De rijke geschiedenis van Gelderland is uitgegeven in een compleet en prachtig geïllustreerd overzicht, schrijft de uitgever.
In vier boeken behandelt Verhaal van Gelderland (2022) alle belangrijke thema's uit het Gelderse verleden, van de vroegste tijden tot nu. Van de mysterieuze grafheuvels op de Veluwe tot de machtige hertogen van Gelre. Van ordelijke Romeinse legerkampen tot weelderige adellijke landgoederen. Van de gewelddadige verovering van Grollo tot de mislukte slag om Arnhem.
Bij die rijke geschiedenis kunnen we toch heel wat vraagtekens zetten. Veel is een geschiedenis die niet van Gelderland is, maar van elders komt en allerminst rijk was, juist armoedig en betreurenswaardig.

Op de voorzijde van deel 1 prijkt pontificaal een afbeelding van (een deel van) de Peutingerkaart. Zie afbeelding rechts. Maar deze kaart is al net zo fout als veel van de inhoud van dit boek. Lees meer over de Peutingerkaart ofwel de Tabula Peutingeriana, dat aantoonbaar een falsum is.
Het Verhaal van Gelderland staat onder redactie van Dolly Verhoeven, Maarten Gubbels en Michel Melenhorst. De auteurs van de voor ons van belang zijnde hoofdstukken 4 t/m 8 in deel 1, zijn Paul van der Heijden, Joep Hendriks, Arjan den Braven, Michel Groothedde en Nico W.Willlemse.
Het Verhaal van Gelderland biedt als het goed is ruimte voor debat en reflectie, schrijft Dolly Verhoeven in de introductie.
We hebben op 21 juli 2023 het verhaal van p.334 (zie hier) aan alle auteurs (voor zover te vinden op internet) gestuurd, maar tot heden slechts twee reacties gehad in een 'automatic reply'.
Wanneer begint dat debat en die reflectie? Van een debat of reflectie is tot heden nog maar weinig sprake!
Het is onbegrijpelijk dat 'professionele' historici waarvan je toch mag verwachten dat ze geschiedenis hebben gestudeerd, zoveel onjuistheden bij elkaar weten te schrijven. Het is vergelijkbaar met de wijze waarop ze de opvattingen van Albert Delahaye op pagina 334 hebben beschreven: onvolledig, onjuist en in tegenspraak met de werkelijkheid.
Maar gelukkig geven ze ook zelf hun twijfel toe en erkennen ze regelmatig dat er problemen zijn in de traditionele opvattingen. Daarbij blijkt dat ze feitelijk te weinig kennis van zaken en deskundigheid bezitten, om de door henzelf opgeworpen problemen op te lossen. Vandaar dat wij hen helpen de twijfel en problemen op te lossen, vandaar dat deze besprekingen en opmerkingen over de geschreven teksten in hoofdstuk 4 t/m 8 erg uitvoerig is geworden.
Wat in dit Verhaal van Gelderland beschreven wordt raakt de kern van de mystificaties van de fundamentele verwarring in het eerste Millennium. Alle benodigde correcties die we ook noemen zijn al te lezen in de boeken van Albert Delahaye. Dat deze boeken in de literatuurlijst van het Verhaal van Gelderland ontbreken, is dan ook veelzeggend en 'vanzelfsprekend' (voor deze auteurs), maar niet voor de historische waarheid. Deze auteurs moeten nu eens erkennen dat ze het altijd fout gehad hebben. Maar ja, erkennen van eigen ondeskundigheid gaat niet gebeuren, zoals de geschiedenis leert. Wij kunnen slechts adviseren eigen artikelen nog eens na te lezen en te vergelijken met mijn opmerkingen. Ik wens hen daar succes mee en verneem graag wat hun bevindingen zijn.
Er zijn ook anderen die twijfelen aan de juistheid en historiciteit van deze uitgave van het Verhaal van Gelderland. Zie daarvoor bijvoorbeeld het commentaar van J.Brouwer samengevat aan het eind van Hoofdstuk 8.
Lees meer over:
Hoofdstuk 4, De Romeinen komen.
Hoofdstuk 5, Bloeitijd van Romeins Gelderland.
Hoofdstuk 6, Germanisering van de samenleving.
Hoofdstuk 7, Aan de rand van de Merovingische wereld.
Hoofdstuk 8, Het Karolingische en Ottoonse Rijk.
De visie van Albert Delahaye.
We gaan bij de besprekingen van de hoofdstukken 4 t/m 6 zeker niet ontkennen dat de Romeinen in Nederland zijn geweest, zoals de auteurs beweren dat Delahaye dat gezegd zou hebben. Ze zijn er zeker geweest. Maar hun aanwezigheid was allerminst van internationale allure, zoals W.van Es dat al eens constateerde. Het bleek meer te zijn zoals Tacitus de Agri Decumates beschreef. Helaas weiden de auteurs graag uit met allerlei verhalen die nergens op gebaseerd zijn dan op eigen fantasie. We zullen maar denken dat de verkoopcijfers hier debet aan zijn, immers aansprekende verhalen verkopen beter dan de nuchtere feiten. Maar ging het slechts om de verkoopcijfers? Of was de bedoeling van deze uitgave eens op een rijtje te zetten hoe ver de historische wetenschap tot dusver gevorderd is? Is het slechts herhalen wat traditioneel ooit aangenomen is? Daar blijkt toch heel wat op aan te merken te zijn: zie de rode teksten.
Toch zijn de auteurs regelmatig heel eerlijk en spreken ze hun twijfel uit. Dat kan ook niet anders, want twijfel is er altijd geweest in de geschiedenis van Nederland. Die twijfel blijkt wel door het gebruik van woorden als 'mogelijk' (iets blijkt mogelijk te zijn, 'misschien' (was het misschien zo?), 'waarschijnlijk' en 'vermoedelijk'. Ook het woord 'lijkt' komt ruim 100x voor in de teksten van hoofdstuk 4 t/m 8. Die twijfel spreekt ook uit het veelvuldig gebruik van het hulpwerkwoord 'zullen' (zal en zou). Dat komt in de hoofdstukken 4 t/m 8 meer dan 200 keer voor, zoals in zinnen als 'er zullen wel mensen gewoond hebben' en 'de ware toedracht zal ongewis blijven'. Lees je al deze zinnen achter elkaar, dan blijft er van het Verhaal van Gelderland weinig over.
Dat wordt ook beeldend weergegeven in 'De oorsprong van de naam Gelre' (p.352). Het zou een drakenverhaal zijn geweest. Beter is het 'een draak van een verhaal' te noemen. Een spannend verhaal, maar zonder bewijs is het niet meer dan een nieuw ontstane mythe, schrijven de auteurs. Hetzelfde geldt voor meer verhalen in dit boek. Het zijn -zonder bewijs- inderdaad 'draken van verhalen'.
De Fundamentele verwarring bestaat uit de vraag of Noviomagus uit de klassieke teksten Nijmegen is of Noyon. Het kernpunt waar alles mee begon en waar alles om draait is deze hier genoemde fundamentele verwarring. Deze kwestie ligt aan de grondslag van talloze andere opvattingen, zoals de verwarring rond Trajectum: was het Utrecht of was het Tournehem en Dockynchirica, was dat Dokkum of Duinkerke? Immers als Nijmegen fout is, is Utrecht ook niet de bisschopszetel van Willibrord en werd Bonifatius niet in Dokkum vermoord en dan was de Betuwe ook niet het land van de Bataven. Dat gebeurde allemaal in Noord-Frankrijk!
|
|
In deel 1 van de vierdelige serie over het Verhaal van Gelderland wordt in de hoofdstukken 4 t/m 8 de geschiedenis beschreven zoals die grotendeels traditioneel is vastgesteld. Echter, daar is heel wat op aan te merken. Niet alleen op die traditionele geschiedenis, maar ook op hoe en wat er in dit boek beschreven en geschreven is. Op pagina 334 wordt ook de visie van Albert Delahaye genoemd (zie daar), helaas onvolledig, onjuist en in tegenspraak met wat Delahaye zelf geschreven heeft. Het is kenmerkend voor feitelijk dit hele boek. Het is een onvolledig en een onjuist verhaal, met vaak tegenstrijdigheden van andere historici, ook al zijn de verwijzingen in noten naar 'gelijkgestemden'.
De grondfout van dit hele boek is dat men Nijmegen klakkeloos opvat als het Noviomagus uit zowel de Romeinse als de Karolingische periode. En daarvoor ontbreekt elk schriftelijk of archeologisch bewijs. Wie die bewijzen wel heeft, laat het alstublieft weten, want daarmee vervalt de visie van Albert Delahaye over Karolingisch Nijmegen.
We bespreken hieronder hoofdstuk 7, geschreven door Joep Hendriks en Michel Groothedde, met medewerking van Nico W.Willemse en Arjan de Braven. De bespreking is vrij uitvoerig aangezien er over bijna elke zin meerdere opmerkingen te maken zijn: niet alleen over de gehanteerde traditionele standpunten, maar ook over compleet onjuiste opvattingen. Maar toch! Soms geeft de auteurs eerlijk aan dat traditionele standpunten twijfelachtig of zelfs onjuist waren, zie onder punt 43 en 45, die ondanks dat niet gecorrigeerd worden. Voor het onafhankelijk publiek is niet te controleren of opvattingen gewijzigd zijn, omdat men die oude geschiedenis te weinig kent. Vandaar dat we dat steeds vermelden en toelichten.
Hoofdstuk 7: Aan de rand van de Merovingische wereld.
We bespreken hieronder de belangrijkste gegevens uit de Merovingische en Karolingische periode (hoofdstuk 7 in dit boek), die voor Nijmegen niet bestaan heeft. Lees daar alles over bij Neumaia.
In feite is het hele hoofdstuk het bespreken meer dan waard, aangezien er nogal veel onjuistheden worden vermeld. We noemen enkele punten die elk vragen oproepen waarbij een opmerking geplaatst wordt, maar gaan tot slot wat dieper in op pagina 299-301 onder A en B, waar sprake is van echt verbijsterende opvattingen. Je vraagt je hierbij zelfs af of deze auteurs wel geschiedenis hebben gestudeerd, of beter, de geschiedenis hebben bestudeerd?
Hoofdstuk 7 doorlezend verbaas je jezelf over alle aangenomen opvattingen die nog steeds als vaststaande geschiedenis worden gepresenteerd. We geven ze hieronder puntsgewijs letterlijke citaten (met pagina vermelding) en plaatsen er in rood onze opmerkingen bij. Vanwege het tussenvoegen van nieuwe bevindingen kan de nummering hieronder wijzigen.
- In de 'inleiding van dit hoofdstuk' op p.241 wordt (als samenvattend intermezzo) het volgende geschreven:
- Over die periode zijn weinig geschreven bronnen beschikbaar.
- en dan vaak meer in de vorm van verhalen dan als feitelijke informatie.
- De meeste gegevens komen daarom uit opgegraven nederzettingen en grafvelden, maar ook die zijn schaars.
- In de achtste eeuw namen Karolingische machthebbers de positie van de Merovingers over.
- De Frankische Koning Karel de Grote bouwde een residentie (palts) in Nijmegen.
- De nieuwe orde stimuleerde de verspreiding van het Christendom.
- Er ontstonden grotere nederzettingen die de kiem vormden van latere steden, zoals Nijmegen, Tiel en Zutphen.
- De welvaart trok ook plunderaars aan: Vikingen zorgden lange tijd voor angst en instabiliteit.
- Omdat er steeds meer op schrift werd gesteld hebben we beter inzicht op de indeling van Gelderland (in gouwen) en adellijke families, zoals de graven van Hamaland.
- Kort na 1000 verschenen nieuwe machthebbers onder wie de eerste graven van Gelre.
Over elk van de hierboven genoemde punten zijn meerdere opmerkingen te maken, die hieronder besproken worden. Het belangrijkste punt: 1-e is de hardnekkigste mythe. Van een palts van Karel de Grote is in Nijmegen nog nooit iets gevonden. Ook klassieke teksten die men ervoor gebruikte, blijken over Noyon te gaan, de plaats Noviomagus waar Karel de Grote tot koning van de Franken werd gekroond en een nieuw Paleis bouwde.
- De kaart van Gelderland op p.242 bestaat voornamelijk uit de situatie van nà het jaar 1000. Van de hier getoonde plaatsen is helemaal niet zeker of bewezen dat deze al vóór het jaar 1000 bestonden, ook van Zutphen niet. Lees bijvoorbeeld meer over de geschiedenis van Zelhem dat als voorbeeld geldt voor al die andere plaatsen.
- Sommige van deze Germanen, onder meer bekend als Franken, trokken de grens over om in dienst te gaan van het Romeinse leger en zich gaandeweg definitief te vestigen binnen de grenzen van het tanende rijk. (p.243). De Germaanse stammen woonden allang binnen het Romeinse rijk wat de Romeinse provincies Germania Inferior en Germania Superior al aangeven. Welke legereenheden hadden Franken in dienst? Welke namen van legioenen wijzen daarop?
- Voor de overgebleven inwoners van het Rivierengebied - nazaten van geromaniseerde Bataven veranderde er veel (p.243). Nazaten van de Bataven? Welk bewijs is er voor deze veronderstelling. Tot heden was de traditie toch dat de Bataven verdwenen zijn en niemand weet waar naartoe? Op p.244 wordt deze stelling een beetje gecorrigeerd waar we lezen: In de Betuwe was de welvarende Bataafse samenleving zo goed als verdwenen. Wat is 'zo goed als'? Als wat? In het synoniemen-woordenboek lees je "bij zo goed als': 'praktisch of nagenoeg helemaal'. Hoeveel Bataven zijn er dan achtergebleven?
- De in deze periode ontstane Gelderse IJssel (p.243). In deze periode? Is dat ergens tussen 450 en 750? Welk bewijs heeft men daarvoor? Verschillende deskundigen noemen zeer uiteenlopende jaartallen tussen 350 en 950. Lees daar meer over bij de rivieren. Het was dan in elk geval niet de derde Rijnmond, zoals enkele 'deskundigen' (zoals B.Stolte) in het verleden steeds beweerden. Lees meer over de Gelderse IJssel. Let ook vooral op wanneer de -ij- als Nederlandse lettercombinatie is ontstaan. Zie daarvoor -y- of -ij-.
- Rond het jaar 400 veranderde deze situatie geleidelijk. De Romeinse grensbewaking langs de Rijn werd definitief opgegeven en Frankische groepen konden zich min of meer onbelemmerd heen en weer bewegen (p.243). Ten eerste was er geen enkele sprake van een grensbewaking, maar de Rijn was een transportroute. Ten tweede vertrokken de Romeinen circa 260 uit Nederland en niet rond 400. Ten derde woonden de 'Franken' al binnen het Romeinse Rijk en wel rond Doornik, waar het graf van hun koning Childerik gevonden is. Van belang is te onderzoeken waar de naam Franken vandaan kwam en wie die naam het eerst gebruikte voor bepaalde bewoners, die aanvankelijk beslist nog geen eenheid vormden.
- Het verhaal van Gelderland wordt op p.244 vervolgd met: lijken grotere groepen.... ze niet verdreven lijken.. past het beeld van zich verplaatsende gemeenschappen bij deze periode van 'volksverhuizingen'. In één zin worden hier dus de volksverhuizingen erkend en tegen gesproken, wat wel blijkt uit 'lijken'. Lijkt? Op wat of op wie? De Grote Volksverhuizing zoals die traditioneel gehandhaafd wordt, heeft nooit bestaan. Lees meer over de volksverhuizing. Het is een verzinsel van Duitse historici geweest die bevolkingsgroepen in de Romeinse tijd in Duitsland plaatsten, die plots toch in Frankrijk bleken te wonen. Ja, dan verhuis je die bevolking toch even? Archeologisch is van een volksverhuizing, of die nu groot of klein was, nooit iets gebleken, ook tekstueel blijkt daarvan geen enkele sprake te zijn geweest. Slecht in de hoofd van ondeskundige historici heeft die volksverhuizing plaats gevonden. Die zogenaamde volksverhuizing wordt ook door steeds meer deskundige historici en archeologen ontkend. Annemarieke Willemse heeft dat ook vastgesteld en verklaarde zelfs dat "de traditionele etnische indeling in Friezen, Franken en Saksen in Nederland archeologisch niet te bewijzen is".
- Het vroege deel van de middeleeuwen, tussen circa 500 en 900, wordt vaak betiteld als 'donker' of 'duister'. Uit deze periode zijn nauwelijks tekstuele bronnen nagelaten die gaan over de bewoners van Gelderse streken, laat staan dat zij die zelf hebben geschreven. (p.244/245). Dat er nauwelijks tekstuele bronnen zijn nagelaten is een misvatting! Het moet zijn er zijn GEEN tekstuele bronnen nagelaten over de bewoners van Gelderse streken. Alle hier bedoelde teksten gaan over Franse streken en gebeurtenissen, waar die vele teksten ook gevonden worden of vandaan komen, zoals de Annalen van Egmond en het Cartularium van Radboud en het Psalter van Utrecht: allemaal afkomstig uit Noord-Frankrijk.
- Desondanks kan op basis van het handjevol bronnen dat wel bekend is en de archeologische overblijfselen een redelijk beeld worden gevormd van dit tijdvak, waarin de basis werd gelegd voor de latere Gelderse samenleving (p.245). Op grond van een handjevol bronnen en archeologisch overblijfselen schrijft men dus geschiedenis, al noemt men het nog wel een redelijk beeld. Redelijk? Op grond waarvan? Volgens Van Dale betekent redelijk: 'in overeenstemming met'. Met wat? Met de aangenomen tradities? Wellicht slechts redelijk voor historici, die vastgeroest zitten in die onbewezen tradities.
- Het rivierengebied in beweging is een interessant onderwerp. (p.245/246). De afbeelding op p.245 over de "Chronologie van zeer zware overstromingen in het Rivierengebied in het eerste Millennium" opent perspectieven. Waarom blijven deze bronnen doorgaans verborgen? Trek deze zeer zware overstromingen eens door naar de rest van laag-Nederland. Dan blijft er van bewoonbaarheid toch weinig over? En dit is precies waarin Albert Delahaye zijn visie over de transgressies en bewoonbaarheid bevestigd ziet. Kon Willibrord gaan prediken in een land dat overstroomd was en waar zo goed als niemand woonde? Wat zocht Bonifatius in een overstroomd Friesland? Ziet U ook de opeenvolgende overstromingen rond het jaar 260? Die overstromingen noodzaakte de Romeinen ons land te verlaten, wat de algemeen geaccepteerde opvatting is. Lees meer over de transgressies.
- In hoofdstuk 7 "Aan de rand van de Merovingische Wereld" (van 450 tot 750) lezen we nog veel meer opvallende zaken, wat symbool staan voor meerdere hoofdstukken in dit boek: misvattingen, mythen, fabels en duimzuigerij. Er wordt van alles beweerd, dat vervolgens met verwijzingen naar noten al dan niet bevestigd moet worden. Maar wordt het ook bevestigd met die verwijzingen? Er is nogal veel sprake van aannamen en eigen opvattingen van de betreffende auteurs, zonder daadwerkelijke bewijzen te leveren. Enkele voorbeelden in het kader hieronder:
Op p. 247 tot 249 wordt het ontstaan van de Gelderse IJssel genoemd. De in teksten genoemde Hislam zou de Gelderse IJssel zijn, met een verwijzing in noot 10, 11 en 12 naar de Lexicon van Künzel en Blok. We citeren hier de letterlijk tekst in de linker kolom; Opmerkingen in de rechter kolom:
| De letterlijk citaten uit Verhaal van Gelderland p.247-249.
| Opmerkingen:
|
| Hoe het ook zij, de Rijn kreeg in de loop van de vroege middeleeuwen een nieuwe noordelijke verbinding met de Noordzee.
| Het hoe het ook zij betekent dat er geen enkel bewijs voor deze opvatting is. Die 'noordelijke verbinding' zou lange tijd de derde Rijnmond ofwel de IJssel geweest zijn, welke opvatting reeds door meerdere historici als achterhaald beschouwd is. Lees meer over de Gelderse IJssel.
|
| Ook historische bronnen maken melding van deze nieuwe rivier. De vroegste ondubbelzinnige vermelding dateert uit het jaar 797. Ze is afkomstig uit een oorkonde van de abdij van Werden, die gaan over de stichting van de Wichmondse kerk door missiepriester Liudger. Daarin staat dat Wichmond is gelegen iuxta Hislam, aan de IJssel, (noot 10).
| Eerst maar even kijken wat Blok vermeldt bij Hislam? Hij vermeldt hierbij de rivier die in zee uitmondt. Welke zee? Zuiderzee? Bestond de Zuiderzee al in 797? Het betreft, volgens Blok, een kopie uit 1170-1175. Dat is na 1170 wel mogelijk, immers de Zuiderzee ontstond pas na de Allerheiligenvloed van 1170, zoals elke historicus dient te weten. In deze zinnen is sprake van enkele aannamen: de abdij van Werden moet zijn de abdij van Werethina die aan het Kanaal lag; de kerk van Wichmond was de kerk van Withmundi dat Sangatte aan het Kanaal was en Ludger predikte in Frans-Vlaanderen, waar zijn familie landeigenaar was.
|
| Die vermelding verraadt ook iets over de stroomrichting van de rivier. Als de IJssel in dat jaar in zuidelijke richting zou hebben gestroomd, dus naar de Rijntakken in de Betuwe, zou de rivier bij Wichmond nooit IJssel zijn genoemd, maar eerder Berkel, Slinge of nog wat anders. .
| Die vermelding verraadt...en het 'zou hebben' in deze zinnen zeggen feitelijk meer dan genoeg. Het zijn fantasietjes van de auteurs (Hendriks, Groothedde e.a.) van deze tekst. De IJssel is overigens een getransplanteerde naam van de Isla (ook Isala) in Frans-Vlaanderen. Met die transplamtatie kwamen ook Lebuinus, Ludger, maar ook Plechelmus mee naar oost-Nederland.
|
| Er was immers al een IJssel (de huidige Oude IJssel] die naar de Rijn stroomde. De IJssel bij Wichmond was rond 800 dus stellig de naar het noorden stromende 'nieuwe' IJssel, die vernoemd was naar de 'oude' IJssel.
| Nergens in de bedoelde tekst is sprake van de stroomrichting van de rivier of van welke zee bedoeld is. Dat verzinnen Hendriks en Groothedde 'stellig' zelf maar om hun gelijk te kunnen krijgen. Bij de klassieke schrijvers was 'de zee' ook nooit een binnenmeer, dat was een laca denk aan Interlaca, maar de Noordzee of de Oceaan.
|
| Een absolute bevestiging van de stroomrichting komt uit een oorkonde uit 814-815, waarin sprake is van 'Salahom (= Salland) waar de rivier de IJssel in de zee stroomt. Dat moet dus om de noordwaarts stromende IJssel gaan.
| Als je Salahom vertaalt met Salland en dat aan de kust van de Zuiderzee plaatst, los je twee problemen op. Maar Salland was toch Zelhem, zoals de hier aangehaalde D.P.Blok verklaarde in zijn Lexicon? De Nederlandse naam Salland is pas vele eeuwen later ontstaan en is als doublure met de fabels rond St.Ludger hier terecht gekomen. Het echte Salland lag in Frankrijk: zie kader hieronder.
|
| Ook in de heiligenlevens van Liudger en Lebuïnus - die pas een halve tot een hele eeuw na hun dood werden opgetekend - speelt deze rivier een prominente rol.
| Let op die halve of hele eeuw die verlengd moet worden met nog wat meer eeuwen voordat dit opgetekend werd. Het zijn hier ontstane fabels. Lees hier alles over de predikers Liudger en Lebuinus die beiden in Frans-Vlaanderen thuis horen.
|
| Al ten tijde van Lebuïnus, in het derde kwart van de achtste eeuw, lijkt de IJssel langs Deventer te hebben gestroomd.
| Gelukkig staat hier 'lijkt', daar spreekt slechts twijfel uit, want meer is het niet. Het lijkt slechts zo te zijn geweest.
|
| Aan het eind van de achtste eeuw had de rivier zelfs haar naam gegeven aan een gouw: Hisloae, Hisloi, Isloi of Islo. Die gouw omvatte het gebied tussen Doetinchem, Wichmond, Oeken (bij Brummen) en Deventer, oftewel het gebied ten noorden van de Oude IJssel.
| Ook hier weer een verwijzing in noot 12 naar de Lexicon van Blok en Künzel. Het is de grondfout ofwel het onjuiste uitgangspunt van dit hele betoog, dat met Hisloa en andere variaties van de naam de IJssel bedoeld zou zijn. Daartegen pleiten alle teksten, tenminste als men ze juist leest en goed begrijpt.
Een voorbeeld van het juist lezen blijkt uit de term Salland. Zie in het rode kader hieronder.
|
| Het wel zaak is te onderzoeken wanneer de Nederlandse naam Salland voor het eerste is gebruikt. Maar dit, de grondslag van gedegen naamkunde, is onbekend terrein voor Blok, die de Salische Franken in Nederland neerzet en van de Sale dan maar meteen de gouw Salland maakt.
| Het is en blijft onbegrijpelijk dat tegenwoordige historici klakkeloos de opvattingen van Blok blijven volgen, terwijl hij aantoonbaar honderden fouten gemaakt heeft en nog honderden andere namen overslaat of niet in Nederland weet te vinden en de vermelding "onbekend" krijgen. Lees meer bij prof.dr.D.P.Blok en over zijn boek de Franken in Nederland.
|
Salland (ook Saland): de Salii worden de Franken genoemd, die ca. 358 na Chr. in de omgeving van de Sala gevestigd waren. Het heeft geen betrekking op een landstreek, maar op de rivier Sala dat de Selle is, die ten oosten van Kamerijk stroomt en ten zuiden van Valenciennes in de Schelde uitmondt. Het betreft hier de Franken aan of bij de Selle, voorheen Sala genoemd. Deze Franken verbleven dus helemaal niet in het Nederlandse Salland. We stoten hier op de zoveelste namen-doublure, waarbij de term Salische Franken, evenals die van de Ripuarische Franken, een zuiver geografisch en geen institutioneel begrip. Ten onrechte zijn de Franken onderscheiden in deze twee groepen, wat al zonder meer fout was daar het overgrote deel van de Franken niet onder een van deze twee noemers viel. Toen de Franse Salische Franken al vele eeuwen niet meer genoemd werden, werd de naam door alle onjuiste historische verplaatsingen, met alle andere deplacements historiques, naar Nederland getransporteerd. Vanzelfsprekend heeft er in Nederland nooit een gouw Salland bestaan, dan slechts in de fantasie van historici, met name van dr.D.P.Blok. De bladzijden van Blok waar hij hierover schrijft, in zijn boek (p.11,15,16,17 en 19) dienen geschrapt te worden. Het was maar één van de vele blunders van Blok. Bovendien heeft Annemarieke Willemse onderzocht en vastgesteld dat "de traditionele etnische indeling in Friezen, Franken en Saksen in Nederland archeologisch niet te bewijzen is". Dan houdt toch ook dit hele verhaal op!
De Salische Franken woonden allang binnen het Romeinse Rijk. Dat ze uit Salland (Gelderland) kwamen is een fabel. M.Gysseling noemt Brabant als de woonplaats van de Salische Franken (dat is dus al binnen het Romeinse Rijk) en noemt tussen neus en lippen door (dus onbewezen!) dat Tilburg hun hoofdstad was. In 358 noemt Ammianus Marcellinus (XI, 11, 8) de veldtocht van keizer Julianus tegen de Salische Franken. En hier hebben de historici de boot volledig gemist. Waarom zouden de Romeinen in een verlaten gebied gaan strijden tegen een volk waar ze totaal geen last van ondervonden? Die strijd vond ook niet plaats in Gelderland, maar in Noord-Frankrijk waar de Romeinen nog aanwezig waren en de Franken woonden, aan de rivier de Sala, de Selle. Later heeft men de naam opgeblazen tot een apart volk. Toen er een Lex Salica en een Lex Ripuaria werden ontdekt, had je de poppen helemaal aan het dansen en werd de verwarring nog groter. Lees ook meer over de Lex Salica onder punt 25 (p.261).
De Lex Salica.
Traditioneel is de Lex Salica onze enige levende taal-bron die mogelijkerwijs in schriftelijke vorm uit de zesde eeuw zou stammen. Dat is niet erg waarschijnlijk omdat Latijn toen alom de gebruikte schrijftaal was. Het oudste fragment zou van rond 800 dateren en Karolingisch zijn, maar waarom het zo is, is moeilijk na te gaan. Het zijn de bekende algemene opvattingen die meestal voetstoots zijn aangenomen. Er zijn met handschriften uit de vroege middeleeuwen enkele problemen. Op de eerste plaats is vaak niet duidelijk waarop de datering is gebaseerd: gaat het over een natuurwetenschappelijk gedateerd materieel document of om een reconstructie van taalkundigen die werken op basis van hun model van een taalkundige ontwikkelingsgeschiedenis dat vanzelfsprekend gebaseerd is op de conventionele chronologie? Maar hoe zit dat bij Latijn? Latijn is een ideale taal om te vervalsen. En dat is dan ook in omvangrijke mate gebeurd. Het is namelijk niet mogelijk om veranderingen in het taalgebruik op te sporen, zoals die zich in een levende taal wel voordoen. Of de Latijnse drama's van Rosvita van Gandersheim in de tiende of zestiende eeuw zijn geschreven is taalkundig niet uit te maken. Bij levende talen ligt dat gezien het woordgebruik en de spelling van woorden inderdaad anders.
Zo kun je de Lex Salica als voorbeeld nemen. We hebben geen tekst uit de zesde eeuw, maar uit de negende (of latere?) eeuw, aangenomen dat de herhaalde vermeldingen ook inderdaad kloppen. Met betrekking tot de merkwaardige en intrigerende tekst Muspilli (een christelijke versie van het gedicht Ragnarök) wordt gesteld dat de Lex Salica uit de bibliotheek van Lodewijk de Duitser zou komen en daarna in Lorsch terechtkwam, maar nergens is na te gaan hoe we kunnen weten dat dat zo gegaan is. Er is vaak een groot verschil tussen inhoudelijke datering (op historische en taalkundige gronden, wat veronderstellingen zijn) en natuurwetenschappelijke datering van het manuscript (als dat al mogelijk is). Zoals al vaker geschreven is, bestaat er een permanente bron van verwarring, maar de bereidheid om daar een eind aan te maken (bijvoorbeeld door betere verwijzingsregels in te voeren) is niet erg groot onder historici, en dat is natuurlijk in bepaald opzicht ook weer begrijpelijk. Waarom zou je algemeen geaccepteerde opvattingen ter discussie stellen? Dat deed Albert Delahaye dus wel en kreeg om die reden geen enkele (openbare) bijval. Feitelijk is het redelijk om als regel te hanteren dat een kopie dan pas een kopie is, als we zeker weten dat er een eerder origineel bestaat. Dat is bij de Peutingerkaart bijvoorbeeld ook niet het geval. De oudste kopie die we hebben stamt uit de 15de of 16de eeuw. Zolang we geen eerdere kopie hebben, is dàt het origineel! Of de teruggevonden Lex Salica het oudste Nederlands dus 1500 jaar oud is, is meer een veronderstelling dan een gegeven feit, ook al wordt het overal als zodanig gepresenteerd. Het zou beter zijn om in plaats van Oud-Nederlands te spreken over Diets. Lees meer over het Diets en over de Lex Salica.
|
Nog een voorbeeld van hoe belangrijk goed lezen is, blijkt uit de tekst uit 1059 (p.249).
De relatie tussen Rijn en IJssel wordt voor het eerst vermeld in een oorkonde die gedateerd is in 1059. Daarin is sprake van de aanwassen langs de Rijn in het gebied tussen Rhenen en Arnhem en langs de IJssel tussen Arnhem en Deventer. De oorkonde is weliswaar een vervalsing uit ca.1180-1200, maar aangenomen wordt dat deze geografische aanduiding is ontleend aan een eerder origineel (p.249).
Let vooral op aangenomen wordt.... Het is dus slechts een aanname zonder feitelijk bewijs!
| In noot 13 wordt verwezen naar E.J. Harenberg (ed.) Oorkondenboek, dl.8. Wij pakken er hier maar het originele Oorkondenboek der graafschappen Gelre en Zutfen van Mr. L.A.J.W. Baron Sloet uit 1872 bij, die het een 'merkwaardige oorkonde' noemt, die slechts bekend is door een uitgave van Lindeborn uit 1310 met verwijzingen naar 1339 en zelfs 1535. Van een eerder origineel is dus totaal geen sprake. De vraag bij dergelijke oude oorkonden waarvan geen originelen bekend zijn, slechts latere verwijzingen, wat er in de opeenvolgende jaren aan toegevoegd of gewijzigd is?
|
We geven hier de letterlijke test van het betreffende deel van die oorkonde. Deze tekst luidt:
"Nos quoque ad honorem Dei at beati Petri apostoli et sancte Walburgis ecclesia in Sutfenne iure perpetuo tenendam concedimus decimam insularum a Riinen usque Arnen et ab Arnen usque Daventriam, insularum dico, que etsi sint, nondum arantur et earum, que ex alluvione Reni et Isle adhuc congeri debent, sive in medio fluminis sint, sive ripam tangant"
| Vertaald is dat: 'Ook wij, tot eer van God, de gezegende Petrus de Apostel, en de kerk van St. Walburg in Sutfenne, verlenen voor eeuwig het tiende van de eilanden van Riinen tot Arnen en van Arnen tot Daventry, ik bedoel de eilanden die, zelfs als ze dat wel zijn, maar nog niet zijn gecultiveerd (omgeploegd), en de eilanden die nog liggen in de overstroming van de Rijn die nog gecultiveerd moeten worden, of ze nu midden in de rivier liggen of aan de oever'.
Nog afgezien van de interpretaties van de genoemde plaatsen, wordt hier nergens over een stroomrichting gesproken, noch over het ontstaan van de Gelderse IJssel. Het gaat duidelijk over overstromingen van de Rijn, dus over transgressies. Lees meer over de IJssel. De hier genoemde Isla (Hisla en andere variaties; het is maar in welke taal of dialect een tekst geschreven werd!), was de Lys of Leie in Vlaanderen?
|
|