Aan deze pagina wordt nog gewerkt!

Prof.D.P.Blok bewijst de valsheid van de Utrechtse en Nederlandse geschiedenis en geeft Albert Delahaye volkomen gelijk in zijn visie. Zie hiernaast bij punt 14.
Klik op de tekst voor een vergroting.
Het FUNDAMENT van alle verwarring is het Karolingisch Paleis van Karel de Grote in Nijmegen.
Dat paleis blijkt gebouwd op los zand, op nooit bewezen losse beweringen.
Op dat losse zand zijn alle volgende mythen gebouwd.
Immers als Nijmegen fout is, was de Betuwe ook niet het land van de Bataven; was Utrecht niet de bisschopszetel van Willibrord, werd Bonifatius niet in Dokkum vermoord en hebben de Noormannen nooit in Nederland geplunderd.
Dan stort het hele kaartenhuis van de Nederlandse mythen in elkaar.
Bonifatius, Willibrord, Karel de Grote en de Noormannen zijn voor Nederland volkomen legendarisch.
|
De mythen van Willibrord in Utrecht zijn eenvoudige te weerleggen. Desondanks blijft men vasthouden aan deze traditie. Blijkbaar heeft men toch een sterk geloof.
Geloof is niet te bestrijden met feiten!

Klik op de afbeelding voor meer informatie!
Opvallend in het boek van Struijck blijkt dat de ene mythe de andere nodig heeft of ondersteunt om overeind te bliijven. Dat blijkt bijvoorbeeld uit pagina 23 waarover we toch meerdere opmerkingen maken. Haalt men nu één gegeven ondruit, bijvoorbeeld dat archeologische is aangetoond dat Utrecht in 690 niet bestond, dan vervallen ook alle argumenten over de Friezen, Franken en Vilten (Saksen!) die dan niet in Nederland woonden. Overigens merkte Annemarieke Willemsen daarover al op dat "Archeologisch zijn de Franken en Saksen in Nederland niet te duiden. De traditionele etnische indeling in Friezen, Franken en Saksen in Nederland is archeologisch niet te bewijzen".
|
"Utrecht door de eeuwen heen" (uitgave Het Spectrum, 1968, 400 pagina's A4) van dr.J.E.A.L.Struijck is een verhelderend boek, vooral om te letten op wat hij 'overslaat', dus niet vermeldt. Struijck geeft een duidelijk overzicht dat de ooit ontstane mythen die nog steeds gevolgd worden. Hij geeft echter geen toelichting op het geschrevene, dan slechts te vewijzen in zijn litatuurlijst naar 'gelijk gestemden'. Het zijn dus de opvattingen uit 1968. We bestuderen slechts hoofdstuk 1 en 2, waar onze studie over handelt en voorzien het gelezene van onze opmerkingen in rood: (sorry voor de soms omvangrijke uitleg, die toch noodzakelijk is om vastgeroeste tradities gefundeerd te weerleggen). Hoofdstuk 3 begint in 1305, waarna het verhaal vervolgt wordt met de geschiedenis die buiten ons onderzoeksgebied ligt: de 14de eeuw en later, al lezen we daarin nog wel enkele achterhaalde opvattingen.
Het is opmerkelijk dat wat Struijck juist wil bewijzen, namelijk dat Utrecht in de 7de eeuw bestond (p.18), door zijn verwijzing naar D.P.Blok volledig wordt tegengesproken: de tijd vóór St.Willibrord is een feitenloze woestijn!, schrijft Blok. Zie punt 14 . 'Feitenloos' betekent gewoon dat er niets gevonden of gebleken is; 'woestijn' dat het een woestenij was. Beter was geweest het een feitenloze waterpartij te noemen, het was een moeras- en waddengebied. Utrecht is onttrokken aan het moeras. Het is een prachtige metafoor van prof.Blok waaruit blijkt dat de hele mythe van Willibord in Utrecht onder water lag. Dan houdt toch de hele aangenomen geschiedenis vóór St.Willibrord voor Utrecht op? En als de geschiedenis vóór St.Willibrord ophoudt, vervalt ook de geschiedenis ná St.Willibrord voor Utrecht, omdat het één doorgaande geschiedenis is met die van ervóór, zoals blijkt uit de voorgangers van St.Willibrord bij prediking onder de Friezen.
De meerdere voorgangers van Willibrord bij de prediking onder de Friezen, worden in Utrecht en Nederland steevast 'overgeslagen'. Ook meerdere predikers ná Willibrord bij de 'bekering' der Friezen in het klassieke Frisia, worden in Nederland terecht 'overgeslagen'. Ze horen namelijk niet thuis in Utrecht of Nederland. Zet dit naast de opmerking van prof.D.P.Blok en van prof.R.R.Post, dan blijft er van de mythen van Willibrord in Utrecht niets over. Zowel Blok als Post wisten ter dege dat Albert Delahaye gelijk had me zijn visie. Hun verzet is slechts verklaarbaar vanwege schaamte voor eigen reputatue. Zij hadden als 'deskundigen' moeten ontdekken wat Delahaye ontdekte, namelijk dat de aangenomen geschiedenis in het eerste millennium vals is.
Het is onbegrijpelijk dat historici blijven vasthouden aan de aangenomen opvattingen uit een (soms) ver verleden, die ze zelf tegenspreken. Onbegrijpelijk? Slecht te begrijpen om schaamte voor eigen reputatie te verdoezelen!
Gemeentearchivaris Jules Edouard Anne Louis Struijck noemt in het voorwoord het onbreken van een Utrechtse stadgeschiedenis 'een lyrische klacht', met als enige uitweg nu zelf de pen ter hand te nemen. Hij noemt de weg naar de bergtop waar de Utrechtse stedemaagd staat, een lange en kronkelige weg. Hij wijst op een verschil tussen 'histoire totale' en een 'histoire des événements'. Hier spreekt toch al de nodige twijfel uit, die ook Struijck al voorziet. Een volledig stadsgeschiedenis kan alleen beschreven vanuit een volledig onderzochte en grondig gedocumenteerde beschrijving van de bronnenstudie. Dit is een zeer juiste opvatting van Struijck: de bronnen moeten de geschiedenis bepalen, niet wat historici menen. Struijck wijst erop dat het verleden van 19 eeuw Utrecht weer te geven in haar ontwikkeling een hachelijke onderneming is, maar geen onmogelijkheid. (p.11). Dit boek bedoelt te geven wat er is en eveneens te laten zien wat er niet is. Gravend in de bodem is een profiel samengesteld uit de verschillende ontwikkelingslagen. Negentien eeuwen hebben een dikke afzetting achtergelaten. Het voorwoord besluit met een volledige omzetting van het bronnenmateriaal zal de weg van Utrecht door negentien eeuwen historie uitgebeeld hebben. (p.12). Dit voorwoord houdt een aantal opmerkelijke, maar zeer juist opvattingen in. Voor verwijzingen naar andere hoofdstukken op deze website of achtergrondinformatie, klikt U op de aangegeven link. Onderhavige vraag is steeds: waarop zijn de genoemde jaartallen gebaseerd?
Hoofdstuk 1: de Opkomst.(p.13-28).
- Het begin van (Romeins) Utrecht stelt Struijck in 48 na.Chr. en die geschiedenis stopt in 300. (p.7) Juister was geweest het midden van de 3de eeuw te noemen. De Romeinen vertrokken rond 260 uit Nederland vanwege aanhoudende overstromingen, wat de algemene opvatting is die ook door ons gevolgd wordt.
- Struijck begint de Romeinse geschiedenis met het verhaal van Corbulo, die hij de stichter van de stad Trecht noemt. (p.13) Zo komt hij blijkbaar op het jaar 48. Immers Corbulo zou na een veldslag tegen de Friezen in 47, vanuit Rome de opdracht hebben gekregen zich terug te trekken op de Renusgrens. Hier hantert Struijck de traditionele opvatting dat de Friezen in Noord-Nederland woonden. Zij verbleven echter in de klassiek Frisia in Vlaanderen. Een jaar later zou hij dan toch wel Utrecht kunnen hebben gesticht, wat een aanname is. Corbulo ging in Zuid-Holland ook nog een kanaal graven, dat een voortzetting en voltooiing van de kanalen (meervoud!) van Drusus was (zoals Tacitus en Cassio Dio het beschrijven), om een gevaarlijke omweg over de Oceaan te vermijden. Maar het kanaal van Drusus lag toch in Gelderland, en dat van Corbulo in Zuid-Holland? Dan is van voortzetting toch geen sprake? En was de Renus de Rijn? Er zijn tientallen teksten aan te wijzen dat de 'Renus' overeenkomt met de Schelde.
- Struijck schrijft dat de naam Utrecht pas verschijnt in 870 om onderscheid te maken met het andere Trecht (Maasticht). Hoe Struijck aan het jaartal 870 komt is slechts verklaarbaar met de goederenlijst van Trajecum, die echter niet over Utrecht gaat -dat immers niet bestond-, maar over het klassieke Trajectum, dat Tournehem was! Maar in 870 verscheen de moderne naam Utrecht niet, maar pas in de 13de eeuw (zie punt 6 hierna).
- Utrecht kreeg in de officiële stukken de achterafse latinisatie Ultraiectum/Traiectum, wat volkomen gebruikelijk was (ook auteurs vertaalden hun naam in het Latijn, zoals Jan Smit die zich Johannes Smetius noemde), maar wat wel de aanleiding tot enorme misverstanden werd. Voor de toepassing van de naam Vetus (oud) Traiectum was derhalve niet de minste aanleiding, daar stad en bisdom kersvers waren. Geen wonder dan ook dat Balderik de eerste bisschop was die in de Utrechtse Dom begraven werd. Om hem te doen aansluiten bij Radboud, plaatste men het begin van zijn optreden in 918. Er bestaat geen enkel betrouwbaar gegeven hieromtrent, daar het zou betekenen dat Balderik op een jaar na zijn diamanten episcopaat in actieve dienst had kunnen vieren; iets waarvoor men toch wel tegen de 100 moet lopen. Maar voor zo'n uitzonderlijke ouderdom van Balderik ontbreekt elke aanwijzing. Daarom is het begin van het bisdom Utrecht -gezien andere gegevens, o.a. de archeologie- eerder te stellen op ca.950 n.Chr.
- Volgen we bekende toponymisten, dan kan de naam van Utrecht verklaard worden als Uit-Rek, "buitenwaarts gelegen" (in tegenstelling met Maastricht), overvaart, veer (volgens M.Gysseling) die als oudste attestatie Utrect geeft (valse kopie12e eeuw) en in 1186-1201 de oudste Romaanse vorm (dus geen Germaanse vorm (SIC) Utreth. Volgens D.P.Blok is het "overgang", mogelijk ter onderscheiding van Maastricht, later met toevoeging ut "uit, uiter, stroomafwaarts gelegen", gelatiniseerd tot ultra, ulterius ''verder gelegen" of infra "neder". Blok vermeldt hij nog wel Trech (12e eeuw: kopie), Vttrecht (Annales St.Bertin (!?), 11e eeuw) en Vtrech (kopie 13e eeuw). Hieruit blijkt duidelijk dat de naam Utrecht in de 12de eeuw slechts in valse kopieën voorkomt en pas in de 13de eeuw duidelijk als Utrecht verschijnt. Opmerkelijk is wel dat Maastricht zowel bij Struijck, als bij Gysseling en Blok steeds 'in de weg ligt'.
Het is dus een naam die rond in de 12e/13e eeuw nieuw verschijnt en een strook land omvat, die vrij recentelijk uit het water te voorschijn gekomen en voorlopig nog "uit"(=buitenliggend) of 'buitenwaarts' gelegen was. Waarschijnlijk was het nog een eiland of waddeneiland dat alleen bij eb toegankelijk was. Deze naamsverklaringen geven duidelijk aan dat Utrecht een nieuwe woonplaats was, die ontstond in een drassig gebied dat droog kwam te liggen. Het spreekt de aanwezigheid van een (omvangrijke?) bevolking, een bisdom en de aanwezigheid van prediker St.Willibrord en vooral zijn voorgangers bij de prediking onder de Friezen, faliekant tegen.
- Struijck verklaart de naam Uut-Trecht met Beneden-Trecht, met een beroep op Gysseling en Blok in noot 1 (als men naar elkaar verwijst, wordt het oppassen). Maastricht zou dan Boven-Trecht zijn? Echter Utrecht ligt aan een geheel andere rivier dan Maastricht, dus deze verklaring is zeer ver gezocht. Maastricht en Utrecht hebben geen enkele relatie met elkaar, beide wel bisschopsstad, maar in een ander aartsbisdom, dus deze verklaring kan als mythe terzijde geschoven worden.
- Na mededelingen over een wijdvertakt rivierenstelsel, vermeldt Struijck dat de Romeinen een keten van forten, vanaf Keulen tot de zeekust aanlegden. Hij noemt Woerden, Alphen, Leiden (wordt traditioneel niet meer gevolgd), Katwijk en Utrecht, een 'oversteekplaats' -misschien was het wel een brug- in het Latijn Trajectum, in de volkstaal Trecht. Opmerkelijk is dat Vechten niet genoemd wordt. Opmerkelijk is ook dat Paul van der Heijden in Romeinse wegen in Nederland schrijft dat de grensweg pas in de tweede helft van de jaren 80 werd aangelegd. Werden die forten dan over water aangelegd? Het verhaal over die 'oversteekplaats' is grote kolder. Romeins Utrecht lag als buitenpostplaats ten zuiden van de Rijn, waar aan de overkant 'barbaarse volkeren' woonden. Een reguliere oversteekplaats was uitermate flauwekul: een mythe dus.
Geregeld probeerden zwervende Germanen de rijke gebieden ten zuiden van de Rijn binnen te trekken. Zwervende is een traditionele uitvlucht om niet te hoeven vermelden waar deze Germanen vandaan kwamen, wat overigens onbekend is. Volgens A.W.Byvanck was van dreiging van Germanen vanuit het noorden geen enkele sprake!
In het jaar 50 moesten de Romeinen een aantal Friezen met hun koningen Verritus en Malorix -misschien wel de eerste bij naam bekende Nederlanders- met harde hand verwijderen van de Veluwe of Het Gooi. Deze gebieden lagen al te dicht bij de Romeinse rijksgrens. Op grond van enkele aangenomen fantasieën ontstaan de gangbare mythen. Waren de hier genoemde Friezen dan de in het vorige punt genoemde Germanen, die probeerden het Romeinse rijk binnen te dringen? Verbleven er Friezen op de Veluwe?
In het jaar 69 vond dan (ook volgens Struijck traditioneel) de Opstand van de Bataven plaats.Trecht was een van de plaatsen die de eerste klap incasseerden. Het fort lag midden tussen de Bataafse nederzettingen. Verrast door de plotselingen aanval van hun opstandige beschermelingen (?) trokken de kleine garnizoennen van de grensversteking langs de Rijn weg uit hun forten naar de hoofdmacht in Keulen. Onderweg werden zij op een ons onbekende plek (?) overvallen en vernietigd. De Opstand van de Bataven vond plaats in het land van Bataven, dat rond Bethune was en niet 'ergens onderweg' naar Keulen. De plaatsen die genoemd worden door Taitus waren Arenacum, Batavodorum, Grinnes en Vadam, die inderdaad in Nederland niet te vinden zijn, dan slechts met gissen en missen. We herhalen hiernogmaals de opvatting van W.van Es: "De gedachte dat de Bataven in de Betuwe en het Brabantse aanwezig waren vindt thans geen bijval meer". Van Bataafse nederzettingen is ook niets gevonden in Nederland. Stijn Heeren bevestigde dat met zijn opmerking dat 'De Betuwe was te klein om zoveel Bataafse legionairs voor het Romeinse leger te leveren' (S.Heeren in 'The Limesfall'). Ofwel: waar woonden die Bataven die zo talrijk waren dat ze meerdere contingenten legionairs konden leveren voor het Romeinse leger, zowel vóórdat er ook maar één Romeins in Nederland was, zowel nadat de Romeinen allang weer uit Nederland vertrokken waren bleven zij in de Romeinse legers dienen. Kwamen de Bataven 'vrijwillig' dienst nemen voordat er Romeinen in de Betuwe verschenen en blijven zij 'vrijwillig' in dienst toen de Romeinen de Betuwe alweer verlaten hadden? Voor dit 'probleem' heeft geen enkele historicus ooit een aannemelijke verklaring gegeven.
Over de opgravingen uit 1929 tot 1935 blijkt de omvang van de vesting. Op p.16 wordt dan nog wel de bevindingen van prof.dr.C.W.Vollgraff over die opgraving uit 1929, die namelijk de naam Albiobola vaststelde voor het omstreeks 250 bestaande Romeins Utrecht. Die bevinding van Vollgraff werd vervolgens fel bestreden (o.a. door A.W.Byvanck), immers het zou de aangenomen geschiedenis van Nederland totaal onderuit gehaald hebben, dat begreep Byvanck als beste, hoewel het prima aansloot bij andere opvattingen van hem! In de literatuurlijst komen we Vollgraff verder tegen in het artikel 'Proefgraving ten oosten van het Domplein te Utrecht'. Daarin lezen we iets opmerkelijks: "Wij merken hierbij op, dat bij de opgravingen op het Domplein het bewijs is gevonden, dat het zeewater somtijd naar Utrecht werd opgestuwd". Het is onmiskenbaar een bevestiging van de transgressies. Als de naam Albiobola voor Romeins Utrecht vervalt, blijkt een naam van Romeins Utrecht onbekend te zijn, net zoals de naam van Romeins Nijmegen totaal onbekend is. Voor beide plaatsen is op grond van laat middeleeuwse opvattingen een latijnse naam aangenomen: voor Utrecht werd dat Trajectum, voor Nijmegen Noviomagus. Aangenomen, omdat elke feitelijk bewijs ontbreekt!
Maar acht jaar later (dus in 258) moesten de Romeinen zich terugtrekken achter de Waal, omdat verschillende Germaanse stammen -Kanninefaten, Bataven e.a.- georganiseerd in een nieuw stamverband onde naam van Franken, krachtiger begonnen op te dringen. Nog generaties lang konden de vreemde bezetters in het zuiden stand houden tot de totale ineenstorting van de Romeinse macht buiten Italië. Het is opmerkelijk dat Struijck de Romeinen bezetters noemt. Dat ze stand hielden in het zuiden (onder Waal, dus in Brabant?) en tot hoelang (?) laat Struijck in het midden. Halve en onduidelijke opmerkingen zijn wel aanleiding voor het ontstaan van nieuwe mythen. Traditioneel trokken de Romeinen zich ca.260 terug tot de Limesgrens die liep van Boulogne-sur-Mer via Bavay naar Keulen. Rond 401-405 zou het Romeinse rijk definitief ten onder zijn gegaan. De Franken die allang in Frankrijk verbleven namen de macht over, toen de Romeinen vertrokken. Dat de Franken uit Kanninefaten en Bataven bestonden wordt doorgaans verklaard met 'dat deze stammen niet meer genoemd worden'.
Daarna springt Struijck over naar 600-900 waarbij hij Utrecht noemt als Centrum van de Christelijke beschaving. Na het laatst vermelde jaartal (258) wordt een periode van 342 jaar opgevuld wordt met een blanko hiaat. Dit hiaat zal allengs groter worden, immers bewijzen van het bestaan van Utrecht zeker tot het jaar ca.950 bestaan niet. De opengekomen ruimte werd ingenomen door de Friezen, waar Struijck hier verder 'niet dieper op ingaat', zoals hij schrijft. Wel noemt hij Trecht het verkeersknooppunt midden in 'Groot-Friesland' dat bij hem delen van de huidige provincie Holland, Utrecht, vanzelfsprekend Friesland, Groningen en het Duitse Oost-Friesland is. Waarom gaat Struijck hier niet verder in over de Friezen, toch een belangrijke bevolkingsgroep voor de geschiedenis van 'Groot-Friesland'? Weet hij hier niets over of moet er iets verzwegen worden? Wellicht dat we het nog lezen in het vervolg?
We geven hier wat meer citaten, aangezien het de kern is van een bestaan van Utrecht vóór de tijd van St.Willibrord.
Na bijna vier eeuwen kreeg het fort Trecht een nieuwe betekenis. Zo verschijnt Trecht weer in het licht van de geschreven historie, wanneer in de 7de eeuw de Franken de plaats veroveren. Omstreeks 612-625 blijkt een Frankische versterking te bestaan. In noot 1 wordt verwezen naar D.P.Blok Het Immuniteitsdiploma van Koning Pippijn voor de St.Maartenskerk te Utrecht in 'Tijdschrift voor Geschiedenis' jrg.75 (1962) p.40. (p.17 en 18). Over dit 'diploma' (met als juiste datering 751-754) blijkt veel discusie te hebben bestaan. Van de Kieft heeft de echtheid betwist. Vooropgesteld is dat het stuk is overgeleverd in twee afschriften van een afschrift. In hoeverre is het bij het overschrijven al voorzien van enkele wijzigingen? De titel (urbis) Trajectensis episcopus zou aan Bonifatius gegeven zijn. Maar anderen stelden vast (o.a.R.Post) dat Bonifatius nooit bisschop van Utrecht is geweest en houden het op een kopieerfout (kopieerfout?). Bovendien ontbreekt een bevestiging van deze oorkonde van Pippijn door Karel de Grote, evenals die van zijn zoon en opvolger Lodewijk de Vrome, schrijft Blok. Verreweg het voornaamste bezwaar in ongetwijfeld dat de oorkonde van Pippijn zegt dat in de tijd van Chlotarius (511-561), Gosses maakt er Chlotarius II (613-629) of zijn voorganger Theudebert II (595-612) van, er moeilijk al een kerk in Utrecht kon zijn geweest. Uit de bespreking van deze oorkonde blijkt duidelijk dat de geleerde heren het niet met elkaar eens zijn en dat zij slechts de ooit aangenomen opvatting hanteren dat Trajectensis (en castellum Traiectum) Utrecht is. De resten van de Romeinse vesting te Trajectum - op een of andere wijze in Dagoberts handen gekomen- zijn evenals andere Romeinse castella (Velzen, Vechten, Dorestad b.v.) fiscaal eigendom geworden. Op een of andere manier? Hoe dan? Wat is fiscaal eigendom? Had Dorestad een castellum? Bij de opgravingen in Wijk bij Duurstede is het in elk geval niet gevonden, vandaar dat men meende het in Maurik te moeten zoeken (waar het ook niet gevonden is). De koning heeft er een kerkje gesticht -wellicht ten behoeve van een frankische bezetting- dat als eigenkerk van de koning beschouwd kan worden, zodat castellum en bijbehorende kerkje zonder meer weggeschonken konden worden. Bedoeld Blok het weg kunnen geven, met fiscaal eigendom? Dat kerkje van Dagobert is in Utrecht niet, nergens en nooit gevonden. Deze passage uit Pippijns diploma is dus in regelrechte tegenspraak met Dagoberts schenking, schrijft Blok en besluit met: voor de oudste geschiedenis van Utrecht betekent dit, dat het kerkje van Dagobert nog eenzamer komt te staan in de feitenloze woestenij, die de tijd vóór Willibrord is. Het vomt nauwelijks meer een bewijs voor een krachtige vroege Frankische expansie in Midden-Nederland.
Feitenloze woestenij! Blok erkent hiermee duidelijk dat er over Utrecht geen feiten bestaan uit de periode vóór Willibrord, dus vóór 695. Het gaat hier wel over de kern van de geschiedenis van Utrecht, waarover de geleerden het toch niet met elkaar geheel eens blijken te zijn. Ook Blok is het niet met zichzelf eens, als je het artikel in 'Tijdschrift voor Geschiedenis' jrg.75 (1962) leest. Nergens wordt in dit diploma vermeldt dat de Franken Utrecht veroverd zouden hebben. Met St.Willibord verdwijnen ook de Franken uit Nederland.
De volgende aangenomen opvattingen vervallen daarmee ook: 1.dat Utrecht het klassieke Trajectum was; 2.dat de Franken Nederland 'veroverd' zouden hebben; 3. dat de Franken al Christelijk waren en in Utrecht een kerkje stichtten voordat Willibrord verscheen.
De moeilijkheid die Blok noemt kan slechts opgelost worden als we een kopieerfout mogen aannemen. De geschiedenis van Utrecht en Nederland blijkt dus gebaseerd te zijn op een kopieerfout, precies wat Albert Delahaye altijd beweerd heeft. Delahaye krijgt hier gelijk en nog wel van prof.D.P.Blok.
|