De historische geografie van de lage landen.
Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.

Archeologie in Nederland met katern van AWN.

Deze pagina wordt elke keer aangevuld na het verschijnen van een nieuw tijdschrift.

Het tijdschrift Archeologie in Nederland is de opvolging van de tijdschriften Westerheem en Archeobrief.
Archeologie in Nederland verschijnt 5x per jaar met katern AWN-magazine, waarin veel publicaties te vinden zijn over recente archeologische opgravingen. Daarnaast vindt U op de website Archeologie on line meer berichten over de archeologie in Nederland.

In de citaten hiernaast worden bij de vermeldingen van de bron de volgende afkortingen gebruikt: AiN=Archeologie in Nederland; AWN=Archeologische katern. De cijfers en datum verwijzen naar het betreffende tijdschrift. AWN staat voor Archeologische Werkgemeenschap voor Nederland.
Op de website AWN-Archeologie.nl vind je meer informatie en kun je alle nummers van Westerheem digitaal doorbladeren, lezen en met een simpele zoekfunctie doorzoeken.

Archeologie in Nederland is de opvolger van Westerheem en Archeobrief die in december 2016 voor het laatst verschenen. In Westerheem dat 65 jaargangen heeft gekend vind je veel opmerkingen die de visie van Albert Delahaye bevestigen of aanvullen. Zie bij Westerheem. Voor Archeobrief geldt hetzelfde. Ook hierin vond je talloze artikelen die de visie van Delahaye bevestigden. Zie bij Archeobrief.


We beperken ons op deze pagina tot de periode tussen de tijd van 56 v.Chr. tot 1200 n.Chr. en met name tot Nederland en Belgisch en Frans Vlaanderen.

Veel bevindingen bevestigen de visie van Albert Delahaye en waar de nieuwe opvattingen in strijd lijken met die visie geven we relevant commentaar.

Het woordgebruik in de artikelen geeft vaak al aan dat er de nodige twijfel bestaat omtrent de interpretatie van veel archeologische vondsten. Archeologie is immers interpreteren. Waar geschreven wordt in termen als 'mogelijk' of 'wellicht' zal onze conclusie dan ook zijn dat er geen bewijs voor de opvatting is en er dus feitelijk niets wordt toegevoegd aan de heersende opvattingen. De voorbeelden hiernaast spreken voor zich.

Wat we ook scherp in de gaten houden is dat veel archeologische bevindigen gebaseerd zijn op de klassieke teksten. Als voorbeeld kunnen we de bevindingen in de Betuwe noemen. Zolang men er spreekt over Bataafse vondsten gaat men dus klakkeloos uit van de onbewezen opvatting dat de Bataven in de Betuwe woonden. En dat is met geen enkele tekst ooit aangetoond. Integendeel, de teksten plaatsen de Bataven duidelijk in Noord-Frankrijk. Zie daarvoor bij Bataven.



Het moet steeds goed begrepen worden dat de aanwezigheid van de Romeinen in Nederland door Albert Delahaye allerminst wordt ontkend, wat hem desondanks te vaak verweten wordt. Het zijn niet de meest deskundigen die deze verwijten maken. Het staat wel vast dat de interpretaties van veel archeologische vondsten aan een grondige herziening toe zijn, zoals de naamgeving van de 'Romeinse plaatsen' in Nederland, met namen van de Peutingerkaart. Daar wordt ontzettend mee gegoocheld, terwijl die kaart gewoon onbetrouwbaar is. Zie bij de Limes en bij Peutingerkaart.
Het Romeinse Noviomagus was dezelfde plaats als het Karolingische Noviomagus en blijkt niet Nijmegen te zijn maar de Franse stad Noyon.


Waar vooral op gelet moet worden is de volgorde van de vondsten in de opgravingsverslagen. Als er sprake is van vondsten uit de steentijd of Romeinse tijd die genoemd worden, blijkt daaruit te vaak dat er daarboven niets gevonden is uit de (vroege of late) Middeleeuwen. De oudste vondsten zitten uiteraard onder de jongere. Vindt men veel Romeins (zoals in Nijmegen) maar wordt er niets gevonden uit de Frankische tijd dat erboven moet zitten, dan blijkt dit gegeven meestal verzwegen te worden. Het toont in elk geval (zoals in Nijmegen) dat er geen continuiteit in bewoning heeft bestaan tussen de Romeinse tijd en de 12e eeuw. Zie bij Nijmegen, onterechht wel eens de oudste stad genoemd. Maar ook dit vinden de minst deskundigen onder de historici.

Wat ook opvalt en nader beschouwd moet worden is het gebruik van bepaalde onbewezen aanduidingen of opvattingen bij opgravingen. Zo worden vondsten in de Betuwe te gemakkelijk 'Bataafs' genoemd en wordt iets te Nijmegen gevonden steeds als van 'Ulpia Noviomagus' gekwalificeerd. Dat de Bataven in de Betuwe woonden is, zoals hierboven aangegeven, een hypothese. En de naam Noviomagus voor Nijmegen is eveneens nooit aangetoond met enig bewijs. Het Ulpia Noviomagus was ook niet Nijmegen, maar Neumagen in Duitsland, waar (de latere keizer) Trajanus die de naam Ulpia voerde stadhouder was. In Nijmegen is hij nooit geweest, ook al is daar een deel van een zuil gevonden die aan hem wordt toegeschreven.

Artikelen waarin oude beweringen nog eens worden herhaald blijven buiten dit overzicht. Dat de archeologisch vastgestelde Romeinse nederzetting Castello Fectio geheten zou hebben (AM. nr.3 2017) is zo'n voorbeeld. De naam van dit Romeinse castellum is nergens door bewezen, ook niet door de Peutingerkaart, zoals altijd beweerd wordt. Daarop staat ook helemaal geen Fectio, maar Fletione, wat een andere plaats was.

Uit veel geciteerde teksten kan opgemaakt worden dat de geschiedenis hard toe is aan een herschrijving.
Te veel opmerkingen van de aangehaalde auteurs komen niet overeen met de traditionele opvattingen.
Opvallend is dat Albert Delahaye van hen feitelijk gelijk krijgt ten aanzien van de Transgressies, de onjuiste locatie van plaatsen en de continuÔteit in de bewoning van veel gebieden en plaatsen die sterk betwijfeld wordt.




Vanwege het overzicht en de leesbaarheid zijn alle artikelen (per jaar) genummerd. Deze nummering kan wijzigen door het tussenvoegen van nieuwe citaten.

De professionele archeologie zou zich minder moeten gedragen als een elite met het alleenrecht om zich met archeologie bezig te houden, aldus Caranze Lewis in een artikel in 'Archeologie in Nederland nr.5, 2017'.

Archeologie in Nederland zou, zoals de titel aangeeft, vooral over de Archeologie in Nederland moeten gaan. Het is dan wel opvallend dat men voor de voorbeelden steeds op buitenlandse situaties wijst, zoals in Duitsland, Engeland, België en Frankrijk. Blijkbaar geeft de Nederlandse bodem deze informatie niet, waarmee de 'bewijzen' toch sterk aan overtuiging inboeten.



Archeologie in Nederland nr.4 van oktober 2019 geeft een inkijkje in een opmerkelijke opgraving in Nijmegen: De Bastei. Er wordt geschermd met tweeduizend jaar wonen, maar in het artikel blijkt duidelijk dat er een groot gat zit tussen de Romeinse tijd en de 12e eeuw. Van een paleis van Karel de Grote hebben ze ook hier niets gevonden. Zie het artikel hiernaast.
De Archeologie profileert zichzelf graag als een onbetwistbare wetenschap. Maar als 'wetenschap' bestaat de archeologie pas sinds 1965. En zoals vaak blijkt is er op de archeologie als wetenschap nogal veel aan te merken. Zie de vele artikelen hieronder en in Archeobrief over de Archeologie.
De centrale vraag is: "Wanneer gaan historici en archeologen de consequenties eens trekken uit eigen publicaties?" Lees vooral de commentaren waaruit blijkt dat de bewijzen van de Romeinse geschiedenis in Nederland uitermate zwak zijn. W.A.van Es krijgt nog steeds gelijk toen hij stelde dat 'Romeins Nederland is allerminst van internationale allure geweest'
.

In het tijdschrift Archeologie in Nederland vindt men veel voorbeelden die de visie van Albert Delahaye onderschrijven. We geven die voorbeelden aan de hand van letterlijke citaten: het commentaar (in rood) spreekt vaak voor zich. De volgorde van verwerking in dit hoofdstuk is van de jongste uitgave (bovenaan) naar oudste uitgave (onderaan).

De archeologie blijkt allerminst onfeilbaar te zijn. Er is sprake van de nodige twijfel en discussie. Zie de voorbeelden hieronder.

De belangrijkste bevindingen.....
  1. Romeinse schepen in het Gelders Rivierengebied, deel 1. Lees meer...
  2. Romeinse schepen in het Gelders Rivierengebied, deel 2. Lees meer...
  3. Nederland was na de Romeinse tijd lange tijd onbewoonbaar. Lees meer...
  4. Romeins grijs aardewerk noemt men zonder bewijs Bataafs grijs.Lees meer...
  5. De Castra van Valkenburg: veel onzekerheid! Lees meer...
  6. Wie waren de Cananefaten? Lees meer...
  7. De stadsgrens van Forum Hadriani, een mislukte ministad. Lees meer...
  8. Neder-germaanse Limes voordragen voor UNESCO Werelderfgoedlijst is een schande! Lees meer...
  9. In Nijmegen is men nooit zuinig geweest op haar Cultureel Erfgoed. Lees meer...
  10. In Houten is geen spoor gevonden van een Castellum. Lees meer...
  11. Ook in Dalfsen bestaat een groot gat van liefst 14 eeuwen in de bewoning. Lees meer...
  12. Nederland in de Romeinse tijd. Fabels van Ruurd Halbertsma. Lees meer...
  13. De handelsstad Tiel: mythen en misvattingen. Lees meer...
  14. Groningen in de vroege middeleeuwen. Een misverstand of een mythe? Lees meer...
  15. Romeinse munten uit Berlicum. Een hypothese en fantasie. Lees meer...
  16. Archeologie onder druk. Hoe hoog was het maaiveld in de Romeinse tijd? Lees meer...
  17. Karolingisch Leiderdorp. Een nederzetting als Dorestad? Lees meer...
  18. Bevolkingsaantal berekenen een interessante dissertatie. Lees meer...
  19. Zorgen over archeologische depots gemeenten. Lees meer...
  20. Speuren naar een verdronken ruïne: de Brittenburg niet gevonden. Lees meer...
  21. De Brittenburg nog steeds niet gevonden. Lees meer...
  22. Aan de rand van de binnenstad van Arnhem. Lees meer...
  23. Boerdeijen in beweging. Drieduizendjaar wonen in oostelijk Noord-Brabant. Lees meer...
  24. Zilveren regenboogschotels uit Graetheide. Lees meer...
  25. Muntschat Dirksland is vondst van nationaal belang. Lees meer...
  26. De Bastei in Nijmegen toont een stuk ware geschiedenis. Lees meer...
  27. Stuivende kustduinen in Zeeland en Zuid-Holland. Lees meer...
  28. Sporen en vondsten van een verdwenen landschap. Lees meer...
  29. Stempel van Cohort bij Romeinse weg Valkenburg. Lees meer...
  30. Een monumentaal Romeins graf bij Beuningen. Lees meer...
  31. Vroegmiddeleeuwse vondsten in Zuilen. Lees meer...
  32. Omstreden archeologiebeleid in Cuijk. Lees meer...
  33. Visualisatie van het Romeinse fort de Brittenburg. Lees meer...
  34. Herontdekking van een Romeinse grafsteen. Lees meer...
  35. Romeinse vondsten in Utrecht. Lees meer...
...en nog meer.......
  1. Een flinke ring is nog geen Vikingring. Lees meer...
  2. Frans Theuws is het spoor bijster. Lees meer...
  3. Een Brabantse boerin of aristocratische elite? Lees meer...
  4. Dorpsvorming in Nederland. Lees meer...
  5. Opgravingen op het rivierduin van Cuijk-De Nielt.Lees meer...
  6. Een Koptische schaal uit Ewijk.Lees meer...
  7. Vijftig jaar op zoek naar Hamaland, maar nog steeds niet gevonden.Lees meer...
  8. Op zoek naar Hamaland.Lees meer in AiN nr.1 maart 2021 en het bijbehorend boek.
  9. Karolingische kralen uit Dorestad/ Wijk bij Duurstede. Lees meer...
  10. Walicrum, een vroegmiddeleeuwse handelsnederzetting op Walcheren. Lees meer...
  11. Gouden Friese ring uit Wijk bij Duurstede. Lees meer...
  12. Amsterdam is niet ouder dan de 12e eeuw. Lees meer...
  13. Oh nee, een schat: problemen rondom schatvondsten. Lees meer...
  14. Dertig eeuwen bewoningsgeschiedenis in Aarle. Lees meer...
  15. De oudste stadsverdediging van Utrecht. Lees meer...
  16. Tweehonderd jaar opgraven in Wijk bij Duurstede. Lees meer...
  17. Een zwaard opgebaggerd bij Utrecht. Lees meer...
  18. Nieuw licht op donkere eeuwen. Een overzicht van Malta-onderzoek tussen 300 en 600.Lees meer...
  19. Bagger. Column van Paul van der Heijden. Lees meer...
  20. Grind, greppels en een Romeinse brug. Lees meer...
  21. Dateert het ruitergraf van Borgharen van rond 600? Lees meer...
  22. Programma van eisen in de archeologie. Column van Jos Bazelmans. Lees meer...
  23. Paul van Heijden heeft nog meer last van jeuk. Lees meer...
  24. De Brittenburg. Nieuw licht op bekendste 'cold case' in de Nederlandse archeologie. Lees meer...
  25. Ruitersporen elitair? Een herziene visie. Lees meer ....

  26. In het Nieuws in Archelogie in Nederland van december 2020. Lees meer...
  27. In het Nieuws in Archelogie in Nederland van september 2020. Lees meer...
  28. In het Nieuws in Archelogie in Nederland van december 2018. Lees meer...



Algemeen kunnen we stellen dat de archeologie te vaak bevooroordeeld is en in cirkelredeneringen werkt. Vindt men relicten in de Betuwe dan wordt het meteen gekwalificeerd als 'Bataafs'. Dat, omdat de historici meenden dat de Betuwe 'het land van de Bataven' was. Als eerste moet bewezen worden dat de Betuwe ook werkelijk 'het land van de Bataven' was. En dat is tot heden nog NOOIT bewezen! Zie bij Bataven. Ook is nog nooit vastgesteld wat de kenmerken zijn waaraan 'Bataafs aardewerk' (als voorbeeld) zou moeten voldoen. De cirkelredenering is wel duidelijk.

De visie van Albert Delahaye.
Door de transgressie (zie daar) en de veenvorming was het grootste gedeelte van laag-Nederland lange tijd ontoegankelijk, dus onbewoonbaar. Zie de AWN bijdrage in Magazine 3, 2020, hieronder. De geschiedenis die men er doorgaans plaatst blijkt een doublure van die in Noord-Frankrijk te zijn. Julius Caesar, Karel de Grote en St.Willibrord (om de belangrijkste te noemen) zijn nooit in Nederland geweest. Alle geschiedenis die met hen in Nederland terecht kwam was geÔmporteerd vanuit Noord-Frankrijk. Daar stond het paleis van Karel de Grote in Noyon (het ware Noviomagus; zie daar), was de bisschopszetel van St.Willibrord in Tournehem (Trajectum; zie daar)) en vonden de veldslagen van Julius Caesar tegen de Eburonen, Usipeten en Tencteren plaats. Daar vond ook de Varusslag in Thiembronne plaats. Zie bij Varusslag. De discussies die daarover in de Nederlanden altijd hebben bestaan, laten geen twijfel meer toe. De teksten zijn overduidelijk en plaatsen die hele geschiedenis ten zuiden van de taalgrens (zie daar).


ARCHEOLOGISCHE bevindingen.
In onderstaande citaten geven we zoveel mogelijk de letterlijke tekst weer. Soms hoeft er uit een heel artikel maar ťťn of enkele zinnen te worden aangehaald. Het hele artikel kunt U in de aangegeven bron desgewenst zelf nalezen.
(Gebruikte afkortingen: AiN voor Archeologie in Nederland, met AWN-bijlage; AoL voor Archeologie on Line.)
Waar sprake is van een hypothese gaat het om een als voorlopige waarheid aangenomen maar nog te bewijzen veronderstelling.

Archeologie in Nederland (nr. 4, okt.2019) toont de mythe van 2000 jaar bewoning in Nijmegen onweerlegbaar aan.



Archeologie in Nederland 2021



  1. Ruitersporen elitair? (AiN nr.2, juni 2021)
    In dit artikel schrijft Jan van Doesburg dat ruitersporen geen enkel bewijs vormen voor de opvatting dat het om een elite gaat. Hij schrijft o.a. 'dat er een discrepantie is tussen de geschreven bronnen en het dagelijks leven'. Het onderscheid tussen boeren en adel was veel minder regide. Vanaf ongeveer het jaar 1000 komen er in toenemende mate strijders te paard voor. Ruitersporen en andere met paardrijden geassocieerde voorwerpen vooral bij kasteelopgravingen, voedde de gedachte dat dit elite objecten waren. De afgelopen decennia is duidelijk geworden dat dit beeld niet klopt. Ook boeren hielden op grote schaal paarden, niet alleen als trek- en lastdier, maar ook als rijdier. De verouderde gedachte dat ruitersporen altijd een militaire connotatie hebben, blijkt niet te kloppen.
    Uit dit artikel blijkt duidelijk dat veel archeologische interpretaties grondig herzien zullen moeten worden. Te vaak is bij ruitersporen, bijvoorbeeld in een graf, de voorbarige conclusie getrokken dat er dan een belangrijk persoone begraven zou liggen.

  1. Verdronken dorpen en verdwenen land. (AiN nr.1, maart 2021)
    Een interessant en veelzeggend artikel over de transformatie van het Zuiderzeegebied. Enkele citaten uit dit artikel:
    1. Nederland is een waterland: al eeuwenlang zijn landschap en bewoners verbonden met het water. Bevestigd door de naam Nederland, die 'laag gelegen land' betekend. Grote delen ervan liggen meters onder zeeniveau. Wat Delahaye altijd verweten werd over 'meters onder water' wordt hier dus bevestigd. De laagste punten in Nederland liggen tot 7 meter onder zeeniveau.
    2. Uit paleografisch, landschapshistorisch en geologisch onderzoek is gebleken dat het Zuiderzeegebied rond het begin van de jaartelling uit uitgestrekte veengebieden en meren bestond.
    3. Er was in die tijd nog geen sprake van een open verbinding met de westelijek Waddenzee en Noordzee. Daarmee vervallen alle zogenaamde vaarroutes die de Romeinen afgelegd zouden hebben.
    4. De hoeveelheid water nam gestaag toe met nadrukkelijke aanwezigheid van watermassa in de vroege middeleeuwen.
    5. Opvallend is dat er geen scheppswrakken in het gebied gevonden zijn uit de vroege of volle middeleeuwen. Of het aannemelijk was of er al gevaren werd is dus een vraag?
    6. De Zuiderzee ontstond in de late Middeleeuwen. Onder de late Middeleeuwen verstaat men de periode van ca. 1270 tot ca.1500.
    7. Over gevonden aardewerk schrijft men: een Pingsdorfpot uit de dertiende eeuw, een roodbakkende driepoot kookpot uit de veertiende eeuw.
    8. Uit reconstructies blijkt dat het onderzoeksgebied rond 900 nog relatief grote onontgonnen en onbewoonde veenoppervlakte kende. Van omvangrijke bewoning uit de tijd van St.Willibrord en Karel de Grote is dn ook geen sprake geweest.
    9. Op basis van het aardewerk kon worden vastgesteld dat de oudste bewoningsresten dateren uit de twaalfde en de dertiende eeuw. het moet toch voor iedereen nu toch wel duidelijk zijn dat de vroege 'vaderlandse' geschiedenis zich hier niet voorgedaan kan hebben.
    10. De conclusie van dit artikel is dan ook dat de nieuwe kaartbeelden van de jaren 1100 en 1400 aantonen dat in slechts enkele eeuwen tijd het onderzoeksgebied transformeerde van onontgonnen veenvlakte en meren naar open water: de Zuiderzee.
      In het artikel wordt nog wel de naam Almere gebruikt voor de vroegere Zuiderzee. Maar die naam wordt in dt artikel niet bevestigd, maar juist tegengesproken. Het Almere was een zeebaai en had in de Romeinse tijd al een open verbindig met de zee.


  2. Leven langs en met het water. (AiN nr.1 maart 2021)
    Archeologisch onderzoek in de delta van de Oude Rijn. Wat blijkt uit dit artikel? Enkele citaten:
    1. Veel resten van mariene schepen werden verwacht en die werden in de proefsleuven nergens aangetroffen.
    2. Alleen in het zuiden van het plangebied werden behoudenswaardige archeologische resten aangetroffen.
    3. Op een diepte van 1,6 meter onder hetmaaiveld (1,8 meter onder NAP) werd een laagje zand aangetroffen met afgeplat, kwartsrijk fijn grind. Grind kan alleen worden vervoerd door een rivier bij hoge stroomsnelheden.
    4. Het rivierlandschap met een 360 tot 370 meter brede en waarschijnlijk 10 tot 15 meter diepe Rijngeul heeft de naam Stevens Rijngeul gekregen.
    5. Naar het westen werden zandige geulsedimenten gevonden tot een diepte van meer dan 7 meter onder het maaiveld. Dit betekent dat in dit gebied tot 7 meter onder het maaiveld ooit afzettingen zijn geweest.
    6. Uit de vulling van dit greppelsysteem is een fragment spaarzaam geglazuurd eerdewerk uit de middeleeuwen (1125-1350) verzameld. Het is de enige aanwijzing die is aangetroffen voor mogelijke bewoning van het plangebied Ommedijk in de middeleeuwen. Slechts één fragment? Eén zwaluw maakt nog geen zomer!


  3. Op zoek naar Hamaland. (AiN nr.1 maart 2021) Middeleeuwse archeologie aan weerszijden van de IJssel 800-1100.
    Dit artikel is gebaseerd op de jubileumbundel van AWN-afdeling 18 Zuid-Salland-IJsselstreek- Oost-Veluwe uit 2021 en geschreven door Sander Diependaal (archeoloog en vestigingsleider bij Econsultancy Doetinchem), Bert Fermin (archeoloog bij de gemeente Zutphen), Michel Groothedde (archeoloog in Zutphen), Emile Mittendorff (archeoloog in Deventer) en Janneke Zuyderwyk (archeoloog in Apeldoorn). Allemaal archeologen die geschiedenis willen schrijven. Is dat hun deskundigheid wel? De noten bij dit artikel verwijzen steeds naar hun eigen artikelen in het boek
    Op zoek naar Hamaland onder redactie van A.Dijkstra-Kruit (2020). Hier is duidelijk sprake van belangenverstrengeling. Het is dan ook geen onafhankelijk artikel.

    Welke bewijzen hanteren de auteurs voor hun opvattingen? Enkele citaten uit dit artikel:
    1. De nederzetting waar Lebuinus (zie bij Lebuinus) zijn kerk bouwde, was tot voor kort archeologisch lastig aantoonbaar. De nederzetting lag vermoedelijk aan weerszijden van de doorlopende verkeersas van de Lange Bisschopsstraat, die in deze periode vermoedelijk al bestond en voerde naar de oversteek aan de IJssel. De nederzetting had een sterk agrarisch karakter. Uit deze periode zijn alleen fragmentarische huisplattegronden overgeleverd, Dit citaat uit dit artikel is een heel sprekend voorbeeld van hoe men in Deventer geschiedenis schrijft. Die zogenaamde kerk van Lebuinus is in Deventer niet alleen lastig aantoonbaar, maar zelfs helemaal nooit gevonden.
    2. Hamaland is ontstaan als een graafschap van het Karolingische Rijk. We komen de naam voor het eerst tegen in schrifteljke bronnen uit de negende eeuw. In dit artikel worden de jaartallen 753, 758, 770, 804, 887, 882, 890 en 1046 genoemd. Over elk hier genoemd jaartal zijn wel meerdere opmerkingen te maken. Het jaar 1046 is een bijzinder geval waar zelfs een heel verhaal over te schrijven is. Zie daarvoor bij de jaartallen.
    3. Waarschijnlijk liet Everhard Saxo in 882 de grote ringwalburg in Zutphen bouwen, nadat de nederzetting door Vikingen was ge-plunderd. Van een plundering in 882 in Nederland is geen sprake geweest. De oorkonde die dit vermeldt noemt Zutphen niet, maar de Isla wat de Lys in Frans-Vlaanderen is. In de oorkonde is sprake van De Northmanni, die zich met Dani verenigd hadden, zwervend door Francia en Lotharingia, verwoestten te vuur en te zwaard Ambianis (Amiens), Atrebates (Atrecht), Corbeia (Corbie), Cameracum (Kamerijk), Tervenna (Terwaan), de gebieden van de Morini, van de Menapii en van de Bracbatenses, en heel het land rond de rivier de Scaldus, alsmede de kloosters van de heiligen Walaricus (Saint-Valťry-sur-Somme) en Richarius (Saint-Riquier) (425-1). Bron: Sigiberti Gemblacensis chronicon, MGS, VI, p. 342.
    4. Na de Romeinse tijd dateert de eerste aantoonbare bewoning ter plaatse van het huidige Deventer pas uit de late achtste eeuw. De oudste bewoning van Deventer dateert echter pas uit de 10de eeuw. Lees meer bij Deventer.
    5. Na veldtochten van de Frankische koning Pepijn de Korte in 753 en 758 kwam ook het gebied ten noorden van Hamaland onder controle van de Frankische koning. Lees meer over de Frankische controle.
    6. In of kort voor 770 trok de Angelsaksische missionaris Liafwin (Lebuinus) vanuit Utrecht naar de IJsselvallei om er het christendom te prediken. Lees meer over Lebuinus.
    7. Vanaf de elfde eeuw zien we wel de eerste sporen van een stedelijke elite, die een belangrijke factor zou worden in de vorming van een zelfstandig stadsbestuur vanaf de dertiende eeuw.
    8. Ook zijn er fragmenten van stijgbeugels en een riemtong gevonden die wijzen op eenzelfde Viking herkomst. Hebben we hier te maken met een kamp van het Vikingleger dat vanuit Nijmegen de IJsselstreek plunderde? Of gaat het gewoon om handelswaar die hier is terechtgekomen? Het bewijs voor een legerkamp is mager. Misschien dat de schrijvers van dit artikel eens wakker worden en hun eigen bevindingen eens gaan lezen en daaruit de vanzelfsprekende conclusies gaan trekken.
    9. Slechts een koningsoorkonde uit 1046 herinnerde nog aan een graafschap 'in Hamelande'. Lees hier meer over Hamaland.
    10. In het hierboven genoemde boek wordt onomwonden aangegeven dat Hamaland in 1046 een nieuw graafschap was (zie p.11).

    Commentaar: de beginfout in dit artikel, maar ook in het boek, is dat men Nederland tot het Karolingische Rijk rekent. Daar is geen enkel bewijs voor. Immers het Karolingisch Paleis van Karel de Grote in Noviomagus heeft niet in Nijmegen gestaan, maar stond in Noyon. Lees meer over Karolingisch Noviomagus. De hier genoemde jaartallen hebben geen betrekking op Nederland, maar op Noord-Frankrijk, al vindt bij het jaartal 1046 een opmerkelijke doublure plaats.
    Lees meer over Hamaland en met name over de Rijksverdeling uit 838, waar Hamaland wordt genoemd tussen de Mosau en de Seine, wat onmiskenbaar in Frankrijk is.



  4. Tweede marskamp gevonden in Ermelo. (AiN nr.1 maart 2021)

    Bij Ermelo is het toto nu toe enige bekende Romeinse marskamp gevonden, al bestaat daat de nodige twijfel over. Lees meer over
    marskamp Ermelo. Nu meent men een tweede marskamp gevonden te hebben die ook in Ermelo ligt. Soldaten marscheerde zo'n 25 kilometer per dag en gebruikten een dergelijk kamp slechts een paar dagen, wat betekent dat er tusseb de limes bij de Rijn en Ermelo nog een kamp moet hebben gelegend. Deze is/zijn tot nog toe niet gevonden.


  5. Miljoenen voor onderzoek 'Constructing the Limes'. (AiN nr.1 maart 2021)
    Een consortium van de Universiteit van Utrecht gaat dankzij een beurs van 4,1 miljoen onderzoek doen naar een van de oudste grenzen uit de geschiedenis, de limes, de grens van het Romeinse Rijk. Men gaat ook onderzoek doen naar de vraag hoe onze obsessie met Bataven en Romeinen gedurende de afgelopen 500 jaar heeft bijgedragen aan ons begrip van grenzen en culturen.
    Commentaar: dat bedrag van 4,1 miljoen euro kan men zich besparen. Dat onderzoek is overbodig aangezien de uitkomst allang bekend is, als men de boeken van Albert Delahaye eens zou lezen. Bovendien heeft de grens van het Romeinse Rijk in Nederland niets voorgesteld. Lees onderstaand persbericht dat naar verschillende kranten en tijdschriften is gestuurd, maar niet geplaatst is.
    Bij dit artikel is onderstaande afbeelding geplaatst, met de tekst: Op de Peutingerkaart staat de Neder-Germaanse limesweg in volle glorie aangegeven van Remagen (rigomagus, rechtssboven) naar Katwijk (Lugduno)'. Helaas zijn beide genoemde plaatsen op deze afbeelding niet te zien. Hoe zorgvuldig kun je zijn? Overigens is de Peutingerkaart een falsum
    (zie daar).

    Persbericht.
    Er bestaan enkele initiatieven om Romeins Nederland bij de UNESCO voor te dragen als Wereld Erfgoed!
    Zijn die initiatieven die ook Cultureel Erfgoed of Nederlands Erfgoed worden genoemd, gebaseerd op de werkelijkheid of gaat het slechts om de pecunia's van het toerisme, zoals dat tussen de regels bij de initiatiefnemers te lezen is? Deze voordracht om de Romeinse Limes in Nederland voor te dragen als Wereld Erfgoed kent meerdere tekortkomingen:
    1. Allereerst heeft Romeins Nederland -volgens meerdere historici- helemaal nooit iets voorgesteld. Prof.dr.W.A. van Es, voormalig directeur van de ROB (Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek), momenteel RCE (Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed) schreef het al in de jaren 80 van de vorige eeuw. "Het Romeins in Nederland is allerminst van internationale allure geweest en is nimmer de eer van een colonia waardig geacht".
    2. Boven het maaiveld is er niets van te zien, maar ook onder de grond is er nauwelijks iets van terug te vinden. Op enkele plekken is dan wel een 'Archeon-achtig' bouwwerk geplaatst, maar dat heeft historich gezien geen enkele waarde.
    3. Op veel plaatsen waar men een castellum 'vermoedt' is nooit iets gevonden. In de historische literatuur lijkt Romeins Nederland een onbetwiste opvatting. Niet is minder waar! Romeins Nederland is een op veel twijfel gebaseerde aangenomen geschiedenis. Veel aannamen zijn onbewezen opvattingen, gebaseerd op geen of minimaal bewijs. Wat bewijs je met enkele Romeinse munten?
    4. Van geen enkele plaats is de Romeinse naam met feiten bewezen. Men voert wel eens de Peutingerkaart op als bewijs, maar die kaart is een falsum uit de 16e eeuw. Met een dakpan of een deel van een Romeinse helm bewijs je evenmin dat ter plaatse ooit een Romeins castellum stond.
    5. Daarnaast kan men zich afvragen of wat 'Limes' wordt genoemd, wel als 'Nederlands' Erfgoed beschouwd kan worden. Iets wat nu Nederland wordt genoemd, bestond niet eens in de Romeinse tijd. Of was het eerder Erfgoed van ItaliŽ of van het oude Rome?
    6. Is een bezettingsmacht die slechts ellende voor de plaatselijke bevolking bracht, te beschouwen als Cultureel of Wereld Erfgoed? Is de bezetting van Nederland in Wereld Oorlog 2 Wereld Erfgoed? Is de 80-jarige oorlog inclusief de Inquisitie te beschouwen als Wereld Erfgoed?
    7. Bovendien was de Romeinse Limes zeker geen gesloten grens en zeker geen Limes, maar een bewaakte transportroute, wat momenteel algemeen aanvaard wordt. Is een bewaakte transportroute te beschouwen als Wereld Erfgoed?
    8. De Limes was zeker geen gesloten grens. Wat historisch 'Limes' genoemd wordt, was de grens van het Romeinse rijk die op de taalgrens door Frans-Vlaanderen en BelgiŽ lag. Daar lag de rij forten die Gallia moest beschermen tegen binnendringende Germanen. Die Germaanse volkeren woonden al ten zuiden van de Rijn en dus binnen het Romeinse Rijk. Elke historische atlas toont precies aan waar Germanis Inferior en Superior lagen, namelijk ten zuiden en ten westen van de Rijn.
    9. Vervolgens kan gesteld worden dat het Romeinse rijk een periode was waarin de mensheid zich van de slechtste kan heeft laten zien. Is dat Wereld Erfgoed? De Romeinse tijd was een tijd van moord, plunderingen en slavernij. Tacitus schreef het al: "De Romeinen zijn de rovers en plunderaars van deze wereld". (Tacitus, Agricola 30,4). Ook prof.Bettany Hughes bevestigde het: "De Romeinse maatschappij was gebaseerd op slavernij. Meer dan 200 miljoen slaven hebben het Romeinse rijk opgebouwd". Het recent verschenen boek van Emma Southon toont de ware wereld van het Romeinse Rijk: een wereld van moord en doodslag en van massale executies van gevangen genomen 'barbaren' en Christenen. Een wereld die teveel verscholen blijft achter door slaven gebouwde imposante bouwwerken, fraaie mozaÔeken en indrukwekkende beeldhouwwerken.
    10. Opmerkelijk is dat de Unesco de limes in het Verenigd Koninkrijk en Duitsland op de werelderfgoedlijst heeft geplaatst. Die van Nederland ontbreekt daarop, juist omdat de archeologie niet genoeg wetenschappelijk gewicht in de schaal kan leggen. Daarom zijn de betrokken gemeenten in Nederland nu volop de zichtbaarheid van hun vermeende Limes aan het (uit-)vergroten tot ongekende proporties, waarbij elke vondst wordt opgeblazen tot een heus castellum. Zie Castellum Houten als voorbeeld. Ook wordt tegenwoordig in het centrum van Utrecht met een 80 centimeter brede strook van gekleurd licht en nevel de plaats van het oude castellum Traiectum aangegeven....

    De hele Romeinse geschiedenis in ons land wordt schromelijk overdreven en nog erger, verheerlijkt. Zeker als het in aanmerking zou komen als Wereld Erfgoed of Cultureel Erfgoed. Dan kun je de Unesco nominaties niet langer serieus nemen. Het was een niets ontziende slavenmaatschappij. Er was niets heldhaftigs aan. Feitelijk is het een grote schande dat men tegenwoordig 'Romeintje' speelt, zoals in het Archeon en men dit voordraagt als 'Cultureel Erfgoed'. Zou iemand het ooit in zijn hoofd halen het slavernij-verleden van Holland, dat verscholen is achter de term "Gouden Eeuw', voor te dragen als Cultureel of Wereld Erfgoed van Nederland? Gaat men ooit ook 'slavenhandelaartje' spelen net als men ook stoer 'Vikinkje' speelt bij de Middeleeuwse boerderij in Schothorst te Amersfoort?


Archeologie in Nederland 2020



  1. De Castra van Valkenburg (Zuid-Holland). (AiN nr.4, december 2020)
    Enkele opvallende citaten uit dit artikel zijn de volgende:
    1. In Valkenburg ligt een Romeins castellum, opgegraven in en net na de Tweede wereldoorlog door A.E. van Giffen, en beroemd geworden door de fantastische conservering van meerdere houtbouw- en steenbouwfasen in de 'wetlands' van West-Nederland.' Praetorium Agrippinae' kan het op basis van de Tabula Peutingeriana hebben geheten, ook al is de naam maar deels verklaarbaar voor archeologen en oud-historici.
    2. Het voert te ver om hier diep op dit verhaal in te gaan, maar archeologen hebben de afgelopen decennia op basis van een aantal betekenisvolle vondsten niet uitgesloten dat deze gebeurtenis wellicht aan onze kust bij Katwijk heeft plaatsgevonden. Het gaat daarbij enerzijds om de regelmatige vondsten van geklopte maar vooral ook ongeklopte munten van Caligula en anderzijds om stempels op duigen van ton putten in Vechten en Valkenburg met de officiŽle titulatuur van Caligula (C.CAE.AUG. GER). Bovendien schrijft Tacitus over de Cananefaat Brinno die in 69 na Christus een verhaal uit de oude doos opdiept over zijn vader die destijds ongestraft de draak stak met de campagnes van Caligula en de keizer beschimpte, wellicht een voorval aan dezelfde kust dus. Tot slot weten we uit meer recente bron over vissers wiens netten in zee bleven steken aan dat wat in de volksmond 'de toren van kalla' heette. Het zijn allemaal geen harde bewijzen, en ze kunnen allemaal weerlegd worden ten faveure van een andere setting, maar het is niet uitgesloten dat ze indirect op de aanwezigheid van Caligula nabij onze kust duiden, om het voorzichtig uit te drukken. Het voedt speculaties over de plek van de historische gebeurtenissen in die tijd. Maar er is meer.
    3. Dat 'meer' zijn sporen van een wal en toren, een mogelijk tijdelijk kamp. Met deze kennis gewapend is het proefsleuvenonderzoek opnieuw geanalyseerd en kon worden bepaald dat de bovengenoemde structuur waarschijnlijk het restant van een poortgebouw is geweest. Daarmee was de hypothese gesteld.
      Verder is de noordzijde van de castra nog niet ontdekt, maar vermoed wordt dat de Marktveldgeul ter plaatse van de noordelijke gracht daar is doorgebroken. Wanneer dat plaatsvond, is niet met zekerheid te zeggen, hoewel het thans in de geul opgegraven aardewerk niet verder terug lijkt te gaan dan de Flavische periode. Daarmee lijkt wel vast te staan dat de geul of zijtak van de Rijn niet bestond in de jaren veertig en vijftig na Christus.
    4. Misschien valt de opmerking bij Van Giffen over een zogenoemd 'knuppelpad dat het vliegveld opging' wel samen met deze zuidwal, maar dan heeft speculatie wel een hoge vlucht genomen. Tot slot, niet onbelangrijk is dat de datering tot nog toe gebaseerd is op slechts ťťn dendrochronologische datering, van een stuk hout dat in theorie ook hergebruikt kan zijn en afkomstig kan zijn uit bijvoorbeeld het castellum.
    5. Hoe moet deze castra nu geduid worden in het licht van de historische bronnen en in relatie tot het castellum? Gedachten daarover zijn prematuur, hypothetisch, soms ongefundeerd, maar in-teressant genoeg om hier te bespreken. Voor de vuist weg rede-nerend kan het zo zijn dat dit legioenskamp werd opgericht in 39 na Christus, tijdens het Germania-offensief van Caligula. Of in de winter van 39 op 40 na Christus, in het kader van de voorgenomen expeditie naar Britannia. In het kamp kunnen dan idealiter (een deel van) de troepen zijn gelegerd die Caligula opstelde langs de Oceanus. Uiteindelijk maakten ze de oversteek niet, maar na Caligula's dood richtten de Romeinen zich op de voorbereidingen voor een Claudische invasie van het Engelse eiland, welke in 43 na Christus gestalte kreeg. Denkbaar is dat dit kampement toen in gebruik was (of bleef) en dat men naast een afvaart vanuit Boulogne-sur-Mer (Gesoriacum) ook vanuit Katwijk is vertrokken om Britannia vanuit een soort tangbeweging te benaderen. Verder weten we uit antieke bronnen van een legioen dat onder aanvoering van Gabinius in 41 na Christus de derde en laatste verloren adelaar van de Varusslag (9 na Christus) terughaalde bij de Chauken. Tot slot opereerde Corbulo met legioenen in het gebied van de Friezen en de Chauken voordat hij door Claudius in 47 na Christus werd teruggeroepen achter de Rijn in de 'bestaande praesidia'. Ook hier kan de castra van Valkenburg een rol hebben gespeeld.
    6. Een combinatie van de bovengenoemde scenario's behoort natuurlijk tot de mogelijkheden. Hoe het ook zij, de verklaring voor de benaming van Praetorium (militair belangrijke plaats, commandocentrum, residentie) Agrippinae (moeder van Callgula of - minder waarschijnlijk - vrouw van Claudius) wordt door de aanwezigheid van deze grote legertroep ook verder verduidelijkt, hoewel nog niet alle problemen ermee zijn opgelost.
    7. Het is onbekond welk(e) legioen(en) in de castra was (waren) gelegerd. De eenheden die richting Engeland gingen, zijn bekend, maar interressanter is te bedenken dat aan elk legioen ook hulptroepen zijn verbonden, zoals de Bataven aan het Veertiende Legioen. Dikwijls gaat het om meerdere cohorten en alae. Vraag is dan welke auxilia aan ons legioen waren verbonden. Mogelijk zijn dat Gallische hulptroepen want uit Valkenburg castellum 1 is de Cohors III Gallorum bekend. Maar omdat er meer hulptroepen aan een legioen vasthangen, betekent dit dan dat in de omgeving van de castra dus nog meer hulptroepen - in castelIa - waren gestationeerd? Kan de vindplaats De Woerd dan toch aanspraak maken op (ook) een vroeg militair kampement, wellicht van een van die andere cohortes Gallorum, en waar liggen de overige Gallische hulptroepenkampen in Valkenburg?
    Commentaar: ook in dit artikel is liefst 10 keer sprake van 'mogelijk' en 15 keer van 'kan of zou kunnen zijn'. Zet daarnaast 5 keer de vermelding van 'wellicht' en 3 keer 'waarschijnlijk' en 3 keer 'vermoedelijk' en er blijft weinig zekerheid over. Het enige bewijs voor de naam Praetorium Agrippinae blijkt dus de Peutingerkaart te zijn. Eindelijk wordt dat eens toegegeven. Maar het blijkt toch slechts deels verklaarbaar te zijn! Het verhaal over Caligula steekt ook hier weer de kop op, hoewel het een aangenomen opvatting was. De genoemde toren van Caligula stond bij Boulogne-sur-Mer, de gewone oversteekplaats naar Engeland. Het hele verhaal wordt dan ook terecht een hypothese genoemd.
    De medeling over het bestaan van de zijtak van de Rijn is uitermate interessant. Dat ondergraaft wel enkele traditionele opvattingen, zoals over het Kanaal van Corbulo. Terecht wordt dan ook gesproken over de hoge vlucht van de speculatie, prematuur, hypothetisch, soms ongefundeerd, ofwel veel aangenomen, weinig feitelijk bewezen. Ook uit het laatste citaat spreekt nogal veel onzekerheid en is er sprake van de nodige speculatie.



  2. Wie waren de Cananefaten? (AiN nr.4, december 2020) door Jasper de Bruijn, conservator Romeinse tijd bij het Rijksmuseum van Oudheden.
    Enkele opvallende citaten uit dit artikel:
    1. In de Romeinse tijd stond een groot deel van het Zuid-Hollandse kustgebied bekend als de civitas Cananefatium, het thuisland van de Cananefaten. De hoofdstad was Forum Hadriani, officieel Municipium Aelium Cananefatium geheten, opgericht rond 120-125 na Christus. Langs de Oude Rijn lag de limes, grens van het Romeinse Rijk, bestaande uit een reeks forten, gesticht vanaf 40 na Christus. Dat een groot deel van Zuiid-Holland het thuisland van de Cananefaten zou zijn is een hypothese, ofwel een nooit met feiten bewezen opvatting. Stichtingen van forten vóór het jaar 40 worden hiermee dus uitgesloten.
    2. Volgens Tacitus en Plinius bewoonden de Cananefaten eind jaren zestig en zeventig van de eerste eeuw na Christus het 'eiland' tussen Rijn en Maas en stonden ze in herkomst, taal en moed gelijk aan de Bataven. Deze opmerking heeft lang het herkomstbeeld van de Cananefaten beheerst, want hiermee werd gesuggereerd dat de Cananefaten, net als de Bataven, een afgesplitste groep van de Chatten uit het Duitse Hessen zouden zijn, die zich op een bepaald moment langs de Zuid-Hollandse kust heeft gevestigd.
    3. Uit archeologische vondsten blijkt dat het woongebied van de Cananefaten tussen 40 en 100 na Christus werd bevolkt. De overgrote meerderheid van de nederzettingen was nieuw gesticht en had geen relatie met de eerdere bewoning in de ijzertijd.
    4. Er zijn geen grotere boerderijen aanwezig en er worden nauwelijks opvallende vondsten gedaan die wijzen op enige status. Bovendien zijn er geen rijke graven bekend. Sterker nog: er zijn nauwelijks graven gevonden
    5. De vraag is natuurlijk wel wat er dan nog over was gebleven van de oorspronkelijke Cananefaatse groepsidentiteit. Daarvoor kan worden gekeken naar twee mijlpalen, die in 250 na Christus langs de Romeinse weg in het gebied zijn geplaatst. De palen zijn opgericht als blijk van trouw namens de Cananefaten, zoals duidelijk op een van de mijlpalen te lezen is. Nauwwelijks graven gevonden? Welk groot volk heeft geen doden te begraven? Of was het volk van de Cananefaten niet zo omvangrijk als traditioneel steeds wordt voorgesteld?
    6. Er wordt weinig Romeins aardewerk gevonden. Dat is opvallend, aangezien een aanzienlijk deel van de Cananefaatse jongemannen in het Romeinse leger diende en dus in staat was deze zaken aan te schaffen en naar huis te sturen. Hieruit kan worden afgeleid dat de Cananefaten geen grote belangstelling hadden voor allerlei geÔmporteerde, 'Romeinse' zaken. Of was het misschien zo dat de Cananefaten helemaal niet in Zuid-Holland woonden, maar in Noord-Frankrijk?
    7. Door het consequente gebruik van de metaaldetector zijn in veel nederzettingen munten, zogeheten antoniniani, aangetroffen die uit de tweede helft van de derde eeuw dateren. Een aantal van deze munten kan ook nog in het begin van de vierde eeuw gecirculeerd hebben. Kan ook nog? Wat is het bewijs ervan?
    8. De munten wijzen op een continuÔteit van de bewoning tot aan het einde van de derde of het begin van de vierde eeuw. Zie de vorige opmerking.
    9. Ten slotte zijn op enkele nederzettingsterreinen ook mantelspelden aangetroffen die na 250 te dateren zijn. Materiaal dat overtuigend van na 300-325 na Christus dateert, ontbreekt echter. Al met al zijn de archeologische bewijzen uitermate zwak.
    10. Het Cananefaatse gebied werd dus verlaten tussen 250 en 300 na Christus. Deze datering komt overeen met de waarnemingen in het Maas-Demer-Scheldegebied, waarbij verondersteld wordt dat politiek-militaire maatregelen, zoals de herlocatie van de resterende bevolking, een realistisch scenario is voor de verlating van dat gebied." Ook voor de Cananefaatse regio is een vergelijkbare verklaring aannemelijk, omdat een vrijwillig vertrek van de bevolking uit het gebied waar zo veel in is geïnvesteerd niet heel waarschijnlijk is. Hiermee verdween ook de gemeenschap van de Cananefaten.
    11. De bewoning in de Cananefaatse regio loopt door na 250 na Christus. Het vaststellen van de einddateringen van de plattelandsnederzettingen is echter lastig door het ontbreken van goed te dateren aardewerk, een probleem dat ook op andere plaatsen is geconstateerd. Dendrochronologische dateringen uit de gevorderde derde eeuw zijn niet voor handen, met uitzondering van een waterput in de buurt van Delft, die van na 247 dateert" en vermoedelijk nog enige decennia heeft gefunctioneerd. Op grond van niet te dateren aardewerk en een waterput trekt men verregaande conclusies. Het is pure speculatie op grond van vooringenomenheid.
    12. De Cananefaten verdwenen rond 300 na Christus uit het gebied en het is aannemelijk dat dit wederom gebeurde onder invloed van de Romeinse overheid.

    Commentaar: Voor de locatie van de Cananefaten verwijst De Bruijn tot 2x toe naar J.A.Waasdorp en wel naar de HaagsOudheidkundige Publicatie nr. 8 en 13.
    1. Zo werd in 150 na Christus een Romeinse weg aangelegd, dwars door het woongebied van de Cananefaten (noot 8).
    2. Voor de oorspronkelijke Cananefaatse groepsidentiteit wordt gekeken naar twee mijlpalen, die in 250 na Christus langs de Romeinse weg in het gebied zijn geplaatst. De palen zijn opgericht als blijk van trouw namens de Cananefaten, zoals duidelijk op een van de mijlpalen te lezen is. (noot 13). Voor de juiste interpretatie van de mijlpalen: zie het commentaar op het volgende artikel van Tom Buijtendorp over Forum Hadriani.
    3. Een andere aanwijzing voor het voortbestaan van de Cananefaatse identiteit is een militair diploma, dat is gevonden in een van de plattelandsnederzettingen en dateert uit 164 na Christus. Het diploma vermeldt een veteraan, die de zoon is. van de Cananefaat Amandus. Het is daarmee de oudste archeologische aanwijzing voor het bestaan van een Cananefaatse identiteit in het onderzoeksgebied. het gaat jier om een verplaatsbaar object waarvan slechts enkele delen zijn teruggevonden. Waar is de rest? Het is vergelijkbaar met het schrijfplankje van Tolsum, waarvan ook niet bekend is hoe het daar in Friesland terecht kwam. Net als de vermelding van de Cananefaatse consul op een van de 4 mijlpalen bewijst het niet dat de vindplaats ook de naam van de nederzetting was. Dat wordt ook aangetoond met gedenksten waarop een Bataaf vermeld werd en die gevonden werden in Romen en overal in het Romeinse Rijk.
    Toevallig komen de numers van de noten overeen met de betreffende publicaties, wat voor verwarring kan zorgen. Maar uit het geheel blijkt dat er sprake is van naschrijverij van oude onbewezen standpunten. Aangezien beide publicaties niet openbaar zijn (wel te koop!), kan het artikel Waasdorp, J.A.; Kersing, V.L.C. (2003): IIII M.P. naar M.A.C.. (https://doi.org/10.17026/dans-z7m-vwa6) uitkomst bieden. In dit artikel van 1½ pagina is liefst 10x sprake van 'waarschijnlijk', 2x van 'mogelijk' De zin "Het MAC is een afkorting die hoogstwaarschijnlijk staat voor Municipium Aelium Cananefat(i)um. Omdat alle steden in Europa die Aelius in hun naam voeren tot municipium of colonia zijn bevorderd door keizer Hadrianus, is het voor de hand liggend deze keizer te beschouwen als degene die dat ook bij Voorburg gedaan heeft." geeft feilloos aan waar de traditie op gebaseerd is: op 'hoogst waarschijnlijk' en op 'voor de hand liggend'. Het wordt vervolgd met: MAC was de officiŽle naam van de stad, maar het lijkt er op dat Forum Hadriani, de naam waaronder de stad bij ons bekend geworden is, een onofficiŽle naam was die tegelijkertijd gebruikt werd. Er zijn dan ook geen officiŽle inscripties bekend die deze naam expliciet vermelden. Vroeger werd gedacht dat Forum Hadriani de naam was van de stad voor hij tot municipium werd bevorderd. Dat is dus niet waar gebleken. Behalve dit is ook de rest van het verhaal een onbewezen opvatting, dus niet waar gebleken.
    In het hiervoor genoemde artikel vermeldt Waasdorp nog het volgden: De gevonden Romeinse weg moet belangrijk zijn geweest. Het plaatsen van vier mijlpalen kan er allicht op wijzen, dat het bestuur van de stad er veel aan gelegen was de toevoerwegen in goede staat te houden. Hoe ze dat overigens hebben gedaan blijft een raadsel. De weg is over 750 meter teruggevonden als een kaarsrechte lijn en is dus duidelijk aangelegd, waarbij in de lager gelegen gedeelten van het tracť er zelfs sprake van een ophoging was. Er is echter geen spoor van verharding of onderhoud aangetroffen, terwijl er ook geen duidelijke gebruikssporen zijn ontdekt. Toekomstig onderzoek zal zich op deze vragen moeten richten. De weg blijkt intussen tegen de verwachting in aangelegd te zijn op de noordelijke oeverwal van de restgeul van de Gantel. Tot nu toe werd er van uit gegaan dat hij op de zuidelijke oeverwal van de Gantel was gesitueerd. Die geul was van oorsprong maar 25 meter breed. Waarschijnlijk is dit ook de plaats waar het kanaal van Corbulo moet worden gezocht. De geul zal hier zijn gekanaliseerd om bevaring door schepen mogelijk te maken. Er is een goede kans dat hij in de periode waarin de weg functioneerde nog watervoerend was. De weg werd in elk geval precies parallel aan het kanaal aangelegd. De vraag is of het wel een weg was, want wie legt een weg aan om vervolgens niet te gebruiken? Was het misschien een waterkering, een eerste 'hollandse' dijk?
    De weg liep dus naar het municipium toe. De mijlpaal van Rijswijk heeft iets verderop langs deze weg gestaan. Daarmee is de oude positionering die destijds door Bogaers is voorgesteld, de Van Vredenburchweg, vervallen. Het is waarschijnlijk deze weg geweest die vermeld staat op de Tabula Peutingeriana. Ook hier wordt een opvatting van Bogaers weerlegd, waarvan akte. Datzelfde geldt ook voor zijn interpretatie van MAC, dat immers een cirkelredenering is.

    De in de tekst voorkomende Canninefates worden door Tacitus (Ann. IV, 73; XI, 18) genoemd in de veldtochten van de Romeinen tegen de Germanen in 25 - 28 na Chr. in verband met de Renus, met de Fresones, met het woud Baduhenna met Cruptorix (Cruphove of Crochte). Het waren de bewoners van Genech, op 15 km zuidoost van Rijsel. In ďHistoriaeĒ (IV, 15, 16, 19, 32, 56, 79, 5) komen zij herhaaldelijk voor in de berichten over de Opstand van de Bataven. In 9 vóór Chr. onderwiep Tiberius de Canninefaten en de Attuarii (Attin). Het is uitgesloten dat de Tiberius al in Zuid-Holland is geweest, ver voordat er ook maar één Romein in Nederland was.
    Nog in de 5e eeuw noemt Julius Honorius (Cosmographia, 13) de Frisones en Canninefaten als nog bestaande volkeren aan de kust van de Oceaan in het westen van Germania. In die tijd waren de Romeinen allang uit Nederland verdwenen. Het hier genoemde Germania was zeker niet Germania Inferior, dat men traditioneel ten zuiden van de Maas legt. Daar waren in de 5e eeuw ook geen Romeinen meer. Germania is hier zeker ook niet Duitsland.
    De zogenaamde Nederlandse stammen van Batavi, Frisones en Canninefates zijn in de teksten te volgen in de tijd na de 3e eeuw. Deze teksten tonen aan dat voorkomen tussen Franse stammen en plaatsen en in verband met de Romeinen, wat na de 3e eeuw hun plaatsing in Nederland volledig uitsluit. Maar ook voordien blijft zoín plaatsing uitgesloten, aangezien er geen enkele tekst voorhanden is, waaruit blijkt dat de drie voomoemde stammen na het vertrek van de Romeinen uit Nederland deze zouden zijn gevolgd naar het zuiden. Frisones en Canninefates worden een enkele maal genoemd, de Batavi echter talloze malen, en het blijkt dat zij met grote contingenten infanterie en cavalerie in de Romeinse legers dienden, niet alleen in Gallia maar in verschillende verre delen van het Romeinse Rijk. Het is volstrekt onmogelijk dat deze in de Nederlandse Betuwe zouden gewoond hebben, ten eerste omdat daar allang geen Romein meer was om er troepen te lichten, ten tweede omdat daar geen archeologisch bewijs van zulk een bewoning tussen de 3e en de 5e eeuw voorhanden is.


  3. De stadsgrens van Forum Hadriani. (AiN nr.4, december 2020) door Tom Buijtendorp, die in 2010 promoveerde op Forum Hadriani en bespreekt dat in zijn volgende boek dat in 2021 zal verschijnen.
    Enkele opvallende citaten uit dit artikel:
    1. Bij gebrek aan een grootstedelijke allure, is de laatste jaren het beeld opgedoken van een mislukte ministad van circa 5.5 hectare, die een primair militaire rol vervulde als ommuurd distributiecentrum van de regionale forten.
    2. De oudste sporen van fase 1 (circa 120-170). De stad bleek niet ommuurd.
    3. Daarom werd geopperd dat de waarschijnlijk ergens tussen 170 en 200 gebouwde stadsmuur mogelijk noordelijker lag dan de tot dan veronderstelde situering langs het Kanaal van Corbulo/de Vliet. Liefst vier voorbehoudens in één zin.
    4. Zo kreeg Forum Hadriani uiterlijk in 151 de hogere status van 'municipium' zonder toen al een ommuring te hebben.
    5. Het is ondenkbaar dat Forum Hadriani bij het kanaal geen aanlegplaats kreeg. Blijkbaar is die aanlegplaats niet gevonden.
    6. Er lijkt overeenstemming over te bestaan dat de stad aanvankelijk tot aan het Kanaal van Corbulo werd uitgezet. Lijkt? Overeenstemming? met of door wie?
    7. Vanuit het perspectief van naamgever Hadrianus zou een ministad van 5,5 hectare eveneens bijzonder zijn. De keizer die in Tivoli bij Rome een villa-complex van circa 120 hectare liet bouwen, zou dan voor het naar hem genoemde Forum Hadriani genoegen hebben genomen met een uitzonderlijk klein bestuurscentrum van de Cananefaatse civitas. Daarbij lag er op die plek al een bestuurscentrum (Praetorium Agrippina).
    8. Het is altijd goed met de beperkte archeologische gegevens open te staan voor afwijkende interpretaties. In het artikel wordt ook vaker gesproken over summiere documentatie waardoor datering onzeker is.
    9. Het zou daarom zeer wenselijk zijn om met non-destructieve geofysische technieken zoals grondradar, een poging te doen een beter beeld te krijgen van de ligging van de stadsgrens. en daarbij oog te houden voor de mogelijkheid dat daarin verschillende fasen bestaan. Dat zou ook meer licht kunnen werpen op bijvoorbeeld de ligging van de nog niet gevonden grafvelden.

    Commentaar: Het is wel opvallend dat in dit artikel de traditionele opvattingen rondom Forum Hadriani worden afgezwakt, zelfs tegengesproken. Forum Hadriani was 'een mislukte ministad'. Deze Romeinse plaats koppelen aan een 'municipium' en er de hoofdstad van de Canninefaten van maken is te herleiden tot de speculaties van Bogaers. Op een 'mijl'paal van Wateringseveld wordt Gaius Messius Quintus Traianus consul van de Cananefates genoemd, op een andere de letters AMAC MPIIII. Daarvan maakte Bogaers A Municipium Aelium Cananefatium, wat dan de officiŽle naam voor Forum Hadriani zou zijn. Het MP IIII zou dat 4 mijl (is 6 km) vanaf Forum Hadriani zijn. Deze fantasie van Bogaers is zindsdien als ware geschiedenis overal nageschreven en in de boeken terecht gekomen. Deze mijlpalen, de ene uit 151 na Chr., de andere uit 250 na Chr. worden zonder enige vorm van bewijs als één bron gehanteerd, terwijl er ruim 100 jaar tussen zit. Met die paal uit 250 na Chr. is ook nooit bewezen dat de genoemde Consul iets met Forum Hadriani te maken heeft gehad. In het jaar 250 waren de Romeinen uit Nederland aan het vertrekken en werd Forum Hadriani verlaten. Overigens kan dat Municipium Cananefatium ook elders gelegen hebben. Dat het in Zuid-Holland lag is afgeleid van die mijlpalen. Ziet U de cirkelredenering?
    Zet naast het hierboven genoemde ook nog het feit dat er in dit artikel liefst 20 x sprake is van 'mogelijk', 8x van 'aannemend of aannemelijk of aangenomen' en liefst 21x dat iets 'kan' of 'zou kunnen' zijn, dan wordt dit verhaal toch weinig overtuigend.
    Ik ben benieuwd naar dat volgende boek van Tom Buijtendorp. Een bespreking van twee van zijn vorige boeken over
    Caesar in de lage landen of over het jaar 117 vindt U hier. Tom beweert veel in zijn boeken, maar feitelijk bewijs ontbreekt. Het is nogal veel van 'mogelijk', kan zijn, zou kunnen zijn, 'aannemelijk' en veel wordt 'verondersteld'.


  4. Nieuws. (AiN nr.4, december 2020)
    1. Middeleeuwse bewoning in Ommeren. De oudste archeologische resten die zijn aangetroffen dateren uit de Romeinse tijd. Uit eerder onderzoek was al bekend dat di tterrein in de oude dorpskern in de middeleeuwen bewoond was. Het gebied was in de Romeinse tijd niet bewoond, maar er zijn wel aardewerkscherven uit de eerste eeuw na Christus gevonden. De grens van het Romeinse Rijk lag enkele honderden meters naar het zuiden en de vondst van scherven wordt dan ook in verband gebracht met de aanwezigheid van onder anderen militairen. De Kroonheuvel ligt op de westelijke oever van een oude Rijngeul, die in de achtste eeuw buiten werking is geraakt. Er was in die tijd ook een grote overstroming, waardoor een kolk ontstond. In de kuil werd later regelmatig afval gedumpt. Hier werd maar liefst 65 kilo archeologisch vondstmateriaal opgediept, onder meer aardewerkscherven, stukken van maalstenen, runder- en varkensbotten, een benen kam, een mantelspeld, een mes en een sleutel. Uit de periode 1200-1350 zijn de paalsporen van twee huizen opgegraven, evenals zeven roedebergen. Verder trof men waterputten met een middeleeuwse houten beschoeiing aan. In de veertiende eeuw werd hetterrein verlaten en sindsdien was het weiland en akkerland. Commentaar: ziet U ook hier weer het gate tussen Romeinse tijd en de 13e eeuw? Romeinse resten kunnen dus ook door niet-Romeinen zijn achtergelaten. Let special op de grote overstroming in de 8ste eeuw.
    2. Grote genetische menging in Vikingtijd. Tussen 750 en 1050 voeren Scandinavische schepen met handelaren, plunderaars en veroveraars door heel Europa. Een team van onderzoekers onder leidingvan de Deense geneticus Eske Willerslev (Universiteit van Ko-penhagen) heeft op basis van genetisch materiaal vastgesteld dat de verschillende gebieden die deze Vikinggroepen bezochten een vrij duidelijke verdeling kenden. Zo richtten de Deense Vikingen zich op Engeland, voeren de Noorse Vikingen naar Ierland, lJsland en Groenland, en richtten de groepen uit Zweden zich op het Oostzeegebied en Rusland. Deze conclusie is gebaseerd op de analyse van botmateriaal uit 442 graven met Vikingbotten in de gebieden die werden bezocht, geplunderd of veroverd. Deze resultaten bevestigen wat we uit schriftelijke bronnen hierover weten. Opvallend is verder de grote genetische menging in die tijd. Denemarken en Zuid-Zweden kenden in de periode tussen de achtste en de elfde eeuween sterke toename van de genetische invloed uit andere streken van Europa. Onduidelijk is of de grote genetische diversiteit is ontstaan door vrijwillige menging of door de import van slaven. Slavenhandel speelde een belangrijke rol in de Vikingeconomie. Kinderen van vrije vaders en tot slaaf gemaakte moeders konden door de vaders worden erkend. Het artikel hierover is gepubliceerd in Nature 585 (2020), nr. 7825. Commentaar: wat hier opvalt is dat Nederland nergens genoemd wordt. Ook de Noormannen die Frankrijk plunderden ontbreken in deze opsomming. Lees meer bij de Noormannen.
    Commentaar:


  5. (AWN nr.4, december 2020).
    Vijftig jaar zoeken naar Hamaland.
    We schrijven 1046. Koning Hendrik III draagt zijn grondbezit in Deventer over aan bisschop Bernold. Het gaat om kerkelijk bezit in Deventer en een graafschap in Hamaland, met duidelijk omschreven grenzen. Het inspireerde afdeling 18 van AWN een jaar of tien geleden om op zoek te gaan naar archeologische resten uit de periode van 800 tot 1100, de bloeiperiode van het graafschap Hamaland. Dat gebeurde in tientallen veldkarteringen, vooral in de gemeente Voorst langs de westgrens van het graafschap, op de westelijke oever van de lJssel. Het project was extra interessant, omdat de IJssel pas aan het eind van de Romeinse tijd of in de vroege middeleeuwen is ontstaan. Geschreven bronnen uit deze periode zijn schaars, maar archeologisch onderzoek laat zien welke ontwikkelingen plaatsvonden. De eerste kerken worden gebouwd en de grond wordt in cultuur gebracht. Daarbij ontstaan de dorpskernen die we nu nog kennen, zoals Voorst en Twello. Deventer verandert vanaf 850 van een boerennederzetting in een stad met een kerk, handel en ambachtelij ke activiteiten. De vondst van een achtste-eeuws grafveldje in de Assenstraat laat ruimte om te speculeren over het grafvan Lebuinus, stichter van de kerk. Ook Zutphen kent in de Karolingische tijd een stormachtige ontwikkeling. Brandsporen en skeletten van een vrouwen kind lijken te koppelen aan Vikingaanvallen. Kort daarna wordt de ringwalburg aangelegd die goed herkenbaar is in het stratenpatroon van de stad. In Wapsen, tegenover Zutphen, lag mogelijk een winterkamp van de Vikingen. Aan de andere kant van het onderzoeksgebied, in Uddel, wordt uit dezelfde periode een met palissaden omgeven nederzetting opgegraven. Een aanwijzing voor roerige tijden. Op veel andere plaatsen op de Veluwe rond Apeldoorn, zoals in Loenen en Radio Kootwijk, wijzen resten van ijzerwinning op grootschalige ijzerindustrie. Uit de resten van bewoning bij Hoenderloo blijkt bovendien dat klimaatverandering geen nieuw fenomeen is: de nederzetting wordt rond het jaar 1000 verlaten en verdwijnt onder stuifzand. De muntslag van Deventer, vondsten van Karolingische munten in Raalte, een strijkglas in Terwalde en de introductie van bootvormige boerderijen illustreren de inbedding van Hamaland in regionale en internationale netwerken. Kortom, voldoende puzzelstukjes die een fascinerend beeld geven van de ontwikkeling van het gebied aan weerszijden van de IJssel rond het jaar 1000, het oude graafschap in Hamaland.

    Commentaar: na vijftig jaar zoeken heeft men Hamaland nog steeds niet gevonden in Nederland. Dat kan ook niet aangezien het inFrankrijk lag. Zie verder bij
    Hamaland. Slechts met vage aanwijzingen meent men Hamaland langs de IJssel gevonden te hebben, wat de woorden speculeren, lijken, aanwijzing en wijzen op wel aangeven. Met puzzelstukjes schrijf je geen geschiedenis.
    Bekijken we de schaarse geschreven bronnen, dan kunnen daar ook geen conclusies uit getrokken worden. De genoemde oorkonde uit 1046 is een anti-gedateerde oorkonden uit de de tweede helft van de 12e eeuw. Volgens het Lexicon van Nederlandse toponiemen van Künzel, Blok en Verhoef is de oorkonden uit 1046 een kopie uit de 2e helft 12e eeuw waarin de tekst: cum comitatu in Amelande sito (DHllI 164; OBUtr I 202). Hierin is geen enkele sprake van Hamaland, de IJssel, van Deventer of Zutphen, maar van Amaland. Het Lexicon laat Hamaland echter beginnen met en kopie uit het einde van de 12e eeuw: Hamaland (11e eeuw) gebied aan weerszijden van de Gelderse IJsel (Gelderland en Overijsel) begin 9e eeuw. kopie 1170-1175: in pago Hamalando. M.Gysseling noemt in zijn "Toponymisch Woordenboek" de streek Hameland en laat deze beginnen in ± 1170, eveneens met die kopie uit begin 9e eeuw. Van de oorkonde uit 1046 noemt hij dat het een kopie is uit het 2e kwart van de 13e eeuw. De naam Hameland verklaart hij met 'Germans Hamawa, gen.pl. "van de Chamavi" + landa- n. "land". Het zou dus het land van de Chamaven zijn geweest. Maar de Chamaven verbleven niet in Nederland, maar in Noord-Frankrijk. Zie verder bij de Chamaven.
    De historici hebben met deze oorkonde dus een vervalsing gepleegd, ofwel iets anders beweerd dan wat in de oorkonden staat.
    Uiteraard wordt ook deze mythe weer wijd verspreid en is ondertussen algemeen als ware geschiedenis aangenomen. Echter met het vervallen van de Karolingische palts in Nijmegen, dient ook dit Hamaland uit de 'vaderlandse' geschiedenis te verdwijnen.




  1. Romeinse schepen in het Gelderse Rivierengebied deel 2, door Paul van der Heijden en Erik Verhelst (AiN nr.3, sept. 2020). (deel 1 vindt u hier).
    In een erg interessant en verhelderend artikel schetsen Paul van der Heijden en Erik Verhelst de algemene landschappelijke en historische ontwikkelingen van het Gelders rivierengebied.
    Het is nu te hopen dat ze hun eigen opvattingen eens gaan volgen en daaruit de nodige consequenties zullen trekken. We geven uit dit artikel de opvallendste citaten, gevolgd door de vanzelfsprekende conclusies.
    Gezien de lengte van het artikel en de vele opvattingen hierin is een uitgebreidere bespreking gewenst.
    Wat in het artikel meteen opvalt is dat er 3x gesproken wordt dat 'nader onderzoek nodig is' om het idee te toetsen of dat uitkomst en opheldering zal moeten bieden. Daarnaast wordt er liefst 24x gesproken over 'mogelijk', 4x is iets 'waarschijnlijk', 3x 'wellicht' of 3x 'ongetwijfeld' zo geweest, 2x wordt iets 'verondersteld' en 17x 'moet' of 'kan' er iets hebben of zijn geweest of hebben bestaan. Bovendien wordt in een noot twee keer een verwijzing gegeven naar een 'persoonlijke mededeling' en 'een al eerder geopperde opvatting' van een andere auteur. Hoeveel zekerheid spreekt hieruit? Wat bewijs je met een persoonlijke mededeling of een eerder geopperde opvatting? Wat bewijs je met iets dat er kan of moet hebben geweest?

    De volgende citaten spreken voor zich. Toch geven we enig commentaar (in rood) om het achterliggende probleem aan te geven. (Rechts een kaartje van het getijdegebied (groen) en het veenmos (bruin) in Zuid-Holland en de onderhavige problematiek (zie de citaten hieronder).
    1. Zeker tot In de derde eeuw vormde de Linge nog de belangrijkste benedenloop van de Waal. Waar blijf je dan met het eiland van de Bataven dat dan dus veel kleiner was? Dan kan men er nog minder legionairs werven. Zie de nieuwe historische inzichten over de Bataven.
    2. Ongeveer in dezelfde periode verlegde de Waal zijn loop ter hoogte van Tiel zuidwaarts. Mogelijk is die verlegging (avulsie) uitgelokt door zware overstromingen in de jaren 260-285. Dus toch transgressies, die de oorzaak waren van het vertrek van de Romeinen? Volgens noot 3 blijkt uit een artikel van Jansma (in dit artikel 'in voorbereiding' genoemd) dat op basis van dendrochronologisch onderzoek er grote overstromingen plaatsvonden in 263 en 282. Deze grote overstromingen waren de oorzaak van het vertrek van de Romeinen uit Nederlands rivierengebied.
    3. Het Rijnlands hout in Voorburg moet in 125 n.Chr. via Waal en Maas zijn aangevoerd, want het noordelijk deel van het Kanaal van Corbulo was in die tijd al verzand zijn. In 125 n.Chr. zou Foro Adriana zijn gesticht. Dat hout kan niet aangevoerd zijn via de Waal, want de Waal bestond nog niet en via de Maas kun je geen Rijnlands hout aanvoeren, als het noordelijk deel van het Kanaal van Corbulo al verzand was. Het zal een hele sjouwpartij over land zijn geweest.
    4. Omdat er in de eerste eeuw ten westen van Nijmegen nog nauwelijks wegen waren, moet vrijwel alles zijn verplaatst per schip. Gezien het vorige punt vervalt ook de aanvoer over land. Zonder wegen door zompige moerasgebieden (zie volgende citaat) is dat een onmogelijkheid geweest.
    5. Zowel paleogeografisch als logistiek gezien is het Gelders Rivierengebied het meest geschikt voor de veronderstelde noord-zuidverbinding: hier komen veel waterroutes samen en hoef je geen grote moerasgebieden te doorkruisen, zoals in west-Nederland.Veronderstellingen vormen geen enkel feitelijk bewijs. In de ernaast afgebeelde kaart worden die n-z-verbindingen nog eens mogelijk genoemd. Bij het veronderstelde Kanaal van Corbula staat op diezelfde kaart ook een groot ?
    6. De fysieke gesteldheid van het landschap dwong de Romeinen waarschijnlijk tot het inrichten van logistieke centra langs vaarroutes. Je kon niet met elke boot over elke rivier varen: stroom-snelheid, breedte, diepgang en verval vormden beperkende randvoorwaarden, nog los van wisselende waterstanden gedurende de seizoenen. Wisselende waterstanden: dus toch transgressies?
    7. Een andere omstandigheid die mogelijk invloed heeft gehad bij de inrichting van logistieke centra is het zogeheten backwater effect: getijdenwerking van de zee die tot ver landinwaarts nog voelbaar is, soms zelfs honderden kilometers. Voor de Waal wordt de invloed geschat op 64 tot 106 km.Dan kun je de transgressies toch niet langer blijven ontkennen? Bij 106 km kom je bijna tot in Nijmegen uit.
    8. We kunnen ons afvragen welke momenten in de geschiedenis aanleiding gaven voor de inrichting van logistieke centra. Bijna onvermijdelijk komen we dan uit bij militaire redenen zoals grootschalige campagnes. Hierin kunnen we een parallel trekken met de aanleg van landwegen, die meestal in eerste instantie ook een militair doel dienden.Deze zinnen staan bol van de speculsties.
    9. Hoewel Caesar schrijft dat hij de Tencteren en usipeten heeft samengedreven op de plek waar Rijn en Maas samenkomen, is het nog maar de vraag of genoemde rivieren in 55 voor Christus hier ook echt samenvloeiden. Met de huidige paleografische kennis is dat op z'n minst twijfelachtig, nog los van de kwestie of Caesar geografisch inzicht heeft gehad over de complexe loop van de rivieren in deze streken, en of hij deze passage zelf schreef of dat dit een latere toevoeging is? In noot 9 bij dit citaat lezen we vervolgens: De archeologische bewijslast dat de slag met de Tencteren en Usipeten in het Gelders Rivierengebied heeft plaatsgevonden, is bovendien uiterst dun. Uit dit citaat blijkt al duidelijk dat er geen enkel bewijs voor deze opvattingen is. In de tekst van Caesar staat overigens nergens Rijn en Maas (dat zijn speculaties), maar Renus en Mosa.
    10. In deze fase vestigden de Romeinse troepen zich definitief in onze streken, om te beginnen in Nijmegen. Langs de Rijn bouw-den de Romeinen castelIa in Arnhem-Meinerswijk en Vechten. Ook begonnen de Romeinse ingenieurs vrijwel meteen hun expertise op het gebied van watermanagement toe te passen, zoals bij de aanleg van de Drususdam en het Drususkanaal. Vooralsnog lijken de militaire (en daarom ook de waterstaat-kundige?) ingrepen zich te hebben beperkt tot de Rijn en Noord-Nederland.t?
    11. De impact van het mogelijke bezoek van Caligula (37-41) en Claudius (41-54) aan de Rijn is tot op heden wellicht onderschat. Beide keizers troffen nogal wat infrastructurele maatregelen, zoals de bouw van castelIa en het graven van het Kanaal van Corbulo (noot 11). Caligula is vrijwel zeker in de Lage Landen geweest (noot 12), wat grote logistieke gevolgen had; zijn hele hofhouding en een aantal legioenen moesten niet alleen onderdak hebben, maar ook eten en drinken. Een paar jaar later begon Claudius aan zijn invasie van Britannia. Drie van zijn vier legioenen lagen aan de Rijn (noot 13) en zullen ongetwijfeld voor een gedeelte ook via deze rivier naar de Noordzee zijn gereisd. Een militaire campagne van die omvang vergt een maandenlange of zelfs jarenlange logistieke voorbereiding. Een goede, bevaarbare verbinding tussen Maas, Waal/Linge en Rijn was daarvoor onvermijdelijk. Als die niet bestond, zullen de Romeinse ingenieurs ongetwijfeld voor een verbinding hebben gezorgd, zoals ze op dat moment ook achter de duinen deden met de aanleg van het Kanaal van Corbulo. Het ligt voor de hand om ook de aanleg van logistieke centra in deze periode te plaatsen. Rossum (Grinnes) zou zo'n plek kunnen zijn, zo wijst een recente inventarisatie van vondsten uit, mogelijk in combinatie rnet Alem (noot 14) En ook Wamel en Kerk-Avezaath komen daarvoor in aanmerking.
      1. In noot 11 lezen we: Met het graven van het kanaal werd mogelijk begonnen in de tijd van Caligula, zie De Kort en Raczynski-Henk (2014),69.
      2. Noot 12: Wat aannemelijk wordt gemaakt door de vondst van planken van keizerlijke wijnvaten in Vechten en Valkenburg.
      3. Noot 13: Namelijk Legio II Augusta (Straatsburg), Legio XIV Gemina (Mainz) en Legio XX (Neuss).
      4. Noot 14: Van Hemert (2010): MA Scriptie VU: Hemert, J. van, Het rivierenknooppunt bij Rossum/Alem opnieuw bezien. Rossum-Het Klooster en Alem-De Marensche Waarden in de Late IJzertijd en Romeinse tijd, Amsterdam.
      Ook hier blijkt dat er weer veel sprake is van speculaties wat blijkt uit woorden als: mogelijk, wellicht, ongetwijfeld, ligt voor de hand, komen in aanmerking. Waarom heet het kanaal van Corbulo dan niet het Kanaal van Caligula? Dat Caligula in Nederland is geweest is een onbewezen opvatting. Het wordt dan ook niet voor niets 'mogelijk' genoemd. Van Caligula is bekend dat hij zijn manschappen schelpen liet verzamelen als buit op de oceaan en hij een vuurtoren liet bouwen. Die vuurtoren stond tot 1644 bij Boulogne-sur-Mer. In 1930 zijn de laatste resten ervan opgeruimd. Boulogne-sur-Mer was ook de klassieke Romeinse haven van waaruit men overstak naar Engeland. Dat was beslist niet vanuit de Rijn bij Katwijk. De goede vaarverbinding tussen Maas, Waal/Linge en Rijn bestond toen nog niet eens: zie punt 2 en punt 5 hierboven.
    12. De crisis van de derde eeuw was feitelijk al ingezet: de bewoning nam af en tegen 275 waren de limesforten aan de Rijn verlaten. Opvallend is dat de demografische en militaire crisis gepaard ging met grootschalige overstromingen en rivierverleggingen, zoals het ontstaan van de benedenloop van de Waal. Dus toch Transgressies? Duidelijk is wel dat de benedenloop van de Waal volgens deze mededeling pas ontstond aan het eind van de 3e eeuw. Dat de Waal dan de Patabus op de Peutingerkaart geweest zou zijn, komt hiermee dan te vervallen.
    13. Zowel Constantius I (293-305) als zijn zoon Constantinus (306-337) lieten nieuwe forten bouwen, echter niet meer aan de Rijn maar aan de Waal en Maas: in Nijmegen, Cuijk, Maastricht, Kessel en wellicht Rossum. Later bracht Valentinianus (364-375) nieuwe versterkingen aan. Het gebied ten westen daarvan werd feitelijk opgegeven. Je zou kunnen concluderen dat de Rijn niet meer goed bevaarbaar en verdedigbaar was, en dat de Waal met zijn nieuwe benedenloop een betere verbinding vormde tussen de resterende forten in het Duitse gedeelte van de Neder-Germaanse Iimes en de Noordzee. Dat biedt ook een goede verklaring voor de schepen bij de vindplaats Over de Maas, die waarschijnlijk in deze periode zijn te dateren Deze zinnen zetten de traditionele opvattingen op zijn kop. Zouden Van der Heijden en Verhelst de consequenties van deze mededelingen wel hebben doorzien? Vanaf de derde eeuw dus geen vervoer meer over de Rijn, waar ook geen 'Romeinse' schepen zijn gevonden.
    14. Een scheepvaartverbinding tussen Maas en Rijn? De nadere verkenning van de mogelijke scheepvaartverbinding tussen Maas en Rijn in de vroege midden-Romeinse tijd, globaal van de eerste tot en met de derde eeuw, is nadrukkelijk bedoeld als discussiestuk. Discussiestuk? Het zijn blijkbaar dus maar aangenomen opvattingen?
      Dat het een discussiestuk is blijkt wel uit de volgende opmerkingen:
      1. tot 3x toe wordt vermedt 'dat nader onderzoek nodig is' om het idee te toetsen of uitkomst en opheldering zal moeten bieden.
      2. ook bewoordingen als suggeren, vermoedelijk, kandidaat voor, hadden kunnen uitmaken, meest plausibele locatie, naar alle waarschijnlijkheid, mogelijk, hypothetische meandergordel.
      3. in de conclusie schrijft Van der Heijden dat er nieuwe vragen zijn ontstaan en dat er meer aan de hand was dan tot nu toe aangenomen.
      Veel blijkt dus te bestaan uit aangenomen opvattingen die zonder nader onderzoek wel als vasstaand zullen blijven bestaan.
    15. Over enkele gevonden beeldjes en votiefstenen, zoals over de votiefsteen van DEAE HVRSTRCE verwijst men naar J.Bogaers (zie daar). Op deze votiefsteen zou volgens Bogaers een verwijzing naar Ulpia Noviomagus staan. Echter de tekst die hier bedoeld wordt is M.BAT. Daarvan maakt Bogaers Municipium Batavorum en dat was toch zeker Nijmegen? Hier is duidelijk sprake van een drievoudige cirkelredenering. Met de ene onbewezen opvatting (dat M.BAT staat voor Municipium Batavorum) bewijst Bogaers hier een andere onbewezen opvatting (dat Nijmegen Municipium Batavorum was), die weer tot een derde onbewezen opvatting leidt (dat Municipim Batavorum dezelfde plaats was als Ulpia Noviomagus). Nu is deze votiefsteen niet gevonden in Nijmegen, maar in Kapel-Avezaath (gemeente Tiel). Je kunt dan ook niet stellen dat deze steen is opgericht door een gemeenteraadslid van Nijmegen. Waarom werd deze steen dan niet in Nijmegen opgericht?
      Daarnaast: wat kun je bewijzen met verplaatsbare beeldjes en votiefstenen die overal en nergens gevonden worden?

  2. Karolingische kralen uit Dorestad. (AiN nr.3, september 2020). Annemarieke Willemsen en Mette Langbroek.
    Dorestad is de grootste opgegraven vroeg-middeleeuwse site van Nederland. Deze Karolingische stad lag ter plaatse van het huidige Wijk bij Duurstede en is bekend uit Frankische schriftelijke bronnen en van Merovingische en Karolingische munten. Dorestad ontstond in de Merovingische periode, floreerde rond 800 en verdween in de tweede helft van de negende eeuw. Na de herontdekking in de jaren 1840 door conservator L.J.f. Janssen van het Rijksmuseum van Oudheden volgden onderzoek door J.H. Holwerda, decennialange opgravingen door de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek onder leiding van W.A. van Es en W.J.H. Verwers, en incidentele projecten zoals het Veilingterrein in 2007-2008. De hoeveelheden vondsten lopen in de honderdduizenden. Hoewel de opgravingsresultaten zijn gepubliceerd, wordt veel vondstmateriaal nu pas in samenhang onderzocht, ook met modernere technieken. Een van die groepen is de kralen uit Dorestad, zo'n vierhonderd stuks. Die zijn per opgravingslocatie bekeken, vooral door Ina Isings, maar worden nu voor het eerst als eenheid bestudeerd, ook materiaaltechnisch. Enkele citaten:
    1. In ScandinaviŽ zijn juist veel kralen uit de Vikingperiode bekend, eveneens als grafgift, maar ook als productieafval. Het merendeel van de kralen uit Dorestad stamt uit de achtste en de vroege negende eeuwen valt dus precies daar tussenin. Kralen uit deze eeuwen zijn zeldzaam in Nederland, deels omdat er in deze christelijke periode nauwelijks nog grafgiften werden meegegeven.
    2. Een derde deel va n de kralen uit Dorestad (113 van de 391 bestudeerde) is hoogstwaarschijnlijk in het Nabije Oosten en het oostelijk Middellandse Zeegebied gemaakt, maar ook uit Sovenië en Hongarije. Dat weerspiegelt het internationale karakter van de handelsplaats Dorestad.
    3. MozaÔekkralen in deze techniek zijn gedurende de hele middeleeuwen en vroegmoderne tijd gemaakt, waardoor het voor een ongetraind oog vaak lastig is de Karolingische te onderscheiden van moderne exemplaren.
    4. Hoewel er veel lokale productie plaatsen zijn aangetoond, lijken de kralen in heel Europa erg op elkaar. Dat wijst op grote handelsnetwerken met reizende ambachtslieden en handelaars, waarin breed grondstoffen, technieken en producten werden verspreid. Bij deze kralen gaat het onder andere om de volgende drie soorten: wespkralen, barnstenen kralen en rode en oranje kralen. Omdat wespkralen veel gevonden zijn in Ribe, wordt gesuggereerd dat ze daar werden gemaakt.
    5. Parallellen van gedraaid reticella-glas heeft in de glaswerkplaatsen van het Karolingische klooster San Vincenzo al Volturno in Italië plaats gevonden.
    6. De meeste kralen uit Dorestad zijn gevonden tussen het afval in de haven, op de woonerven en in het grafveld op de Heul. Op elke locatie is in de groepen kralen eenzelfde variatie te zien.
    7. In Scandinavië worden kralen, vooral geÔmporteerde, vaak aan hogere sociale klassen toegeschreven. In Dorestad spreekt het willekeurige verliespatroon door de hele nederzetting heen dit tegen. In Nederland zijn zowel in de Merovingische als de Karolingische tijd kralen uit alle windstreken breed toegankelijk geweest.
    8. Onderzoek van de bijna vierhonderd kralen uit Dorestad geeft een eerste beeld van het kralengebruik in deze periode. De kralen laten zich goed vergelijken met groepen kralen uit ScandinaviŽ. Veel typen die in Dorestad zijn opgegraven, zijn ook bekend uit Noord-Europese handelsplaatsen uit de achtste en negende eeuw, zoals Haithabu, Ribe, Reric en Kaupang. Vooral de geÔmporteerde kralen uit het Nabije Oosten komen overeen met die in Dorestad. Onderzoekers van de Scandinavische typen gaan ervan uit dat de kralen uit het Nabije Oosten via het Russische rivierensysteem naar ScandinaviŽ werden vervoerd. Nu deze ook in vrij grote aantallen uit Dorestad bekend zijn, lijkt het erop dat kralen uit die regio ook via Europese rivieren naar het noorden werden vervoerd.
    9. In Scandinavië gemaakte kralen zijn daarentegen in Dorestad bijna niet gevonden: slechts drie zogenaamde 'Ribekralen'. Dat bevestigt het beeld van Dorestad als een doorvoerhaven in de zuidoostnoordwest gerichte handel van het Karolingische Rijk met de Vikingwereld, die geen rol speelde in de rechtstreekse Noordzeehandel tussen ScandinaviŽ en de Britse eilanden.

    Commentaar: Annemarieke Willemsen (en anderen) blijven de gevonden nederzetting in Wijk bij Duurstede, tegen beter weten in, steeds Dorestad noemen. Het kan niet genoeg herhaald worden: er is geen enkel bewijs dat de opgegraven nederzetting in Wijk bij Duurstede de naam Dorestad heeft gedragen. Die naam is afkomstig uit geschreven bronnen en de gevonden nederzetting in Wijk bij Duurstede voldoet allerminst aan de in die geschreven bronnen genoemde kenmerken. Zo lag Dorestad aan de kust aan de monding van een rivier, had meerdere kloosters en kerken. Aan deze vier kenmerken voldoet Wijk bij Duurstede al helemaal niet. Dan houdt toch alles al op? Zie verder bij
    Dorestad. Ziet U ook de cirkelredeneringen? De in Wijk bij Duurstede gevonden kralen worden gedateerd aan de hand van de geschreven bronnen en niet door technisch onderzoek. De kralen blijken afkomstig uit heel Europa, het oostelijk Middellandse zeegbied, het Nabije Oosten, zelfs uit India (opmerking b). Daaruit kan een internationale handel blijken, maar is niet bewezen dat de gevonden nederzetting in Wijk bij Duurstede daarin de centrale rol speelde (opmerking b). Dat blijkt wel het uitgangspunt van Willemsen. Zo kwamen veel typen kralen uit het Nabije Oosten via het Russische riviernsysteem in Scandinavië terecht. Dat overeenkomstige kralen ook in andere plaatsen zoals Ribe, Haithabu, Reric of Kauping gevonden werden, is geen bewijs dat die vanuit Wijk bij Duurstede werden verhandeld (opmerking d). Het moet goed verstaan worden dat de handel niet ontkend wordt, immers waar mensen verbleven werd er gehandeld, zeker in glimmertjes en hebbedingetjes. Maar met kralen die zoals blijkt overal vandaan kwamen is verder niets te bewijzen en zeker geen Christelijke leven (opmerking a). De laatse opmerking (i) vormt geen strikt bewijs, aangezien het ongekeerde ook juist geweest kan zijn.



    Tekening van H.van Schuylenburch uit 1651 van de vondst van de Nehalennia altaarstenen op het strand bij Domburg (op de achtergrond).
  3. Walicrum, een vroegmiddeleeuwse handelsnederzetting op Walcheren. (AiN nr.3, september 2020). Aagje Feldbrugge.
    1. Walcheren - Walacra -Villa Walichrum. Het voormalig eiland Walcheren (de betekenis is waarschijnlijk: 'natte gronden') is al erg lang bewoond. Er zijn op diverse plaatsen archeologische vondsten uit de ijzertijd gedaan. Van de aansluitende Romeinse tijd zijn bij veel mensen de votiefstenen van het tempelcomplex van Nehalennia bekend. Dat tempelcomplex lag direct ten noorden van Domburg. Lees meer over Domburg. Nadat aan het eind van de Romeinse tijd de zeespiegel was gestegen, was het eiland in de vroege middeleeuwen niet meer dan een waddeneiland: strand, duin en een strook achterland. Van de zesde tot het begin van de elfde eeuw heeft hier een belangrijke nederzetting gelegen. De kust heeft zich in de loop van de eeuwen circa twee kilometer landinwaarts verplaatst, en het dorp verdween onder het duin.
    2. Gelegen aan de monding van de huidige Oosterschelde en in die tijd beter te bereiken per schip dan over land, ontplooide er zich langzamerhand weer een belangrijke handelsnederzetting, Villa Walichrum of Walacra genaamd, thuishorend in het rijtje van Quentovic en Dorestad.
    3. Walichrum is nooit professioneel opgegraven. Toen de archeologie halverwege de vorige eeuw een officiŽle wetenschap werd, was het te laat: de nederzetting lag al een eind in zee. (vergelijk dit met de Brittenburg).
    4. Kunstenaar Johannes Cornelis Frederiks uit Oostkapelle maakte in 1866 meerdere schetsen van de in dat jaar zichtbare sporen op het strand. De achtergelaten grafvelden en resten van diverse gebouwen waren toen nogte zien. Ook deze tekeningen zijn bewaard gebleven. Het meest complete onderzoek van Walichrum als vroegmiddeleeuwse handelsnederzetting is echter van de Vlaamse onderzoeker Pieterjan Deckers. Uiteindelijk concludeerde hij dat een goede fasering en datering vrijwel onmogelijk is, omdat we niet weten hoe accuraat de observaties van Frederiks zijn.
    5. Vikingen op Walcheren? Jazeker! We weten uit een verslag in de Annales Fuldensis dat het eiland in 837 door Vikingen overvallen is. In 841 gaf keizer Lotharius het eiland zelfs in leen aan de Viking Harald, met de opdracht zijn woeste neven voortaan van de kust te houden. En aan het eind van de negende eeuw zijn op Walcheren vervolgens maar liefst drie ringwalburgen gebouwd ter verdediging tegen de piraten: de Duinburg (Domburg), de Souburg (Zuidburg) en daar tussenin de Middelburg. Tot nu toe is er op het strand echter niets teruggevonden dat onomstotelijk aantoonbaar van een Viking is geweest. Wel zijn op de plaats van Walichrum artefacten gevonden die een duidelijk Scandinavische invloed vertonen, maar die kunnen hier ook door aankoop, ruiling, schenking of verliezen verzeild zijn geraakt.
    6. Pieterjan Deckers stelde in zijn proefschrift van 2014, dat de plaats van de nederzetting wellicht niet toevallig is gekozen. Hij sprak het vermoeden uit, dat het de opvolger van de Romeinse Nehalenniatempel zou kunnen zijn geweest, dat aan de noordkust van Walcheren al eeuwenlang een plaats lag waar de bevolking haar goden vereerde.
    7. Naast de vele vondsten van Walichrum waarvan het gebruik overduidelijk is, zoals hertshoornen kammen, metalen mantelspelden en stukken molensteen, bevonden zich in de collectie ook artefacten waarvan de functie nodig uitgezocht moest worden.
    8. Conclusie. Nadat in de Romeinse tijd de zeespiegel weer steeg, was Walcheren in de Merovingische tijd niet meer dan een waddeneiland, waar een deel van de bevolking zich onderhield met veeteelt en zoutzieden. De plaats (Villa) Walichrum is bekend uit diverse middeleeuwse geschriften. Vanaf 1650 tot in de jaren zestig van de vorige eeuw waren de resten ervan af en toe te zien op het strand Domburg-Oostkapelle, ter hoogte van kasteel Westhove. Wanneer de bevolking van Walichrum het dorp definitief heeft verlaten, is niet met zekerheid te zeggen. Maar gezien de vele vondsten van Ottoons sierbeslag zijn de grafvelden in ieder geval tot in het begin van de elfde eeuw in gebruik gebleven. De determinatie van een hakzilvergewichtje en enkele bewerkte stukjes zilver tonen aan dat ook Scandinavische - waarschijnlijk Deense - handelaren het kleine waddeneiland aandeden.

      Commentaar: kunnen we de transgressies na de Romeinse tijd nog steeds blijven ontkennen? De naam Walcheren is een pure importnaam, afkomstig uit Vlaanderen en meegekomen met de monniken uit St.Omaars (Frans-Vlaanderen) waar het klassieke Walicrum lag, Zeeland gingen indijken en ontginnen. De naam Walacria/Walicrum komt in de bronnen meerdere keren voor en heeft soms betrekking op het Nederlandse Walcheren, soms op Walacria bij Bruggen in belgië, maar ook op Warcove in Frans-Vlaanderen. Walicrum was de plaats waar St.Willibrord missioneerde. Het is de plaats Warcove op 18 km zuid-west van Calais. Walacria is enkele malen gedoubleerd. In het Leven van St. Willibrord door Alcuinus geschreven komt de plaats Walichrum voor, dat is Warcove onder Audembert, op 5 km noord van Marquise. Walichrum wordt door Alcuinus een plaats genoemd, het was dus geen eiland. Theofried van Echternach maakt er op het einde van de 11e eeuw Walacria van, een eiland in de omgeving van Brugge, waarbij hij het sobere bericht van Alcuinus uitspint tot een grote legende. Weer later kreeg een Zeeuws eiland, door Vlamingen ingepolderd, de import-naam Walcheren, en toen was de verwarring compleet. Uit niets blijkt overigens, dat Walachrium of Walcheren een bestuurlijke gouw is geweest.
      Door de onjuiste toepassing van teksten kwam men op de idee dat Willibrord in Walcheren aan land kwam, waar -toeval of niet?- ook de plaats Grevelingen ligt. Nog opmerkelijker is dat in het Vlaamse Walachra ook de plaatsen Middelburg, Westkapelle en Vlissing(h)em liggen. Toeval? Neen, het is een gevolg van de Deplacements Historiques. Aagje Feldbrugge zal van deze verwarring niet geweten hebben, anders had zij een ander verhaal geschreven. Toch merkt zij ook enkele zaken (let op de onderstreepte zinsdelen) die de visie van Albert Delahaye bevestigen. Het genoemde Dorestad lag in dezelfde streek als Quentovic en Walicrum.
      Het verslag uit de Annales Fuldensis uit 837 betreft de regio Frans-Vlaanderen. Ook hier speelt de verwarring parten door deze gebeurtenis op Nederlands Walcheren te betrekken. Andere teksten vermelden dezelfde gebeurtenis: "De Noormannen vielen heftig Gallia aan. Zij vernielden Dorestadum, de plaats Andowerpium (is niet Antwerpen, maar de Aanwerp bij Calais) en en de haven Witla (is Wissant) bij de mond van de Mosa (is de Moese en niet de Maas). Walacria, een eiland van Frisia, dat de Noormannen in 837 aanvielen en dat Heriold de Noorman in 841 in leen verwierf, was een eiland tussen Brugge en Uitkerke, het Walcheren in België". Bron: Historia regum Francorum, HdF, VII, blz. 259. Lees meer over Noorse Vikingen in Domburg! ook met enkele deeltjes hakzilver bewijs je niet dat de Vikingen er geweest zijn. Is elk flesje Cola door een Amerikaan achtergelaten? En met 'een vermoeden' , 'wellicht' en 'zij kunnen zijn' schrijft men blijkbaar vaststaande geschiedenis. De grafvelden zouden tot de 11e eeuw in gebruik gebleven zijn. Kan het niet ook geweest zijn, dat ze toen pas in die tijd ontstonden?



  4. Arnhem-Helstraat: aan de rand van stad en beek. (AiN nr.3, september 2020).
    De onderzoeklocatie is gelegen in een kronkelwaard van de Rijn, waarvan de afzettingen op basis van een C14-datering kunnen worden geplaatst tussen 1100 en 1200. De eerste menselijke sporen die de prestedelijke periode beslaan, zijn in een door de Rijn veroorzaakte depressie gegraven. Het betreft een zijtak van de Sint-Jansbeek en greppels voor een betere afwatering. De greppels en eerste fase van de gegraven Sint-Jansbeek kunnen op basis van aardewerk gedaterrd worden tussen 1250 en 1275.
    Commentaar: en dan zijn er nog steeds historici die de transgressies ontkennen (lees het hele artikel). Ook in Arnhem begit de geschiedenis pas in de 12e eeuw. Het Romeins in Arnhem lag aan de overkant van de Rijn. Arnhem is ontstaan aan de noordkant van de Rijn, wat ook alles te maken heeft met de moerasachtige natte toestand aan de zuidkant. Blijkbaar was het in de Romeinse tijd minder nat, wat ook weer de periode tusen Duinkerke II en Duinkerke III bevestigt. Zie bij
    de Tijdbalk.


  5. Nieuws, recensies en tentoonstellingen. (AiN nr.3, september 2020).
    1. Archeologisch onderzoek naar de oudste kerk van Zutphen. Het gaat dan over de Romaanse fase en niet over een eventuele voorloper van de kerk; daarover is, op indirect bewijs na, niets bekend. De conclusie van de betreffende auteur is dat de kerk rond 1100 gebouwd moet zijn in opdracht van de Utrechtse bisschop Burchard en de graaf van Zutphen als bouwheer.
    2. Vikingen op Walcheren? Vondsten, verhalen, feiten en fabels. De vroegmiddeleeuwse handelsnederzetting Walichrum lag ten noordoosten voor de kust van wat nu Domburg is. Toen was deze nederzetting net zo'n belangrijk handelscentrum als Dorestad aan de Rijn en Quentovic aan de Franse noordkust. Met de archeologische vondsten van het Zeeuws Genootschap, enkele vondsten uit de Zeeuwse Archeologische Collectie, van het RMO te Leiden, het NAD te Nuis en van een particuliere verzamelaar is in museum Terra Maris in Oostkapelle getracht een beeld te schetsen van het dagelijkse leven in Walichrum in de periode 600-1030. De bezoeker maakt er kennis met de vroegmiddeleeuwse wereld en de tijd van de Vikingen. Zie voor meer informatie het artikel van Aagje Feldbrugge hierboven.
      Commentaar: het vraagteken bij de 'Vikingen op Walcheren' staat er niet voor niets. Er zijn namelijk veel fabels over ontstaan. Er is ook geen enkel bewijs dat de Vikingen ooit op Walcheren waren. Zie hierboven bij het artikel over Walicrum.

  6. AWN afdeling 3 Zaanstreek-Waterland en Omstreken. (AWN Magazine 3, 2020).
    Men vermoedde in Krommenie Romeinse contacten, maar kon dat niet hardmaken. Menig archeoloog en andere wetenschappers hebben daarna de resultaten bekeken en er zijn vele theorieŽn op losgelaten, zoals heilige plaats (daardoor is de naam Hain ontstaan), markt, Romeinse handelspost et cetera. Pas in 2018, toen het terrein door een officiŽle opgraaffirma opnieuw werd opgegraven, bleek de belangrijke connectie met de Romeinen. Er stond hier in 27 na Christus een Romeinse wachttoren, geplaatst op een waarschijnlijk sacraal gebied van de plaatselijk bevolking. Waarschijnlijk is de Friese opstand van het jaar 27 na Christus hierdoor ontstaan. De wachttoren is het noordelijkste Romeinse bouwwerkje op het vasteland van Europa. De hoekpalen van de toren staken meer dan twee meter in de grond en waren rondom gedisseld. Het officiŽle opgravings-verstal is overigens nog niet gepubliceerd.
    Commentaar: het noordelijkste Romeinse bouwwerkje (Krommenie) ligt op 52'30" NB. Zo'n bewering houdt in dat veel aan de Romeinen toegeschreven bouwwerken boven deze breedtegraad, bijvoorbeeld in Duitsland, dan niet Romeins zijn.

  7. In de middeleeuwen gevormd landschap. (AWN Magazine 3, 2020).
    Het huidige landschap in de Zaanstreek is gevormd in de middeleeuwen. De graven van Holland gaven de veenmoerassen uit voor ontginningen. De veengrond bleek voor landbouw niet geschikt te zijn en zo ontstond hier het zogenoemde veenweidegebied. De bewoning vormde zich in de middeleeuwen als lintdorpen langs de nog aanwezige ontginningssloten. Het bleek dat de vroegste middeleeuwse bewoning zich bevond in het midden van de pas ontgonnen weilanden; hier lagen de alleenstaande huisjes van de ontginnersgezinnen. Een hoogtepunt was de vondst van een middeleeuwse kerk uit de negende - tiende eeuw met daaromheen de begraafplaats en boerderijen. Deze kerk had waarschijnlijk te maken met de kerk van Velsen, volgens een onderzoek door het IPP/UvA.
    Commentaar: de eerste graaf van Holland wordt pas in een oorkonde uit 1101 vermeld, dus in begin 12e eeuw. (Zie Koch, Oorkondenboek van Holland en Zeeland, I, nr.92, Den Haag 1970). Dat houdt in dat de veengronden pas in de 12e eeuw ontgonnen werden en dat de bewoning niet verder teruggaat tot de 12e eeuw. De genoemde kerk van Velsen gaat dan ook niet verder terug dan de 12e eeuw. Zie daarvoor
    de kerken in Holland. Over de genoemde oudste oorkonden bestaan de nodige twijfels. Het betreft kopieŽn van oorkonden uit de tweede helft van de 13e eeuw van de abdijen van Ten Duinen en Ter Doest, die beide in Brabant liggen. Hadden zij bezittingen in Holland en Zeeland? Van het toegevoegde 'atque Selandie' is de vraag of dat ooit in de niet meer bestaande originele oorkonde heeft gestaan. (zie 'De oorkonden en kanselarij van de graven van Holland tot 1299', Hollandse Studien 1 en 2, J.G.Kruisheer.)


  1. Vreemd gebruikt aardewerk, door Jan van Doesburg (AiN nr.2, juni 2020).
    Met de komst van het christendom in de zevende en de achtste eeuw werden veel als 'heidens' beschouwde rituelen verboden en zouden deze, zo is de algemene gedachte, zijn verdwenen. De laatste decennia wordt echter steeds duidelijker dat dergelijke offerpraktijken ook na de invoering van het christendom doorgingen en zijn ingepast in de christelijke tradities. Deze vondsten bewijzen dat de introductie van het christendom het brengen van bouwoffers niet uitsloot. Sterker nog, het gebeurde ook bij de bouw van kerkelijke gebouwen.
    Hiermee zullen een aantal traditionele opvattingen over Christendom en begravingen herzien moeten worden.

  2. Ziende blind? door Bert Groenewoudt, Hilde Boon en Kritin Bosma (AiN nr.2, juni 2020).
    Maar ook voor het gehele oosten en noordoosten van Nederland geldt nog steeds dat de ontwikkelingen op het grensvlak van Romeinse tijd en middeleeuwen zich lastig (met bewijs onderbouwd) laten reconstrueren. Schimmig is wťl de periode daarna, de vijfde tot de tiende eeuw na Christus, al vormen sommige deelgebieden tot op zekere hoogte een uitzondering. Zonder bewijs kan van alles beweerd worden.

  3. Romeinse schepen in het Gelderse Rivierengebied deel 1, door Paul van der Heijden (AiN nr.2, juni 2020).
    Ook in dit artikel is Paul van der Heijden erg openhartig en spreekt regelmatig zijn twijfel uit, wat wel blijkt uit bewoordingen als 'mogelijk' (14x), 'niet zeker, onzeker of vrijwel zeker' (6x), 'vermoedelijke en waarschijnlijk' (6x) en 5x spreekt hij over 'een aanwijzing'.
    Als je in dit artikel ook nog leest dat 'Bij sommige (schepen) is het bestaan wel aangetoond, maar hebben we geen sluitend bewijs voor een Romeinse oorsprongen of dat hard bewijs ontbreekt, blijft er wel erg weinig zekerheid over.
      Die onzekerheid blijkt ook uit de Overzichtstabel van Romeinse scheeepsvondsten (zie afbeelding hieronder: klik op de afbeelding voor een vergroting), waar veel vraagtekens in staan. Bij de in deze tabel genoemde 19 schepen en scheepsvondsten staat bij slechts twee (2) schepen (Druten 1 en ODM IX) geen enkel vraagteken. Maar bij deze 2 is de datering niet uit het scheepswrak zelf vastgesteld, maar aan de hand van de vondstcontext. Dus toch vraagtekens? Immers Van der Heijden merkt hierover zelf op 'dat het iets zegt over het tijdstip van zinken, maar nog niet over het tijdstip van de bouw'. Daarbij gebruikt hij ook nog de woorden 'mogelijk' en 'waarschijnlijk'. Hoeveel zekerheid hebben we hier dan helemaal?

    1. In dit artikel wordt ook vermeld dat de scheepswrakken gevonden worden op 4 tot 7 meter diepte. De Kerk-Avezaath 1 lag op een diepte van 5, zelfs 6 à 7 meter, onder een aantal lagen klei en veen. De Kapel-Avezaath 4 lag op een diepte van 4 meter, de Druten 1 was bedekt door sedimenten. Het geeft wel aan dat nadat de scheepswrakken waren (af-?) gezonken er lagen klei en veen op de wrakken zijn afgezet. Hieruit blijkt duidelijk dat na de Romeinse tijd er grote overstromingen plaats vonden. Die overstromingen waren ook de reden dat de Romeinen uit Nederland vertrokken en zich terugtrokken onder de taalgrens. En dan willen sommige historici de transgressies nog blijven ontkennen?

    2. De vele scheepswrakken in het Betuwse rivierengebied zijn niet altijd makkelijk te dateren, maar de diepte en vondstcontext wijst op schepen uit de Romeinse tijd. Ook deze opmerking wijst, naast de nodige twijfel, onmiskenbaar op transgressies.

    3. Tijdens zandwinning in een oude Rijnarm bij Maurik in 1972 zijn talloze Romeinse vondsten gedaan. Vrijwel zonder uitzondering komen ze uit baggerstort. In zijn algemeenheid kunnen we aannemen dat alle in 1972 gevonden en getekende scheepsresten Romeins moeten zijn. Ze kwamen bij het baggeren uit dezelfde laag als ook Romeinse dakpanfragmenten, tufsteen en tegels, zo'n 4-6 meter beneden de waterspiegel. De Kapel-Avezaath 1 is in 1968 gevonden bij ontzandingen ten behoeve van de aanleg van een nieuwe weg van Geldermalsen naar Wadenoijen. Het is wel duidelijk dat veel scheepsresten gevonden zijn bij baggerwerkzaamheden en/of ontzandingen. Ook uit dit feite is op te maken dat de scheepsresten onder een laag afzettingsedimenten lagen, wat weer nadrukkelijk wijst op overstromingen waarbij zand en klei is afgezet. Hetzelfde geldt ook voor Romeinse bouwmateriaal als dakpanfragmenten, tufsteen en tegels.

    4. Op basis van al het materiaal wordt algemeen geconcludeerd dat hier het Iimesfort Mannaricium moet hebben gelegen. Met een verwijzing naar noot 20. Dat iets algemeen wordt geconcludeerd wil het nog niet zeggen dat het ook waarheid is. Daar zijn bewijzen voor nodig en die zijn er niet. Dat wordt ook bevestigd in noot 20 waar we lezen: Zie voor een beschrijving van de munten en fibulae respectievelijk Haalebos (1976) en Haalebos (1986). De overige vondsten zijn nooit uitgewerkt. Hier ligt nog een belangrijke uitdaging. Echter de verwijzingen naar Haalebos vind je in de literatuurlijst niet terug. Dan valt moeilijk te controleren hoe Haalebos aan een relatie met Mannaricium komt. Wat wordt hier verborgen? Ofwel: met nooit uitgewerkte vondsten en een nog belangrijke uitdaging wordt al aangegeven dat niet bewezen is dat hier een limesfort gelegen heeft. Het zijn slechts speculaties!
      In een artikel van W.Willems in ROBberichten 1984 vinden we de volgende mededelingen van Haalebos: Haalebos 1976: de munten van de latere opgravingen zijn nog niet beschikbaar. Haalebos 1976: Voor Rossum zijn de gegevens ook beperkt om zeker te zijn van enige datering of interpretatie (cf.op. cit., 204). Willems schrijft daar het volgende over: Op basis van het muntbewijs, naast enkele andere vondsten, is het zeer waarschijnlijk dat het voormalige grensfort bij Maurik (Mannaricium?) ook rond dezelfde tijd werd herbezet en misschien wijzen de gegevens van Rossum ook op de activiteit van Constantijn. Het bewijs blijkt dus allemaal slechts zeer waarschijnlijk te zijn met een vraagteken bij Mannaricium. Maar 'zeer waarschijnlijk' en'misschien' en een vraagteken vormen toch geen bewijs?

    5. Over Alem 1 en Alem 2 kunnen we kort zijn. De vondst Alem 1 is geheel verloren gegaan, schrijft Van der Heijden. Bij Alem 2 vermeldt hij: Hard bewijs ontbreekt echter. Alem 1 blijkt gebaseerd te zijn op ooggetuigen (uit een ver verleden?) en zou men bij Alem 2 wellicht over 'zacht bewijs' beschikken? En wat is 'zacht bewijs'? Zijn dat aannamen en veronderstellingen, zoals te vaak gehanteerd worden als 'bewijs'?

    6. Bij het zandwinningsproject Over de Maas bij Dreumel en Alphen zijn tienduizenden vondsten gedaan. Daaronder ook veel aanwijzingen voor schepen: de teller staat momenteel op 21. Vijf daarvan zijn Romeins of mogelijk Romeins. Het onderzoek van het materiaal is nog in volle gang. Uit 'aanwijzingen' en 'mogelijk' zijn geen feitelijke conclusies te trekken, zeker als 'het onderzoek nog in volle gang is'. Het blijkt duidelijk dat Van der Heijden in zijn opvattingen sterk bevooroordeeld is. Uit ander onderzoek blijkt dat de zogenaamde 'Romeinse schepen' helemaal niet Romeins waren, maar inlandse platbodums. Zie bij W.van Es en bij Romeins Nederland. Dat de Romeinen ooit boomstamkano's gebruikt zouden hebben, wordt door een mededeling van Julius Caesar al gelogenstraft. Zie bij Julius Caesar.


  4. RMO verwerft Vikingring. (AiN nr.2, juni 2020).
    Het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden heeft een zilveren Vikingring uit de tiende eeuw aangekocht. De ringwerd gevonden bij Hoogwoud, in de kop van Noord-Holland. Deze regio was vanaf de negende eeuw een uitvalsbasis voor Vikingen uit ScandinaviŽ voor plundertochten naar landinwaarts gelegen steden. De ring is met een doorsnede van 25 millimeter erg groot. Vermoedelijk is het geen vingerring, maar een miniatuurversie van de halsringen die uit ScandinaviŽ bekend zijn. Waarschijnlijk is deze ring als hanger gedragen. Vondsten uit de tiende en de elfde eeuw zijn in Nederland vrij zeldzaam.
    Commentaar: De ring wordt een Vikingring genoemd, hoewel daar geen enkele bewijs voor is. Dat de genoemde regio een uitvalsbasis was voor de Vikingen is eveneens een onbewezen aanname net zo als de genoemde 'steden' in dit artikel. Welke steden waren dat? In de 10e eeuw bestonden er nog geen steden in Nederland. De eerste steden ontstonden pas in de 12e eeuw. De Noormannen hebben op het vaste land van Europa alleen Franse steden aangevallen en geplunderd. Wat viel er in Nederland te plunderen in de 9e eeuw? Zie voor meer informatie bij
    Noormannen. (25 milimeter is precies 1 inch ofwel de oude maat 1 duim. Zowel de Engelse maat inch als het Nederlandse equivalent, de duim, heeft een lengte die ongeveer gelijk is aan de breedte van het bovenste kootje van een duim van een volwassen man. Tegenwoordig is een inch per definitie gelijk aan 25,4 mm.). De maat inch heet bij ons niet voor niets duim.

  5. In Archeologie Magazine (nr.2, juni 2020) noemt Annemarieke Willemsen het "een gedraaide zilveren ring uit de 10e eeuw, die we associŽren met de aanwezigheid van Vikingen in Nederland". Zij vermeldt verder dat "de kop van Noord-Holland de regio was die vanaf de 9e eeuw door Vikingen als uitvalsbasis werd gebruikt". Opvallend is overigens dat zij aangeeft dat "autopsie bevestigde dat het een sieraad uit de 10e/11e eeuw was". "De nieuwe Vikingring geeft in ieder geval aan dat we een gevonden ring vaak te snel als een vingerring interpreteren".
    Commentaar: Ook hier worden dezelfde hypotheses gesteld. AssociŽren is 'in verband brengen met' ofwel 'verzinnen'. Er is geen enkel bewijs dat de Vikingen in Holland zijn geweest, laat staan het als uitvalsbasis gebruikten. Is het nu een ring uit de 9e, 10e of 11e eeuw?. Duidelijk en bewezen is in elk geval dat na het jaar 925 er geen Viking plundertochten meer hebben plaats gevonden. Overigens is het gebruik van het woord Vikingen onjuist als het over de Northimannen gaat. Zie verder bij Noormannen

    Overigens kan een ring van 25 mm doorsnee best als vingerring gediend hebben of als ring aan een duim. Niet elk mens heeft ranke vingers! Ringmaten bij elke juwelier gaan tot 24 mm. Een woeste Viking kan best dikkere vingers hebben gehad. Of was het een ring ter versiering van een staf of wapen? Zie afbeelding hiernaast van Gandalf uit 'In de ban van de Ring' (rechts). Een ring van 25 mm doorsnee is echt niet uitzonderlijk, die vind je in elk huishouden, meestal als sleutelring (zie voorbeeld links uit eigen bezit). Deze ring past bij mij prima om mijn duim! Was het dus gewoon een duimring? Zie ook hierboven de overeenkomst tussen een duim en een inch. Lees ook wat er bekend is over duimringen

    Het komt er op neer dat te vroege conclusies, ook al komen deze van de deskundigen, wel eens onjuist kunnen zijn.
    Dat het een ring van een Noorman (populair wel eens onjuist Viking genoemd) geweest is, is in elk geval een onbewezen opvattingen ofwel een hypothese, ook al zijn vergelijkbare ringen in ScandinaviŽ en Engeland (en waar niet?) gevonden. De Noormannen kwamen niet uit ScandinaviŽ maar uit het Middellandsezee gebied. Zie voor meer informatie bij de Northimanni.



  1. Een archeologische stadsgeschiedenis van Amsterdam. (AiN nr.1, maart 2020).
    De oudste bewoning aan de Amstelmonding ontstond rond 1175, nadat de stromvloeden in de jaren rond 1170 het landschap ingrijpend hadden veranderd. In de veertiende eeuw werd de bodem op grote schaal opgehoogd. Commentaar: ook na de derde Duinkerke transgressie bleef het lage land onderhevig aan overstromingen.


  2. Oh nee, een schat! Praktijk, problemen en oplossingen rondom schatvondsten. (AiN nr.1, maart 2020). Anton Cruysheer en Stijn Heeren.
    In dit artikel staan we stil bij schatvondsten ofwel- zoals sommigen het liever noemen - ensembles van cultuurhistorische waarde.
    De term 'schatvondst' wordt in officiŽle documenten zelden gebruikt. Archeologisch gezien is het bijzonder relevant of muntschatten bijvoorbeeld in een grafveld of in een nederzetting zijn gedeponeerd, of juist buiten een nederzetting. Dit vertelt ons namelijk wat de intentie was bij het begraven van munten. In een nederzettingsomgeving is het veelal een spaarschat. met de bedoeling deze later weer op te graven en te gebruiken.
    De Keltische schatvondsten in Zuid-Limburg, die verband houden met de Romeinse invasie van de Lage Landen ten tijde van ]ulius Caesar. De piek in schatvondsten te Sittard-Geleen (twee stuks) en Amby, alsmede te Fraire en Thuin in BelgiŽ, vormt een sterke aanwijzing voor genocidale wraakexpedities van Caesar tegen de Eburonen, die in de winter van 54-53 voor Christus volgden nadat deze stam het Veertiende Legioen van de Romeinen een kopje kleiner had gemaakt.
    Ten slotte mag in dit kader niet onvermeld blijven dat er geen centraal register voor schatvondsten bestaat. Commentaar: lees meer over de ware geschiedenis van de 'Keltische'
    muntschat van Amby.


  3. Nieuws: Gouden Friese ring uit Wijk bij Duurstede. (AiN nr.1, maart 2020).
    Een bewoner van Wijk bij Duurstede heeft een gouden ring gevonden in zijn tuin. Nadat hij de vondst had schoongespoeld werd pas duidelijk hoe bijzonder de ring was. De vinder bracht de ring naar Johan Langelaar van Archeocare, die de ring herkende als een Friese ring. Ook werd het Meldpunt Archeologie van Landschap Erfgoed Utrecht ingeschakeld om de ring te registreren in het nationale registratiesysteem Portable Antiquities of the Netherlands (PAN). De ring is afkomstig uit de zevende eeuw, wat te herleiden is aan de decoratie in de vorm van driehoekjes met wafelpatroon. Slechts twee andere ringen van ditzelfde type zijn eerder gevonden in terpen in Friesland. Dat dit exemplaar in Wijk bij Duurstede is gevonden maakt de vondst dus extra bijzonder. Hoe de ring daar terechtgekomen is blijft giswerk. Het zou het gevolg kunnen zijn van pogingen van Friezen om hun machtsgebied uit te breiden. Wat ook kan is dat de ring er terechtgekomen is via handelscontacten, aangezien het een belangrijke handelsnederzetting was. De ring krijgt een permanente plek in Museum Dorestad.
    Commentaar: in een klein stukje tekst worden weer enkele mythen herhaald. Fries? Omdat er in Friesland ook vergelijkbare ringen zijn gevonden? Was het schrijfplanje van Tolsum dan ook Fries en niet Romeins? Wat giswerk genoemd wordt wordt meteen ingevuld met twee gissingen. Met de vermelding van 'Dorestad' wordt ook deze mythe weer eens herhaald.


  4. Neder-germaanse Limes voorgedragen voor UNESCO Werelderfgoedlijst. (AiN nr.1, maart 2020).
    De voormalige grens van het Romeinse rijk is uniek en van universele waarde voor de mensheid. Daarom is de Limes in januari voorgedragen voor de UNESCO Werelderfgoedlijst. De aanvraag is voorbereid in samenwerking met Duitse instanties aangezien de grens de Rijn volgde, Duitsland in. Veel gemeenten waar de Limes doorheen loopt zijn bezig met het zichtbaarder maken van de grens. Vermoedelijk wordt omstreeks juli 2021 duidelijk of de Neder-Germaanse Limes op de Werelderfgoedlijst komt. In andere Europese landen heeft de Limes vaak al een erf-goedstatus. Hieronder valt bijvoorbeeld de Muur van Hadrianus in Engeland. In Nederland en delen van Duitsland liggen de Romeinse resten dieper, waardoor ze in het algemeen minder aandacht krijgen.
    Commentaar: uit het 'zichtbaarder maken' blijkt al dat er niets van te zien is. Het Romeins in Nederland is allerminst van internationale allure geweest, aldus W.A.van Es. Op blz. 131 in zijn boek schrijft hij: "Romeins Nederland is nimmer de eer van een colonia waardig geacht!"
    Er wordt voorbij gegaan wat de aanwezigheid van de Romeinen als bezetters feitelijk betekend heeft. Tacitus omschreef het al: "De Romeinen zijn de rovers en plunderaars van deze wereld". (Tacitus, Agricola 30,4). De Romeinse maatschappij was gebaseerd op slavernij. Meer dan 200 miljoen slaven hebben het Romeinse rijk opgebouwd. (Bron: prof.Bettany Hughes). De hele Romeinse geschiedenis in ons land wordt schromelijk overdreven en nog erger, verheerlijkt. Het was een slavenmaatschappij. Daar was niets heldhaftigs aan en zeker geen Nederlands erfgoed. Missschien Italiaans erfgoed? Feitelijk is het een grote schande dat men tegenwoordig 'Romeintje' naspeelt en men dit voordraagt als 'cultureel erfgoed'.

    Wordt straks de Nederlandse slavenhandel ook Nederlands Cultureel Erfgoed?


  5. Recensie: Het was oorlog in Nijmegen: archeologische relicten uit de frontstad. (AiN nr.1, maart 2020).
    De laatste decennia zijn ook archeologen zich steeds meer voor de Tweede Wereldoorlog gaan interesseren. Bij archeologische opgravingen komen met regelmaat objecten, vaak sterk verroest en gedeukt, tevoorschijn die een glimp te zien geven van wat zich hier in Nijmegen in de oorlogsjaren afgespeeld heeft. Het heeft overigens jaren geduurd voordat men belangstelling kreeg voor deze onder de grond verdwenen voorwerpen. Tot in de late jaren negentig werden de talrijke overblijfselen uit de oorlog als verroeste en kapotte rommel opzij geschoven. Zo gingen de overblijfselen van een neergestort Amerikaans gevechtsvliegtuig (een Mustang P-51C), ontdekt bij een archeologische opgraving, naar een handelaar in oude metalen. Met de beleidsnotitie 'Bommen en granaten' kregen sporen en voorwerpen uit de periode 1939-1945 in de gemeente Nijmegen dezelfde aandacht als het Romeinse en middeleeuwse verleden van de stad.
    Commentaar: het is een gegeven in Nijmegen dat archeologische objecten inderdaad dezelfde aandacht kregen als het Romeinse en middeleeuwse verleden van de stad. Die aandacht was er niet! Dat is ook de belangrijkste reden waardoor, toen men er wel aandacht voor kreeg, veel 'oud spul' al verhandeld was. Museum Kam werd bijna volledig ingericht met gekocht Romeins, waarvan de herkomst vaag of onbekend was. Ook van Johannes Smetius
    (zie daar) is bekend dat hij 'karrevrachten' Romeins tegen grof geld verkocht heeft aan het buitenland o.a. Duitsland. Wat ligt er in Duitse Musea dat oorspronkelijk uit Nijmegen of Nederland kwam?



Archeologie in Nederland 2019



  1. Visualisatie van het Romeinse fort de Brittenburg. (AiN nr.5, december 2019). Tom Buijtendorp
    De Brittenburg wordt geidentificeerd als het Romeinse fort Lugdunum. Voor wie op het strand staat, is dit een logisch beginpunt voor een derde verhaallijn over vier eeuwen historie van de Romeinse Brittenburg: vanaf een van de eerste forten van de limes tot aan het laat-Romeinse fort dat de nadagen markeert. Omdat van het genomineerde limes-deel vrij weinig bekend is over de late periode, is dit overzicht op ťťn plek van vier eeuwen extra interessant.
    Op het uiteinde van de uitwateringsdam, dat met vloed deels onder water staat, past een symbool dat aangeeft dat daar ergens het eindpunt van de limes lag. Vanaf daar is het naar de Andreaskerk in een rechte lijn vrij precies 1200 passen (circa 1130 meter). Bij speciale gelegenheden zou een laser-straal vanaf de kerktoren op het eindpunt kunnen schijnen. Als symbool valt bijvoorbeeld te denken aan het kaartsymbool met twee torens dat bij Lugdunum staat afgebeeld op de Peutingerkaart, een middeleeuwse kopie van een Romeinse reiskaart.
    Dat is ook een mooie plek voor het verhaal van het begin van de Bataafse opstand in 69 na Christus, volgens de nieuwe inzichten zeer waarschijnlijk bij dit fort, waarbij volgens de Romeinse historicus Tacitus ook handelaren uit het kampdorp omkwamen.
    Ook kan hier een tekening of replica getoond worden van de waarschijnlijk in de Brittenburg gevonden inscriptie die verwijst naar een altaar van keizer Claudius (41-54 na Christus), onder wie de eerste fase van dit deel van de limes werd voltooid. lets verderop staat het al bestaande Caligula-monument, een mooi beginpunt voor een verhaallijn over de strijd tegen het water. Caligula liet zijn soldaten tegen de zee vechten, mogelijk bij Katwijk of anders waarschijnlijk bij Boulogne. Commentaar: zowel de toren van Caligula als de opvattingen over de Brittenburg zijn aangenomen opvattingen. Het is in de tekst genoemde Caligula-monument staat in Katwijk verkeerd. Het moet in Boulogne-sur-Mer geplaatst worden, wat niet 'waarschijnlijk' is, maar zeker. De vuurtoren van Caligula heeft in Boulogne-sur-Mer gestaan tot 1664 en is toen afgebroken. Boulogne-sur-Mer was sinds Jullius Caesar ook de gebruikelijke oversteekplaats naar Brittannia, wat ook bewezen wordt met de gegeven afstand van 57 mijl.
    Strabo vermeldt dat Julius Caesar vanuit Itium (=Boulogne-sur-Mer) naar Engeland overstak, waarna hij na 320 stadiŽn de andere kust bereikte. Een kleine rekensom leert dat 320 stadiŽn een afstand is van 58 km. De afstand van Boulogne-sur-Mer naar Deal (de plaats waar hij aan land ging) komt daarmee met 57 km perfect overeen. Van Katwijk naar Deal is met 233 km (hemelsbreed) veel te groot.



  2. Herontdekking van een Romeinse grafsteen. (AWN nr.5, december 2019). Het kwam vaker voor dat een steen met inscriptie door een eigenaar van een woning in Nimes, waar de stenen voornamelijk werden gevonden, naar een buitenhuis werd verplaatst om daar te kunnen laten aantonen (door lokale archeologen of historici) dat ook die gemeente of dat buitenhuis een geschiedenis heeft. Dat gebeurde zelfs tot in de twintigste eeuw! De steen werd gebruikt, om een gemeente ouder te laten lijken dan deze waarschijnlijk is.
    Commentaar: het verplaatsen van Romeinse relicten gebeurde ook in Nederland, waarmee wordt aangetoond dat de vindplaats niet de plaats hoeft te zijn waar bijv. een mijlpaal oorspronkelijk stond.

  3. Romeinse vondsten in Utrecht. (AWN nr.5, dec.2019) Bij een opgraving naast het Castellum, waarbij tot op een diepte van ongeveer 4 meter de rechteroever (de 'barbaarse' kant) van de Rijn wordt verkend. Door het onderzoek aan beide rivieroevers (met gedateerde vondsten) was komen vast te staan dat in de eerste eeuw na Christus de Rijn op deze plek ongeveer 120 meter breed was geweest en ruim 4 meter diep, iets dat ook Erik Graafstal en zijn collega's toch wel verbaasde. Rond 200 na Chr. was de rivier geslonken tot een breedte van rond de 40 meter en een diepte van 3 meter. Maar in de loop van mei gaf de bodem het ene na het andere verrassende object prijs: een lanspunt van circa 60 cm lengte, een stukje beslag van een zwaardschede, het skelet van een veulen, en twee menselijke schedels, ťťn van een mannelijke adolescent en ťťn, waarschijnlijk, van een vrouw. Deze vondsten gaven het voorzichtig geopperde vermoeden van rituele depositie bij het vinden. Maar de spectaculaire vondst van deze dag maakt dit vermoeden bijna tot zekerheid; wat was er namelijk opgedoken uit het rivierzand: een compleet (!) hoofdstel van een cavaleriepaard, een zogenaamde 'hackamore', in het Nederlands 'kaptoom'. Hij moet uiteraard heel voorzichtig worden behandeld: eerst een röntgenfoto, daarna een plan van behandeling en de behandeling zelf. Een proces van zeker meer dan een jaar, maar waarschijnlijk hebben de archeologen een vondst in handen die uniek is in Nederland en zeer zeldzaam in Europa. Helaas, maar begrijpelijk, konden we het kaptoom niet zien, zorgvuldig geborgen en verpakt als het was, maar een paar foto's werden ons in het vooruitzicht gesteld.
    Commentaar: hier worden al conclusie getrokken voordat er verder onderzoek is gedaan. Het gevaar daarvan is dat dit voorzichtig geopperde vermoeden (liefst 3 onzekerheden!!!) vanzelf bijna tot een zekerheid wordt, als dit niet wordt tegengesproken. We zien dat ook bij het tot stand komen van de geschiedenis van Nijmegen.
    Zie daar.



  1. De Bastei in Nijmegen. (AiN nr. 4 september 2019).
    Langs de Waalkade in Nijmegen, aan en in de voet van de Valkhofheuvel, ligt De Bastei. De bastei is een massieve toren met een hoefijzervormige plattegrond in een vestingmuur, ingericht voor geschut. Het hele verhaal draait om die ene zin: 'Een datering in de volle middeleeuwen behoort ook tot de mogelijkheden en dan ligt een relatie met het herstel van de vervallen palts in de twaalfde eeuw voor de hand'. Bij het archeologisch onderzoek aan de voet van de Valkhofheuvel zijn veel vondsten gedaan. Deze omvatten onder meer Romeinse funderingen uit de tweede/derde eeuw, Romeinse muurresten uit de derde/vierde eeuw, resten van de tufstenen hellingmuur die mogelijk in relatie staat met noordwestelijke muurtoren van de Valkhofburcht, de stadsmuur en resten van de Werner van Hezetoren (voorloper van de Stratemakerstoren) uit de dertiende eeuw, resten van veertiende- en vijftiende-eeuwse bebouwing, met woonhuizen, karrensporen en wegtracťs, en tot voor kort onbekend muurwerk van de zestiende eeuwse Stratemakerstoren.
    Commentaar: Ziet U ook hier weer het grote gat tussen de vierde en dertiende eeuw? Zie verder bij
    de Bastei.

  2. Stuivende kustduinen in Zeeland en Zuid-Holland (AiN nr. 4 september 2019).
    De Nederlandse kustduinen zijn al tientallen jaren bekend om hun archeologische rijkdom. De omslag begon langs bepaalde stukken van de kust wat eerder dan langs andere delen, maar uiteindelijk vindt vanaf de Karolingische tijd bijna overal kusterosie plaats. Waar de wind vat kreeg op het strand- en oude duinzand, werd een grote hoeveelheid zand vanaf de kust landwaarts door de wind voortbewogen. De snelheid van het oprukkende zandfront kon op Schouwen tussen de jaren 950 en 1250 worden gereconstrueerd tot maximaal 25 meter per jaar. Op Schouwen konden de boeren door de snelle verplaatsing tijdens hun eigen generatie de binnenduinrand van de jonge duinen honderden meters zien opschuiven in landwaartse richting. Het in de stuifkuilen gevonden archeologische materiaal bestaat voor het overgrote deel uit scherven keramiek, en soms wat bot- en natuursteenmateriaal. Slechts zelden vindt men een metalen voorwerp of muntje. Meestal liggen vondsten uit verschillende tijdperken door elkaar op de bodem van de stuifkuil.
    Het cijfermatig verwerken van zo groot mogelijke aantallen archeologische keramiekvondsten in verschillende duinvalleien, leidde hier tot dateringen van de landwaartse verplaatsing van de binnenduinrand van de jonge duinen gedurende de periode 950-1250. Dit was op deze manier niet eerder in Nederland gedaan. Met incidentele waarnemingen komt men er niet. Het betrof aardewerk uit de ijzertijd en de late middeleeuwen. Voor elke vallei werden de percentages Badorf, kogelpot, Andenne, Pingsdorf en Paffrath bepaald.
    De duinen van Solleveld vormen het enige stuk oud duin in Nederland dat direct aan zee grenst en zijn daarmee op nationale basis uniek, het gevolg van langdurige en voortdurende kusterosie.
    Commentaar: Ziet U ook hier weer het grote gat tussen de ijzertijd en late middeleeuwen? Zie verder bij
    het gat van Nijmegen.

  3. Sporen en vondsten van een verdwenen landschap. (AiN nr. 4 september 2019).
    Boerderijen en erven onder een voormalig fabrieksterrein in Son. Na het verdwijnen van de bewoning aan het einde van de derde eeuw na Christus lijkt het terrein opnieuw een aantal eeuwen onbewoond te zijn geweest. Vermoedelijk was er pas in de Karolingische tijd weer bewoning. het vondstmateriaal dateert het begin van dit erf in de negende eeuw en het einde in de tiende eeuw.
    Commentaar: ook hier weer een gat tussen de Romeinse tijd en de negende eeuw.


  4. Stempel van Cohort bij Romeinse weg Valkenburg. (AiN nr. 4 september 2019).
    Bij het archeologisch onderzoek in verband met de aanleg van de Rijnland Route, is een bijzondere vondst gedaan. Op een van de palen van de Romeinse weg, die langs de Ir. G. Tjalmaweg (N206) bij Valkenburg is aangetroffen, staat de tekst 'COH II CR'. De inscriptie stamt hoogstwaarschijnlijk uit het jaar 125 na Christus en laat zien door wie de Romeinse weg bijna 2000 jaar geleden werd gebouwd. Iets vergelijkbaars is in Nederland nog nooit aangetroffen. De tekst van het stempel betekent letterlijk 'Cohors II Civium Romanorum', het tweede cohort van de Romeinse burgers. Dit was een gespecialiseerde eenheid van vijfhonderd man van het Romeinse leger, die als aannemer fungeerde voor het uitvoeren van allerlei bouwwerkzaam heden. De Romeinse weg is heel systematisch gebouwd. Op grote schaal zijn bomen van dezelfde dikte en lengte gekapt, uit een speciaal kweekbos. Vermoedelijk kon dit hout als een soort doe-het-zelf bouwpakket worden besteld. Het werd gebundeld naar de bouwplaats gebracht en daar in de grond geheid. Van de ruim 470 palen die door de archeologen zijn gelicht en onderzocht vertoont slechts één paal een inscriptie. De vondst levert ook nieuwe vragen op, zoals in welk deel van het bouwproces het tweede cohort actief was. Waren er nog andere eenheden die aan deze weg bouwden?
    Commentaar: het geheel wekt nogal de indruk 'van die ene zwaluw, die nog geen zomer betekent'. De vraag is ook of het tweede cohort zich speciaal en slechts bezighield met de aanleg van wegen? Waarom zijn dan alle stukjes weg in Nederland gevonden zo verschillend? Zie het artikel van Paul van der Heijden over Romeinse wegen in Nederland, in
    Archeobrief 1, maart 2011.


  5. Een monumentaal Romeins graf bij Beuningen. (AiN nr. 4 september 2019).
    Romeinse graven liggen over het algemeen niet ver van de nederzetting. Aanwijzingen voor bewoning in de directe omgeving van het graf van Beuningen ontbreken vooralsnog. Het blijft onduidelijk bij welke nederzetting het graf heeft gehoord.
    Commentaar: met een enkel graf ergens op een onbestemde plaats valt weinig aan te tonen. Was het wel een Romeins graf? Of misschien een 'inlands' graf op Romeinse leest geschoeid. Immers de inlandse bevolking liet zich wel vaken insperen door het Romeinse voorbeeld, zoals ook in de huizenbouw.

  6. Vroegmiddeleeuwse vondsten in Zuilen. (AiN nr. 4 september 2019).
    Op de oever van de Vecht in het Utrechtse Zuilen zijn resten van nederzettingen uit de zevende en de achtste eeuw gevonden, meldt de website DUIC. Ook van de tiende tot en met de twaalfde eeuw was er bewoning. In 1956 zijn er rond het Queeckhovenplein al resten van het dertiendeeeuwse klooster MariŽndaal opgegraven, en ook hiervan werden niet eerder onderzochte delen ontdekt, waaronder een bakstenen torenfundering van de kloosterkerk en verschillende beerputten. De vele vondsten van glas, aardewerk, metaal en leer, en de aangetroffen botten en zaden geven een beeld van het dagelijks leven in het klooster. Ook zijn fraai gedecoreerde vloertegels opgegraven, afkomstig van de dertiende- en veertiende-eeuwse tegelbakkerijen langs de Bemuurde Weerd. De oudere zevende- en achtsteeeuwse vondsten dateren uit de periode toen aartsbisschop Willibrord twee kerken liet bouwen binnen de muren van het voormalige fort op het Utrechtse Domplein.
    Commentaar: vreemd dat van die twee kerken op het Domplein nooit iste gevonden is. Hier worden weer historici nagepraat zonder de bronnen er op na te slaan.


  7. Omstreden archeologiebeleid Cuijk. (AiN nr. 4 september 2019).
    De gemeente Cuijk heeft onlangs aangegeven in haar gemeentelijk archeologiebeleid alleen nog maar aandacht te willen besteden aan haar Romeinse verleden. Vindplaatsen uit andere perioden komen daarmee wat Cuijk betreft niet meer in aanmerking voor verdere archeologische uitwerking. Als belangrijkste redenen noemt de gemeente de kosten van de wetenschappelijke uitwerking, en zij wil zich graag afficheren als 'Romeins'. Op deze wijze wordt er dus een link gelegd met citymarketing en toerisme. Het voornemen stuit op veel kritiek en de RCE waarschuwt voor het gevaar van grote toevalsvondsten, waarop men door gebrek aan onderzoek niet is voorbereid. De minister zou dan projecten alsnog kunnen stilleggen. Vanwege alle ophef is de behandeling van het voorstel tot na de zomer uitgesteld. Op de website van De Erfgoedstem schrijft Jan Beimer (een van de medeopstellers van de Wet op de archeologische monumentenzorg) over de kwestie. Hij wijst erop dat de gemeente volgens de wet geen plicht heeft om het hele bodemarchief te behouden, maar alleen om er rekening mee te houden, wat een weging en keuzes mogelijk maakt. Daarom kunnen, zo schrijft hij, de RCE en de provincie Noord-Brabant het voorgesteld beleid wel onwenselijk vinden, maar hebben zij het juridisch gelijk niet per definitie aan hun zijde. Wel wijst Beimer erop dat de gemeente Cuijk er goed aan zou doen het voorstel beter te onderbouwen, ook in financieel opzicht. De RCE heeft overigens nog een ander bezwaar, namelijk dat het voorstel in strijd zou zijn met het verdrag van Malta.
    Commnetaar: het gaat de gemeente Cuijk slechts om het toerisme en dito inkomsten. Het kenmerkt wel de mentaliteit, die wellicht uit Nijmegen is over komen waaien, waar men het ook niet zo nauw neemt met de historische werkelijkheid. Ook Jos Bazelmans kan in zijn Column in hetzelfde nummer geen bewondering voor het beleid van Cuijk opbrengen. Hij schrijft dat iedere archeoloog gelijke aandacht geeft en heeft aan alle aspecten en perioden. Selectie vooraf is taboe. Een zeer terecht standpunt, waar helaas niet alle archeologen en historici aan houden. Zie als voorbeeld
    het Bronnenboek van Nijmegen.


  1. Aan de rand van de binnenstad, opgravingen te Arnhem. Een opgraving op projectlocatie 'Bartok' te Arnhem. (AiN, nr.3 juli 2019). Hanneke van Engeldorp Gastelaars.
    De oudste vermelding van Arnhem dateert uit het jaar 893. Afzettingen (tegen overstromingen!) zijn gedateerd tussen ongeveer het jaar 993 en 1289. Verkoolde zaden zijn gedateerd tussen 1037 en 1212. Scherven dateren uit de periode 1050 en 1250. Het gebied zal er in die tijd uitgezien hebben als een zompige broek- of moerasachtige laagte. Niet aantrekkelijk voor bewoning. Tussen de 10e een 12e eeuw heeft men vijf sloten in het gebied aangelegd.
    Hoewel in historische geschriften al in 1233 melding wordt gemaakt van een 'versterkte plaats' zal deze eerste verdediging waarschijnlijk uit een aarden wal met palissade hebben bestaan. In 1291 wordt een stadsmuur vermeld.
    Commentaar: de geschiedenis van Arnhem is te vergelijken met die van Amersfoort
    (zie daar). Lees ook over de oudste verdediging ('ommuring') die bestond uit een aarden wal, net als in Amersfoort.


  2. Boerderijen in beweging. Drieduizend jaar wonen, begraven en akkeren in oostelijk Noord-Brabant (1500 voor tot 1500 na Christus). (AiN, nr.3 juli 2019). E.A.G. Ball, R. Berkvens, H. van Haaster, A. Huijbers, R. Jansen en L.A. Tebbens.
    Op basis van 850 Malta-rapporten over gravend archeologisch onderzoek uit de periode 1997-2014 is een synthese geschreven over drieduizend jaar locatiekeuze en bewoningsdynamiek. De vraagstellingen die aan de basis van onze synthese staan, hebben grotendeels betrekking op de rol van landschappelijke factoren in locatiekeuze en bewoningsdynamiek en op de aard van het nederzettingssysteem in verschillende perioden. Een belangrijke uitkomst van het Oogst voor Malta-onderzoek over oostelijk Noord-Brabant is de vaststelling dat de invloed van bodemkundige aspecten - bijvoorbeeld leemgehalte - en vegetatie een veel minder duidelijke rol speelt bij locatiekeuze en bewoningsdynamiek dan tot dusver is aangenomen. Ontwikkelingen en veranderingen van bodem en vegetatie, voor zover deze zijn onderzocht, vormen geen bruikbare verklaring voor patronen op het gebied van locatiekeuze en bewoningsdynamiek en daarmee samenhan-gende demografische ontwikkelingen. Evenmin is vastgesteld dat doorzettende bodemdegradatie tijdens de ijzertijd geleid zou hebben tot het verplaatsen van nederzettingen naar de leemrijke gronden in de Romeinse tijd. De enige aantoonbare periode met duidelijke demografische teruggang in het onderzoeksgebied is de laat-Romeinse tijd. Verklaringen voor deze teruggang in het laatste kwart van de derde eeuw in het rivierengebied en Zuid-Nederland grijpen voornamelijk terug op politieke oorzaken. Er zijn in elk geval geen aanwijzingen gevonden om de demografische teruggang In oostelijk Noord-Brabant te verklaren uit bodemkundige oorzaken.
    Verondersteld mag worden dat doorzettende zeespiegelstijging, toenemende ontbossing en groeiende neerslagoverschotten in de periode van de late bronstijd en de vroege ijzertijd hebben geleid tot stijging van de grondwaterstanden gedurende de ijzertijd en Romeinse tijd. Met name in laag liggende en/of matig tot slecht ontwaterde gebieden zal dat invloed hebben gehad op de locatiekeuze.
    De verovering door de Romeinen van oostelijk Noord-Brabant zou gepaard zijn gegaan met een decimering van de Eburonen en daarmee de tijdelijke verdwijning van bewoning uit grote delen van het gebied. Uit verschillende grootschalig onderzochte gebieden, zoals in Weert, Oss, Someren en Best, maar ook in westelijk Noord-Brabant, zoals te Oosterhout en Breda, blijkt dat er nederzettingsarealen zijn die vanaf de midden-ijzertijd tot in de vroeg-Romeinse tijd ogenschijnlijk continu bewoond waren. De aard van de nederzettingen verschilt daarbij nauwelijks. Locatiekeuze en bewoningsdynamiek - en alles wat daarmee samenhangtblijken vůůr en na het begin van de jaartelling veel minder grote verschillen te vertonen dan vaak wordt verondersteld. Vindplaatsen met overtuigende archeologische bewijzen voor de door Caesar beschreven massaslachtingen in de Gallische Oorlogen, halverwege de eerste eeuw voor Christus, lijken in het bestand aan Malta-onderzoeken te ontbreken. Ook hoe de in historische bronnen genoemde grootschalige verhuizing van Germaanse stammen als de Bataven en Texuandri in de eerste eeuw voor Christus precies moet worden voorgesteld, blijft een belangrijke onderzoeksvraag voor de komende jaren.
    Vanaf het midden van de derde eeuw kwam een einde aan de bewoning van de vele inheems-Romeinse nederzettingen in het studiegebied. Deze demografische terugval begon in het noorden rond Oss en op de Maashorst al rond 225 na Christus en in het zuiden na circa 250 na Christus. In het Maasdal en de Maaskant continueerde de bewoning plaatselijk. In Cuijk werden in de vierde eeuw een castellum en een brug over de Maas gebouwd en er zijn inhumatiegraven uit het grafveld van de Grotestraat bekend die waarschijnlijk eveneens uit de vierde eeuw dateren. Hoewel het erop lijkt dat het grootste deel van oostelijk NoordBrabant er in het laatste kwart van de derde eeuw verlaten bij lag, zijn er wel aanwijzingen dat het gebied niet volledig werd opgegeven. De laat-Romeinse graven in de grafvelden van Someren-Waterdael en Nederweert-Promopark laten zien dat niet het gehele platteland ontvolkt was. Het duurde in ieder geval enkele eeuwen voordat de bevolking van oostelijk Noord-Brabant weer significant ging toenemen.
    De verplaatsing van agrarische bewoning in de middeleeuwen van oostelijk Noord-Brabant van hoog in het landschap (in de Merovingische tijd) naar vooral laag (in de late middeleeuwen), lijkt vooral te maken te hebben gehad met een verschuivend agrarisch accent ten gunste van veeteelt, samenhangend met de steeds verdere intensivering van akkerbouw. Dat zou bovendien kunnen samenhangen met een toenemend ingrijpen van de mens in de waterhuishouding van vooral de lagere, natte gebieden, die steeds beter geschikt konden worden gemaakt voor bewoning of veeteelt. Er werd altijd een agrarisch strategische positie gekozen die van belang was voor de aard van het agrarisch bedrijfvan dat moment (gemengd bedrijf, vooral akkerbouw ofvooral veeteelt). De intensivering van akkerbouw is ná 1000 in het archeologisch bestand zichtbaar in de vorm van mestkuilen op erven. Voor uitputting van gronden gedurende de ijzertijd zijn er weinig directe aanwijzingen, maar voor vernatting wel.

    Commentaar: als je dit artikel zorgvuldig leest en tot je door laat dringen worden een aantal angenomen mythen weerlegd en krijgt Albert Delahaye weer eens vierkant gelijk. Wie de vernatting (is transgressies) blijft ontkennen ontkent de archeologie die dat duidelijk aantoont. Daarnaast kan de vermeende strijd van Julius Caesar in Brabant of Limburg waarbij hij de Eburonen uitgroeid zou hebben, ook naar het rijk der fabelen verwezen worden. Daar is niets van aangetoond. Plaats daarnaast het gapende gat tussen Romeinse tijd en de periode ná het jaar 1000 en dan verdwijnt ook de aangenomen aanwezigheid van St.Willibrord ter plaatse.


  3. Zilveren regenboogschotels uit Graetheide. Twee muntschatten en de schathorizont uit de tijd van Caesars veroveringen in de Nederrijn/Maasregio. (AiN, nr.3 juli 2019). Nico Roymans, Jan-Willem de Kort en Stijn Heeren.
    Significant is verder het ontbreken van los vondstmateriaal uit de ijzertijd of de Romeinse tijd, zowel in Graetheide 1 als in Graetheide 2. Het verder onderzoek leverde nauwelijks aanwijzingen op voor bewoning. Dergelijke
    munten worden teoegeschreven aan de Eburonen, vooral bekend van de schat van Amby (zie daar).
    Commentaar: De beide auters van dit artikel, N.Roymans en S.Heeren, wijzen op de veldtochten van Julius Caesar waardoor deze munten in de grond zouden zijn gestopt. Maar ze schrijven ook dat de associaties met specifieke militaire campagnes hypothetisch blijven. Er wordt hier dus weer veel beweerd, maar -zoals wel vaker- feitelijk niets bewezen.


  4. Nieuws. Muntschat Dirksland is vondst van nationaal belang. (AiN, nr.3 juli 2019).
    Dirksland op Goeree-Overflakkee is afgelopen zomer een grote laatmiddeleeuwse muntschat gevonden. Het gaat om duizenden zilveren munten uit de veertiende, vijftiende en vroege zestiende eeuw. De schat bestaat uit laatmiddeleeuws geld uit een grote verscheidenheid aan Europese landen: Nederland, maar ook Duitsland, Engeland, Frankrijk, ItaliŽ en Oostenrijk. De muntschat, een van de grootste die in Nederland zijn gevonden, is in een roerige periode begraven. Omdat er ook knopen zijn gevonden, wordt gedacht aan een plunderschat, waarbij de naam van piraat Rooie Klaas al is genoemd.
    Commentaar: hoewel de 14e tot 16e eeuw buiten onze onderzoeksterrein valt, blijft het vermelden van deze schat wel van belang. Hiermee wordt onweerlegbaar aabgetoond dat schatten met munten uit diverse eeuwen bij elkaar worden gevonden. Dit verzamelen moet over meerdere generaties hebben plaats gevonden. Onduidelijk is ook wanneer deze schat in de grond is geraakt. Dit geldt uiteraard ook voor Karolingische en Romeinse muntvondsten.

  5. (AWN nr.3, juli 2019).
    De 'Vleuten 3'. Opgraving van bijzondere middeleeuwse schepen in Vleuten. Het schip is in 2016 ontdekt bij de aanleg van een deel van de Vikingrijn, een waterloop in het Utrechtse MŠximapark die is aangelegd op de plaats waar vroeger de Oude Rijn stroomde. De Vleuten 3 dateert uit de eerste helft van de negende eeuw: een periode waaruit weinig scheepsvondsten in Nederland bekend zijn. : 'Als het is wat we den ken, is het wereldnieuws'. De spant moet deel hebben uitgemaakt van een groot, zeegaand schip, naar schatting 5 m breed en gebouwd in de bouwtraditie waar ook de Vikingschepen toe behoren. Dat het schip uit de negende eeuw dateert is zeker, maar nader onderzoek moet uitwijzen hoe oud het hout exact is.
    Commentaar: het wordt eentonog. Ook hier worden weer conclusies getrokken voordat er verder onderzoek is gedaan. De naam Vikingrijn is erg suggestief en bevestigt dus dat het om een Vikingschip gaat. Het unieke van de vondst zou toch tot enige voorzichtigheid in de conclusies moeten leiden.



  1. Zorgen over archeologische depots gemeenten. (AiN nr.2, april 2019). William ten Brink.
    Conform de Erfgoedwet moeten de vondsten in deze depots worden opgeslagen op een wijze die uit een oogpunt van behoud en toegankelijkheid verantwoord is. Zo lopen gemeentelijke depots voorop in de ontsluiting van het archeologisch erfgoed voor het publiek. Vooral de zorg voor het klimaat in bijna alle gemeentelijke depots krijgt van de Erfgoedinspectie een dikke onvoldoende. Voorgeschreven ruimtes ontbreken vaak, en als deze ruimtes er wel zijn, voldoen ze vaak niet aan de klimaatvereisten of kan het klimaat in de ruimte niet of onvoldoende worden beheerst. Ook wordt het klimaat niet of onvoldoende gemonitord. In gevallen dat er 'klimaatkamers' zijn, worden ze vaak niet volgens de voorgeschreven temperatuur of relatieve luchtvochtigheid afgesteld. Soms kan in deze ruimtes zelfs noch de temperatuur noch de relatieve luchtvochtigheid gestuurd worden. Voor brand en inbraak is in de meeste depots wel iets van beveiliging en alarmering aanwezig, maar voor wateroverlast is bijna nooit iets geregeld. Ook aan de preventie tegen ongedierte en schimmel wordt meestal weinig gedaan. Uit het onderzoek van de Erfgoedinspectie blijkt ten slotte, dat ongeveer de helft van de depots onderbezet is. Vrijwilligers die in de loop der jaren hobbymatig een grote expertise hebben ontwikkeld, leveren daar een bijdrage aan het reilen en zeilen, zoals het fotograferen van vondsten, uitwerking van oud onderzoek, conservering van kwetsbare materialen en verwerking van onuitgewerkte grondmonsters.
    Commentaar:er blijkt dus nog heel wat verbetering mogelijk bij de gemeentelijke depots van archeologische vondsten en de opslag ervan. Hoe zorgvuldig gaat men om met het Culturele Erfgoed? Als dat al niet op orde is, hoe staat het dan met de interpretatie van al die archeologische vondsten?

  2. Op zoek naar middeleeuws Vlaardingen. Waar lag de burcht van Dirk lII? (AiN nr.2, april 2019). Tim de Ridder.
    Tot circa 1000 zwijgen de historische bronnen over Vlaardingen. Wel is er een bron uit 726/727 die verwijst naar een kerkje dat gelegen is in de gouw Marsum te midden van een gorzengebied waar schapen worden geweid. Er zijn goede argumenten om aan te nemen dat deze kerk in Vlaardingen moet worden gezocht. Verder blijft het stil in de bronnen over Vlaardingen tot circa 1000.
    De plaatsbepaling van de slag in het Merwedegebied speelt het latere beeld dat de geschiedschrijvers hadden van Vlaardingen parten. Vlaardingen krijgt in 1273 nog wel stadsrechten, maar dat is in tegenstelling tot andere steden eerder een echo van een roemrucht verleden en is bepaald geen belofte voor de toekomst.
    We weten nu dat die kerkheuvel pas later, vermoedelijk niet eerder dan het einde van de twaalfde eeuw is ontstaan. Een tufstenen burcht uit circa 1000 zou voor West-Nederland echter vrij uitzonderlijk zijn. We weten nu ook, dankzij later onderzoek in de jaren zestig, dat het hier gaat om de resten van een tufstenen kerk uit de twaalfde eeuw, of mogelijk ouder. AI het aardewerk dat was aangetroffen in de grachten, bleek uit nader onderzoek uit de periode 1175-1225 te dateren.
    De vraag is dan ook of de waterpartij die in 2002 bij Gat in de Markt is aangetroffen al een oude omgrachting betreft, of dat het om een natuurlijke waterloop gaat, die rond 1000 is verlegd om er een burcht te bouwen. Verstevigde graaf Dirk 111 een oude burcht? Of liet hij een nieuwe aanleggen? De ouderdom en de aansluiting van de grachten is dus nog niet duidelijk. Het verloop aan de westzijde ook nog niet. En dan is er nog de datering. De Vlaardingse burcht lijkt wat jonger te zijn dan de andere ringwalburchten. Als dat inderdaad zo is, dan zou er mogelijk binnen het Maasmondgebied nog een oudere ringwalburcht kunnen liggen. of zijn de Hollandse ringwalburchten van iets later datum?
    Commentaar: die bron uit 726/727 waarin Marsum wordt genoemd, gaat niet over Vlaardingen maar over Marek bij Calais. Clericus Heribald schenkt tussen 696 en 726 een kerk en een schor ďwaar de lammeren geboren wordenĒ aan St. Willibrord, op de plaats waar de Mosa in de zee valt. Deze tekst wordt door Koch en Blok op Vlaardingen toegepast, dat toen nog niet eens bestond en onder water lag, maar dat evenmin aan de mond van de Maas ligt. De juiste determinatie is Marek op 6 km oost van Calais, van oudsher een eiland. De Mosa is niet de Maas maar de Moeze (Moze). Daarna is de geschiedenis van Vlaardingen tot zeker in de 11e eeuw leeg. Pas in 1157 stelt de abdij van Echtemach aan de graaf van Holland en de abdij van Egmond de eis, dat 24 kerken in Holland, die vroeger van St. Willibrord waren geweest, aan de abdij moesten worden gerestitueerd. Opvallend is dat het bisdom Utrecht waar deze kerken rechtnatig toe behoorden als ze aan St.Willibord waren geschoken, deze claim nooit gesteld heeft. Een van die plaatsen was Flardinge dat sindsdien als Vlaardingen wordt opgevat. In 1063 december 28, erkende Bisschop Willem van Utrecht tegenover de abt van Echtemach, dat de abdij voor de helft de kerken in Holland bezit, eertijds door Karel Martel en anderen geschonken, die de graven Dirk (IIl) van Holland, Dirk IV en Floris onrechtmatig in bezit genomen hadden. Wat was het geval? Theofried van Echternach had links en rechts wat plaatsnamen opgepikt en kwam zodoende tot een getal van 24 namen, waarvan hij gemakshalve 25 kerken maakte. Waar hij de namen en dit getal vandaan haalde, is een raadsel, daar hij onmogelijk alle oude akten heeft gezien, anders had hij het astronomische getal van bijna 400 kunnen halen. De kerken kunnen we meteen afschrijven, daar in de meeste akten sprake is van een grondbezit of andere rechten doch slechts zelden over het bezit van de kerk. Zijn bewering leidde er wel toe, dat Echternach in 1157 (en niet in 1063 !) een claim in Holland ging stellen. Dit wijst dan ook nauwkeurig de tijd aan dat deze vervalsing in elkaar werd gestoken. Want dat het een vervalsing is, is zonneklaar. Lees meer over
    de valse claims van Echternach. De graaf van Holland trapt echter niet in de claims van Echternach, de latere historici echter wel en voegen er zelfs nog meer kerken aan toen, zoals de kerk van Vlaardingen. Lees meer over de kerken in Holland. Daarop richt Echternach zijn pijlen op Brabant waar (toeval?) enkele St.Willibrordkerken bestaan. Deze kerken waren gesticht door de abdij van Tongerlo en niet door Utrecht. Hier claimt Echternach vier (4!) kerken. Latere historici hebben er een twaalftal aan toegevoegd, allemaal op grond van vervalste akten en onkunde. Lees meer over de kerken in Brabant.
    Ook over de slag bij Vlaardingen bestaat sinds lang onenigheid. Verschillende historici plaatsen deze slag bij Dordrecht, maar ook dat blijkt onjuist. En Vikingaanvallen? Daarover is niets bewezen. Had Vlaardingen een burcht en nog wel van tufsteen? Daarvan is ook niets gebleken. Er zijn nog enkele cruciale vragen te beantworoden voordat er van ware geschiedenis kan worden gesproken.


    Groningen in de vroege middeleeuwen. Nieuwe inzichten door onderzoek Grote Markt. (AiN nr.2, april 2019). Jasper Huis in 't Veld, Bert Tuin en Gert Kortekaas.
    (Klik op de oorkonde voor een detail waar de naam Groningen - in villa cruoninga- zou staan).

    In 1040 duikt Groningen - Cruoninga - voor het eerst op in de geschreven geschiedenis, in een oorkonde van koning Hendrik III. Hij schenkt grond, goed en rechten in het dorp aan de kerk van Utrecht.
    De oudste bestrating op de Grote Markt dateert uit de tweede helft van de elfde of het begin van de twaalfde eeuw. Er zijn echter enkele aanwijzingen voor het bestaan van een marktterrein voorafgaand aan de aanleg van het eerste keienplaveisel. In de westelijke randzone van de opgraving Grote Markt-oostzijde bevond zich een 'rij' kuilen gevuld met mestige grond en daarin relatief veel importaardewerk en een aanzienlijk aantal fibula's. De kuilen dateren hoofdzakelijk uit de tiende of begin van de elfde eeuw en hebben mogelijk een functie gehad op of nabij de markt, bijvoorbeeld als latrine.
    Het dateren van de oudste graven was trouwens een hele klus. De pre-stedelijke gebruiksfase van circa 750 tot 1100 was met ruim 130 individuen vertegenwoordigd. Er waren maar drie dendrodateringen uit deze fase beschikbaar. Bovendien wordt het omrekenen van de tientallen koolstofdateringen naar kalenderjaren voor deze periode ernstig gehinderd door forse schommelingen en plateaus in de kalibratiecurve. Het genetische onderzoek heeft evenwel geen eerstegraads (ouder-kind) en tweedegraads (groot-ouder-kleinkind, broer-zus) verwantschappen tussen deze individuen kunnen aantonen. De techniek is op dit moment nog niet in staat om onderscheid te maken tussen mensen die opgroeiden op de zandgronden ten zuiden van Groningen en de kleistreken langs de kust.
    Dat de Grote Markt-oostzijde aan het eind van de vroege middeleeuwen een belangrijke plek in de nederzetting is geweest, blijkt in ieder geval uit het relatief hoge aandeel geïmporteerd aardewerk, waarbij met name de hoeveelheid Pingsdorf opvalt. vergelijkbare verhoudingen tussen geïmporteerd materiaal en lokaal geproduceerd vaatwerk uit de vroege middeleeuwen zijn alleen bekend uit handelsnederzettingen, zoals Dorestad, Deventer en Tiel.
    Omvangrijker is de transitie van dorp naar omwalde en omgrachte stad, die in de elfde eeuw moet hebben plaatsgevonden.

    D.P.Blok (zie daar) vermeldt over de oorkonden uit 1040 waarin Cruoninga genoemd wordt dat het een kopie is uit de 2e helft van de 12e eeuw: Groninga (1040) (2e helft 12e e.). Blok geeft er de betekeins aan van: onl. gron "groen" (hetzij waternaam, hetzij terreinnaam) + suffix -ingi, resp. -ingon. Duidelijkheid is anders! Blok is ook van mening dat Slicher van Bath (1944), p.62 noot 33 en p.206 noot 183 de oorkonde OBUtr I 506 ten onrechte als verdacht beschouwt. Blijkbaar vondt Slicher van Bath de oorkonde verdacht ofwel een falsum (zie daar).
    M.Gysseling (zie daar) noemt de oorkonde uit 1040 een kopie uit het midden van de 12e eeuw. Hij geeft aan het woord 'Groningen' (Gröninga/Groeninge) de betekenis van 'plaats met weelderig groen'.

    Commentaar: Ook in de oudste geschiedenis van Groningen stuiten we weer op een hardnekkig mythe in de Nederlandse geschiedenis. Wat als eerste geconstateerd moet worden is dat Groningen vanouds onder het bisdom Münster viel en niet onder Utrecht. Overigens viel Utrecht tot in de 13e eeuw onder het bisdom Keulen. Bewoning en kerkenbouw in Utrecht in de 6e en 7e eeuw kunnen niet aangetoond worden. Archeologisch is er in Utrecht niets aangetoond tussen de Romeinse tijd en de tiende eeuw. De stelling van Albert Delahaye dat het bisdom vůůr de tiende eeuw niet bestond lijkt dus nog steeds niet weersproken te kunnen worden. Lees ook onderstaande tekst eens zorgvuldig door. Het hierin genoemde Groninga is beslist niet Groningen, maar het Vlaamse Grenega, ook bekend als Groeninghe. Het is ook de streek waar St.Willibord missioneerde en de Fresones woonden in het klassieke Frisia.
    Op grond van vage dateringen (schommelingen in de kalibratiecurve) probeert men de geschiedenis van Groningen tot in de achtste eeuw te verklaren. Met dateringen tussen 750 en 1100 bewijs je uiteraard niet veel.
    Het ook hier weer genoemde Pingsdorfaardewerk ken een ruime datering vanaf ca.900 tot 1250 (zie bij aardewerk). De conclusie is dan ook dat alles wat vóór 1040 voor Groningen wordt geclaimd op losse schroeven is gebaseerd, ofwel onbewezen aangenomen geschiedenis is. Lees meer over Groningen.


    In het Albert Delahaye Bulletin nr. 3 schrijft Ruus van Veen: De legende van Walfridus van Bedum en het ontstaan van de stad Groningen.
    Walfridus is een vrij onbekende heilige die rond het jaar 1000 werkzaam was in de omgeving van Groningen. In Groningen zelf was deze zomer een brochure te koop, waarin de geschiedkundige achtergrond van de Walfriduslegende werd besproken. Deze legende lijkt enkele malen steun te geven aan de opvattingen van Albert Delahaye, zoals aan diens stelling dat plundertochten van Noormannen in ons land nooit plaatsgevonden hebben en dat de Friezen hier in de 10e/11e eeuw nieuwkomers waren. In de brochure is een samenvatting van de legende opgenomen. Daarnaast bevat ze een aantal bewijzen tegen enkele gevestigde opvattingen over het verleden van Groningen, waaronder de theorie dat de stad van oorsprong een Drents dorp was en dat een deel van dat dorp in 1040 door de keizer (Hendrik III) aan de kerk van Utrecht werd geschonken. In werkelijkheid is Groningen van oorsprong een friese nederzetting en is "de oorkonde van 1040", waarop de zoveel-jarige vieringen van het bestaan van de stad zijn gebaseerd, een vervalsing.

    De Friezenkerk in Rome heeft, anders dan de naam doet vermoeden, niets met Nederlands Friesland te maken.
    De kerk is gesticht vanuit de 'schola Frisonum'. Schola betekent niet school, maar kolonie. De kolonie van Fresones waren pelgrims die uit Vlaanderen kwamen, uit het oude Frisia. Dat de kerk nu geclaimd wordt als 'vanouds Fries bezit' is dezelfde mythe als die van Bonifatius die in Dokkum vermoord zou zijn (niet door de Friezen, maar de Groningers zouden dat gedaan hebben).
    Met de in de oudste akten uit de 9e eeuw als 'Friesche ridders' voorgestelde Ilderado de Groninga, Leomot de Stavera en Celdui ancilla de Slinga, wordt de klassieke fout gemaakt deze te identificeren met de plaatsen Groningen, Staveren en Stellinga. Het is chronologisch onmogelijk de plaatsnamen Groningen en het uitzonderlijke Slinga, om van Staveren maar te zwijgen, hiermee te identificeren. Deze plaatsen bestonden niet in de 9e eeuw. Het gaat hierbij om de Vlaamse plaatsen Grenega (ook bekend als Groeninghe), Stauria (Estaires) en om de 'Sliviacas oras' (de Slavische kust) boven Boulogne-sur-Mer. Een relict van de naam is bewaard gebleven in de plaatsnaam Saint-Martin-des-Sclives, een oud dorpje bij Sangatte. Deze naam is gedoubleerd naar Schleswig in Duitsland. Ja, als je alles tot op de bodem uitzoekt, zijn de deplacements historiques (zie daar) frappant. Vergelijk hier ook even Groeninghe met Groningen en Lewarde met Leeuwarden! In heel (West-)Friesland en Groningen zijn meer dan 300 plaatsen te vinden die een gelijknamig broertje of zusje hebben in Frans-Vlaanderen. De hele lijst vindt U in de Ware Kijk Op p.443-p.465. Naast plaatsen met exact dezelfde naam, zijn er ook veel plaatsen die onder invloed van de taal wel een wijziging in schrijfwijze hebben ondergaan, maar qua uitspraak of betekenis hetzelfde zijn.


  3. Roem voor de eeuwigheid. Een vroegmiddeleeuwse zwaardknop uit Friesland. (AiN nr.2, april 2019). Johan Nicolay en Jildert de Boer.

    Commentaar:


  4. Nog meer jeuk. Column van Paul van der Heijden.
    In de decembercolums van Archeologie in Nederland (dec.2018) trakteerde mijn zeer gewaardeerde collega Evert van Ginkel de lezers op een verhandeling over jeukwoorden in het archeologische jargon. Iedereen kent het fenomeen: archeologische rapporten zijn niet alleen qua opbouw in een roestig ijzeren keurslijf gegoten, maar ook de taal lijkt een eigen Leven te leiden. Het Lijkt of studenten archeoLogie worden gedoceerd in een apart soort Nederlands met een beperkte woordenschat.
    Van GinkeL noemt onder andere het begrip 'aangetroffen', een echt jeukwoord dat vrijweL altijd fout wordt gebruikt. 'Aantreffen' heeft de betekenis 'iemand ontmoeten of iets vinden waar men dat niet verwachtte'. Een opgraving is een plek waar je juist wél iets verwacht, dunkt me, anders zou je daar toch niet opgraven? En zo heb ik er nog wel een paar.
    Een lelijke terugkerende uitdrukking is het vage 'houdt mogelijk verband met...'. En sinds een paar jaar gonst het binnen archeologenkringen van de frase 'is er sprake van .. .'. Lees hem langzaam hardop en vraag je af wat het betekent. Letterlijk: 'er wordt over gesproken'. Dus als je zegt dat 'er sprake is van een kringgreppel', zeg je feitelijk dat veel mensen over die kringgreppel praten. Iedereen die zo'n zin opschrijft, zou acuut een schrijfverbod moeten krijgen. Het is een beetje de schriftelijke variant van de mondelinge kronkelzin 'ik heb zoiets van .. .', waarvoor wat mij betreft ook hoge boetes zouden moeten worden uitgedeeld wegens ernstige schending van de taalesthetiek. Hou mij ten goede, ik ben echt geen ouderwetse taalpurist die verliefd is op het Groene Boekje en de Dikke van Dale, maar er zijn grenzen.
    Als ik dan toch bezig ben: zullen we nu met z'n allen afspreken dat we voortaan woorden zoaLs 'limes' en 'castellum' niet meer cursief schrijven? Pakweg een eeuw geleden was het inderdaad gebruikelijk om cursivering toe te passen bij buitenlandse termen en leenwoorden, maar die regel is volstrekt archaÔsch geworden en doet juist afbreuk aan de leesbaarheid van de tekst. Met de toenemende aandacht voor de Romeinse Limes en publicaties hierover, word je horendol van die overbodige scheefwoorden. Cursivering wordt vooral gebruikt om iets te benadrukken. En dat moet je niet te vaak doen.
    En als ik nog dieper duik in mijn emmer vol ergernissen, wil ik een vurig pleidooi houden om de tijdsaanduiding 'voor Christus' en 'na Christus' af te schaffen. Die tijdsaanduiding is weliswaar nog altijd ingeburgerd, maar afgezet tegen de huidige ontkerkelijking, cultureLe dynamiek en globalisering is het niet meer van deze tijd om je tijdrekening te blijven vernoemen naar de naamgever van een (verouderde) godsdienst. Wat zouden we ervan vinden als een gedeelte van de internationale wetenschappers historische jaartallen aanduidt met 'voor Mohammed' en 'na Mohammed'? De Britten - van oudsher meer vertrouwd met een globaLe context - hebben dat al veel eerder begrepen en introduceerden de neutrale termen BCE (Before Common Era) en CE (Common Era). Ik kan geen enkele reden verzinnen die ons ervan weerhoudt om dat over te nemen. Zullen we als arcbeologen dan gemeenschappelijk het voortouw nemen? Dan brengen we de taal behalve roestige en kromme uitdrukkingen ook iets goeds...
    Commentaar: ben toch benieuwd wanneer Paul van der Heijden zijn eigen voorstellen eens gaat toepassen in zijn eigen boeken en artikelen. Dat hij de Christelijke Godsdienst verouderd noemt toont duidelijk aan dat hij van die godsdienst niet echt veel begrepen heeft. Hij zal het van de Islam wellicht niet durven beweren. Maar als je de termen BCE en CE gaat gebruiken, hoe vertaal je dat dan in gewoon Nederlands? Als je de term 'voor de gewone tijdrekening' of 'de gewone jaartelling' gaat gebruiken, waar ligt dan de grens tussen beide? Of wil hij het jaar 0 ook schrappen? Schrapt hij dan ook de termen AC (ante Chritus) en AD (anno Dominum)? Hoe komen we overigens aan dat jaar nul? Dat bestaat overigens wel ook al vinden sommige 'geleerden' dat je bij het jaar 1 moet beginnen met tellen? Die 'geleerden' zijn blijkbaar bij de geboorte al meteen 1 jaar en niet pas na 365 dagen! En in welk jaar leven wij dan nu volgens Van der Heijden? Toch in 2021? Het is en blijft onmiskenbaar dat de west-Europese jaartelling nu eenmaal gebaseerd is op de Christelijke jaartelling, of je dat nu leuk vindt of niet. Omdat het vastgestelde geboortejaar van Christus nog steeds het uitgangspunt is voor de tijdrekening en men er slechts een andere naam aan wil geven, doet men onnodig moeilijk. Bovendien wordt het heel arbitrair en onpraktisch als men alsnog een ander uitgangspunt wil nemen. Blijkbaar heeft Van der Heijden problemen met het uitspreken van het woord Christus. Immers hij vindt de Christelijke Godsdienst verouderd. Wil hij hiermee zijn eigennaam eer aandoen? Je zou het bijna gaan geloven!


  5. (AWN nr.2, april 2019).
    Speuren naar een verdronken ruÔne. In dit artikel speurt Tom Buijtendorp naar de Brittenburg: de verdronken hoeksteen van het Romeinse Rijk. De vraag is waar de Brittenburg gelegen heeft. Maar de Brittenburg geeft zich niet gemakkelijk prijs, ook niet met dit onderzoek onder water dat hier besproken wordt. Conclusie: helaas, het is niet gevonden.
    Commentaar:Tom Buijtendorp jaagt wel meer spookbeelden na. Zie hier voor informatie over
    Tom Buijtendorp .



  1. Romeinse munten uit Berlicum. (AiN nr.1, februari 2019). Tessa de Groot, Jan-Willem de Kort en Liesbeth Claes.
    De vondst van ruim honderd Romeinse munten in Berlicum spreekt tot de verbeelding. Het betreft vier zilveren denarii en 103 bronzen assen en sestertii. Ze beslaan een tijdsperiode van keizer Vespasianus (69-79 na Christus) tot keizer Marcus Aurelius (161-180 na Christus). Een groot deel van het geld valt in de regeerperiode van keizer Trajanus (98-117 na Christus). Daarnaast is ťťn zilveren Republikeinse denarius van muntmeester Calpurnius (90 na Christus) gevonden. De overige drie denarii zijn van keizerTrajanus en Vespasianus (2 maal). De periode die de munten beslaan, meer dan honderd jaar, zou kunnen wijzen op een verzameling die over meerdere generaties tot stand is gekomen. Ook de samenstelling van de vondst lijkt in die richting te wijzen. Onder Domitianus (81-96 na Christus) en Trajanus vonden grote munthervormingen plaats. Als gevolg hiervan beginnen muntdeposities vaak bij Domitianus of Trajanus, omdat het geld van vorige keizers uit de circulatie was verdwenen. Dit is hier niet geval.
    Romeinse nederzettingen in de buurt van Berlicum is (nog) niets bekend. Over de precieze vondstcontext is in de meeste gevallen niets bekend. Op grond van de vondst van de munten en de aanwezigheid van de negentiende eeuwse voorde, is in het bureauonderzoek de hypothese opgesteld dat hier in de Romeinse tijd ook een voorde aanwezig was.
    Voorlopige conclusies.
    Hoewel de uitwerking van het onderzoek nog moet starten, kunnen al enkele voorzichtige conclusies worden getrokken. De hypothese die vooraf is geschetst, lijkt door de resultaten van het onderzoek te worden bevestigd. We stellen ons een plaats voor waar in de Romeinse tijd de Aa werd overgestoken. De precieze betekenis van de muntdepositie zal verder worden onderzocht door een analyse van muntvondsten in vergelijkbare landschappelijke en archeologische contexten. Met een beetje fantasie zijn al mooie verklaringen denkbaar. Misschien deed men een schietgebedje voordat men de beek overstak en werd als dank voor een goede overtocht een muntje in het water gegooid? Of moest op deze locatie tol worden betaald voor een oversteek en zijn hierbij munten in het water terecht gekomen? Zie de afbeelding!

    Commentaar: De hier genoemde voorlopige conclusie is vol van fantasie. De schrijvers van dit artikel noemen hun voorlopige conclusies zelf al een hypothese ofwel een nog te bewijzen opvatting. Kenden de Romeinen al schietgebedjes? Nu is de Aa bij Berlicum slechts ca.6 tot 10 meter breed (zie foto hiernaast), dus die overtocht lijkt me niet zo gevaarlijk. Waarschijnlijk zijn de auterus van dit artikel geïnspireerd geraakt door de Nehalennia-altaren in Colijnsplaat en Domburg
    (zie daar), die men oprichtte na een behouden overtocht vanuit Engeland.
    De vraag hierbij is ook of het geld dat uit de circulatie verdween ook zonder waarde was. Waarom zou je het anders over een periode van meer dan 100 jaar bewaren? Het is in elk geval ook een muntschat die in meerdere generaties is samengesteld of overgeleverd.



  2. Archeologie onder druk. Is behoud in situ mogelijk onder ophogingen? (AiN nr.1, februari 2019). Hans Huisman en Dominique Ngan-Tillard.
    Ophoging van de bodem zou in theorie kunnen leiden tot verschillende problemen. Samendrukking en vervorming van bodemlagen zou het lastig kunnen maken om bij een eventuele latere opgraving de oorspronkelijke vormen van en verbanden tussen sporen te reconstrueren. Bij de herinrichting van het Fort bij Vechten, onderdeel van de Nieuwe Hollandse Waterlinie, ontstond een uitgelezen kans om te onderzoeken welke effecten langdurige druk heeft op een ar-cheologische vindplaats. Het fort werd in de negentiende eeuw aangelegd op een oeverwal van de Rijn, bovenop een Romeinse vindplaats (de vicus van het castellum van Fectio). Het kwam als een verrassing dat de ophoging met circa 7 meter zand niet heeft geleid tot macroscopisch zichtbare vervorming van de bodem lagen. Ook in slijpplaten blijkt de bodemstructuur niet merkbaar veranderd te zijn. Veel belangrijker is dat bodemlagen en grondsporen kunnen vervormen en samendrukken, wat het interpreteren van archeologische vindplaatsen kan hinderen. En dat het extraheren van botanische resten uit samengedrukt materiaal een langduriger behandeling vergt. Deze problemen spelen met name in slappe kleiige en venige bodems.

    Commentaar: als fort Vechten onder een laag van 7 meter ophoging ligt, is het de vraag wat de hoogte van het maaiveld was in de Romeinse tijd. Was dat toen veel lager als men ook op andere plaatsen ziet? Plaats dit naaste de opmering van To Buijtendorp over de Brittenburg (zie artikel hieronder) waar de kust zeker een kilometer is weggeslagen, dan blijkt de waterstand in de Romeinse tijd beduidend lager te zijn geweest.


  3. Karolingisch Leiderdorp. Een nederzetting aan de geul. (AiN nr.1, februari 2019). Arno Verhoeven em Menno Dijkstra.
    In de laat-Romeinse tijd en in de eeuwen onmiddellijk daarna bleef het stil in Leiderdorp, niets wijst op enige activiteit in de vijfde of de vroege zesde eeuw. Van de zevende tot de negende eeuw werd de oude geul echter enkele keren geactiveerd, waarbij deze zich telkens diep insneed in de ondergrond. Het landschap bestond in deze periode uit een uitgestrekte vlakte van sediment, met daarachter wildernis, een onbewoond en onbegaanbaar veengebied.
    De natte omstandigheden in de geul hebben voor uitstekende conservering gezorgd. Het hout van de beschoeiingen was eveneens goed bewaard en leverde vele dendrochronologische dateringen die een nauwkeurige fasering van de nederzetting mogelijk maakten.
    1. Een eerste fase van de nederzetting begon kort voor of rond 600. De oudste bewoning moet rond 630 na Christus worden gedateerd, maar meer dan een spieker, enkele waterputten en greppels is niet van de nederzetting bewaard. Kort voor het midden van de zevende eeuw werd de geul voorzien van een lichte beschoeiing, die rond 680 is vernieuwd. Na deze Merovingische fase zijn in de Karolingische periode nog drie opeenvolgende beschoeiingen aangelegd. De eerste dateert uit de tijd tussen 760 en 780. Deze beschoeiing begon echter voorover te zakken en werd in 798-799 vervangen door een nieuwe, die op zijn beurt ook verzakte. Kort na 800 begon een derde fase, waarin de geul opnieuw actief werd en zich in oudere afzettingen insneed. Tussen 811 en 817 is deze verse geul voorzien van zware beschoeiingen, die goed werden onderhouden tot rond 830.
    2. Ondanks die schaarse sporen van bewoning kan toch wel iets worden gezegd over de structuur van de nederzetting. Heel lang heeft de nederzetting niet bestaan: rond 840 was alles verdwenen en keerde het parkachtige landschap terug in Leiderdorp.
    3. Daarna was het gebied eeuwenlang ongebruikt. Rond 1300 werd aan de zuidzijde van het terrein de Ommedijk aangelegd, maar bewoning verscheen pas weer rond 1600, toen enkele boerderijen in het gebied werden gebouwd.
    4. Geld was geen onbekend verschijnsel in vroegmiddeleeuws Leiderdorp. Enkele sceatta's en penningen stammen uit de achtste eeuw, maar de meeste munten zijn te dateren in de Karolingische periode, met name in de regeringsperiode van Lodewijk de Vrome (814-840). Munten met 'christiana religio' op de keerzijde, te dateren in de periode 822/823-840, zijn het best vertegenwoordigd en bieden tegelijk een numismatische einddatering voor de bewoning. De penningen van Lodewijk zijn veelal geslagen in Dorestad, maar andere komen uit verafgelegen muntplaatsen, zelfs uit Milaan en Barcelona. De aanwezigheid van munten uit verafgelegen plaatsen wil natuurlijk niet zeggen dat Leiderdorpers daar ook zelf zijn geweest.
    5. Was Leiderdorp een handelsnederzetting? Onder middeleeuws archeologen wordt al snel van een handelsnederzetting gesproken als de hoeveelheid geimporteerd aardewerk of de hoeveelheid metaalvondsten wat boven het gemiddelde uitsteekt. Anderen zien in het kwistig wegwerpen van allerlei metalen voorwerpen een teken van hoge sociale status; alleen een lid van de elite kon zich immers zo'n verspilling veroorloven. Behoorden de inwoners van Leiderdorp tot de elite?
    6. Willen we Leiderdorp goed inkaderen, moeten we eerst kijken naar andere Karolingische nederzettingen in de buurt. Ongeveer 10 kilometer stroomafwaarts lag als belangrijke buurman Valkenburg-De Woerd aan de Oude Rijn. Valkenburg had veel betere faciliteiten voor het afmeren van schepen, het lag direct op de zuidelijke oever van de rivier en dicht bij de Rijnmonding. Ook voor een wat meer elitaire status heeft Valkenburg de beste papieren. Daarop wijst de aanwezigheid van een kerk in de achtste/negende eeuw in het oude Valkenburgse castellum bij de nederzetting. De materiŽle cultuur van Valkenburg is nooit volledig geanalyseerd, maar waarschijnlijk vergelijkbaar met die van Leiderdorp. Belangrijk of niet, ook Valkenburg houdt op te bestaan in het midden van de negende eeuw. Waren Valkenburg, Leiderdorp en Koudekerk nu allemaal handelsnederzettingen? Dat was zeker niet het geval. Nederzettingen langs de mondig van de Oude Rijn laten een overeenkomstige materiŽle cultuur zien; het is niet waarschijnlijk dat de ťťn de ander bevoorraadde. Verder landinwaarts zouden ook geen klanten te vinden zijn. Op een paar kilometer van de bewoonde rivieroevers begon in deze periode de wildernis, het onontgonnen en dus onbewoonde veengebied. Een achterland met een markt ontbrak dus voor Leiderdorp en vergelijkbare nederzettingen in het mondingsgebied van de Oude Rijn. Leiderdorp had zeker een relatie met Dorestad, veel van de spullen bereikten het dorp via de machtige handelsstad. In Dorestad zullen ook de handelaars zelf hebben gewoond. Waarom kwam de nederzetting in Leiderdorp nu zo plotseling aan haar einde? Ook in dit geval kunnen de ontwikkelingen in Leiderdorp niet los gezien worden van de lotgevallen van Dorestad. Ook daar ging de handel na 830 achteruit, en stopte de muntslag uiteindelijk rond 855. Over de oorzaak van die neergang is veel discussie geweest, zonder dat een bevredigend antwoord is gevonden. We zouden kunnen denken aan veranderingen in de organisatie van de handel, waardoor een handelsplaats als Dorestad zijn belang verloor en verdween. In het kielzog van Dorestad werd dan ook Leiderdorp meegesleept in de ondergang. Politieke oorzaken zijn ook wel aangevoerd ter verklaring van de achteruitgang van de internationale handel in het midden van de negende eeuw.
    7. Dan zijn er vanzelfsprekend de Vikingen, die met name in de jaren dertig van de negende eeuw Dorestad en het Nederlandse kustgebied herhaaldelijk plunderden. Ze kregen het in 839 zelfs in leen. De Vikingen ontvingen echter een afgelikte boterham: de fameuze handelsplaats was toen al op zijn retour. Voor een bezoek van Vikingen aan Leiderdorp is geen enkele aanwijzing. Natuurlijke oorzaken als verklaring voor de achteruitgang van de handel zijn de afgelopen jaren wat minder populair geworden. Toch zou een natuurramp het uiteindelijke verdwijnen van Leiderdorp het best verklaren. De ramp trof de nederzetting niet op haar hoogtepunt. Na circa 826 vonden geen reparaties meer plaats aan de beschoeiingen, toch een teken dat het de inwoners minder voor de wind ging. Ook aan de beschoeiing die is aangetroffen bij de opgraving Kastanjelaan vonden na 828/832 geen herstellingen meer plaats. Geen enkele vondst dateert uit de latere negende tot dertiende eeuw. Een dikke laag klei dekte de geul en de omliggende nederzetting vervolgens af. Uit historische bronnen, de Annales Bertiniani en de Annales Xantenses, weten we dat de Nederlandse kust op 26 december 838 werd getroffen door een grote overstroming die mens en dier verzwolg. Het gaf de nederzetting in Leiderdorp een genadeklap die men niet meer te boven kwam. Niet alleen Leiderdorp verdween, ook andere plaatsen langs de Oude Rijn werden verzwolgen. Het hele handelssysteem van de latere negende eeuw was niet meer op de Oude Rijn gericht, maar op meer zuidelijke takken van de Rijn, de Waal en de Linge.

    Commentaar: interessant is in dit artikel is de relatie die de schrijvers leggen tussen Leiderdorp en 'Dorestad' (bedoeld is Wijk-bij-Duurstede). De argumenten die zij hier noemen die blijkbaar niet voor Leiderdorp gelden, zouden wel voor Dorestad gegolden hebben? Dorestad lag op een veel ongunstigere plek dan Leiderdorp of Valkenburg als het om internationale handel ging. Niet vergeten moet worden dat de Lek (hoewel op het kaartje wel getekend!) in de 9e eeuw nog niet bestond, maar pas na 1122 met de afdamming van de Rijn ontstond, wat ook al blijkt omdat de Lek in dit artikel niet genoemd wordt. Lees meer over
    Dorestad en de Lek.
    De schrijvers verwijzen in de noten slechts en alleen naar eigen publicaties. Het is als een recensent die zijn eigen boek beoordeelt (of als de slager die zijn eigen vlees keurt). Graag zou ik een verwijzing naar het tot stand komen van de dendrochronologische dateringen eens lezen. Kloppen die dateringen wel en klopt het technisch onderzoek wel? Zijn de onderzochte palen dik genoeg geweest. En dan weten we dus de kapdatum, maar was dat ook de gebruiksdatum? Lees meer over dendrologie. Het is vergelijkbaar met munten. Werd een munt uit 822-840 ook alleen in die periode gebruikt? Of heeft die na 100 jaar nog waarde en is die dan nog bruikbaar? Waarom zou je zo'n munt dan bewaren? Zie de muntschatten, waarin soms munten uit meerdere eeuwen zitten! Een beetje kritischer mag de historische wereld toch wel worden, zeker met hun interpretaties!



  4. Bevolkingsaantallen berekenen. Kan dat op basis van archeologische gegevens? (AiN nr.1, februari 2019). Bert Groenewoudt, Rowin van Lanen en Harm Jan Pierik. (klik op de afbeelding voor een vergroting).
    Frans Theuws merkte in zijn proefschrift (1988) al op dat de omvang en spreiding van de bevolking cruciaal zijn om te achterhalen hoe lokale gemeenschappen georganiseerd waren. Er is dus, ook voor archeologen, alle reden zich bezig te houden met wat historische demografie wordt genoemd. Maar hoe? Tot dusver hebben niet veel archeologen zich serieus met deze tak van de wetenschap beziggehouden.
    1. Het getal voor de midden-Romeinse tijd (150.000 = 7,5 mensen/km²) berust op eerdere schattingen. Die zijn deels gebaseerd op nederzettingsarcheologie, deels op historische bronnen: de rekruteringsaantallen van het Romeinse leger. Vanaf de late middeleeuwen (circa veertiende eeuw) bieden historische bronnen de voornaamste aanknopingspunten voor dit soort demografische reconstructies.
    2. Of een regio wel of niet onderdeel was van het Romeinse Rijk had blijkbaar geen noemenswaardige invloed op de bevolkingsdichtheid. Centrale vraag: hoe zit het precies met die (veronderstelde) ingrijpende bevolkingsafname in dit tijdvak? Uit de resultaten valt af te leiden dat in alle zes regio's na de midden-Romeinse tijd (na 250-270) sprake was van een flinke bevolkingsafname. Een analyse laat zien dat het aantal nederzetting in de vroege middeleeuwen gemiddeld 92 procent lager lag dan in de midden-Romeinse tijd. Regionaal zijn er echter grote verschillen hierop. Volgens Stijn Heeren was in de Kempen geen enkele van de door hem onderzochte nederzettingen bewoond tussen het eind van de derde en het midden van de vierde eeuw.
    3. De vraag blijft natuurlijk in hoeverre we berekeningen van bevolkingsaantallen kunnen vertrouwen. Want die zijn gebaseerd op archeologische gegevens. En zijn die representatief?
    4. Houden we ekening met kledingaccessoires, dan zien we in het (hele) rivierengebied afnames van 67,6 procent (Iaat-Romeinse tijd) en uiteindelijk zelfs 75,5 procent (begin vroege middeleeuwen]. Dit zou kunnen betekenen dat de laat-/post-Rorneinse krimp inderdaad iets minder ingrijpend was dan tot dusver uit nederzettingsgegevens blijkt.

    Commentaar: het is natuurlijk uitermate interessant en van historische belang dat men enig idee heeft hoe groot de bevolkingsaantallen waren in de verschillende perioden. Zo bleek onlangs dat de Betuwe nooit het aantal Bataafse legionairs aan het Romeinse leger heeft kunnen leveren. Daarvoor was de bewoning te gering. Wat kreeg Albert Delahaye hier weer gelijk en nog wel van Stijn Heeren niet meteen een fan van Delahaye. Lees meer over Stijn Heeren. Uit het overzicht bij dit artikel blijkt dat de bevolking in het rivierengebied omstreeks 800 na Chr. slechts uit zo'n 1950 personen bestond. Plaats dat aantal nu eens naast het artikel hierboven over Karolingisch Leiderdorp, Valkenburg, Koudekerke en Dorestad. Hoezo was Dorestad een grote havenstad (waar lag die haven?) met een belangrijke internationale handel? Lees meer over Dorestad.


  5. Programma van eisen. (AiN nr.1, februari 2019). Column van Jos Bazelmans.
    Eén enkele persoon heeft nooit de benodigde kennis en ervaring om tot een goede opzet, uitvoering en afronding van een onderzoek te komen. Tot in de jaren tachtig was het weinig gebruikelijk om van tevoren een onderzoeksplan op te stellen voor gravend veldwerk. Het feit dat goed archeologisch onderzoek -juist ook in de voorbereiding- alleen het werk van een groep kan zijn. 'Knippen en plakken' lijkt vaak de norm.

    Commentaar: hier kunnen we het volledig eens zijn met wat Jos Bazelmans stelt. Het wordt dan beslist eens tijd om alle 'archeologisch onderzoek' van prof.J.E.Bogaers eens aan een hernieuwd grondig onderzoek te onderwerpen. Hoe vaak bepaalde hij in zijn uppie wel even wat 'zijn onderzoek' opbracht? Gezien de vragen hierover, o.a. van collega Van Buchem, is dat herziene onderzoek zeker gerechtvaardigd. Van Enckevort (een andere collega uit Nijmegen) concludeerde al dat 'De opvattingen van Bogaers over deze tempels, moeten fundamenteel herzien worden'. Staan de letters MAC ook werkelijk voor Municipium Aelium Cananifatium? Had de naam Ulpia Noviomagus werkelijk betrekking op Nijmegen? Was Ganuenta werkelijk de hoofdstad van de Frisiavones? Prof. Bogaers erkende in een interview in De Gelderlander van 31 dec. 1987, dat hij "het ook niet weet" of "wat het was" en "waarvoor het diende". Dit naar aanleiding van de vondst in 1987 van enige Romeinse muren aan de Waalkade. Ook had Bogaers de opvatting dat Castra Herculis de plaats Druten moest zijn. Een hernieuwd onderzoek naar de opvattingen van Bogaers blijkt dus hard nodig, zeker omdat zijn opvattingen nog steeds de geschiedenis van Romeins en middeleeuws Nijmegen bepalen. Zie verder bij
    J.E.Bogaers.


  6. De Brittenburg.Nieuw licht op bekendste 'cold case' in de Nederlandse archeologie. (AiN nr.1, februari 2019). Recensie door William ten Brink.
    Afbeelding van de plattegrond van de 'Brittenburg'zoals die in de 16e eeuw is opgetekend. Klik op de afbeelding voor een vergroting.
    Wie het boek 'Brittenburg. Verdronken hoeksteen van het Romeinse Rijk' van Tom Buijtendorp leest, bekruipt wellicht het gevoel dat het terugvinden van deze eeuwen geleden in zee verdwenen Romeinse ruÔne bij het Zuid-Hollandse Katwijk nog slechts een kwestie van tijd is. Het boek werpt met een uitbundig gepresenteerde hoeveelheid niet eerder onderzochte aanwijzingen nieuw licht op deze bekendste 'cold case' in de Nederlandse archeologie.
    Het is Buijtendorp zelf echter, die een mogelijke jubelstemming over het 'herontdekken' van de Brittenburg de kop indrukt. Volgens hem zijn de laatste resten van deze 'eindhalte aan de limes' al in de periode 1500-1800 gesloopt of door de zee verspoeld. Er is sinds de 'Dissertatio de Brittenburgo' van Cannegieter in 1734, het eerste geheel aan de Brittenburg gewijde boek, veel geschreven over dit verdwenen Romeinse castellum, waarvan de ruÔne tussen de veertiende en de achttiende eeuw bij extreem laag water nog enkele keren de kop opstak. Voor het leeuwendeel gebeurde dat steeds op basis van dezelfde, met fantasie aangevulde kaarten, plattegronden en andere documenten. Buijtendorp presenteert in zijn boek een aantal nieuwe oude prenten van de Brittenburg, die meer betrouwbaarder en ook nauwkeuriger informatie bieden en details toevoegen die beter passen bij het beeld van een Romeins castellum. Volgens Buijtendorp was de Brittenburg een castellum van bovengemiddelde omvang met aangrenzend een militair kampdorp. Het fort lijkt langer in gebruik te zijn geweest dan van andere voorbeelden uit het Hollandse kustgebied tot nu toe bekend was. Onderzoek van het aan de Brittenburg toegeschreven materiaal zorgde volgens Buijtendorp echter voor verrassingen. Veel bekende vondsten blijken nu met zekerheid niet in of bij de Brittenburg te zijn gevonden, of hebben op zijn best een dubieuze herkomst. Daaronder ook de enige bewaard gebleven munt, herontdekt in het onderzoek van Buijtendorp: een op het Europese continent zeer zeldzame 'gouden' stater met op de voorzijde een paard en de afgekorte naam van de Britse koning Cunobelinus (1043 na Christus) en op de keerzijde een korenaar en de afkortingvan de muntplaats Camulodunum (Colchester). Een vervolgstap zal zijn het beter in kaart brengen van de resten van de Oude Rijn vlak voor de kust van Katwijk, waarvan sinds de Romeinse tijd langzaam maar zeker een kilometer is weggeslagen.

    Commentaar: zie ook het artikel over de Brittenburg in Archeologie in Nederland uit april 2019. Wat hier geldt voor die ene gevonden munt uit 1043 (dus beslist niet uit de Romeinse tijd) en de vondsten die nu met zekerheid niet in of bij de Brittenburg zijn gevonden, geldt ook voor meerdere andere Romeinse vondsten in Nederland. Dat geldt met name voor veel vondsten ooit in Museum Kam in Nijmegen, waarmee nu in Museum Het Valkhof gepronkt wordt, maar die van elders kwamen of waarvan de herkomst dubieus is. Het is algemeen bekend dat G.M.Kam allerlei Romeinse relicten opkocht en in zijn verzameling opnam. Die 'vondsten' vormden de basis van zijn museum en later van Museum Het Valkhof. Lees meer bij Museum Het Valkhof. Ook dominee Johannes Smetius handelde in Romeinse vondsten (zie bij Smetius). Hij heeft er kapitalen mee verdiend. Het is vergelijkbaar met het masker van 'Traianus' dat in Xanten gevonden werd, maar waarmee men in Nijmegen pronkt alsof het een bewijs vormt dat Traianus wel degelijk in Nijmegen was. Ook met de kopie van de gedenksteen uit Pfünz wordt in Nijmegen gepronkt, waarmee men meent te kunnen bewijzen dat Nijmegen ooit Noviomagus heette. Vergelijkbaar is de Godenpijler in Nijmegen waarmee Museum Het Valkhof pronkt (zie afbeelding hiernaast). Daarvan is slechts een kwart (of minder?) in Nijmegen gevonden. Waar is de rest en hoe kwam dit deel in Nijmegen terecht. Zolang men dat niet weet kun je er geen opvattingen uit af leiden.


Archeologie in Nederland 2018


  1. Handelsstad Tiel. Ontwikkeling van de stad in de vroege en de volle middeleeuwen. (AiN nr.5, december 2018).
    Tiel is een van de oudste steden in Nederland, vermoedelijk ontstaan in de negende eeuw op de plaats waar de Linge zich afsplitste van de Waal. Wanneer de stadsrechten exact zijn verleend, is onbekend, maar de plaats kreeg in 896 van de Frankische koning Zwentibold van Lotharingen het tolrecht. Uit schriftelijke bronnen en archeologisch onderzoek weten we dat Tiel in de tiende en elfde eeuw een belangrijke handelsnederzetting was. Na de Romeinse tijd raakte het gebied ontvolkt en het lijkt erop dat er tussen 450 en 850 geen bewoning was. Historische bronnen uit de vroege middeleeuwen zijn schaars, maar voor Tiel wel in beperkte mate aanwezig. Tiel wordt als 'Dioll' in 855 voor het eerst genoemd, al gaat het om een vermelding die als kopie uit de periode 1170-1175 bewaard is gebleven. In een bron uit 889 is sprake van een hoeve 'in loco Teole', waarmee waarschijnlijk dezelfde plaats werd bedoeld. Er zijn tot nu toe geen concrete aanwijzingen voor bewoning eerder dan het midden van de negende eeuw gevonden. De agrarische nederzetting Tiel lag niet direct langs de Linge, maar iets meer in het binnenland op een hoger gelegen stroom rug. De exacte begrenzing van de eerste bewoningsfase is nog niet duidelijk. Tot waar de nederzetting zich in zuidelijke richting uitstrekte, is niet precies duidelijk. De ontwikkeling van Tiel van een agrarische nederzetting naar een welvarende handelsstad in de Ottoonse tijd hangt samen met de gunstige ligging in het rivierenlandschap op de splitsing van waterwegen, waardoor schepen in verschillende richtingen konden komen en gaan. De gunstige ligging in combinatie met het wegvallen van de handelsplaats Dorestad, die na verschillende vikingaanvallen rond 863 vrijwel verwoest was, maakten wellicht dat Tiel in het laatste kwart van de negende eeuw interessant werd voor kooplieden en uitgroeide tot een handelscentrum. Rond 890 werden vermoedelijk de eerste aanlegsteigers gebouwd aan de Linge. Dendrochronologisch onderzoek aan houten delen van de havenwerken ter hoogte van de Westluidensestraat leverde dateringen op vanaf het einde van de negende eeuw. Duidelijk is wel dat de groei van de handelsnederzetting zich vermoedelijk snel heeft voltrokken. In 896 verleende de eerdergenoemde koning Zwentibold de handelaren uit het gebied van de Utrechtse kerk vrijdom van lasten in Tiel en Deventer, zoals ze die ook al in Dorestad hadden bezeten.
    Naast de zone met de grafelijke burcht, in het westen, was Tiel in de tiende en de elfde eeuw vermoedelijk verdeeld in een aantal wijken of zones. Direct langs de Linge bevond zich een handelswijk met een haven, met daarachter de overige wijken. Hoe dit gebied precies was ingedeeld, weten we niet. In de eerste fase van de handelsnederzetting langs de Linge stonden er licht gefundeerde eenschepige huizen met een Iemen vloer en vlechtwerkwanden. Dit type huizen werd onder andere bij onderzoek aan de Koornmarkt en Koninginnestraat gevonden. Exacte afmetingen zijn niet bekend, want er zijn geen volledige plattegronden gedocumenteerd. Soortgelijke gebouwen zijn ook in Deventer gedocumenteerd en dateren uit de periode 850-950.
    Tiel was in de tiende eeuw een welvarende stad. De rijkdom trok echter ook hier Vikingen aan, die de stad in 1006 en 1009 plunderden. In 1006 ging hierbij een deel van de nederzetting in vlammen op.
    De aangetroffen archeologische data op de locatie Westluidensepoort laat er echter weinig twijfel over bestaan dat deze zone in de periode 890-1050 deel uitmaakte van de handelsnederzetting Tiel. Dit blijkt onder andere uit de veranderde ruimtelijke structuurde aangetroffen vondsten, zoals halffabricaten van maalstenen en grote hoeveelheden reliëfbandamfoor aardewerk. Commentaar: tussen de onjuist toegepaste oorkonde uit 896 en het archeologisch onderzoek zitten wel ettelijke decennia, wellicht meer dan een eeuw. De oorkonde van koning Zwentibold uit 896 vermeldt nergens Tiel. Thiele (ook Tilia), waar koning Zwentibold in 896 de immuniteit van Trajectum bevestigt, is Tilques op 5 km noordwest van St.-Omaars. Het in dezelfde oorkonde genoemde Daventre, waar koning Zwentibold in 896 de immuniteit van het bisdom bevestigt, is Devres op 17 km zuidoost van Boulogne. De plaats wordt ook Daventre genoemd in de oorkonde van St. Bertijns te St.-Omaars, samen met de naburige plaats Frechana (Ferques) op 5 km noordoost van Marquis. Tiele, dat verschijnt in een oorkonde van Utrecht uit 950 en daar als nieuwe stad wordt genoemd, is een Nederlandse plaats die niet identiek is met het Tilia van Toumehem. Lees meer over
    Tiel en de hier genoemde Koornmarkt of inArcheologisch onderzoek aan de Koornmarkt in Tiel.
    Toen men eenmaal de opvatting had dat het paleis Noviomagus van Karel de Grote in Nijmegen stond, werde diverse andere gebeurtenissen ook naar Nederland getrokken, zoals Trajectum dat Utrecht en Tilia dat Tiel werd. Thiele of Tiela, waarvan een verhaal zegt, dat de barbaren in het jaar 453 een haven van GalliŽ bereikten, die Tila heette. Het is Tilques ten zuid-westen van St. Omaars, een haven aan het Almere. Vandaar trokken zij verder naar Colonia (dat is Coulogne bij Calais en niet Keulen). Een akte van 896 zegt dat er toen gelovigen van de verdreven bisschopszetel van Trajectum woonden. Ook deze plaats, voorkomend in een akte voor het bisdom Trajecturn, samen met Dorestadum en Daventria (is niet Deventer: zie daar), wijst het Franse Tilques aan. De hier genoemde Vikingen worden nergens genoemd door Alpertus Mettensis, maar in zijn Diversitate Morum spreekt over 'pirates'. Ondeskundige historici hebben daar maar Vikingen van gemaakt. Het genoemde reliëfbandamfooraardewerk kan geen absolute datering opleveren aangezien het tot in de 13e eeuw geproduceerd werd. Lees meer bij aardewerk.



  2. Nieuws. (AiN nr.5, december 2018).
    Enkele opvallende vermeldingen zijn:
    1. Bij Katwijk is circa 125 meter Romeinse weg gevonden die van omstreeks 125 na Chr. dateert.
    2. De mens veroorzaakte onbedoeld rivierverleggingen. Al zo'n tweeduizend jaar past men het landschap aan om wateroverlast te voorkomen.
    Commentaar: ad a: blijkbaar heeft niemand de exacte afstand even nagemeten. Of is de weg niet helemaal duidelijk aangetoond? ad b: Wateroverlast? Dus toch transgressies?

  3. De laat-Romeinse schaal uit Rijnsburg. (AiN nr.5, december 2018).
    De schaal werd gevonden in een laat-Romeinse grafkuil. Schuine laagjes sedimentatie in de kuil doen vermoeden dat deze enige tijd open heeft gelegen. In de schaal werden de verbrande botresten van (minimaal) drie volwassen individuen aangetroffen: twee mannen en een vrouw. Er zat tussen de gecremeerde beenderen geen dierlijk botmateriaal. Verder lagen er op de bodem van de schaal wat bijgiften, bestaande uit twee kammen van gewei, een klein verbrand fragment goud, de gesmolten resten van een of meer voorwerpen van glas, en de zwaar verbrande en gesmolten resten van een of meer bronzen voorwerpen. Aangezien de crematieresten In de schaal via de C14-methode niet goed dateerbaar waren, zijn we voor een datering van de bijzetting afhankelijk van de bijgaven. De twee kammen zijn goed dateerbaar: kam 2 dateert ruim genomen uit de periode 250-350, kam 1 uit de periode 330-450; de bijzetting van de crematies in de schaal mag daarom vermoedelijk in het tweede kwart van de vierde eeuw geplaatst worden. Zij is vermoedelijk vervaardigd in Italië rond het midden van de derde eeuw en behoort tot een type dat bekend staat als 'Eggers 107 - Geriffeite bronzene Fussbecken mit muschelfŲrmige Riffelung - Typ Veltheim'. Hoogstwaarschijnlijk is de schaal als relatiegeschenk ten noorden van de limes terechtgekomen. Hoelang zij in het Germaanse gebied in omloop is geweest, is niet duidelijk. Voor zover dat is vast te stellen, lijkt de schaal niet intensief te zijn gebruikt: duidelijke slijtagesporen ontbreken.
    Het is uit archeologische bronnen goed bekend dat er van de eerste tot ver in de derde eeuw een levendige (ruil) handel bestond in bronzen vaatwerk, drinkglazen en andere luxeproducten. De meeste bronzen voorwerpen werden in GalliŽ en in de omgeving van Keulen in gestandaardiseerde werkplaatsen vervaardigd in wat we nu een soort serieproductie zouden noemen. De weerslag van zowel de handel als de diplomatieke omkopingen zien we in het grote aantal crematie- en inhumatiegraven met Romeinse luxegoederen. Deze worden gevonden in heel Europa ten noorden van de limes. Enkele streken, zoals het Elbe-Wesergebied en Denemarken, vallen daarbij op door concentraties van dergelijke vondsten. Ook in Nederland zijn uit het gebied ten noorden van de Rijn enkele crematiegraven met Romeins bronzen vaatwerk bekend. In vrijwel alle gevallen gaat het dan om bijzettingen die dateren uit de eerste drie eeuwen van de jaartellng. Naast het feit dat het om crematies gaat, hebben deze begravingen met elkaar gemeen dat er altijd voorwerpen (verbrand of onverbrand) aan de dode meegegeven zijn. Bij crematies van mannen zijn dat vaak wapens, bij vrouwen sieraden. Beide seksen worden ook wel vergezeld door glazen drinkbekers en benen kammen. Ook bij onze schaal is sprake van dergelijke bijgaven, en hoewel de begraving waarschijnlijk een vijftig tot honderd jaar jonger is dan de hierboven beschreven crematies, past hij wel naadloos in dezelfde traditie.
    Commentaar: uit dit verhaal blijkt duidelijk dat Romeinse voorwerpen niet altijd en steeds een Romeinen toebehoorden. Hoewel hier vermeld wordt dat de omvangrijke ruilhandel uit archeologische bronnen goed bekend is, blijken veel archeologen hiervan nog steeds niet goed op de hoogte. Romeinse munten en relicten zijn altijd door Romeinen verloren wat dan als argument gebruikt wordt dat de Romeinen daar dan geweest zijn. Zie de volgende voorbeelden: de haven van Velsen 1 en 2, het marskamp te Ermelo, de Nehalennia altaren te Domburg en Colijnsplaat, zelfs de Varusslag in Duitsland.

  4. Grind,greppels en een Romeinse brug. (AiN nr.5, december 2018).
    Eerder deze zomer hadden archeologen van de gemeente Utrecht de weg gevonden tijdens een opgraving in het gebied waar de wijk Rijnvliet gepland staat. Het was al langer bekend dat de weg door dit gebied moest lopen. Maar het was niet gelukt om met boor- en proefsleuvenonderzoek de exacte ligging vast te stellen. De onbedijkte Rijn vormde door overstromingen en erosie een constante bedreiging voor de Romeinse infrastructuur. Door juist op deze plaatsen een brug te bouwen, kon het overstromingswater onbelemmerd onder de brug doorstromen en bleef de weg gevrijwaard van erosie. Het gebruik van eikenhouten palen, de aanwezigheid van blokken basalt en de overeenkomsten met de moerasbrug in Veldhuizen, dateren de brug van Rijnvliet vooralsnog rond het einde van de eerste en het begin van de tweede eeuw. De brug lijkt daarmee waarschijnlijk te koppelen aan de grote bekende bouwcampagnes van 99-100 en/of 124-125 na Christus.
    Commentaar: men kan toch niet langer blijven volhouden dat de transgressies niet bestaan hebben? Lees meer over
    transgressies. Ziet U ook de cirkelredenering tussen 'Veldhuizen' en deze brug? De datering komt uiteraard voort uit 'wisfull thinking' (is het interpreteren van feiten, verslagen, gebeurtenissen, waarnemingen, volgens wat men graag zou willen dat het geval is en niet volgens de werkelijke bewijzen).

  5. Het ruitergraf van Borgharen. (AiN nr.5, december 2018).
    In het begin van de zevende eeuw werd een jonge man begraven in de resten van een Romeinse villa. In zijn mond werd een gouden munt gelegd, geslagen door de muntmeester Domaricus, die het graf precies dateert rond 600. Naast dit alles werd een paar stijgbeugels meegegeven. In veel rijke graven worden bitten van paarden en andere delen van paardentuig of een ruiterspoor aangetroffen. De rijkdom van de overige grafgiften in deze graven lijkt er wel op te wijzen dat dit grafritueel voorbehouden was aan een select gezelschap krijgers. Stijgbeugels komen echter in West-Europa slechts spaarzaam voor. In Nederland was tot de vondst in Borgharen geen enkel exemplaar bekend uit een graf. De vondst van Borgharen is opvallend vroeg. De stijgbeugel wordt namelijk pas aan het einde van de zesde eeuw vanuit AziŽ in Europa geÔntroduceerd door een ruitervolk aan de oostgrens van het Frankische rijk. Hier, in wat nu grofweg Hongarije is, is het Aziatisch ru itervolk de Ava ren neergestreken. Zij waren bekend met de stijgbeugel, getuige de vele exemplaren die in hun graven zijn aangetroffen.s Het waren echter niet de Franken die veel last kregen van de Avaren, maar de Byzantijnen.
    De eerste West-Europese afbeelding is in het Gouden Psalterium van Sankt Gallen (circa 883-890). Daarin staan enkele ruiters met stijgbeugels, maar ook zonder. Dat dit geen foutje is van de monniken, blijkt uit de precisie waarmee ze de overige uitrusting hebben afgebeeld. In het Utrechts Psalterium (circa 830) komen in het geheel geen stijgbeugels voor, hoewel er welslag scŤnes in staan. Ook het boek van Makkabeeën van Sankt Gallen (circa 925) laat afwisselend wel en niet stijgbeugels zien. Het Stuttgarter Bilderpsalter uit het begin van de negende eeuw laat in het geheel geen stijgbeugels zien, hoewel hier zeer gedetailleerde wapenrustingen worden afgebeeld. Commentaar: de datering rond 600 is uiteraard speculatie. Een munt kan ook meer dan een eeuw later, misschien zelfs eeuwen later, in een graf zijn meegegeven. Dat de vondst van de stijgbeugels 'opvallend vroeg' wordt genoemd, toont dat al aan. Dat rond 600 de stijbeugel al algemeen in gebruik was, wordt met afbeeldingen in de vermelde boeken ook weersproken. Uit het artikel
    "Nieuw licht op donkere eeuwen" (zie hieronder), blijkt ook al dat van een elite van Merovingische of Frankische vorsten in Nederland geen spoor gevonden wordt.

  6. (AWN nr.5, december 2018).
    Romeinse brug Utrecht. In oktober is bij archeologisch onderzoek in de wijk Rijnvliet in Leidsche Rijn (Utrecht) een Romeinse brug ontdekt. Die maakte deel uit van de doorgaande weg op de zuidoever van de Rijn, waar vanaf 40 na Christus een serie forten de grens van het Romeinse Rijk bewaakte. Precies 20 jaar na de ontdekking van de ROmeinse brug in Veldhuizen (eveneens in Leidsche Rijn) is deze brug gevonden. Beide bruggen hebben dezelfde breedte, 5.40 meter, ofwel 18 Romeinse voeten. De brug in Veldhuizen dateert uit het jaar 125 na Christus. De onlangs ontdekte brug is waarschijnlijk gebouwd in dezelfde tijd of wellicht eerder. Dendrochronologisch onderzoek moet dat uitwijzen.
    Commentaar: het zou toch eens nuttig kunnen zijn als alle bevindingen en dateringen uit de Romeinse tijd met elkaar in verband gebracht zouden worden. Uit dit voorbeeld blijkt dat de forten er al eerder waren dan de brug (en de weg?) om bij die forten te komen. Hoe kwamen de Romeinen dan bij hun forten voordat die brug (en weg?) er was?


  1. Nieuw licht op donkere eeuwen. Een overzicht van Malta-onderzoek naar Zuid-Nederland tussen 300 en 600. (AiN nr.4, september 2018). Harry van Enckevort en Joep Hendriks
    Het einde van de Romeinse tijd en het begin van de middeleeuwen, de tijd tussen circa 300 en 600 na Christus, is een van de meest fascinerende perioden in de geschiedenis van ons land. Al sinds het vroegste begin van de moderne geschiedschrijving heeft de overgang van het Romeinse imperium naar de Merovingische koninkrijken aandacht getrokken van archeologen en historici. De mogelijkheid om materiŽle overblijfselen uit opgravingen te koppelen aan de weinige historisch overgeleverde gebeurtenissen is een uitdaging, ook al omdat het niet gemakkelijk is om archeologische en historische bronnen in samenhang goed te interpreteren. Ondanks de schaarse geschreven bronnen krijgen deze 'donkere eeuwen' steeds opnieuw aandacht van onderzoekers. Dit is niet in de laatste plaats te danken aan een continue stroom van nieuwe archeologische ontdekkingen.
    De komst van de contractarcheologie aan het einde van de vorige eeuw heeft ontegenzeggelijk veel nieuwe informatie opgeleverd over de overgang van de laat-Romeinse naar de Merovingische tijd. Dit heeft echter niet vanzelfsprekend geleid tot een beter begrip van de vele ontwikkelingen tussen de derde en zevende eeuw in Zuid-Nederland. Zo gaapt nog steeds een kloof tussen het 'grote verhaal' van de nadagen van het Romeinse Rijk in de noordwestelijke provincies, de rol van Frankische legeraanvoerders, Germaanse stamverbanden en de eerste generaties Merovingische vorsten enerzijds, en het 'kleine verhaal' van boerengemeenschappen en bewoners van centrale plaatsen ten zuiden van de Rijn anderzijds.

    Het synthetiserende onderzoek naar de sinds 1997 gepubliceerde resultaten van archeologisch (Malta-)onderzoek aan grondsporen en vondsten uit de laat-Romeinse tijd en het begin van de vroege middeleeuwen. Als onderzoeksgebied is gekozen voor Nederland ten zuiden van de Nederrijn, Kromme Rijn en Oude Rijn, de voormalige Romeinse rijksgrens (limes). Na een grondige en niet altijd eenvoudige inventarisatie zijn 133 opgravingsrapporten en gerelateerde publicaties - die betrekking hebben op 73 (nederzettings)terreinen - geselecteerd, geanalyseerd en gesynthetiseerd. De ruimtelijke eenheid waar-binnen dit uitgevoerd is, betreft de negen meest zuidelijke - door de RCE gedefinieerde - archeoregio's. Het onderzoek richtte zich op vijf thema's: bewoning, locatie keuze, materiŽle cultuur, gemeenschap/samenleving en lange termijngeschiedenis. Andere thema's als economie en begravingen bleven grotendeels buiten beschouwing.

    Op basis van hun vorm en veronderstelde functie zijn 69 nederzettingsterreinen onderverdeeld in vier categorieŽn:
    1. nederzettingen met een regionale centrumfunctie, binnen of nabij een laat-Romeins castellum (Nijmegen en Maastricht);
    2. nederzettingen en/of activiteiten als het winnen van grondstoffen (bouwmateriaal, metaal, glas), binnen of nabij een (voormalig) castellum (Cuijk, Vechten, Utrecht, De Meern en Woerden) en in de voormalige hoofdplaats Forum Hadriani;
    3. nederzetting(sterrein)en bestaande uit een of meer erven, waarbinnen resten van een-, twee- of driebeukige gebouw-plattegronden zijn aangetroffen (25 terreinen);
    4. (nederzettings-)terreinen waarbinnen geen sporen zijn aan-getroffen van gebouwplattegronden, maar wel andere zaken die wijzen de aanwezigheid van bewoning in de directe omgeving (37 terreinen).

    Het zijn vooral de terreinen uit de derde categorie, vaak bestaande uit meerfasige erven, waarmee veranderingen binnen de landelijke nederzettingen in het onderzoeksgebied het best bestudeerd kunnen worden. Zo tekent de structuur en de omvang van de 'Germaanse' nederzettingen direct ten noorden van de Rijn in de vierde en vroege vijfde eeuw (bijv. Ede-Veldhuizen) zich scherp af ten opzichte van die van de gelijktijdige en kleinschalige woonplaatsen in het Midden-Nederlandse rivierengebied (bijv. Tiel-Passewaaij). In West-Nederland valt een andere dynamiek waar te nemen. Daar begon de bewoning pas weer in de late vijfde eeuwen de nederzettingen kenden daarna een geleidelijke groei richting de zevende eeuw (met Katwijk en Oegstgeest als uitschieters). Op de Zuid-Nederlandse zandgronden lijken dergelijke gestructureerde nederzettingen juist pas na 600 te ontstaan. Helaas komt de (precieze) diachrone ontwikkeling van nederzettingen als die te Breda en Helden, met zowel midden-Romeinse, laat-Romeinse als Merovingische huiserven, in de geÔnventariseerde rapporten slecht uit de verf; heldere overzichtsplattegronden zoekt men daarin vaak tevergeefs. Veel van de gebouwplattegronden zijn echter zelf niet eenduidig als 'Germaans' te bestempelen, zoals de plattegrond van een gebouw uit Breda. Ook in de recente publicatie van de nederzetting Cuijk-De Nielt komt de problematiek van het interpreteren en dateren van de aangetroffen 'Iaat-Romeinse' gebouwplattegronden onvoldoende naar voren.
    Een ander fenomeen dat onlosmakelijk is verbonden met de veronderstelde komst van Germaanse groepen in de laat-Romeinse tijd ten zuiden van de limes zijn de hutkommen. Van deze gebouwen wordt vermoed dat ze voor ambachtelijke activiteiten (weven, smeden) of opslag werden gebruikt.
    Uit de bestudeerde rapporten is niet af te leiden of wegen een belangrijke rol hebben gespeeld in de locatiekeuze, ook al omdat de wegtracť's uit de onderzoeksperiode veelal onbekend zijn. Dat wegen een rol gespeeld zullen hebben in de locatiekeuze lijkt echter wel voor de hand te liggen. Een analyse van de laat-Romeinse munten doet vermoeden dat bijvoorbeeld de oude Iimesweg langs de Rijn een belangrijke rol heeft gespeeld bij de vestigingskeuze.

    De meest voorkomende materiaalgroep, die op nagenoeg elk nederzettingsterrein is aangetroffen, is aardewerk. De rapporten laten zien dat het laat-Romeinse en Merovingische aardewerk veelal gescheiden van elkaar worden beschreven. De oorzaak hiervan ligt in het verleden, waar onderzoekers vanuit hun eigen achtergrond (studie) zich niet met (aardewerk uit) beide tijdvakken gelijktijdig bezighielden. In algemene zin is het draaischijfaardewerk uit beide perioden redelijk goed gekend, maar meer inzicht in de verscheidenheid aan producten en de distributie ervan in Zuid-Nederland tussen de derde en zevende eeuw kan zeker nog bijdragen aan nog scherpere dateringen van nederzettingen, gebouwen, hutkommen, enzovoort. Belangrijke categorieŽn als terra nigra-voetbekers en ruwwandige potten van de typen Alzey 27, 28 en 33 gelden als gidsfossielen voor (delen van) de onderzoeksperiode, al ontbreekt het (nog steeds) aan een fijnmazige chronologie van de ontwikkeling van deze typen en voldoende inzicht in de bekende productieplaatsen. Door het ontbreken van heldere beschrijvingen van het vormen-spectrum, in samenhang met bakseltechnische aspecten, lijkt de vraag gerechtvaardigd of bepaalde groepen aardewerk wel afdoende herkend zijn door de auteurs van de geïnventariseerde rapporten.

    Naast aardewerk is metaal een voorname materiaalgroep die in de geanalyseerde rapporten voorkomt. Zoals gezegd is van een analyse van de vele soorten metalen objecten afgezien, maar bleek vanwege de nadruk op het thema bewoning wel een analyse van de munten - hoofdzakelijk van een koperlegering - interessant. De munten kunnen in een bredere historische en geografische context kunnen worden geplaatst. Bovendien blijkt dan ook dat de functie van deze munten (monetair versus scrap = grondstofvoor het gieten van nieuwe voorwerpen) gedurende de laat-Romeinse tijd veel genuanceerder is dan wordt aangenomen. Duidelijk wordt dat de Romeinse geldeconomie als eerste in de late tweede eeuw op de Brabantse zandgronden verdween. Langzaam maar zeker verdween ook in andere regio's de geldeconomie, als laatste in de eerste helft van de vijfde eeuw in het voormalige Bataafse stamgebied, met als hoofdplaats Nijmegen.

    Het mag echter duidelijk zijn dat zonder het grafbestel en economische aspecten hierbij te betrekken, het lastig is tot een afgewogen synthese te komen. Malta-onderzoek kan weliswaar belangrijke nieuwe inzichten opleveren, bijvoorbeeld in de ogenschijnlijk sturende rol van het Romeinse gezag in een groot deel van de vijfde eeuw, afgeleid uit de genoemde schatvondsten. Nieuwe of afwijkende typen gebouwplattegronden ofveranderingen in de nederzettingsdynamiek vallen echter pas op wanneer meerdere onderzoeken bijeengezet kunnen worden, liefst binnen een regionaal kader. In het kader van het Oogst voor Malta-project is getracht de bouwstenen voor bredere analysen bijeen te brengen. Zo leveren opgravingen als die te Alphen, Breda en Tilburg voldoende aanwijzingen op om vast te stellen dat in westelijk Noord-Brabant de (her)kolonisatie van het platteland in de Merovingische tijd vroeger verliep dan het model dat Theuws schetst voor de ontwikkeling in oostelijk Noord-Brabant. En dan is het jammer om te constateren dat de beschrijvingen van de gebouwplattegronden en materiŽle cultuur in de bestudeerde rapporten vaak schromelijk tekort schieten.

    De analyse van de nederzettings- en gebouwplattegronden, hutkommen en materiaalgroepen als aardewerk en munten heeft aangetoond dat de meerwaarde bij toekomstige analysen bij uitstek met een regionale aanpak te behalen valt. Daarnaast moet de kwaliteit van de gepresenteerde gegevens in de Malta-rapporten echt verbeterd worden. Feit is wel dat er nog steeds oud onderzoek onuitgewerkt op de plank ligt, zonder welke essentiŽle onderzoeksvragen naar basale ontwikkelingen in de periode tussen 300 en 600 voorlopig onbeantwoord zullen blijven.

    Commentaar: het is inderdaad een grote uitdaging gebleken om de historische bronnen in samenhang te interpreteren. Als ten eerste blijkt dat die historische bronnen uit Frankrijk en Italië komen, zal toch allereerst aangetoond moeten worden dat deze over Nederland gaan. En dat nu blijkt allerminst het geval. Waarom zouden Franse kroniekschrijvers wel over gebeurtenissen in een ver en leeg land schrijven en hun eigen land onbeschreven laten? De hier genoemde kloof blijkt nog steeds niet gedicht. Dat kan ook niet aangezien het grote verhaal niet over Nederlandf gaat, maar over Francia. Het 'kleine verhaal' wordt in nederland steeds bevestigd in allerlei opgravingen. Steeds wordt het beeld van kleine boerengemeenschappen bevestigd, waarbij slechts enkele kleine hoeven worden aangetoond. Van een elite van Merovingische of Frankische vorsten wordt in Nederland geen spoor gevonden. De problematiek blijkt nogaal aak te maken te hebben met 'het interpreteren' en 'dateren' van de aangetroffen gebouwplattegronden.

  2. Nederland in de Romeinse tijd.. (AiN nr.4, september 2018). Ruurd Binnert Halbertsma.
    Het is dus duidelijk dat de archeologie van de Romeinse provincies een centrale plaats innam in de perceptie van Reuvens. Hij stelde dossiers samen over de altaren van Nehalennia, die in Zeeland waren gevonden, en over de zogenoemde 'Romeinsche legerplaatsen' in de provincie Drenthe, die volgens hem niet Romeins waren. Toen het landgoed Arentsburg bij Den Haag te koop kwam, overtuigde hij het ministerie om het huis en de landerijen aan te kopen: hier waren immers in het verleden belangrijke Romeinse vondsten gedaan, en het vermoeden bestond dat op deze plaats het Romeinse Forum Hadriani had gelegen, dat bekend was van de oude wegenkaart, de Tabula Peutingeria na. Tussen 1827 en 1834 groef Reuvens hier elke zomer, en legde hij een belangrijk gedeelte van de hoofdstad van de Cananefaten bloot. Wanneer de bezoeker de vernieuwde afdeling op de tweede verdieping van het museum (RMO) betreedt, wordt het meteen duidelijk waaraan wij de vier eeuwen durende Romeinse aanwezigheid te danken hebben: het Romeinse leger. Na een kennismaking met generaal Julius Caesar, die hier staat opgesteld met portretbuste en het 'nieuwe gezicht' dat archeoloog en fysisch antropoloog Maja d'Hollosy voor hem maakte, ziet de bezoeker de enorme impact die de Romeinse militaire aanwezigheid op het landschap in de Lage Landen heeft gehad. De geromaniseerde Kelten en Germanen (vaak in het bezit van het Romeinse burgerrecht) bleven hun eigen lokale godinnen en goden vereren. Maar het feit dat zij Latijn spraken en deze taal ook gebruikten voor wij-inscripties op altaren, maakt dat de namen van deze godheden in de Romeinse tijd voor het eerst vastgelegd werden in schrift. In de geschreven bronnen komen deze (germaanse) godheden niet voor.

    Commentaar: de auteur van dit artikel is de zoon van Herre Halbertsma
    (zie daar). Halbertsma houdt vast aan de traditionele opvattingen en benadrukt weer eens dat we toch veel te danken hebben aan de vier eeuwen Romeinse bezetting. Vier eeuwen? Misschien net twee, en dan nog met enkele lege perioden! Om die geschiedenis te laten beginnen met Julius Caesar moet toch ook bij Halbertsma bekend zijn dat het een onbewezen hypothese is. Lees meer bij Julius Caesar. Een volgende mythe die hij aanhangt is dat de Germanen Latijn spraken. Dat kun je volgens hem dus afleiden uit inscripties op wij-altaren. Lees meer over de door Halbertsma genoemde Bataafse god Magusanus.

  3. Bagger. (AiN nr.4, september 2018). Column van Paul van der Heijden.
    Het zal niemand zijn ontgaan: de grootste archeologische vindplaats uit de nederlandse geschiedenis ligt op de noordoever van de Maas bij Dreumel. Hoe mooi de vondsten ook zijn, het hele project legt op een pijnlijke wijze bloot dat het huidige archeologische bestel op meerdere vlakken faalt. Het toont wat mij betreft weer eens aan dat de factor 'kenniswinst' veel meer waarde moet krijgen. De tweede pijnlijke constatering: het archeologisch bestel heeft al gefaald in de beschcerming, maar is kennelijk ook niet in staat om de betreffende archeologen (Kerkhoven en zijn vrijwilligerss) een helpende hand toe te steken. Laten we er vooral van leren. Het archeologisch bestel is met de beste intenties opgezet, maar in sommige gevallen is het bagger. Commentaar: Van der heijden constateert hier dus twee zaken: onvoldoende aandacht van instanties en dat het soms bagger is. Nu is dat laatste zeker het geval. Teveel Romeinse forten zijn nooit teruggevonden dan slechts in de vorm van wat opgebaggerde relicten. Toch blijft men de namen van die forten hanteren als zekerheden. Dat instanties onvoldoende aandacht zouden hebben voor Romeinse relicten is wellicht geheel terecht. Degene die kennis van zaken hebben weten dat het Romeins in Nederland weinig heeft voorgesteld, zoals W.A. van Es in 1981 al constateerde. Van der Heijden wil dat Romeins in Nederland en in zijn stad Nijmegen graag wat opblazen, zoals ook blijkt uit zijn boeken. Lees meer over
    Van der Heijden. Misschien is het een goed idee dat Van der Heijden de aandacht voor de archeologie in zijn eigen stad eens wat meer zou bevorderen, want Nijmegen geeft daarin een uitzonderlijk slecht voorbeeld. Zie hierboven bij aandacht voor de oorlog in Nijmegen.


  4. (AWN nr.4, september 2018).
    Drents Museum neem stelling in 'Zaak vermaning'.Het Drents Museum doet er niet meer schimmig over: de grote Neanderthaler-vondsten van Tjerk Vermaning zijn vervalsingen, Daarmee neemt het museum stelling in een kwestie die de amateurar-cheologie, hoe je het ook wendt of keert, in ťťn klap op de kaart zette. In januari 1965 meldde grasmaaimachineslijper Tjerk Vermaning archeologische vondsten die hem vervolgens de bekendste amateurarcheoloog van Nederland maakte. Het ging om twee groepen werktuigen die 50.000 jaar geleden door Neanderthalers gemaakt zouden zijn.
    Commentaar:Het was in 1966 de grote deskundige Jules Bogaers die het volgende stelde: "Delahaye is Vermaning niet. Dat is toen een heel slechte, onfatsoenlijke kwestie geweest. Ik sta achter Vermaning, maar deze Delahaye? Die daast maar door, die gaat z'n gang maar." Dat zich met Delahaye nog een slechtere en nog onfatsoenlijkere kwestie heeft voorgedaan, vermeldt Bogaers wijzelijk niet. Bogaers was namelijk zelf een van de onfatsoenlijkste bestrijders van alles wat Delahaye naar voren bracht. Als je iemand een ernstig ziektegeval noemt en een doordrammer, ga je toch echt niet integer en wetenschappelijk te werk. Bogaers begreep maar al te goed dat als Delahaye gelijk heeft, hij als wetenschapper had afgedaan.
    Maar hoe liep het af met Vermaning? Vondsten Tjerk Vermaning vals: AD/AC. 14-12-2004. Bogaers ging hier dus af als archeoloog: De vondsten van Vermaning bleken vals en Bogaers had ongelijk met zijn opvatting dat de vondsten van Vermaning echt waren. De vraag is of Bogaers de vondsten ooit zelf onderzocht had of dat hij slechts anderen napraatte wat doorgaans zijn 'wetenschappelijk werk' was. En nu na 14 jaar neemt ook het Drents Musem eindelijk stelling. Maar ja, geschiedenis heeft alle tijd.



  1. Leven langs een oude rivier. Duizend jaar wonen aan een restgeul in Houten-Castellum. (AiN nr.3, juli 2018).
    De Houtense woonwijk Castellum is ingericht naar het grondplan van een Romeins legerkamp. Toch zijn er in de bodem geen resten van een castellum aanwezig. Omstreeks het begin van de tweede eeuw na Christus was er een grote overstroming. De bewoners uit die tijd zullen er flink last van hebben gehad. Omstreeks het begin van de jaartelling was het gebied echter ingelijfd bij het Romeinse rijk en vonden er veel ingrijpende veranderingen plaats. De aanwezigheid van het Romeinse legerapparaat was merkbaar. Op nog geen 5 kilometer afstand van Castellum lag namelijk het militaire kamp Vechten, dat vanaf omstreeks 5 na Christus in gebruik zal zijn geweest. De sporen en vondsten uit deze fase vertellen een interessant verhaal. Zo vinden we aanwijzingen voor de aanwezigheid van migranten en hadden de bewoners sterke banden met het Romeinse leger. In de eerste decennia van de eerste eeuw na Christus stonden er waarschijnlijk twee huizen op de oever. Helaas zijn hun sporen slecht bewaard gebleven. Deze veronderstelde herkomst van de nieuwkomers valt samen met wat we weten van de Romeinse schrijver Tacitus. In zijn Annales (I,60-2 en II,17) vermeldt hij namelijk dat de Chauken in 15 en 16 na Christus deelnamen aan de veldtochten van Germanicus.
    AI met al lijken de vroegste Romeinse vondsten erop te wijzen dat er in Castellum in de eerste decennia van de jaartelling nieuwkomers uit het noorden neerstreken die deelnamen aan de veldtochten van Germanicus. Mogelijk zijn de nakomelingen van deze eerste Chaukische soldaat vervolgens langs de restgeul blijven wonen en dienden zij, in de voetsporen van hun vader, ook in het Romeinse leger. Dat de oever inderdaad bewoond bleef, blijkt uit de vondst van twee of misschien zelfs drie erven uit de periode vanaf 40 na Christus.
    Commentaar: het is wel duidelijk dat ook hier weer een Romeinse fabel wordt verteld en in stand gehouden. En kan het nog langer volgehouden worden dat de transgressies
    (zie daar) niet bestaan hebben? En op woorden als 'zal zijn geweest' , 'waarschijnlijk' , 'slecht bewaard' , 'lijken' en 'mogelijk' baseert men de geschiedenis. Wat Tacitus in zijn Annalen vermeldt, is iets anders dan wat hier geïnterpreteerd wordt.

    In Tacitus Annales I,60-2 staat: 'En, opdat de oorlog niet in één lawine op zijn dak zou vallen, zond hij, om de vijand uiteen te trekken, Caecina met 40 Romeinse cohorten door het gebied van de Bructeren naar de rivier de Eems, de prefect Pedo voerde de ruiterij via het grensgebied van de Friezen. Zelf scheepte hij vier legioenen in en vervoerde ze over de meren; en tegelijkertijd kwam het voetvolk, de ruiterij en de vloot bij de bovengenoemde rivier samen. Omdat de Chauci hulptroepen toezegden, zijn ze in het leger opgenomen.'. het gaat in deze tekst dus helemaal niet over Nederland, maar over de 'Bructeros ad flumen Amisiam'. En dan moet eerste bewezen worden dat die Amisiam wel de Eems is. Het was de Hem (zie daar) in Frans-Vlaanderen.
    In Tacitus Annales II,17 lezen we het volgende:
    2.17.1. Toen Germanicus de horden Cherusken gezien had die razend tevoorschijn gesprongen waren, beval hij de dapperste ruiters hen in de flank aan te vallen en Stertinius met de overige eskadrons een omtrekkende beweging te maken en hen in de rug aan te vallen, zelf zou hij, al naar gelang de omstandigheden, steun bieden.
    2.17.2. Intussen vond een allerschitterendst voorteken plaats: acht adelaars vlogen naar de bossen en verdwenen daarin, de aanblik hiervan trok de aandacht van de bevelhebber. Hij riep uit dat zij op moesten trekken, de Romeinse vogels moesten volgen, de specifieke beschermmachten van de legioenen.
    2.17.3. Tegelijk rukte de infanterie op en dreef de vooruitgezonden ruiterij de achterhoede en de flanken voort. En, wonderlijk om het te zeggen, twee slagorden vijanden sloegen in tegengestelde richtingen op de vlucht, zij die het bos onder controle gehouden hadden, renden naar de open vlakte, zij die zich op de vlakte opgesteld hadden, renden het bos in.
    2.17.4. Midden tussen dezen in werden de Cherusken van de heuvels verdreven, onder hen viel Arminius op die met armzwaaien, roepen en wonden het gevecht probeerde te consolideren. En hij had zich al op de boogschutters gestort, zou daar ook een doorbraak geforceerd hebben als niet cohorten Raetii, Vindelicii en GalliŽrs hun veldtekens in de weg geplaatst hadden.
    2.17.5. Toch slaagde hij er nog in door te breken met een uiterste krachtsinspanning en de vurigheid van zijn paard, zijn gezicht besmeurd met zijn eigen bloed om te verhinderen dat hij herkend zou worden. Sommigen hebben overgeleverd dat hij herkend is door de Chauken die zich onder de Romeinse hulptroepen bevonden maar dat ze hem hebben laten ontsnappen. Dapperheid of liever eenzelfde verraad heeft Inguiomerus de kans op een ontsnapping geboden: de overigen zijn massaal afgeslacht.
    2.17.6. En zeer velen die probeerden de Wezer over te zwemmen zijn getroffen door werptuigen of meegesleurd door de stroming van de rivier, tenslotte ook wel bedolven onder de massa die zich in het water stortte en oevers die bezweken. Sommigen die zich in een schandelijke vlucht in de kruinen der bomen schrap zetten en zich tussen de takken probeerden te verbergen werden doorboord door opgetrommelde boogschutters die daarvan een spelletje maakten, anderen vielen te pletter toen men de bomen omhakte.'

    Ook hier gaat het niet over Nederland of Houten. Er is sprake van heuvels, een (groot) bos en open vlakten, De cohorten Raetii, Vindelicii en GalliŽrs geven al aan dat deze strijd zich in Frankrijk voordeed, waar Arminius verbleef. De hier genoemde rivier de Wezer stroomt ook al niet in Nederland. Maar was het wel de Wezer? Tacitus noemt de Visurgim en dat was de Wimereux in Frans-Vlaanderen. De strijd die Germanicus voerde als revanche op het verlies van de Varusslag vond paats aan de kust van de Oceaan en niet ergens in midden-Duitsland. Door de onjuiste opvatting van de rivieren Amisia als Eems en Wisurgis als Wezer is dirt verhaal in Noord-Duitsland terecht gekomen. In de jaren 15 en 16 na Chr. was er nog geen enkele Romein in Duitsland of Nederland geweest.

  2. Een publieksopgraving in Dalfsen. (AiN nr.3, juli 2018).
    In 2015 is niet alleen een grafveld uit de trechterbekerperiode gevonden, maar ook enkele graven uit de daaropvolgende enkelgraf- en de klokbekerperiode, een crematiegrafveld uit de bronstijd, nederzettingsresten uit de brons- en de ijzertijd (1300-500 voor Christus), een klein maar rijk grafveld uit de zesde eeuw na Christus, sporen van houtskoolproductie in de vroege middeleeuwen en sporen van bewoning uit de middeleeuwen en nieuwe tijd (900-1900 na Christus). De belangrijkste informatie juist uit datgene dat niet werd aangetroffen. Zo zijn er geen sporen of vondsten tevoorschijn gekomen uit de periode van de hunebedbouwers. Sporen van graven uit de periode van de enkelgrafcultuur en klokbekerperiode zijn ook niet aangetroffen. Bewoningsresten uit de late ijzertijd en Romeinse tijd zijn wel op dezelfde dekzandrug aangetroffen bij opgravingen in 2005 in de ten westen van Oesterdalfsen gelegen nieuwbouwwijk Gerner Marke. Net als in 2015 ontbreekt ook nu aardewerk uit de latere ijzertijd en de Romeinse tijd, maar dit is wel gevonden in de ten westen van het plangebied gelegen nieuwbouwwijk Gerner Marke. De spectaculaire vondsten uit de graven die gedateerd werden in de zesde eeuw na Christus deden vermoeden dat een (bijzondere) nederzetting niet ver weg zou zijn. Tijdens de publieksopgraving zijn echter geen sporen van boerderijen uit deze periode tevoorschijn gekomen. Hieruit kunnen we de conclusie trekken dat er geen directe relatie is tussen de ligging van graven en bewoning.
    Commentaar: ziet U ook weer het gat tussen de tijd voor Christus en de 10e eeuw. Slechts een klein grafveld uit de zesde eeuw met de nodige vraagtekens onderbreekt hier een periode van ruin 14 eeuwen met niets! De sporen uit de Romeinse tijd blijken aardewerk te zijn.

  3. Excalibur uit de Utrechtse modder. (AiN nr.3, juli 2018). Jan van Doesburg en Herre Wynia.
    Bij het uitbaggeren van de Kromme Rijn bij Utrecht werd een zwaard gevonden. Op basis van deze kenmerken kan het zwaard uit de Kromme Rijn in de negende eeuw worden gedateerd. Er is slechts één ander exemplaar van dit type bekend. In 1972 is in de uiterwaarden bij Elst (provincie Utrecht) een vergelijkbaar exemplaar opgebaggerd. Ook voor Europese begrippen is dit een zeldzaam zwaard. Er zijn in totaal bijna tachtig zwaarden van Petersens type K gevonden. Ze komen in relatief grote aantallen voor in Kroatië, Bosnië Herzegovina, Noorwegen en Ierland. Ze zijn echter opvallend genoeg niet in een van deze landen gemaakt. Dit type zwaard is in het Frankische Rijnland gefabriceerd, van waaruit ze op allerlei manieren hun weg naar de rest van Europa vonden. Frankische zwaarden waren vanwege hun hoge kwaliteit geliefde wapens. Utrecht bezit nog meervroegmiddeleeuwse zwaarden. In de collectie van het Centraal Museum bevinden zich twee exemplaren die eveneens in en rond Utrecht zijn gevonden. In 1955 is bij de aanleg van een riool in de Abstederdijk, vlakbij een oude loop van de Vecht, een tiende eeuws zwaard aangetroffen. In de kling was de naam INGELERNI ingelegd. Het tweede zwaard is in 1941 bij een zandafgraving langs de Vecht bij Maarssen tevoorschijn gekomen en dateert uit de tiende of de elfde eeuw.
    Het is niet duidelijk aan wie het zwaard uit de Kromme Rijn neeft toebenoord. Zwaarden waren in die tijd vrij kostbaar en lang niet iedereen kon zich een dergelijk wapen veroorloven. Het zou het eigendom van een Viking kunnen zijn geweest, maar evenzogoed van een edelman behorend tot de entourage van de bisschop of een handelaar. Ook weten we niet of het zwaard ooit bij een gevecht is gebruikt. Er zijn tal van scenario's mogelijk en we laten dit aan de fantasie van de lezer.
    Commentaar: als die fantasie van de lezer nu maar niet blijft hangen op het woord 'Viking'. Daarmee zou dan weer een oude mythe kunnen worden geassocieerd, immers er is geen enkel bewijs (ooit gevonden of aangetoond) dat de Vikingen in Nederland geweest zouden zijn. Lees meer over
    de Noormannen.


  1. Dertig eeuwen bewoningsgeschiedenis. Een historisch cultuurlandschap in Aarle, gemeente Best. (AiN nr.2, april 2018).
    De Romeinse nederzettingen hadden eenzelfde karakter als die uit de midden- en late ijzertijd. Het gaat om nederzettingsarealen met een beperkte omvang, waarbinnen nieuwe huizen op korte afstand van zojuist verlaten huizen werden gebouwd. In eerste instantie waren op elke nederzetting slechts ťťn of twee erven tegelijk aanwezig. In de derde eeuw na Christus waren er waarschijnlijk meerdere huizen per nederzetting en verscheen ook een derde bewoningskern iets meer naar het oosten. Hoewel er geen directe aanwijzingen gevonden zijn voor een weg of pad op deze locatie, lijkt het er toch sterk op dat de huizen (in ieder geval die uit de tweede en derde eeuw) aan een doorgaande verbindingsweg lagen.
    Een nieuw begin op de drempel van de tiende eeuw. Na de Romeinse tijd bleef het gebied lange tijd onbewoond. De bewoning werd gevormd door een tot drie gelijktijdig functionerende erven. Tot het einde van de twaalfde eeuw waren de erven bijzonder plaatsvast.
    Commentaar:die dertig eeuwen is sterk overdreven en is voorzien van de nodige gaten en onbewezen opvattingen, wat wel blijkt uit woorden als 'lijkt het er op' en 'geen aanwijzingen' en 'waarschijnlijk'. Tussen de Romeinse tijd en de tiende eeuw zat in elk geval een groot gat. En tussen tiende eeuw en 12e eeuw gaat het om slechts drie erven.

  2. De middeleeuwse stadsverdediging van Utrecht. (AiN nr.2, april 2018).
    De vroegste verdedigingswerken van Utrecht. Nu we een beeld hebben van wat er in de eerste fase als verdedigingswerken om Utrecht heen stond, kunnen we kijken naar de datering. Twee momenten zijn voorheen aangenomen als begin van de Utrechtse stadsverdediging: de regeerperiode van bisschop Koenraad, van 1076 tot 1099, of het moment dat de stad stadsrechten kreeg, in 1122. Volgens Calkoen zou de eerste verdediging, naast de burcht van de bisschop, pas nodig zijn geweest toen de versterking IJsselmonde (ten noordwesten van Utrecht) viel en een aanval van de Hollanders dreigde. Van der Vlerk zegt echter dat de eerste fase pas begint in 1122, toen de stadsrechten werden bevestigd door keizer HendrikV. Een stad moest deze rechten bezitten voordat het toegestaan was om een stads-verdediging aan te leggen. De stadsrechten werden mogelijk echter al eerder aan Utrecht gegeven door bisschop Godebald, die in 1114 werd aangesteld als bisschop van Utrecht. De bouw van de Utrechtse stadsverdediging zou dus ook al tussen 1114 en 1122 (het jaar dat Hendrik V de stadsrechten bevestigde) kunnen zijn begonnen.
    Commentaar: als historici het al niet eens kunnen worden over feiten uit het tweede millennium, hoe zeker zijn hun opvattingen dat over het eerste millennium?

  3. Tweehonderd jaar opgraven met het RMO. (AiN nr.2, april 2018). Door Annemarieke Willemsen
    De tweede grote opgravingvan het RMO vond plaats in de jaren veertig van de negentiende eeuw, toen conservator Leonard Janssen werd geconfronteerd met grootschalige beenderdelvingen in de omgeving van Wijk bij Duurstede, voor de lijm- en mestfabrieken. Daarbij kwamen 'Vikingsieraden' en Karolingische munten naar boven. Janssen publiceerde vervolgens verslagen in de door het RMO uitgegeven Oudheidkundige Verhandelingen en Mededeelingen met lithografieŽn van de vroegmiddeleeuwse vondsten: typisch Karolingische scherven, zilveren sieraden, benen gebruiksvoorwerpen en loden schijven met muntstempels. Hierin geeft hij een goed overzicht van de vroegmiddeleeuwse stad die hij, en met hem de meeste Wijkers, herkenden als het 'beroemde oude Dorestad'.
    Het Utrechts Genootschap voor Kunsten & Wetenschappen schreef een wedstrijd uit voor een artikel over wat er gevonden was. Janssen won en publiceerde een artikel met een lijst van de belangrijkste vondsten in zijn Leidse museum en de hem bekende privťcollecties. Zijn uitvoerige verslag stimuleerde het Ministerie tot het financieren van 'reguliere opgravingen' op de site onder zijn leiding.
    In 1919 werd Jan Hendrik Holwerda directeur van het RMO. Zijn opvattingen waren voor lange tijd gezaghebbend. Na de oorlog veranderde de rol van het RMO in Nederland. In 1951 werd de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) opgericht, die voortaan opgravingen ging uitvoeren, ook in Dorestad. Toen in 1967 bleek dat Holwerda het behoorlijk mis had gehad en dat de 'baby-boom-nieuwbouw' in Wijk bij Duurstede alsnog een groot en onbekend deel van de vroegmiddeleeuwse stad aan het verwoesten was, werd daar vanaf begin juni 1967 een grote opgraving uitgevoerd door de ROB, onder leiding van Wim van Es en Pim Verwers. In de tien jaar die de opgraving duurde, werd een ongelooflijke in totaal 35 hectare vlakdekkend onderzocht. Deze opgraving werd in 1977 afgesloten.
    In 1969 werd de grote fibula gevonden. Omdat het onwenselijk was een vondst uit het geheel te lichten, werd in 1978 het complete vondstcomplex Dorestad vanwege het nationale en internationale belang ervan aan het museum toegewezen: alle honderdduizenden vondsten en alle bijbehorende documentatie. In het RMO werd de Fibula van Dorestad snel een icoon van de hele Nederlandse archeologie, die tot vervelens toe op omslagen van boeken, tijdschriften en catalogi is afgebeeld.
    Commentaar: blijkbaar heeft Annemariek Willemsen dat verslag van Janssen toch niet goed of misschien wel helemaal niet gelezen. Janssen was namelijk niet overtuigd dat het hier om 'Dorestad' ging. Janssen was predikant en vanaf 1865 conservator van het Museum van Oudheden te Leiden. De naam Dorestad komt in zijn rapport aan de minister (17 maart 1842) niet voor. Janssen suggereert op de plaats van de beendergraverijen een "Germaanse Offerplaats". De naam Dorestad wordt in dit rapport niet ťťn keer genoemd. Ook in de door het P.U.G. in 1842 n.a.v. de Wijkse vondsten uitgeschreven prijsvraag (Janssen 1842, 72) komt de naam Dorestad niet voor, evenmin als in Janssens artikel van 1842, dat een nadere uitwerking was van zijn rapport van 17 maart aan de minister. Pas in 1843 na beŽindiging van zijn opgravingen bracht Janssen Dorestad - overigens zeer terloops - met de te Wijk bij Duurstede gevonden archaeologica in verband (Janssen 1843, 170-188). Hoe kwam men dan op het idee dat de gevonden nederzetting Dorestad zou zijn? Door gebrek aan kennis. Veel teksten over Dorestate waarin de kenmerken van de plaats genoemd werden, kende men niet. Men had de klok horen luiden, maar wist niet waar de klepel hing. Op grond van een gerucht werd Wijk bij Duurstede Dorestate. En dat gerucht is nog steeds uitgangspunt van de algemeen gehanteerde opvatting. Lees meer bij
    Dorestad. De 'tot vervelend toe' afgebeelde fibula werd en wordt nog steeds misbruikt als het grootste (en enige) bewijs om van de opgegraven nederzetting een rijke Christelijke handelsplaats te maken.



  1. (AiN nr.1, maart 2018). Dorpsvorming in Nederland.
    De Nederlandse archeologie kent een lange traditie van neder-zettingsonderzoek. Ondanks het aanzienlijke aantal relevante opgravingen moesten we na verdere analyse van de rapporten concluderen dat de data - binnen de gegeven aanpak - slechts van beperkt nut zijn om te komen tot een synthese over dorpsvorming. Dit heeft een aantal oorzaken. Op de eerste plaats wisselde de kwaliteit van de data in Archis aanzienlijk. We vonden talloze onvolledige records, inconsistente beschrijvingen en doublures. De tweede reden voor het bescheiden nut van de opgravingsgegevens is dat de omvang van de opgravingen doorgaans niet toestaat uitspraken te doen op het niveau van de nederzetting. Tot slot moet worden vastgesteld dat er nauwelijks dorpen zijn met meerdere relevante opgravingen. Aangezien geen enkele opgraving een geheel dorp omvat, moet de vorming en ontwikkeling van deze nederzettingen worden gereconstrueerd uit meerdere archeologische waarnemingen, bij voorkeur uit hetzelfde dorpsareaal. Dit blijkt problematisch; in slechts zes dorpen waren drie of vier bruikbare vindplaatsen beschikbaar.
    Warnsveld: Historisch onderzoek geeft aanleiding te veronderstellen dat het gebied in de Karolingische tijd koninklijk bezit was met hoeven te Eme, Leesten en WarnsveLd. Deze werden waarschijnlijk bewoond door zogenaamde milites agrarii, vrije boeren die militaire diensten verleenden aan de koning. De vondst van een Merovingisch krijgersgraf in Leesten illustreert de martiale status van de voorgangers. In de late negende en vroege tiende eeuw treffen we hier sporen van houtskool en ijzerproductie aan. Deze was ongetwijfeld bestemd voor de smederijen in de nieuwe ringwalburg die werd aangelegd in Zutphen na de Vikingaanval in 882. De bewoning te Eme kwam rond deze tijd op een vaste plaats te liggen en bestond uit een groepje van drie hoeven aan een doorgaande weg met (mogelijk al) drie andere hoeven daaromheen. Deze boerderijen waren onderdeel van het domeingoed Horselder, dat eigendom was van de priorij van de Sint-WaLburgiskerk en tot haar oudste bezittingen behoorde. Deze goederen waren waarschijnlijk geschonken door Bernhold, de bisschop van Utrecht die in 1046 ook graaf van Zutphen werd.
    Commentaar: wat in het artikel geschets wordt, namelijk dat op grond van historisch onderzoek we goed geÔnformeerd zijn welke factoren in algemene zin een rol speelden in dorpsvorming, blijkt allerminst het geval te zijn en al helemaal niet uit archeologische bevindingen. De vier thematische kaders: macht, dwang en heerlijkheid; collectief bestuur en het vastleggen van grondbezit; akkersystemen en het beheer van grondstoffen; en urbanisatie en integratie in een markteconomie, zijn niet uit de archeologie vast te stellen. Als voorbeeld wordt Warnsveld genoemd. Zie de onderstreepte woorden. Van een Vikingaanval in 882 is in Zutphen geen enkele sprake geweest. Zutphen bestond niet eens in die tijd. Zie bij
    Zutphen. Enmet gegevens uit de 11de eeuw bewijs ook niets over de 9de eeuw.

  2. (AiN nr.1, maart 2018).De Bronssmid en de zilverschat. Opgravingen op het rivierduin van Cuijk-De Nielt.
    De overgang tussen de late ijzertijd en de Romeinse tijd (ongeveer 150 voor Christus-1 na Christus) is op de meeste archeologische vindplaatsen een moeilijk grijpbare periode. Zo ook op De Nielt. We weten niet zeker of er in deze periode mensen woonden op het duin. Vanaf de vroege Romeinse periode (19 voor Christus-70 na Christus) wordt het beeld weer duidelijker. In de midden-Romeinse tijd, vanaf ongeveer 70 na Christus, namen de landbouwactiviteiten in omvang toe. Nog wat later in de Romeinse tijd (ongeveer 200-250 na Christus) begonnen sommige bewoners ook ambachten uit te oefenen, waaronder metaalbewerking en pottenbakken. In de tweede helft van de vierde eeuw na Christus veranderde er iets wezenlijks. Tot dat moment pasten de huizen en gebruiksvoorwerpen in een inheems-Romeinse traditie die zich vanaf de eerste eeuw na Christus had ontwikkeld. Na 350 na Christus verschenen er ineens zogenaamde hutkommen: rechthoekige kuilen die waren overkapt met een dak. Deze hutkommen wijzen in combinatie met de vondsten (delen van gordels en haarnaalden) op de aanwezigheid van Germaanse immigranten. Opvallend is het militaire karakter van sommige vondsten. We weten dat de Romeinse overheid Germaanse soldaten inhuurde voor de verdediging van het Romeinse rijk. Na de Romeinse tijd lijkt De Nielt lange tijd niet te zijn gebruikt. Pas in de volle middeleeuwen (1000-1300) is er weer activiteit.
    De vondst van munten: De schat bestaat uit 111 zilveren denarii, 29 zilveren antoniniani (dubbele denarii) en 1 bronzen sestertius. Op een na zijn alle munten te dateren tussen 193 en 253 na Christus; ze zijn geslagen onder een reeks van Romeinse keizers. De jongste munt geeft aan dat de schat na 251-253 na Christus in de grond moet zijn terechtgekomen. Een ander belangrijk aanknopingspunt is de periode waarin de schat waarschijnlijk is verstopt: niet lang na de jaren 251-253 na Christus. In de periode rond 260 na Christus werden er veel schatten verstopt in de grond, zo weten we uit archeologisch onderzoek. Dit heeft alles te maken met de onveiligheid die er in deze periode heerste in de noordelijke streken van het Romeinse rijk. De situatie was erg onrustig en onveilig door plunderende Germanen uit het noorden. Tussen ongeveer 260 en 293 na Christus was het zeer onrustig in onze streken en viel het Romeinse gezag tijdelijk weg. Als de schat in deze periode is verstopt, zou het weleens kunnen gaan om een noodschat. Op de vlucht voor plunderaars heeft de bewoner zijn kapitaal snel begraven, in de hoop het later weer te kunnen ophalen. Dat is echter nooit meer gebeurd.
    Commentaar: ook hier wordt de Romeinse tijd vanaf 19 voor Chr. gedateerd, wat een onbewezen aanname van Nijmegen is.
    Zie daar. Volgens Paul van der Heijden (zie daar) verbleven er tussen 16 voor en 70 na Chr. geen Romeinen in Nederland. Ook hier zien we weer het bekende gat tussen de Romeinse tijd en de 11e eeuw. Over de invallen van Germaanse stammen lees je bij Stijn Heeren juist het tegenover gestelde. Zie daar

  3. (AiN nr.1, maart 2018).Een nieuwe 'Koptische' schaal uit Ewijk.
    In december 2016 kocht het Rijksmuseum van Oudheden van een Nijmeegse particulier een grote bronzen schaal, gevonden in het Gelderse Ewijk met behulp van een metaaldetector. De schaal vertoont slijtage en gebruikssporen. Op de bodem is een kruis ingekrast. Koptisch vaatwerk, bestaande uit enerzijds bronzen schalen en steelschalen op een voet en anderzijds hengelkannetjes, is al sinds de negentiende eeuw bekend uit vroegmiddeleeuwse context, soms als baggervondsten, maar meestal uit rijke graven en daar ook wel in combinatie, als 'set' van kannetje en schaal. Ze zijn gegoten, op een draaischijf afgemaakt en gepolijst. Het vaatwerk is zeldzaam en luxueus, waardoor men in de negentiende eeuw aannam dat de schalen en kannetjes in de vroege middeleeuwen gebruikt waren in de christelijke eredienst (men dacht aan hosties en miswijn) en men ze daarom koppelde aan de Koptische kerk. In Egypte en SyriŽ zijn veel bronzen schalen en kannen teruggevonden, maar die bleken later significant afte wijken van de Europese. Ze hebben waarschijnlijk niets te maken met de eredienst, maar aangezien de elite ook in deze tijd overgaat op het christendom, is het niet uitgesloten dat de bronzen objecten een christelijke connotatie hadden of later kregen - de kruisen op de bodems van de schalen zoals in Ewijk wijzen daarwel op.
    Commentaar: ook hier weer veel speculatie door Annemarieke Willemsen. Zo schrijft men geschiedenis in Nederland van 'waarschijnlijk' tot 'best mogelijk'.


    (AWN nr.1, maart 2018).
  4. Romeins grijs aardewerk. Voor het determineren van Romeins aardewerk bestaat een procedure die nauwkeurig gevolgd moet worden. Binnen de categorie 'grijs aardewerk' bestaan er meerdere soorten aardewerk, namelijk Low Lands Ware of LLW (zie kader), Bataafs Grijs en overige, regionaal gebakken soorten. De meeste problemen ervaren we bij de scherven onder de noemer 'Bataafs grijs'. Bataafs grijs is een heterogene groep baksels, wat betekent dat zij uitverschillende herkomstgebieden komen met elk hun eigen vormtypes. Tijdens het uitwerken van de vondstlocatie Werkhoven - Reinhardshoeve vonden we zes scherven die niet van het LLW-type waren. Na deze voorgelegd te hebben aan Julie van Kerckhove en Joep Hendriks bleken vijfscherven uit Noord-Frankrijk te komen, waar dit type veel is geproduceerd.
    Commentaar: wordt men in Nederland nu eindelijk wakker en komt men tot de conclusie dat 'Bataafs' aardewerk uit Noord-Frankrijk komt?



Archeologie in Nederland 2017


  1. (AiN nr.5, december 2017).
    Een Merovingisch familiegraf uit Veldhoven. Grootschalig onderzoek in plangebied Zilverackers-Huysackers. Op een voormalig erf van een Merovingische boerderij werden 21 begravingen gevonden. Ze dateren uit de periode 625-725 en bevatten vermoedelijk de lichamen van de bewoners die op dit erf gewoond hebben. In het gebied zijn liefst 42 waterputten gevonden. Bijzonder zijn enkele honderden meters greppels. Er komt nauwelijks vondstmateriaal uit de greppels, dus een preciese datering blijft moeilijk. In de loop van de derde eeuw moet de bewoning van Huysackers zijn verdwenen. Pas in de zevende eeuw zien we in het gebied Zilverackers nieuwe bewoning verschijnen. De bewoning lijkt min of meer continu door te lopen tot in de twaalfde eeuw.
    Wellicht is ťťn kamergraf op een gegeven moment heropend. Mogelijk zijn er toen bijgiften (of zelfs skeletdelen) uit het graf verwijderd. We moeten deze heropening niet zonder meer duiden als grafroof door vroegmiddeleeuwse criminelen. Tegenwoordig denken we dat dit fenomeen ook in verband kan worden gebracht met een vorm van ouderverering, waarvoor de directe nabestaanden graven van overleden (groot-)ouders heropenden en de verzamelde objecten als een soort relieken dienden. De datering van de graven tussen circa 625 en 725 blijft voorlopig gehandhaafd.
    Na 725 zijn in de wijde opgeving geen begraafplaatsen meer te vinden. Archeologen zijn voor de Karolingische periode even het spoor bijster. Pas na 950 vinden we in deze streken weer begravingen.

    Volgens Frans Theuws is het erfgrafveldje dat bij Veldhoven gevonden is illustratief voor een aantal grote veranderingen die rond 700 na Christus in de Zuidnederlandse samenleving plaatsvinden. Uit een aantal oorkonden blijkt dat de missionaris en latere bisschop Willibrord (685-739) een aantal grondschenkingen krijgt van aristocraten. Dit duidt op de opkomst en reorganisatie van regionaal grootgrondbezit. Onze Veldhovense boeren waren hier niet alleen getuige van, maar maakten ook deel uit van deze veranderingen. Onduidelijk is of het vrije boeren waren. Toch vormden zij een klein maar niet onbelangrijk radertje in het grotere politieke en sociaal-maatschappelijke mechaniek. Ongetwijfeld hadden ze van hun tijdgenoot bisschop Willibrord gehoord. Hťťl misschien zelfs hebben zij ooit zelf Willibrord de hand geschud.

    Commentaar: Frans Theuws is hier duidelijk het spoor bijster. Zijn opmerking is in grote tegenspraak wat hij beweerde over de kerken in Brabant
    (zie daar). Excavations of churches in this area have not produced proof that any of them was older than about AD 950. Even stranger is the fact that we have not been able to identify Christian cemeteries from before c. AD 950. Lees daar ook alles over de grondschenkingen van St.Willibrord, wat overigens in Franse oorkonden staat die men in Echternach zou bezitten. Lees daarover bij Echternach en over het corpus van St.Willibrord.. Nederland heeft niets uit die tijd, zelfs geen snipper papier. En verder? Als een preciese datering moeilijk blijft, is het een vraag hoe men dan aan de jaren 625-725 komt. Dat de bewoning 'min of meer lijkt door te lopen' zijn in de archeologie wel vaker gebruikte omschrijvingen. Het 'min of meer lijkt' zal wel betrekkeing hebben op het spoor dat men bijster is tussen 725 en 950.
    Opvallend is de tekst over de heropening van graven, wat in andere culturen o.a. Bolivia, nog steeds gebruikeijk is. Maar is de datering van vondsten in graven daardoor niet altijd aan twijfel onderhevig, zeker als er ook bijplaatsingen hebben plaats kunnen vinden? Ondanks dat er sprake is van twijfel handhaven ze de jaren 625-725, al zet men er nu 'circa' bij.


  2. (AiN nr.5, december 2017).
    Brabantse boerinnen hadden sieraden uit verre streken. Een onderzoek naar een Merovingisch grafveld in Uden werd na de ontdekking door amateurarcheologen daarna uitvoerig onderzocht door de Universiteit Leiden. In de 29 Merovingische graven werden onder meer wapens, gereedschappen, edelstenen en veel persoonlijke sieraden aangetroffen. De overledenen waren met een gouden munt in de mond bijgezet, voor de overtocht naar het hiernamaals. In een vrouwengraf werden sieraden aangetroffen uit verre gebieden, zoals een kralensnoer met kralen uit het Mediterrane gebied en de omgeving van het huidige Turkije. Archeoloog Fokko Kortlang noemde de vondst in het NOS-nieuws bijzonder omdat deze laat zien dat eenvoudige boeren een sterke band hadden met de aristocratische elite. Het grafveld in Uden wordt onder leiding van professor Frans Theuws van de Universiteit Leiden onderzocht voor het Leidse onderzoeksproject Rural Riches, waarin het economisch herstel van West-Europa na de val van het Romeinse Rijk centraal staat.
    Commentaar: ook hier trekt men weer speculatieve conclusies. Over herkomst van mediterrane en Turkse sieraden is niets met zekerheid te zeggen. Het geeft ook allermist aan dat deze eenvoudige Brabantse boerin tot de aristocratische elite zou behoren. Hoe verzin je zoiets? Dat ze boer waren zal beslist zo geweest zijn, want wie bedreef geen landbouw en veeteelt in die tijd? Maar het waren beslist geen Brabantse boeren, immers Brabant bestond nog lang niet. En elite? Behoor je tot de 'voornaamsten' als je een sieraad uit mediterraan gebied bezit? De vaak gebruikte term 'vorstengraf' voor een graf met 'kostbare sieraden' wordt dan in officiŽle publicaties niet meer gebruikt, bij minder kritisch onderzoekers blijft die term blijkbaar nog steeds in gebruik. Opvallend is ook dat de vrouw in dat graf geen Turkse wordt genoemd, terwijl in graven met Romeinse relicten steeds wel een Romeins zou liggen.

  3. (AWN nr.5, december 2017).
    Romeinse greppels langs de Limes. In Valkenburg (ZH) werden, bij onderzoek ten westen van het castelum, Romeinse greppels gevonden die het restant kunnen zijn van een grote veldindeling. Van de Romeinen is bekend dat ze goed konden landmeten. Maar bij Valkenburg is een grotere onnauwkeurigheid (afwijking van 8,5% tegen 1% nauwkeurigheid) mogelijk veroorzaakt doordat de landmeters in de Valkenburger Broek het moerassige gebied moesten werken. De verklaring van die relatie is een probleem. Misschien heeft de middeleeuwse verkaveling de Romeinse veldgrenzen gebruikt, maar van dit soort ontginningen wordt verondersteld dat zij op zijn vroegst uit de achtste eeuw kunnen stammen. In de tussenliggende eeuwen moet het gebied zijn dichtgegroeid, terwijl in dit komgebied van de Rijn regelmatig klei zal zijn afgezet bij overstromingen. Het is niet voorstelbaar dat Romeinse greppels daarna nog herkenbaar waren. Van andere Romeinse infrastructuur is hier in het middeleeuwse landschap in ieder geval niets meer zichtbaar. Zelfs de Romeinse weg, hooggelegen en verstevigd met eiken palen, is verdwenen.
    Het is ook mogelijk dat de greppels niet Romeins, maar middeleeuws zijn. Een standaard van 2000 voet is niet bekend uit de Romeinse tijd, al had het hier een militair doel. Het enige bewijs van een Romeinse herkomst is wat spaarzaam aardewerk in greppel V20a. Misschien is dat er later ingespoeld. Dat de sporen middeleeuws zijn is echter ook niet vanzelfsprekend. De afstanden in middeleeuwse roeden zijn geen ronde getallen. Er zijn ook geen vroegmiddeleeuwse ontginningen bekend die gebaseerd zijn op grote vierkante blokken, terwijI dit wel een Romeins gebruik was. Er zijn ook geen aanwijzingen dat middeleeuwse landmeters over instrumenten beschikten waarmee rechte hoeken over zo'n grote afstand nauwkeurig konden worden uitgezet. Daarnaast zijn de greppels te klein om als afwatering te dienen, wat toch het doel was van een ontginning. Misschien is er helemaal geen relatie tussen de greppels en de middeleeuwse ontginning. Een hypothese bewijzen met getallen is riskant. Er is in de historie veel vreemds 'bewezen' met een selectieve keuze van en ingewikkelde bewerking met getallen.
    Commentaar: het hele verhaal spreekt voor zich, vooral de laatste twee dikgedrukte zinnen. We kunnen hier nogmaals wijzen op
    de transgressies (zie daar), die ná de Romeinse tijd zijn voorgevallen.

  4. (AiN nr.4, september 2017).
    De goudschat van Lienden. De 41 munten (zie afbeelding van een deel ervan) zijn de zogenoemde solidi, de Romeinse standaardmunt, en bleken deel uit te maken van een goudschat uit het midden van de vijfde eeuw. Ze zijn geslagen in een lange tijdsperiode tussen 375 en 461. Een dergelijke gemengde samenstelling blijkt kenmerkend voor alle laat-Romeinse solidus-schatten. Al deze schatten bevinden zich buiten de grenzen van het Romeinse rijk (wat opmerkelijk is). In de vierde eeuw ontving een soldaat vier tot vijf solidi per jaar. Deze schat moet dus gezien worden als ongeveer 8 à 10 modale jaarsalarissen. De schat dient begrepen te worden binnen de context van de geleidelijke desintegratie van het West-Romeinse Rijk in de vijfde eeuw. Elders in dit blad lezen we dat de Romeinse goudschat uit Lienden rond 460 n.Chr. begraven zal zijn (wat niet juist is als de laatste munt uit 461 stamt!).
    Commentaar: kennelijk gaat het hier helemaal niet om een Romeinse schat, ook al bestaat deze uit Romeinse munten. Deze goudschat zal het bezit zijn geweest van een plaatselijk heerser, maar of die Frankisch is geweest, wat het artikel suggereert, is een aanname. Wat te denken van een of andere handelaar, die zijn geld verborg om het later weer op te halen? (Wat niet gelukt is overigens!)

  5. (AiN nr.4, september 2017).
    Romeinse en middeleeuwse vondsten in Odijk bij Bunnik. Tijdens een opgraving in Odijk werden resten van een Romeins grafveld en een middeleeuwse hofstede gevonden. Het Romeinse grafveld bevatte naar verhouding veel begravingen. Dat is uitzonderlijk omdat uit ander grafveldonderzoek blijkt dat men in die periode veelal de voorkeur gaf aan crematie. Tijdens het onderzoek zijn ook resten gevonden van de middeleeuwse hofstede 'Vinkenburg'. Deze blijkt veel ouder te zijn dan de vroegst bekende historische vermelding uit 1473. Uit de gevonden aardewerkscherven maken de archeologen op dat deze locatie al in de dertiende eeuw bewoond was.
    Commentaar: Ook hier ziet men weer hetzelfde gat tussen de Romeinse tijd en (hier zelfs) de dertiende eeuw!

  6. (AWN nr.4, september 2017).
    Een opgraving in Odijk. In een grafveld uit de Romeinse tijd werden ook sporen aangetroffen uit de late middeleeuwen en de nieuwe tijd.
    Commentaar: conclusies zijn dan ook niet mogelijk en werden ook niet gegeven in dit artikel.

  7. (AWN nr.4, september 2017).
    Romeinse brigresten bij Zuilichem.Willem Pleyte werkte de bevindingen uit en publiceerde die in de Mededeelingen van de Koninklijke Academie voor Wetenschappen (1895), Hierin waagde hij zich aan een Romeinse datering, gebaseerd op een vergelijkbaar voorbeeld uit Neuwied in Duitsland, dat weer voornamelijk gebaseerd was op beschrijving van de aanleg van tijdelijke houten jukbruggen door Caesar in zijn beroemde werk over de Gallische oorlogen.
    Hoewel de resten niet acuut bedreigd worden, kan dateringvan de brugresten belangrijke archeologische informatie opleveren. Mogelijk bestaan er verbanden met de aanwezigheid van Caesar in onze rivierengebied of met de Bataafse Opstand. Hoewel op basis van de waarnemingen van Pleyte, gebaseerd op de vorm van brugresten, een Romeinse oorsprong wordt verondersteld, is dat nog helemaal nietzeker. Ook Jan Bervaes oordeelde dat de bevindingen van Pleyte fout zijn.
    Commentaar: ook hier worden conclusies getrokken voordat er enig verder onderzoek heeft plaats gevonden.

  8. (AiN nr.3, juli 2017).
    Het mysterie van Medel. Bijzondere vondsten van het Btaafse platteland. Bij opgravingen in Medel vond men verschillende Romeinse vondsten die zelden worden aangetroffen. De periode zeer vroeg in de Romeinse tijd is tot op heden zeer moeilijk grijpbaar gebleken in ons archeologisch bestand. De datering van graven lijkt, op grond van de datering van enkele bijgiften, samen te vallen met de gebruiksfase van het grafveld. De bijbehorende nederzettingen zijn niet aangetroffen. Vooralsnog zijn er in dit gebied geen bewoningssporen aangetroffen. De interpretatie wordt bemoeilijkt door het grote aantal sporen dat uit de late middeleeuwen afkomstig is. Er is geen nederzetting van enige omvang aangetroffen.
    Samenvattend is de hypothese dat het bijna 4 hectare grote terrein plaats heeft geboden aan een villa, heiligdom en bijbehorende nederzetting. Uit de Betuwe kennen we maar weinig parallellen. Commentaar: het hele artikel blijkt een grote hypothese te zijn. De enkele vondsten worden naar de traditionele geschiedenis toe geredeneerd.

  9. (AiN nr.3, juli 2017).
    Omdenken. Column van Paul van der Heijden. In deze column beschrijft Van der Heijden de situatie van het zichtbaar maken van het verleden (visualisatie) in Nederland (Castellum Hoge Woerd) en vergelijkt het met die in Duitsland. In Nederland werd het Romeinse fort in een modern jasje gestoken. In Duitsland domineert een andere vorm van visualisering, namelijk die van wetenschappelijke reconstructies. De Romeinse tijd vertaalt zich in Nederland zich nog nauwelijks in ruimtelijk beleid. (Verzucht hij!) Zo weigeren steden als Voorburg en Nijmegen om hun morfologie van het Romeinse voorgangers (respectievelijk Forum Hadriani en Ulpia Noviomagus) te gebruiken voor stadsvernieuwingsprojecten. Allemaal gemiste kansen. (Klaagt Van der Heijden!). Nijmegen maakt het daarbij helemaal bont: in de recent aangebouwde wijkjes bovenop de Romeinse stad refereert helemaal niets aan de geschiedenis die er pal onder ligt. Daarentegen heeft de gemeente wel toestemming gegeven om honderden heipalen door de archeologische reste te slaan.
    Commentaar: daarmee geeft Van der Heijden dus al aan dat de Nederlandse visualisatie niet wetenschappelijk is. Zou het misschien kunnen zijn dat de gemeente meer realiteitszin en historische besef heeft dan Van der Heijden. Het is immers sinds jaar en dag bekend dat het Romeins in Nederland nauwelijks iets heeft voorgesteld. En daar zal een nominatie voor de UNESCO-lijst van werelderfgoed niets aan veranderen.
    Het 'helemaal niets' is overigens onjuist. Er bestaan talloze straatnamen die (soms onjuist zoals het Trajanusplein) aan het Romeinse verleden herinneren.


  10. (AiN nr.2, april 2017).
    Tweeduizend jaar fibula's in Leiden. Het is opvallend dat in de Nederlandse Romeinse legerplaatsen en nieuwe steden met name spelden ui Gallië worden gevonden (zie afbeelding hiernaast van de collectie fibula's -mantelspelden- van het Rijksmuseum van Oudheden. Klik op de afbeelding voor een vergroting).
    Commentaar: Het geeft precies het gebied aan waar de geschiedenis van Nederland vandaan komt: vanuit Galië.

  11. (AiN nr.2, april 2017).
    Het imago van de Chauken. Plunderende zeerovers of ondernemende terpbewoners? De archeologische gegevens en de karakterschets van Tacitus roepen een iets ander beeld op. Er zijn geen aanwijzingen dat de samenlevingen van de Chauken dreven op plundertochten. Hun 'plundertochten' tegen de Romeinen kwamen voort uit verzet.
    Commentaar: De Chauken worden als volksstam traditioneel geplaatst tussen de Friezen en de Elbe. Echter de Romeins schrijvers noemen nergens de Friezen en de Elbe, maar de Frisones en de Albis. De Frisones woonden in het oud Frisia aan de kust van Het Kanaal en de Albis was de Franse Aa in Frans-Vlaanderen.

  12. (AiN nr.2, april 2017).
    De Westfriese Omringdijk. Het aantoonbaar oudste dijklichaam in Noord-Holland is kort na 1287 en voor 1320 aangelegd. Uit de periode voor 1600 is in de archieven nauwelijks iets terug te vinden.
    Commentaar: Reeds in de 9e eeuw wordt dijkbouw al beschreven in Frans-Vlaanderen, waar het dus eerder bestond dan in Nederland. De eerste dijken in Nederland werden ook aangelegd in Zeeland door monniken van de St.Bertijnsabdij uit St.Omaars.

  13. (AiN nr.2, april 2017).
    De Friezen kwamen van Texel. Zo'n 700 jaar voor Christus was het grootste deel van Friesland moerassig en onbewoond. De eerste boeren die de oever- en kwelderwallen langs de kust verkenden moeten van elders zijn gekomen.
    Commentaar: Hiermee komt de opvatting te vervallen dat de Friezen altijd al in Friesland hebben gewoond.

  14. (AiN nr.2, april 2017).
    Een Skandinavische ring uit de Betuwe.Die kan op een Scandinavische, maar ook op een Angelsaksische herkomst wijzen. In Nederland is maar weinig vergelijkingsmateriaal gevonden. De ring is vermoedelijk van de Noormannen afkomstig en in de late tiende eeuw of kort daarop in de grond gestopt.
    Commentaar: De auteur (Luit van der Tuuk) noemt de Vikingperiode de tijd van de negende tot en met de elfde eeuw. Hij maakt dus geen onderscheid in de Noormannen (hoewel hij die wel 'Nordmanni' noemt), de Vikingen en de latere 'pirates' zoals Alpertus Mettensis ze noemt. Het zijn drie verschillende bevolkingsgroepen. De hier genoemde 'Scandinavische'ring kan ook een Angelsaksische zijn. In de late tiende eeuw kwamen er geen plundertochten van de Noormannen meer voor. De laatste Nortmannen tocht was in 925, dus begin 10e eeuw. Zie verder bij Noormannen. Overigens is van plunderingen door de Noormannen in de Betuwe geen enkel archeologische bewijs gevonden, niet in Utrecht, niet in Nijmegen en ook niet in Wijk bij Duurstede (dat dus niet Dorestad was).

  15. (AWN nr.2, april 2017).
    Een Romeins kampdorp in Alphen aan den Rijn.: 'We zitten met heel veel vragen. Wie woonden daar, plaatselijke bevolking? Wat deden ze? In een castellum verbleven 350 tot 500 militairen, die moesten toch allemaal te eten hebben. We denken dat in de kampdorpen net zoveel mensen woonden.'
    Commentaar: het castellum in Alphem zou er gestaan hebben van 41 n.Chr. Over het kampdorp, net buiten het castellum, weet men veel minder, wat wel uit de vragen blijkt.

  16. (AWN nr.2, april 2017).
    De kracht van impressietekeningen. Hoe laat je iets zien dat niet meer bestaat en waar weinig gegevens over zijn? Het is een van de grootste dilemma's van de publieksarcheologie. De kennis over de oudste stad van Nederland, Ulpia Noviomagus, is helaas vrij beperkt. Met name in het noorden van de Romeinse stad is weinig archeologisch onderzoek gedaan. Eťn van de schaarse aanknopingspunten leverde een beperkte opgravingsplattegrond op. De sleutel naar een zinvolle en beredeneerde impressie moeten we zoeken in Romeins Xanten (Colonia Ulpia Traiana), de grotere broer van Nijmegen. Hier is een mogelijk vergelijkbaar thermencomplex opgegraven, nu bekend (en bezoekbaar) als de Große Thermen. Aangezien deze badgebouwen ongeveer in dezelfde tijd zijn gebouwd (en misschien wel door dezelfde ingenieurs ontworpen), mag worden verondersteld dat er enige gelijkenis zal zijn tussen deze twee. Met de aanteke-ningdatdethermen in Nijmegen kleiner zullen zijn. In alle bovenstaande voorbeelden is er bovengronds niets te zien van het Romeinse verleden: geen archeologische resten en geen visualisaties. Impressietekeningen kunnen een bijdrage leveren aan de beeldvorming. Leg daarbij de nadruk dat het gaat om een impressie, en niet om een reconstructie. Mensen houden er niet van als blijkt dat ze worden bedot.
    Commentaar: het grootste probleem met impressietekeningen is dat er een beeld wordt geschets dat niet overeenkomt met de werkelijkheid. Vergelijk het maar met de schoolplaten van Isings. Het blijkt puur fantasie van de tekenaar te zijn. De opmerkingen van de auteur van dit artikel (Paul van der Heijden) over Nijmegen zijn opmerkelijk en geven precies het probleem van Romeins Nijmegen weer. Men heeft er niets om als onweerlegbaar bewijs te dienen. Het is slechts de 'namaak' van Xanten en andere Romeinse plaatsen, die wel bestaan. Het Romeinse karakter van Nijmegen valt, goed beschouwd, erg tegen. Er heeft slechts tussen 71 en ca.104 een Romeins legioen gelegen.

    Het is te hopen dat Van der Heijden zijn eigen advies eens ter harte neemt: mensen houden er inderdaad niet van om bedot te worden. Er is nog heel veel op te ruimen in Nijmegen. Zie bij NEP in Nijmegen.


  17. (AiN nr.2, februari 2017).
    "Het is opvallend dat in de Nederlandse Romeinse legerplaatsen met name spelden (fibulae) uit GalliŽ worden gevonden!"
    Commentaar:Men gaat nu langzaam ontdekken waar de Nederlandse geschiedenis vandaan komt: uit Frankrijk!

  18. Het Romeinse badhuis in Heerlen, door Karen Jeneson (AiN nr.1, februari 2017).
    Twijfel aan bepaalde reconstructies uit 1948 is de belangrijkste reden om nieuw onderzoek te doen. Bogaers concludeert dat het badhuis in Heerlen daarom niet uit de eerste eeuw onder keizer Claudius gebouwd kan zijn, zoals Van Giffen had gesteld, maar pas in de tweede eeuw. Daarnaast is van de opgraving van Bogaers nog helemaal niets uitgewerkt.
    Commentaar: Op grond van niet uitgewerkte opgravingsverslagen heeft de archeologie dus al conclusies getrokken. Het is een voorbeeld van hoe de archeologie werkt en gewerkt heeft. Zonder uitvoerige argumentatie trekt men voorbarige conclusies, die vervolgens een eigen leven gaan leiden en als tradities gehanteerd worden.

  19. Contact met de doden (AiN nr.1, februari 2017).
    In dit artikel van Martine van Haperen gaat het over heropende graven in de lage landen uit de vroege middeleeuwen. Veel graven uit de Merovingische periode (450-750 n.Chr.) blijken heropend te zijn geweest. het blijkt een algemeen voorkomend gebruik te zijn geweest in de cultus van de bevolking. Er werden objecten weggenomen, maar ook toegevoegd. Van grafroof is daarbij niet altijd sprake geweest, wat wel steeds als zodanig werd aangenomen. In sommige delen van de wereld is het heropenen van een graf nog steeds een ritueel gebruik.
    Commentaar: duidelijk is wel dat van een objectieve datering geen sprake meer kan zijn, aangezien niet is vast te stellen wat is weggehaald of toegevoegd.


  20. (AWN nr.1, februari 2017).
    Nieuw onderzoek naar de Brittenburg. Tom Buijtendorp verklaart enkele nieuwe inzichten te hebben naar de Brittenburg als sluitstuk van de Limes. Zie ook zijn bevindingen in AWN april 2019. Tom Buijtendorp bepleit dat de Brittenburg 'het sluitstuk van de limes' was. Tot heden onontdekte bronnen, die door dit onderzoek boven water gekomen zijn en herinterpretatie van bekend materiaal leveren nieuwe inzichten op, stelt hij.
    Commentaar: Herinterpretaies en nieuwe inzichten geven aan dat de oude inzichten dus onjuist waren. Maar of de geschiedenis die voornamelijk uit interpretaties bestaan ook wordt herschreven is nog lang wachten. Het is wel duideliojk dat de Brittenburg niet het Lugdunum van de Peutingerkaart was. Dat lag namelijk niet pal aan zee, maar er enkele mijlen vanaf. Zie bij de Peutingerkaart.


  21. (AWN nr.1, februari 2017).
    Archeologische vervuiling van de bodem.
    Teus Korevaar benoemt een zorgelijke ontwikkeling van gesleep van grond, waardoor vondstmateriaal op plaatsen terecht komt waar het oorspronkelijk niet thuishoort. Het is een toenemende probleem met als voorbeelden: bouwprojecten waarbij grond opgehoogd moet worden, bouwland opgehoogd wordt vanwege bodemdaling en het dempen van sloten of verzwaren van dijken. Als voorbeeld noemt hij de grote grondverplaatsing bij Alblasserdam dat veel Romeinse voorwerpen bevatte. Deze grond is verplaatst naar verschillende plekken in en buiten de polder. Korevaar merkt terecht op dat in de toekomst Romeinse voorwerpen kunnen worden gevonden op plekken waar in de Romeinse tijd nooit een mens een voet heeft gezet.
    Commentaar: van verplaatste grond is reeds in het verre verleden sprake geweest. Te denken valt aan de terpen in Friesland die uit opgehoogde grond bestaan, maar ook aan de vondst van enkele scherven in een dichtgegooide sloot in Amersfoort (zie daar). Plaatselijke Archeologen dateerden die scherven uit de 9e eeuw, waarmee zij concludeerde dat Amersfoort 200 jaar ouder was dan altijd was aangehouden.
    Het probleem dat Korevaar beschrijft heeft zich al talloze malen voorgedaan in Archeologisch Nederland!


  22. Een ander voorbeeld hiervan is de terp van Hogebeintum, met 8,80 meter boven NAP de hoogste terp van Friesland. Bij archeologisch onderzoek op deze terp bleek een laag uit de steentijd boven een laag uit de Romeinse tijd te zitten. In het opgravingsverslag staat het volgende: De op de grootste diepte aangetroffen scherf dateert uit de midden-Romeinse tijd, terwijl een scherf uit een hogere terplaag uit de ijzertijd dateert. (Bron: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort, 2018).
    Er is dus duidelijk sprake van grondverplaatsingen, waardoor de getrokken conclusies ter discussie moeten staan. Als een scherf op de grootste diepte uit de Romeinse tijd komt, kan de terp dus niet veel ouder zijn.

  23. (AWN nr.1, februari 2017).
    In Memoriam Jan Thijssen Het was Jan Thijssen die het gat van Nijmegen dichtte. Lange tijd werd aangenomen dat Nijmegen toen geheel verlaten was. Jan toonde aan, dat er wel degelijk continuÔteit van bewoning is geweest. Daarmee kon Nijmegen terecht de claim van oudste stad van Nederland leggen.
    Commentaar: er was dus toch een 'gat' te dichten, een 'gat' dat altijd ontkend werd? De 'bewijzen' die Thijssen voor het dichten van dat gat aanvoert, zijn slechts gebaseerd op veronderstellingen en hypothesen. Zie verder bij Nijmegen, oudste stad?

  24. (AWN nr.1, februari 2017).
    Op zoek naar Hamaland Afdeling 18 (Zuid-Salland, IJsselstreek, Oost-Veluwezoom) blijft voortvarend op zoek naar de grenzen van het aloude graafschap Hamaland. Eerder gingen vondsten van een door de afdeling onderzochte akker in Empe niet verder terug dan de veertiende eeuw en dat is te jong voor Hamaland, een graafschap in het Karolingische Rijk waarvan de naam al in de negende eeuw in geschreven bronnen verschijnt. Dat was een tegenvaller (zie Westerheem, oktober 2015), maar inmiddels is de afdeling weer een hoopgevend stukje verder. Het uitwerken van de vondsten die vrijwilligers in maart vorig jaar op een akker bij Terwolde verzamelden gaat nog steeds door en brengt mogelijk nieuwe aanwijzingen. Alle vondsten zijn nu gewassen, geteld, gewogen en voor een flink deel ook gefotografeerd. Voor een goed onderbouwde datering van het materiaal is de specialistische hulp van Emile Mittendorff (Archeologie Deventer) ingeroepen. Hij dateerde veel van de Pingsdorf-scherven in de tweede helft van de tiende en elfde eeuw, hoewel er ook wel enkele oudere scherven waren. De oudste scherven dateren zelfs uit het eind van de negende eeuw of begin tiende eeuw, terwijl de bewoning lijkt te eindigen aan het begin van de veertiende eeuw. Een bijzondere vondst van dezelfde akker bij Terwolde werd gedaan door een jongeman uit de buurt. Hij vond een zilveren denier, geslagen in Deventer tijdens Hendrik II (1002-1024). Vrijwel identieke munten zijn ook in Deventer geslagen door Adela van Hamaland (973-1018). 'Dichter bij Hamaland zijn we nog niet eerder geweest in ons onderzoek', aldus Afdeling 18 in haar nieuwsbrief van september. Een andere interessante vondst-categorie zijn meer dan honderd rolletjes lood van 1,5 tot 4 centimeter lang. Waarschijnlijk zijn ze gebruikt als netverzwaring. Soortgelijke loodrolIetjes zijn ook bekend uit Dorestad.
    Commentaar: Pingsdorf aardewerk wordt algemeen gedateerd tussen de 8e en 13e eeuw, dus daar bewijs je weinig mee. Er blijkt over dit Hamaland nog veel onduidelijk. Maar het Hamaland lag niet in Nederland, maar in Frankrijk. Zie mijn artikel in SEMafoor 2014.


Lees het boek "De Ware Kijk Op" en oordeel zelf!

Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.