Ludo Milis, emeritus hoogleraar Religieuze en Cultuurgeschiedenis van de Middeleeuwen aan de Rijksuniversiteit van Gent, meende ook verstand te hebben van historische geografie, maar beriep zich volledig op (in dit geval) Martine de Reu.

In de 'Boeken Spiegel' (Spiegel Historiael 1979) krijgt Gysseling bijval van prof.dr.Ludo Milis van de Universiteit van Gent (waar ook Gysseling een aanstelling had; je valt je collega toch niet af!) over een artikel in "De Franse Nederlanden" Jaarboek 1979 van de Stichting Ons Erfdeel.
Professor Milis probeert met enkele sarcastische opmerkingen de studie van Delahaye onderuit te halen. Hij schrijft: "Last but not least zij vermeld dat A. Delahaye, die zowat vijftien jaar geleden al furore maakte met zijn 'Vraagstukken in de historische geografie van Nederland' opnieuw voor het voetlicht treedt met 'Het Romeinse en vroeg-middeleeuwse Trajectum te Tournehem-sur-la-Hem'. Gelukkig verwittigt de redactie de mogelijk argeloze lezer ervan dat volgend jaar een repliek zal verschijnen van de hand van de Gentse toponymist M. Gysseling. Spijtig dat die geleerde het zijn taak acht tegen windmolens in het strijdperk te treden. Wanneer Dorestadum, Tilia en Daventria (p. 211) niet Dorestad, Tiel en Deventer zijn, maar Audruicq, Desvres en Tilques (dép. Pas-de-Calais), dan is elke dialoog overbodig. Hoe er ooit een bisschop kan gezeteld hebben in het vredige dorpje Tournehem (en niet in Utrecht) vertelt de auteur niet. Gelukkig misschien voor mij in deze dagen: ik zou mijn tekst voor de nieuwe Algemene Geschiedenis der Nederlanden alleen maar kunnen verbranden ... en ter ontspanning gaan spitten in mijn tuin (wie weet vind ik nog botten van Bonifatius of Willibrord?)
Gelukkig leven we in een democratie waarin persvrijheid (min of meer) bestaat. 'Le ridir cule' valt alleszins nooit onder de censuur! Daarom duidt ik het de redactie van het Jaarboek ook niet ten kwade dat ze dit artikel heeft opgenomen. Naast al het ernstige, fijn overlegde wetenschappelijk werk, waar vooral mijn bewondering en sympathie, mocht na vier jaar wel eens een grappige noot. Prof. dr. L. Milis.Tot zover het citaat.
Commentaar: behalve dat duid ik zonder -t- moet, is er nog het nodige op dit geschrijf van deze professor doktor aan te merken. Uit zijn opmerkingen blijkt dat hij de boeken van Delahaye niet eens gelezen heeft. Dan zou weten waarom Delahaye voor Tournehem koos als plaats van Willibrord. Dat heeft puur te maken met de afstand tot Merville (dat dus niet Maurik kan zijn) en Cassel (niet Kassel) en Arras (Atrecht).
De kwaliteit van de repliek van Gysseling kunt U hier lezen. Ook hier blijkt weer dat het belachelijk maken van de onderzoekingen van Delahaye een veelgebruikt middel is ter verdediging van de traditie. Het fijn overlegde wetenschappelijke geldt blijkbaar niet voor dat van Delahaye, wel voor dat van Gysseling.
Milis vergeet dat de strijd tegen windmolens Nederland juist veel voorspoed en rijkdom heeft gebracht, naast de strijd tegen het water overigens, waarmee de transgressies weer eens bevestigd worden. Uit het verwijt van Milis dat de auteur niet vermeldt hoe er ooit een bisschop gezeteld kan hebben in Tournehem blijkt eens te meer dat hij de boeken van Delahaye nooit gelezen heeft. Hij vraagt zich ook niet af of dat in Utrecht dan wèl mogelijk was. Archeologisch staat immers vast dat ten tijde van St.Willibrord in Utrecht zeeklei werd afgezet. Met andere woorden: Utrecht lag toen onder water. Ondertussen heeft ook archeologisch onderzoek in Utrecht aangetoond dat er in de 7de en 8ste eeuw geen bewoning was. Het 10de/11de eeuwse Utrecht is rechtstreeks op het Romeins gebouwd. Lees meer over Oud-Utrecht.
De tekst van Milis voor de Algemene Geschiedenis der Nederlanden komt blijkbaar in het geding. Ook hier zal wel weer sprake zijn van reputatieschade. Of hij in zijn tuin in Gent nog botten van Bonifatius of Willibrord zal vinden is ook zo'n voorbeeld van het belachelijk maken. Dat het uitgesloten is kan deze professor doktor ook niet weten, als je Dorestad, Tilia en Daventria in Nederland blijft zoeken. Opvallend blijft dat hij naast Tiel en Deventer ook Dorestad als Nederlandse plaats noemt. Waar Dorestad dan ligt moet men maar uitzoeken. Het is in Nederland in elk geval nergens gevonden, zoals ook nu dr.W.A.va Es erkent. Lees meer over Dorestad.
Maar hoeveel heil is er te verwachten van een professor die de Nieuwste tijd vóór de Nieuwe tijd wil plaatsen en daar nog ruzie over gaat maken. De volgorde van de trappen van vergelijking lijkt mij wel duidelijk: Nieuw komt voor Nieuwste en niet andersom.
A.C.Bouman wordt op deze website op meerdere plaatsen genoemd, vaak samen met S.Muller, zoals bij prof.Blok, bij Nifterlake, de abdij van Souasstre, bij P.Henderikx en in het Verhaal van Gelderland. Hun uitgave is een 'samenraapsel' van oude oorkonden die her en der rondzwierven en eind 19de eeuw verzameld werden en in 1920 gepubliceerd werden in een samenwerking van dr.mr.S.Muller met dr.A.C.Bouman. Dat hun 'uitgangspunt' bestond uit de traditionele opvattingen, was in 1920 uiteraard nog vanzelfsprekend. Aan enkele nu achterhaalde opvattingen, werd toen nog niet breed getwijfeld, hoewel een aantal toch meer bekend waren.
Klik op de tekst voor een vergroting.
Het FUNDAMENT van alle verwarring is het Karolingisch Paleis van Karel de Grote in Nijmegen.
Dat paleis blijkt gebouwd op los zand, op nooit bewezen losse beweringen.
Op dat losse zand zijn alle volgende mythen gebouwd.
Immers als Nijmegen fout is, was de Betuwe ook niet het land van de Bataven; was Utrecht niet de bisschopszetel van Willibrord, werd Bonifatius niet in Dokkum vermoord en hebben de Noormannen nooit in Nederland geplunderd.
Dan stort het hele kaartenhuis van de Nederlandse mythen in elkaar.
Bonifatius, Willibrord, Karel de Grote en de Noormannen zijn voor Nederland volkomen legendarisch.
|

Missaal met een afbeelding van Willibrord, van de oudste St.Willibrorduskerk in Nederland (Raamberg bij Zundert) niet gesticht vanuit Utrecht, maar vanuit Tongerlo (B).
|
In TRAJECTA , tijdschrift voor de geschiedenis van het Katholieke leven in de Nederlanden (nr.2 1992) stelde Ludo Milis: "Inmiddels is de theorie van Delahaye om Willibrord en de zijnen in Frans-Vlaanderen te situeren in plaats van in Utrecht, wel helemaal gekelderd, ondermeer door M. De Reu". Milis verlaat zich hierbij op aspirant N.F.W.O. Martine de Reu die in 1989 in Handelingen van de maatschappij voorgeschiedenis en oudheidkunde te Gent, (nr.43 1989, p. 29-48) een artikel schreef met als titel "Willibrord in Nederland: een mythe?" Voor haar is het geen mythe, blijkbaar een zekerheid. Zij moet als aspirant nog wel het een en ander leren. Haar hele betoog is uiterst zwak, aangezien belangrijke zaken overslaat en zich slechts met haar referenties richt op achterhaalde opvattingen van auteurs uit vorige eeuwen. En dan verklaart professor dokter Milis dat het voor hem wel overtuigend is. Heeft hij de boeken van Delahaye wel ooit eens zelf gelezen?
Als men het artikel van Martine de Reu leest, waar prof.Ludo Milis dus op blindvaart, blijkt De Reu slechts achterhaalde ideeën van auteurs uit een (soms ver) verleden te citeren. Met opvattingen uit vorige eeuwen kun je de visie van Delahaye niet weerleggen.
De visie van Albert Delahaye.
Het artikel van Martine de Reu is feitelijk te kwalificeren als naschrijverij van aloude opvattingen. De door haar genoemde bronnen heeft Albert Delahaye uiteraard ook gelezen en zeker ook goed bestudeerd, maar kwam tot een geheel andere conclusie. Zo kun je wel verwijzen naar Theofried van Echternach of naar Adam van Bremen, maar hun falsificaties liggen er duimendik bovenop. Dat dient een historicus meteen te doorzien, zoals Dockynchirica ook niet Dokkum kon zijn, maar Duinkerke was. Duinkerke geeft al meteen de juiste plaats aan waar de historische verplaatsingen vandaan kwamen, maar waar Bonifatius, Willibrord en andere predikers van het ware geloof thuis hoorden. De plaatsen in de klassieke teksten genoemd, worden door De Reu 'vertaalt' met de traditionele opvattingen. Zie als voorbeeld Walcheren of Trajectum. En precies dàt is het verschil in de opvatting tussen Delahaye en de traditie die De Reu hanteert. De plaatsen zijn immers de kapstokken van de historische gebeurtenissen. Daarnaast is de logica doorslaggevend. Wie of wat viel er te bekeren in Friesland tijdens de transgressies? Het is archeologisch vastgesteld dat Dokkum in de tijd van Bonifatius niet eens bestond. Ook Utrecht bestond niet in de tijd van Willibrord. Op een niet bestaande plaats en zonder bevolking kunnen zij niet gemissioneerd hebben.
Veronderstellingen.
Martine de Reu blijkt in haar artikel 'Willibrord in Nederland: een mythe?', steeds uit te gaan van enkele aangenomen veronderstellingen, die juist aan de basis liggen van het grote misverstand dat Albert Delahaye toch voldoende weerlegd heeft. Zo wijzen de de taalgrens en waar je "de overkant" ziet, toch de juiste streek aan. Daarnaast blijft het paleis Noviomagus van Karel de Grote in Nijmegen onvindbaar, want het stond in Noyon. Het Bronnenboek van Nijmegen toont onmiskenbaar het gelijk van Delahaye aan. |
|  |
Maar zijn de veronderstellingen bewezen met feiten?
Wij kennen nu toch de geschiedenis van Willibrord en Bonifatius, van Liuger en Lebuinus? Deze predikers zijn allemaal zonder enig probleem in Frans-Vlaanderen te plaatsen. Is het niet vreemd dat in Utrecht of Friesland geen enkele kerk vanouds het patronaat van Willibrord heeft, maar kerken in Vlaanderen wel? Is het ook niet vreemd dat de oudste St.Willibrordkerk in Nederland gesticht is vanuit Vlaanderen en niet vanuit Utrecht? |
Martine de Reu heeft zeker alle teksten en gegevens geraadpleegd, maar is bij haar opvattingen uitgegaan van enkele nooit bewezen veronderstellingen, wat ook wel blijkt uit woorden als 'wellichtt', 'mogelijk', 'waarschijnlijk'. Ook zijn veel van haar referenties behoorlijk gedateerd, zoals uit het begin van de 20ste eeuw (1914, 1920), de jaren 50 en 60 en enkele uit de jaten 80 van de vorige eeuw, waarin (soms heftige) discussies plaats vonden tussen Delahaye en de traditionalisten zoals prof.J.E.Bogaers van de Universiteit van Nijmegen (zie het krantenknipsel hiernaast). Dan is niet zomaar uitgemaakt dat Bogaers gelijk zou hebben, omdat hij een professor (archeologie (sic) was. Ook een professor moet bewijzen wat hij beweert, niet op grond van zijn titel, maar op grond van argumenten. Zonder feitelijk bewijs blijft het allemaal speculatie.
Verwijzingen.
Bij 'verwijzingen' gaat het om een voorganger die je citeert voor je gelijk. Een verwijzing naar gelijkgestemden vormt echter geen bewijs.
Volg je de lijn van verwijzingen in de etymologie en toponomie dan kom je allereerst uit bij D.P.Blok en M.Gysseling, die hun wijsheid ook weer hebben van voorgangers, zoals Moritz Schönfeld. Maar het gaat nog verder terug. In de 18de en19de eeuw zijn enkele opvattingen aangenomen, die nog steeds de basis vormen van alle etymologische en toponymische uitgangspunten. Dat die onjuist kunnen zijn wordt niet eens overwogen, laat staan bestudeerd. Wie dat wel met argumenten weerlegd, wordt gezien als een ondeskundige, de bron als een vervalsing. Het gaat dan meestal over plaatsnamen, die men verklaard met onjuiste aangenomen toponymische of etymologische opvattingen. Het Oera Linda Boek is daarvan het beste voorbeeld.
|
De 'vertaling' van de plaatsnamen is dan wel volgens de traditie, maar zijn deze juist? Is Trajectum wel Utrecht? Let vooral op de 'verwijzingen' naar gelijkgestemden. Een verwijzing naar gelijkgestemden vormt geen bewijs.
Als voorbeeld kunnen we A.J.Bijsterveld noemen, waar De Reu ook naar verwijst. Zijn opvatting over de oudste kerken in Brabant heeft hij toch herzien. In plaats van de 8ste eeuw stelt Bijsterveld ze nu op de 12de eeuw, wat precies aansluit bij de visie van Delahaye.
Wat lezen we in dit artikel? We geven hieronder letterlijke citaten en in rood onze opmerkingen.
Toen Delahaye benoemd werd in Nijmegen en de stadsgeschiedenis bestudeerde, begon hij te twijfelen aan de algemeen geldende opvatting volgens welke Karel de Grote in Nijmegen een palts gebouwd had, die later bewoond werd door de Karolingers en de Duitse keizers en
koningen. Vrij snel kwam Delahaye tot de conclusie dat niet Nijmegen, maar Noyon de residentiestad Noviomagus van Karel de Grote geweest was. Nu eenmaal de geschiedenis van Nijmegen aan Noyon bleek toe te horen, was het onvermijdelijk dat ook de rest van de Nederlandse geschiedenis naar Noord-Frankrijk overgeplant moest worden. Die onvermijdelijke conclusie was geheel terecht, aangezien de gehele 'vaderlandse' geschiedenis onlosmakelijk verbonden werd met het Karolingische paleis in Nijmegen, zoals de geschiedenis van St.Willibrord en andere predikers. De bekende oorkonde uit het jaar 777, die een schenking van Karel de Grote aan het klooster van St.Willibrord betrof, werd als eerste genoemd. Maar als de schenker niet in Nijmegen verbleef, maar in Frankrijk, gaat deze oorkonde ook niet over Nederland waar het traditioneel rondom Utrecht werd geplaatst. Ook archeologisch is van die vermeende palts in Nijmegen NIETS gevonden, wat ook blijkt uit boeken over Het Valkhof, 2000 jaar, het verhaal van Gelderland, voor het Gelderland werd en Nijmegen, de oudste stad van Nederland. Het in 1980-1981 verschenen Bronnenboek van Nijmegen met alle schriftelijke gegevens, maakt definitief een einde aan de Karolingische geschiedenis van Nijmegen. Dat zou De Reu toch moeten weten, immers "De Bisschop van Nijmegen" staat in haar literatuurverwijzingen. Maar over de geschiedenis van Nijmegen heeft De Reu het niet en dat is een ernstig gemis. Zonder Nijmegen was er ook geen Willibrord in Utrecht.
Zo 'bewees' Delahaye, dat Willibrords bisschopsstad Trajectum niet met Utrecht, maar met Tournehem geïdentificeerd moest worden, Aefternacum werd Sperleke (=Eperlecques), Dorestad Audruicq ... Ook streken en zeeën, bijvoorbeeld de Betuwe en het Almere, werden zonder aarzeling in het noorden van Frankrijk gesitueerd. En missionarissen, zoals Willibrord, Liudger ed. ontsnapten evenmin aan de transplantatiewoede van deze auteur. Willibrord en de zijnen zetten nooit maar een voet in Nederland! Waar deze transplantaie-'woede' uit bestond, wordt niet toegelicht of was het de 'woede' van zijn opponenten die niets tegen de opvattingen van Delahaye konden inbrengen, dan slecht tegen eigen opvattingen te fulmineren? (zie knipsel over Bogaers hierboven). Doordenkend op het vorige punt waren die verplaatsingen geheel begrijpelijk. Als Karolingisch Nijmegen naar het zuiden verdwijnt, dan gaat alles dat daarmee te maken heeft en onlosmakelijke mee verbonden is, onheroepelijk mee. Toen die juiste richting eenmaal gevonden was, bleek het voor Delahaye vrij eenvoudig om alle plaatsen die men in Nederland maar niet kon vinden, in Frankrijk zo aan te wijzen. Zie het overzicht en kaart hieronder: Klik op de kaart voor een vergroting.

Honderden plaatsnamen uit de klassieke historische bronnen zijn onvindbaar in Nederland, Duitsland of Luxemburg. In Frans-Vlaanderen liggen ze allemaal!
- 362 namen van het bisdom Trajectum zijn onvindbaar in Utrecht;
- 214 namen van de abdij Aefternacum zijn onvindbaar bij Echternach (Lux);
- 206 namen van de abdij Werethina zijn onvindbaar bij Werden (D);
- 305 namen van de Fresones zijn onvindbaar in Friesland of Schleswig-Holstein (D);
- 550 namen van de Batua en Taxandria zijn onvindbaar in de Betuwe of in Brabant;
- de Romeinse namen van Germania zijn onvindbaar in Duitsland.
Als De Reu twijfelt aan de locaties van Delahaye, laat ze dan eens al deze plaatsen in Nederland, Luxemburg of Duitsland aanwijzen. Ze kan ook eens bij D.B.Blok en M.Gysseling zoeken in hun Toponymische Woordenboeken en deze dan aanvullen, immers beide heren weten van veel plaatsen ook geen locatie te vinden. Blok slaat van de 206 plaatsen van de abdij van Werethina er 161 over. Bij hem zijn in totaal 843 plaatsen «onbekend». Bij Gysseling is het al niet veel beter, daar is 45% van de genoemde plaatsen «onbekend». En aangezien de plaatsen de kapstok zijn van de historische gebeurtenissen, gaan die ook maar de locaties die Delahaye wel vond, zoals Withmundi dat aan zee lag en dus niet Wichmond in Gelderland (optie Blok) kan zijn.
Willibrord bouwde niet enkel in Echternach een klooster, maar dat hij ook Utrecht met een klooster begiftigde, nl. het Sint Maartens-klooster. De Reu verwijst hiervoor naar een hele rij historici wat wel 'overtuigend' overkomt. Ze noemt; Bouman, Post, Stolte, Martin de Bruijn, H.Camps, Smulders, Gysseling, Verhulst en Declercq en H.J.Kok, die dit inderdaad allemaal beweren op grond van hun traditionele opvattingen. Klik op de naam voor meer informatie. Het zijn vaak oude opvattingen. Het oudste klooster in Utrecht was de Paulusabdij uit de 11de eeuw, zoals men heeft vastgesteld en wat ook Martin de Bruijn en zijn compagnon Charlotte Broer momenteel vinden. En Echternach is ook niet ouder dan de 10de eeuw, dus zeker niet uit de tijd van Willibrord (8ste eeuw).
In een oorkonde van het jaar 722 schonk Karel Martel aan het klooster van St. Willibrord ”dat buiten de muren van Trajectum was gebouwd” de baten van de tol in de burcht van Trajectum, tevens een weide in Gravelines. Neemt men voor Trajectum Utrecht, dan kan het klooster van Echternach nooit bedoeld zijn, dat op meer dan 300 km afstand ligt. Dan is de opvattingen van Delahaye wel acceptabel die Epternacum, ook genoemd Aefternacum, in Eperlecques plaatst, op 7 km van Tournehem gelegen. Van St.Luger is bekend dat hij 's nacht vanuit het klooster in de kerk ging bidden. Dat maakt van Utrecht en Echternach een farce.
Pepijn II had in 689 Frisia citerior ingelijfd bij het Frankische rijk; het rivierengebied behoorde voortaan tot Francia, stelt De Reu. Dat Frisia Citerior het Nederlandse Friesland zou zijn, is een nog steeds te bewijzen aanname. En dat het Francia van Pepijn II al geheel Frankrijk zou zijn geweest, is eveneens een aanname. Het Francia van Pepijn was zeker niet groter dan Neustrië en Austrasië, maar dan wel het oorspronkelijke zonder dat historici dat hadden opgerekt (door de onjuiste locaties van klassieke plaatnamen). Francia reikte nooit tot in Nederland. Ook dat is een onbewezen aanname. 'Archeologisch zijn de Friezen en Franken in Nederland niet te bewijzen', schreef Annemarieke Willemsen al. Lees ook meer over de Friezen en de 'de Saksen'.
Het is echter zeer twijfelachtig of een landing te Grevelingen in 690 mogelijk was. Sinds ca 270 was de kustvlakte immers overstroomd ten gevolge van de Duinkerke II-transgressie. Bewoningscontinuïteit wordt enkel op duineilanden aan de kust en verhevenheden in de polders geattesteerd. Polders? Waren die er al in 270 n.Chr.? Gravelines was volgende Delahaye de aankomstplaats van Willibrord en de zijnen, op het vasteland. Twijfelachtig? Dus wel mogelijk? De Reu erkent dus wel de transgressies, waardoor hier ook het Almere bestond. Willibrord en de zijnnen voeren niet voor niets 'op een steen' als extra ballast voor de stabiliteit van hun boot. Het was stormachtig weer, immers een plaatselijke schipper durfde hen niet over te zetten. De Reu vermeldt -heel verstandig- Katwijk niet als Nederlands alternatief van de aankomstplaats. Waarom eigenlijk niet? Vind ze dat ook niet acceptabel?Soms is wat er niet vermeldt wordt, interessanter dan wat er wèl geschreven is. Wat De Reu ook niet vermeldt is dat Willibrord een missie-bisschop was, waarbij een vaste bisschopszetel niet vanzelfsprekend is.
Thiofrid, abt van Echternach, verhaalt echter op het einde van de elfde eeuw in de Miracula Sancti Willibrordi hoe de inwoners van Walcheren in conflict raakten met de Vlaamse graaf Robrecht I de Fries (1071-1093). Was dit het Walcheren in Zeeland (dat toen nng niet bestond), of was het Walcheren bij Brugge, of toch Walicrum in Frans-Vlaanderen? Van Thiofrid/Theofried (betekent Gods Vrede) en Theoderich heeft Delahaye aangetoond dat zij akten vervalsten om in bezit van goederen te komen voor de noodlijdende abdij van Echternach. Het was abt Theoderich (betekent Gods Rijk, zeer toepasselijk: hij heeft de abdij zeer rijk gemaakt met zijn valse claims) van Echternach, de samensteller van het Liber Aureus (Gouden Boek) van Echternach dat de oude oorkonden bevat, die bekend staat als een van de beruchtste vervalsers uit de geschiedenis. Dit is geen oordeel van Delahaye, doch van vrijwel alle historici, bij welk oordeel de Duitse voorop lopen. En toch volgt men (ook Wampach) de opvattingen van vervalser Theoderich. Van abt Theofrid is bekend dat hij in 1031 het corpus van Willibrord terugvond in Echternach. Dat verhaal is zo ongeloofwaardig, dat slechts een heel sterk geloof dat voor waar aannam, wat een omvangrijke pelgrimage opleverde. In de 14de eeuw ontstond in Echternach de zogeheten 'springprocessie', om het pelgrimsgevoel wat aan te wakkeren. Ook hierbij ging het uiteraard om de 'pecunia's'. Dat historici dat niet doorzien hebben, blijft nog steeds een vraag. De Reu blijft blijkbaar ook geloven in hetgeen deze abt schreef. Als het over 'wonderen' gaat om iets te bewijzen, dient een historicus zéér achterdochtig te worden. Lees daarover meer bij Heiligenlevens.
Na de dood van Pepijn II in 714 en de daaropvolgende opstand van de Friese vorst Radbod zien we hoe Willibrord zich noodgedwongen terugtrok te Echternach. Afgezien van het feit dat het zeer onwaarschijnlijk is dat Vulframnus in 714 nog in leven was, blijkt uit het itinerarium van Willibrord dat hij tussen 714 en 718 te Echternach en in Thüringen verbleef. Met het itinerarium van Willibrord zal De Reu wellicht het 'testamentum' van Willibrord bedoeld hebben. Een itinerarium van Willibrord is onbekend. St.Wulfram was bisschop van Sens van 693 tot 720, dus in 714 zeker nog in leven. Die opstand van de Friezen onder leiding van Radbod, werd in 717 door Karel Martel bedwongen, welke veldslag in Vinciacum plaats vond. Vinciacum is Inchy-en-Artois tussen Atrecht en Kamerijk. Kwamen de Friezen helemaal uit Friesland om ver in Frankrijk een veldslag te voeren? Of woonden ze daar in de buurt? Radbod zou door St.Wulfram gedoopt worden (volgens de traditie in Medemblik), maar trok zijn voet/been terug uit de doopvont toen hij vernam dat hij niet bij zijn voorouders in de hemel zou komen. Die waren immers niet gedoopt en waren dus niet in de hemel. Radbod stierf in 719, hetzelfde jaar dat hij het geloof geweigerd had (volgens Alcuinus).
Enkele jaren voor zijn dood maakte St. Willibrord een testament, waarin hij beschikkingen trof over zijn goederen. Sommige historici verwerpen het als een vervalsing van de abdij van Echternach; anderen nemen het met enige voorzichtigheid als authentiek aan. In dat testament schonk hij een deel van zijn goederen aan de abdij van Epternacum, een ander deel aan het bisdom. Van de 21 plaatsen, zogenaamd in Noord-Brabant gelegen, staan er maar 8 in het testament. Als dit testament echt is (dit is hier de werkhypothese, anders hebben wij geen enkele basis meer), dan heeft de abdij van Echternach zijn pretenties op de resterende 13 plaatsen niet ontleend aan de schenking van St. Willibrord. Waarschijnlijk heeft ook de abdij het precies zo opgevat, want zij heeft ten aanzien van de andere plaatsen nooit pretenties gesteld en derhalve ook nooit die namen uit de akten op Noord-Brabant toegepast. Dit is het werk geweest van de veel latere historici, die het beter meenden te weten dan de eerst belanghebbende.
Het blijft dan ook zeer opmerkelijk dat alle 'verloren' bezittingen die aan Willibrord of zijn klooster 'buiten de muren' van Trajectum, geschonken zijn, niet door het bisdom Utrecht of door de Paulusabdij in Utrecht zijn geclaimd, maar door de abdij van Echternach, waarvan niet eens zker is of die door Willibrord gesticht is. Zou een bisschop zijn 'thuisabdij' in een ander bisdom -zelfs een ander aartsbisdom- gesticht kunnen hebben? Dat maakt die claims zéér verdacht.
Dat Willibrord tussen 714 en 718 in Echternach en Thüringen verbleef is de vraag. Volgens Alcuinus (Vita S.Willibrordi, AS, nov.III p.441) verbleef Willibrord tussen 717 en 719 bij de Dani in Normandië en op het (mysterieuze) Fositesland. De Reu geeft als referentie: WAMPACH (C.) en wat Camile Wampach uit Luxemburg in 1929 schrijft is zeker zo geweest in zijn tijd. Dat was de algemene opvatting toen er nog geen twijfel bestond over Willibrord in Utrecht of in Echternach. Wat er in de oorspronkelijke Latijnse tekst stond hebben we opgezocht en hieronder afgebeeld. Deze tekst uit het "Liber Aureus" was opgesteld door Theodericus van Epternacensis. Er stonden in elk geval niet de moderne namen Echternach en Thüringen in. Zie hieronder.
We gaan hier wat dieper in op dit probleem, aangezien het ten grondslag ligt aan de FUNDAMENTELE VERWARRING.
WAMPACH (C.), Geschichte der Grundherrschaft Echternach im Fruhmittelalter, 1.1 Textband, Luxemburg, 1929, p. 62. Van belang is wat er in de oorspronkelijke Latijnse tekst stond in het "Liber Aureus", het gouden boek, dat was opgesteld door Theodericus van Epternacensis. De volledige titel van deze uitgave luidt: Wampach, C., Geschichte der Grundherrschaft Echternach im Fuhmittelalter. Untersuchungen liber die Person des Gründers, Liber die Kloster- und Wirtschaftsgeschichte auf Grunddes Liber Aureus Epternacensis (698-1222). I. 1. Textband; I 2. Quellenband, Luxemburg 1929 - 1930. Wij beschikken slechts over een kopie van kopie uit 1771 door M.Ensch, notaire, opgesteld. De tekst in het Latijn is op internet na te lezen. Daar komen de moderne namen Echternach en Thüringen niet in voor. Wel de namen zoals hieronder afgebeeld.

In de handgeschreven tekst (geschreven tussen 1190 en 1222) stond dus Epternacenses en Turingersensis; in een gedrukte tekst (uit 1771 en 1883) lezen we ook Esternacum. Vraag is nu wat er in de oorspronkelike akten stond en niet in de afschrijvingen van Theoderich en de nadrukken uit de 18e en 19e eeuw. De oorspronkelijke akten zijn onbekend, waarschijnlijk (aanname?) in de open haard verdwenen om de (opzettelijke?) vervalsingen te verduisteren, wat geheel gebruikelijk was in die en latere tijd (zelfs heden nog!).
Toch zijn in deze teksten gegevens terug te vinden, waaruit die vervalsingen blijken. We geven enkele voorbeelden:
Het klooster van St. Willibrord wordt in de oudste teksten Aefternacum of Eptemacum genoemd. Hij heeft het gesticht, overigens al vóór zijn bisschopswijding, kort nadat hij in 690 met 11 monniken in Francia aankwam. Dat had De Reu kunnen weten, immers het boekje "Van Dorestad tot waderloo" van Delahaye, staat in haar literatuurlijst. Dat zal ze toch wel gelezen hebben? De namen Eperlacum, Epterlacum of Aefterlacum (lacus = meer) geven aan dat de plaats op de oever van een meer lag, in dit geval het Almere. Echternach lag niet aan een meer, ook al bestaat daar nu het kunstmatig aangelegde Echternacher meer. Men mag zich zelfs afvragen of Epternacum wel de juiste en oorspronkelijke vorm is geweest, of misschien een kleine fonetische verandering in omgekeerde richting, toen in Duitsland de vorm Echternach was ontstaan. Echternach zou ook niet van Epternacum afgeleid zijn, maar van de persoonsnaam Epternus en het achtervoegsel -(i)acum (plaats), volgens eigen informatie van Echternach op Wikipedia. Deze (gereconstrueerde) naam werd gevonden op een grafsteen uit de eerste eeuw na Christus binnen de stad, doch daar bestaan twijfels over. Op de steen zou slechts -ternus te lezen zijn geweest. (Bron: Wikipedia).
Turringia, ook Thoringia of Thuringia, was het land van Doornik, dat als zodanig honderden malen in de historische bronnen wordt genoemd. Het gros van de historici heeft het als het Duitse Thüringen opgevat. Prof.Blok (De Franken in Nederland, p. 22) maakt er Tongeren van (sic)!
Van de pagus Renensis heeft Theoderich van Echternach pagus Surensis gemaakt (de Sauer in Luxemburg); van de pagus der Batua maakte hij Bedensis; van de pagus Wabarinsis de Wavergau; van de pagus van Ardres het land van de Ardennen; de pagus Missala was de Selle bij Kamerijk en niet de Moezel; van de pagus Duplao - de Deule het land van de Dommel in Brabant. Waarom vervalsingen? Omdat deze namen nergens in oorkonden vooromen, dan slechts in die in het 'Liber Aureus'. De twee streken Ardres en Wabarinsis - Wavrans waren onderdelen van de Batua. Hier zijn in één geheel namen opgenomen, die de oorkonden van Eperlecques in drie gouwen noemt. Bovendien in het vreemd dat een deel van die geschonken goederen aan de abdij van Echternach, in een ander bisdom liggen, zelfs in een geheel ander aartsbisdom. In het Liber Aureus staat de zin: " En ik geef u nog in de pagus van Testerventi, aan de Mosa, in de plaats Birni een hoeve land met al het daarbij behorende vee" . Enigszins vreemd is het, dat deze schenking na de akte is bij geschreven. Zo'n postscriptum is meestal verdacht. Deze tekst is ook niet te plaatsen in Bern (buurtschap in Zaltbommel, gesticht in 1134) dat niet in Brabant (dat toch Texandria was) ligt, maar wel perfect in Frans-Vlaanderen, waar Testrebant, de Moeze en de plaats Bierne liggen. Het gevolg was, dat de plaatsnamen met scheppen tegelijk werden verplaatst van het oorspronkelijke land in Frans-Vlaanderen naar Nederland, Duitsland en Luxemburg.
Liber Aureus van Echternach.
In het 'Liber Aureus' -het Gouden Boek- van Echternach, door Delahaye terecht het 'dievenboekje' genoemd - het heeft zijn geld meer dan opgebracht-, bevat afschriften (feitelijk allemaal vervalsingen!) van oude oorkonden van de abdij van Willibrord. Het is geschreven tussen 1190 en 1222 en het geeft feilloos aan hoe de noodlijdende abdij van Echternach aan zijn "verloren gegane" bezittingen kwam.
Het valt op hoe dikwijls is toegevoegd: "ubi sanctus Willibrordus corpore requiescit" (waar Willibrord lichamelijk rust). Het staat in ca. de helft van de afschrijvingen. Door de zo frequente herhaling van deze inlas die altijd van dezelfde stereotype is en zich daarom al als vervalsing blootgeeft, had de abdij van Echternach niet duidelijker kunnen maken hoe verbeten zij iedereen aan het verstand wilde brengen dat Willibrord wel degelijk in Echternach begraven was. Alle historici en de goedgelovige gemeenschap zijn er ingetuind.
De situering van St.Willibrord te Utrecht, door Echternach voor het eerst geponeerd omdat men daar de juiste plaats Trajectum evenmin kende, ging de abdij verloren geraakte goederen terugeisen. Het is van betekenis, dat dit samenviel met het samenstellen van het ’’Liber aureus” = het gouden boek, waarin Theoderich oude oorkonden en akten heeft verzameld. In dit werk heeft hij enige grove vervalsingen gepleegd, met name met plaatsnamen. In de loop der eeuwen is er het nodige aan toegevoegd, zoals (als voorbeeld) staat naast een tekst een nota uit de 15e eeuw: '”Dit is de schenking van Werdart nabij Walre”'. Werdart zou Valkenswaard zijn, Walre zou Waalre zijn geweest. Echternach krijgt Waarle pas in 1268 in bezit.
Wampach ziet in de samenstelling van dit cartularium meer de opzet, de rijksonmiddelbaarheid van de abdij en haar koninklijk statuut te beschermen tegen de aanspraken van de bisschoppen. In elk geval heeft aan het Liber aureus duidelijker een materiële dan een historische tendens ten grondslag gelegen. Vatten wij Liber aureus (gouden boek) in de betekenis van "geldboek" op, dan treffen wij de diepste zin ervan. Het spreekt als het ware vanzelf, dat in Echternach het begerig oog gericht werd op Utrecht, op Taxandria (inmiddels een weinig van plaats verschoven), op Walacria en Zeeland (sancto Willibrordo aecclesiam in Antwerpo castello, sito super fluvium Schalda in pago Renensium, (Wampach nr.1)); Antwerpo werd opgevat als Antwerpen, Walcria was dan toch zeker Walcheren. Ook in Emmerich en het land van Kleef meende de abdij Echternach, hadden werkzaamheden van St. Willibrord gelegen. Daar lagen ook de plaatsen, die op het oog dezelfde waren als in de bronnen van St. Willibrord genoemd. 'Op het oog'. Echternach eiste goederen en rechten op in plaatsen, die voorheen niet hadden bestaan. Dat het de abdij in sommige gevallen ook nog gelukt is, de erkenning van die rechten te verkrijgen, lijkt vreemder dan het in werkelijkheid is. De abdij was machtig en werd gesteund door de geestelijkheid en de wereldse vorsten. De bevolking slikte het, moest het slikken, want de abdij kon het 'bewijzen' met geschreven oorkonden. Toch trapte de graaf van Holland Floris II er niet in en verklaarde dat het land volkomen leeg, woest en onbewoond was toen zijn opa (Arnulf van Gent) hier kwam. Er bestond geen oude kerken. Echternach kreeg toen van de graaf van Holland 'ter compensatie' enkele gronden in Zeeland, waarmee pas toen daar een Willibrordtraditie begon. Echternach ging toen kerken in Noord-Brabant claimen, waar sinds 1157 en 1175 enkele St.Willibrordkerken bestonden. Echternach is er slechts in vier (4!) gevallen in geslaagd een kerk te claimen. Opvallend is dat Echternach de oudste St.Willibrordkerk in Brabant en in heel Nederland, die van de Raamberg in Zundert, nooit geclaimd heeft. Die kerk was immers gesticht door en in bezit van de abdij van Tongerlo.
Bij de bezittingen van Echternach in Brabant worden de volgende 18 plaatsen genoemd: Haeslaos, Alfeim, Baclaos, Birni, Durninum, Dissena, Eresloch, Heopordum, Hoccascaute, Hulislaum, Hezia, Meginum, Milheeze, Oss, Replo, Rumelacha, Fleodrum, Waderlo. De rood gekelurde plaatsen zijn slechts door Echternach geclaimd. De overige plaatsen zijn later door historici aan het bezit van Echternach toegevoegd. Geen enkele van deze plaatsen wordt door De Reu besproken, niet eens genoemd. Dat maakt haar betoog zo zwak en dat van Delahaye zo sterk en overtuigend!
Fositesland.
Tussen het land van de Friezen en de Denen lag in de vroege middeleeuwen het eiland Fositesland, heilige plaats van de Friese god Fosite. Het werd bezocht door twee christelijke missionarissen, Willibrord en Liudger, die de Friezen kwamen bekeren. Het is een vraag waar generaties historici zich over hebben gebogen. Uit de heiligenlevens van Willibrord en Liudger blijkt dat het eiland in het grensgebied tussen de Friezen en de Denen lag, in de Noordzee dus. In Willibrords tijd hield de Friese koning Redbad er hof. Aan het eind van de elfde eeuw stelde de Duitse kroniekschrijver Adam van Bremen Fositesland gelijk met Helgoland, een klein eiland in de Duitse Bocht. Die identificatie is door verschillende historici in twijfel getrokken.
Volgens Albert Delahaye was Fositesland 'Le Fossé' een eiland tussen de Eppte en de Mesangueville.
Dat Willibrord naar de Dani trok, is door de historici algemeen uitgelegd als “naar Denemarken”, zodat Fositesland even algemeen werd opgevat als Helgoland (sinds Adam van Bremen)!! Deze reconstructie leek aanvaardbaar voor Willibrord, ofschoon zij haar voor Wulfram van Sens, die ook Fositesland bezocht, niet konden gebruiken en daarom het betreffende eendere bericht over Wulfram als onbetrouwbaar bestempelden. De term Dani duidt helemaal niet Denemarken aan doch de streek ten zuiden van Montreuil, waar al vroeg in de 6e eeuw over Dani wordt gesproken. Bij teksten inzake Frisia en Saxonia treft men er verscheidene aan, die de grens tussen de Fresones en de Dani herhaaldelijk daar situeren en dan de Canche en de Authie als grensbepalingen noemen. Fositesland is een voormalig transgressie-gebied, gelegen in de streek van de Dani en dat vandaag nog de naam draagt van Le Fossé (39 km noord-oost van Rouen). “Fosse”, letterlijk “gracht”, duidt landschappelijk een diep vochtig dal aan tussen hogere gronden. Le Fossé ligt op een eiland dat door de rivieren de Epte en de Mesangueville wordt gevormd. Nergens staat in de bronnen dat het een eiland in zee was. Overigens blijkt ook uit de context, dat deze tocht van Willibrord (zoals die welke Ludger zo’n 80 jaar later eveneens en met even weinig succes naar dit ‘eiland’ ondernam: over land is gegaan, althans niet over zee. De gangbare determinatie die in de 8e-9e eeuw de Dani in Denemarken zoekt, loopt dan ook te pletter op de rotsen van Helgoland.
|
|