De historische geografie van de lage landen.
Terug naar de beginpagina.
Het Bronnenboek van Nijmegen weerlegt de Karolingische geschiedenis van Nederland.
Naar het overzicht in het kort.

Dr.J.E.A.L.Struijck: "Utrecht door de eeuwen heen".

Historische Mythen. "Van veel gebeurtenissen bestaan verschillende, soms tegenstrijdige versies. Sommige verhalen zijn ronduit onwaar.
Toch blijven ze in omloop, soms eeuwen lang, tot in onze tijd. Het zijn historische mythen". (Citaat uit Geschiedenis Magazine nr.3 uit 2015).
Nijmegen
Karel de Grote
Willibrord
Bonifatius
Bataven
Franken
Friezen
Saksen

Aan deze pagina wordt nog gewerkt!



Prof.D.P.Blok bewijst de valsheid van de Utrechtse en Nederlandse geschiedenis en geeft Albert Delahaye volkomen gelijk in zijn visie. Zie hiernaast bij punt 14.

Klik op de tekst voor een vergroting.

Het FUNDAMENT van alle verwarring is het Karolingisch Paleis van Karel de Grote in Nijmegen. Dat paleis blijkt gebouwd op los zand, op nooit bewezen losse beweringen. Op dat losse zand zijn alle volgende mythen gebouwd. Immers als Nijmegen fout is, was de Betuwe ook niet het land van de Bataven; was Utrecht niet de bisschopszetel van Willibrord, werd Bonifatius niet in Dokkum vermoord en hebben de Noormannen nooit in Nederland geplunderd.
Dan stort het hele kaartenhuis van de Nederlandse mythen in elkaar.


Bonifatius, Willibrord, Karel de Grote en de Noormannen zijn voor Nederland volkomen legendarisch.


De mythen van Willibrord in Utrecht zijn eenvoudige te weerleggen. Desondanks blijft men vasthouden aan deze traditie. Blijkbaar heeft men toch een sterk geloof.

Geloof is niet te bestrijden met feiten!



Klik op de afbeelding voor meer informatie!


Opvallend in het boek van Struijck blijkt dat de ene mythe de andere nodig heeft of ondersteunt om overeind te bliijven. Dat blijkt bijvoorbeeld uit pagina 23 waarover we toch meerdere opmerkingen maken. Haalt men nu één gegeven ondruit, bijvoorbeeld dat archeologische is aangetoond dat Utrecht in 690 niet bestond, dan vervallen ook alle argumenten over de Friezen, Franken en Vilten (Saksen!) die dan niet in Nederland woonden. Overigens merkte Annemarieke Willemsen daarover al op dat "Archeologisch zijn de Franken en Saksen in Nederland niet te duiden. De traditionele etnische indeling in Friezen, Franken en Saksen in Nederland is archeologisch niet te bewijzen".
"Utrecht door de eeuwen heen" (uitgave Het Spectrum, 1968, 400 pagina's A4) van dr.J.E.A.L.Struijck is een verhelderend boek, vooral om te letten op wat hij 'overslaat', dus niet vermeldt. Struijck geeft een duidelijk overzicht dat de ooit ontstane mythen die nog steeds gevolgd worden. Hij geeft echter geen toelichting op het geschrevene, dan slechts te vewijzen in zijn litatuurlijst naar 'gelijk gestemden'. Het zijn dus de opvattingen uit 1968. We bestuderen slechts hoofdstuk 1 en 2, waar onze studie over handelt en voorzien het gelezene van onze opmerkingen in rood: (sorry voor de soms omvangrijke uitleg, die toch noodzakelijk is om vastgeroeste tradities gefundeerd te weerleggen). Hoofdstuk 3 begint in 1305, waarna het verhaal vervolgt wordt met de geschiedenis die buiten ons onderzoeksgebied ligt: de 14de eeuw en later, al lezen we daarin nog wel enkele achterhaalde opvattingen.

Het is opmerkelijk dat wat Struijck juist wil bewijzen, namelijk dat Utrecht in de 7de eeuw bestond (p.18), door zijn verwijzing naar D.P.Blok volledig wordt tegengesproken: de tijd vóór St.Willibrord is een feitenloze woestijn!, schrijft Blok.
Zie punt 14 . 'Feitenloos' betekent gewoon dat er niets gevonden of gebleken is; 'woestijn' dat het een woestenij was. Beter was geweest het een feitenloze waterpartij te noemen, het was een moeras- en waddengebied. Utrecht is onttrokken aan het moeras. Het is een prachtige metafoor van prof.Blok waaruit blijkt dat de hele mythe van Willibord in Utrecht onder water lag. Dan houdt toch de hele aangenomen geschiedenis vóór St.Willibrord voor Utrecht op? En als de geschiedenis vóór St.Willibrord ophoudt, vervalt ook de geschiedenis ná St.Willibrord voor Utrecht, omdat het één doorgaande geschiedenis is met die van ervóór, zoals blijkt uit de voorgangers van St.Willibrord bij prediking onder de Friezen.
De meerdere voorgangers van Willibrord bij de prediking onder de Friezen, worden in Utrecht en Nederland steevast 'overgeslagen'. Ook meerdere predikers ná Willibrord bij de 'bekering' der Friezen in het klassieke Frisia, worden in Nederland terecht 'overgeslagen'. Ze horen namelijk niet thuis in Utrecht of Nederland. Zet dit naast de opmerking van prof.D.P.Blok en van prof.R.R.Post, dan blijft er van de mythen van Willibrord in Utrecht niets over. Zowel Blok als Post wisten ter dege dat Albert Delahaye gelijk had me zijn visie. Hun verzet is slechts verklaarbaar vanwege schaamte voor eigen reputatue. Zij hadden als 'deskundigen' moeten ontdekken wat Delahaye ontdekte, namelijk dat de aangenomen geschiedenis in het eerste millennium vals is.

Het is onbegrijpelijk dat historici blijven vasthouden aan de aangenomen opvattingen uit een (soms) ver verleden, die ze zelf tegenspreken. Onbegrijpelijk? Slecht te begrijpen om schaamte voor eigen reputatie te verdoezelen!

Gemeentearchivaris Jules Edouard Anne Louis Struijck noemt in het voorwoord het onbreken van een Utrechtse stadgeschiedenis 'een lyrische klacht', met als enige uitweg nu zelf de pen ter hand te nemen. Hij noemt de weg naar de bergtop waar de Utrechtse stedemaagd staat, een lange en kronkelige weg. Hij wijst op een verschil tussen 'histoire totale' en een 'histoire des événements'. Hier spreekt toch al de nodige twijfel uit, die ook Struijck al voorziet. Een volledig stadsgeschiedenis kan alleen beschreven vanuit een volledig onderzochte en grondig gedocumenteerde beschrijving van de bronnenstudie. Dit is een zeer juiste opvatting van Struijck: de bronnen moeten de geschiedenis bepalen, niet wat historici menen. Struijck wijst erop dat het verleden van 19 eeuw Utrecht weer te geven in haar ontwikkeling een hachelijke onderneming is, maar geen onmogelijkheid. (p.11). Dit boek bedoelt te geven wat er is en eveneens te laten zien wat er niet is. Gravend in de bodem is een profiel samengesteld uit de verschillende ontwikkelingslagen. Negentien eeuwen hebben een dikke afzetting achtergelaten. Het voorwoord besluit met een volledige omzetting van het bronnenmateriaal zal de weg van Utrecht door negentien eeuwen historie uitgebeeld hebben. (p.12). Dit voorwoord houdt een aantal opmerkelijke, maar zeer juist opvattingen in. Voor verwijzingen naar andere hoofdstukken op deze website of achtergrondinformatie, klikt U op de aangegeven link. Onderhavige vraag is steeds: waarop zijn de genoemde jaartallen gebaseerd?

Hoofdstuk 1: de Opkomst.(p.13-28).
  1. Het begin van (Romeins) Utrecht stelt Struijck in 48 na.Chr. en die geschiedenis stopt in 300. (p.7) Juister was geweest het midden van de 3de eeuw te noemen. De Romeinen vertrokken rond 260 uit Nederland vanwege aanhoudende overstromingen, wat de algemene opvatting is die ook door ons gevolgd wordt.

  2. Struijck begint de Romeinse geschiedenis met het verhaal van Corbulo, die hij de stichter van de stad Trecht noemt. (p.13) Zo komt hij blijkbaar op het jaar 48. Immers Corbulo zou na een veldslag tegen de Friezen in 47, vanuit Rome de opdracht hebben gekregen zich terug te trekken op de Renusgrens. Hier hantert Struijck de traditionele opvatting dat de Friezen in Noord-Nederland woonden. Zij verbleven echter in de klassiek Frisia in Vlaanderen. Een jaar later zou hij dan toch wel Utrecht kunnen hebben gesticht, wat een aanname is. Corbulo ging in Zuid-Holland ook nog een kanaal graven, dat een voortzetting en voltooiing van de kanalen (meervoud!) van Drusus was (zoals Tacitus en Cassio Dio het beschrijven), om een gevaarlijke omweg over de Oceaan te vermijden. Maar het kanaal van Drusus lag toch in Gelderland, en dat van Corbulo in Zuid-Holland? Dan is van voortzetting toch geen sprake? En was de Renus de Rijn? Er zijn tientallen teksten aan te wijzen dat de 'Renus' overeenkomt met de Schelde.

  3. Struijck schrijft dat de naam Utrecht pas verschijnt in 870 om onderscheid te maken met het andere Trecht (Maasticht). Hoe Struijck aan het jaartal 870 komt is slechts verklaarbaar met de goederenlijst van Trajecum, die echter niet over Utrecht gaat -dat immers niet bestond-, maar over het klassieke Trajectum, dat Tournehem was! Maar in 870 verscheen de moderne naam Utrecht niet, maar pas in de 13de eeuw (zie punt 6 hierna).

  4. Utrecht kreeg in de officiële stukken de achterafse latinisatie Ultraiectum/Traiectum, wat volkomen gebruikelijk was (ook auteurs vertaalden hun naam in het Latijn, zoals Jan Smit die zich Johannes Smetius noemde), maar wat wel de aanleiding tot enorme misverstanden werd. Voor de toepassing van de naam Vetus (oud) Traiectum was derhalve niet de minste aanleiding, daar stad en bisdom kersvers waren. Geen wonder dan ook dat Balderik de eerste bisschop was die in de Utrechtse Dom begraven werd. Om hem te doen aansluiten bij Radboud, plaatste men het begin van zijn optreden in 918. Er bestaat geen enkel betrouwbaar gegeven hieromtrent, daar het zou betekenen dat Balderik op een jaar na zijn diamanten episcopaat in actieve dienst had kunnen vieren; iets waarvoor men toch wel tegen de 100 moet lopen. Maar voor zo'n uitzonderlijke ouderdom van Balderik ontbreekt elke aanwijzing. Daarom is het begin van het bisdom Utrecht -gezien andere gegevens, o.a. de archeologie- eerder te stellen op ca.950 n.Chr.

  5. Volgen we bekende toponymisten, dan kan de naam van Utrecht verklaard worden als Uit-Rek, "buitenwaarts gelegen" (in tegenstelling met Maastricht), overvaart, veer (volgens M.Gysseling) die als oudste attestatie Utrect geeft (valse kopie12e eeuw) en in 1186-1201 de oudste Romaanse vorm (dus geen Germaanse vorm (SIC) Utreth. Volgens D.P.Blok is het "overgang", mogelijk ter onderscheiding van Maastricht, later met toevoeging ut "uit, uiter, stroomafwaarts gelegen", gelatiniseerd tot ultra, ulterius ''verder gelegen" of infra "neder". Blok vermeldt hij nog wel Trech (12e eeuw: kopie), Vttrecht (Annales St.Bertin (!?), 11e eeuw) en Vtrech (kopie 13e eeuw). Hieruit blijkt duidelijk dat de naam Utrecht in de 12de eeuw slechts in valse kopieën voorkomt en pas in de 13de eeuw duidelijk als Utrecht verschijnt. Opmerkelijk is wel dat Maastricht zowel bij Struijck, als bij Gysseling en Blok steeds 'in de weg ligt'.
    Het is dus een naam die rond in de 12e/13e eeuw nieuw verschijnt en een strook land omvat, die vrij recentelijk uit het water te voorschijn gekomen en voorlopig nog "uit"(=buitenliggend) of 'buitenwaarts' gelegen was. Waarschijnlijk was het nog een eiland of waddeneiland dat alleen bij eb toegankelijk was. Deze naamsverklaringen geven duidelijk aan dat Utrecht een nieuwe woonplaats was, die ontstond in een drassig gebied dat droog kwam te liggen. Het spreekt de aanwezigheid van een (omvangrijke?) bevolking, een bisdom en de aanwezigheid van prediker St.Willibrord en vooral zijn voorgangers bij de prediking onder de Friezen, faliekant tegen.


  6. Struijck verklaart de naam Uut-Trecht met Beneden-Trecht, met een beroep op Gysseling en Blok in noot 1 (als men naar elkaar verwijst, wordt het oppassen). Maastricht zou dan Boven-Trecht zijn? Echter Utrecht ligt aan een geheel andere rivier dan Maastricht, dus deze verklaring is zeer ver gezocht. Maastricht en Utrecht hebben geen enkele relatie met elkaar, beide wel bisschopsstad, maar in een ander aartsbisdom, dus deze verklaring kan als mythe terzijde geschoven worden.

  7. Na mededelingen over een wijdvertakt rivierenstelsel, vermeldt Struijck dat de Romeinen een keten van forten, vanaf Keulen tot de zeekust aanlegden. Hij noemt Woerden, Alphen, Leiden (wordt traditioneel niet meer gevolgd), Katwijk en Utrecht, een 'oversteekplaats' -misschien was het wel een brug- in het Latijn Trajectum, in de volkstaal Trecht. Opmerkelijk is dat Vechten niet genoemd wordt. Opmerkelijk is ook dat Paul van der Heijden in Romeinse wegen in Nederland schrijft dat de grensweg pas in de tweede helft van de jaren 80 werd aangelegd. Werden die forten dan over water aangelegd? Het verhaal over die 'oversteekplaats' is grote kolder. Romeins Utrecht lag als buitenpostplaats ten zuiden van de Rijn, waar aan de overkant 'barbaarse volkeren' woonden. Een reguliere oversteekplaats was uitermate flauwekul: een mythe dus.

  8. Geregeld probeerden zwervende Germanen de rijke gebieden ten zuiden van de Rijn binnen te trekken. Zwervende is een traditionele uitvlucht om niet te hoeven vermelden waar deze Germanen vandaan kwamen, wat overigens onbekend is. Volgens A.W.Byvanck was van dreiging van Germanen vanuit het noorden geen enkele sprake!

  9. In het jaar 50 moesten de Romeinen een aantal Friezen met hun koningen Verritus en Malorix -misschien wel de eerste bij naam bekende Nederlanders- met harde hand verwijderen van de Veluwe of Het Gooi. Deze gebieden lagen al te dicht bij de Romeinse rijksgrens. Op grond van enkele aangenomen fantasieën ontstaan de gangbare mythen. Waren de hier genoemde Friezen dan de in het vorige punt genoemde Germanen, die probeerden het Romeinse rijk binnen te dringen? Verbleven er Friezen op de Veluwe?

  10. In het jaar 69 vond dan (ook volgens Struijck traditioneel) de Opstand van de Bataven plaats.Trecht was een van de plaatsen die de eerste klap incasseerden. Het fort lag midden tussen de Bataafse nederzettingen. Verrast door de plotselingen aanval van hun opstandige beschermelingen (?) trokken de kleine garnizoennen van de grensversteking langs de Rijn weg uit hun forten naar de hoofdmacht in Keulen. Onderweg werden zij op een ons onbekende plek (?) overvallen en vernietigd. De Opstand van de Bataven vond plaats in het land van Bataven, dat rond Bethune was en niet 'ergens onderweg' naar Keulen. De plaatsen die genoemd worden door Taitus waren Arenacum, Batavodorum, Grinnes en Vadam, die inderdaad in Nederland niet te vinden zijn, dan slechts met gissen en missen. We herhalen hiernogmaals de opvatting van W.van Es: "De gedachte dat de Bataven in de Betuwe en het Brabantse aanwezig waren vindt thans geen bijval meer". Van Bataafse nederzettingen is ook niets gevonden in Nederland. Stijn Heeren bevestigde dat met zijn opmerking dat 'De Betuwe was te klein om zoveel Bataafse legionairs voor het Romeinse leger te leveren' (S.Heeren in 'The Limesfall'). Ofwel: waar woonden die Bataven die zo talrijk waren dat ze meerdere contingenten legionairs konden leveren voor het Romeinse leger, zowel vóórdat er ook maar één Romeins in Nederland was, zowel nadat de Romeinen allang weer uit Nederland vertrokken waren bleven zij in de Romeinse legers dienen. Kwamen de Bataven 'vrijwillig' dienst nemen voordat er Romeinen in de Betuwe verschenen en blijven zij 'vrijwillig' in dienst toen de Romeinen de Betuwe alweer verlaten hadden? Voor dit 'probleem' heeft geen enkele historicus ooit een aannemelijke verklaring gegeven.

  11. Over de opgravingen uit 1929 tot 1935 blijkt de omvang van de vesting. Op p.16 wordt dan nog wel de bevindingen van prof.dr.C.W.Vollgraff over die opgraving uit 1929, die namelijk de naam Albiobola vaststelde voor het omstreeks 250 bestaande Romeins Utrecht. Die bevinding van Vollgraff werd vervolgens fel bestreden (o.a. door A.W.Byvanck), immers het zou de aangenomen geschiedenis van Nederland totaal onderuit gehaald hebben, dat begreep Byvanck als beste, hoewel het prima aansloot bij andere opvattingen van hem! In de literatuurlijst komen we Vollgraff verder tegen in het artikel 'Proefgraving ten oosten van het Domplein te Utrecht'. Daarin lezen we iets opmerkelijks: "Wij merken hierbij op, dat bij de opgravingen op het Domplein het bewijs is gevonden, dat het zeewater somtijd naar Utrecht werd opgestuwd". Het is onmiskenbaar een bevestiging van de transgressies. Als de naam Albiobola voor Romeins Utrecht vervalt, blijkt een naam van Romeins Utrecht onbekend te zijn, net zoals de naam van Romeins Nijmegen totaal onbekend is. Voor beide plaatsen is op grond van laat middeleeuwse opvattingen een latijnse naam aangenomen: voor Utrecht werd dat Trajectum, voor Nijmegen Noviomagus. Aangenomen, omdat elke feitelijk bewijs ontbreekt!

  12. Maar acht jaar later (dus in 258) moesten de Romeinen zich terugtrekken achter de Waal, omdat verschillende Germaanse stammen -Kanninefaten, Bataven e.a.- georganiseerd in een nieuw stamverband onde naam van Franken, krachtiger begonnen op te dringen. Nog generaties lang konden de vreemde bezetters in het zuiden stand houden tot de totale ineenstorting van de Romeinse macht buiten Italië. Het is opmerkelijk dat Struijck de Romeinen bezetters noemt. Dat ze stand hielden in het zuiden (onder Waal, dus in Brabant?) en tot hoelang (?) laat Struijck in het midden. Halve en onduidelijke opmerkingen zijn wel aanleiding voor het ontstaan van nieuwe mythen. Traditioneel trokken de Romeinen zich ca.260 terug tot de Limesgrens die liep van Boulogne-sur-Mer via Bavay naar Keulen. Rond 401-405 zou het Romeinse rijk definitief ten onder zijn gegaan. De Franken die allang in Frankrijk verbleven namen de macht over, toen de Romeinen vertrokken. Dat de Franken uit Kanninefaten en Bataven bestonden wordt doorgaans verklaard met 'dat deze stammen niet meer genoemd worden'.

  13. Daarna springt Struijck over naar 600-900 waarbij hij Utrecht noemt als Centrum van de Christelijke beschaving. Na het laatst vermelde jaartal (258) wordt een periode van 342 jaar opgevuld wordt met een blanko hiaat. Dit hiaat zal allengs groter worden, immers bewijzen van het bestaan van Utrecht zeker tot het jaar ca.950 bestaan niet. De opengekomen ruimte werd ingenomen door de Friezen, waar Struijck hier verder 'niet dieper op ingaat', zoals hij schrijft. Wel noemt hij Trecht het verkeersknooppunt midden in 'Groot-Friesland' dat bij hem delen van de huidige provincie Holland, Utrecht, vanzelfsprekend Friesland, Groningen en het Duitse Oost-Friesland is. Waarom gaat Struijck hier niet verder in over de Friezen, toch een belangrijke bevolkingsgroep voor de geschiedenis van 'Groot-Friesland'? Weet hij hier niets over of moet er iets verzwegen worden? Wellicht dat we het nog lezen in het vervolg?

  14. We geven hier wat meer citaten, aangezien het de kern is van een bestaan van Utrecht vóór de tijd van St.Willibrord.
    Na bijna vier eeuwen kreeg het fort Trecht een nieuwe betekenis. Zo verschijnt Trecht weer in het licht van de geschreven historie, wanneer in de 7de eeuw de Franken de plaats veroveren. Omstreeks 612-625 blijkt een Frankische versterking te bestaan. In noot 1 wordt verwezen naar D.P.Blok Het Immuniteitsdiploma van Koning Pippijn voor de St.Maartenskerk te Utrecht in 'Tijdschrift voor Geschiedenis' jrg.75 (1962) p.40. (p.17 en 18). Over dit 'diploma' (met als juiste datering 751-754) blijkt veel discusie te hebben bestaan. Van de Kieft heeft de echtheid betwist. Vooropgesteld is dat het stuk is overgeleverd in twee afschriften van een afschrift. In hoeverre is het bij het overschrijven al voorzien van enkele wijzigingen? De titel (urbis) Trajectensis episcopus zou aan Bonifatius gegeven zijn. Maar anderen stelden vast (o.a.
    R.Post) dat Bonifatius nooit bisschop van Utrecht is geweest en houden het op een kopieerfout (kopieerfout?). Bovendien ontbreekt een bevestiging van deze oorkonde van Pippijn door Karel de Grote, evenals die van zijn zoon en opvolger Lodewijk de Vrome, schrijft Blok. Verreweg het voornaamste bezwaar in ongetwijfeld dat de oorkonde van Pippijn zegt dat in de tijd van Chlotarius (511-561), Gosses maakt er Chlotarius II (613-629) of zijn voorganger Theudebert II (595-612) van, er moeilijk al een kerk in Utrecht kon zijn geweest. Uit de bespreking van deze oorkonde blijkt duidelijk dat de geleerde heren het niet met elkaar eens zijn en dat zij slechts de ooit aangenomen opvatting hanteren dat Trajectensis (en castellum Traiectum) Utrecht is. De resten van de Romeinse vesting te Trajectum - op een of andere wijze in Dagoberts handen gekomen- zijn evenals andere Romeinse castella (Velzen, Vechten, Dorestad b.v.) fiscaal eigendom geworden. Op een of andere manier? Hoe dan? Wat is fiscaal eigendom? Had Dorestad een castellum? Bij de opgravingen in Wijk bij Duurstede is het in elk geval niet gevonden, vandaar dat men meende het in Maurik te moeten zoeken (waar het ook niet gevonden is). De koning heeft er een kerkje gesticht -wellicht ten behoeve van een frankische bezetting- dat als eigenkerk van de koning beschouwd kan worden, zodat castellum en bijbehorende kerkje zonder meer weggeschonken konden worden. Bedoeld Blok het weg kunnen geven, met fiscaal eigendom? Dat kerkje van Dagobert is in Utrecht niet, nergens en nooit gevonden. Deze passage uit Pippijns diploma is dus in regelrechte tegenspraak met Dagoberts schenking, schrijft Blok en besluit met: voor de oudste geschiedenis van Utrecht betekent dit, dat het kerkje van Dagobert nog eenzamer komt te staan in de feitenloze woestenij, die de tijd vóór Willibrord is. Het vomt nauwelijks meer een bewijs voor een krachtige vroege Frankische expansie in Midden-Nederland.
    Feitenloze woestenij! Blok erkent hiermee duidelijk dat er over Utrecht geen feiten bestaan uit de periode vóór Willibrord, dus vóór 695. Het gaat hier wel over de kern van de geschiedenis van Utrecht, waarover de geleerden het toch niet met elkaar geheel eens blijken te zijn. Ook Blok is het niet met zichzelf eens, als je het artikel in 'Tijdschrift voor Geschiedenis' jrg.75 (1962) leest. Nergens wordt in dit diploma vermeldt dat de Franken Utrecht veroverd zouden hebben. Met St.Willibord verdwijnen ook de Franken uit Nederland.
    De volgende aangenomen opvattingen vervallen daarmee ook: 1.dat Utrecht het klassieke Trajectum was; 2.dat de Franken Nederland 'veroverd' zouden hebben; 3. dat de Franken al Christelijk waren en in Utrecht een kerkje stichtten voordat Willibrord verscheen.
    De moeilijkheid die Blok noemt kan slechts opgelost worden als we een kopieerfout mogen aannemen.
    De geschiedenis van Utrecht en Nederland blijkt dus gebaseerd te zijn op een kopieerfout, precies wat Albert Delahaye altijd beweerd heeft. Delahaye krijgt hier gelijk en nog wel van prof.D.P.Blok.


    Hoewel Utrecht over een indrukwekkend aantal kerken beschikt, gaat de geschiedenis van geen enkele kerk terug tot de tijd van St.Willibrord. Vóór de tijd van St.Willibord heeft Utrecht (na de Romeinse tijd tussen 48 en 258) ook geen geschiedenis gehad, wat Blok een feiteloze woestijn (woestenij) noemde. Maar ook de tijd ná St.Willibrord tot de 11de eeuw gaat niet over Utrecht, maar over Trajectum dat Tournehem in Frans-Vlaanderen was. Utrecht komt pas weer voor in de geschreven geschiedenis in het laatste kwart van de 10de eeuw.

  1. Hierna volgt in dit boek de traditionele geschiedenis van Utrecht, zoals die in het verleden is aangenomen. Met die beschrijving van die geschiedenis is op zich niets mis, wel met de locaties. Het is niet de geschiedenis van Utrecht, maar van het klassieke Trajectum. Zoals uit de Jaarboeken van Utrecht en de Archeologische en Bouwhistorische Kronieken van Utrecht blijkt, bestond de bodem van Utrecht tussen 275 en 925 vooral uit een dik pakket klei vanwege de grote en langdurige overstromingen. Utrecht heeft in die periode zeker geen beschreven geschiedenis gekend. De geschiedenis die in de bronnen genoemd wordt en men onjuist op Utrecht heeft toegepast, kwam uit Frankrijk en met name uit Frans-Vlaanderen. Dáár lag het klassiek Frisia en woonde de klassieke Fresones, naast de Moriniërs, die hun buren waren. Zie voor het overzicht de mythen van Willibrord. We herhalen hieronder voor alle duidelijkheid de belangrijkste bezwaren die we tegen de traditionele opvattingen hebben, met name bevindingen van de (toch traditionele) historici, te beginnen met twee Nijmeegse profs, R.R.Post en L.J.Rogier. Met hun hier genoemde opmerkingen maken zij aan alle "Utrechtse illusies" een einde. Desondanks bleven beide profs vasthouden aan de mythe van Karel de Grote in Nijmegen, die ze zelf ter discussie stelden.
    1. Prof.R.Post: "Op één punt moet ik Delahaye onmiddellijk gelijk geven. Sint Willibrord is geen aartsbisschop van Utrecht geweest. Hij werd missiebisschop ergens in het land van de Friezen''. Dan is de vraag 'waar lag het land van de Friezen?' In zijn tijd bestond Utrecht niet!

    2. Prof.L.Rogier: vóór het jaar 1559 is van enige officiële verering van Sint Willibrord, Sint Bonifatius en andere geloofsverkondigers in Nederland geen spoor te vinden.

    3. Als Willibrord werkelijk aartsbisschop van Utrecht was, dan zijn onze voorouders gedurende 5 eeuwen bijzonder laks en onattent geweest voor de grondlegger van het christendom in noordelijk Nederland. Je mag verwachten dat er duidelijke sporen van zijn verering terug te vinden zijn, in de vorm van aan hem gewijde kerken en bouwwerken, toponiemen in geschriften, vieringen van zijn feestdag, vereringen van zijn relieken etc. Maar niets van dit alles. Vóór de 12e eeuw is de naam Willibrord in Nederland helemaal onbekend en wordt ook nergens genoemd. De enig juiste conclusie is dan ook dat de verering van Willibrord pas na de 12de eeuw ontstaat (vanuit het zuiden meegekomen met de (Friese) immigranten, die hielpen met de ontginningen van het vrijgekomen land)!

    4. De oudste Willibrord-kerken van Nederland staan in Noord-Brabant (Klein-Zundert en Alphen), gesticht door de abdij van Tongerlo en niet door Utrecht of vanuit Echternach. Echternach bracht in de 12de eeuw de mythen op gang (misschien wel op het idee gebracht door die Willibrord-kerken in Brabant).

    5. In Utrecht, Holland en Friesland bestaat geen enkele kerk vanouds (vóór 1559) met het patronaat van Willibrord (of Bonifatius). In Friesland werd op geen enkele manier Willibrord in gedachtenis of verering gehouden. Het was voor bisschop en historicus Monseigneur M.Muskens de reden om te verklaren 'dat de Friezen niet bekeerd wilden worden', wat op zich wel juist was: zij wensten niet de godsdient van hun aartsvijand de Franken over te nemen.

    6. De drie oudste 'Hollandse' kronieken: Alpertus van Metz (ca.1025), de Annalen van Egmond (ca.1248) en de Rijmkroniek van Melis Stoke (ca.1295) vermelden niets over Willibrord als bisschop van Utrecht. Stoke noemt Willibrord wel, maar plaatst hem 'aan de Schelde'. Op p.19 wordt nog vermeld dat De opvatting van Verbist en Wampach dat Willibrord aanvankelijk Antwerpen als basis geschonken werd, onjuist is gebleken, met een verwijzing naar prof.R.R.Post. Deze drie geleerde heren hadden het totaal verkeerd begrepen. 'Aan de Schelde' is op zich wel juist, alleen niet de Schelde bij Antwerpen of in Zeeland, maar De Schelde in Noord-Frankrijk! De opvatting van Antwerpen als het Trajectum van St.Willibrord werd ook gevolgd door Joep Rozemeyer, die er enkele interessante boekjes over heeft geschreven. Uiteindelijk kwam hij er ook niet uit omdat Antwerpen geen bisschopstad was en ook alle overige plaatsen niet rondom Antwerpen te plaatsen zijn. De opvattingen over de juiste plaats van Trajectum is niet afhankelijk van één enkele plaatsnaam, maar van de gehele materie van plaatsnamen uit de oorkonden van Trajectum plus de geografische details uit de levens van de heiligen. Voor het klooster van Egmond is het onverklaarbaar dat Willibrord niet genoemd wordt. Hiermee is het wel duidelijk dat enige relatie met Willibrord en Utrecht in 1248 nog volkomen ontbreekt.

    7. In de kroniek "De rebus Ultrajectinis" (1138-1233) komt de naam van Willibrord nergens voor. Geen vermelding van de eerste bisschop van Utrecht en stichter van dit bisdom is op zijn minst erg laks en onattent. De waarheid is dat de Willibrord-traditie toen nog niet bestond.

    8. De Annales Xantenses (640-873) bevatten geen enkel bericht over Willibrord, terwijl ze wel over de Betuwe en het land van Kleef (waar Willibrord bezittingen zou hebben gehad) handelen. Blijkbaar was de "eerste bisschop van Utrecht" in Xanten (dat in hetzelfde aartsbisdom lag) niet bekend en had er ook geen kerkelijk feest.

    9. Pas in de 14de eeuw vraagt en ontvangt Utrecht vanuit Echternach de eerste relieken van Willibrord 'omdat men er nog geen heeft', zoals geschreven staat. Dat is vrij laat, aangezien vanaf 952 al vele relieken waren geschonken. Uit isotopisch onderzoek blijken deze relieken niet uit de 8ste maar uit de 12de eeuw te stammen.

    10. Willibrord werd pas in 1940 kerkpatroon van de Nederlandse Kerkprovincie (na een kritische studie van P.C.Boeren) en niet in 1853 bij het herstel van de Kerkelijke Hiërarchie. In 1942 werd dit nog eens bevestigd met een standbeeld in Utrecht (en wel te paard! H.Isings maakte er in 1954 zijn schoolplaat naar).

      Nog enkele weetjes die in Nederland steevast verzwegen worden:
    11. St.Wulfram van Sens kwam naar Medemolaca voor de befaamde, maar mislukte doop van de Friese koning Radboud. Medemolaca zou Medemblik zijn, maar die plaats wordt pas in de 17de eeuw voor het eerst vermeld. Willibrord onderhield een persoonlijke relatie met Wulfram van Sens. Samen predikten zij bij de Friezen en in de mark van de Dani in Artois. Dat was dus niet in Denemarken, wat historici ervan gemaakt hebben. Zo kwam Denemarken wel aan de verkeerde naam (SIC).
    12. In 714 wordt Pepijn III, zoon van Karel Martel en vader van Karel de Grote, door Willibrord te Soissons gedoopt! Wat doet de 'apostel van de Friezen' en 'bisschop van Utrecht' in Soissons zo ver in Frankrijk? Of was hij in zijn eigen bisdom?
    13. Pepijn III wordt in 751 door Bonifatius te Soissons tot koning gezalfd en in 742 doopt Bonifatius Karel de Grote. Wat doet de 'apostel van Duitsland' en 'aartsbisschop van Fulda' in Soiossons zo ver in Frankrijk? Of was hij in Soissons in zijn reguliere bisdom?
    14. Bonifatius was voorzitter van de synode van Frankische bisschoppen. Hij werd door de Friezen gezien als een vertegenwooriger van het Frankisch gezag, wat de aanleiding was voor de moord, dat in Dockynchirica (=Duinkerke) plaats vond. Dokkum is een mythe uit de 17de eeuw! Zouden de Franse bisschoppen het geaccepteerd hebben, dat een 'buitenstaander' hun voorzitter was?

    Dit alles en nog meer kunt U vinden in mijn presentatie over de mythen van Willibrord en Utrecht. Wie het hier niet mee eens is of er opmerkingen over heeft, wordt verzocht te reageren per email. Uw mail zal zeker beantwoord worden, (wat overigens niet gebruikelijk is als je mailt naar historici: meestal krijg je niet eens antwoord, laat staan een inhoudelijke reactie op gestelde vragen. Men heeft blijkbaar geen weerwoord!).

  2. Op pagina 19 staat ook de alom bekende afbeelding van Utrecht bij de komst van Willibrord in 690: "delincatio veteris Castri cum subiecta Villa in Batavorum insula situm sub Dagoberto Rege Francorum Clodovco III et Pipino Majore A° Dom: 690". Het is zoals er terecht bij staat een fantasie-voorstelling van een 16e eeuwse humanist. Precies op deze en andere fantasie-voorstellingen is de hele mythe van Willibrord in Utrecht gebaseerd. De beste man is er nooit geweest kan er nooit geweest zijn, omdat Utrecht in 690 nog lang niet bestond. Klik op de afbeelding voor nadere informatie.

  3. Het beperkt opgezette missiecentrum kon nog ruim gehuisvest worden binnen de resten van het niet bijzonder grote Romeinse fort op het Domplein in de nabijheid van de kwartieren van het Frankische garnizoen (p.20). Waar de Frankische soldaten gewoond hebben, is nog niet bekend; zeker is alleen dat hun burcht niet onder de bestrating van het Domplein heeft gelegen. met verwijzing naar H. Jongkees. Over het gevolg van predikers of machthebbers wordt steeds gezwegen. Waar verbleef Willibrord? Waar zijn gevolg? vergelijkbaar is het verblijf van het gevolg van Karel de Grote in Nijmegen? Zijn paleis is er nooit gevonden, net zo min verblijven van de hofhouding. Nijmegen is net als Utrecht archeologisch blanko in de periode dat men er een belangrijke geschiedenis plaatst.

  4. Al eerder hadden in het begin van de zevende eeuw de Franken een Maartenskerk in Trecht gebouwd. Waar die eerste Christenkerk gelegen heeft is een even groot raadsel als de plaats van de Maartenskerk van Willibrord. (p.21). Dat is toch duidelijke taal dat een bewijs volledig ontbreekt. Desondanks blijft men vasthouden aan deze raadsels. De traditie van Utrecht blijkt op raadsels te zijn gebaseerd. Het kerkje van Dagobert blijkt in Utrecht nooit gevonden te zijn! Zie hierboven bij conclusie 3 uit de Jaarboeken van Utrecht.

  5. De Frankische burcht die naast het missiecentrum moet hebben gelegen, is eveneens onvindbaar; zeker is alleen dat dit gebouw niet heeft gelegen onder de bestrating van het Domplein waar intensief is gegraven (p.21). Nog iets wat onvindbaar is, net als de rest van de geschiedenis van St.Willibord. Struijck noemt het dan ook terecht een veronderstelling die gebaseerd is op een louter vermoeden. Wanneer die geschiedenis ontstond kun je afleiden van de dateringen van de aquarellen in dit boek: 16e eeuw, 1580, 1604, 1636, 1719, 1720, 1744, 1750 enz.

  6. De Christenpredikers, die voor hun arbeid op de Frankische staat waren aangewezen, moesten Trecht verlaten en vestigden zich zolang in Echternach, een andere bezitting van Willibrord. (p.21). Echternach is een volgende mythe die reeds herschreven is. Dat klooster is niet ouder dan de 10de eeuw. Lees alles over de ware geschiedenis van Echternach.

  7. Met uitgebreide volmachten en op verzoek van de Frankische hofmeiers zou Bonifatius vele misbruiken in de Kerk hervormen en vernieuwend op het geestelijk leven inwerken. Maar zijn hoofdtaak lag in de kerstening van grote delen van Duitsland als aartsbisschop van Mainz met zijn klooster Fulda als uitgangspunt (p.23). Ook deze mythen dienen nog herzien te worden. Bonifatius was geen aartsbisschop van Mainz, maar van Moguntiacum (dat ten westen van Straatsburg moest liggen) en dus Mainvillers in Noord-Frankrijk was. In die functie is het verklaarbaar dat hij voorzitter was van de synode van Frankische bisschoppen. Ook de geschiedenis van Fulda dient herzien te worden. Het klooster van Fulda is niet ouder dan 1150-1160. Alles wat daarvoor gebeurd zou zijn is gebaseerd op vervalste oorkonden van kloostermonnik Eberhard, bekend onder de naam Codex Eberhardi.

  8. De brief van Bonifatius van het jaar 753 aan paus Stephanus, waarin hij op grond van het werk van Willibrord de zelfstandigheid en het voortbestaan van dit bisdom met succes verdedigde, tegen de aanspraken van de aartsbisschop van Keulen. Dit schrijven is afgedrukt in het Oorkonden boek van hel Sticht Utrecht, I, nr. 42 (p.23). Deze brief is ontmaskerd als een volkomen vervalsing.

  9. Pas in de laatste jaren van zijn lange leven verliet de grijsaard zijn bisdom en trok zich terug in de rust van zijn klooster Echternach; in 739 overleed hij daar, 89 jaar oud en werd in de crypte onder de kerk bijgezet. (p.23). Wat hier geschetst wordt is in tegenspraak met alle schriftelijke bronnen. Willibrord bleef tot op hoge leeftijd op zijn post in zijn bisdom: hij was een Benedictijn voor wie stabilitas loci een van de geloften was. Bovendien overleed Willibrord in zijn bisdom (volgens de traditionele opvatting dus in Utrecht) en vond op 10 november de 'translatio' (verplaatsing van het lichaam) plaats naar zijn klooster. Binnen 3 dagen van Utrecht naar Echternach was dat mogelijk in 739? Of was het toch van Tournehem naar Epternacum op 5 km van elkaar in Frans-Vlaanderen. De 'translatio' geeft al aan dat Willibrord niet in Echternach overleden is, wat de grootste fabel in de traditie is! Willibrord stierf op 6 november, zijn 'feestdag' werd echter verplaatst 7 november. Deze verplaatsing van de 6de naar de 7de november geeft precies aan waar Willibrord overleed: in Frans-Vlaanderen waar op 6 november het feest van St.Winok al bestond, die een belangrijkere heilige was.

  10. Ontzagwekkend is zijn verdienste voor ons volkskarakter. In nauwelijks 50 jaar tijds had hij dit uitgestrekte gebied tot een Christelijke beschaving gebracht, waaruit ons land nog steeds leeft. In deze nauwe opzet van een stadsgeschiedenis kunnen wij hem alleen eren als de feitelijke stichter van Utrecht, waarvoor de Romein Corbulo de grondslagen gelegd had. (p.23).

    Dat een uitgestrekt gebied tot een Christelijke beschaving was gebracht is met meerdere argumenten als onjuist aan te tonen. Zie de -niet eens volledige- opsomming hieronder: (deels herhaling van punt 15). Lees ook bij punt 31 dat het Christelijk geloof werd misbruikt als machtsmiddel, met name door Karel de Grote, die hierin ook zijn vader Pippijn opvolgde.
    1. Als Willibrord werkelijk aartsbisschop van Utrecht was, dan zijn onze voorouders gedurende 5 eeuwen bijzonder laks en onattent geweest voor de grondlegger van het christendom in noordelijk Nederland. Je mag verwachten dat er duidelijke sporen van zijn verering terug te vinden zijn, in de vorm van aan hem gewijde kerken en bouwwerken, toponiemen in geschriften, vieringen van zijn feestdag, vereringen van zijn relieken etc. Maar niets van dit alles. Vóór de 12e eeuw is de naam Willibrord in Nederland helemaal onbekend en wordt ook nergens genoemd. Zie ook de opvatting van prof.Rogier bij punt 15.b. De enig juiste conclusie is dan ook dat de verering van Willibrord pas na de 12de eeuw ontstaat (vanuit het zuiden meegekomen met de (Friese) immigranten, die hielpen met de ontginningen van het vrijgekomen land)!
    2. Van een Christelijke beschaving is zeker tot in de 16de eeuw geen sprake geweest. Volgens prof.L.J.Rogier is vóór het jaar 1559 van enige officiële verering van Sint Willibrord, Sint Bonifatius en andere geloofsverkondigers in Nederland geen spoor te vinden.
    3. In Utrecht, Holland en Friesland heeft geen enkele kerk vanouds het patronaat van Willibrord (of Bonifatius). In Friesland werd op geen enkele manier Willibrord in gedachtenis of verering gehouden. Zo Christelijk was men dus bij lange na niet!
    4. Voor de 14de eeuw is geen enkele Utrechtse oorkonde gedateerd naar het feest van St. Willibrord. In een beroemd eind dertiende-eeuws Utrechts handschrift als het Prosarium no. 417 (uit het bezit van de Utrechtse Mariakerk) zijn vele sequensen van heiligen opgenomen. Het is frappant dat Willibrord, als grondlegger van het bisdom en andere Utrechtse heiligen zoals Bonifatius, Radboud en Lebuinus geen eigen sequens hebben en anderen, minder belangrijke heiligen wèl! Aan onze nationale heilige is slechts één sequens gewijd in een vijftiende-eeuws handschrift uit Den Bosch.
    5. In de kroniek "De rebus Ultrajectinis" (1138-1233) komt de naam van Willibrord nergens voor. Geen vermelding van de eerste bisschop van Utrecht en stichter van dit bisdom is op zijn minst erg laks en onattent. De waarheid is dat de Willibrord-traditie toen nog niet bestond.
    6. De Annales Xantenses (640-873) bevatten geen enkel bericht over Willibrord, terwijl ze wel over de Betuwe en het land van Kleef (waar Willibrord bezittingen zou hebben gehad) handelen. Blijkbaar was de "eerste bisschop van Utrecht" in Xanten (dat in hetzelfde aartsbisdom lag) niet bekend en had er geen kerkelijk feest.
    7. Pas in de 14de eeuw vraagt en ontvangt Utrecht vanuit Echternach de eerste relieken van Willibrord 'omdat men er geen heeft', zoals geschreven staat. Dat is vrij laat, aangezien vanaf 952 al vele relieken waren geschonken. Uit isotopisch onderzoek blijken deze relieken niet uit de 8ste maar uit de 12de eeuw te stammen.
    8. Willibrord werd pas in 1940 kerkpatroon van de Nederlandse Kerkprovincie (na een kritische studie van P.C.Boeren) en niet in 1853 bij het herstel van de Bisschoppelijke Hiërarchie. In 1942 werd dit nog eens bevestigd met een standbeeld in Utrecht (en wel te paard! H.Isings maakte er in 1954 zijn schoolplaat naar).
    9. In 1989 verklaarde monseigneur en historicus M.Muskens dat Willibrord de Friezen niet heeft bekeerd 'omdat ze niet wilden' (Bron: Telegraaf van 4 nov.1989). Het bevestigt het bovenstaande en nog wel door een officiële vertegenwoordiger van de Katholiek Kerk.
    10. Willibrord, aartsbisschop der Friezen, met zetel in Utrecht, was wel leider van de Utrechtse kerk, maar geen bisschop van Utrecht. (Bron:Geschiedenis van Utrecht )
    11. Het verblijf van St.Willibrord in Utrecht is een vrome legende is. De oudste bewijzen van de verering van St.Willibrord zijn juist aan te wijzen in Grevelingen (Frans-Vlaanderen). Reeds in de 11e eeuw was de parochiekerk van Grevelingen aan St.Willibrord gewijd en ging het verhaal dat de heilige in die plaats zou zijn geland. (Bron: Geschiedenis der Nederlanden).
    12. De situatie rondom Utrecht is onduidelijk. Met name kan men zich afvragen welke weg hier over welk water een trajectum, een rivierovergang, vormde vergelijkbaar met dat andere Trajectum: Maastricht (Bron: Geschiedenis der Nederlanden.)
    13. Tussen 250 en 950 ontbreekt elke vorm van bewoning in Utrecht.(W.van Es).
    14. Tussen de 4e en 11e eeuw heeft de plaats Utrecht niet bestaan. (Bron: Archeologische Kroniek van de Provincie Utrecht 1990-1991).
    15. Zoals overal in de binnenstad van Utrecht bestaat de ondergrond geheel uit door de rivier afgezette sedimenten. (Bron: Archeologische en Bouwhistorische Kroniek 1991-1992).
    16. In "het Nederland van St. Willibrord" zijn geen archeologische vindplaatsen aan te wijzen in het gebied van de Utrechtse Vecht. (Bron: W.A.van Es)
    17. De archeologische vondsten in Utrecht uit de periode van Willibrord en Bonifatius zijn niet meer dan een handvol stof. (T.Hoekstra).
    18. Archeologisch onderzoek op het Domplein te Utrecht wees uit dat de oudste sporen van een christelijke cultus 'ten hoogste tot de 9e eeuw teruggaan'. (Bron:E.J.Haslinghuis).
    19. Er is geen spoor te vinden van berichten uit het belangrijke missie-centrum dat Utrecht geweest moet zijn. Er is niets gevonden. (Bron: J.W.Bronkhorst).
    20. Ofschoon de kerstening in het noorden reeds aan het einde van de achtste eeuw veld begint te winnen, dateren de oudste stenen kerken hier pas uit de twaalfde eeuw. (Bron: P.Glazema).

    Het uitgestrekte missiegebied van Willibrord wordt altijd schromelijk overdreven. Hoe kan zo'n eenvoudige missionaris zo'n groot gebied van Denemarken tot in Luxemburg bediend hebben, waar moderne missionarissen in hun 'Landrovers of Jeeps' daar verre van in slagen. Dat Willibrord daarom (vaak) te paard wordt afgebeeld is begrijpelijk, maar een even grote mythe: een Benedictijn bezat geen paard (vervoermiddel van de elite) vanwege zijn gelofte van armoede. Daarnaast zijn er vragen over 'hoe reisde men in de 8ste eeuw'? Welke wegen bestonden er? Waar stak men de rivieren over? Waar verbleef men onderweg? Het 'Denemarken' van Willibrord is onjuist afgeleid van zijn prediking in de 'mark van de Danii' dat in Artois was. Daar predikte Willibrord samen met Wulfram, bisschop van Sens. Dat een bisschop van Sens helemaal in Denemarken zou prediken hebben de historici nooit kunnen verklaren, welke verklaring dan ook nooit gegeven werd. Voor de bisschop van Utrecht was dit dichterbij en aannemelijker, welke aanname ook meteen opgenomen werd in de mythe van de traditionele geschiedenis.
    Dat Corbulo Utrecht gesticht zou hebben is eveneens een grote fabel. Zie verder punt 2.


  11. In 734 versloeg Karel Martel de Friese hertog Bubo bij de Borne; de Frankische grens werd verlegd naar de Lauwerszee. (p.23). Dat de Friezen in Nederlands Friesland verbleven is een van de hardnekkigste misvattingen in de 'vaderlandse' geschiedenis. Zij verbleven in het klassieke Frisia in Vlaanderen. Alle veldslagen tussen de Romeinen en later door de Franaken met de Friezen vonden plaats in Frankrijk. In de strijd tussen Pepijn en Radboud verschijnt Trajectum meerdere malen als 'een brandpunt' in beeld: In het jaar 715 werd Trajectum verwoest en viel het in handen van Radboud. In de slag bij Vinciacum (=Inchy-en-Artois: dat ligt in Frankrijk!) van het jaar 717 behaalde Karel Martel de overwinning. Radboud werd definitief verslagen en moest Trajectum en Frisia opgeven. Maakten de Friezen even een uitstapje naar Frankrijk om er verslagen te worden? De hier genoemde Borne (Burdina zoals het in de klassieke tekst staat) was niet de Boorne in Friesland, maar de Bourre in Frans-Vlaanderen bij Duinkerke, de plaats waar nadien Bonifatius werd vermoord. De locatie van de Boorne (Boarn) in Friesland is een farce, aangezien die bij Dokkum zou moeten liggen, maar ten zuiden van Drachten stroomt. De Lauwerszee wordt in geen enkele klassieke tekst genoemd, wel de Lag(ch)beki dat de Laqué of Laquette in Frans-Vlaanderen was. De doublures van plaatsnamen is verklaarblaar met de deplacements historiques.

  12. Bonifatius toog opnieuw naar Friesland met een ongewoon talrijk gezelschap, onder wie een wijbisschop Eoba, verschillende priesters, monniken en diakens, bij elkaar 53 man, een omvangrijk reisgezelschap. Hij trok de dorpen rond en oogstte opnieuw veel succes. Aan het einde van een rondreis sloeg het gezelschap zijn tenten op in de nabijheid van Dokkum in afwachting van de geloofsleerlingen. In plaats van nieuwe bekeerlingen verscheen een groep bewapende heidenen en viel de zendelingen aan. Bonifatius kon de eerste slag met een boek afweren, maar de volgende houw was raak. Geen van de 53 missionarissen bracht het er levend af; op dit bericht liepen de omwonende Friezen te hoop en verdreven hun moordlustige stamgenoten. (p.24). Welke dorpen er bestonden, blijkt een lang gestelde maar nog nooit beantwoorde vraag. Dat dit allemaal gebeurde in Dokkum is een mythe, die door de archeologie al ontkracht is. Dokkum bestond niet eens in 754. Het gebeurde in Dockynchirica dat Duinkerke was (let op de etymologie). De moord gebeurde ook niet uit geloofsovertuigingen, maar omdat Bonifatius door de Friezen gezien werd als vertegenwoordiger van het aartsvijand de Franken. Over dat boek, de Ragyndrudis Codex zijn weer andere mythen ontstaan. Van die 52 gezellen van Bonifatius wordt verder niets vernomen. Eoba, tevens bekend als Eoban(us), wordt niet genoemd als bisschop van Trajectum. Hij wordt wel genoemd als 'hulpbisschop' van Willibrord en vervolgens van Bonifatius. Eoban, Adalar en Waltheri stierven met Bonifatius de marteldood.
    Een lijst van bisschoppen van Utrecht (opgesteld in de 15de eeuw) geeft de volgende namen: 1.Sanctus Willibrordus archiepiscopus. 2. S. Bonifatius episecpus. 3. S. Gregorius. 4. Albricus. 5. Thiaterdus. 6. Ermackrus. 7. S. Fredericus 8. Albricus (verbeterd in Alfricus). 9. Lutgerus. 10. Hungerus. 11. Odelbaldus. 12. Eylbondus (Egilboldus). 13. S. Radbodus. 14. Baldricus.

  13. De legende verhaalt, dat de Trechtenaren het lichaam van de heilige in hun kathedraal wilden bijzetten, hoewel hij als zijn laatste rustplaats had aangegeven het klooster Fulda, zijn eigen stichting, van waaruit hij zijn Duitse missionenng had uitgevoerd. Op wonderdadige wijze ging de uiterste wilsbeschikking van de heilige in vervulling. Toen de Trechtenaren de baar in plechtige optocht wilden overbrengen naar de kathedraal, bleek niemand in staat de kist van de grond te tillen. De aanwezigen respecteerden de miraculeuze tussenkomst en zonden het lichaam naar Mainz, van waar het naar Fulda werd over-gebracht. De overige metgezellen van Bonifatius werden bijgezet in de St. Salva tor, die toen de hoofdkerk van het bisdom was, waar deze bloedgetuigen tot aan de afbraak van deze kerk bleven rusten (p.24). Het is inderdaad een legende, een vrome dan wel. Vervolgens gebeurde nog een wonder, waarmee de historische onjuistheid nogmaals wordt aangetoond. Het klooster van Fulda dat gesticht zou zijn door Bonifatius is eveneens een vrome legende, misschien beter, een vrome leugen. Van dat klooster is aangetoond dat het hele verhaal stamt uit de 12de eeuw en gebaseerd is op vervalste oorkonden, vergelijkbaar met het Gouden Boek (het Dievenboekje) van Echternach,

  14. Bijzondere vermelding verdIent Liudger, een Fries, die het levenslicht aanschouwde op de plaats van het tegenwoordige Zuilen. Hij was een klemzoon van een verbannen Friese edelman Wursing, en kwam als jongen reeds in het klooster Trecht. (p.25). Dit verhaal van Liudger (Ludgerus) dat hier verhaald wordt en op zich wel juist is, dient echter in Frans-Vlaanderen geplaatst te worden. Hij is net zo min als Willibrord en Bonifatius een Nederlandse heilige, wel een Fries, maar dan uit het klassieke Frisia. Het hier genoemde Zuilen wordt ook wel eens te Zwesen genoemd. Lees meer over Ludger. De mythe over Ludger is meegelift op de traditie van Willibord, wat overigens pas in de 16de eeuw gebeurde. Ondanks dat de onjuistheid van de Nederlandse traditie is aangetoond, blijft de historische wereld schermen met onbewezen en achterhaalde mythen. Onbegrijpelijk! Hoewel? Fouten toegeven is niet de sterkste eigenschap van de historische wereld.

  15. Zo kunnen wij ons uit de schaars overgeleverde berichten een indruk vormen over dit Trecht, een rivierplaats, kruispunt van handelswegen, vermaard wegens de vestigmg van geestelijken, een welvarend gebied met grazige weiden vol kudden runderen en schapen, een oase van rust en voorspoed. Van een dichte bewoning kan geen sprake zijn geweest, want alleen de smalle kleiruggen langs de rivieren in deze Rijndelta boden plaats aan huizen, weilanden en akkers. Daarbuiten lagen de onbegaanbare veenmoerassen ten westen en noorden van Trecht (p.26). De eerste zin schets het fantasieverhaal, de tweede de heldere maar teleurstellende waarheid. Als er zoveel handel en activiteiten zouden hebben plaatsgevonden, zou de archeologie dat toch moeten bevestigen met omvangrijke huisplattegronden? Maar de archeologie is tot heden over deze periode volkomen blanko gebleven. Er is niets dat deze drukke handelsactiviteiten bevestigt. Het gaat hier wel over de 8ste eeuw en niet over de 14de eeuw van hoofdstuk 3.

  16. De krachtige staatsman Karel de Grote reorganiseerde het koninkrijk der Franken, dat hij uitbouwde tot de machtigste staat in Westeuropa, een prestatie die bezegeld werd door zijn kroning tot keizer in 800. (p.25). Karel de Grote verplichtte de Saksen met de doodstraf het Christendom te aanvaarden en te onderhouden als de staatsgodsdienst (p.20). Nog enkelen mythen die de geschiedenis van West-Europa hebben bepaald en nodig eens herzien moeten worden. Karel de Grote was geen krachtige staatsman, maar een meedogenloze dictator, een ordinaire machtspotentaat, een oorlogsmisdadiger die 4500 gevangen Saksen liet ombrengen, een bezetter, die iedereen dwong zich te laten bekeren tot het Frankische geloof, anders volgde de doodstraf. De deportatie van de Saksen na 782 was een ordinaire etnische zuivering.
    De keuze voor overwonnen volkeren was eenvoudig: de doop of de dood, het kruis of het zwaard, precies zoals Karel de Grote staat afgebeeld op het bekende schilderij van Albrecht Dürer (klik op de afbeelding hiernaast), niet omdat hij zo Christelijk was, maar het geloof was controleerbaar als overgave en werd misbruikt om overmacht te hebben. Zijn standbeeld in Nijmegen dient omgehaald te worden. "Wie op een paard zit, deugt niet", liet Maarten van Rossum zich eens ontvallen, wat hier geheel van toepassing is. Dat Willibord afgebeeld wordt op een paard deugt ook niet, niet Willibrord zelf deugt niet, maar degene die hem op een paard zette. Het is nog erger dat men tegenwoordig "Vikinkje speelt" en "de Romeinse tijd verheerlijkt" met re-enactment: het naspelen van verderfelijke oorlogen. Het is nog steeds van toepassig zoals Tacitus al schreef: "De Romeinen zijn de rovers en plunderaars van deze wereld". In 1518 schreef Erasmus: "Van Caesar zul je de ware zuiverheid van de Romeinse taal leren, maar pas op dat je van hem niet de eerzuchtige dwaasheid van de oorlogen leert" en prof.B.Hughes stalde vast dat "De Romeinse maatschappij was gebaseerd op slavernij. Meer dan 200 miljoen slaven hebben het Romeinse rijk opgebouwd". "Vikinkje spelen"? Cowboytje spelen? Gaan we ook nog eens de 'inquisitie naspelen' of "slavenhandelaartje"?


    Hier blijkt weer eens dat zelfs moderne historici zich laten verleiden tot traditionele behoudende opvattingen. Van een vredelievende vorst is bij Karel de Grote totaal geen sprake geweest. Hij heeft meer dan 30 jaar oorlog gevoerd tegen de Saksen, die hij tenslotte met vrouwen en kinderen deporteerde buiten zijn rijk. Het was ordinaire etnische zuivering en naar hem wordt een Europese Vredesprijs vernoemd! Zo kwamen de Saksen vanaf hun oorspronkelijke woonplaats aan Het Kanaal in Duitsland terecht, waar hun verplaatsing weer voor de nodige verwarring heeft gezorgd. Als historicus dient men zeer kritisch te staan ten opzichte van gebeurtenissen in het verleden. De slavenhandel wordt momenteel toch anders beoordeeld, wat ook geldt voor de Kruistochten in naam van het ene 'ware' geloof. Zo dient ook het Christendom onder Karel de Grote beoordeeld te worden. Onder het mom "God is met ons" werden de vreselijkste misdaden tegen de menselijkheid gepleegd. Een bezetter verdient geen standbeeld en zeker ook geen naar hem genoemde Vredesprijs!

  17. De handel was hoofdzakelijk gevestigd in de internationale marktstad Dorestad, waar Fransen en Denen, Duitsers en Engelsen elkaar ontmoetten. Maar ook te Trecht ontstond een begin van handel. In 779 gaf Karel de Grote aan de handeldrijvende monniken van het klooster St. Germain bij Parijs tolvrijheld o.a. te Trecht, een aanwijzmg dat ook hier handel van enige betekenis gedreven werd (p.25/26). Fransen, Denen, Duitsers en Engelsen bestonden nog lang niet in 779. Van belang zijn de volgende passages uit de oorkonde: " ...de abt Robertus wenst handel te drijven (in was) om kaarsen te maken, en voor andere benodigdheden van het klooster, zowel aan de overzijde van de Loire als aan deze zijde, of in Bourgondië, of in de Provence, in Francia en in Austria... (daarom verleent de koning aan de abdij tolvrij heid)... in alle havens en in alle steden, zowel in Rouaan als in Wicus (Quentovicus aan de Canche), in Amiens, Trajectum en Dorstadae, in alle havens, te Sainte-Maixence (aan de Oise), en overal elders, en in het land van Parijs, in de gouw van Troyes en het land van Sens" .
    Was hier sprake geweest van een handel in strikt commerciële zin, dan had men zich een gebied van grote uitgestrektheid kunnen indenken. Daar het evenwel ging om was voor kaarsen en verdere benodigdheden voor de abdij, heeft de handel een zeer beperkte en regionale omvang gehad. Nog minder kan men zich na de lezing van al die Franse plaatsen voorstellen dat de kelderbroeder van St. Germain-des-Pres te Utrecht of te Wijk bij Duurstede naar de markt ging! Trajectum en Dorestadum worden hier opgesomd tussen Amiens en Sainte-Maixence, precies zoals ze ook geografisch lagen tussen die plaatsen in Frankrijk. Dit gebeurt dus als je van oorkonden maar de helft -of nog minder- leest en niet de letterlijke tekst volgt, maar de eigen vooringenomen opvattingen laat prevaleren.


  18. Al tijdens het leven van Karel de Grote waren de eerste drakenschepen van de Noormannen, die geduchte zeerovers, voor de kusten van Westeuropa verschenen. Overbevolking, armoede en de lust naar avontuur hadden de Scandinaviërs tot de overzeese expedities gedreven, die aanvankelijk alleen in de zomer plaats vonden, maar later een blijvende bezigheid vormden, totdat de vikingtochten heel Westeuropa bestreken en de omvang aannamen van een kolonisatiebeweging, oostwaarts langs de Russische rivieren tot in de Zwarte Zee en de keizersstad Byzantium (p.26). Een volgende mythe: de Noormannen (doorgaans onjuist Vikingen genoemd) kwam niet uit Skandinavië, maar uit het zuiden waar hun libornen (Drakenschepen) bekend waren. Lees meer over de Noormannen. Overbevolking in een omvangrijk groot gebied? Van een kolonisatie van Noormannen is in Nederland in elk geval nooit iets gebleken, nog van plunderingen. Dat die plunderingen aanvankelijk alleen in de zomer plaatsvonden is ook zo'n mythe. Teksten spreken toch regelmatig over dat 'de Noormannen hun winterkwartier inrichtten' (bijv. in 880 en 890) en worden de maanden oktober (in 830), november (in 830) en januari (in 831) genoemd. Het zijn onbetekende deatils, maar bevestigen nogmaals dat de eenmaal aangenomen opvattingn onjuist zijn.

  19. Bijna een eeuw lang voeren de woeste zeerovers in hun lange schepen geregeld de Nederlundse nvieren op, plunderden steden en dorpen en vestigden zich 's winter in veroverde burchten of zelfgebouwde vestingen (p.27). Nog meer mythen. In Nederland is geen enkel bewijs gevonden, noch tekstueel, noch archeologisch, van de aanwezigheid van plunderende zeerovers. Ook zijn er geen taalkundige relicten in plaats- of streeknamen, geen geografie, stratigrafie of historische gebruiken te vinden geweest, of men ze nu Noormannen of Vikingen noemt. Jawel: enkele runenstenen, maar die zijn pas uit de 10de of zelfs 11de eeuw. Die afwezigheid van relicten uit de tijd van de Noormennen wordt ook bevestigd door prof.Hugenholtz en dr.Van Es, die het verklaarde met 'ze hebben bij hun aftocht alles netjes opgeruimd'. Hoe infantiel kunnen historici uitvluchten bedenken? Opmerkelijk blijft ook dat berichten over Noormannen in Denemarken, Zweden of Noorwegen volledig ontbreken. In Frankrijk bestaan meerdere taalrelicten, waarbij de naam Normandië (Noormannen-land) toch wel als erg overtuigend moet worden opgevat.
    Ja, er zijn zwaarden gevonden die uiteraard meteen aan de Noormannen worden toegeschreven. Maar die zwaarden bleken te stammen uit de tijd vèr ná de Noormannen. Zie Archeologie in Nederland nr.4 december 2024 of lees over de vondst van zwaarden in de buurt van en zelfs in Utrecht in Archeologie in Nederland nr.3 juli 2018.


  20. Aanvankelijk bleef Trecht gespaard, niet omdat de plaats nu zo sterk was, maar wat viel er te halen in deze nederzetting van priesters en hun dienaren? Is een kerk eenmaal leeggeroofd, dan is er geen buit meer; aantrekkeIijker was het nabijgelegen Dorestad, waar de kooplieden hun handelsvoorraden bewaarden en telkens weer opnieuw aanvulden. Keer op keer werd deze 'wijdvermaarde koopstad' leeg-geplunderd totdat de plaats doodgebloed was. (p.27). De mythe van Dorestad is net zo hardnekkig als het Friesland van de Friezen, welke geschiedenis toch seeds meer betwijfeld wordt, zelfs als achterhaald wordt beschouwd. Voor de vermaarde handelsstad Dorestad bestaat in Nederland geen enkel bewijs. Het zou ter plaatse van Wijk bij Duurstede hebben gelegen. "Een strikt bewijs voor de determinatie Dorestadum is door de opgravingen nooit geleverd", erkende archeoloog W.A.van Es.

  21. In 841 werd de zeekoning Rorik door keizer Lotharius I met Dorestad beleend, een bezit, dat hij tot geheel Zeeland, Holland, Utrecht en de Betuwe wist uit te breiden. Nog was Trecht ongeschonden, maar bisschop Hunger vond het toch verstandiger de nabijheid van de geduchte buurman te mijden. De kerkvorst leidde een zwervend bestaan, totdat keizer Lotharius hem het klooster St.Odiliënberg bij Roermond als zetel schonk. (p.27). Het is inderdaad vrijwel zeker dat in de oorspronkelijke akte heeft gestaan: “Berg aan de Sura”, de Sauer, waarvan de 13e-eeuwse of nog latere kopiist van Egmond, die deze rivier niet kende, maar Rura(de Roer) maakte; te meer omdat bij die rivier het klooster van St.-Odilienberg lag, waarvan hij meende dat dit het klooster “Berg” was. Dit leidde later weer tot de conclusie, dat St.-Odilienberg bezit van het bisdom Utrecht was, wat pas geponeerd kon worden nadat het Cartularium van Radboud (dat voor deze episode de enige authentieke bron is) door Utrecht gekopieerd was. St.-Odilienberg is nooit bezit van Utrecht geweest; ’n enkele oorkonde die dit naar de schijn leek te zeggen, kan juist gemakkelijk doorzien worden als een poging van Utrecht om St.-Odilienberg te claimen. Het klooster van “Berg” was echter toegewijd aan de heilige Petrus; dat van St.-Odilienberg aan de heilige Odilia. De term “Petersberg”, later af en toe gebruikt om de identiteit tussen die twee te bewijzen, is van zeer jonge makelij. Na de terugkeer van bisschop Hunger spreken de teksten niet meer over Berg, zodat vrijwel zeker is dat dit klooster enkel als tijdelijke verblijfplaats voor de bisschop en zijn clerus bedoeld was en dat het niet in bezit is geweest van het bisdom Tournehem. Leest men de oorkonde met dit inzicht, dan blijkt zij precies dit en niet meer te zeggen: namelijk dat de bisschop en zijn geestelijkheid het klooster mochten “gebruiken”. Alwat nadien over Utrecht en St.-Odilienberg is aaneengeregen, was derhalve vier maal misgegrepen: de plaats van de zetel is fout; de naam van het klooster is fout; het zogenaamd bezit is fout; en ook was het fout, niet op te merken dat het maar een tijdelijke situatie is geweest.
    Dat uit zo’n opeenstapeling van fouten, weer andere volgen, zien we bij de verbinding van Plechelmus met Oldenzaal, een der merkwaardigste gevolgen van de legenden rond St.-Odilienberg: zie de teksten 94, 96 en 246 in Ontspoorde historie. Het is echter wel mogelijk, ja -gezien de oude naam en gehandhaafde patronaten- heel waarschijnlijk hoewel niet strikt te bewijzen, dat het tijdelijk onderkomen van Hunger c.s. (toevalligerwijs) identiek was met het meer dan een eeuw later (weerom) leegstaande klooster (ook aan de Sauer) hetwelk in 973 werd ingericht voor de gloednieuwe benedictijner-communauteit onder de naam Aefternacum (Echternach).

    Albert Delahaye noemt zijn boek over de predikers onder de Fresones "Ontspoorde historie" waarvan de geschiedenis wel juist is, maar de verkeerde wissel heeft genomen en uit de rails is gelopen. Deze trein had als bestemming Frans-Vlaanderen en was niet op weg naar Utrecht, waar immers nog geen station was.

  22. In het jaar 857 keerde Rorik terug naar Denemarken. Tijdens zijn afwezigheid bleek zijn waarde voor de veiligheid in deze streken: voor het eerst werd Trecht door een expeditie van andere Noormannen bestormd, geplunderd en in bezit genomen. Het had er alle schijn van dat uit de Nederlanden een tweede Normandië geworden was, een gebied waar de Scandinaviërs blijvend de heerschappij in handen hadden gekregen. (p.27). Hier stapelen de mythen zich op. Nederland is nooit een tweede Normandië geworden of geweest. Ben benieuwd op welke tekst dit verhaal gebaseerd is. Wat ik over 857 kan vinden heeft betrekking op het gebied van de Seine en Normandië) In 857 verwoestten de Noormannen de streek van Seine en vielen Parijs aan, waar zij de bassiliek van St.Petrus en Ste.Genoveva in brand staken en alIe andere kerken, behalve het klooster van St.Steven en de kerk van St.Vincentius en Germanus en de kerk van St. Dionisius . . Andere Noormannen namen met geweld de haven in die Derestadum heet, en het gehele Eiland van de Bataven en alle omliggende plaatsen. Bronnen: I AnnaleE Bertiniani, HdF, VII, p. 72. en Prudentii Trecensls Annales, MGS, I, p, 451.
    In 857 heerste de Noorman Rorik, over Dorestadum, voerde met verlof van koning Lotharius een vloot naar de gebieden van de Noormannen en met vertof van Harik, koning van de Noormannen, nam hij het deel tussen de zee en de rivier de Egidora (de Authie) met zijn aanhangers in bezit. Bron : Annales Fuldenses, HdF, VII, p. 166.


  23. In 885 werd de laatste zeekoning, de viking Godfried, bij vredesbesprekingen verraderlijk vermoord. Eén van de samenzweerders was een zekere graaf Gerulf, stamvader van de graven van Holland (p.27). Opmerkelijk dat Struijck hier een zekere Gerulf (van Gent) noemt die stamvader van de Hollandse Graven was. Welke Gerulf 1 of 2? Stamvader was Gerulf zeker niet, want hij meerdere voorgangers: Aldgisl, Poppo, Dirk I en Gerulf I. Vóór Gent kwamen deze voorgangers uit Frans-Vlaanderen. Lees meer over de Graven van Holland.

  24. Nog was er voor de bisschop geen terugkeer mogelijk. Wel bezocht Radbod, (900-917), herhaaldelijk zijn bisschopsstad, maar hij werd er niet vriendelijk door de bezetters ontvangen. In 925 vond de laatste grote Noormannentocht plaats. Verschillende gouwgraven herstelden de orde. Onder hen was graaf Ricfried, wiens zoon Balderik de volgende bisschop was. Deze kerkvorst kon eindelijk in de Domstad terugkeren (p.27/28). Bij de terugkeer van Balderik blijft de geschiedenis ontspoord en vol aangenomen opvattingen, die het verhaal ingewikkeld maken. Allereerst keerde hij niet terug bovendien was er nog geen Dom, noch een Domstad. Balderik, de eerste bisschop van Utrecht, zou vanuit Deventer (zoals werd aangenomen) gekomen zijn naar Utrecht. Toen was de keten van mystificaties helemaal rond. Het verblijf van Balderik te Deventer is helemaal uit de lucht gegrepen; er bestaat geen enkele tekst die dit steunt.

  25. Deze prelaat (Balderik) was echter een doortastend man, die in korte tijd zijn bisschopsstad herbouwde en tot bloei bracht. Van deze taak en van dit Utrecht uit de 10e eeuw moeten wij ons geen overdreven grootse voorstelling maken. Hoogstwaarschijnlijk waren alleen de kerken opgetrokken in de kostbare buitenlandse natuursteen (p.28). Ook hier loopt de trein van mythen volledig 'uit de rails' en is sprake van Ontspoorde Historie. Volgen we de teksten dan lezen we daarin: "Baldricus, bisschop van Traiectum (Utrecht), geeft een verklaring van zijn benoeming en eerste optreden als bisschop... Toen ik, Baldricus, onwaardig hoofd van de Utrechtse kerk -na de dood van de eerwaardige vader en heer Radboud, 14e bisschop van Traiectum(Tournehem)- benoemd was tot bisschop van Utrecht, ben ik door de aartsbisschop, nl. die van Colonia(Keulen), bevestigd en gewijd. Ik heb het eerst de plaats bezocht van de kerk van Utrecht, vanwaar het bisdom zijn naam heeft. Toen ik daar aankwam, vond ik ze, o smart!, vernield door de Noormannen en geheel verlaten, terwijl de eerbiedwaardige kerken van mijn glorievolle patroon Martinus en van de Salvator verwoest en verbrand waren... Ik heb over de gracht een brug la ten bouwen; de stad heb ik met poorten en verdedigingsmuren tegen aanvallen van vijanden laten herstellen. En de kerken, edele aan Gods vrede gewijde plaatsen -namelijk die van mijn glorievolle patroon Martinus en die van de Salvator- maar door heidenen verwoest, heb ik enigszins laten herbouwen, niet zoals het moest doch zoveel als in mijn vermogen lag". Bron: Van Mieris, Oorkondenboek van Holland ... etc., I, p.34.

    Het is jammer dat deze tekst een vervalsing is, algemeen door de historici als zodanig erkend. Toch geeft deze tekst (opgesteld ná de 15de eeuw) ter bevestiging van de regel dat er in elke vervalsing een kern van waarheid zit, een vrij goed beeld van de komst van Balderik naar Utrecht. Hij trof er natuurlijk geen stad aan, vernield door de Noormannen, doch de resten van Romeins Utrecht (hoe dit ook heette), die na het einde van de transgressies weer aan het licht kwamen: iets wat helemaal niet vreemd is en wat in Elst en Nijmegen eveneens gebeurde. Zo is ook geheel verklaarbaar dat het 10e-eeuwse Utrecht is ontstaan pal bovenop het Romeinse en dat de eerste kerk zelfs recht op de fundamenten van een Romeins pretorium is gebouwd. Wie toch zou dat gratis bouwmateriaal laten liggen en nieuwe fundamenten storten als er nog goede lagen! De zuinigheid van Hollanders kun je toch niet beter voorstellen? Welke kerken stonden in Utrecht begin 10de eeuw? Welke gracht en welke brug worden hier bedoeld? Dat is toch allemaal van veel later? De oudste kerk in Utrecht werd in de 11de eeuw gebouwd (volgens de Jaarboeken van Utrecht). Vernield door de Noormannen? Zie punt 32, 33, 36 en 38 hiervoor!

    Een en ander bewijst ten eerste dat zo de opvolging (of beter: niet-opvolging) ligt tussen het Romeinse en het 10e-eeuwse Utrecht; en ten tweede dat er tussen de 3e en 10e eeuw geen noemenswaarde bewoning is geweest, daar anders de archeologie al lang iets daarvan zou moeten geopenbaard hebben (Bloemers, “Verleden Land” van 1981 zwijgt zeven eeuwen lang over Utrecht).

    Tussen alle authentieke teksten die tussen de 3de en 10de eeuw op Traiectum betrekking hebben, blijkt geen enkel stukje “Utrecht” voor te komen.

    Het vervalste karakter van de voorgaande tekst blijkt in het bijzonder uit de nadrukkelijke vermelding dat Radboud de 14e bisschop was van Traiectum. In geen van de bekende onvervalste teksten over Trajectum worden rangnummers van bisschoppen uitgedeeld. Men had ze niet eens kunnen produceren. De moeilijkheden beginnen al met Bonifatius die wel bisschop was maar niet van Trajectum was, en Gregorius die mischien niet eens bisschop was; voorts twee bisschoppen waarvan niets bekend is; en tenslotte 2 namen voor een bisschop). Pas toen het bisdom Utrecht zo’n twee eeuwen na zijn stichting behoefte ging voelen aan een verhoogde ancienniteit, is men een lijst gaan reconstrueren van de zogenaamde voorgangers van stichter Balderik. Zelf heeft deze (evenals zijn eerste opvolgers) nimmer de gedachte gekoesterd opvolger van Willibrord te zijn. De opvatting dat Utrecht de rechte voortzetting van Traiectum was, vindt men tot in de 12e eeuw dan ook nergens in de bronnen van Utrecht uitgesproken, behalve in de nadien geproduceerde valse oorkonden, gefabriceerd toen het erom ging die rechte lijn wel aan te tonen, juist omdat zij ontbrak. Toen werd het zaak de bisschoppen vanaf Willibrord te nummeren. Zie de lijst bij punt 26.

    Het bisdom Utrecht verschijnt volledig nieuw omstreeks 940. De naam van Utrecht moet verstaan worden als Uit-Rek, een strook land, vrij recentelijk uit het water te voorschijn gekomen en voorlopig nog “uit”(=buitenliggend). Waarschijnlijk was het nog eiland of waddeneiland dat alleen bij eb toegankelijk was. De weliswaar apocriefe tekst over Balderiks komst naar Utrecht suggereert dit ook. De naam Utrecht kreeg in de officiele stukken vrij vlug de latinisatie Ultraiectum/Traiectum, wat een volkomen normale zaak is, maar wat wel de aanleiding tot enorme misverstanden werd. Voor de toepassing van de naam Vetus (oud) Traiectum was derhalve niet de minste aanleiding, daar stad en bisdom kersvers waren. Geen wonder dan ook dat Balderik de eerste bisschop was die in de Utrechtse Dom begraven werd. Om hem te doen aansluiten bij Radboud, plaatste men het begin van zijn optreden in 918. Er bestaat geen enkel betrouwbaar gegeven hieromtrent. Wat niet verwonderlijk is, daar het zou betekenen dat Balderik op een jaar na zijn diamanten episcopaat in actieve dienst had kunnen vieren; iets waarvoor men toch wel tegen de 100 moet lopen. En ook voor zo’n uitzonderlijke ouderdom van Balderik ontbreekt elke aanwijzing. Ook dat hij van Deventer kwam, wordt door eigentijdse gegevens niet bevestigd. Tot in de 12e eeuw is geen Utrechtse of Hollandse tekst aan te wijzen die de identiteit uitspreekt tussen Willibrords Traiectum en het Nederlandse Utrecht. De oorkonden die dat wel schijnen te doen, kunnen stuk voor stuk als vervalsingen worden ontmaskerd. Eveneens kan worden aangetoond dat deze akten in de 13e eeuw gefabriceerd zijn; namelijk na het bekend worden van het Cartularium van Radboud dat, voor de kopie van Egmond uit de 12e of 13e eeuw, in Holland nog niet ter beschikking stond. De opkomst van enige nieuwe namen in Nederland, zoals Lake, Isla, Oostergo, Westergo, Hameland, Frisia, Walcheren, Betuwe, Elst, Nijmegen, Tiel en Deventer is goed te volgen; tevens wordt duidelijk dat dit volledig nieuwe namen zijn, of althans dat de ermee aangeduide plaatsen -afgezien van hun naamsovereenkomst- niet de minste samenhang hebben gehad met hun veel oudere naamgenoten in de beide Vlaanderens en het verdere Noord-Frankrijk.


Hoofdstuk 2: de geboorte van een handelsstad 900-1304.(p.29-67)

Het verhaal in hoofdstuk 2 bevat veel aangenomen geschiedenis, waarvoor bewijzen ontbreken die dan ook niet gegeven worden, niet gegeven kunnen worden omdat ze er nooit geweest zijn. Dit boek wil eveneens laten zien wat er niet is, schrijft Struijck (p.12) Hoe Struijck dat voor elkaar krijgt is een integrerende vraag! Hoe kun je laten zien wat er niet is? Daarop is de geschiedenis van Utrecht al te lang gebaseerd geweest, op wat er niet is. Op overlevering? Vandaar dat prof.D.Blok het ook een feitenloze woestijn (woestenij) noemde. 'Kunst uit die eeuw is in Utrecht niet bewaard' (p.32). Wat verhaald wordt over de Kerken (St.Maartenskathedraal en St.Salvator) wordt in de Jaarboeken en de Archeologische en Bouwhistorische Kronieken van Utrecht tegengesproken. De oudste kerken stammen uit de 11de eeuw en zeker niet uit de 10de eeuw. Ook het verhaal over de Graven van Holland zoals hier vermeldt is onjuist. Graaf Waldger, zoon van Gerulf II, was graaf in Gent. De teksten uit de genoemde jaartallen 925 (over de Noormannen) en 944 (de Isla) geven daarover voldoende uitsluitsel. Het gaat daarin over Francia en helemaal niet over Nederland, laat staan over Utrecht. Het genoemde jaartal 975 is hoogst interessant: de schrijver van deze tekst, een geestelijke van Utrecht uit de 14e eeuw, heeft de zaken danig door elkaar gehaspeld. Van bisschop Ludgerus (van Tournehem) springt hij ineens over op de eerste bisschop van Utrecht, Balderik. Het geeft precies het begin van het bisdom Utrecht aan: 975! Zie ook punt 6 hieronder. Voor deze en andere teksten verwijzen we naar de Ware Kijk Op. Dirk IV (10??-1049) is de eerste die men Graaf van Holland kan noemen -al bestond de naam Holland nog niet-, maar hij verbleef nog in het Merwedegebied, waar hij ook gesneuveld is. Lees meer over de Graven van Holland.
  1. Voor ons zijn de omstandigheden waaronder in vier eeuwen tijds, in de jaren 900 tot 1300, de stad Utrecht van een nieuw opgezette nederzetting uitgroeide tot een zelfstandige macht binnen de symbolische en tegelijk zo tastbare stevigheid van hoge stenen muren, perioden van onduidelijke duisternis, waarin , door de gebrekkige gegevens slechts met moeite en met veel gissingen enkele lijnen van de ontwikkeling zichtbaar kunnen worden gemaakt. Ook in dit belangrijke tijdvak is geen diepgaand onderzoek van bestaande bronnen gemaakt. (p.29) Dat diepgaand onderzoek was vóór 1968 dus nog niet gemaakt. De geschiedenis van Utrecht was te lang gebaseerd geweest op gissingen en op onjuiste aannamen (zie volgende punt).

  2. Na de overheersing en de onveiligheid in de Noormannentijd kwam naast een bisschoppelijk kasteel een handelsnederzetting tot stand, die onder de kromstaf van de bisschoppelijke landsheer een aanhangsel was dat tegen de belangrijker residentie van de vorst was aangevoegd met een eigen leven maar zonder politieke eigenheid (p.29) Van een Noormannentijd is in Utrecht geen enkele sprake geweest. Er bestaat geen enkele tekst over de Noormannen die met Utrecht te verbinden is. Ook archeologisch is in Utrecht of waar dan ook in Nederland geen spoor van Noormannen gevonden of te vinden. Ja, men vindt een as-laag! Maar houten huizen (hele steden!) of bossen brandden ook wel eens af zonder geweld van buitenaf, zoals momenteel nog steeds gebeurt. Zie ook punt 7 hieronder!

  3. De terugkeer van de bisschop naar zijn traditionele zetel bracht met zich mee het ontstaan van een handelsnederzetting, die haar fortuin dankte aan de verdwijning van de koopmansstad Dorestad door de Noormanneninvasies en aan de eigen gunstige ligging in een periode van intense economische herleving (p.29/30). De traditionele opvattingen die hier genoemd worden zijn onjuist. De bisschop keerder niet terug naar zijn traditionele zetel, maar kwam naar zijn nieuwe zetel. De opgegraven nederzetting te Wijk bij Duurstede was niet koopmansstad 'Dorestad', maar het lintdorp Munna van boeren en vissers, dat een roversnest werd en op last van de Duitse keizer in 1018 vernietigd werd. Aan alle kenmerken in de teksten genoemd voldoet de opgegraven nederzetting te Wijk bij Duurstede allerminst. Koopmansstad? Zijn er rijke kerken gevonden? Of een klooster? Uit het opgravingsverslag uit 1978 blijkt dat allerminst. Ligt Wijk bij Duurstede in Gallia of in Francia? Lees meer over deze en andere kenmerken van het klassieke en echte Dorestad. Opmerkelijk is dat in dit boek uit 1968 de traditie van Dorestad al wordt genoemd, terwijl de opgravingen van Van Es tussen 1968 en 1978 nog moesten beginnen. Vandaar dat Van Es al tevoren aangaf "we gaan Dorestad opgraven". Zijn conclusie stond al vast voordat er éé schop de grond in was gegaan. Van Es die overigens in 1978 erkende dat hij zich met Dorestad 'vergist' had. "Er is in Wijk bij Duurstede geen enkel archeologisch bewijs gevonden voor de determinatie Dorestadum".

  4. De bisschopsresidentie, die bestond uit de St.Maartenskathedraal en de iets oudere kerk van St. Salvator, eerbiedwaardige uitgangspunten van de prediking van St.Willibrord, nog voor hij de missiepost tot een bisdom uitbouwde (p.30).Deze ene zin bevat de hele aangenomen maar onjuiste geschiedenis van Utrecht. De St.Maartenskerk (De Dom) en de St.Salvatorkerk zijn gebouwd in de 11de eeuw (Jaarboek Oud-Utrecht 2018), het begin van de prediking van St.Willibrord moet geplaatst worden in de 7de eeuw. Daar ligt 4 eeuwen tussen. Aansluitend kunnen we de opvatting van prof.Post nog een herhalen: 'Op één punt moet ik Delahaye onmiddellijk gelijk geven. Sint Willibrord is geen aartsbisschop van Utrecht geweest. Hij werd missiebisschop ergens in het land van de Friezen''. Dan is de vraag 'waar lag het land van de Friezen?' In zijn tijd bestond Utrecht niet! (zie ook punt 15 bij hoofdstuk 1).

  5. Bijzonder vermeldenswaard is ook de toestemming in 975 verleend om de riviertol van Muiden naar Utrecht te verleggen, wat voor de bisschop betekende dat hij betere controle kon uitoefenen op deze waardevolle bron van inkomsten (p.31) Dit genoemde jaartal staat in contrast met de oorkonde uit 1122, waarbij Utrecht tolrechten kreeg, maar deze wel moest delen met Muiden. Veel rechten, giften en verkregen gunsten moet men ook steeds bezien in de bedoeling van inkomsten voor de ontvangende partij, vaak kerken of kloosters, zoals bijvoorbeeld bij Echternach gebeurde. Rechten en gunsten of goederen moest men krijgen van een plaatselijke machthebber (die het ook vaak maar gestolen -ingepikt- had. Van wie is de grond waarop we leven?) Als de ontvanger de oorkonde opstelde, dient men dubbel alert te worden. Dat oorkonden dan wel eens aangepast (vervalst) werden, is een algemeen bekend gegeven.

  6. Balderik was nog een zelfstandig kerkvorst die zijn benoeming te danken had aan zijn familie, welke belangrijke verdiensten had door de verdrijving van de Noormannen. De bisschoppen na hem waren door de keizers aangesteld als rijksbisschoppen die het rijksgezag moesten handhaven (p.31). "Door de verdrijving van de Noormannen" is helemaal juist, echter dat gebeurde niet in Utrecht, maar in Frans-Vlaanderen. Met bisschop Balderik is de vergissing gemaakt en een grote verwarring ontstaan (naast die van Nijmegen-Noyon). Let bij de volgende punten special op de richting en de samenhang!
    1. De breuk tussen Tournehem en Utrecht valt inderdaad samen met de breuk tussen Radboud en Balderik.
    2. Van Balderik (Baldricus) wordt aangenomen dat hij uit Noord-Frankrijk stamde en zijn opleiding genoten zou hebben in Tours al zijn daar geen betrouwbare gegevens over. En waar geen gegevens over bestaan, werden die verzonnen. Die aangenomen geschiedenis kwam ook niet in conflict met niet bestaande gegevens, tenzij.... in Franse bibliotheken toch nog gegevens gevonden werden.
    3. Men heeft zich dikwijls afgevraagd waar vandaan Balderik, die eerste bisschop van Utrecht gekomen was. Balderik komt ca.940 uit het niets opduiken.
    4. Zijn rechtstreeks opvolging van Radboud is altijd een groot vraagteken gebleken. Betrouwbare eigetijdse teksten ontbreken daarover.
    5. Tussen 946-964 ontvangt bisschop Balderik relieken van heiligen uit Frankrijk, wat opmerkelijk is. Hoe kende hij die relieken uit Frankrijk?
    6. Johannes de Beka, die omstreeks 1350 een geschiedenis van het bisdom Utrecht beschreef, deelt mee dat bisschop Balderik (940-977) door een "mystieke openbaring" in Utrecht de relieken vond van de heiligen: Werenfried, Lebuinus, Plechelmus, Wiro, Otger, Odulphus en Radboud, waarmee hij de kerk van Utrecht verrijkte. Het bericht is zonder meer verzonnen, daar geen van de heiligen ooit iets met Utrecht uitstaande heeft gehad. Het kan wel dienen om de cirkelredeneringen van legenden en fantasieën te demonstreren. Beka beschrijft een openbaring van vier eeuwen geleden, welke op haar beurt weer teruggaat op personen en feiten van nogmaals 2 à 3 eeuwen eerder, terwijl voor geen van beide 'overleveringen' enige documentatie bestaat.
    7. Balderik (918-976) ging de bisschopszetel te Utrecht herstellen en het bisdom reorganiseren. Herstellen? Hij bouwde voort op de Romeinse resten. Toch blijft het tekenend dat het Christendom in deze streken moeizaam wortel schoot en dientengevolge èn de diocesane clerus èn de weinige en nogal povere kloosters - elders elementen die een tegenwicht vormden tegen de feodale anarchie - slechts betrekkelijk zwakke invloed konden doen gelden. Een bisschopszetel te Utrecht heeft vóór de 10de eeuw niet bestaan.
    8. Balderik was de eerste bisschop van Utrecht en eerst, wat algemeen werd aangenomen, hij was de eerste bisschop die in de Utrechtse Dom begraven werd. Om hem te doen aansluiten bij Radboud, plaatste men -pas in de 13de eeuw- het begin van zijn optreden in 917/918. Er bestaat echter geen enkel betrouwbaar gegeven over deze opvolging. Hij is overleden in 976 of 977.
    9. Balderik zou in Deventer gezeteld hebben op de vlucht voor de Noormannen. Dat verblijf van Balderik te Deventer is evenwel uit de lucht gegrepen: er bestaat geen enkele tekst die dit steunt. Waarom zou bisschop Balderik dan gevlucht moeten zijn? Het staat volkomen vast dat de Noormannen Utrecht nooit geplunderd hebben. Er is archeologisch geen spoor van al die plunderingen gevonden, net zo min als dat in Deventer of Zutphen het geval is geweest.
    10. Een schenkingsoorkonde van bisschop Balderik, gedateerd 940, waarin uitgebreid verslag wordt gedaan van de verwoestingen door de Denen, is een falsum dat pas rond het midden van de dertiende eeuw is ontstaan. Van Noormannen ontbreekt in Utrecht elk spoor.
    11. Balderik nam hij de traditie van Lebuinus "apostel van de Isla" mee (dat in Nederland al vlug als IJsselstreek werd opgevat) en liet zelfs het Leven van St. Lebuinus schrijven.
    12. Het is bekend dat het Leven van Lebuinus (Levinus) op verzoek van bisschop Balderik van Utrecht tussen 940 en 978 geschreven werd door Hucbald, een monnik van Gent, die onder de naam van Sint Lieven/Lieven in Vlaanderen alom bekend was en nog steeds is.
    13. Balderik bracht ook de traditie van Plechelmus van Aldenseele mee en plaatste hem in Oldenzaal.
    14. Tussen Susteren (ca.860) en Utrecht (ca.940) of het nog jongere Echternach (973) ontbreekt elke band. Keizer Arnulf schonk het klooster van Susteren in 891 aan de abdij van Prüm; uit de akte blijkt dat het een vrouwenklooster was, een bevestiging dus van het oude klooster van Suestra.
    15. In het jaar 948 garandeerde keizer Otto (I) nogmaals het bezit van Prüm over het klooster van Susteren. Bij de opmaak van deze akte was bisschop Balderik aanwezig; en dan valt geen woord over enig recht of over een claim van Utrecht over Susteren op. Dat kan ook niet anders, daar Balderik noch een van zijn eerste opvolgers ooit de gedachte hebben uitgesproken dat zij de opvolgers van Willibrord zouden zijn. Die titel werd pas in of na de 12e eeuw opgedrongen.
    Door deze samenloop van omstandigheden werd het bedje voor de Willibrord-traditie duidelijk gespreid.

    Het verblijf van bisschop Balderik van Utrecht wordt nog verward, doordat in Frankrijk ook een bisschop Balderik (vaak aangeduid als Baudry, ook als Baldricus) heeft bestaan, die bisschop was van het dubbel-bisdom Noyon-Doornik van 1098 tot zijn overlijden in 1112. Deze bisschop Balderik was onder de inwoners van Noyon zeer geliefd, wat gezien onderstaande tekst wel begrijpelijk is.
    Op pagina 126 van “De Ware Kijk Op …; Deel I” staat een verwjzing naar een oorkonde van bisschop Balderik uit 1108 en specifiek om de zin “Hij die de stad Noyon goed dient, zal voor de eeuwigheid onder de bewoners van het Huis van de Heer zijn”. De originele Latijnse tekst luidt: “Universis autem qui eidem ecclesie et civitati Noviomensi fideles extiterint, et iura eius ac libertates defensaverint, benedictionem en eternum concedimus. Quoniam qui bene servierit et eam fideliter adiuverit, in domo Domini habitatores in eternum erunt, et locum requiei in celestibus invenient.” De vertaling: Aan allen daarentegen die aan deze zelfde kerk en de stad Noyon trouw blijven, en haar rechten en vrijheden verdedigen, schenken wij de zegening voor de eeuwigheid. Want zij die haar goed dienen en haar trouw bijstaan, zullen voor de eeuwigheid bewoners zijn opinioin het Huis van de Heer, en een plaats van rust vinden in de hemelen.


  7. Zeker tot in de 12e eeuw waren stenen huizen grote uitzonderingen. Zelfs kastelen werden van hout gebouwd en mogelijk was het bisschoppelijk paleis ook uit dit goedkoper inheemse materiaal opgetrokken. (p.32) Daarmee staat een stuk van de oudste geschiedenis van Utrecht aardig ter discussie. Het argument van 'in hout gebouwd' wordt ook aangevoerd als er niets wordt teruggevonden. Maar ook hout laat sporen na. En als er niets van wordt teruggevonden heeft het ook niet bestaan!

  8. Het verwoestende optreden van de Noormannen en de verbrokkeling van de Karolingische staat hadden de maatschappij ontwricht. (p.32) Nu is de vraag waaruit dat verwoestende optreden van de Noormannen blijkt. Bekijkt men de verplaatsing van kloosters -toch een feit dat in de kronieken te volgens is- dan blijkt dat juist kloosters uit Noord-Frankrijk naar het oosten vluchten en daar onder de gelijke naam worden hersticht. Deze monniken namen hun gesschriften mee en eeuwen later -soms vele eeuwen later- werd de inhoud daarvan op het nieuwe gebied toegepast, waarbij aantoonbaar, vele onjuistheden ontstonden.Dit is de kern van problematiek van de historische verplaatsingen en het ontstaan van de Fundamentele verwarringen. Het betreft de kloosters van Epternacum dat Echternach (Lux) werd, Souastre dat Susteren (NL) werd, Werethina werd Werden (D) en Corbie werd Corvey (D). Let vooral ook op de overeenkomstige namen van de herstichtte kloosters.

  9. De scheepvaart ging juist over de binnenwateren en vermeed de gevaarlijke zee zo het maar enigszins kon (p.33) Het vermijden van de gevaarlijke zee wordt al beschreven door Tacitus, waarom Corbulo een kanaal liet graven dat een voortzettingen was van de kanalen van Drusus. Tacitus beschreef de situatie in Noord-Frankrijk, waar juist in Het Kanaal sprake is van een gevaarlijke zee, en niet in de Noordzee voor Nederland. \in \nederland maakten de 'historici' van de kanalen van Drusus slechts één kanaal in Gelderland maakt dat er ook niet gevonden werd en men uitweek naar de Utrechtse Vecht (?). Het kanaal van Corbulo werd in Zuid-Holland gedacht. Van voortzettingen of aansluiting op de kanalen van Drusus is daarvan geen enkele sprake.

  10. Deze bescheiden handelsplaats ten westen van de Oudegracht wordt voor het eerst genoemd in het jaar 1006, wanneer een laatste aanval van Noormannen, sinds generaties niet meer in onze streken gezien, de bevolking opschrikt. Langzaam varen de drakenschepen de rivier af, Tiel wordt geplunderd en ijlings opgetrommeld legertje onder de plaatselijke graaf volgt de rovers op veilige afstand. Wanneer deze soldaten onvoorzichtig te dichtbij komen, springen de vikingen uit hun schepen en brengen de ongeoefende krijgers een bloedige nederlaag toe. Verschrikt vluchten de Utrechters in de burcht na de havenwijk en de omliggende huizen in brand te hebben gestoken. (p.33). Het gaat om gegevens vermeldt door Alpertis Mettensis (zie daar). Hij schrijft helemaal niet over Noormannen, die hier ook plots weer Vikingen worden genoemd, maar over pyratae, niet over Tiel maar over Thyle. Dat zijn onjuiste interpretaties, net als wij nu weten dat van drakenschepen geen enkele sprake is geweest. Als een auteur 'drakenschepen' noemt blijkt al dat hij slechts de achterhaalde opvattingen volgt en niet op de hoogte is van de toch alom bekende stand van de historische wetenschap. Zouden de Utrechters hun eigen huizen in brand hebben gestoken? En naar welke burcht vluchtten zij in 1006? Als er nadien brandsporen worden gevonden kwamen die dus niet voort uit plunderende Vikingen. En over welke plaatselijke graaf gaat het hier? De eerste graaf van Holland was Dirk IV, maar dan gaat het over de tijd ná 1049.

  11. Bij het kasteel aangekomen verbazen de Noormannen zich over deze onredelijke en onnodige angst. Zij zijn alleen met vreedzame bedoelingen gekomen en verzoeken toegang om in de heiligdommen offers te brengen. In fier wantrouwen antwoorden de burchtbewoners geen gewapenden te willen toelaten. En, zo vertelt de kroniekschrijver Alpertus van Metz, hoewel de verovering allergemakkelijkst zou zijn geslaagd - de afgelopen gebeurtenissen hadden dit wel aangetoond - , trekken de Noormannen dan verder uit eerbied voor de gewijde plaats en uit ontzag voor de heilige bisschop Ansfried. (p.34). Zo kwam Annemarieke Willemsen blijkbaar op het idee om -bij het gebrek aan sporen- van de Vikingen slechts vreedzame handelaren te maken. Struijck vermeldt dit 1968, Wiilemsen noemt het in 2009. Het is echter in tegenspraak met alle teksten over de plunderende Noormannen, waarover de kroniek van de St.Bertijnsabdij te St.Omaars vermeldt "velen van de onzen werden gedood" en "van de Northmanni verlos ons Heer". Zou deze kroniekschrijver de situatie in Utrecht beschreven hebben of toch die dicht bij zijn abdij? De heilige bisschop Ansfried en zijn verblijf in het klooster Hohorst is een even grote mythe, als die vreedzame handelaren. Lees meer over Ansfridus en Hohorst, welk verhaal vol zit met legenden, mythen en onmogelijke gebeurtenissen. In de oorspronkelijke tekst van Alpertus Mettensis staat nergens Hohorst of Emersfort of Amersfoort. De 'Ema' wordt wel genoemd in de tekst van Thietmar van Merseburg (die de tekst van Mettensis -soms zelfs letterlijk- naschreef), maar het is maar de vraag of het hier geen latere interpolatie betreft aangezien deze tekst ons slechts in kopie is overgeleverd en waarbij mogelijke aanpassingen aan toen geldende opvattingen niet uitgesloten kunnen worden.

  12. Op het bericht van zijn overlijden kwamen deUtrechters onmiddellijk naar het klooster om hun geliefde kerkvorst mee te voeren voor een waardige bijzetting in zijn kathedraal. In het Aartsbisschoppelijk Museum bewaart een evangelieboek, door Ansfried aan de Dom geschonken, de herinnering aan de goede kerkvorst (p.35). Van welke kathedraal in dit bericht sprake is, is momenteel nog steeds niet bekend. De oudste Utrechtsekerk is pas halverweg de 11de eeuw gebouwd en in 1048 ingewijd. De Utrechtse Dom kan het niet geweest zijn. Die is pas gebouwd in de 14de eeuw. Het hier genoemde evangelieboek van Ansfridus is gedateerd in de 11-13de eeuw met latere toevoegingen.

  13. Minder gelukkig verliep de veldtocht in 1018 tegen graaf Dirk III die bij Vlaardingen een kasteel had gebouwd en onrechtmatig tol hief op de belangrijke scheepvaartweg naar Engeland. Het rijksleger werd door het drassige terrein gehinderd en verslagen (p.36). Over de slag bij Vlaardingen heeft Kees Nieuwenhuisen een boek geschreven. De grondfout is dat hij het verhaal van het in 1018 genoemde Phladirtinga in Vlaardingen plaatst en niet in Frisia in Vlaanderen. Ligt Vlaardingen in Friesland? 'Van die van Vlaardingen' wordt in de Egmondse Evangelie aangetekend en in het tussen 1125 en 1150 geschreven falsum op 1083 gezegd, dat graaf Arnulf (tot 993) hem geschonken had; volgens hetzelfde falsum zou die van Heilo door Dirk II (tot 988) gegeven zijn. Otto Oppermann moest was overtuigd van de valsheid van deze oorkonden, aangezien deze kerken tot 1156 Echternachse kerken waren, moeten alle vermeldingen over Egmonds bezit ervan vóór dat jaar vervalsingen zijn. Een burcht noch een kerk uit de tijd van St.Williborord zijn in Vlaardingen ook nooit aangetroffen. Lees meer over de kerken in Holland. Het drassige terrein bevestigt nogmaals de transgressies, die totdat er dijken gebouwd werden in laag Nederland overal parten speelden. De bouw van dijken wordt algemeen pas in de 12de eeuw geplaatst.

  14. Ten zuiden van de Dom verrees de St.Paulusabdij die hiertoe van de Heilige Berg bij Amersfoort, waar bisschop Ansfried dit Benedictijers klooster gesticht had, werd overgebracht (p.37). Van overbrenging van dit klooster -dat in 1050 gebeurd zou zijn- is geen enkele sprake geweest, aangezien dit klooster op de Heiligenberg bij Amersfoort nooit bestaan heeft. Het is dan wel de traditionele opvatting, maar voortgekomen uit 15de eeuwse overlevering die op geen enkel bewijs steunt. De naam Heilighenbergh is een laat middeleeuwse overlevering vanwege "Ursula en haar 11.000 maagden die met vingerhoedjes deze berg zouden hebben opgeworpen". Archeologisch onderzoek heeft aangetoond dat de oudste resten op de Heiligenberg bij Amersfoort uit de 14de eeuw stammen. De Paulusabdij wordt het oudste Utrechtse klooster genoemd, waaruit we kunnen concluderen dat er vóór 1050 geen klooster geweest is in Utrecht, dus ook geen klooster van Willibrord. En een Benedictijn zonder klooster is een onmogelijkheid en heeft dan ook nooit bestaan en zeker niet een klooster op 300 km afstand van de kerk. Het klooster 'op den heilighen bergh' had als patrones Moeder Maria en niet Paulus. Leest men deze patronaten bij deskundigen na, dan blijkt slechts dat zij er niet uitkomen. Men vervangt niet zomaar de moeder van Jezus Maria, voor een prediker als Paulus. Daar moet een bijzonder reden voor zijn, zoals de stichting van een nieuw klooster, zonder band met een vorig klooster. Zie als voorbeeld de verplaatste kloosters genoemd onder punt 8 hierboven.

    De Sclavi, waarbij men beslist niet altijd moet denken aan een of ander Slavisch volk uit het verre oosten of de Balkan. Het was een volk afkomstig uit het gebied van de Ardennen, waar dit volk inderdaad als slaven in de ijzermijnen werkte. Tegen het einde van het Romeins imperium waren zij op drift geraakt en vestigden zij zich aan de kust boven Boulogne-sur-Mer, waar zij de “Sliviacas oras” (de Slavische kust) bezetten en daaraan hun naam gaven. Als hun buren worden zowel de Friezen als de Franken genoemd. De naam Sliviacas is de voorloper van Schleswig in Duitsland, weer een transmigratienaam van de 10e eeuw. Etymologisch betekent 'slaaf' lijfeigene. Ook St.Luger verwierf 'lijfeigenen' (horigen, zelfs met vrouwen en kinderen) bij de schenking van een kerk. Hoe bizar wil je het hebben?
  15. In dertig jaar tijds was de stad een waardig complex van kerken rijk geworden dat van verre al de reiziger door acht sierlijke torens een boeiende aanblik bood. DIt kerkenkruis was het steen geworden symbool van de macht van de rijksbisschop (p.37) Over dat kerkenkruis zijn de meningen zeer verdeeld. Lees daar meer over in Jaarboek Oud-Utrecht 2018. De nog steeds onbeantwoorde vraag is ook "door wie en voor wie werden die kerken gebouwd"? Het aantal inwoners in Utrecht begin 11de eeuw is onbekend. De opkomst van de eerste steden wordt in de 13de eeuw geplaatst (bron: Oorsprong en geschiedenis van de Hollanders; rond 1500 had Leiden als grootste stad wellicht al 10.000 inwoners, veel immigranten vanuit Vlaanderen ). Rond 1200 was Utrecht met 3000 inwoners de grootste stad van de noordelijke Nederlanden. Het oppervlak binnen de omwalling was zo'n 132 hectaren, groot genoeg voor boomgaarden en tuinbouwgrond. Het eerste 'betrouwbare' aantal inwoners van Utrecht was rond 1300 ongeveeer 5500 inwoners. Dit was een schatting op grond van het aantal 'schoorstenen'. Met terugrekenen (in vergelijking met Europese 'cijfers') zouden er rond 1100 zo'n 1500 à 2000 inwoners geweest kunnen zijn. En nog eens 50 jaar (2 generaties) eerder? Wellicht pas 1000? Amersfoort had (volgens berekening naar het aantal huizen) omstreeks 1300 zo'n 700 inwoners. Amsterdam bestond nog niet in 1100. Het materiaal voor de kerkenbouw -Tufsteen- werd vanuit Duitsland over de Rijn aangevoerd. Het moet een gigantisch bouwproject zijn geweest. Wie bouwde die kerken en vooral voor wie? Het gaat hier wel over de eerste helft van de 11de eeuw, toen de ontginningen in Nederland nog moesten beginnen en er nauwelijks bewoning was? Nu is de bouw gebaseerd op schriftelijke gegevens over enkele bisschoppen van Utrecht en wordt tussen 1006 en 1100 geplaatst. Maar zoals nu is vastgesteld zijn de oorkonden uit 1006,1028 en 1050 veel latere falsums. geldt dat ook voor de schriftelijke bronnen over deze bouwprojecten? De vermelding en over de St.Pieterskerk, de oudste Utrrechte kerk, spreken over een houten voorganger. Zie ook punt 7 over in hout gebouwd. De bouw van Paleis Lofen zou gereed zijn geweest rond 1050. Het eerste 'zekere' jaartal hierna is 1122. Men neemt aan, dat dit de resten zijn van het keizerspaleis Lofen, in 1122 in een oorkonde genoemd, mogelijk in 1131 bij een grote brand in de as is gelegd. (p.42). Van het oudste bisschoppelijk paleis dat in 1017 in vlammen is opgegaan, zijn geen herkenbare sporen aangetroffen. Uit bronnen valt af te leiden dat rond 1418 begonnen wordt met verbouwingen aan de bisschopshof (Bron: Lichte Gaard 9, Archeologisch onderzoek naar het castellum en het bisschoppelijk paleis, 2010). Tussen 1250 en 1280 zou Paleis Lofen verdwenen zijn.

    Nu van de aanwezigheid van St.Willibrord in Utrecht de onjuistheid is aangetoond, dienen ook alle hiervan afgeleide opvattingen opnieuw onderzocht te worden, te beginnen met de lijst van bisschoppen. Zie bij punt 26 in hoofdstuk 1. Zo wordt tussen 995 en 1010 St.Ansfridus genoemd als bisschop van Utrecht, die echter nooit een klooster op de Heiligenberg bij Amersfoort heeft gehad. Dat nooit bestaande klooster zou in 1050 verplaatst zijn naar Utrecht en werd daar de St.Paulusabdij. Alles gebaseerd op leesfouten? Vergelijk het maar met de 11.000 maagden van St.Ursula, dat 11 martelaressen blijken te zijn geweest.

    De vraag blijft: "Werd die bouw door de inwoners of door slaven gedaan", net zoals Rome werd opgebouwd door slaven? Je leest er nergens iets over, ook niet in dit boek van Struijck. Wordt het verzwegen, omdat slavernij verre van Christelijk is. Je laat Christelijk kerken toch niet door slaven bouwen? Toch hielden allerlei volkeren 'slaven' (onbetaalde werklui), zoals de Noormannen slaven hielden om voor hen te werken (roeien) of te ruilen tegen losgeld. Ook St.Ludger kwam in het bezit van 'lijfeigenen (horigen, zelfs met vrouwen en kinderen), die hij verwierf bij de schenking van een kerk. Nu wordt het volk van 'Slaven' regelmatig genoemd in de bronnen, maar dat was dan een kleine Germaanse stam, die door de schrijvers Sclavi, Slavi of Slaven worden genoemd en waarvan de Wilten een onderdeel vormden, wier hoofdstad Wiltaburg (Trajectum) de zetel van St. Willibrord was. Hier komen Sclavi, Saksen, Wilten en Willibrord samen, die weer voor de nodige verwarring hebben gezorgd. De Sclavi worden door de historici in Duitsland geplaatst -het waren immers Saksen- en zo volgden de Wilten ook naar Duitsland. Wiltaburg wordt met St.Willibrord in Utrecht geplaatst, dat nadien ook Trajectum werd genoemd. Echter, alles dient in Frans-Vlaanderen geplaatst kan worden waar alles in een beperkt gebied te plaatsen is, van de Saksische Kust aan Het Kanaal tot aan Tournehem, dat het ware Trajectum van Willibrord was.

    Dit verhaal over de Slavi en Wilten is een goed voorbeeld om inzicht te krijgen in de fundamentele verwarring, die de geschiedschrijving heeft vertroebeld. Het is een van de voorbeelden van feiten die door de historici onjuist werden geplaatst, terwijl de klassieke teksten -mits onbevooroordeeld gelezen- duidelijk zijn en alles in Frankrijk te plaatsen is. Utrecht bestond niet eens ten tijde van Willibrord.

  16. Ten zuiden van de Dom verrees de St.Paulusabdij, die hiertoe van de Heilige Berg bij Amersfoort, waar bisschop Ansfried dit Benedictijnenklooster gesticht had, werd overgebracht. En op enige afstand, omdat toen nog tussen Oudkerkhof en Minreborderstraat een Rijnarm stroomde, kwam de St.Janskerk. Dertig jaar later zou de Mariakerk, het voeteneinde van het kerkenkruis tot stand komen. (p.37) Hieruit blijkt dat er weer flink sprake was van naschrijverij. Er worden geen bronnen vermeld, dus waar komt deze informatie vandaan? Dat er bij Amersfoort een klooster van Ansfried heeft bestaan is eenzelfde vrome legende als die van de 'vingerhoedjes van Ursula'. Van dat veronderstelde klooster is archeologisch niets, nog geen steen gevonden. Over dat kerkenkruis bestaat momenteel toch discussie in hoeverre het een vooropgesteld 'plan' zou zijn geweest. Wat hier ook opgemerkt dient te worden is het beeld van St.Willibrord dat in 1947 op het St.Janskerkhof is geplaatst. Waarom is dit beeld niet bij de DOM geplaatst? Was er toch twijfel over zijn belang bij de stichting van het Christendom in Nederland en zijn aanwezigheid in Utrecht? Het kerkplein stond bekend als kerkhof, maar was geen begraafplaats: de overledenen werden in de kerk of vlak tegen de muur bijgezet (p.38) Hieruit bljkt nogmaals dat de pas veel later ontstane opvattingen die van de tijd daarvoor zijn gaan bepalen. Een algemeen probleem bij de vaststelling van de aangenomen geschiedenis van Nederland, ook van die van Utrecht.

    De oudste bronnen vertellen een ander verhaal dan wat algemeen in 'communis opinio' is aangenomen en een 'status questionis' nauwelijks meer te geven valt. Bij gebrek aan schriftelijke of archeologische gegevens wordt de 'overlevering' de bron. Die 'overlevering' gaat doorgaans niet verder terug dan de 17de eeuw, toen veel aangenomen geschiedenis voor het eerst op schrift werden gesteld en nadien de alom bekende mythen werden. De mythen die Albert Delahaye ter discussie stelde, wat hem door de gevestigde historici niet in dank werd afgenomen. Delahaye legde de pijnlijke kwestie van de onnavolbare naschrijverij bloot.

  17. Van deze nederzetting kunnen wij slechts een schemerige indruk krijgen. Bekend is dat hier de Rijnkooplieden woonden, toen in 1006 een laatste Noormanneninval deze streken bedreigde en de inwoners een heenkomen zochten in het bisschoppelijke kasteel (p.39). Die 'schemerige indruk' bestaat voor meer opvattingen in de oudste geschiedenis van Utrecht, zoals van die Noormanneninval uit 1006. De inwoners zouden hun eigen huizen in brand hebben gestoken (?) en vluchtte het bisschoppelijk kasteel in. Welk kasteel dat was is onbekend. Zie ook punt 10 hiervoor. Het zijn onbewezen en slechts aangenomen opvattingen, die zelfs door Luit van der Tuuk worden tegengesproken. Zelfs, omdat Van der Tuuk gekwalificeerd moet worden als een traditionalist, die ondanks tegenbewijzen toch blijft vasthouden aan mythen, zoals die van Dorestad.

  18. In 1054 overleed bisschop Bernold en werd bijgezet in zijn geliefde St. Pieterskerk, waar zijn graf in 1656 onder het toen afgegraven hoogkoor is teruggevonden. De lege sarcofaag is in de crypte geplaatst; de bisschopsornamenten bevinden zich in het Rijksmuseum. Een nu verdwenen muurschildering op de boog boven het hoogaltaar beeldde de bisschop uit, twee van zijn kerken op de handen dragend en de derde aan zijn voeten geplaatst. (p.39) Zie afbeelding van de muurschildering hiernaast.
    Het terugvinden van het graf van Bernold werd in allerlei kranten uitvoerig gepubliceerd. Zie artikel hiernaast. Meer informatie hierover vind je ook in het Jaarboek van Utrecht 2009, met name in de linker kolom.


    Bisschop Bernold dè Kerkenbouwer van Utrecht staat hier tussen St.Petrus (de naamgever van deze kerk) en St.Andreas. Hij staat hier tussen 4 kerken afgebeeld: 2 in zijn handen en 2 achter hem op de grond. De kerken zijn (volgens overlevering): de St.Pieter, de oudste kerk van Utrecht, de St.Jan, de Mariakerk (Buurkerk) en de kerk van de Paulusabdij die samen het zogenoemde Kerkenkruis vormden, al wordt getwijfeld aan het vooropgezette plan van deze kruisvorm. Of al deze kerken vóór 1054 het overlijdensjaar van Bernold, gebouwd en ingewijd waren is de algemeen aangenomen opvatting. In KNOB 1959 lezen we "bisschop Bernoldus, de vermoedelijke stichter van de hier genoemde kerken" met een verwijzing naar G. I. Lieftinck, „De herkomst van bisschop Bernold van Utrecht", Jaarboekje Oud Utrecht, 1949, blz. 23. Het handschrift waarin dit genoemd staat is een heiligenleven uit de 11de eeuw. Hierover merkt Lieftinck op "mocht het werkelijk op bisschop Bernold slaan, dan hebben we hier een der oudste Nederlandse handschriften". Maar is dit een Nederlands handschrift? vraagt hij zich af. Het handschrift blijkt uit de abdijen van Sankt Gallen en Reichnau afkomstig. Dit op grond van de versiering met Scriptoria Helvetica. Het is dus een Zuidduits handschrift uit de eerste helft van de elfde eeuw en blijkens een vrijwel gelijktijdige aantekening door een bisschop Bernold aan de door hem gestichte St.Pieterskerk geschonken. (vrijwel gelijktijdig? is een onbewezen aanname. De aantekening staat in een ander handschrift onder en los van de tekst.) "Maar is die Bernold onze Bernulfus en moeten wij die St.Pieter inderdaad in Utrecht zoeken? Het feit dat deze codex zich in Leiden bevindt, op een paar uur afstand van Utrecht, zegt op zichzelf maar heel weining, schrijft Lieftinck. Vossius haalde op zijn speurtochten overal zijn buit vandaan. Keizer Koenraad II en zijn gemalin die hoogzwanger was, zou in Oosterbeek bevallen zijn, waarna de pastoor van Oosterbeek als bodedienst als beloning de bisschopszetel wordt toegewezen.
    In 1879 heeft Harry Bresslau in zijn Jahrbücher des deutschen Reiches ubter Konrad II dit verhaal reeds naar het rijk der fabelen verwezen en in een proefschrift van Coster over de bronnen van de 14de eeuwse kroniekschrijver Beka is ook de oorsprong van het verhaal nagespoord. Hieruit blijkt nogmaals dat veel van de geschiedenis over de 'Episcopis Ultraiectensis' zijn oorsprong vindt bij de onbetrouwbare Johannes de Beka. Het illustreert duidelijk het feit dat er over de geschiedenis van ons land in die dagen nauwelijks iets bekend is. De geschiedenis van het bisdom Utrecht is Duitse Rijksgeschiedenis en alleen vanuit dat gezichtspunt te benaderen: van de bisschoppen uit dit tijdperk is alleen iets bekend, als zij een rol hebben gespeeld in de politiek van het keizerrijk, lokale geschiedenis is er vrijwel nog niet.

    De afbeelding is bekend gebleven aangezien die op een tekening van het interieur van de Pieterskerk van Pieter Saenredam uit 1636 staat afgebeeld. Een officiële canonisatie (heiligverklaring door de paus) heeft nooit plaats gevonden, al wordt hij soms een heilige genoemd of zoals hij op deze muurschildering uit 1603 afgebeeld staat met een aureool.Bij het terugvinden van het graf van Bernold deed zich een wonder voor dat hij teruggevonden werd met enkele attributen die aan hem werden toegeschreven. Zijn kleding was niet vergaan in de afgelopen 600 jaar. Lees er meer over in Jaarboek van Utrecht uit 2009. Het is eenzelfde wonder dat zich voordeed bij het terugvinden van het lichaam van St.Willibrord in Echternach in 1498. Pas in het derde graf -blijkbaar wist men niet in welk graf Willibrord begraven was- werd de bisschop teruggevonden in vol ornaat! Dit lichaam 'vereerd' men nu in Echternach: het is aantoonbaar vals. Een officiële canonisatie (heiligverklaring door de paus) heeft nooit plaats gevonden, al wordt hij soms een heilige genoemd of zoals hij op deze muurschildering uit 1603 (renovatum A° M VI eIII =hersteld/vernieuwd (?) in 1603) afgebeeld staat met een aureool.

  19. Evenals de aanleg van de drie oudere geestelijke stichtingen, de Paulusabdij en de kapittels van St. Jan en van St. Pieter, betekende de komst van de kanunniken en hun personeel naar dit onbebouwde stuk grond een belangrijke uitbreiding van de nederzetting. (p.41) Het onbebouwde stuk grond geeft nomaals aan dat de grootte van Utrecht overdreven wordt. Zie ook punt 15 hiervoor. Voor wie werden deze kerken gebouwd? De genoemde Paulusabdij is gebaseerd op achterhaalde opvattingen. Dat klooster zou verplaatst zijn vanuit Amersfoort, maar heeft daar nooit bestaan. Ligt Amersfoort op 6 mijl (=9 km) van Utrecht, zoals Alpertis Mettensis schreef? Daaruit blijkt al de misvatting over dit stukje geschiedenis!

  20. In de kelders van de huizen aan Vismarkt en Domplein bevinden zich zuilen van een vrij groot gebouw uit deze tijd, de onderbouw van een trapeziumvormige zaal. Men neemt aan, dat dit de resten zijn van het keizerspaleis Lofen, in 1122 in een oorkonde genoemd en mogelijk in 1131 bij een grote brand in de as gelegd. Waar het bisschoppelijk paleis gelegen heeft, is nog niet bekend, maar men kan vermoeden dat het gebouw evenals de latere residentie aan de overzijde van de Servetstraat stond. Evenmin is het ondenkbaar, dat dit bouwwerk tussen Vismarkt en Domplein, waar later huizen van kanunniken gebouwd zijn, het bisschopshof van 1081 was. De toedracht zou dan kunnen zijn, dat de bisschop bouwgrond nodig had voor zijn kapittelgeestelijken, die aanvankelijk samenwoonden maar in latere tijd aparte woningen betrokken, waarvoor weinig ruimte beschikbaar was; in dat geval zou de kerkvorst een nieuw verblijf gesticht hebben in de tuin, waarvan het bestaan blijkt uit de straatnamen Donkere en Lichte Gaard, die langs dit terrein liepen, waar in de 15e eeuw een nieuw gebouw het oude onderkomen zou vervangen. Bij de ontgraving van het mogelijke paleis Lofen is gebleken, dat de fundamenten niet op de nog aanwezige Romeinse muur waren opgetrokken, maar dat de helft van de ruimte buiten deze oude vesting uitstak. Deze vondst is belangrijk, omdat blijkt dat de vroegere versterking in onbruik was geraakt door de stadsuitbreiding. (p.42) In dit citaat is nogal veel sprake van twijfel en onzekerheid (let op de doormij onderstreepte woorden). En op deze onzekerheid is de oude geschiedenis van Utrecht gebaseerd. Het eerste zekere jaartal is 1122. Men kan uit latere straatnamen toch geen argumenten halen voor de bevestiging van eigen opvattingen?

  21. Als iets totaal nieuws was vermoedelijk sinds de 10e eeuw een zelfstandige nederzetting van handelaars en ambachtslieden ontstaan, die afgezonderd lag in een maatschappij merendeels gevestigd op het platteland met de onvrije boeren. Deze vroegstedelijke gemeenschap lag besloten tussen de Rijnbocht bij het tegenwoordige stadhuis, in latere tijden opgenomen in de gegraven Oudegracht en de Buurkerk, de oudste stadskerk. Op de bruggen en langs de kaden werd een markt gehouden, waar de schippers uit Rijnland, Engeland en Oostzeeland hun waren kwamen verhandelen (p.43) Hier wordt duidelijk het begin van Utrecht aangegeven als totaal nieuwe stad. De Buurkerk wordt hier de oudste kerk genoemd en niet de Pieterskerk.
    Wat in de geschiedenis en het ontstaan van Utrecht opvallend is, zijn de werfkelders, aangelegd en ontstaan vanaf de 12de eeuw. Werfkelders vind je in geen enkele andere stad, die zijn uniek voor Nederland. De werfkelders van Utrecht zijn ontstaan uit de veranderde waterhuishouding van de grachten. Deze kelders zijn vanaf de 12de eeuw bedoeld als opslag- en doorgangsruimte voor goederen die gelijkvloers aan- en afgevoerd konden worden over water. De eerste werfkelders werden in de 13de eeuw aangelegd en vormden een aaneengesloten rij aan beide zijden van de Oudegracht. Het ontstaan en de aanleg van de werfkelders had alles te maken met overstromingen en het ophogen van de grond van Utrecht. De Utrechtse werfkelders bevestigen het gelijk van Albert Delahaye op onmiskenbare wijze. Ook geven die werfkelders feiloos het begin van Utrecht aan als stad van kooplieden (p.42).


  22. Als een aparte rechtsgemeenschap bood de stad aan allen, die zich binnen de wal kwamen vestigen, na verIoop van een jaar volledige vrijheid: een aantrekkelijk vooruitzicht voor boeren of hand-werkslieden uit de dorpen in de omtrek, waar het gezag van de landadel onvoldoende ontplooiingsmogelijkheden bood voor ondernemende geesten. Voor ons lijkt het merkwaardig, dat een dergelijke gewichtige overeenkomst niet schriftelijk werd vastgelegd, zodat zelfs het tijdstip niet bekend is! Voor Middeleeuwers uit de twaalfde eeuw echter, merendeels analfaheten, levend in een cultuur van het gesproken, eerder dan van het toch onbegrijpelijke geschreven woord, was dit toch niet ongebruikelijk. Op 2 juni 1122 bevestigde keizer Hendrik V het recht, door de bisschop aan Utrecht en Muiden verleend, stelde de inwoners en bovendien allen die in deze plaats handel kwamen drijven vrij van de bisschoppelijke tol en legde aan de omwonenden een schatting op voor de kostbare aanleg van wal en gracht. (p.43/45) In een noot lezen we: De mogelijkheid dat een bisschoppelijk stadsrecht bestaan heeft, maar hoe dan ook verloren is gegaan, lijkt wel uitgesloten. Hiervan is niets bekend; bovendien was iedere Middeleeuwse stadsregering met een dergelijke acte, basis van haar politieke eigenheid, uiterst voorzichtig! Hier lezen blijkt dat over het stadsrecht van Utrecht wel degelijk twijfel bestaat, zoals ook door anderen is opgemerkt. Het was een tolrecht en geen stadsrecht. De Utrechters waren echte "Hollanders" waarbij de handel slechts als doel had geld verdienen. Er stond wel een burgerplicht tegenover: dienstplicht onder het leger van de keizer. Lees er meer over in Jaarboek Oud-Utrecht 1995.

  23. Door ingrijpen van de keizer werden deze brandpunten van internationaal handelsverkeer teruggebracht naar Stathe, omdat daar volgens de motivering van de oorkonde de huizen beter gebouwd waren. Aldus wordt de beslissing beschreven in een keizersoorkonde, die mogelijk vervalst is, zodat de ware toedracht duister wordt. (p.47) In dit citaat worden drie problemen aangestipt: 1. beter gebouwde huizen (er waren dus ook slecht gebouwde huizen); 2. een vervalste oorkonde; 3.een duistere toedracht, ofwel een onbekende toedracht. In de geschiedenis van Utrecht zijn wel meer zaken duister en gebaseerd op vervalste of aangepaste oorkonden.

  24. (p.)

  25. (p.)



Hoofdstuk 3 en volgende hebben we niet verder bestudeerd, al lezen we toch enkele achterhaalde opvattingen nu we deze informatie (uit 1968) vergelijken met de Jaarboeken van Utrecht (zie hier).


Lees meer over achtergronden om een goed begrip te krijgen over de werkwijze in de historische wetenschap.

Citaten van Historici


wetenschap is twijfel


ongelooflijk


onnozelheid


Heiligenlevens


Kletspraat



Lees meer over het ontstaan van de traditionele opvattingen in de loop der eeuwen en vooral sinds de 17de eeuw.
11de en 12de eeuw
13de en 14de eeuw
Opvattingen in de 15de, 16de en 17de eeuw
18de eeuw
19de eeuw
20ste eeuw




Lees het boek "De Ware Kijk Op" voor al deze en andere teksten en oordeel zelf!

Terug naar de beginpagina.
Het Bronnenboek van Nijmegen weerlegt de Karolingische geschiedenis van Nederland.
Naar het overzicht in het kort.