primitieve en kwetsbare verbindingsmiddelen. Het ontbreken van een behoorlijk vertakt wegennet bracht verder ook de voedselpositie van een aan één plaats gebonden regeringsapparaat in een precaire situatie. Van de overal verspreid liggende koninklijke domeinen, die de leeftocht voor Karels omvangrijke en hongerige hofhouding moesten leveren, viel een normale en voldoende aanvoer van levensmiddelen over een afstand van honderden kilometers naar een vast regeringscentrum nauwelijks te verwachten (p.29/30). Dit is dan weer een ware constatering van Pikkemaat. De omvang van het rijk van Karel de Grote was dan ook lang niet zo uitgestrekt als alle historische atlassen laten zien. Het is altijd schromelijk overdreven geweest. Het rijk van Karel de Grote was niet groter dan het oude Neustrië en Austrasië. Karel de Grote heeft er nauwelijk grondgebied aan toegevoegd en al helemaal niets in Nederland of Duitsland. Het grote probleem is hierbij de misvatting van de oude plaatsnamen. Aken is zo'n voorbeeld van complete afdwaling. Dat weet men in Aken ook, waar de oudste archeologische vondsten na de Romeinse periode uit de 13de eeuw stammen. Lees meer over Aken. Lees ook meer over Neustrië en Austrasië.

38. Daarom had Karel zich genoopt gezien om van zijn hof een ambulant gezelschap te maken, dat zich jaarlijks op diverse plaatsen in het Rijk nederzette om daar de opbrengst van de nabijgelegen vorstelijke goederen te consumeren (p.30).


Hiernaast een meer realistische afbeelding van Karel de Grote, hoewel men toch liever blijft vasthouden aan het meer traditionele portret dat Albrecht Dürer in de 16de eeuw maakte. Maar ook daarop staat hij afgebeeld met het dreigende zwaard (punt naar boven gericht) en het kruis, waartussen de overwonnenen hun keuze moesten bepalen. Dürer heeft die tweeslachtigheid treffend afgebeeld.
Hier komt de ware Karel de Grote om de hoek kijken. Het was een dictator van de ergste soort. Slechts met de kliek getrouwen om hem heen - die hij liet plunderen en moorden en waaronder hij de veroverde landerijen verdeelden- kon hij zich handhaven, daarbij 'gesteund' door de kerk van Rome waarbij de keuze voor de overwonnenen de doop of de dood was. Omkering van de laatste letter -d-/-p- staat daar symbool voor. Met de doop erkende men het gezag van Karel die de Paus en de kerk van Rome achterbaks voor zich inzette. Lees meer over de echte Karel de Grote, heilige of ordinaire dictator, die zelfs zijn broer en medekoning liet ombrengen om alleenheerser te worden. En naar hem is een vredesprijs in Aken en een cultuurprijs in Nijmegen genoemd. De historici die dit hebben laten gebeuren hebben er werkelijk niets van begrepen.
39. In het voortdurend wisselen van verblijfplaats zag Karel bovendien een goede en broodnodige gelegenheid om grote delen van zijn Rijk te bezoeken, er persoonlijk orde op zaken te stellen en er bijeenkomsten van Rijksgroten te organiseren (p.30) Dat Karel en zijn gevolg steeds van verblijfplaats wisselden, had alles te maken met het wantrouwen dat Karel had, zelfs onder zijn eigen 'aanhang'. Er zijn meerdere aanslagen op Karel de Grote gepleegd, o.a. door zijn zoon. Lees daarover meer bij Karel: heilige of ordinaire dictator. Over de reizen die Karel de Grote met zijn gevolg afgelegd zou hebben, is sprake van eenzelfde onmogelijkheid als bij de Opstand van de Bataven. Er zijn wel eens berekeningen van de veldtochten van Karel de Grote gemaakt en dan blijken die in die tijd onmogelijk geweest te zijn. Karel ging echt niet in zijn uppie op reis, maar had een heel gezelschap dat met hem meereisde, zelfs zijn eigen dochters gingen/moesten mee. Blijkbaar vertrouwde hij zijn eigen dochters ook niet en al zeker niet de huwelijkskandidaten. Veel van die reizen zijn beschreven o.a. in de Annales Regni Francorum. Lees meer over de kronieken van het Frankische rijk. Wat het meest frappante is, dat zolang men Noviomagus als Nijmegen blijft opvatten, Karel de Grote bij al die reizen nooit meer in zijn kroningsstad en machtsbasis Noyon is geweest.
40. Behalve Aken, Herstal, Diedenhofen, Worms, Attigny, Frankfort en Ingelheim genoot ook Nijmegen de eer van zo'n residentie te zijn. Na 777 heeft Karel de Grote haar dan ook nog herhaalde malen bezocht. Zijn meest geliefkoosde seizoen daarvoor bleek de lente te zijn. Herhaaldelijk stuiten wij op berichten, dat de Frankische vorst in de Waalresidentie het Paasfeest vierde. Tenslotte lag Nijmegen in de noordpunt van Midden-Francië en was aldus bij uitstek geschikt als uitkijkpost, vanwaar een nauwlettend oog geworpen kon worden op Friezen en Saksen, wie nog vele lentes de lust zou bekruipen om zich koppig te verzetten tegen de imperialistische Karel (p.30) Uit dit rijtje plaatsen waarvan een aantal misplaatst zijn, blijkt dat Karel de Grote nooit meer in het centrum van zijn rijk is geweest (zie ook punt 39). Was hij alleen maar, op Attigny na, in Duitsland? Dat is onbestaanbaar voor een Karolingisch vorst en is dan ook nooit gebeurd. Waar in de teksten gesproken wordt over zijn verblijf in Noviomagus, was dat Noyon, de stad waar hij gekroond is. Volgens het Bronnenboek van Nijmegen is Karel slechts 4 keer in Nijmegen geweest en zeker niet herhaalde malen. Die 4 keer zijn er ook vier teveel, hij is er immers nooit geweest, ook al staat er standbeeld van een ruiter, die overigens erg grimmig kijkt om slechts aan te geven dat hij op de verkeerde plaats staat. Dat Nijmegen in Midden-Francië lag is ook onjuist. In de tijd van Karel de Grote bestond er nog geen Midden-Francië. Dat ontstond pwas in 843. Zie punt 44. Hier wordt wel pijnlijk duidelijk hoe de historici van de Frankische Charlemagne een Duitser hebben gemaakt.
41. Het kan haast niet anders of de uit het Merovingisch verleden stammende morsige opstallen op het Valkhof hebben maar weinig bewondering kunnen oogsten bij een heerser, die geï mponeerd was door de prachtige bouwwerken in Italië en er behoefte aan had om de grootheid van zijn gloriërend Francië te demonstreren door het bouwen van majestueuze kerken en representatieve paleizen. Zo verrees 'tot sier en ten nutte van het Rijk' ook op het Valkhof vermoedelijk een bouwwerk, dat geinspireerd was op Romeinse voorbeelden, en in waarschijnlijk dezelfde trant als het paleis te Ingelheim. Dat was een zogeheten 'open residentie' zonder wallen of torens, die dus niets bezat van het imponerende, dat de latere burcht, bekend van schilderijen en prenten, in zijn stenen massiviteit op het Valkhof zou tonen (p.30) Van 'morsige opstallen' uit de Merovingische tijd of een imponerend bouwwerk uit de Karolingische tijd is op Het Valkhof nooit iets gebleken. De burcht bekend van schilderijen en prenten was die van Frederik Barbarossa uit 1155. Een burcht met Donjon die enkele fanatiekelingen wilden herbouwen, wat gelukkig voor Nijmegen niet is doorgegaan. Er heeft slechts tijdelijk een steigerconstructie met lappen bekleding gestaan. NEP dus. Zie ook punt 35.
42. In de ruimten van dit paleis aan de Waal hebben zich heel wat historische gebeurtenissen afgespeeld (p.30) Helaas voor Pikkemaat: hier hebben zich nooit historische gebeurtenissen voorgedaan, aangezien dit paleis niet bestaan heeft.
43. Ingrijpender zaken deden zich voor tijdens de regering van Karels zoon Lodewijk de Vrome, wiens leven onafgebroken vergald werd door het krakeel zijner zonen over de vetste buit bij de opvolging en bood zijn erf een schandelijk tableau vivant van verbitterd vechtende zoons en een overal stokende echtgenote (p.31). De onderlinge rivaliteit tussen deze broers is kenmerkend voor deze 'karolingen'. Dat hebben zij 'geleerd' van hun opa Karel de Grote, die op vergelijkbare wijze aan zijn macht en rijk kwam. En erg Voom was die Lodewijk ook niet. Het was een vroomheid vergelijkbaar met de 'heiligverklaring' van Karel de Grote, die ook allerminst een heilige was. Dan laat je toch niet je eigen broer vermoorden? Bij zijn overlijden had Karel de Grote nog slechts één wettige opvolger: Lodewijk de Vrome. Die naam is net zo fout als die van Jacoba van Beieren die niet uit Beieen kwam, maar uit Bavay. Van Lodewijk de Vrome wordt 'aangenomen' dat hij meerder keren in het paleis in Nijmegen was en wel in het jaar 817, 821, 825, 827, 830, 837 en in 838 (volgens Het Bronnenboek van Nijmegen). Waar Karel de Grote er maar 4x geweest is, kwam Lodewijk er zeker 7 keer. Samen 11x is niet erg intensief voor zo'n duur en prachtig paleis. Maar helaas, het is onjuist, gewoon omdat er ook in zijn tijd geen paleis was in Nijmegen. En waar Karel de Grote zo graag in Aken kwam (was het wel Aken?), kwam Lodewijk daar weinig tot nooit, maar verbleef liever in Metz.
44. Pas in 843 zou te Verdun na eindeloze onderhandelingen een definitieve beslissing vallen, waarbij het rijk van hun grootvader Karel in drie stukken uiteenviel. Lodewijk de Duitser kreeg de landen ten Oosten van Rijn en Wezer, terwijl Karel de Kale het gebied ten westen van Rhône, Saône, Maas en Schelde werd toebedeeld. Lotharius mocht zich vergenoegen met de lange, kronkelige strook land, die tussen de bezittingen van zijn beide broers lag ingeklemd. Zijn rijk aldus een cynisch geschiedschrijver - was weinig meer dan de steden Aken en Rome en een lange smalle weg om van de ene stad naar de andere te wandelen. Overigens behoorde ook Nijmegen tot dit miserabel territoir (p.31) Over het verdrag van Verdun bestaan dezelfde misverstanden als over het hele Karolingische Rijk. Lees meer over het Verdrag van Verdun.
45. Het grote rijk waren ook de Noormannen niet ontgaan. Van oudsher al sterk geinteresseerd in West-Europa, dat ongekende mogelijkheden bood tot plunderen en brandschatten, zagen zij Karel de Grote's imperium verworden tot een politiek zeer troebel water, waarin het hun goed vissen leek. Daarom zeilde het doorgewinterd zeevolk op zijn drakenschepen de fjorden uit voor een expeditie, die zich wat verder zou uitstrekken dan de Nederlandse kuststreken (p.32) Net zo fout als de hier genoemde 'drakenschepen' is hun herkomst uit Noorwegen en hun aanwezigheid in Nederland geweest. Wat viel in dit moetas- en veengebied te plunderen? Er woonde niemand en er waren geen rijke kloosers die toch vaak het doelwit van de Noormannen waren. (Over plundering in Nederland bestaat geen enkel archeologisch of tekstueel bewijs. De teksten gaan duidelijk over Frankrijk waar hun plunderingen plaats vonden. Lees meer over de Noormannen. Zie ook punt 46.
46. In het jaar 846 zag Lotharius vanuit zijn hoge palts te Nijmegen aan de horizon de rosse gloed van een felle brand bespeurde. Op ongeveer tien uur gaans van zijn residentie waren de Noormannen het aan de Rijn gelegen Dorestad binnengevallen en er op hun beproefde manier aan het plunderen geslagen. Het lot, dat Dorestad getroffen had, zou tenslotte ook Nijmegen moeten delen. Zo moet omstreeks 880 ook in de oude Nijmeegse parochiekerk op het Kelfkensbos de angstige smeekbede ten hemel zijn gestegen: 'Van de Noormannen, verlos ons Heer!' Nu de steden aan Rijn en IJssel volledig waren leeggeroofd, begonnen de rabauwen hun operatieterrein wat meer naar het zuiden te verplaatsen (p.32). 'Van de Noormannen verlos ons heer' is te lezen in de Annalen van het klooster St.Bertin uit St.Omaars. Zou men in Frankrijk last hebben gehad van in Nederland plunderende Noormannen? Het hier opgevoerde Dorestad zou Wijk bij Duurstede zijn geweest. Maar ook daar is geen enkel spoor gevonden van plunderingen of brandstichtingen zodat Annemarieke Willemsen van hen 'vreedzame handelaren' heeft gemaakt, wat in tegenspraak is met alle teksten over de Noormannen. Waarom zou je gaan handelen als je de buit zo kon meegraaien? Lees meer over Dorestad en lees meer over Annemarieke Willemsen.
Vraag is ook welke steden aan de Rijn en IJssel hier bedoeld worden? Toch niet Tiel, Utrecht of Deventer of Zutphen? Ook daar zijn de Noormannen nooit geweest, maar ook de steeds foutief genoemde Vikingen niet. In geen enkele klassieke tekst kom je het woord Vikingen tegen. Er is steeds sprake van Danii of Nortmanni.
47. Toen diens zoon en opvolger Lotharius II overleden was, hadden de hebzuchtige ooms Karel de Kale en Lodewijk de Duitser grote haast gemaakt om het gebied van hun neef onderling te verdelen. Zij deden dit in 870 bij het Verdrag van Meerssen, dat een einde maakte aan het zelfstandig bestaan van 'Lotharius-rike' of Lotharingen, en Oost- en West-Francië nieuwe grenzen gaf, die ongeveer samenvielen met de loop van Saone en Maas (later de Schelde). Hiermee raakte Nijmegen onder het bewind van Lodewijk de Duitser in OostFrancië, dat zich spoedig zou presenteren als 'het Heilige Roomse Rijk der Duitse Natie' (p.33). Ook hier is weer sprake van die hebzuchtige familie. Over het verdrag van Meerssen geldt hetzelfde verhaal als over dat van Verdun. Lees meer over het verdrag van Meerssen dat nooit in Meerssen is gesloten, ook niet in Eijsden of elders, maar in Marsna, zoals in de klassieke teksten staat. De vraag is dus welke plaats met Marsna bedoeld is. Het Mosam waaraan die plaats moet liggen, was ook beslist niet zeker de Maas, maar kan ook de Moeze geweest zijn.
Dit moet steeds de centrale vraag zijn: "Welke plaats wordt bedoeld en klopt die opvatting ook bij de rest van de tekst?" Voorbeeld: als de Noormannen in Francia een het plunderen en via de Seine en Oise Noviomagus bereiken en er hun winterkwartier inrichten, kan men dit Noviomagus niet opvatten als Nijmegen (wat wel gebeurd is). Historici verklaren in zo'n geval de tekst voor onbetrouwbaar en praten hun verhaal 'krom'. Niet de schrijver van de tekst is onbetrouwbaar, maar de opvatting van de historici is dat.
48. Toch betekende het verdwijnen van de Noormannen uit het Valkhof geenszins, dat deze plaats nu weer een veilig oord werd, waar het voor koningen aangenaam resideren was. Pas in 891 zou er voor het eerst weer een vorst verschijnen in de persoon van Arnulf van Karinthië. Enige jaren eerder was de Noormannen-hertog Godfried niet ver van Nijmegen werd vermoord. Zijn vloot op de Waal viel ten prooi aan verbolgen Betuwenaren, die zo'n buit bemachtigden, dat zij - aldus een oude kroniek - voor de rest van hun leven rijke mannen waren (p.33) De Noormannen verdwenen niet uit Nijmegen, ze zijn er immrs nooit geweest. Welke Betuwenaren zo rijk geworden zijn, blijkt nergens uit de latere geschiedenis. En al die schepen? Daar is nooit iets van teruggevonden. Het is zo'n voorbeeld van een beschrijving om zelfs van niets, een aantrekkelijk verhaal te maken.
49. Nu de Noormannenplaag onder en boven de grote rivieren was uitgewoed, kon Nijmegen in betrekkelijke veiligheid opnieuw even zijn oude status voeren als een der belangrijke middelpunten van het Heilige Roomse Rijk en zo nu en dan de laatste nazaten van Karel de Grote onderdak bieden. Zelfs was de burcht aan de Waal vijftien jaar lang een belangrijk middelpunt van cultuur in het Heilige Roomse Rijk, toen de jonge keizer Otto II er zijn bruid bracht: de Byzantijnse prinses Theophano. In 980 bracht zij de latere keizer Otto III ter wereld en overleed er in 991. De later zo beruchte gravin Adela van Hamaland leerde er - naar niet al te betrouwbare bronnen beweren - wellicht de hoofse omgangsvormen. (p.33/34) Een middelpunt van het Heilige Roomse Rijk is Nijmegen nooit geweest, zelfs geen Rijksstad. Ook het verhaal van de aanwezigheid van Theophano is een mythe, net als het verhaal van Adela van Hamaland, waarvan Pikkemaat terecht opmerkt dat de bronnen daarvan weinig betrouwbaar zijn. Nijmegen kent meer onbetrouwbare bronnen en nogal de nodige nep in de geschiedenis. Rudolf Janssen heeft een studie gemaakt van Theophanu en Nijmegen. Zijn conclusie: er is geen enkel bewijs te vinden voor haar aanwezigheid in Nijmegen. Het zal U niet verbazen: het Noviomagus waar zij was bleek Noyon te zijn. Wat had ze in Nijmegen te zoeken? Er was geen paleis, er was niets, ook al heeft men in Nijmegen nu een (weggestopt) mozaïek van deze keizerin op de zijgevel van het casino. Symbolisch: een mislukt 'gokje' in Nijmegen. Het verhaal van de Zwaanridder en Beatrijs (p.36) is net zo'n mythe, die men dan wel doorziet, maar die mythe ligt er ook te dik op.
50. In 1047 werd het Valkhof platgebrand door Boudewijn van Vlaanderen en de baardige Godfried van Lotharingen. Pas een eeuw later zouden de restanten worden weggeruimd om plaats te maken voor de imposante burcht, waarmee Keizer Frederik Barbarossa 1152-1I90) de nederzetting aan de Waal haar oude vorstelijke glans teruggaf. Deze burcht werd gesloopt in 1796. (p.35). De verwoesting van het paleis te Noviomagus in 1047 vond plaats in Noyon waar beide veldheren langskwamen op weg naar Verdun. Zij hebben vanuit Vlaanderen echt niet een omweg gemaakt via Nijmegen om daarna Verdun te plunderen en plat te branden. De teksten zijn daarover nogal duidelijk. De opvatting dat het genoemde Noviomagus Nijmegen was, maakt van dit verhaal een lachwekkende vertoning. Nogmaals: hebben historici geen geografische atlas (niet een historische atlas)?
51. Het nageslacht is niets anders gebleven dat het zicht op wat geconserveerde wal-ruï nes, de restanten van de absis der burchtkapel en de gerestaureerde achtkantige St. Nicolaaskapel. Over herkomst en datering van dit laatste bouwwerk zijn heel wat stormen van misverstand en onenigheid ontketend, maar dat het van oorsprong een Romeinse tempel zou zijn, gelooft thans niemand meer. Ook zijn gangbare benaming 'Karolingische kapel' voert hij ten onrechte. Nauwgezet onderzoek kon weliswaar geen licht werpen op het juiste bouwjaar, maar bracht wel de zekerheid, dat het oudste deel der kapel uit de 11de eeuw stamt (p.35) De St.Nicolaaskapel heet tegenwoordig Ottoonse kapel, na aanvankelijk Heidense en Karolingische kapel geheten te hebben. Het patronaat van Nicolaas toont aan dat de kapel pas na 1085 gebouwd is, immers toen werd Nicolaas als patroon van schippers, handelaars en reizigers in Nederland bekend. Zie ook punt 52. Hieruit blijkt temeer dat Nijmegen zich dè Sint Nicolaasstad van Nederland mag noemen, wat dus niet Amsterdam is. Lever de titel 'oudste stad' maar in en neem die van Sinterklaasstad aan.
52. Op de rivieroever ten westen van het Valkhof begonnen zich handels- en kooplieden te vestigen, waardoor het oude, overwegend agrarische karakter van de samenleving bij de burcht ingrijpend zou veranderen. Wanneer deze handelsnederzetting ontstaan is, blijft bij ontbreken van vrijwel elk gegeven daarover nogal duister, maar aangezien de burcht vanaf 949 tot 1046 een geliefde en vaak bezochte residentie was van de Duitse keizers en koningen uit het Saksische en Salische Huis, wordt aangenomen, dat haar vestiging en ontwikkeling in diezelfde tijd plaatsvonden (p.36). Dat er tussen 949 en 1046 vaak Duitse keizers en koningen in Nijmegen verbleven is volkomen duister. Er bestond toen geen paleis of wat dan ook waar de Duitse keizers konden verblijven. Dat heeft de archeologie toch wel duidelijk gemaakt.
53. Maar de voordelen daarvan (handel) mochten voorlopig nog niet in Nijmegen geplukt worden. Dat genoegen viel ten deel aan Tiel, omdat deze stad wat gunstiger lag voor een snelle verbinding met de Maas. Bovendien beschikte Nijmegen toen niet over een redelijk bevolkt achterland. De dichte bossen en de vochtige broekgronden, die de nederzetting omgaven, vormden geen aanlokkelijke lokaties voor bewoning. Ook deze factor is ongetwijfeld mede van invloed geweest op de situatie, waarin Nijmegen pas betrekkelijk laat tot een levensvatbare markt van betekenis kon uitgroeien. Dat moment brak aan in de dertiende eeuw. (p.37) In dit punt blijkt dat Nijmegen pas in de 13de eeuw pas weer enige bewoning kreeg en sluit precies aan wat uit mededelingen van het (voormalig) Nijmeegs museum Commanderie van St.Jan (nu museum Het Valkhof) blijkt (en ik citeer) "de stad is ten onder gegaan aan het eind van de derde eeuw en pas in de 13e eeuw was er weer een nederzetting van enige omvang". Wie houdt nu wie voor de gek? Men kent in Nijmegen de eigen geschiedenis blijkbaar niet. Of tch wel? Lezen de historici elkaars werken niet? Of houdt men wat niet overeenkomt met de traditionele opvattingen over Nijmegen, net zo verborgen als de boeken van Albert Delahaye.
54. Onder deze kooplieden mogen waarschijnlijk de 'trouwe inwoners' worden gerekend, die in 1230 de Duitse koning Hendrik VII (regent voor zijn vader keizer Frederik II) met verschuldigde eerbied om het stadsrecht voor hun woonplaats vroegen. Het verzoek werd minzaam ingewilligd en in de zomer van dat jaar zagen de Nijmegenaren zich in het bezit gesteld van ongeveer dezelfde rechten en vrijheden, die ook de stad Aken genoot. Dit betekende, dat Nijmegen de status van 'Rijksstad' had. Van deze bijzondere positie getuigt nog het stadswapen, dat dezelfde dubbelkoppige gekroonde adelaar toont als indertijd het keizerlijk rijkswapen. (p.37). Nijmegen is nooit Rijksstad geweest. Lees ook wat er bij nr.49 en nr.56 staat. Het stadswapen met de dubbele arend is geen enkel bewijs als rijksstad. Het is slechts nageaapt van Aken, zoals er wel meer nageaapt is van Aken, zoals de voorgeven van het oude stadhuis. Ook dominee Johannes Smetius kwam van Aken. Heeft hij dit alles meegebracht in zijn reiskoffertje? Wat wel zeker is dat hij heel wat Romeinse relicten ten gerieve van eigen inkomsten heeft verpatst aan binnen- en buitenland. Heel wat 'Nijmeegse relicten' sieren nu menig museum sieren, net zoals (een kopie van) de altaarsteen uit Pfünz in het Nijmeegse Museum staat te pronken. Lees meer over Johannes Smetius.
55. De erkenning als stad betekende echter niet, dat Nijmegen meteen een 'eigen bestuur' kreeg en autonoom werd. De eerste afdruk van het Nijmeegs stadszegel dateert uit 1233. Het toont als randschrift de latijnse tekst 'Sigillum Burgeriensium de Numegen', die iedereen duidelijk maakte, dat het hier ging om het 'zegel van de burgers van Nijmegen' (p.37/38) Opvallend bij deze stadszegel is dat er in de Latijnse tekst Numegen geschreven is en niet het Latijnse Noviomagus. Ook in LATIJNSE teksten over Nijmegen uit 1228, 1241, 1242, 1246 wordt gesproken over Neomagio, Numege, Nymegen en Nunmagen. (zie Bronnenboek tekst 176, 182, 183 en 186). De Latijnse naam Noviomagus werd hier dus niet toegepast op Nijmegen. Pas in 1282 wordt Nijmegen voor het eerst Noviomagi en Novimagio genoemd. En toen in de 16de eeuw de Peutingerkaart plots opdook en er ook een Noviomagi op stond was de zaak beslecht. Daar is men nooit meer van los gekomen, ook al lag dat Noviomagi aan de verkeerde kant van de Patabus, dat toch de Waal was!
56. In 1247 werd de stad Nijmegen, de burcht en het overige Rijk van Nijmegen in pand verkregen door Otto II van Gelre. Vanaf dat moment stond Nijmegen onder gezag van de Gelderse vorsten. (p.45) Met die verpaanding wordt pijnlijk duidelijk dat Nijmegn nooit rijksstad is geweest. Immers was Nijmegen rijksstad geweest, dan was de verpanding van de burcht in 1247 onmogelijk geweest. In 1247 werd Nijmegen onderworpen aan de hertog van Gulik-Gelre. Deze onderwerping van de stad aan diens gezag, spreekt de autonomie en de immuniteit van Nijmegen ten stelligste tegen, wat de essentie was van het voorrecht van rijksstad. Ook hier is weer sprake van een dosis NEP in de geschiedenis van Nijmegen. Daar kunnen we nog aan toevoegen waarom niet Nijmegen de hoofdstad van Gelre werd. Ook dat blijkt in de geschiedenis van Nijmegen een heimelijk verborgen kindje.
57. De voorheen alom bekende Maria-Omdracht kent een eigen en aparte geschiedenis in Nijmegen, ooit de meest noordelijke katholiek stad van Nederland genoemd (p.73). (Men vindt er niet voor niets de H.Landstichting). In 1272 werd door Albertus de Grote, wijbisschop van Keulen (let op: dus geen clericus van Utrecht!), de nieuwe parochiekerk van Nijmegen, de St.Stevenskerk ingewijd. Daarbij werd de parochie opgedragen jaarlijks een processie te houden naar de plaats van de oude kerk en het oude kerkhof. Die oude kerk was de St.Nicolaaskapel en het kerkhof lag op het Valkhof. Deze opdracht ter ere van de H.Maagd, werd de alom bekende Maria-Omdracht op Drievuldigheidszondag. In 1962, het jaar dat het Keizer Karelstandbeeld werd onthuld, is de Maria-Omdracht plotseling zonder enige uitleg van het programma geschrapt. Is hier sprake van toeval of gebeurde dit gepland? Deze Albertus de Grote consacreerde ook de Kloosterkerk van Utrecht, waarmee duidelijk is dat Utrecht onderhorig was aan het diocees Keulen.
57. Zeer interessant om te lezen hoe de Katholieke Universiteit toch in Nijmegen terecht kwam en welke weerstand het aanvankelijk opriep. (p.374 e.v.). Ook hier komen we aartsbisschop H. van de Wetering weer tegen. Die man heeft toch heel wat op zijn geweten. Dat heeft Jules Bogaers waarschijnlijk nooit allemaal geweten, want dan was zijn opvatting en commentaar op Willem van Stalberg over een 'broodje aap' wel enigszins anders geweest.

De conclusie in dit boek van Pikkemaat is dan ook dat van de oudste geschiedenis van Nijmegen heel wat gebaseerd is op aannames en veronderstellingen. Feitelijk bewijzen zijn er te weinig om van een aansprekende geschiedenis te kunnen spreken. Er is inderdaad veel Romeins gevonden, maar op de interpretaties van die vondsten is het nodige af te dingen. Bij die interpretaties is nogal vaak sprake van 'wishful thinking'. Maar zelfs de Romeinse geschiedenis van Nijmegen blijkt in de archeologisch praktijk nogal tegen te vallen. Julius Caesar, Drusus en Traianus, om maar enkele bekende namen te noemen, zijn er nooit geweest, net zo min als de Bataven. Over de Karolingische geschiedenis van Nijmegen kan men maar beter helemaal zwijgen. Die is er nooit geweest. Wat blijft er dan over uit het eerste millennium? Bitter weinig tot bitter niets.

Ook in de rest van dit boek dat hier dan niet besproken is, tref je regelmatig betrekkelijk onzekere beschrijvingen aan. Het wordt toch tijd dat de geschiedenis van Nijmegen eens herschreven wordt, maar dan wel ontdaan van alle mythen, sagen, legende en nep en verdere onzekere of nooit bewezen zaken. We hebben er hiervoor een aantal genoemd, zoals het verhaal van de Zwaanridder. Daar kan het verhaal van Mariken van Nieumeghen (p.72) aan toegevoegd worden, waarvan men ook in Nijmegen wel weet dat het valt in de categorie 'vrome legenden'.

Wilt U meer lezen over de ware geschiedenis van Nijmegen? Bestel het boek "De Ware Kijk Op" . Daarin leest U vanaf p.320-403 een eerste opzet van de ware geschiedenis van Nijmegen.

Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.